CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bestemmingsplan Beatrixplein

gemeenteraad 25 april 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Beatrixplein24.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.3 Conclusie Maatregelen om de geluidbelasting ter plaatse van de gebouwen terug te brengen zijn niet mogelijk of lijken niet doelmatig. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem dient daarom de volgende hogere waarden vast te stellen:

Het (ontwerp)besluit hogere geluidswaarde is toegevoegd (Bijlage 8). Het college is voornemens om conform artikel 17 van de Beleidsregels Hogere Waarde Wet Geluidhinder af te wijken van het bepaalde in artikel 12 en 13 lid 2.

42

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

De woningen aan Prins Bernhardlaan in de blokken A, B, C, D en G hoeven niet tenminste één slaapkamer aan de geluidsluwe zijde te hebben. Bouwtechnisch en ten aanzien van de indeling is het niet mogelijk om aan deze regel te kunnen voldoen. Ook hoeven de balkons niet aan de geluidsluwe zijde te worden gesitueerd. In de verdere uitwerking van het plan en omgevingsvergunning voor bouwen zal nader onderzoek gedaan worden naar geluidsisolerende maatregelen die bijdragen aan de geluidwering. De woningen zullen tot slot altijd voldoen aan de geluidseisen die het Bouwbesluit 2012 voorschrijft. Gecumuleerde geluidsbelasting De gemeente moet beoordelen of de gecumuleerde geluidbelasting van ten hoogste 63 dB past binnen een goed woon- en leefklimaat. Een wettelijke toets aan een grenswaarde voor gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Of de gemeente een hoog gecumuleerd geluidniveau als aanvaardbaar beoordeelt, is mede afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij spelen naast geluid ook andere omstandigheden en belangen een rol. De afweging speelt zich af op het complexe snijvlak van belangen van hinder en gezondheid, woningbouw, economie en mobiliteit.

Voor het Beatrixplein betekent dit onder meer dat naast de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat ook de afweging moet worden gemaakt in het licht van de binnenstedelijke woonopgave waar Haarlem voor staat, wijkvernieuwing en de algemene verbetering van het woon- en leefklimaat dat het plan hoe dan ook met zich meebrengt in vergelijking met de bestaande verouderde woonvoorraad die niet meer voldoet aan de hedendaagse normen en eisen. In algemene zin kan daarmee gesteld worden dat het plan in haar totaliteit hoe dan ook tot een verbetering van het woon- en leefklimaat leidt. De gemeente vindt de gecumuleerde geluidsbelasting acceptabel. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor 'bouwen' is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels. De binnenwaarde van de woningen zal daardoor aan de wettelijke eisen voldoen. Daarmee is een binnenniveau van maximaal 33 dB gewaarborgd.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1 Inleiding Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6),

43

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 4.4.2 Onderzoek Gemeente Haarlem is voornemens om het Beatrixplein in Haarlem te herontwikkelen. De herontwikkeling bestaat uit circa 600 woningen, circa 5.500 m2 commercieel en 3.300 m2 aan maatschappelijke functies. Tevens voorziet het plan in een ondergrondse parkeergarage en een mobiliteitshub.

Ten gevolge van het bestemmingsplan zal de intensiteit van activiteiten lokaal toenemen, met als gevolg dat emissies van onder andere stikstofoxiden en fijnstof vrijkomen. Hierdoor kan de luchtkwaliteit verslechteren. Hoewel het plan 44

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

kan worden gezien als NIBM, doordat het de netto verkeerstoename niet leidt tot een overschrijding van de 3% regel wordt in dit onderzoek (Bijlage 9) het aspect luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan belicht ter hoogte van de parkeergarages die zullen worden aangelegd. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten aanwezig zijn of geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

45

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

4.5.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen. De volgende risicobronnen zijn relevant in relatie tot het plangebied: Hogedruk aardgastransportleiding (W-532-01); Rijksweg A9 Hogedruk aardgastransportleiding Ten noorden van het plangebied bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie. Deze leiding bevindt zich op circa 10 meter van het plangebied.

De locatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding. Om het risiconiveau van deze hogedruk aardgastransportleiding te bepalen zijn risicoberekeningen uitgevoerd (Bijlage 10). Plaatsgebonden risico Uit de risicoberekeningen blijkt dat de leiding geen PR 10-6 heeft ter hoogte van het plangebied. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding is zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager dan de oriëntatiewaarde. Hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding bedraagt in de huidige situatie 0,274 en in de toekomstige situaie 0,423.

Uit de bovenstaande figuren blijkt dat het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De toekomstige situatie veroorzaakt een hoger groepsrisico, de ontwikkeling is daarmee van invloed op het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding. Omdat het groepsrisico van de leiding hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en met meer dan tien procent toeneemt, is een (volledige) 46

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

verantwoording van het groepsrisico conform artikel 12 van het Bevb in het kader van de ruimtelijke procedure verplicht. Rijksweg A9 Ten oosten van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A9 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Het invloedsgebied van de A9 bedraagt 4.000 meter (stofcategorie LT3). De afstand van deze weg tot het plangebied bedraagt meer circa 3.000 meter, het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze weg. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat vermeld dat er voor de rijksweg ter hoogte van het plangebied sprake is van een maximale PR 10-6-contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. De A9 heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het plangebied ligt echter ruim buiten het PAG. Groepsrisico De afstand tussen de weg en het plangebied bedraagt meer dan 200 meter, nadere beschouwing van het groepsrisico is niet nodig. Aangezien de planlocatie wel binnen het invloedsgebied van de weg is gelegen verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt van toepassing voor deze rijksweg conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.

4.5.3 Conclusie Hogedruk aardgastransportleiding De leiding heeft geen geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op; De hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van deze leiding neemt in de toekomstige situatie toe; Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing. Rijksweg A9 De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 0 meter. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belmmeringen op; De weg heeft een plasbrandaandachtsgebied dat niet tot het plangebied reikt; Beschouwing van het groepsrisico is niet nodig (afstand tussen plangebied en weg bedraagt meer dan 200 meter); Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing.

47

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

4.5.4 Verantwoording groepsrisico Hoofdstuk 4 van Bijlage 10 bevat de nodige informatie voor het verantwoorden van het groepsrisico. Kortheidshalve wordt naar de bijlage verwezen. Vanwege de nabij gelegen aardgastransportleiding en de verder gelegen Rijksweg A9 is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Gezien de afstand tot het plangebied zijn het fakkelbrand en toxisch scenario relevant. Oriëntatiewaarde Het groepsrisico van de leiding neemt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling in de toekomstige situatie toe ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico blijft wel onder de oriëntatiewaarde. Bronmaatregelen In het kader van de veiligheid zijn diverse veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de buisleiding getroffen, zoals bijvoorbeeld striktere begeleiding van werkzaamheden. De veiligheidsaspecten zullen in acht worden genomen bij de herontwikkeling van het plangebied. De gemeente is niet bevoegd om aanvullende bronmaatregelen te eisen. Zelfredzaamheid Fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt bij de buisleiding ter hoogte van het plangebied circa 65 meter en reikt tot een deel van het plangebied). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven.

Echter, dergelijke scenario's kunnen optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. In het kader van de zelfredzaamheid zal met de projectontwikkelaar afspraken gemaakt worden over de risicocommunicatie richting de toekomstige bewoners en gebruikers. Toxische gassen Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. 48

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De aanvragen omgevingsvergunning bouwen zullen in de loop van 2024 worden aangevraagd. Interne vluchtwegen afstemmen op externe veiligheid Een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij één van de risicobronnen zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving. Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd. De interne vluchtwegen in het gebouw zullen zodanig gesitueerd zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Bij een fakkelbrand met secundaire branden is dit richting het oosten. Externe vluchtwegen In sommige gevallen kan vluchten eveneens nodig zijn, eventueel als reactie op secundaire branden. De bestaande infrastructuur rond het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om de omgeving meerzijdig (naar de risicoluwe zijde) te ontvluchten. Via de Vincent van Goghlaan, Leonard Springerlaan en het Prinses Beatrixplein kan men meerzijdig het plangebied ontvluchten. Beperkt zelfredzame personen Binnen het plangebied wordt specifiek een functie mogelijk gemaakt voor beperkt zelfredzame groepen, namelijk zorgwoningen.

Het gebied waarin deze functie zich bevindt, ligt op ongeveer 10 meter afstand van de dichtstbijzijnde risicobron (hogedruk aardgastransportleiding). Deze 32 zorgwoningen zitten in de huidige situatie in het Naastgelegen Reinaldahuis. Vanwege de indeling van het huidige pand is het houden van toezicht en het leveren van zorg moeilijk te organiseren. De gemeente Haarlem kiest er dan ook voor om deze 32 woningen te verplaatsen naar nieuwe bebouwing ten noorden van het Reinaldahuis. Deze nieuwe locatie zal worden verbonden met het Reinaldahuis. Op deze manier kan het zorgpersoneel snel naar de bewoners toe. Vanwege de het belang van een goede bereikbaarheid tussen het Reinaldahhuis en de nieuwe verplaatste zorgwoningen is het belangrijk dat de toekomstige zorgewoningen nabij het Reinaldahuis worden georganiseerd. Bij een incident ter hoogte van het plangebied (fakkelbrand)is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden, zelfredzaamheid is dan ook niet aan de orde. Bij een incident op afstand is vluchten en schuilen wel mogelijk. Bouwkundige maatregelen zijn beperkt effectief op een afstand van 10 meter bij een fakkelbrand ter hoogte van het plangebied.

De meest effectieve maatregel is voorkomen dat er personen aanwezig zijn op het moment dat de kans op een incident het grootst is, dit is tijdens graafwerkzaamheden. Het wordt dan ook aanbevolen om te zorgen dat er geen mensen aanwezig zijn binnen het effectgebied tijdens graafwerkzaamheden. Dit dient te worden geborgd. Daarnaast is het van belang dat vluchtwegen richting de risicoluwe zijde zijn gericht (het oosten), zodat beperkt zelfredzame mensen met hulp kunnen vluchten richting de risicoluwe zijde. De brandweer raadt aan om de interne organisatie voor te bereiden op een mogelijk incident. Hierbij wordt dan ook 49

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

geadviseerd om een zelfredzaamheidplan voor het gebouw op te stellen. In de verdere uitwerking van het bouwproject zullen deze punten meegenomen worden. Bestrijdbaarheid In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas tussen de inblokking moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd dooft. De rol van de brandweer beperkt zich tot het afzetten van de omgeving, zo mogelijk het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. De Veiligheidsregio heeft aparte protocollen voor het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen op de weg. De brandweer Haarlem heeft een kazerne aan de Floris van Adrichemlaan 90. De locatie is goed bereikbaar voor de brandweer. Conclusie Gezien bovenstaande overwegingen vindt de gemeente de toename van het groepsrisico acceptabel.

4.6

Mer-beoordeling

4.6.1 Inleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak 50

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de Cof D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

4.6.2 Onderzoek Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van circa 80 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat. 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woningen en blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Op basis van een aanmeldnotitie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden (Bijlage 11).

Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.

51

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de provinciale omgevingsverordening. Het besluit op de aanmeldnotitie is op 18 oktober 2023 gepubliceerd (Bijlage 12). 4.6.3 Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de omgevingsverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

4.7

Duurzaamheid en energie

4.7.1 Inleiding In 2040 wil Haarlem aardgasvrij en circulair zijn. Daarnaast moet in 2050 de openbare ruimte zo zijn ingericht dat deze klimaatbestendig is. Haarlem hanteert daarom één richtlijn voor Duurzaam Bouwen waarin de uitgangspunten die voortkomen uit het beleid, staan beschreven. Door vroeg in het proces na te denken over de verschillende aspecten kunnen afgewogen en onderbouwde keuzes worden gemaakt om de gezamenlijke ambitie van een duurzaam Prinses Beatrixplein vorm te geven. In het op 13 oktober 2022 door de gemeenteraad vastgestelde Stedenbouwkundig Programma van Eisen zijn per duurzaamheidsthema uit de ‘Richtlijn duurzaam bouwen’de eisen en ambities beschreven voor de ontwikkeling van het Prinses Beatrixplein. Daarnaast zijn er nog enkele ambities benoemd die in de Stedenbouwkundig Plan-fase onderzocht moeten worden. Ten behoeve van het integrale duurzaamheidsplan, inclusief de onderdelen groenparagraaf, klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen worden in dit plan de eisen en ambities uit het Stedenbouwkundig Programma van Eisen nader geconcretiseerd en hoe betrokken partijen daar gevolg aan gaan geven. In het definitieve Stedenbouwkundig Plan wordt concreet omschreven welke van deze oplossingsrichtingen daadwerkelijk maatregelen worden. Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen.

De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er

52

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd. Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (college van BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het Omgevingsplan (OP) en worden de uitgangspunten juridisch geborgd. Energie en warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld.

Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG heeft per jan 2020 de EPC. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevings- vergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Deze vervangt de energieprestatie- coëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: Checklist warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie

53

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma). Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. Zie voor nadere uitwerking paragraaf 4.9. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied.

Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Een ecologische quickscan heeft uitgewezen dat zich binnen het plangebied geen ecologische waarden bevinden. Compenserende maatregelen zijn dan ook niet aan de orde (zie ook paragraaf 4.12). Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. 54

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0 (Bouwbesluit 2018). Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0). Doeleinde: Registratie materialen Bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft.

Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020). Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Nieuwbouw Bij de nieuwbouw binnen het plangebied moeten minimaal de vaste maatregelen uit de nationale pakketten duurzaam bouwen worden uitgevoerd. Dit betreft dus zowel utiliteitsbouw, grond- weg- en waterbouw als woningbouw. Daarbij moet gedacht worden aan gunstige oriëntatie op het zuiden voor het toepassen van zonneboilers en (in de toekomst) zonnecellen, compact bouwen en afkoppelen van regenwaterafvoer. Bij voorkeur wordt nu al rekening gehouden met een mogelijke verandering van bestemming in de toekomst. Dit staat ook bekend als flexibel bouwen. Mobiliteit 55

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto.

Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. 4.7.2 Onderzoek Randvoorwaarden en doeleinden: De gemeente en ontwikkelaar zijn een koopovereenkomst overeengekomen. Hier zijn geen aanvullende duurzaamheidseisen overeengekomen. Uitgangspunt voor het plan is een ontwerp wat voldoet aan het Bouwbesluit. Ontwikkelaar streeft er weliswaar alsnog naar om zoveel mogelijk duurzaamheidsmaatregelen toe te passen. Aardgas vrij bouwen In principe moeten gebouwen sinds 1 januari 2018 aardgasvrij worden opgeleverd. Uitgangspunt bij de nieuwbouw is dan ook dat aardgasvrij gebouwd wordt. Duurzame energie Op de woningen worden zonnepanelen toegepast. De aantallen worden nog nader bepaalt op basis van de studieberekeningen voor de BENG-score. Verwarming, koeling en ventilatie Voor de verwarming (en koeling) van zowel de woningen als de appartementen wordt er uitgegaan van individuele warmtepompen met bodemlussen (water/water-warmtepomp). Met een water/water-warmtepomp is een COP van 4,5 tot 6 te realiseren. Voor de grondgebonden woningen wordt uitgegaan van een bodemlus per woning, direct aangesloten op de warmtepomp. Voor 56

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

de appartementen wordt eveneens uitgegaan van individuele warmtepompen. Deze worden echter aangesloten op een collectief leidingnet van bodemlussen. Deze bodemlussen bevinden zich in de parkeergarage. Voor de ventilatie wordt uitgegaan van balansventilatie met warmteterugwinning en CO2-regeling. De CO2-regeling regelt het ventilatiedebiet op basis van de hoeveelheid gemeten CO2. Hiervoor worden individuele WTW-units per woning en appartement voorzien. Het ventilatiedebiet kan handmatig verhoogd worden middels een drie-standenschakeling (badkamer/keuken). De grondgebonden woningen krijgen een WTW-unit met aanvoer en afvoer direct naar buiten (dakkappen of gevelrooster). Voor de grondgebonden woningen wordt uitgegaan van een CO2-regeling met zonering (verschillend ventilatiedebiet per zone, bijvoorbeeld woon- en slaapvertrekken). De appartementen krijgen een WTW-unit met aanvoer en afvoer op gezamenlijke geïsoleerde schachtkanalen voor de aanvoer en afvoer van ventilatielucht naar buiten. Voor de tweekamer appartementen wordt uitgegaan van een CO2-regeling zonder zonering (gehele appartement heeft hetzelfde ventilatiedebiet). Voor de appartementen met drie kamers of meer wordt uitgegaan van een CO2-regeling met zonering. Afvalinzameling De positie van ondergrondse containers is inmiddels afgestemd met de gemeente.

Er worden voldoende ondergrondse containers toegepast waarbij gescheiden afvalstromen uitgangspunt zijn. Klimaatadaptieve openbare ruimte De openbare ruimte rondom de projectlocatie zal klimaatadaptief worden ingericht. Hierbij wordt gedacht aan het inzetten van een bufferzone om hemelwater tijdelijk te bufferen, zie ook paragraaf 4.9. Riolering Ten behoeven van de beoogde ontwikkeling wordt de riolering vervangen. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van een gescheiden stelsel, waarbij hemel- en afvalwater van elkaar gescheiden worden. Bomen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling dienen bomen gekapt te worden. Er meer bomen gepland en is er dus sprake van een toename aan bomen. Voor een uitgebreide beschrijving van het nieuwe groen, verwijzen wij naar paragraaf 4.11 Groen Voor een uitgebreide beschrijving van het nieuwe groen, verwijzen wij naar paragraaf 4.11. Circulair bouwen Er wordt aangesloten bij de eisen vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van circulair bouwen. 57

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Mobiliteit Er wordt gebruik gemaakt op de Haarlemse Bouwbrief. Fietsgebruik wordt gestimuleerd en de fietsen kunnen geparkeerd worden in ofwel de eigen berging, of een mogelijke gezamelijke fietsenberging. Tevens worden er oplaadpunten gecreëerd waar zowel elektrische fietsen als scootmobiels opgeladen kunnen worden. De scootmobiels kunnen inpandig geparkeerd worden. 4.7.3 Conclusie Het plan geeft op verschillende wijzen invulling aan de Haarlemse richtlijnen voor duurzaam bouwen. Daarmee voldoet het plan aan de ambities die lokaal en landelijk gesteld worden ten aanzien van duurzaam bouwen.

4.8

Verkeer en parkeren

4.8.1 Inleiding Op 23 september 2021 heeft de gemeenteraad het Mobiliteitsbeleid vastgesteld. Dit beleid zet in op een transitie waarin de gemeente voorrang geeft aan schone manieren van vervoer, die zo min mogelijk ruimte innemen. Om te kunnen bepalen welke extra parkeerbehoefte een nieuwe ontwikkeling veroorzaakt, wordt gebruik gemaakt van parkeernormen. De functie en de locatie bepalen de parkeernormen en liggen vast in de "Beleidsregels parkeernormen 2023''. Uitgangspunt daarbij is dat er voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor het laden en/of lossen van goederen op het eigen terrein worden gerealiseerd. 4.8.2 Onderzoek Het Prinses Beatrixplein in Haarlem gaat worden herontwikkeld. In totaal gaat het om 572 woningen en ongeveer 10.000 m2 voorzieningen. Ten behoeve van het stedenbouwkundig plan en ter onderbouwing van het bestemmingsplan is een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de nieuwe ontwikkeling. Hierin is de parkeerbehoefte (auto en fiets) in beeld gebracht. Is de verkeersgeneratie bepaald en de verkeersafwikkeling op omliggende kruispunten doorgerekend (Bijlage 13). Parkeerbehoefte auto De nieuwe ontwikkeling krijgt een autoparkeergarage in het noordelijke kavel van 281 plekken en een parkeerhub van 226 plekken ten zuiden van dit kavel. In totaal is het parkeeraanbod hiermee 507 parkeerplekken.

De normatieve parkeerbalans voor het gehele gebied komt in het maatgevende moment (koopavond) op 522 plekken. Aangezien een HOV halte nabij het plangebied ligt, mag een correctie van 5% worden doorgevoerd in de parkeernormen, waarmee de totale parkeerbehoefte op 496 plekken komt. Daarmee is er voldoende parkeercapaciteit in het gebied. Eventueel kan deelgebruik voor bewoners worden toegepast, waarmee de parkeerbehoefte tot maximaal 39 58

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

plekken kan worden verlaagd. Parkeerbehoefte fiets De bewoners van het gebied krijgen per kavel een inpandige fietsenstalling. In totaal zijn voor de bewoners, op basis van het programma 2.019 fietsparkeerplekken nodig. Het fietsparkeren voor de bezoekers van de woningen en de voorzieningen worden in de openbare ruimte opgelost, hierdoor is het mogelijk voor deze plekken dubbelgebruik toe te passen. In totaal zijn 644 plekken nodig. Verkeersgeneratie De totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling is 4.090 motorvoertuigen per etmaal. Daarbij is uitgegaan van het mobiliteitsbeleid van de gemeente Haarlem. Ten opzichte van de huidige situatie is dat een verkeersgroei van ongeveer 1.250 motorvoertuigen per etmaal. Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling is berekend voor de volgende kruispunten, in de berekening is rekening gehouden met de herinrichting van de Prins Bernhardlaan: 1. Prinses Beatrixplein – Prins Bernhardlaan 2. Leonard Springerlaan – Prins Bernhardlaan Op beide kruispunten is het effect van de herontwikkeling in de spitsperioden beperkt. De cyclustijd of verliestijd op de kruispunten neemt met enkele seconden toe, maar blijft daarmee ruimschoots binnen de richtlijnen voor een goede verkeersafwikkeling. 4.8.3 Conclusie Ten aanzien van verkeer en parkeren zijn er geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Waterparagraaf

4.9.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

59

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

4.9.2 De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. 4.9.3 Beoordeling Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. De ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen/gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen hoeveel gecompenseerd dient te worden. (Richtlijn: 100% van het verlies wateroppervlak en 15% van de toename van verhard oppervlak.) De watertoets is geen toets achteraf, maar een proces waarmee de waterbeheerder vroegtijdig wordt betrokken bij het ontwerp. Het extra hemelwater wordt bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij de nieuwbouw geldt dat er een toekomstbestendig watersysteem wordt aangelegd met waterbergingscapaciteit.

Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende een etmaal. Door Aveco de Bondt is een klimaatadaptatieonderzoek uitgevoerd (Bijlage 14). Deze maakt onderdeel uit van de watertoets. Verharding nu en straks In onderstaande afbeelding zijn de huidige en toekomstige situatie aangegeven m.b.t. de verharding.

60

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak met slechts 12 m² toe. Watercompensatie is derhalve niet vereist. 4.9.4 Conclusie Aan de hand van de analyses en uitkomsten van de berekeningen wordt het volgende geconcludeerd: Op basis van het stedenbouwkundig plan en de voorgenomen waterbergende voorzieningen is er voldoende waterberging om te voldoen aan de 70 mm-norm. Wij adviseren om dit te blijven toetsen inde nadere civiele uitwerking van het plan. Op basis van de water-op-straat berekeningen bij een 70 mm bui zien we een verbetering van de potentiële wateroverlast in en rondom het 61

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

projectgebied. De kans op waterschade neemt door deontwikkeling af. Tevens zorgen waterbergende voorzieningen ervoor dat regenwater langer in hetprojectgebied vastgehouden wordt in plaats van afvoeren via de riolering. Dit heeft positieve bijdrage op het gehele watersysteem maar ook op vegetatie gedurende droge periode. Het verhard oppervlak neemt met 12 m² toe. Watercompensatie is derhalve niet vereist.

4.10 Archeologie 4.10.1

Inleiding In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

4.10.2

Bureauonderzoek IDDS Archeologie heeft in november 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het Prinses Beatrixplein in Haarlem (Bijlage 15). De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.

62

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Het plangebied (rood omlijnd) op de archeologische verwachtingenkaart. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een veenrestvlakte op een laaggelegen strandwal, plaatselijk afgedekt met getijde-afzettingen. De onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied hebben aangetoond dat bij het bouwrijp maken van de woonwijk een pakket ophoogzand is opgebracht. Dit zand is afkomstig uit de Kennemerduinen en het pakket heeft een dikte van ongeveer 2 tot 3 m.

Het plangebied (rood omlijnd) op de archeolandschappelijke kaart van 63

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

Haarlem Het zand van de strandwal is in de drie DINOboringen die in het plangebied gezet zijn, aangetroffen tussen -2,9 en -3,9 m NAP. Ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied is dat 3,5 m -mv. De strandwal heeft een verwachting voor archeologische resten vanaf het ontstaan ervan in het Neolithicum. Deze verwachting is hoog in het geval er sprake is geweest van begroeide duintjes. Of deze in het plangebied aanwezig waren, kan op basis van de DINOboringen niet worden vastgesteld. Uit de boringen blijkt namelijk niet of er sprake is van bodemvorming in de top van het duinzand. Daarnaast is niet helemaal duidelijk hoe nauwkeurig de DINOboringen zijn. De milieukundige boringen lijken er op te wijzen dat er in het noorden van het plangebied geen sprake is van strandwalafzettingen, maar eerder van lagunaire of kwelderafzettingen. Dergelijke afzettingen zullen ongunstig zijn geweest voor menselijke bewoning. Ook in dit landschap kunnen begroeide duintjes aanwezig zijn geweest die wel bewoonbaar waren. Of deze voorkomen in het plangebied is niet bekend. De strandwal is bedekt met getijdeafzettingen (klei) en met veen. Beide afzettingen zijn ontstaan in milieus die ongunstig waren voor menselijke bewoning, respectievelijk bij overstromingen en in een veenmoeras.

Met de ontginning van het veen, waarschijnlijk in de Late Middeleeuwen, werd het gebied geschikt gemaakt voor menselijk gebruik. Het historisch kaartmateriaal wijst er op dat bewoning plaatsvond op de oevers van de watergangen, waaronder de in 1250 gegraven Fuikvaart. Binnen het plangebied wordt echter geen bewoning aangegeven. Op een kaart uit ca. 1725 en een kaart die mogelijk dateert uit het begin van de 19e eeuw wordt in het uiterste zuiden van het plangebied een molen weergegeven. Deze kan binnen het plangebied hebben gestaan, maar de locatie is allerminst zeker. Aangezien het plangebied slechts een zeer klein deel van de zuidelijke oever van de Fuikvaart omvat, wordt de kans klein geacht dat in het plangebied resten van de molen aanwezig zijn. Het veenpakket heeft het maaiveld gevormd tot in de 20e eeuw. Er zijn geen aanwijzingen, zowel vanuit de DINOboringen en de milieukundige boringen als vanuit het omliggende archeologisch onderzoek, dat het veen bedekt is geweest met een laag IJ-klei. Gezien de onduidelijkheid over de nauwkeurigheid van de DINOboringen en het feit dat de milieukundige boringen alleen zijn gezet in het noorden van het plangebied, kan echter niet worden uitgesloten dat dit (lokaal) wel het geval was.

De kans is echter groot dat een eventuele kleilaag en de bovenzijde van het veen verstoord zijn geraakt bij het gebruik van het gebied sinds de Late Middeleeuwen en met name ook bij het geschikt maken als woonwijk in de jaren 1950. Daarbij is een 2 tot 3 m dik pakket ophoogzand aangebracht dat geen archeologische verwachting heeft en de eventuele IJ-klei en het onderliggende veenpakket heeft samengedrukt. Dit zal niet gelijkmatig zijn gegaan, waardoor van het oorspronkelijke oppervlak van het veen weinig tot niets meer intact aanwezig zal zijn. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect 64

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

archeologie, vrij te geven voor civieltechnische werkzaamheden die reiken tot maximaal 2,0 m -mv. Bij bodemverstoringen die dieper reiken dan 2,0 m -mv wordt geadviseerd om eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren. Gezien de aanwezigheid van een dik pakket ophoogzand en de noodzaak om te boren tot minimaal enkele decimeters in het onder een veen- en kleipakket gelegen zand, zal dit booronderzoek moeten worden uitgevoerd door middel van mechanische boringen. 4.10.3

Veldonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een veenrestvlakte op een laaggelegen strandwal, plaatselijk afgedekt met getijde-afzettingen. De onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied hebben aangetoond dat bij het bouwrijp maken van de woonwijk een pakket ophoogzand is opgebracht. Het zand van de strandwal is mogelijk aanwezig tussen -2,9 en -3,9 m NAP. Ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied is dat 3,5 m -mv. De strandwal heeft een verwachting voor archeologische resten vanaf het ontstaan ervan in het Neolithicum. Deze verwachting is hoog in het geval er sprake is geweest van begroeide duintjes. De strandwal is bedekt met getijdeafzettingen (klei) en met veen. Beide afzettingen zijn ontstaan in milieus die ongunstig waren voor menselijke bewoning, respectievelijk bij overstromingen en in een veenmoeras. Met de ontginning van het veen, waarschijnlijk in de Late Middeleeuwen, werd het gebied geschikt gemaakt voor menselijk gebruik. Op historisch kaartmateriaal wordt binnen het plangebied echter geen bewoning aangegeven. Het veenpakket heeft het maaiveld gevormd tot in de 20e eeuw. Er zijn geen aanwijzingen dat het veen bedekt is geweest met een laag IJ-klei, maar deze kan lokaal voorkomen.

De kans is echter groot dat een eventuele kleilaag en de bovenzijde van het veen verstoord zijn geraakt bij het gebruik van het gebied sinds de Late Middeleeuwen en met name ook bij het geschikt maken als woonwijk in de jaren 1950. Daarbij is een 2 tot 3 m dik pakket ophoogzand aangebracht dat geen archeologische verwachting heeft en de eventuele IJ-klei en het onderliggende veenpakket heeft samengedrukt. Dit zal niet gelijkmatig zijn gegaan, waardoor van het oorspronkelijke oppervlak van het veen weinig tot niets meer intact aanwezig zal zijn. Uit het veldonderzoek (Bijlage 16) blijkt dat de specifieke archeologische verwachting anders is. Het plangebied ligt op afzettingen die zijn gevormd in een getijdebekken of mogelijk op een strandvlakte en deze afzettingen worden bedekt door een veenpakket dat grotendeels is ontstaan in een meer of een plas. Aan de top van het veenpakket is geen kleilaag aanwezig die is ontstaan door overstromingen; wel is een oude bouwvoor aanwezig ontstaan door het gebruik voor de landbouw. Tenslotte is het gehele natuurlijke pakket bedekt door een 2,8 m dik ophoogpakket aangebracht in de jaren 1950. Zowel de strandvlakte/getijdebekken-afzettingen als het veenpakket hebben een lage archeologische verwachting.

Gedurende de periode dat deze pakketten zijn ontstaan of (tijdelijk) het maaiveld hebben gevormd (Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd) was dit gebied zeer nat en daardoor vrijwel onbruikbaar door de mens. Alleen in de periode Late Middeleeuwen tot en met de 20e eeuw is de 65

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

top van het veenpakket gebruikt door de mens, maar enkel als weilanden. Ook in die periode was het landschap te nat voor andere gebruiksmogelijkheden. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. 4.10.4

Conclusie Het aspect Archeologie vormt geen belmmering voor het planvoornemen.

4.11 Groenparagraaf 4.11.1 4.11.2

Inleiding Beleid De hoofdgroenstructuur ligt vast in het Structuurplan Haarlem 2020. Doelstelling is zowel versterking van groen met ecologische waarde als van groen met stedelijke waarde. Dit wordt bereikt door het in stand houden en versterken van de bestaande groene gebieden en lijnen. Bomen vormen een belangrijk tegenwicht voor de verstening van onze leefomgeving. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Uitgangspunt voor de bomenstructuur is de verdere uitbouw en verbetering van het Haarlemse bomenbestand.

66

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

De gemeente Haarlem beschikt verder over een Haarlemse Monumentale Bomenlijst (2009). Vanwege de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend voor deze bomen. De Bomenverordening beschermt monumentale bomen. Dit bestemmingsplan biedt bescherming aan de groeiplaats van alle monumentale bomen in de openbare ruimte die (deels) binnen het plangebied liggen. Op die manier zijn niet alleen de monumentale bomen beschermd op basis van de Bomenverordening, maar op basis van het bestemmingsplan ook de ruimtes die de monumentale bomen nodig hebben om te kunnen groeien. Voor het kunnen vastleggen van alle groeiplaatsen is er een actuele inventarisatie uitgevoerd waarbij bepaald is welke monumentale bomen er in het plangebied zijn op het moment dat het bestemmingsplan is opgesteld.

67

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

4.11.3

Beschrijving groen in het plangebied Om een beeld te krijgen van de kwaliteit van de bomen, hebben wij gekeken naar de conditie, toekomstverwachting en eventuele gebreken/aantastingen. Hieronder lichten wij de resultaten nader toe (zie ook Bijlage 17). In het projectgebied zijn 220 bomen aanwezig. 5 bomen die op kaart stonden ingetekend, zijn niet meer aanwezig of alleen als stobbe. Soorten In onderstaande tabel staan de 10 meest voorkomende boomsoorten. Witte paardenkastanje is de meest voorkomende boomsoort, gevolgd door gewone plataan. De andere soorten komen slechts in kleine aantallen voor.

Conditie 28 bomen hebben een goede conditie. Het kroonvolume neemt sterk toe op basis van de groeischeuten in de kroonrand, of het gaat om volgroeide bomen zonder verstoorde groeikenmerken. Bijvoorbeeld: de platanen aan de zuidoostzijde van het Beatrixplein 127 bomen hebben een voldoende conditie. Het kroonvolume neemt toe of het gaat om volgroeide bomen zonder ‘noemenswaardig’ verstoorde groeikenmerken. Een lichte groeistagnatie wordt nog als voldoende beschouwd als er geen andere verstoorde groeikenmerken zijn en het niet leidt tot een verminderde toekomstverwachting. Bijvoorbeeld: de platanen aan de noord- en noordwestzijde van het Beatrixplein. 41 bomen hebben een onvoldoende conditie. De groei is voortijdig gestagneerd of de boom vertoont zichtbaar verstoorde groeikenmerken (twijgsterfte, afwijkende bladkleur, bladgrootte, bladbezetting of knopgrootte en knopbezetting voor bomen die nog niet zijn uitgelopen). Bijvoorbeeld: gekandelaberde paardenkastanjes langs de Groene as die niet volledig uitlopen. Een deel van de takken vormt normale groeischeuten en een deel van de takken loopt niet goed uit. 7 bomen hebben een slechte conditie. De groei is gestagneerd en er is sprake van afstervingsverschijnselen. Veel twijg- en taksterfte in de kroon. Bijvoorbeeld: gekandelaberde paardenkastanjes met instervende gesteltakken 68

bestemmingsplan "Beatrixplein" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14066916/2