CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage IV bij AO- SPvE Centrum Schalkwijk Fase II dd 14 juli 2022

gemeenteraad 19 februari 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Centrum Schalkwijk - Sluiten Anterieure Overeenkomst Blok O2 met Pack Devolopment37.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

4.8.6 Autoparkeren bewoners, werknemers & bezoekers Kwantitatief uitgangspunt is het Haarlems Parkeerbeleid. Dit beleid is in de basis afkomstig uit 2015 en laatstelijk bijgesteld in 2019. Als, anticiperend op eventueel nieuw parkeerbeleid, wordt afgeweken van het beleid dient dit in de mobiliteitsplannen afdoende (noodzaak, invulling, verschuivingseffecten e.d.) onderbouwd te worden en te passen binnen/bij te dragen aan de gewenste mobiliteitstransitie. Bewoners parkeren hun auto uit het zicht in de daarvoor bestemde

parkeergarages. Werknemers en bezoekers van de woningen en voorzieningen parkeren hun auto niet in Fase 2, maar in de (openbare) parkeervoorzieningen in en rond Centrum Schalkwijk (bijvoorbeeld in de parkeergarage van Fase 1).

Eisen • Het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor bewoners moet voldoen aan het Haarlems Parkeerbeleid. • Bezoekers van de commerciële en maatschappelijke voorzieningen, maar ook bezoekers van de woningen parkeren hun auto niet in Fase 2, maar in de (openbare) parkeervoorzieningen in Centrum Schalkwijk (bijvoorbeeld in de parkeergarage van Fase 1). • Bewoners, bezoekers, werknemers komen niet in aanmerking voor parkeervergunningen. • Alleen op zeer incidentele basis kan parkeren in de openbare ruimte worden toegestaan. Dit wordt per geval door de gemeente getoetst. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd. Voor zover al voorkomend dient dit systeem uitgewerkt te worden in het mobiliteitsplan. • Alleen de Costa Del Sol geeft toegang tot de parkeergarages voor de bewoners van Fase 2. Geen routes door het plangebied. Alleen het rijden op de daarvoor aangewezen route naar de parkeergarages is toegestaan. • Ten minste 2% van de parkeervraag wordt gerealiseerd en gereserveerd voor mensen met een beperking. Bij deze parkeerplaatsen geldt dat de maximale loopafstand tussen hoofdentree of de lift naar de bestemming van 50 meter bedraagt. De route is gemakkelijk toegankelijk, veilig en voldoende breed voor mensen in een rolstoel. • Laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen worden minimaal conform bouwbesluit gerealiseerd.

De laadcapaciteit dient daarbij zodanig te zijn dat bij oplevering minimaal 25% van de parkeerplaatsen wordt voorzien van elektrische laadinfrastructuur en uitbreiding daarvan tot 80% in de voorbereiding (bijv. ruimte voor bekabeling) wordt meegenomen. Dit mag worden ingevuld door ‘Smart charging’, maar dient dan wel onderbouwd te worden. • Het is mogelijk om in het mobiliteitsplan onderbouwd af te wijken van de parkeernormen door de inzet van deelauto’s voor bewoners.

De effectiviteit van deelauto’s hangt voor een groot deel samen met de volgende factoren. De initiatiefnemer onderbouwd hoe deze factoren terugkomen bij de ontwikkeling: Д Eén deelauto kan maximaal vijf personenauto’s voor bewoners vervangen. Dat komt neer op een besparing van vier parkeerplaatsen. Д Minimaal 10% tot maximaal 30% van de parkeervraag wordt opgelost met deelauto’s. De initiatiefnemer maakt aannemelijk dat de deelauto’s gebruikt worden. Д Er zijn voldoende deelauto’s aanwezig om de deelnemers, op de door hun gewenste tijd, een beschikbare auto aan te bieden. Д Het type auto past bij de doelgroep en is voor verschillende reisdoeleinden te gebruiken. Д De (toekomstige) bewoners worden tijdig en duidelijk op de hoogte gesteld van de mobiliteitsoplossingen. Д Deelauto’s worden zo dicht mogelijk bij de voetgangersingang van de parkeerlocatie aangeboden, het is duidelijk dat het gaat om deelauto’s en zijn gemakkelijker toegankelijk dan privéauto’s. Д De prijs van het gebruik van de deelmobiliteit sluit aan bij de financiële mogelijkheden van de doelgroep. Д Minimaal 50% van de deelauto’s, met een minimum van twee deelauto’s, zijn beschikbaar voor de bewoners nabij de woning (maximale loopafstand van 100 meter). De overige deelauto’s mogen worden geplaatst in de collectieve parkeervoorziening, mits hier ruimte voor beschikbaar is.

• Voor parkeerplaatsen gelegen op terreinen en in parkeergarages geldt de NEN 2443:2013, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages. • Voor alle overige typen parkeerplaatsen: ASVV 2012, aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, december 2013. • In-/uitritten van parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). Speciale aandacht voor uitritten haaks op doorgaande fietsroutes.

4.8.7 toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen in Centrum Schalkwijk Fase 2. Het stedenbouwkundig plan, het mobiliteitsplan, het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen daarop beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgende de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen:

Randvoorwaarden • Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. • Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen onbelemmerd toegankelijk voor de hulpdiensten en hun voertuigen Eisen • Op alle plaatsen waar opstelplaatsen op of overrijdbaarheid van ondergrondse bouwwerken een rol speelt wordt als maatgevend voertuig een 25-tonsbrandweerauto met een asdruk van 11,5 ton gehanteerd. Zowel dekken als hellingbanen moeten hierop berekend zijn. • Eventueel doodlopende straten dienen aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten te bevatten. • Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). • Calamiteitendiensten kunnen middels een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). • Calamiteitendiensten kunnen middels een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen openen.

4.8.8 Afvalinzameling, laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera. In het plangebied worden veel woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen,

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

55

verhuizingen, taxi’s, enz., enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden.

Eisen • De ontwikkelende partijen tonen in het mobiliteitsplan, het stedenbouwkundig plan en het ontwerp openbare ruimte aan hoe de openbare ruimte autoluw gehouden gaat worden, maar de voorzieningen en woningen wel bereikbaar zijn voor laden en lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging en bijzonder personenvervoer (gehandicaptenvervoer). • Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals laden en lossen op trottoir of fietspad, enz., enz.) dient op een ‘vriendelijke manier’ onmogelijk gemaakt te worden (inrichting gaat vóór regulering) én door het aanbieden van goede voorzieningen. • Afvalinzameling conform de eisen in paragraaf 4.4. Ondergrondse containers en locaties waar containers zijn opgesteld zijn toegankelijk voor de gangbare reguliere inzamelvoertuigen. • Laden en lossen voor de commerciële en maatschappelijke functies geschiedt uit het zicht en op een veilige manier, zie ook paragraaf 4.6. • Verhuisdiensten dienen tot 10 meter van een (hoofd)entree te kunnen komen middels een ontheffingssysteem.

4.9

Sociale veiligheid

Sociale veiligheid en het voorkomen van overlastsituaties zijn belangrijke thema’s waar zowel het stedenbouwkundig plan, het ontwerp voor de openbare ruimte als de gebouwontwerpen aan getoetst gaat worden (in afstemming met de nood- en hulpdiensten). Met betrekking tot sociale veiligheid en het voorkomen van overlast wordt onderscheidt gemaakt in de kaders voor: 1. 2.

56

Openbare & collectieve buitenruimten; Overgangen openbaar/privé: arcades, overstekken, entrees, et cetera;

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

3.

In de gebouwen: entreehallen, traphuizen, liften, garages, stallingen, et cetera.

Uitgangspunt is dat heel Fase 2, zowel in de tijdelijke als in de definitieve setting, een sociaal veilige leef- en verblijfsomgeving voor de bewoners, bezoekers en passanten wordt. Dit betekent een omgeving waarin men zich dag en nacht vrij kan bewegen zonder angst voor- of blootstelling aan bedreigingen en criminaliteit. Hiernaast dient de openbare ruimte en de gebouwen zodanig ontworpen te worden dat er geen hangplekken ontstaan waar omwonenden, werknemers en bezoekers geconfronteerd worden met geluid- en stankoverlast.

4.9.1 Openbare & collectieve buitenruimten Het ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte en de collectieve buitenruimte is van invloed op de manier waarop gebruikers de omgeving ervaren. Het is van belang dat de beoogde gebruikers goed worden gefaciliteerd en potentiële overlastgevers of criminelen worden ontmoedigd.

Randvoorwaarden • De openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat mensen zich er dag en nacht veilig voelen. • De openbare ruimte wordt zodanig ingericht dat overlastplekken voor omwonenden, werknemers en bezoekers worden voorkomen. Eisen: algemeen • ‘s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. • De openbare ruimte is herkenbaar, eenduidig en eenvoudig om in te oriënteren. • Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties). • Collectieve buitenruimten zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. Denk hierbij aan collectieve (verhoogde) binnenterreinen. Er dient hierbij inzichtelijk gemaakt te worden wat de beoogde gebruikers van deze ruimten zijn.

Eisen: aandachtsplekken • De kade langs de Europavaart en het pad ten oosten van blok E. Dit plangedeelte dient zorgvuldig ontworpen worden, zowel qua toegankelijkheid als sociale veiligheid en het voorkomen van overlast. Let hierbij op het creëren van: Д voldoende toezicht vanuit de aangrenzende woningen en vanaf de overkant van de Europavaart op de kade (voorkomen overlastplek), Д een verkeers- en sociaalveilig pad langs de woningen van blok E dat niet ‘misbruikt’ gaat wordt door fietsers en scooters, Д voldoende afstand tussen geluidgevoelige functies (slaapkamers) van blok A en de trappartij en wandelkade. • De ruimte tussen blok D en E. Voorkomen moet worden dat dit een overlastplek wordt door gebrek aan toezicht vanaf het plein, de Costa del Sol en vanuit de gebouwen. • De plekken aan het water tussen blokken A, B, C. Voorkomen moet worden dat dit hangplekken worden waar de bewoners van A, B en C geluid- en stankoverlast van ondervinden. Kies voor een open groeninrichting met voldoende zichtrelaties vanaf de Costa Del Sol en vanuit de blokken A, B en C. • Het binnenterrein achter de bioscoop en blok G. Dit terrein dient sociaal veilig te zijn en geen overlastplek voor de omwonenden en werknemers. Dit terrein dient bij voorkeur afgesloten te worden door middel van een poort zodat het alleen toegankelijk is voor de gebruikers van dit terrein.

• De trappartij en het verhoogde dek van Blok F. De trappartij en verhoogde dek dienen zodanig ontworpen te worden dat dit geen overlastplekken worden voor de omliggende woningen. De trappartij en het verhoogde maaiveld wordt bij voorkeur ’s avonds afgesloten middels een hek onderaan de trappartij. • De tijdelijke situatie ten noorden van blok H: creëren van voldoende transparantie in tijdelijke winkelpui. • Het tijdelijke gat tussen blok O.2 en het bestaande winkelcentrum: dient afgedicht te worden middels een hek.

4.9.2 Overgangen openbaar/privé: plinten, arcades, entrees, et cetera. Een aantrekkelijke en heldere overgang tussen de openbare ruimte en privédomein is van essentieel belang voor een veilige beleving en het voorkomen van overlast voor de bewoners en gebruikers van de gebouwen. Fase 2 maakt onderdeel uitmaakt van het stadsdeelcentrum. Met rond het Californiëplein natte horeca en een bioscoop. Ook rond het zuidwestelijk entreeplein is horeca voorzien. Om hier de beoogde levendigheid niet te laten ontaarden in overlast voor bewoners, dienen de overgangen tussen de openbare ruimte en de gebouwen zorgvuldig ontworpen te worden. Dit geldt ook voor de gebouwen waar op maaiveld gewoond gaat worden.

Randvoorwaarden • Alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plinten, arcades, entreegebieden en overgangszones tussen woning en straat/pad worden sociaal veilig ontworpen. • Alle overgangen van openbaar naar privé, dat wil zeggen de plinten, arcades, entreegebieden en overgangszones tussen de woning en de straat/pad worden zodanig ontworpen dat dit geen hangplekken worden met geluid- en stankoverlast voor de omwonenden en gebruikers en bezoekers van het gebouw tot gevolg. Eisen: algemeen • Plinten aan de openbare ruimten worden niet gedomineerd door ‘dode’ of weinig actieve functies zoals technische ruimten, fietsenstallingen, noodtrappenhuizen, et cetera. (zie ook paragraaf 4.6.3) • Hoofdentrees zijn duidelijk herkenbaar (o.a. door hoogte en transparantie), zijn goed verlicht en worden niet aan het oog onttrokken door brievenbussenwanden. • Balustrades worden zo vormgegeven dat optrekken/klimmen vanaf het maaiveld niet mogelijk is. • Geen dode hoeken, nisjes of andere potentiële overlastlocaties.

Eisen met betrekking tot arcades en overstekken • Arcades zijn goed verlicht, voldoende hoog en goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Minimaliseren van ‘verstopmogelijkheden’ achter kolommen. • Arcades en overstekken nodigen uit om eronder te gaan hangen, met name bij de delen van de plint met weinig actief programma. De gebouwontwerpen dienen aandacht te besteden aan het voorkomen van overlast en sociale onveiligheid op deze plekken. • Arcades en overstekken nodigen uit om er fietsen, scooters en bakfietsen neer te zetten. Het stedenbouwkundig plan en het mobiliteitsplan dienen aandacht te besteden aan het voorkomen dat arcades gedomineerd gaan worden door ‘wild’ geparkeerde fietsen, scooters en bakfietsen (zie ook paragraaf 4.8). Eisen met betrekking tot wonen op de begane grond • Woningen op de begane grond krijgen aan de openbare ruimte zo veel mogelijk levendige functies zoals een woonkamer of keuken (zie ook paragraaf 4.6.5). • Woningen op de begane grond krijgen bij voorkeur een eigen voordeur en een voortuin. Deze overgangszone dient zodanig ontworpen te worden dat het in het gebruik bijdraagt aan de sociale interactie en niet vol gezet gaat worden met rommel of dichtgezet wordt met schuttingen.

4.9.3 In de gebouwen: entreehallen, traphuizen, liften, garages, stallingen, et cetera. Anonimiteit, onveiligheid, overlast en criminaliteit zijn zaken die nadrukkelijk onderzocht en voorkomen moeten worden bij gebouwen die grote aantallen woningen herbergen. Gebouwonderdelen die hierbij met name aandacht behoeven zijn de entreehallen, traphuizen, liften en gangen. Ook parkeergarages, collectieve fietsenstallingen en eventuele verbindingstunnels dienen zodanig ontworpen te worden dat bewoners zich er veilig voelen. Vanwege het grote aantal woningen dienen de gebouwen niet alleen te voldoen aan de randvoorwaarden die het Bouwbesluit geeft ten aanzien van veiligheid, maar ook aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

Randvoorwaarde • De gebouwen en de onderdelen daarvan, waaronder de garages, stallingen en verbindingstunnels, voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van veiligheid. Eisen • De gebouwen en de onderdelen daarvan, waaronder de garages, stallingen en verbindingstunnels, voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen. • Collectieve ruimten in gebouwen zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. Collectieve ruimten zijn sociaal veilig. Er dient hierbij ook inzichtelijk gemaakt te worden wat de beoogde gebruikers van deze ruimten zijn. • Indien er gekozen wordt voor het plaatsen van brievenbussen in de entreehal, dan dienen deze niet in blokken geplaatst te worden, maar opgenomen in de zij- of achterwand.

4.10 Duurzaamheid Zoals in hoofdstuk 2 staat beschreven is de opgave om Fase 2 van Centrum Schalkwijk duurzaam te ontwikkelen. In deze paragraaf is de Haarlemse Richtlijn duurzaam bouwen het kader waar minimaal aan voldaan moet worden. De richtlijn is in deze paragraaf op vier duurzaamheidsthema’s uitgewerkt, te weten: 1. 2. 3. 4.

Energie & warmte; Klimaatadaptatie; Natuurinclusief bouwen; Circulariteit.

De duurzaamheidskaders met betrekking tot Groen & Ecologie in de openbare ruimte en Mobiliteit zijn in de paragrafen 4.4 en 4.8 geïntegreerd. In de Richtlijn duurzaam bouwen wordt een onderscheid gemaakt in randvoorwaarden (eisen) en doeleinden (wensen). Dit brengt met zich mee dat de randvoorwaarden in de richtlijn zijn vertaald naar randvoorwaarden en eisen in het SPvE, afhankelijk van

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

57

of er sprake is van een wettelijke norm of gemeentelijk beleid. De doeleinden zijn vertaald naar wensen.

4.10.1 Energie & warmte Haarlem wil een duurzame, sociale en toekomstbestendige stad zijn. Om hieraan bij te dragen wil Haarlem in 2040 van het aardgas af. De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheden die regelgeving biedt om energieneutraliteit bij de bouw te bevorderen. Het algemeen uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en dat de resterende vraag zo duurzaam mogelijk moet worden ingevuld. Aan de zuidzijde van Fase 2, onder de weg van de Costa Del Sol straat komt een tracé voor een warmtenet. Hiervoor dient ruimte gereserveerd te worden in de ondergrond ten behoeve van een samenhangend warmtesysteem op termijn.

Randvoorwaarden • Alle nieuw te bouwen gebouwen moeten voldoen aan de eisen voor BENG (bijna energieneutrale gebouwen). • Gasaansluitingen zijn niet toegestaan. • Tracé alternatieve warmtebron moet gereserveerd worden voor alternatieve energiebron (zie spelregelkaart in paragraaf 4.2.1 en paragraaf 4.4 ). Eisen • Duurzaam gebruik daken (water/groen/energie). • Bodemwarmtevoorzieningen moeten in ieder geval passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. • Voorzieningen energietransitie en klimaatadaptatie meeontwerpen in de architectuurstijl van de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte (beeldkwaliteit). Wensen • Woningen: nul op de meter. • Grotere daken energieleverend (meer opwekken dan gebruiken). • Gebouwen worden ontworpen om per saldo zo min mogelijk

58

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

energie te verbruiken, met optimaal behoud van comfort voor de gebruikers. Het gaat hierbij om verwarming en koeling van gebouwen.

4.10.2 Klimaatadaptatie Centrum Schalkwijk Fase 2 wordt klimaatbestendig ingericht. Minder verharding en meer groen maken het gebied weerbaar tegen een veranderend klimaat. Groene daken en gevels dragen bij aan een schonere lucht, brengen verkoeling en helpen om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld.

Eisen • Het extra hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. • Hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. • Bij een hevige bui op het bebouwd deel van privaat terrein wordt een groot deel van de neerslag verwerkt (geïnfiltreerd, opgevangen en/of vertraagd afgevoerd) op het terrein zelf of in extra (water) voorzieningen in of toegerekend aan het plangebied. • De berging wordt de eerste 24 uur daarna niet geleegd en is in maximaal 60 uur weer beschikbaar. • Overtollig hemelwater mag niet worden afgevoerd via het gemengd riool maar moet worden afgekoppeld. Wensen • Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen. • De ontwikkeling (geheel Fase 2) mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied.

• De ontwikkeling dient minimaal 110 mm water per m² te kunnen bergen op eigen terrein gedurende een etmaal. • Opslag water: regenreservoirs voor buffering en het sproeien droge periodes. • Tenminste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten van de gebouwen wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/ gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. Daken bedekt met zonnepanelen zijn uitgezonderd van de berekening, maar moeten altijd gecombineerd worden met een groen dak (ook gunstig voor levensduur en opbrengst van de zonnepanelen).

4.10.3 Natuurinclusief bouwen Een gezonde en toekomstbestendige verdichte stad is een stad met veel groen en water. Haarlem zet in op het behouden en versterken van de kwantiteit en kwaliteit van natuur en groen in de stad. Groen is essentieel voor een klimaatbestendige en duurzame leefomgeving. Groen verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, zorgt voor waterberging, dempt geluidshinder en verkoelt in warme periodes. Daarnaast heeft het een positief effect op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen.

Randvoorwaarde • Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie, en indien nodig aanvullend (soorten specifiek) onderzoek, maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van het ecologisch onderzoek en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. Wensen • Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen.

• Bouw natuurinclusief met behoud van en in aansluiting op bestaande ecologische waarden. Wanneer aangetoond kan worden dat dit niet mogelijk is dan dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. • Aan natuurinclusief bouwen wordt invulling gegeven door het realiseren van groene daken (eventueel gecombineerd met groene gevels) en het aanbrengen van voorzieningen voor insecten, nestgelegenheid voor vogels (zoals gierzwaluwen en huismussen) en vleermuisverblijven.

4.10.4 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Gebouwen zijn bij uitstek objecten waar veel winst te behalen. Op twee manieren kan circulair gebouwd worden. Ten eerste door de toepassing van gebruikte materialen in nieuwe gebouwen en ten tweede door bij het ontwerp van nieuwbouw rekening te houden met hergebruik van het gebouw en diens materialen. De bestaande stad is tenslotte de grondstoffenmijn van de toekomst.

Randvoorwaarde • De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht en geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Hiervoor geldt een wettelijke MPG-norm van 0,8. Wensen • De MPG-norm bedraagt bij voorkeur 0,6. • Er moet een materialenpaspoort worden opgesteld en worden geregistreerd in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem. • Gebouwen worden zo efficiënt en adaptief mogelijk ontworpen qua kosten, materiaal en ruimte. Denk aan een hoge plint (zie paragraaf 4.6), extra dragend vermogen, flexibel indeelbare plattegronden, het over dimensioneren van de draagstructuur, et cetera. • Het Grondstoffenplan gemeente Haarlem wordt gebruikt bij de engineering en ontwerp van de openbare ruimte. • Voor de te slopen gebouwen verlangt de gemeente een circulair sloopplan.

Wensen ten aanzien van gevelmateriaal • Energie van het transport reduceren door bak- en natuursteen uit nabijgelegen fabrieken en groeves te halen. • Toepassen van baksteen dat 30% hergebruikt materiaal in zich heeft. • Toepassen van baksteen dat minder energie vergt tijdens het productieproces. • Toepassen van demontabel metselwerk; door gebruik te maken van mortel met een chemische samenstelling die er bij demontage eenvoudig af te halen is, of het gebruik maken van stapeltechnieken met pinnen, beugels etc. • Toepassen van keramische gevelmaterialen die de Nederlandse traditie op een moderne, duurzame wijze doorzetten.

4.11 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf worden alleen de milieu- en omgevingsaspecten benoemd die van belang zijn voor de haalbaarheid van de ontwikkeling van Fase 2 of die waarmee in dit stadium al rekening gehouden moet worden. Het betreffen de volgende aspecten: 1. 2. 3. 4.

Windhinder; Bezonning; Natuur (stikstof); Geluid.

Van deze milieu- en omgevingsaspecten is het noodzakelijk dat ze meteen al meegenomen worden in het stedenbouwkundig plan en niet pas bij (de voorbereiding van) een bestemmingsplan of omgevingsvergunning worden onderzocht. In het laatste geval is er immers nog maar weinig ruimte om het plan erop aan te passen. De regels in deze paragraaf vloeien voort uit hogere wet- en regelgeving of zijn afkomstig uit gemeentelijk beleid. Regels die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving zijn randvoorwaardelijk; hiervan kan niet worden afgeweken, tenzij de wet zelf die mogelijkheid biedt. Vaak bepaalt de wet een ondergrens waaraan minimaal voldaan moet worden. De

gemeente kan in sommige gevallen bepalen om boven die ondergrens te gaan zitten of om aanvullende eisen ten opzichte van de wet te stellen.

4.11.1 Windhinder Omdat er bij Fase 2 sprake is van hoogbouw (30 meter of hoger) moet een Hoogbouw Effectrapportage worden opgesteld op basis van het beleid Hoogbouwprincipes (2018). Onderdeel hiervan is het uitvoeren van een onderzoek naar windhinder met de NEN 8100 als beoordelingskader. Dit is noodzakelijk omdat windhinder kan optreden rond hoge gebouwen. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden, waardoor het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk kan zijn.

Randvoorwaarde • Er dient een windhinderonderzoek te worden verricht conform de NEN 8100. Eisen • Voor elke plek binnen en rondom de te ontwikkelen locatie geldt dat geen sprake mag zijn van windgevaar. Dit geldt voor elke windrichting en dient te worden aangetoond aan de hand van het windhinderonderzoek. • Indien sprake is van een slecht of matig windklimaat dient te worden aangetoond welke maatregelen genomen worden om een hogere kwaliteitsklasse te bereiken in de toekomst, bijvoorbeeld door een inrichtingsplan voor de openbare ruimte. NB Bijlage III geeft het windonderzoek van Centrum Schalkwijk Fase 2.

4.11.2 Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

59

of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning, maar de gemeente Haarlem hanteert de TNO-norm. TNO kent een ‘lichte’ en een ‘strenge’ norm: • De ‘lichte’ TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. • De ‘strenge’ TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht.

Randvoorwaarde • Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNOnormen in relatie tot de bestaande (woon)bebouwing in de omgeving en in relatie tot nieuwe binnenpleinen, pleinen waar veel activiteiten plaatsvinden (speelvoorzieningen) en horecaterrassen. Eisen • Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNO-norm. • Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNO-norm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden. • Voor verblijfsgebieden binnen en rondom de te ontwikkelen locatie, zoals (horeca-)terrassen, zitplekken in de openbare ruimte dient het aantal zonuren inzichtelijk te worden gemaakt. NB Bijlage I geeft het bezonningsonderzoek voor Centrum Schalkwijk Fase 2. In paragraaf 3.4.7 wordt de onderbouwing gegeven waarom de uitkomsten van dit onderzoek aanvaardbaar worden geacht voor deze ontwikkeling.

60

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

4.11.3 Natuur (stikstof) Wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur richt zich op twee hoofdthema’s. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van planten diersoorten (soortenbescherming). De randvoorwaarden, eisen en wensen voor de soortenbescherming zijn opgenomen in paragraaf 4.4.4.

Randvoorwaarden • Te allen tijde moet worden voldaan aan de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming. • Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening (stikstofdepositieberekening) worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Wet natuurbescherming. • Indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet aangetoond worden op welke wijze voldaan zal worden aan de Wet natuurbescherming (bijvoorbeeld door een ecologisch voortoets met inbegrip van intern salderen).

4.11.4 Geluid De mate waarin wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai en/of industrielawaai het woonmilieu mogen belasten is geregeld in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. Deze wet stelt dat in principe de geluidbelasting op de gevel van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen of ziekenhuizen) niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde.

Randvoorwaarden • Voor elk gebouw dient een akoestisch onderzoek te worden verricht naar de geluidsbelasting van de weg bij woningen (wegverkeerslawaai). • Indien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB op grond van de Wet geluidhinder.

• Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet in het kader van het te nemen besluit Hogere waarden door het bevoegd gezag, aangetoond worden dat wordt voldaan aan de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder (2009) van Haarlem.

Eisen • Indien een besluit Hogere waarden is vereist, moet voldaan worden aan de volgende uitgangspunten zoals verwoord in de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder (2009) van Haarlem: Д De woning dient ten minste één geluidsluwe zijde te hebben. Een geluidsluwe zijde is de zijde van een gebouw waar voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Д Bij een geluidsbelasting hoger dan 48 dB vanwege wegverkeer, moet(en) de buitenruimte(n) die als gebruiksruimte(n) word(en)t gebruikt, aan de geluidsluwe zijde liggen. Д Bij een geluidsbelasting hoger dan 53 dB vanwege wegverkeer, moeten verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen. Ook moet tenminste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde liggen. • Voor gebouwen die gesitueerd zijn aan een binnenplein of plein waar veel activiteiten plaatsvinden (speelvoorzieningen) en bij horeca(terrassen), moet in het akoestisch onderzoek aandacht worden besteed aan de invloed van stemgeluid op de woningen.

5. Kaders beeldkwaliteit gebouwen 5.1

Inleiding

5.2

Architectuurstijl

In dit hoofdstuk worden de kaders voor de beeldkwaliteitsaspecten voor de gebouwen in Centrum Schalkwijk Fase 2 gegeven. In de ontwerpfase dienen de ontwikkelende partijen in afstemming met de supervisor en het ambtelijk projectteam, deze kaders uit te werken tot een beeldkwaliteitsplan (BKP) dat gekoppeld wordt aan het Stedenbouwkundig plan (SP) voor Centrum Schalkwijk Fase 2.

Centrum Schalkwijk wordt het tweede centrum van Haarlem en het nieuwe multifunctionele centrum van Schalkwijk. De architectuurstijl van de nieuwe gebouwen zal zowel naar de historische bebouwing van Haarlem, als naar de jaren 60-bebouwing van Schalkwijk verwijzen. Dit is een belangrijke manier waarmee de ‘genius loci’ (de geest van de plek – het gebiedseigene) geborgd wordt in Centrum Schalkwijk.

Doel van dit BKP is het borgen van beeldkwaliteit en eenheid & samenhang tussen de verschillende gebouwen in fasen 1 en 2 en in de toekomstige fasen. Om dit te bereiken worden er een aantal workshops georganiseerd waarin de supervisor met de architecten van de verschillende blokken van fase 2 de relevante beeldkwaliteitsaspecten op elkaar afstemmen. Deze aspecten betreffen in ieder geval de volgende thema’s:

Concreet betekent dit voor de vormgeving van de gebouwen dat: • Zowel het modernisme van Schalkwijk als de rijke metselwerktraditie van Haarlem een beeldbepalende rol gaat spelen in de architectuur ervan.

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.

Architectuurstijl; Fase 1 als vertrekpunt; Materialen die mooi verouderen; Plastiek, textuur en materiaal van de gevels; Ramen, balkons en loggia’s; Plinten en arcades; Hoofdentrees appartementen; Setbacks bovenste verdiepingen; HWA’s en installaties in de plinten op de daken; Groen op, aan en rond de gebouwen; Overgangszone privé-openbaar; Reclamebeleid; Blok O.1 als ‘special’.

Rijk metselwerk centrum Haarlem

Modernisme Schalkwijk

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

61

5.3

Fase 1 als vertrekpunt

Centrum Schalkwijk Fase 1 is grotendeels gebouwd - op de Foodhall/ Markthal op het Californiëplein/Marktplein na. De toegepaste materialen en kleuren vormen het vertrekpunt voor de toe te passen materialen en kleuren voor de gebouwen in fase 2. Dit geldt echter niet voor de details en plastiek. De Foodhall is een van de gebouwen die een ‘special’ (een contrasterend element) wordt en derhalve een afwijkende vormgeving en materialisatie krijgt. De Foodhall is dus geen referentie voor de gebouwen in fase 2 - op blok O.1 na, dat ook een special gaat worden, zie paragraaf 5.14. De gebakken klinker die rondom het Californiëblok gebruikt is en ook op het Californiëplein toegepast wordt, is de straatsteen die in heel Schalkwijk Centrum zal worden toegepast, dus ook in fase 2. Gebouwen dienen hierop aan te sluiten. Concreet betekent dit voor het exterieur van de gebouwen dat: • Kleuren en materialen waarop aangesloten moet worden zijn warme, gele, oker en rode kleuren in steenachtig materiaal zoals toegepast in de gebouwen van fase 1. De detaillering en plastiek van de gebouwen in fase 1 is echter niet leidend voor de gebouwen in fase 2. • De toe te passen materialen dienen qua kleur in harmonie te zijn met de bruine, gebakken klinker die in heel de openbare ruimte van Centrum Schalkwijk wordt toegepast.

Californiëblok - gele baksteen

Californiëblok - oranje baksteen

Californiëplein met Foodhall

Verharding fase 1 - bruine, gebakken klinker

62

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

Californiëblok Bioscoop

Centrum Schalkwijk Fase 1

5.4

Materialen die mooi verouderen

5.5

De toe te passen materialen, kleuren en detaillering dient de tand des tijds goed te doorstaan zodat gebouwen ook lang nadat ze zijn opgeleverd er nog mooi uitzien. Materialen die dit niet in zich hebben, moeten vermeden worden of met de grootste zorgvuldigheid worden gedetailleerd en afgewerkt. Concreet betekent dit voor het exterieur van de gebouwen dat: • Kwetsbare materialen of kleuren die gevoelig zijn voor vernielingen of graffiti, niet worden toegepast op plekken bereikbaar vanaf de openbare ruimte. • Alle toe te passen materialen, kleuren en detaillering ertoe bijdragen dat de gebouwen op een mooie manier verouderen. Materialen die dit niet in zich hebben, bijvoorbeeld kunststoffen zoals pvc, worden niet toegepast of aan het zicht onttrokken door materialen die wel mooi verouderen. • Indien voor gebouwonderdelen beton moet worden toegepast, dan dient de kwaliteit, afwerking en detaillering ervoor te zorgen dat algengroei en streepvorming zo min mogelijk optreedt en dient de kleur te passen in het architectonische concept van het gebouw. • Toe te passen materialen kleurvast zijn en weersinvloeden zoals uvstraling van de zon, goed doorstaan. • Toepassen van nieuwe materialen waarvan niet kan worden aangetoond hoe deze er over 20 jaar uit komen te zien, niet is toegestaan.

Materialen die mooi verouderen

Materiaal, plastiek en textuur van de gevels

Schalkwijk Centrum dient binnenstedelijke allure te krijgen. Voor de gebouwen wordt dit vertaald in tactiele baksteengevels met plastiek en textuur die voor schaduwwerking en daarmee voor geleding en differentiatie zorgen. Concreet betekent dit voor de hoofdgevels dat: • Ze uitgevoerd worden in metselwerk, natuursteen en architectonisch beton dat appelleert aan de Nederlandse baksteentraditie. • De plastiek geborgd wordt door een minimale afstand van 190mm tussen kozijn en buitenste gevelvlak. Deze 190mm mag in één keer bij de negge van de ramen worden ingezet, maar kan ook door middel van een inspringing in het metselwerk van 100mm en een 90mm negge van de ramen, gerealiseerd worden. De algemene wens is: hoe dieper hoe beter. Dit hoeft niet voor elk raam te gelden; afwisseling en differentiatie zijn ook van belang. Elke architect wordt hierin uitgedaagd. • De kleur van het metselwerk is licht en warm; geel, beige, oker en oranje zullen de toon zetten. Deze kleuren sluiten aan bij de kleuren van fase 1 en versterken de textuur en schaduwwerking van de gevels. Torens A, G en H zullen hier op subtiele manier van afwijken door toepassing van wat uitgesprokener en/of enigszins afwijkende kleur metselwerk. Ook hierdoor zullen deze hoogteaccenten op subtiele wijze afwijken van de rest van de bouwblokken, zie paragraaf 3.4.6.

Precieze kleurstellingen, wellicht per gebouw, worden in de workshops besproken en vastgelegd in het BKP.

Gevelplastiek

Textuur en kleur

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

63

5.6

Ramen, balkons en loggia’s

Ook voor ramen, balkons en loggia’s geldt als uitgangspunt de ambitie om de bebouwing van Centrum Schalkwijk aan te laten sluiten op het modernisme van Schalkwijk én op de historische baksteenarchitectuur van Haarlem, zie paragraaf 5.3. Concreet betekent dit voor ramen dat: • Vormgeving en ritmiek van de ramen versterkt de beoogde versmelting tussen baksteenarchitectuur en modernisme. • De modernistische invloed is onder andere te zien in een zekere eerlijkheid van de architectuur door het in de gevel zichtbaar maken van de structuur van de gebouwen. Daarmee ontstaat ook een korrelgrootte in de gebouwen die aansluit op de menselijke maat. • Als het feitelijke glasvlak (wegens BENG, kosten of functionele redenen), kleiner moet zijn dan hierboven wordt voorgeschreven, dan wordt het geveldeel rond het raam terugliggend vormgegeven waardoor de gelaagdheid van de gevel wordt benadrukt, zie tweede punt paragraaf 5.5 en referentiefoto. • Kozijnen worden in hout of aluminium uitgevoerd, zie paragraaf 5.4.

Indien vanwege kostenoverwegingen toch voor kunststofkozijnen gekozen moet worden dan gelden hier de volgende kaders voor: Д geen kunststofkozijnen in de ‘architectonische’ plint van de gebouwen (eerste twee bouwlagen – zie paragaaf 5.8), Д middels referenties van projecten ouder dan 10 jaar dient aangetoond te worden dat de voorgestelde kozijnen mooi verouderen, Д de kozijnen dienen een rankheid te hebben passend bij de beoogde architectuur, Д de kozijnen dienen met voldoende neggemaat in de gevels geplaatst te kunnen worden.

gevels differentiatie en schaal ontstaat. Dit kan zowel regelmatig als onregelmatig, al naar gelang het concept van het gebouw. • In sommige gevallen is het voorgeschreven om de private buitenruimte als loggia of half-in-half-uit-balkon te bouwen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de afstand tot de overkant van de straat te klein wordt. • De combinatie van loggia’s en uitstekende balkons draagt bij aan architectonische verscheidenheid en rijkheid doordat een menselijke schaal wordt toegevoegd aan de veelal grote volumes. • Geen transparante balkon- of loggiahekken in de plinten van de gebouwen als deze aan de kant van de straat zitten. Zie ook paragrafen 5.11 en 5.12.

Gelaagdheid van de gevel en compositie van de balkons

Concreet betekent dit voor balkons en loggia’s dat: • Vormgeving, materiaal- en kleurgebruik van de balkons inclusief balustraden is passend bij het beoogde architectonische beeld. Balkons dienen een duidelijk onderdeel (van het concept) van het gebouw te zijn. Autonome vormen of juist oplossingen die opgaan in het hoofdvolume mogen allebei voorkomen, mits ze een duidelijk onderdeel van het verhaal van het gebouw vormen. • De compositie van balkons dient ervoor te zorgen dat er in de Compositie van balkons

64

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

Loggia

5.7

Plinten en arcades

De kwaliteit van de gevels van de begane grond en eerste verdieping – de zogenaamde ‘architectonische’ plint van de gebouwen, gaat voor een groot deel de kwaliteit van Centrum Schalkwijk bepalen. De ambitie van ‘ruggen naar gezichten’ (zie hoofdstuk 3), betekent dat er actieve, hoogwaardige plinten ontworpen moeten worden. Zie voor dit onderwerp ook de paragrafen 4.6.3 tot 4.6.5 en 4.9.2. Deze paragraaf richt zich op de beeldkwaliteitsaspecten met betrekking tot plinten en arcades. Plinten en arcades dienen aan de volgende beeldkwaliteitskaders te voldoen: • Plinten en arcades krijgen een transparante uitstraling zonder dat de gebouwen gaan zweven. De gebouwen dienen duidelijk op de grond te staan door de zwaarte van de stenengevels consequent door te voeren naar de grond. • De architectonische plint van de gebouwen bestaat uit de begane grond én de eerste verdieping. Ook al zit er een programmatisch verschil tussen de begane grond en de eerste verdieping, esthetisch worden ze samengetrokken. • Het feit dat de circa 7,5 meter hoge plint van het gebouw als zodanig te lezen moet zijn, betekent niet dat de plint qua materiaal of kleur een sterk contrast vormt met de hoofdgevel. Subtiele oplossingen hebben de voorkeur. • Rond het Californiëplein bestaat de plint uit een arcade over twee lagen.

De maatvoering van de verschillende arcades (plafondhoogte en hart-op-hart-maat en breedte van de kolommen), dient op elkaar afgestemd te worden. De reeds gerealiseerde arcade van het Californiëblok is hierbij uitgangspunt. Uitzondering vormt de toren van blok G, deze kan ook met zijn arcade afwijken van de rest van de arcades rond het Californiëplein (zie paragrafen 3.4.6 en 5.5). • Bij de vormgeving van de arcades dient aandacht besteedt te worden aan een hoogwaardig en geïntegreerd plafond- en lichtontwerp.

Architectonische plint over twee lagen

Arcade Californiëblok

Overstek

Arcade over twee lagen

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

65

5.8

Hoofdentrees appartementen

Centrum Schalkwijk wordt gekarakteriseerd door de combinatie van veel functies. Doordat publieke functies veelal in de plinten van de gebouwen komen en de woningen daarboven, is het van belang dat de woningentrees duidelijk herkenbaar zijn. Zoals in paragraaf 4.6.6 te lezen valt dienen hoofdentrees van appartementen open en transparant vormgegeven te worden en moeten lange, ‘dode’ brievenbussenwanden worden voorkomen. Qua beeldkwaliteit worden hieraan verder de volgende kaders meegegeven: • Entrees moeten zo veel mogelijk gespreid worden over de straten. Dit is van belang om ‘s avonds de lege winkelstraten van levendigheid en daarmee sociale veiligheid te voorzien. • Voor gebouwen aan de Europaweg dient de hoofdentree aan de Europaweg te liggen. Dit is een van de middelen om deze beoogde stadstraat ook ’s avonds te activeren. • De entrees zijn duidelijk herkenbaar, ruim van opzet, overzichtelijk, veilig en goed verlicht. De entreehal wordt over twee lagen ontworpen (de hoogte van de architectonische plint van het gebouw). • Postbussen en belpanelen worden mee-ontworpen in het entree-ontwerp en worden zo ontworpen dat ze niet een dood stuk plint vormen. Te lange brievenbussenwanden worden in de tochtportalen opgenomen. Voor de sociale veiligheid worden deze ‘s avonds afgesloten (zie ook paragraaf 4.9.3).

Tochtportaal met brievenbussen aan binnenkant (‘s avond afgesloten)

Entree met brievenbussen aan zijkanten

66

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

Entreehal over twee lagen

Tochtportaal met brievenbussen en pakketbox (‘s avond afgesloten)

5.9

Setbacks bovenste verdieping

5.10 HWA’s en installaties in de plinten en op de daken

Zoals in de paragrafen 4.2.3 en 4.6.2 te lezen valt, krijgt de bovenste verdieping van de blokken van zeven lagen een setback van minimaal 2 meter. Op deze manier worden de blokken vanaf de straat gezien lager en is er meer lucht zichtbaar en ontstaat er minder schaduw. Uitzonderingen zijn eventueel mogelijk, mits goed onderbouwd.

Zoals in paragraaf 4.6.9 omschreven staat, dienen noodzakelijke technische voorzieningen in plinten en op daken niet of zo min mogelijk zichtbaar te zijn vanaf de openbare ruimte. Dit geldt ook voor hemelwaterafvoeren (HWA’s).

Qua vormgeving van de setbacks wordt het volgende meegeven: • Het ontwerp en de materialisatie van de gevels van de setbacks dienen duidelijk onderdeel uit te maken van het totaalconcept en de architectuurtaal van het hoofdvolume.

Setback bovenste verdieping

Qua beeldkwaliteit betekent dit het volgende: • HWA’s zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, maar worden binnen de buitengevel opgelost. Ter plaatse van de architectonische plint betekent dit dat ze weggewerkt worden in de spouw. Voor rest van de voorgevel betekent dit dat ze in ieder geval integraal onderdeel zijn van de architectonische uitwerking (geen pvc, ingekast in het metselwerk met aansluitende kleurstelling, etc.). • Ruimten voor trafo’s en andere installaties op de begane grond worden mee-ontworpen in de gevel, inclusief de toegangsdeuren. Doel is het zo veel mogelijk beperken van de negatieve impact op het gevelbeeld. • Installaties op het dak worden door een verhoogde dakrand aan het zicht onttrokken of worden verwerkt in de architectonische signatuur van het gebouw (bijvoorbeeld liftopbouwen). • Klimaat- en glazenwasinstallaties dienen op niet zicht-locaties te worden opgesteld en dienen mee-ontworpen te worden. • Pv-panelen op daken zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte en worden boven een sedumtapijt geplaatst (deze combinatie is gunstig voor waterbuffering, verminderen hittestress, biodiversiteit, langere levensduur en hogere opbrengst panelen).

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

67

5.11 Groen op, aan en rond de gebouwen Zoals in paragrafen 4.10.2 en 4.10.3 te lezen valt, dient Centrum Schalkwijk klimaatbestendig en natuurinclusief ontworpen te worden. Deze paragraaf geeft de beeldkwaliteitsaspecten die gekoppeld zijn aan deze ambities. Concreet dienen de volgende aspecten verder uitgewerkt te worden in het BKP: • Daken waar men vanuit belendende panden op uitkijkt, worden minimaal voorzien van dik sedumtapijt met een ruim assortiment aan plantsoorten. Dit levert het heel jaar door een aantrekkelijk beeld op inclusief seizoenswisselingen. • (Delen van) collectieve ruimten op daken worden voorzien van een dik grondpakket waardoor een groter beplantingsassortiment kan worden toegepast, waaronder struiken en bomen. • Erfafscheidingen bij woningen op de begane grond krijgen een zo groen mogelijk uitstraling, bijvoorbeeld door toepassing van een haag of lage tuinmuur met geïntegreerde bloembakken. Dit geldt niet voor de buitenruimten boven het water. • Nestkasten en rustplekken voor vogels, vleermuizen, solitaire bijen en vlinders op een zodanige manier in de gevelontwerpen integreren dat het een verrijking van de plastiek en textuur van de gevels oplevert, zie paragraaf 5.5. • Als wens willen we het stimuleren van groen op balkons, bijvoorbeeld door middel van het integreren van bloembakken in de balustraden, meegeven.

Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar heeft ook een gunstig effect op verkoeling, individuele expressie en geborgenheid.

Collectieve daktuin

Sedumdak met rijk assortiment aan plantsoorten

Collectieve binnentuin op dak

68

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

Groen op balkons

Pv-cellen gecombineerd met bloemrijk kruidenmengsel

5.12 Overgangszone privé-openbaar

5.13 Reclamebeleid

Onder leiding van de supervisor stemmen de architecten en de landschapsarchitect van de openbare ruimte in Centrum Schalwijk, de vormgeving en materialisatie van de verschillende overgangszones tussen de gebouwen en de openbare ruimte op elkaar af. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen overgangszones tussen voorzieningen en de openbare ruimte en wonen en de openbare ruimte. Afspraken worden vastgelegd in het BKP en verwerkt in het ontwerp openbare ruimte.

Uitgangspunt is dat er rust, eenheid en kwaliteit ontstaat in de reclameuitingen in Centrum Schalkwijk. Onder reclame-uitingen worden hier ook bedrijfsnamen, namen van gebouwen et cetera verstaan.

Overgang openbaar - wonen

Overgang openbaar - voorzieningen

Voor de grootte en plaatsing betekent dit dat: • Gevels en omgeving nooit door reclame-uitingen gedomineerd worden; ze dienen ondergeschikt en geïntegreerd in de architectuur van de gebouwen te worden. Plakkaten tegen gevels zijn niet toegestaan. • Reclame-uitingen alleen geplaatst mogen worden in ‘reclamezones’ die in de puien mee ontworpen zijn en als zodanig zichtbaar zijn. Deze zones ligt altijd hoger dan 3 meter en zijn zelf niet hoger dan 0,75 meter. De reclamezone is altijd zo breed als de pui van de betreffende voorziening. • Reclame-uitingen alleen binnen deze reclamezones kunnen worden opgehangen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met luchttoevoerroosters. • Buiten deze zones, bijvoorbeeld aan balkons of op borstweringen van bovenliggende woningen, zijn reclame-uitingen niet toegestaan. • Opbouw-(licht)bakken die buiten de gevel steken zijn niet toegestaan. • Vlaggen, banieren en opgespannen doek in frames zijn niet toegestaan. Voor de vormgeving van reclame-uitingen betekent dit dat: • Vorm, kleur en afmeting moet passen bij het uiterlijk van het gebouw en niet ontsierend zijn in het straat- of pleinbeeld. • De reclame-uiting een eigen kwaliteit heeft qua vormgeving, typografie, kleurstelling, lay-out en materiaalgebruik. • Elke letter dient een zelfstandig object te zijn.

• Verlichting van reclame-uitingen is toegestaan, maar mag geen hinder voor omliggende woningen opleveren. Dus geen verlichting naar boven of aan de zijkanten van de reclame-uiting. Leidingen voor elektriciteit en dergelijken, zijn volledig geïntegreerd en uit het zicht. • Zogenaamde ‘Huisstijlreclames’ dienen aangepast te worden aan voorliggend regelement. Hierop zijn geen uitzonderingen te maken.

SPvE Centrum Schalkwijk - Fase 2

69

5.14 Blok O.1 als ‘special’ Voor reclame-uitingen op of achter etalageruiten betekent dit dat: • In totaal maximaal 33% mag worden dichtgeplakt of dichtgezet. Dit geldt voor alle ramen, dus ook voor separate bovenlichten en het bovenste deel bij tweelaagse puien. De folie of de plakletters dienen een representatief karakter te hebben en mogen logo’s, beelden, namen en openingstijden bevatten. Kreten als ‘totale leegverkoop’ zijn niet toegestaan. • Achter de pui zal reclamevoering en inrichting dusdanig transparant moeten zijn dat doorkijk van buitenaf mogelijk blijft. Het aanlichten van reclame-uitingen achter de pui is toegestaan, maar mag geen overlast veroorzaken voor omwonenden. (Losse) armaturen dienen bescheiden in omvang en onopvallend in kleurstelling te zijn.

De gebouwen in Fase 2 worden allemaal opgetrokken in steenachtige materialen, met uitzondering van blok O.1. Samen met de andere ‘specials’ (uitzonderingen) in Centrum Schalkwijk - bijvoorbeeld de Foodhall/Markthal en de Ceylonpoort, krijgt dit paviljoen een meer autonome uitstraling om zo voor de nodige afwisseling te zorgen. Zie voor kaders paragraaf 4.6.11.

Winkelpui fase 1

Specials

Ingetogen reclame-uitingen

70

Gemeente Haarlem - JCAU - Buro Lubbers

Schalkwijk te Haarlem Bezonningsonderzoek

Rapportnummer O 16396-3-RA-005 d.d. 18 juli 2022

Schalkwijk te Haarlem Bezonningsonderzoek

opdrachtgever

Hoorne Vastgoed BV

rapportnummer

O 16 39 6- 3 - R A- 0 05

datum

1 8 j u l i 20 22

referentie

O O / M a V / / O 1 63 96 - 3- R A - 00 5

verantwoordelijke O.E. Otten opsteller

ir. M.A. Verbruggen +31 858 228 623 m.verbruggen@peutz.nl

peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, mook@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon

O 16396-3-RA-005 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

2

Normstelling en opzet van het onderzoek

5

2.1

Normstelling

5

2.2

Opzet van het onderzoek

5

3

Resultaten van het onderzoek

8

3.1

Bebouwing Stresemannlaan en Briandlaan

11

3.2

Appar tementengebouw Californiëplein

11

4

Samenvatting en conclusies

12

O 16396-3-RA-005 3

1

Inleiding In opdracht van Hoorne Vastgoed BV is in het kader van de ruimtelijke onderbouwing een bezonningsonderzoek uitgevoerd voor het plan Schalkstad te Haarlem. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de mogelijke invloed van de geplande bouwvolumes op de bezonning van de omliggende bestaande woonbebouwing. Voor het vervaardigen van het model van de geplande bebouwing, en de toekomstige omgevingsbebouwing in hetzelfde ontwikkelgebied, is gebruik gemaakt van een door Jo Coenen aangeleverd 3D model. De bestaande stedenbouwkundige omgeving is door Peutz aangevuld. In de rapportage wordt de volgende indeling gehanteerd. In hoofdstuk 2 worden de normstelling en de opzet van het onderzoek toegelicht. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 4 is een samenvatting betreffende het onderzoek opgenomen en worden conclusies gegeven.

O 16396-3-RA-005 4

2

Normstelling en opzet van het onderzoek

2.1 N o r m s t e l l i n g

Er bestaan in Nederland geen officiële landelijke bezonningsnormen. Daarom wordt vaak vastgehouden aan verschillende bestaande richtlijnen, zoals de lichte TNO-norm. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning van een woning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. Volgens de strenge TNO-norm is er sprake van een goede bezonning bij tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari t/m 22 november. De lichte TNO-norm is het meest gangbaar voor de toetsing van de bezonning van woningen. Derhalve heeft een globale toetsing plaatsgevonden volgens deze veel gebruikte richtlijn.

2.2 O p z e t v a n h e t o n d e r z o e k

Het onderzoek is gebaseerd op de rekenkundige bezonning van een 3D-model van de bestaande en de geplande bebouwingssituatie. In de figuren 2.1 en 2.2 zijn aanzichten opgenomen van de gehanteerde 3D-modellen van respectievelijk de bestaande en geplande situatie. Om een duidelijk beeld te verkrijgen van de invloed van de geplande bebouwing is de aanwezige begroeiing niet in het model meegenomen.

O 16396-3-RA-005 5

Europaweg

f2.1 Aanzicht model bestaande situatie

Californiëplein

Briandlaan

Europaweg

f2.2 Aanzicht model geplande situatie

G

H

Californiëplein

F

E

D B

A

Briandlaan

C

O 16396-3-RA-005 6

Met behulp van door Peutz ontwikkelde programmatuur binnen het softwarepakket Radiance is de mogelijke bezonningsduur op de gevels van de omliggende bebouwing berekend en met kleuren weergegeven. Zowel de bestaande als de geplande situatie is doorgerekend. Voor zover sprake is van schaduw van het bouwplan wordt tevens de afname van de bezonning aangegeven (zogeheten false-color afbeeldingen). Op deze wijze is onderzoek verricht naar de bezonningssituatie op de data 19 februari, 21 april en 21 juni (langste dag). Doordat de zonnebaan in de tweede jaarhelft in omgekeerde volgorde vrijwel gelijk is aan die in de eerste jaarhelft (met verschuiving van een uur door de zomertijd) zijn de resultaten van het onderzoek van april eveneens representatief voor augustus en die van februari voor oktober. De onderzoeksresultaten geven derhalve met een interval van 2 maanden een beeld van de bezonningssituatie gedurende een groot deel van het jaar, overeenkomend met de periode volgens de lichte TNO-norm. De bezonningssituatie tijdens een deel van de winterperiode wordt niet in het onderzoek meegenomen. In het onderzoek wordt uitgegaan van de theoretisch mogelijke bezonning.

O 16396-3-RA-005 7

3

Resultaten van het onderzoek In bijlage 1 zijn de visualisaties van de schaduwwerking op 19 februari, 21 april en 21 juni voor de geplande bebouwingssituatie opgenomen. De extra schaduw ten gevolge van de geplande bebouwing heeft de kleur rood. Teneinde de impact van de schaduwwerking meer inzichtelijk te maken is de potentiële bezonningsduur op de gevels van de bestaande woningen berekend. In figuren 3.1 t/m 3.6 zijn de rekenresultaten voor de bestaande en geplande situatie op de meest kritische datum 19 februari weergegeven in 2 aanzichten. De kleurenlegenda loopt in deze figuren van 0 uur t/m 2 uur, zodat hieruit makkelijk kan worden opgemaakt of de bezonningsduur op de gevels van de woningen kleiner of groter dan de grenswaarde van 2 uur is. Op gevels met de kleur geel is een bezonningsduur van 2 uren of meer mogelijk. Een afname van de bezonning ten gevolge van de geplande bebouwing kan worden vastgesteld door de afbeeldingen te vergelijken. Tevens is een afname van de bezonning op gevels grafisch inzichtelijk gemaakt. De kleurenlegenda loopt in deze figuren van 0 t/m 6 uur. De bezonning van grijze geveldelen in deze afbeeldingen wijzigt niet. Een volledig overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage 2 en 3. De kleurenlegenda loopt in deze figuren van 0 t/m 8 uur.

Uit de rekenresultaten blijkt dat het grootste deel van de bestaande woningen ruimschoots voldoet aan de criteria van de lichte TNO-norm. Uitzondering hierop is de bebouwing aan de Stresemannlaan 2/2A en Briandlaan 3 t/m 9, en de westzijde van het nieuwe appartementengebouw aan het Californiëplein, hier neemt de bezonningsduur ten gevolge van de geplande nieuwbouw dermate af dat er minder dan 2 uur zon wordt behaald (zie figuur 3.5). In paragrafen 3.1 en 3.2 wordt nader ingegaan op de bezonning van deze bebouwing.

O 16396-3-RA-005 8

f3.1

Bezonningsduur in de huidige bebouwingssituatie op 19 februari, schaal 0 t/m 2 uur, aanzicht 1

f3.2

Bezonningsduur in de geplande bebouwingssituatie op 19 februari, schaal 0 t/m 2 uur, aanzicht 1

f3.3

Afname bezonningsduur t.g.v. de geplande bebouwing op 19 februari, schaal 0 t/m 6 uur, aanzicht 1

O 16396-3-RA-005 9

f3.4

Bezonningsduur in de huidige bebouwingssituatie op 19 februari, schaal 0 t/m 2 uur, aanzicht 2

f3.5

Bezonningsduur in de geplande bebouwingssituatie op 19 februari, schaal 0 t/m 2 uur, aanzicht 2

Woningen Stresemanlaan/ Briandlaan*

Woningen Californiëplein*

f3.6

Afname bezonningsduur t.g.v. de geplande bebouwing op 19 februari, schaal 0 t/m 6 uur, aanzicht 2

* gemarkeerde woningen voldoen ten gevolge van de realisatie van de geplande nieuwbouw niet aan de criteria van de lichte TNO-norm O 16396-3-RA-005 10

3.1 B e b o u w i n g S t r e s e m a n n l a a n e n B r i a n d l a a n

In figuur 3.7 is een uitsnede van figuren 3.4 t/m 3.6 opgenomen ter plaatse van de bebouwing aan de Stresemannlaan en Briandlaan. Uit deze figuren en de onderliggende data blijkt dat in de bestaande situatie op de gevel sprake is van 3:35 tot 3:40 uur zon. In de geplande situatie neemt het aantal zonuren af, waardoor sprake is van 1:30 uur tot 2:25 uur zon. Er is hier sprake van een afname van 1:15 tot 2:10 uur, welke in de namiddag optreedt. Voor deze bebouwing wordt opgemerkt dat deze de bestemming 'gemengd' heeft. Hier zijn zowel bedrijven als woningen aanwezig, waarbij de indeling van de woningen ons niet bekend is. Indien de woonkamer zich aan de westzijde van de woning bevindt, wordt minder dan 2 uur zon behaald. Indien de woonkamer zich aan de oostzijde bevindt wordt de bezonningsduur niet beïnvloed. In de andere getoetste maanden, april en juni, wordt wel minimaal 2 uur zon behaald. f3.7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16601479/2