CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

2021.0001380 b1 milieu effect rapportage.pdf

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 8 juli 2021, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: SESSIE 3. 19.00 - 20.30 uur (Heijezaal) Nota Vaststelling voorontwerpbestemmingsplan en concept-MER Park 21 (2021.0001380) - geheime bijlagen34.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2

De SDG’s zijn zeventien doelen om van de wereld een betere plek te maken in 2030. Ze zijn een mondiaal kompas voor uitdagingen als armoede, onderwijs en de klimaatcrisis. 3 Dit zijn de afwegingsprincipes die in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) centraal staan.

Blad 24 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

•

•

•

De robuuste parklaag bestaat uit minimaal 175-180 hectare openbaar vrij toegankelijke groen/blauwe prioritaire structuur en heeft een groeiambitie tot circa 360 hectare recreatieve groenvoorziening: o die de recreatieve verbinding tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep vormt; o die uitnodigende recreatieve structuren kent voor sport en beweging voor en door inwoners uit de gemeente Haarlemmermeer; o die daardoor een verleidend perspectief biedt aan ondernemers/investeerders in de zogenaamde parkkamers (leisurelaag) in de parklaag; o die een duurzame groene/blauwe verbinding vormt in oost-west richting. De parklaag wordt klimaatadaptief ingericht, waarbij minimaal het verbeterde droogmakerijsysteem voor het watermanagement wordt ingericht om minimaal een toekomstbestendig watersysteem te realiseren. De biodiversiteit wordt versterkt passend binnen de biotoopkenmerken van de regio.

Dit hoofddoel van PARK21 verbindt een tweetal nevendoelstellingen die randvoorwaardelijk zijn voor een evenwichtige, toekomstbestendige en volwaardige transformatie naar een multifunctioneel recreatief gebied. Deze nevendoelstellingen worden hierna beschreven. De polderlaag biedt perspectief voor transitie van de landbouw zodat de landbouwsector in PARK21 ook op de lange termijn een belangrijke plek kan behouden. • Met landbouw die past binnen het landschap en de hoofddoelstelling van PARK21. • Die individuele bedrijven de mogelijkheid biedt te transformeren en verbreden naar toekomstbestendige vormen van landbouw, zoals, maar niet uitsluitend: o kringlooplandbouw, waarbij ook PARK21 in zijn volle brede versterkt wordt door relaties aan te gaan op gebied van bijvoorbeeld ecologie en beleving; o verbrede (stads)landbouw die een bijdrage levert aan de voedselopgave in de stedelijke context en welke gebruik maakt van duurzame productiemethoden (bijvoorbeeld door implementatie van het VDS); o door de verbinding te zoeken met de recreatieve en/of educatieve doelstellingen van PARK21 en/of met de innovatieve en educatieve opgave van de regionale landbouw, waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de sustainable development goals (belangrijkste afgeleiden daarvan behorende bij de gebiedsdoelstellingen) en waarop gemeente toetst aan een minimale ondergrens die middels het MER en

navolgend bestemmingsplan wordt verdiept en verankerd; • Onder voorwaarde dat het unieke karakter van onder andere de polderlinten wordt behouden en geen afbreuk wordt gedaan aan de overige doelstellingen van PARK21 en de Omgevingsvisie Haarlemmermeer. • Zodat een bijdrage wordt geleverd aan de sociale en economische vitaliteit op het platteland, inclusief cultuurhistorie, het behoud of de versterking van de identiteit van de Haarlemmermeer en de Duin- en Bollenstreek, educatie, recreatie, zorg, innovatie etc. De leisurelaag biedt een duurzame stimulans voor het doorgroeien van PARK21. Door: • Het bieden van ruimte in de parklaag middels de zogenoemde Parkkamers. De parkkamers dragen door invulling met vrijetijdsvoorzieningen bij aan de parkbeleving. Daarbij is sprake van een juiste balans tussen de groenbeleving en de voorzieningen. In de basisstructuur is minimaal 15 tot 20 hectare ingevuld door de leisurelaag. Het streefeindbeeld is, dat maximaal 1/3 van PARK21 als leisurelaag wordt ingevuld; • Het bieden van ruimte voor duurzame, educatieve, innovatieve of recreatieve ondernemers:

Blad 25 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

o o

•

3.3

mits zij per saldo bijdragen aan de hoofddoelstelling van PARK21; mits zij de verbinding met PARK21 aangaan door de parklaag, en zijn gebruik, te verbreden, vergroten en te versterken; o mits zij van toegevoegde waarde zijn voor PARK21 als geheel; o mits zij een aantoonbare behoefte met voldoende (regionaal) draagvlak in het verzorgingsgebied kennen; o mits zij geen onevenredige overlast veroorzaken op gebied van verkeer, geluid, licht etc. voor PARK21 en omliggende functies; o waarbij de voorkeur wordt gegeven aan aanvullende functies boven reeds bestaande functies (ook regionaal), om zo te werken aan een divers aanbod aan recreatieve voorzieningen; o waarbij de voorkeur uitgaat naar participatie in beheer en onderhoud door de ondernemers; o waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de sustainable development goals (belangrijkste afgeleiden daarvan behorende bij de gebiedsdoelstellingen) en waarop gemeente toetst aan een minimale ondergrens die middels het MER en navolgend bestemmingsplan wordt verdiept en verankerd. Zonder op welke manier ook afbreuk te doen aan de hoofddoelstelling van PARK21 of de doelstellingen van de omgevingsvisie Haarlemmermeer.

Referentiesituatie In het milieueffectrapport wordt de plansituatie (inclusief ontwikkeling) vergeleken met de referentiesituatie. De plansituatie is de situatie na uitvoering van de plannen in een vooraf bepaald referentiejaar. De referentiesituatie is de situatie zonder planontwikkeling, in dat jaar. Die wordt bepaald door de huidige situatie inclusief de trends en ontwikkelingen, die plaats zullen vinden gedurende de planperiode, zonder dat daarvoor nieuwe ruimtelijke besluiten noodzakelijk zijn. Door de plansituatie en referentiesituatie met elkaar te vergelijken ontstaat een duidelijk beeld van de effecten die ook daadwerkelijk het gevolg zijn van het plan. De plansituatie wordt in twee scenario’s, te weten de basisvariant en de maximale variant onderzocht. Er is gekozen voor deze twee varianten omdat beide het uiterste beschrijven van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de gegeven doelstellingen en kaders. De twee varianten beschrijven daarmee de twee uitersten van de ontwikkeling van PARK21. Planjaar De plantermijn van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte dat voor PARK21 wordt opgesteld is 20 jaar. De ontwikkeling van de basisvariant (zie hoofdstuk 4 voor een nadere beschrijving van de te onderzoeken varianten) wordt echter voorzien voor 2030. Als planjaar voor de basisvariant wordt daarom 2030 gehanteerd.

Voor de ontwikkeling van de maximale variant is in principe 2040 het planjaar. Vanwege de onzekerheid over (onder andere) maatschappelijke, technologische en klimatologische trends is het lastig om voor een dergelijke lange plantermijn concrete uitspraken over milieueffecten te willen doen. Bovendien speelt mee dat de exacte ontwikkeling van PARK21 nog onzeker is en daarmee ook de effecten. Het is goed denkbaar dat de transformatie van PARK21 eerder “afgerond” is dan het eindjaar 2040. Een dergelijk eindbeeld bevindt zich tussen de varianten in, ook qua milieueffecten. Voor het MER staat het op hoofdlijnen in beeld brengen van worst case effecten en het bepalen van noodzakelijke randvoorwaarden en spelregels centraal.

Blad 26 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Autonome ontwikkelingen en raakvlakprojecten In de omgeving van PARK21 spelen diverse ontwikkelingen, die medebepalend zijn voor de effecten van de transformatie van het plangebied. Als deze ontwikkelingen al vastgelegd zijn in ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zijn dit autonome ontwikkelingen. Deze worden hoe dan ook betrokken in de referentiesituatie. Andere plannen en projecten zijn nog in voorbereiding, maar kunnen de effecten van PARK21 dermate significant beïnvloeden dat het nodig is ze bij de effectbeoordeling te betrekken. Dit worden raakvlakprojecten genoemd.

3.3.1

Verkeersstructuur Haarlemmermeer is een dynamische gemeente met vele vraagstukken en opgaven die in samenhang gerealiseerd worden. Wonen, verkeer en recreëren moeten hand in hand oplopen, zonder elkaar daarbij te belemmeren. Het is een opgave gebleken om in het bestaande verkeersnetwerk toekomstige woningbouwopgaven én PARK21 gezamenlijk inpasbaar te maken tot 2030 en tussen 2030 en 2040. Uit de in 2020 uitgevoerde verkeersonderzoeken is gebleken dat tot 2030, met een aantal autonome, kleinschalige verkeersnetwerkaanpassingen, voldoende verkeersruimte voor de start van PARK21 ontstaat, naast de beoogde woningbouw en bedrijventerreinenontwikkelingen. Na 2030 is een structurele uitbreiding van de infrastructuur noodzakelijk om de toename van verkeer in de toekomst te kunnen faciliteren. In dat licht zou er geen ontwikkelruimte beschikbaar zijn voor PARK21, ook al veroorzaakt PARK21 met name verkeer buiten de reguliere spitsperiodes. Ook in 2030 is er sprake van potentiële knelpunten. Voor beide planjaren wordt in dit MER uitgegaan van de realisatie van enkele maatregelen in de verkeersstructuur, waarmee deze het geheel aan voorgenomen gebiedsontwikkelingen in en rond PARK21 voldoende kan afwikkelen. Dit is in hoofdstuk 5 uitvoerig beschreven en hierna samengevat.

In 2030 gaat het om een korte termijn maatregel op het kruispunt BennebroekerwegRijnlanderweg, waarbij het wordt vormgegeven als een koude kruising (waarop verkeer uit alle richtingen enkel rechtdoor kan) met een dubbel opstelvak voor verkeer in oostelijke richting. In 2040 zijn de ingrepen omvangrijker, dan wordt uitgegaan van een vergrote capaciteit van de Nieuwe Bennebroekerweg op het huidige tracé tussen de N205 en de A4 en vormgeving van de kruisingen met verkeersregelinstallaties (VRI’s). Ook de kruisingen op de Noordelijke Randweg worden aangepast. Uit de verkenning van deze maatregelen blijkt dat met de maatregelen een goede doorstroming wordt bereikt, bij volledige ontwikkeling van het woon- en werkprogramma in de gemeente Haarlemmermeer (zie volgende paragrafen). De autonome verkeersmaatregelen voor 2030 zijn zonder ruimtelijke procedures toe te passen. Voor de grote aanpassingen richting 2040 moeten nog wel besluiten worden genomen. Dit is een van de redenen dat in het MER een basisvariant wordt onderzocht, met planjaar 2030, en een maximale variant met planjaar 2040. Van deze maximale variant is op voorhand duidelijk dat de uitvoerbaarheid afhankelijkheid is van de infrastructurele maatregelen, die in feite een raakvlakproject vormen. Dit vraagt om een goede voorwaardelijke regeling in het bestemmingsplan verbrede reikwijdte PARK21.

Dit sluit echter goed aan bij de voorgenomen organische ontwikkeling van PARK21, waarbij naast de initiatieven die zich aandienen, ook de ontwikkelruimte die op een gegeven moment beschikbaar is bepalend is voor de snelheid van transformatie.

Blad 27 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

3.3.2

Referentiesituatie 2030 Voor de autonome situatie 2030 wordt uitgegaan van de ontwikkeling van een deel van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in Haarlemmermeer. Om rekening te houden met een ontwikkelingen in verschillende planfasen, sommige zeker en sommige minder zeker, mee te wegen is ter indicatie een globaal programma opgenomen. Hoewel deze nog niet allen juridischplanologisch zijn vastgelegd, is er voor PARK21 voor gekozen om in alle gevallen rekening te houden met het doorgaan van deze ontwikkelingen. Op deze wijze wordt voorkomen dat PARK21 op voorhand de ontwikkeling van woningbouw en bedrijventerreinen beperkt. Een nadere onderbouwing van deze uitgangspunten is opgenomen in het verkeersonderzoek. De belangrijkste ontwikkelingen die behoren tot de referentiesituatie 2030 zijn (waarbij de genoemde aantallen gelden t.o.v. de situatie in 2021): • Woningbouw Pionier Bols; • Woningbouw Nieuw Vennep West; • Woningbouw Lisserbroek-Noord; • Woningbouw Lisserbroek Binnen Turfspoor; • Woningbouw Hoofddorp Zuidrand (de Parken); • Woningbouw Cruquius en Hoofddorp-Noord; • Woningbouw Stadscentrum (incl. Hyde Park); • Schiphol Trade Park: groeit als bedrijventerrein; • Rooseveltpark en De President groeien als bedrijventerreinen; • Ingebruikname HOV Noordwijk-Schiphol. Dit resulteert gezamenlijk in circa 10.500 extra woningen tot 2030 en circa 7.000 arbeidsplaatsen.

Een deel van PARK21 in zones 1 en 2 is al opgenomen in het bestemmingsplan “Nieuw-Vennep PARK21 deelgebied 1” (2012) en de beheersverordening “Haarlemmermeer 2014” (2014) . Dit deel van het park is ook al aangelegd en in gebruik genomen. In dit milieueffectrapport worden de effecten van de realisatie van het resterende deel van PARK21 onderzocht, omdat deelgebied 1 tot de autonome situatie behoort. De doelstellingen voor PARK21 en de beoogde verdeling tussen de park-, polder- en leisurelaag gelden echter voor het gehele gebied. In deelgebied 1 zijn aan de IJweg onder meer een manege en een tuincentrum aanwezig. In parkkamers is in totaal 15 hectare aan leisurefuncties aanwezig: een professioneel honkbalcomplex, een rugbyaccomodatie, een elektrisch motorcrossterrein en verschillende recreatieve voorzieningen zoals een klimpark. In totaal is 51 hectare parklaag gerealiseerd. In de linten zijn in de afgelopen jaren omgevingsvergunningen afgegeven voor verscheidene ontwikkelingen. Deze behoren daarom tot de referentiesituatie. De totale oppervlakte van het plangebied is 1019 hectare. Daarvan beslaat aanwezige infrastructuur (spoorwegen, wegen en vaarten) in totaal 57 hectare. De omvang van het reeds getransformeerde gedeelte is 84 hectare. Het plangebied waar dit MER direct betrekking op heeft is de resterende 878 hectare.

Figuur 3.3: Schets huidige situatie (noordelijk deel zone 1 en 2)

Blad 28 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

3.3.3

Referentiesituatie 2040 Voor de effectbeoordeling van de maximale variant wordt uitgegaan van de realisatie van een aantal infrastructurele maatregelen zoals hiervoor beschreven. Een tweede uitgangspunt is dat de ontwikkeling van de prioritaire structuur heeft plaatsgevonden voor 2030. Daarnaast wordt rekening gehouden met de realisatie van de volgende ruimtelijke ontwikkelingen (waarbij de genoemde aantallen gelden t.o.v. de situatie in 2021): • Woningbouw Pionier Bols; • Woningbouw Nieuw Vennep West; • Woningbouw Lisserbroek-Noord; • Woningbouw Lisserbroek Binnen Turfspoor; • Woningbouw Hoofddorp Zuidrand (de Parken); • Woningbouw Cruquius – Zwaanshoek; • Woningbouw Bennebroekerdijk; • Woningbouw Hoofddorp-Noord; • Woningbouw Stadscentrum (inclusief Hydepark); • Groei bedrijventerrein Schiphol Trade Park; • Woningbouw Rooseveltpark; • Groei bedrijventerrein De President; • Woningbouw Nieuw-Vennep Nieuwe Kom; • Woningbouw Nieuw-Vennep zuid, Hoofdweg-oostzijde diverse kleinschalige projecten; • Woningbouw Nieuw-Vennep station; • Woningbouw Zwaanshoek diverse kleinschalige woningbouwprojecten. Dit resulteert gezamenlijk in circa 21.600 extra woningen tot 2040 en circa 5.000 arbeidsplaatsen.

3.3.4

Raakvlakprojecten en relevante trends Naast de hiervoor genoemde projecten, die onderdeel uitmaken van de referentiesituatie voor 2030 respectievelijk 2040, zijn de volgende raakvlakprojecten voor PARK21 relevant: • Opwaardering van de Nieuwe Bennebroekerweg en andere infrastructurele ingrepen in gemeente Haarlemmermeer (zie ook 3.3.1); • Luchthavenindelingbesluit Schiphol / herverdeling luchtruim; • Mogelijkheid tot doortrekken van de Noord-Zuidlijn in de Haarlemmermeer; Belangrijke trends met impact op (de milieueffecten van) PARK21 zijn onder meer: • Klimaatverandering; • De energietransitie en het landelijke en regionale beleid dat daarvoor ontwikkeld is en wordt; • Demografische ontwikkelingen, zoals vergrijzing en veranderende huishoudensomvang; • De ontwikkelingen en mogelijke transitie in de landbouwsector; • De achteruitgang van biodiversiteit en ecologische waarden; • Technologische ontwikkelingen, met gevolgen voor emissies, grondstofgebruik en afvalproductie; • Mobiliteitsontwikkelingen (deelvoertuigen, zelfrijdende voertuigen etc.); • Verandering van de maatschappelijke behoefte aan (specifieke typen) recreatiegebieden, bijvoorbeeld de groei van het aantal evenementen; • Verandering van de maatschappelijke behoefte aan (specifieke typen) recreatiegebieden, bijvoorbeeld de groei van het aantal evenementen en de behoefte aan meer sporten en bewegen in de buitenlucht;

Blad 29 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

4

Te onderzoeken varianten

4.1

Inleiding De doelstellingen, voorgeschiedenis, eigendomsverhoudingen en interne botsproeven met specialisten hebben invulling gegeven aan een uitwerking van het planvoornemen op hoofdlijnen. De totale omvang van PARK21, exclusief infrastructuur, is ca. 960 hectare. Op basis van de doelstellingen in paragraaf 3.2 is het streefeindbeeld een verdeling van 1/3 – 1/3 – 1/3, maar geldt dat dit voor de polderlaag en parklaag een minimum is en voor de leisurelaag een maximum. Er is dan ook een bandbreedte aan eindsituaties mogelijk, die voldoen aan dit streven. Er worden twee planvarianten onderscheiden die in het MER worden onderzocht: een basisvariant en een maximale variant. De basisvariant bestaat uit de prioritaire structuur inclusief ontwikkelruimte voor initiatieven. De realisatie van dit deel van het voornemen is voor 2030 voorzien en wordt in het bestemmingsplan direct mogelijk gemaakt (met flexibiliteit). Omdat de transformatie, los van de prioritaire structuur, nog onzeker is, zowel qua verloop als qua invulling, zijn er tal van eindbeelden mogelijk.

Met de maximale variant wordt een indicatieve maximale invulling van PARK21 in 2040 onderzocht die aansluit bij de nu voorziene kaders voor PARK21, te denken valt bijvoorbeeld aan een zone-indeling voor functies, de doelstellingen per laag en de complete ontwikkeling volgens de verdeling 1/3 parklaag, 1/3 leisurelaag en 1/3 polderlaag. Met deze hypothetische invulling worden de worst case milieueffecten onderzocht. In de volgende paragrafen worden eerst de uitgangspunten beschreven die voor beide varianten gelden. Vervolgens worden de programmatische en ruimtelijke kaders per variant behandeld.

4.2

Algemene uitgangspunten De ontwikkelstrategie van PARK21 draait om samenwerking van partijen. De gemeente creëert condities, stimuleert en begeleidt. Publiek/private samenwerking is noodzakelijk voor het waarmaken van de recreatieve ambities. Speciale doelgroep hierbij zijn de huidige agrariërs die mogelijkheden krijgen geboden en gefaciliteerd worden door de gemeente om in de polderlaag te komen tot agrarische transformatie met kansen op verbreding in relatie tot de stad en de omringende parkontwikkelingen (productverkoop, bed&breakfast, zorg, etc). Een belangrijke voorwaarde voor het welslagen is dat de ontwikkeling niet alleen van buiten wordt geïnitieerd, maar ook door de sector zelf gedragen wordt. Wegens de focus op ontwikkeling op basis van private initiatieven vormt de kavelgewijze ontwikkeling het uitgangspunt (in plaats van een ontwikkelingsstrategie per deelgebied), waarbij het niet zeker is welke kavel op welk moment transformeert. Parkkamers Omsloten door de parklaag worden parkkamers gerealiseerd, waar ruimte is voor initiatieven die verenigbaar zijn met de doelen van PARK21. De invulling van een deel van deze parkkamers is al concreter uitgewerkt. Nabij de toekomstige HOV-halte op de Zuidtangent worden, in zone 2 een parkhart en een recreatieplas aangelegd.

Ten oosten van de Zuidtangent, in zone 3, wordt verwacht dat een educatieve proeftuin kan worden gerealiseerd en ten zuiden daarvan een polderuiterwaarde. In de overige zones worden eveneens parkkamers gerealiseerd, waar verschillende typen initiatieven een plek kunnen krijgen.

Blad 30 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Parkhart Het Parkhart is een drager van de recreatieontwikkeling, welke ontwikkeld kan worden tot een centrum voor buitenrecreatie en outdoor activiteiten, gecombineerd met horeca en indoor voorzieningen nabij de recreatieplas. Recreatieplas In PARK21 is een recreatieplas voorzien. De plas krijgt een recreatieve (zwemwater)functie. Over de randvoorwaarden en ontwerpuitgangspunten is overeenstemming tussen gemeente en hoogheemraadschap. De wijze waarop de plas wordt gevoed (regenwater, boezem of VDS) is nog niet bepaald. De plas krijgt een eigen peil en mag onder reguliere omstandigheden 50 cm fluctueren (seizoensfluctuatie). Ontwikkelingen in de linten In PARK21 wordt in ontwikkelruimte in de linten voorzien als onderdeel van de polderlaag. De ontwikkelruimte is verspreid over de agrarische erven in het plangebied. De ontwikkelruimte gaat gepaard met de transformatie van het agrarisch gebied naar polderlaag conform de doelstellingen die voor deze laag gelden. Op de erven wordt ruimte geboden voor verbreding van de agrarische bedrijven, met bijvoorbeeld een vergadercentrum, B&B of kleinschalige horeca en detailhandel. Verbeterd droogmakerij systeem Het VDS is een vorm van flexibel peilbeheer. Het gebied krijgt een waterpeil met een bandbreedte tussen het peil van de polderboezem en het oorspronkelijke zomerpeil van de vakbemaling..

Als het water boven het maximale peil komt stroomt het water het gebied uit, de polderboezem in. Uitgangspunt voor PARK21 is dat het VDS wordt toegepast in de park- en leisurelaag en op vrijwillige basis in de polderlaag. Meer informatie over het VDS is te vinden in het Achtergrondrapport Groenblauw en hoofdstukken 8 en 15 van dit MER. Retentiebekken (polderuiterwaarde) In het plangebied van PARK21 bestaat, als gevolg van het verkleinen of dempen van watergangen, een tekort aan waterbergend oppervlak. Ten behoeve van een robuust watersysteem dat water vast kan houden ten tijde van piekbuien in combinatie met de voorgenomen aanleg van verhard oppervlak is extra waterbergend oppervlak benodigd. Deze extra compensatie kan gedeeltelijk worden gezocht in de toename van het wateroppervlak en het bewust aanleggen of gebruiken van reeds lage delen die door onderlopen bij een peilstijging een bijdrage levert aan de bergingscapaciteit. In zone 3 wordt hiervoor een polderuiterwaarde (retentiebekken) ingericht. Het retentiebekken is geprojecteerd in het zuiden van zone 3 op een deel met laag maaiveld op een actuele hoogte van ca NAP -5,67 m. Ophoging en inrichting Zowel de parklaag als de parkkamers worden gedeeltelijk opgehoogd.

Voor de ophoging wordt uitgegaan van een ophoging ten opzichte van het bestaande maaiveld van gemiddeld 2 meter voor de parklaag en 0,25 meter voor de parkkamers. De parklaag varieert van 0 tot 4 meter in hoogte. In het plangebied is een baggerslibdepot aanwezig (in zone 5), waar afgeweken zal worden van deze hoogtes. Aan deze locatie wordt een landschappelijke invulling gegeven met een landmark op een heuvel, waarmee tevens de verbinding over het spoor kan worden gemaakt. De verbindende parklaag heeft een variabele breedte van 65 tot 115 meter. Hieronder zijn principeprofielen opgenomen van de beoogde inrichting van de prioritaire structuur. Voor de parklaag is een concept beplantingsstrategie opgesteld, de ‘Leidraad groene bouwsteen’. Deze vormt een belangrijke leidraad bij de inrichting van de parklaag.

Blad 31 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Figuur 4.1: Principe oplossing voor dwarsdoorsnedes prioritaire structuur (parklaag)

Infrastructuur In de prioritaire structuur wordt infrastructuur gerealiseerd in de vorm van de parkweg en fiets-, wandel- en ruiterpaden. De parkweg ontsluit de parkkamers in het westelijk deel op het omliggende wegennet. De parkweg is voorzien vanaf het honkbalstadion in zone 1 (waar het eerste stuk al is gerealiseerd) en loopt door zone 1 en 2 naar het oosten, aan de oostzijde van de Nieuwekerkertocht naar het zuiden en sluit ter hoogte van de Operaweg aan op de Noordelijke Randweg Nieuw-Vennep. Met deze weg ontstaat een ontsluitingsroute voor de parkkamers in de prioritaire structuur in zone 1, 2 en 3, zodat deze niet op de polderlinten (IJweg en Hoofdweg) hoeven te worden aangesloten. Met de bestaande ontsluitingsweg van het baggerdepot langs het spoor van noord naar zuid in zone 5 wordt ook in die zone voorkomen dat regulier verkeer vanuit de parkkamers wordt afgewikkeld op het polderlint (Rijnlanderweg). Deze bestaande parallelweg langs het spoor maakt in de toekomst in zone 5 ook een lus om het huidige baggerdepot heen, om als dienstweg te kunnen worden ingezet bij evenementen. De hoofdroute voor het langzaam verkeer slingert vanaf de Drie Merenweg door de zes zones tot de verzorgingsplaats langs de A4, waar deze aansluit op de bestaande parallelstructuur langs de A4 naar het noordoosten. In deze route worden een wandelpad, fietspad en ruiterpad gebundeld.

Op de bestaande HOV-baan tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep door PARK21, wordt een nieuwe halte gerealiseerd ter hoogte van het parkhart.

4.3

Basisvariant De basisvariant bestaat uit circa 180 hectare prioritaire structuur in de vorm van parklaag met parkkamers, die in aanvulling op het reeds aangelegde deelgebied 1 als een verbinding tussen oost en west en tussen noord en zuid door PARK21 wordt gerealiseerd. Deze prioritaire structuur bestaat uit een parklaag die gedeeltelijk wordt opgehoogd en waarbinnen parkkamers worden gerealiseerd. Onderdeel van de basisvariant zijn een recreatieplas in zone 2 en een polderuiterwaarde in zone 3, alsmede de totale verbinding tussen oost (Westeinderplassen) en

Blad 32 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

west (duingebied). Ook wordt binnen de prioritaire structuur het verbeterd droogmakerij systeem (VDS) toegepast. Voor de ontwikkeling van de basisvariant, zal ook een gedeeltelijke transitie van het huidige landbouwgebied kavelgewijs plaats vinden. Naast verandering van landbouw naar park en leisure (parkkamers) is er ook sprake van transitie van huidige landbouw naar multifunctionele landbouw. Als voorbeeld wordt de boerderij ‘Kleine Vennep’ genoemd die reeds transformeert naar een landgoed met verbrede mogelijkheden. In totaal, inclusief deelgebied 1 en de getransformeerde polderlaag, ontstaat een ontwikkeling van meer dan 300 hectare binnen PARK21 door het realiseren van de basisvariant. In de onderstaande figuur is een indicatieve uitwerking van de prioritaire structuur opgenomen, waarbij zowel in zone 2 als zone 4 een zuidelijke optie is gekozen. Dit is de worst case invulling van de prioritaire structuur, doordat in de zuidelijke varianten landschappelijk meer ruimte mogelijk wordt geacht aan leisure activiteiten. Door rekening te houden met de maximale invulling van parkkamers met leisurevoorzieningen, wordt er rekening gehouden met de maximaal te verwachten milieueffecten.

Figuur 2.6: Indicatieve prioritaire structuur (zuidelijke variant in zone 2 en 4)

Parkkamers Naast het parkhart en een mogelijke educatieve proeftuin kan er nog ca. 80 hectare aan parkkamer gecreëerd waar leisurevoorzieningen een plek kunnen krijgen. In totaal gaat het om maximaal 100 hectare als worst case voor de milieueffectbeoordeling. De invulling van de parkkamers moet passen bij en liefst bijdragen aan de doelstellingen van PARK21. De thematische typering per zone is een streven voor het eindbeeld. In de onderstaande tabel zijn de uitgangspunten voor de basisvariant per zone opgenomen. Met de uitgangspunten uit de tabel worden per gebiedsonderzoek (luchtkwaliteit, geluid, verkeer, etc.) worst case aannames gedaan over enerzijds de landinrichting (grondbalans en benodigde werkzaamheden) en anderzijds de emissies in de plansituatie, wanneer in alle parkkamers initiatieven zijn gerealiseerd. Er wordt bijvoorbeeld uitgegaan van de aanleg van minimaal 180 hectare prioritaire structuur, in plaats van 175 hectare, omdat nog niet zeker is hoe groot deze exact wordt. Voor de parkkamers wordt een maximaal oppervlak aan ontwikkelruimte aangehouden.

Blad 33 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Tabel 2.2: Uitgangspunten basisvariant (totale nieuwe ontwikkeling)

Zone 1

Zone 2

Zone 3

Zone 4

Zone 5

Zone 6

Typering zone

Sport en recreatie

Watersport en recreatie

Landbouw, innovatie en educatie

Landbouw, cultuur en educatie

Landbouw en park

Te realiseren prioritaire structuur Ruimte voor functies Indicatie nieuwe functies

20 ha

55 ha, inclusief ca. 25 ha recreatieplas

50 ha

25 ha

Landbouw en grootschalig e recreatie 25 ha

Totaal

5 ha

180 ha

17 ha

37 ha

6 ha

20 ha

20 ha

-

100 ha

Buitensportvoorzieninge n

Natuurbegraafplaats , (openlucht)museum. 1,5 ha

-

1,5 ha

Proeftuin met hotel, kenniscentrum 1,5 ha

Evenementenlocatie

Ontwikke lruimte in de linten Indicatie nieuwe functies in de linten

Watersport, vakantieresort, parkhart 3 ha

1,5 ha

3 ha

12 ha

Verbrede agrarische activiteiten, zoals horeca, bed & breakfast, vergadercentra.

Wanneer een parkkamer niet of niet geheel wordt ontwikkeld, zal deze (gedeeltelijk) openbaar toegankelijk en daarmee onderdeel van de parklaag blijven. Wordt een parkkamer wel ontwikkeld, dan kan de parkkamer groter zijn dan sec de ontwikkelruimte, omdat bijvoorbeeld de landschappelijke afscheiding, ondersteunende voorzieningen en de infrastructuur om ruimte vragen. Circa 700 hectare van het plangebied (878 hectare minus 175-180 hectare prioritaire structuur) blijft in de basisvariant dezelfde functie behouden als dit nu heeft.

4.4

Maximale variant In de maximale variant wordt een indicatief eindbeeld van PARK21 gebruikt om de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te onderzoeken. In dit eindbeeld is geheel PARK21 getransformeerd, wat betekent dat het park bestaat uit een parklaag, een polderlaag en een leisurelaag in een 1/3-1/31/3 verhouding. In totaal is ca. 360 hectare aan recreatief groen gerealiseerd, inclusief de prioritaire structuur en deelgebied 1, dat tot de autonome situatie behoort. De polderlaag omvat

Blad 34 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

minimaal 1/3 van het gebied, waar landbouw de hoofdfunctie blijft. Maximaal 1/3 wordt in parkkamers als leisurelaag met diverse recreatieve voorzieningen ingericht. De onderstaande tabel geeft de te onderzoeken variant weer voor de situatie zonder en met het reeds gerealiseerde gedeelte van PARK21. De omvang van de polderlaag en de parklaag is groter dan 1/3 per laag, van de leisurelaag is de omvang flink kleiner dan 1/3. De gehanteerde 175 hectare is het uitgangspunt voor de totale ontwikkelruimte voor functies in parkkamers. Wanneer een parkkamer niet of niet geheel wordt ontwikkeld, zal deze (gedeeltelijk) openbaar toegankelijk en daarmee onderdeel van de parklaag blijven. Wordt een parkkamer wel ontwikkeld, dan kan de parkkamer groter zijn dan sec de ontwikkelruimte, omdat bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing, ringwater als afscheiding en compensatie, ondersteunende voorzieningen en de infrastructuur om ruimte vragen. Voor de worst case benadering wordt uitgegaan van de aangegeven of ingeschatte indicatieve ontwikkelruimte per functie. Tabel 2.3: Verdeling lagen in maximale variant

Maximale variant Parklaag Polderlaag Leisurelaag Totaal

350 350 175 875

Inclusief deelgebied 1 400 370 190 960

In de bovenstaande tabel zijn de uitgangspunten per zone voor de maximale variant beschreven. Hierin wordt in totaal rekening gehouden met 350 hectare nieuw te realiseren parklaag, bovenop de bestaande 51 hectare in deelgebied 1, die deel uit maakt van de referentiesituatie. Hiermee wordt ruim voldaan aan het streven om meer dan 1/3 parklaag te realiseren. Er wordt rekening gehouden met in totaal 175 hectare aan ontwikkelruimte voor leisure in de parkkamers, in aanvulling op de 15 hectare die tot de referentiesituatie behoort. De rest van de beschikbare ruimte voor de leisurelaag (max 1/3 van het totaal) kan worden benut voor de ontsluiting en landschappelijke inpassing en de afscheiding middels water op het snijvlak van de leisure- en parklaag. De polderlaag zal met deze uitgangspunten nog circa 370 hectare beslaan. Afhankelijk van het verloop van de transformatie kan de polderlaag echter kleiner zijn. Voor enkele thema’s en in het bijzonder voor de landbouwsector is het van belang om naar de effecten te kijken wanneer de omvang van het totale agrarische gebied (polderlaag en/of voortzetting van de bestaande agrarische activiteiten) wordt teruggebracht tot 320 hectare, 1/3 van de totale 960 hectare. In de polderlaag wordt in totaal 21,5 hectare aan ontwikkelruimte voorzien voor verbrede agrarische activiteiten.

Blad 35 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Tabel 2.4: Uitgangspunten maximale variant

Uitgangspunt verdeling lagen, maximale variant 100% 80% 60% 40% 20% 0% zone 1

zone 2

zone 3 Parklaag

zone 4

zone 5

Leisurelaag

Polderlaag

zone 6

Totaal

Zone 1

Zone 2

Zone 3

Zone 4

Zone 5

Zone 6

Typering zone

Sport en recreatie

Watersport en recreatie

39,5 ha

49 ha

Landbouw, cultuur en educatie 25 ha

Landbouw en grootschalige recreatie 45 ha

Landbouw en park

Ruimte voor functies Indicatie nieuwe functies

Landbouw, innovatie en educatie 16,5 ha

Wellness, horeca, scouting

Watersport, vakantieresort

Themapark/ experience

Grootschalige leisure

-

Ontwikkelruimte in de linten Indicatie nieuwe functies in de linten

5,5 ha

3 ha

Proeftuin met hotel, kenniscentrum 1,5 ha

7 ha

1,5 ha

3 ha

• •

-

Totaal

175 ha

21,5 ha

Verbrede agrarische activiteiten, zoals horeca, bed & breakfast, vergadercentra. Paardenpension in zone 4

In totaal wordt 525 hectare ingericht als parklaag of leisurelaag, met veel groen, water in de vorm van watergangen, polderuiterwaarde en recreatieplas(sen). Als worst case benadering wordt aangehouden dat 350 hectare wordt ingericht als groene parklaag met een significante ophoging, 135 hectare als parkkamer met een beperkte ophoging en 40 hectare als recreatieplas. Hiervan

Blad 36 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

wordt de eerste 180 hectare aangelegd conform de uitgangspunten voor de basisvariant/prioritaire structuur in de periode tot 2030. De overige ontwikkelingen hebben een looptijd tot 2040.

Blad 37 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Deel B: Gevolgen voor de leefomgeving Centraal in deel B (hoofdstukken 5 tot en met 12) staat het op milieueffecten beoordelen van het planvoornemen. Het begrip “milieueffecten” vraagt om een nadere definiëring. Daarvoor wordt een beoordelingskader gebruikt. Het beoordelingskader bevat alle relevante omgevingsaspecten waar het bevoegd gezag inzicht in moet hebben om een besluit (vaststellen bestemmingsplan) te nemen waarin het milieubelang volwaardig meegewogen is. Het beoordelingskader en de wijze van effectbeoordeling zijn beschreven in hoofdstuk 5. Er is voor gekozen om de omgevingsaspecten in dit MER te clusteren tot zes hoofdthema’s, die elk in één hoofdstuk (hoofdstukken 6 tot en met 11) worden behandeld. In elk hoofdstuk is een kader opgenomen met de voorgestelde spelregels en andere aanbevelingen die uit de effectbeschrijvingen volgen. Deel B sluit af met een samenvatting van de effectbeoordelingen en andere conclusies.

Zes hoofdthema’s van beoordelingskader MER

Opzet van het MER en bijlagen

Blad 38 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

5

Methodologie

5.1

Beoordelingskader Het beoordelingskader is in 2016 in de NRD opgenomen, maar is herzien en verder geconcretiseerd. De criteria waarop de effecten beschreven en beoordeeld worden zijn in de onderstaande tabel opgenomen. Tabel 5.1: beoordelingskader Hoofdthema Ondergrond

Mobiliteit

Beoordelingsaspect Bodemopbouw en grondstromen

Criterium Gevolgen voor bodemopbouw

Milieuhygiënische bodemkwaliteit Archeologie

Gevolgen voor bodemkwaliteit

Trillingen

Gevolgen voor schade en hinder door trillingen

Bereikbaarheid

Gevolgen voor bereikbaarheid autoverkeer Gevolgen voor bereikbaarheid OV en langzaam verkeer Gevolgen voor verkeersafwikkeling -circulatie

Verkeersstructuur en verkeersveiligheid Milieu en gezondheid

Groenblauwe kwaliteit

Gevolgen voor grondstromen

Gevolgen voor archeologische waarden

Gevolgen voor verkeersveiligheid

Externe veiligheid Geluid

Externe veiligheidsrisico’s Gevolgen van geluidbelasting door weg, spoor en luchtvaart (en cumulatie) Gevolgen door toekomstige functies Gevolgen voor toekomstige functies

Luchtkwaliteit Geur Gezondheid

Gevolgen voor concentratie fijnstof en stikstofdioxide Gevolgen voor geurhinder Gezondheidsbescherming Bevordering gezond gedrag Gevolgen voor oppervlaktewaterkwantiteit

Water

Gevolgen voor oppervlaktewaterkwaliteit Gevolgen voor grondwater Klimaatbestendigheid

Gevolgen voor waterveiligheid Gevolgen voor wateroverlast Gevolgen voor droogtestress Gevolgen voor hittestress

Natuur

Gevolgen voor beschermde gebieden (Natura 2000) Gevolgen voor beschermde gebieden (NNN) Gevolgen voor beschermde soorten Gevolgen voor biodiversiteit

Ruimtelijke kwaliteit

Landschap

Gevolgen voor de karakteristiek van het landschap Gevolgen voor openheid en ruimtebeleving Gevolgen voor landschapselementen en structuren

Cultuurhistorie

Gevolgen voor het agrarisch cultuurlandschap Gevolgen voor De Stelling van Amsterdam Gevolgen voor historisch (steden)bouwkundige waarden

Duurzaamheid

Energietransitie Circulariteit

Bijdrage aan energietransitie Bijdrage aan circulariteit

Terugblik op de NRD Het hierboven weergegeven beoordelingskader wijkt op één wezenlijk punt af van de NRD die in 2016 vastgesteld werd. In het oorspronkelijk beoordelingskader werd er ook afzonderlijk toetsing

Blad 39 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

voorzien op ruimtelijke functies in het gebied (waaronder voornamelijk landbouw en recreatie begrepen). Deze zijn in het kader van de m.e.r. onderzocht, maar omdat het geen “milieueffecten” zijn, zijn deze geen onderdeel van het beoordelingskader. Om deze aspecten wel een plek te geven is op de volgende manier omgegaan met ruimtelijke functies: • Voor de effecten op landbouw is een “Achtergrondrapport Landbouw” opgesteld. Hierin worden de perspectieven voor de agrarische sector in PARK21 verkend. Het achtergrondrapport vormt de basis voor een integrale keuze in deel C van het MER (hoofdstuk 18); • De effecten voor “recreatie” zijn evident positief gezien de ontwikkeling gericht is op het invullen van recreatieve voorzieningen als een recreatieplas en wandel- en fietspaden. Deze ambities zijn vastgelegd in het Masterplan 2016 en hebben geen nadere toetsing nodig.

5.2

Beoordelingsmethodiek Zoals beschreven in paragraaf 3.3 zijn de effecten van de varianten beschreven en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Waar nodig en relevant is tevens gekeken of het verschil tussen de huidige situatie en de referentiesituatie volgens de autonome ontwikkeling zou leiden tot een andere beoordeling. Opbouw van de hoofdstukken Ieder effectenhoofdstuk is opgebouwd uit vier sub paragrafen per beoordelingsaspect. De opbouw per beoordelingsaspect als volgt: • Introductie: Korte introductie op het beoordelingsaspect en weergave van het beoordelingskader. • Referentiesituatie: Beschrijving van de referentiesituatie • Effectbeschrijving: Vervolgens is aan de hand van de verschillende criteria beschreven wat de effecten van de varianten zijn. Hierbij zijn de effecten vergeleken met de effecten van de referentiesituatie en waar nodig worden tijdelijke effecten weergegeven. • Effectbeoordeling ten opzichte van de referentiesituatie: Aan de hand van de effectbeschrijvingen van de verschillende criteria is een totaalbeoordeling van het aspect gegeven. Bij de beoordeling is de onderstaande beoordelingstabel gebruikt. Bij de beoordelingen is een motivering opgenomen: wat zijn de redenen voor de beoordeling? Tabel 4.2: Beoordelingstabel Score

Betekenis ++

groot positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

gering positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

verwaarloosbaar effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/-

gering negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

groot negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Blad 40 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

6

Ondergrond

6.1

Introductie In dit hoofdstuk zijn de milieueffecten beschreven voor de ondergrond, waar de onderwerpen bodemopbouw, milieuhygiënische bodemkwaliteit, archeologie en trillingen onderdeel van zijn. In Ten grondslag aan de effectbeoordeling ligt het Achtergrondrapport Ondergrond PARK21. In het achtergrondrapport wordt tevens aandacht besteed aan de onderwerpen niet-gesprongen explosieven (NGE) en kabels en leidingen. Hoewel dit geen milieueffecten zijn, is een goede omgang met deze onderwerpen noodzakelijk voor de haalbaarheid van de transformatie. Het achtergrondrapport geeft de volgende concluderende aanbevelingen: • Om hoge beheerkosten te voorkomen worden (hoofd)tracés van kabels en leidingen, inclusief de beschermingszones, bij voorkeur niet gekruist door de parklaag. Hierover zal in ieder geval overleg met de leidingbeheerders plaats moeten vinden. • In het geval van graafwerkzaamheden in voor niet geëxplodeerde explosieven verdachte gebieden (delen van zones 4, 5 en 6) is aanvullend onderzoek nodig voor het vaststellen van de locatie van explosieven.

6.2

Bodemopbouw en grondstromen

6.2.1

Introductie De landinrichting die in PARK21 is voorzien heeft door ontgraving en terreinophoging een directe impact op de bodemopbouw ter plaatse. Daarnaast heeft dit grondstromen tot gevolg. De exacte gevolgen voor de bodemopbouw zijn afhankelijk van de verdere detaillering van de plannen voor de recreatieplas, het retentiebekken, het VDS en de terreinophoging. Deze worden in deel C van dit MER nader uitgewerkt. In de beoordeling in deze paragraaf wordt meegewogen welke risico’s kunnen ontstaan als gevolg van de ontgraving, terreinophoging en grondstromen. De risico’s op het gebied van grondwater worden behandeld in paragraaf 9.2. Beoordelingskader Het beoordelingskader voor het thema bodemopbouw en grondstromen is als volgt: Hoofdthema Ondergrond

6.2.2

Beoordelingsaspect Bodemopbouw en grondstromen

Criterium Gevolgen voor bodemopbouw Gevolgen voor grondstromen

Referentiesituatie Maaiveld De maaiveldhoogte in PARK21 varieert van N.A.P. -4,2 tot N.A.P -5,0 m. De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt N.A.P. -4,5 m. Ondergrond In de Haarlemmermeerpolder bestaat het bovenste deel van de ondergrond hoofdzakelijk uit kleiig fijn zand afgewisseld met kleilagen (samen de Holocene deklaag). De deklaag wordt aangetroffen vanaf het maaiveld tot een diepte van circa N.A.P. -11 à -12 m.

Blad 41 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Onder de deklaag ligt het eerste watervoerend pakket. Het betreft een pakket zand. De onderzijde van dit pakket wordt aangetroffen op een diepte van circa N.A.P. -30 m. Onder het eerste watervoerend pakket wordt het tweede watervoerend pakket aangetroffen dat ook is opgebouwd uit zandlagen. Tussen beide pakketten is in de omgeving van PARK21 geen scheidende laag aanwezig. Bodemopbouw Op basis van de Bodemkaart van Nederland kan de bodem worden omschreven als een kalkrijke lichte klei. Plaatselijk is sprake van een zavel ofwel een meer zandig ontwikkelde klei. De in figuur 6:1 genoemde eerdgronden zijn geheel gerijpte zavel- en kleigronden zonder donkere bovengrond en zonder veen binnen 80 cm – mv.

Figuur 6.1: Bodem met globale contour PARK21 (bron Waterstructuurvisie Haarlemmermeerpolder, 2010)

6.2.3

Effecten In het Achtergrondrapport Ondergrond worden twee aandachtspunten voor de bodemopbouw gesignaleerd, die het gevolg zijn van de terreinophoging: zetting en groeiplaatsomstandigheden. Aanvullend wordt ingegaan op de aanzienlijke grondstromen die ontstaan door de voorgenomen landinrichting. Zetting In het geval veen in de ondergrond aanwezig is, dient voor een ophoging van gemiddeld 2 meter indicatief te worden uitgegaan van een overhoogte4 van 1,5 tot 2 meter om relatief snel tot een acceptabele zetting te komen. In het geval van een kleiondergrond volstaat naar verwachting een overhoogte van 0,5 tot 1,0 m en bij een zandige ondergrond is de zetting verwaarloosbaar. Met 4

In de periode na aanleg verliest een grondlichaam in hoogte, door het verdichten van de grond (compactie). Grondlichamen worden bij de aanleg van overhoogte voorzien om na dit proces de gewenste hoogte over te houden.

Blad 42 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

bovenstaande kentallen zal na een jaar gestart kunnen worden met de aanleg van de infrastructuur als onderdeel van de parkontwikkeling. Bij een geringe overhoogte (lagere voorbelasting) zal langer gewacht moeten worden met de aanleg van de infrastructuur. Groeiplaatsomstandigheden De realisatie van PARK21 is gestart met de inrichting van deelgebied 1. Hiervoor is in 2014 een beplantingsplan opgesteld, de beplanting is in 2015 en 2016 uitgevoerd. In de evaluatie van deze beplantingsstrategie is geconcludeerd dat het beplantingsplan een aantal onvolkomenheden bevat. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende zaken: • Het beplantingsplan houdt onvoldoende rekening met de beperkingen die ongerijpte kleibodem op grondlichamen opleggen aan de beplanting; • Het beplantingsplan houdt onvoldoende rekening met de ontwikkeling en eindgrootte van bomen en struiken. Het beschreven model leidt in de praktijk tot een homogene beplanting met een beperkt assortiment van boom- en struiksoorten en een hoge beheernoodzaak, niet tot het beschreven wensbeeld; • Het eindbeeld dat beschreven wordt is niet realistisch op basis van het beplantingsplan; • In het beplantingsplan ontbreken concrete richtlijnen voor de wijze waarop en het materiaal waarmee beplant wordt.

• In de uitvoering en het toezicht daarop zijn diverse zaken mis gegaan, zoals de controle van de aangevoerde grond, de noodzakelijke bodemvoorbereiding en het groenbeheer. In de evaluatie van het beplantingsplan wordt geconcludeerd dat het voorgestelde eindbeeld van de beplanting niet binnen een afzienbare periode (passend bij de ambities van het masterplan) haalbaar is in de combinatie met de aanleg van grondlichamen van enkele meters hoogte. Groeiplaatsomstandigheden zijn slechts gedeeltelijk te sturen en kosten veel tijd en hoge investeringen. Dit is zeker het geval met de toepassing van hergebruiksgrond omdat dit (gewoonlijk) biologisch slecht ontwikkelde grond is. Op basis van de evaluatie van het reeds aangelegde deelgebied 1 blijkt het niet mogelijk om op de beoogde grondlichamen (conform optie 1) binnen enkele jaren een beplanting toe te passen die voldoet aan het gewenste eindbeeld en die zich zonder intensief beheer op een gezonde manier kan ontwikkelen. Grondstromen In het Achtergrondrapport Ondergrond zijn indicatieve berekeningen gedaan om een beeld te geven van de benodigde grondstromen en de herkomst van grond. De resultaten daarvan zijn in de onderstaande tabel samengevat. Tabel 6.1: Inschatting verwachte herkomst benodigde grond (bron: Achtergrondrapportage Ondergrond)

Verwachte herkomst grond Basisvariant

Benodigde hoeveelheid grond 4.275.000 m3

Maximale variant

9.362.500 m3

Verwachte herkomst grond

Vrachtwagenbewegingen

Ca. 500.000 m3 vanuit de rest van de gemeente, ca. 2.850.000 m3 van buiten de gemeente. Ca. 2.000.000 m3 vanuit de rest van de gemeente, ca. 6.200.000 m3 van buiten de gemeente.

146 per dag, 18.2 per uur bij een aanlegperiode van 10 jaar.

Blad 43 van 179

178 per dag, 22.3 per uur bij een aanlegperiode van 20 jaar.

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

De benodigde grond kan in principe uit drie zones worden betrokken: uit het plangebied zelf, uit de gemeente Haarlemmermeer, of uit de rest van het beheergebied van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (excl. gemeente Zaanstad). De aanvoer en verwerking van grond kan leiden tot milieuhinder en verkeershinder, als gevolg van de aanrijdende vrachtwagens met grond en de toepassing van zwaar materieel voor de landinrichting. Relevante emissies zijn onder fijnstof en andere luchtverontreinigende stoffen, koolstofdioxide (CO2), stikstofoxiden (NOx) en lawaai langs de aanvoerroute en op de aanleglocatie. Deze emissies hebben schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid, (de snelheid van) klimaatverandering en de natuur. De kosten en milieueffecten van het aanvoeren van grond lopen op met de af te leggen afstand. De volgende voorkeursvolgorde wordt daarom aanbevolen: 1. Grond vanuit PARK21 toepassen, bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de plek waar deze beschikbaar komt; 2. Grond vanuit de gemeente Haarlemmermeer toepassen, bij voorkeur grond die vrijkomt bij andere werkzaamheden; 3. Grond van buiten de Haarlemmermeer betrekken, bij voorkeur reeds beschikbare grond die over zo kort mogelijke afstand hoeft te worden getransporteerd.

Om pieken en dalen in de beschikbaarheid van grond op te vangen wordt aanbevolen: • De verwachte beschikbaarheid van grond en de kwaliteit ervan vooraf inzichtelijk te maken en de aanleg van PARK21 hierop af te stemmen. • De planning van locaties waar grond vrij komt te monitoren en aan de hand van deze monitoring bij te sturen op de snelheid en omvang van de landinrichting. • Tijdelijke gronddepots in te richten binnen PARK21 waar een overmaat aan grond kan worden opgeslagen, en waarop een beroep gedaan kan worden bij een tijdelijk tekort.

6.2.4

Beoordeling De realisatie van grondlichamen van gemiddeld 2 meter hoogte veroorzaakt significante milieuhinder vanwege de aanvoer van grond. De aspecten zetting en groeiplaatsomstandigheden vormen belangrijke aandachtspunten voor de kwaliteit van het toekomstige park. Op basis van deze aandachtspunten wordt een negatieve beoordeling (-) gegeven voor de basisvariant. De gevolgen zijn voor de maximale variant langduriger en omvangrijker, maar er is ook meer tijd beschikbaar om goede omstandigheden te creëren. De basisvariant levert aanzienlijke grondstromen op gedurende de aanlegperiode van 10 jaar en wordt daarom negatief (-) beoordeeld. De maximale variant levert deze grondstromen op over een tweemaal zo lange periode die niet als “tijdelijk” beschouwd kan worden, dus wordt hiervoor een zeer negatieve beoordeling (- -) gegeven. De langdurige gevolgen voor grondstromen wegen zwaar mee. De totaalbeoordeling voor bodemopbouw en grondstromen gezamenlijk is daarom negatief (-) voor de basisvariant en zeer negatief (- -) voor de maximale variant. Beoordelingsaspect Gevolgen voor bodemopbouw Gevolgen voor grondstromen

Basisvariant -

Maximale variant --

Blad 44 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Totaalbeoordeling bodemopbouw en grondstromen

-

--

Het reduceren van de hoogte van grondlichamen en de hoeveelheid grondverzet is een effectieve mitigerende maatregel. Dit leidt dan ook tot de aanbeveling om de mate van ophoging van (met name) de parklaag te heroverwegen. Dit wordt in hoofdstuk 13 gedaan.

6.3

Milieuhygiënische bodemkwaliteit

6.3.1

Introductie Met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dient de geldende wet en regelgeving in acht te worden genomen (o.a. Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit). Daarnaast is door de gemeente gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor PARK21 in de Nota bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer maart 2020). Het beoordelingskader voor milieuhygiënische bodemkwaliteit is opgenomen in onderstaande tabel. Hoofdthema Ondergrond

6.3.2

Beoordelingsaspect Milieuhygiënische bodemkwaliteit

Criterium Gevolgen voor bodemkwaliteit

Referentiesituatie Op basis van oude luchtfoto’s (figuur 6.2 t/m 6.4) blijkt dat het terrein sinds de drooglegging hoofdzakelijk in gebruik is geweest ten behoeve van agrarische doeleinden. Voor zover bekend is het terrein voornamelijk in gebruik geweest voor akkerbouw en veeteelt en heeft geen intensieve tuinbouw plaatsgevonden. Desalniettemin dient rekening te worden gehouden dat plaatselijk bestrijdingsmiddelen zijn toegepast die hebben gezorgd voor (lichte) bodemverontreinigingen met OCB’s (organochloorbestrijdingsmiddelen).

Figuur 6.2: Luchtfoto 1920

Figuur 6.3: Luchtfoto 1962

Figuur 6.4: Luchtfoto 1999

In de omgeving van de openbare wegen (lintbebouwing) zijn of waren plaatselijk kleine industriële bedrijven aanwezig. Derhalve is de directe omgeving rondom de aanwezige openbare wegen verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen.

Blad 45 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

6.3.3

Effecten Gevolgen toepassing hergebruiksgrond Grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen of Industrie, en toegepast wordt in het plangebied, is maximaal licht verontreinigd. Indien de grond daarnaast voldoet aan de emissieeisen zoals die gelden voor het toepassen van grond in een Grootschalige Bodem Toepassing zal uitloging en verslechtering van de bodemkwaliteit van de reeds aanwezige grond (en eventueel het grondwater) zeer beperkt zijn. Wanneer wordt voldaan aan de eisen zoals opgesteld in het gebiedsspecifiek beleid (Nota bodembeheer) wordt er enkel licht verontreinigde grond toegepast met zeer beperkte risico’s. Zoals aangegeven in het gebiedsspecifiek beleid dient de grond met kwaliteitsklasse Wonen of Industrie minimaal afgedekt te worden door 0,5 m grond als leeflaag, die voldoet aan de Achtergrondwaarden. Aangezien de contactlaag bestaat uit schone grond zijn gezondheidsrisico’s niet aanwezig. Voorwaarde is dat bij graafwerkzaamheden de leeflaag niet wordt vermengd met de daaronder aanwezige grond. De grond is daarom niet voor alle doeleinden geschikt. Voor functies waarbij gegraven wordt, zoals een natuurbegraafplaats, is de grond daarom niet geschikt. Voor voedselproductie is met name de toplaag relevant, maar hogere bomen, zoals walnoten, zullen met hun wortels dieper dan 0,5 meter in de grond wortelen.

Uit voorzorg is het daarom aan te bevelen om geen (diep wortelende) bomen te planten op hergebruiksgrond, ook al is het niet de verwachting dat het voedsel dat aan deze bomen wordt geproduceerd gezondheidsrisico’s oplevert. Bij graafwerkzaamheden voor de bouw of het onderhoud van kabels en leidingen vormt het zorgvuldig omgaan met de grond eveneens een aandachtspunt en een praktische belemmering. Kortom, indien hergebruiksgrond wordt toegepast, wordt de organische ontwikkeling van PARK21 belemmerd, doordat bij een groot aantal activiteiten, zowel in aanleg als gebruik, rekenschap moet worden gegeven van de kwaliteit van de ondergrond. Indien in de toekomst het gebruik als park vervalt dan is in de Nota bodembeheer opgenomen dat de kwaliteit van de grond moet worden hersteld (grond met kwaliteitsklasse Wonen of Industrie uit de kern moet worden verwijderd) en moet voldoen aan de oorspronkelijke kwaliteit (Achtergrondwaarden). Het is echter de vraag of dit in de praktijk haalbaar is gezien de potentiële omvang van de ontwikkeling, de kosten van het (opnieuw) verplaatsen van de grond en het gebrek aan afzetlocaties voor industriegrond. De milieueffecten kunnen daarom als negatief en grotendeels als onomkeerbaar worden beschouwd. PFAS Recentelijk zijn binnen kleine delen van het gebied enkele bodemonderzoeken uitgevoerd naar het voorkomen van PFAS5.

De gemeten gehalten bevonden zich allen ruim onder de landelijke generieke waarden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er met betrekking tot PFAS geen belemmeringen zijn met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling en dat er geen milieuhygiënische risico’s zijn voor het toekomstig gebruik als park. De effecten zijn voor beide varianten neutraal.

5

De afkorting PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS zijn in veel producten toegepast. Daardoor, en door emissies en incidenten, zijn deze stoffen in het milieu terechtgekomen en zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het oppervlaktewater.

Blad 46 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Depot MeerGrond Binnen het plangebied PARK21 is momenteel nog een (bagger)depot aanwezig (zie figuur 6.5). Het betreft een be- en verwerkingsdepot voor grond en baggerspecie dat sinds 1996 actief is aan de Rijnlanderweg te Nieuw Vennep. Het depot is momenteel niet meer in gebruik en er is sprake van een passieve situatie, waarbij er geen grond meer wordt aan- of afgevoerd.

Figuur 6.5: Locatie depot MeerGrond

Binnen het depot is circa 450.000 m3 grond aanwezig wat minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie. Op basis van reeds uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bijzonderheden zijn aangetoond met betrekking tot de aanwezige grond/bagger of onderliggende bodem. Het voornemen bestaat om de aanwezige grond toe te passen ten behoeve van PARK21. De grond wordt zoveel mogelijk toegepast binnen het huidige perceel. Voordat de grond wordt toegepast zal deze nog worden gekeurd. Indien sprake is van grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse Industrie dient de grond daarnaast te voldoen aan de emissie-eisen zoals die gelden voor het toepassen van grond in een Grootschalige BodemToepassing (GBT). Indien de aanwezige grond in het depot nog wordt gekeurd en indien bij verdere toepassing de grond voldoet aan de emissie-eisen zoals die gelden voor het toepassen van grond in een GBT zijn de nadelige gevolgen vanuit milieuhygiënisch oogpunt minimaal. De grond is maximaal licht verontreinigd en, zoals opgenomen in de Nota bodembeheer, dient de hergebruiksgrond te worden afgedekt met minimaal 0,5 m grond die voldoet aan de Achtergrondwaarden. Hiermee zijn de risico’s voor het toekomstig gebruik zeer beperkt.

6.3.4

Beoordeling Negatieve effecten van het toepassen van hergebruiksgrond zijn niet volledig te voorkomen, gezien de omvang van de ontwikkeling, en zijn naar verwachting onomkeerbaar. Indien de effecten optreden is de mate van verslechtering van de bodemkwaliteit beperkt, aangezien de grond maximaal licht verontreinigd is. De gezondheidsrisico’s zijn door gebruik van een leeflaag ook beperkt. De oppervlakte waar van toepassing van hergebruiksgrond sprake kan zijn is echter zodanig dat de cumulatieve gevolgen aanzienlijk kunnen zijn. Omdat de omvang in de maximale variant groter is dan in de basisvariant (circa 640 hectare ten opzichte van 180 hectare), worden de effecten van de maximale variant als zeer negatief (--) beoordeeld en de effecten van de basisvariant als negatief (-). Beoordelingsaspect

Basisvariant

Milieuhygiënische bodemkwaliteit

-

Maximale variant --

Blad 47 van 179

PARK21 Haarlemmermeer Concept Milieueffectrapport projectnummer 0417636.105 6 mei 2021 revisie 01 Gemeente Haarlemmermeer

Mitigerende maatregelen zijn gewenst om dit negatieve milieueffect te beperken. Het al dan niet toepassen van hergebruiksgrond is daarom betrokken bij de heroverweging van de mate van ophoging in hoofdstuk 13.

6.4

Archeologie

6.4.1

Introductie Wetgeving en beleid Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet zijn bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed (waaronder archeologische waarden) in Nederland gebundeld. Onderdelen van de Monumentenwet, die de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode tot de inwerkingtreding: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet regelt dat bij ruimtelijke ingrepen en de besluiten die daarover genomen moeten worden rekening gehouden moet worden met archeologische waarden die ter plaatse van de ingreep (en in de directe omgeving) aanwezig zijn. Dit houdt in dat een afweging gemaakt moet worden ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische (verwachtings-)waarden. De gemeente is verplicht archeologische waarden te beschermen in het bestemmingsplan. Uitgangspunt van Europees, landelijk en provinciaal beleid is behoud in situ van archeologische waarden; dat wil zeggen dat het archeologisch erfgoed in principe onverstoord behouden blijft, tenzij andere belangen prevaleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=f4d382b5-8b2c-4402-b5ec-00462d645693