CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Programma van Eisen voor de Leefomgeving

gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Sportweg SPvL, vaststellen31.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

66

We verbeteren de bereikbaarheid voor voetgangers en fietsers door het realiseren van een fijnmazig wandel- en fietsnetwerk. Bestemmingen zoals de entrees van fietsparkeergarages, sportclubs en de supermarkt, komen hierdoor nog beter binnen handbereik te liggen en de auto wordt hiermee ontmoedigd. De bestemmingen binnen het plangebied liggen op logische, makkelijk te bereiken plaatsen aan de fiets- en wandelroutes. De fietsroutes zijn voldoende breed om comfortabel en veilig gebruikt te worden door uiteenlopende fietsers, zoals snelle elektrische fietsers, ouderen en kinderen. Eisen 1. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf de fietsroutes in het gebied en vanuit de omliggende wijken en het buitengebied. 2. Ontwikkeling Sportweg wordt voor fietsers vanuit de omliggende wijken goed ontsloten met veilige, directe en voldoende brede fietspaden. 3. We minimaliseren de conflictsituaties met andere verkeersdeelnemers waarmee we de risico’s op ongevallen verminderen. Daarnaast wordt de ruimte zo ingericht dat de zichtbaarheid van fietsers verbeterd (goede zichtlijnen, voldoende opstelruimte, goede markeringen, obstakelvrij en verlichting).

kwantitatief en kwalitatief opgelost gaat worden. Zie ook gebouweisen in paragraaf 5.10.4. Eisen 1. Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. Voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in paragraaf 4.2 van de Nota Parkeernormen. 3. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen en het Handboek fiets- en scooterparkeren van gemeente (staat vermeld in HIOR). 4. Openbare fietsparkeervoorzieningen zijn onderdeel van het inrichtingsplan openbare ruimte. Wens 1. Aanvullend op de nota parkeernormen en de Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen geldt: a. De entree tot het inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van de woningen. b. De fietsenstalling toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar zijn vanuit de buitenruimte en bewoners en werknemers gestimuleerd worden de fietsen inpandig te stallen.

5.7.4 Fietsparkeren bewoners, werknemers & bezoekers

5.7.5 Autoparkeren bewoners, werknemers & bezoekers

Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voldoende en kwalitatief goede fietsparkeervoorzieningen zijn een belangrijke voorwaarde om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners en werknemers worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren zodat de buitenruimte beschikbaar is voor andere doeleinden (groen en ontmoeten). Parkeervoorzieningen van de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk en in voldoende mate aanwezig zijn. In het mobiliteitsplan dient aangetoond te worden op welke manier het fietsparkeren

We gaan efficiënt en duurzaam om met de schaarse openbare ruimte in Haarlem. Dit betekent dat we de openbare ruimte verdelen aan functies die bijdragen aan de doelen van de stad. Privéauto’s kennen een groot ruimtebeslag en staan gemiddeld 95% van de tijd stil en dragen daardoor niet bij aan deze gestelde doelen. Daarom organiseren we autoparkeren anders. De parkeerlocatie van de auto heeft effect op het autogebruik. Parkeren wordt zoveel als mogelijk uit het straatbeeld gehaald. Parkeren voor

bewoners, bezoekers, werknemers en bezoekers van niet woonfuncties wordt op eigen terrein uit het zicht opgelost. Zie ook gebouweisen in paragraaf 5.10.5. Het aantal parkeerplaatsen zal worden bepaald op basis van het beoogde programma dat ontwikkeld zal worden en behoefte vanuit andere omliggende functies, zoals de school en sportvelden.. Eisen 1. Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden opgelost, of in gezamenlijke garages. Er wordt niet geparkeerd in de openbare ruimte. 3. Uitgangspunt is dat de adressen binnen ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgesloten van openbare parkeerrechten, op deze adressen kunnen geen parkeervergunningen worden aangevraagd. 4. Voor parkeerplaatsen gelegen op parkeerterreinen en in parkeergarages: NEN 2443, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages. 5. Voor parkeerplaatsen in de openbare ruimte: ASVV 2021, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom of de opvolger daarvan. 6. Voor ontwikkelingen waarin functies worden gerealiseerd met een sociaal-maatschappelijk karakter, met een parkeerbehoefte van minimaal 15 parkeerplaatsen, moet minimaal 2% van die behoefte worden ingericht als algemene gehandicaptenparkeerplaats, met een minimum van 1. 7.

Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten liggen binnen een loopafstand van maximaal 100 meter gemeten vanaf de parkeerplaats tot de ingang van het betreffende gebouw. Dit geldt ook voor geserveerde parkeerplaatsen op kenteken. 8. Een woongebouw met parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

67

9. Een gebouw, anders dan een woongebouw, met parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste één op de vijf parkeerplaatsen. 10. Uitritten parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). 11. Het is mogelijk om in het mobiliteitsplan onderbouwd af te wijken van de parkeernormen door de inzet van deelauto’s voor bewoners. De effectiviteit van deelauto’s hangt voor een groot deel samen met een aantal factoren. De initiatiefnemer onderbouwd hoe deze factoren terugkomen bij de ontwikkeling.

(onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). 5. Calamiteitendiensten kunnen middels een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). 6. Indien van toepassingen krijgen calamiteitendiensten met een pasje om poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen te openen. 7. Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.

5.7.6 Toegankelijkheid calamiteitsdiensten

5.7.7 Laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera.

Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen. Het stedenbouwkundig plan, het mobiliteitsplan, het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen: Randvoorwaarden 1. Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. 2. Eventuele verhoogde maaivelden in de openbare ruimte zijn goed toegankelijk voor voertuigen van hulpdiensten. Maatgevend hierbij is een 25-tonsbrandweerauto met een asdruk van 11,5 ton: zowel het dek als de hellingbaan moeten hierop berekend zijn. 3. Eventueel doodlopende straten dienen aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten te bevatten. 4. Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben

In de ontwikkeling worden veel woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden. Eisen 1. Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals parkeren, laden en lossen op trottoir of fietspad, enz, enz) dient op een ‘vriendelijke manier’ onmogelijk gemaakt te worden én door het aanbieden van een goede voorziening. 2. Laden en lossen voor de commerciële en maatschappelijke functies uit het zicht en op een veilige manier. 3. De expeditie van de supermarkt wordt inpandig opgelost. 4. Bij elke ontwikkeling wordt aangegeven hoe de logistieke diensten (opvangen bezoek (auto en fiets), ontvangen pakketjes/ thuisbezorgdiensten, ophalen afval, verhuizen etc.) worden

georganiseerd, zonder afwenteling op de openbare ruimte.

5.8 Openbare ruimte Deze paragraaf geeft de kaders waar de inrichting en het ontwerp van de openbare ruimte aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig en toegankelijk 2. Groenkwaliteit 3. Maaiveldinrichting 4. Plein 5. Speel- en sportvoorzieningen 6. Afvalinzameling

5.8.1 Sociaal veilig en toegankelijk Op straat moet iedereen zich vrij en veilig voelen. En moet iedereen zich zelfstandig en veilig kunnen verplaatsen in de openbare ruimte. In essentie gaat het erom dat het op straat – in de openbare ruimte – zo veilig mogelijk is en voelt. Eisen 1. De openbare ruimte wordt sociaal veilig ontworpen en voldoet aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. ’s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. Dit wordt aangetoond met een verlichtingsplan en lichtberekening. Zie voor specifieke richtlijnen Beleidsplan Openbare Verlichting. 3. Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties, ‘ogen op straat’). 4. Collectieve ruimten zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

68

Wens 1. Realiseer levendige functies, overdag en ’s avonds, aan het plein en langs de Planetenlaan voor toezicht vanuit bebouwing.

5.8.2 Groenkwaliteit Groen in de stad is onmisbaar en van groot belang voor een leefbare toekomst. Hoe groter de biodiversiteit, hoe veerkrachtiger de leefomgeving van de toekomst. Het nut van stadsgroen bestaat uit de effecten die door al het stadsgroen plus het bijbehorende dieren- en bodemleven bij elkaar worden veroorzaakt; de zogenaamde ecosysteemdiensten. Een goede groenkwaliteit is waardevol wat betreft ecologische, klimatologische, economische en gezondheidswaarde. Algemene eisen 1. Inrichting openbare ruimte volgens het ‘groen, tenzij’-principe: groen, tenzij dit in afweging met andere belangen zoals verkeersfunctie, ondergrond, toegankelijkheid of sociale veiligheid niet de beste oplossing is. 2. Er dient voldaan te worden aan de beplantingseisen in hoofdstuk 7 van het Handboek Inrichting Openbare Ruimte. 3. Het voorlopig ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het beheerniveau. 4. Het voorlopig ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het behalen van te bepalen natuurdoelen. 5. Er dient een (concept) beplantingsplan incl groenbalans opgesteld te worden tussen het VO en DO. 6. Sportweg ontwikkelt zich tot een karaktervol gebied binnen de Orionzone met een onderscheidende openbare ruimte waarin een eigen, herkenbaar beplantingsplan een belangrijke rol speelt. De beplanting bepaalt de uitstraling, eigenheid en herkenbaarheid van het project.

Voor kader m.b.t. natuurinclusiviteit en biodiversiteit, bomen en klimaatadaptatie zie paragrafen 5.5.15.5.3. Locatiespecifieke eisen 1. Het laankarakter van de Planetenlaan wordt hersteld en waar nodig versterkt. Bij de kruising met de Rijksstraatweg wordt gezorgd voor een vloeiende en passende aansluiting van beide groenstructuren. 2. De Sportweg wordt als groene uitloper van het Schoterbos richting de Planetenlaan ingericht, zodat het parkgebied natuurlijk overgaat in de bebouwing. Dit zorgt voor een zachte, groene overgang tussen landschap en stedelijke ruimte. 3. Het plein wordt voorzien van groene elementen die structuur, karakter en identiteit aan de ruimte geven. 4. De verschillende hoven en collectieve binnentuinen krijgen elk een eigen groen karakter, waardoor ze duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn en een unieke sfeer creëren. 5. Rondom het monument wordt de groenstructuur versterkt en verbeterd, zodat het monument een prominentere en zichtbaardere positie in de openbare ruimte krijgt en beter tot zijn recht komt. Wensen 1. Aaneengesloten groene routes voor wandelaars en fietsers. 2. Ruimte laten voor buurt-initiatieven.

5.8.3 Maaiveldinrichting Bij een passende inrichting van straten, pleinen, lanen en parken hoort een goede kwaliteit van de inrichting van de openbare ruimte. Om de openbare ruimte op een goede kwaliteit te houden en duurzamer en toekomstbestendiger te maken, dient voldaan te worden aan de kaders uit het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR).

Eisen De openbare ruimte moet voor iedereen toegankelijk zijn. Daarvoor dient het ontwerp voor de (her) inrichting van de openbare ruimte te voldoen aan de toegankelijkheidsmaatregelen uit het ASVV van het kennisplatform CROW. De belangrijke onderdelen hierin en specifieke richtlijnen voor toegankelijkheid zijn opgenomen in paragraaf 2.7. van het HIOR. Boomspiegels en plantvakken liggen verlaagd/aniveau. In overleg met de gemeente kan hiervan eventueel worden afgeweken waar het een situatie betreft met bomen op een parkeergarage die omwille van voldoende Trafo’s, WKO-ruimten en andere nutsvoorzieningen worden niet in de openbare ruimte geplaatst. Zie ook paragraaf 5.10.6. WKO-bronnen zijn alleen in de openbare ruimte toegestaan als deze niet in het groen geplaatst worden en niet boven het maaiveld uitsteken. Ze mogen dus alleen als putdeksel in de rijbaan, fietspad of trottoir te zien zijn. NB: Er is een vergunningplicht als het in de openbare ruimte wordt geplaatst (AVOI). Lichtmasten moeten minstens drie meter vanaf de stam van de boom staan.

5.8.4 Plein Het plein vormt het hart van de ontwikkeling en is een belangrijk onderdeel van de openbare ruimte. Er ontstaat ruimte voor ontmoeten en verblijven. Het is een levendig, groen en toegankelijk plein waar verschillende voorzieningen aan gesitueerd zijn. Het plein biedt ruimte voor verblijf, terrassen en kleinschalige buurtevenementen. Eisen 1. Het plein is autoluw. 2. Op of aan het plein zijn functies aanwezig, om te zorgen dat het plein geactiveerd wordt. 3. Het plein biedt voldoende ruimte voor evenementen.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

69

5.8.5 Speel- en sportvoorzieningen Buiten spelen is goed voor de sociale en fysieke ontwikkeling van kinderen. De gemeente zet zich in voor meer speelruimte en een betere spreiding over de stad. Schoolpleinen en sportvelden moeten waar mogelijk openbaar toegankelijk worden. Ook stimuleert Haarlem het natuurlijk spelen: speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken. Ook de routes tussen de speelvoorzieningen in een wijk wil de gemeente verbeteren. Op plekken die zich er voor lenen wil Haarlem ook het buitensporten stimuleren. Randvoorwaarden 1. Veiligheid en inrichting dienen te voldoen aan Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen. Toestellen dienen te voldoen aan NEN 1176 en valondergronden aan de NEN1177. 2. Er geldt een meldplicht voor bepaalde toestellen en een meldplicht voor ongevallen. Eisen 1. Het speelruimtebeleid zoals beschreven in de nota Speelruimtebeleid en in het HIOR, is de basis voor het maken van uitwerkingsplannen samen met de betrokkenen uit de verschillende wijken. 2. Het aanbod dient divers, toegankelijk, inclusief en overlast beperkend te zijn en tot stand te komen met participatie en communicatie. 3. Er dient gebruik gemaakt te worden van de voorkeursleveranciers van de gemeente. 4. Er dient gebruik gemaakt te worden van zoveel mogelijk duurzaam gefabriceerde, recyclebare circulaire materialen. 5.

Een speelplek dient eenvoudig en voordelig zijn te beheren en onderhouden. 6. De inrichting en overdracht van een speellocatie dient tijdig te worden afgestemd met de gemeente en Spaarnelanden, zodat deze goed in beheer en onderhoud kan worden opgenomen. 7. De levensduur van speeltoestellen dient minimaal 14 jaar te zijn en van de valondergrond 7 jaar.

8. De volgende zaken dienen bij het speelterreinontwerp integraal meenemen te worden: a. Groen en bomen; b. Klimaatadaptatie (waterinfiltratie, materialen die niet gloeiend heet worden, positionering glijbanen afstemmen op temperatuur (richting noorden of in schaduw, i.v.m. verhitting); c. Aandacht voor hygiëne; d. Ontmoeten (zorg voor zitplekken, afvalbakken en beschutting, ga slim om met inrichting om overlast te beperken). e. Toegankelijkheid volgens de norm SamenSpeelNetwerk 100-70-50. Wensen 1. Versterk de sport- en spelomgeving door het creëren van informele speelplekken in de ontwikkeling van de Sportweg. 2. Voldoen aan de NUSO-norm: drie procent van de beschikbare openbare ruimte is bestemd voor speelruimte. 3. Schoolpleinen en sportvelden waar mogelijk openbaar toegankelijk maken. 4. ‘Natuurlijk spelen’ bevorderen: speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken.

5.8.6 Afvalinzameling Voor alle gebruikers dienen op loopafstand voldoende containers aanwezig te zijn om op een duurzame manier afval te deponeren. Afvalinzameling leidt niet tot gevaarlijke verkeerssituaties. In de openbare ruimte worden de grondstoffen centraal ingezameld. Dit gebeurt in een vijftal stromen: restafval, papier en karton, verpakkingsglas, PBD (plastic, blik en dranken­ kartons) en GFT (groente-, fruit- en tuinafval). Dit geldt zowel voor particulier- als voor bedrijfsafval. Algemene eisen 1. Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Haarlem 2019 2. Richtlijnen zoals opgenomen in het HIOR

3. Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen Afval 4. Structuurvisie openbare ruimte (SOR) Eisen particulier afval 1. Locatiebepaling van (semi)ondergrondse containers en van opstelplaatsen voor mini(rol) containers, dient plaats te vinden in overleg met Spaarnelanden en BBOR. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk is voor inzamelwagen als voor bewoners. De gebruikelijke plaats is in de parkeer-/voorzieningenstrook. 2. De richtlijn voor de loopafstand naar een container voor restafval is maximaal 250 meter (artikel 4 lid 8 Uitvoeringsbesluit). 3. Eisen ondergrondse vuilcontainer (OGVC) boven­ gronds conform Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen Afval. 4. Het inrichten van aanbiedplaatsen voor particulier afval gebeurt volgens de richtlijnen uit de structuurvisie openbare ruimte (SOR) om de ruimtelijke impact van deze containers te beperken: a. Containers zijn niet zichtbaar vanaf ‘lange lijnen’; b. Containers zijn minimaal zichtbaar vanaf straat- of pleinzijde; c. Containers worden centraal geclusterd in lijnof blokopstelling; d. Clustering vindt plaats met overig meubilair; e. Groenstroken blijven vrij van containers. Eis bedrijfsafval 1. Bedrijfsafval wordt op eigen terrein en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, gestald.

Voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen die niet beschikken over achterterrein, betekent dit dat deze een inpandige opslagruimte voor bedrijfsafval hebben. Alleen de toegangen tot deze ruimten zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

70

5.9 Privaat maaiveld Haarlem streeft ernaar om de gemeente zo veel mogelijk te vergroenen en past daarvoor het zogenaamde Groen, tenzij-principe toe: alleen verharden als het noodzakelijk is. Ook kiest Haarlem hierbij voor natuurinclusief inrichten, zie paragraaf 5.5.1. Deze principes past de gemeente toe bij de inrichting van de openbare ruimte en vraag het ook de ontwikkelende partijen toe te passen bij de inrichting van de private buitenruimten rond de gebouwen. Deze paragraaf geeft de kaders waaraan de inrichting van het private maaiveld rond de gebouwen moet voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw 2. Collectief privaat maaiveld en overig privaat maaiveld In hoofdstuk 4 staan enkele uitgangspunten ten aanzien van de gewenste beeldkwaliteit welke ook betrekking hebben op het privaat en collectief maaiveld. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden maaiveldontwerpen hieraan getoetst. Voor de kaders met betrekking tot vergroenen van de daken en gevels, zie paragraaf 5.10.7.

5.9.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw De overgangszone tussen straat en gebouw is een belangrijk onderdeel van de ontwerpopgave. De inrichting ervan is namelijk van grote invloed op het straatbeeld en of mensen zich er prettig voelen. De inrichting en afmeting van deze zone bepaald ook of bewoners voldoende privacy ervaren zodat de plinten van gebouwen een levendige uitstraling krijgen, zie paragraaf 5.10.

Eisen Tussen de openbare ruimte en privéterrein moet een duidelijke overgang zijn, bijvoorbeeld een Delftse stoep. De openbare ruimte direct grenzend aan de gebouwen is van hoge kwaliteit zodat er een goede wisselwerking tussen plint en openbare ruimte mogelijk is. Om zo interactie en een levendige plint mogelijk te maken. Bij de (hoofd)entrees van appartementen- en voorzieningengebouwen worden op eigen terrein voldoende opstelplekken voor fietsen van bezoekers geplaatst, zie paragraaf 5.7.4

5.9.2 Collectief privaat maaiveld en overig privaat maaiveld Collectieve buitenruimten kunnen toegepast worden bij appartementen- en zorgcomplexen. Voor de inrichting wordt ook het ‘Groen, tenzij’-principe toegepast. Indien aan deze collectieve ruimten woningen grenzen, dan zijn de private buitenruimte altijd integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Wensen 1. Een collectieve buitenruimte wordt ingericht met het Groen, tenzij-principe: alleen verharding waar noodzakelijk en alleen waterdoorlatende verharding toepassen. 2. Een collectieve buitenruimte wordt zodanig ingericht dat het maximaal bijdraagt aan het voorkomen van hittestress. Bomen en plantsoorten afstemmen op de te realiseren natuurhabitat, zie paragraaf 5.5.1. 3. Private buitenruimte van aangrenzende (tuin of terras) heeft voldoende diepte met een heldere afbakening.

Wens overig privaat maaiveld 1. De ontwikkelende partij of verhuurder stimuleert en informeert de bewoners over de voordelen van een groene tuininrichting met waterdoorlatende verharding en om te kiezen voor een groene tuininrichting. Daarbij worden tuinen zonder tegels opgeleverd.

5.10 Gebouwen Deze paragraaf geeft de algemene kaders waar de gebouwontwerpen aan moeten voldoen. De algemene kaders voor de gebouwontwerpen zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig 2. Gebouwplinten 3. Woongebouwen en entreepartijen 4. Bergingen en (collectieve) stallingsruimten 5. Parkeergarages 6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels Hoofdstuk 4 geeft de uitgangspunten voor beeldkwaliteit voor de vormgeving van de gebouwen en buitenruimte. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden gebouwontwerpen hieraan getoetst. Voor de Sportweg geldt dat de Nieuwe Haagse School dat de architectonische stijl is voor vormgeving van alle gebouwen en bouwwerken.

5.10.1 Sociaal veilig Gebouwen dienen zo ontworpen te worden, dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het tegengaan van anonimiteit en vereenzaming.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

71

Randvoorwaarden 1. Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. Gebouwen zijn toegankelijk voor personen met een handicap en voldoen aan de betreffende eisen in het Bouwbesluit en het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Eisen 1. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit en streeft inclusiviteit na. 2. Gebouwen worden zo ontworpen dat overlastsituaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk wordt voorkomen. 3. De woongebouwen hebben een zodanige omvang dat bewoners elkaar herkennen en kunnen leren kennen. 4. Briefkasten frustreren de zichtbaarheid van de entreehal vanaf de openbare ruimte niet. Zie ook de beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 4. Wensen 1. Afwijken van een rechte rooilijn op maaiveld kan met de formule: de breedte is minimaal twee keer de diepte. Bij die verhouding wordt een nis niet als sociaal onveilig ervaren. 2. Opstellers voor liften zijn net als traplopers goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte; dat betekent dat bijvoorbeeld briefkasten niet de zichtlijnen blokkeren of dat de lift uit het directe zicht ligt om mensen te stimuleren de trap te nemen.

5.10.2 Gebouwplinten De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare ruimte – de zogenoemde gebouwplint – draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving,

waar het zowel overdag als ’s avonds sociaal veilig is. Dit geldt ook voor plinten die grenzen aan collectieve buitenruimten. Woningen op de begane grond worden voorzien van een voortuin. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 4. Algemene eisen gebouwplinten 1. Plinten worden zodanig geprogrammeerd en ontworpen dat voldaan wordt aan de 10 geheimen van een goede plint (Stipo), waaronder afwisseling van gevelbeeld. 2. Plinten met doods programma zijn in principe niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, autoparkeren, magazijnen, technische ruimtes (trafo’s en WKO’s) etc. 3. Begane grondgevels worden zorgvuldig vormgegeven met als doel het creëren van een sterke relatie en interactie tussen gebouw en openbare ruimte. Zowel binnen als buiten. 4. Eventuele overstekken of arcades zijn overzichtelijk en worden in de avonduren goed verlicht, zodat overlast en sociale onveiligheid voorkomen wordt. 5. Zowel aan de binnen- als buitenzijde van de plintgevel is de (openbare) ruimte van hoge kwaliteit, wat bijdraagt aan levendigheid en interactie. Eisen voorzieningen- en commerciële plinten Voorzieningen en commerciële functies op de begane grond hebben een rechtstreekse ontsluiting op de openbare ruimte, zodat deze direct geactiveerd wordt. Voorzieningen op de begane grond hebben een vrije hoogte van minimaal 4,5 meter (van vloer tot plafond).

Privacygevoelige voorzieningen die door de gebruiker afgedekt gaan worden met folie of lamellen, zijn niet toegestaan in de plint. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (medische) behandelkamers. Eisen woonplinten 1. Woningen op de begane grond krijgen een

overgangszone van ongeveer twee meter, zoals een voortuin of Delftse stoep. Deze intermediaire ruimte zorgt voor een vloeiende en prettige overgang tussen de private woning en de openbare ruimte. 2. Woningen op de begane grond krijgen een eigen toegang tot de voortuin, zodat de openbare ruimte direct geactiveerd wordt. 3. Aan de kant van de openbare ruimte zijn alleen levendige functies toegestaan. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn hier niet toegestaan. 4. De hoogte van de plint bij woningen is minimaal 3,5 meter.

5.10.3 Woongebouwen en entreepartijen De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is een belangrijk aandachtspunt. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers, waardoor anonimiteit wordt verminderd. Het aantal woningen in een woongebouw moet niet te groot worden; buren moeten elkaar kunnen herkennen en (op een informele manier) contacten kunnen leggen. Voor eisen woonprogramma zie paragraaf 5.4.2, voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 4. Algemene eisen woongebouwen 1. Maximaal 80-100 (sociale) huurwoningen in één gebouw. 2. Maximaal 40 woningen op één lift en maximaal 20 woningen op één gang of galerij. 3. Elke woning beschikt over een eigen buitenruimte van minimaal 5m². 4. Bij het wonen in de eerste vijf lagen voel je nog aansluiting met het maaiveld. Voor het wonen op verdiepingen daarboven is het van belang om te ontwerpen met aandacht voor ontmoeting op de verdieping.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

72

Eisen entreepartijen 1. Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar en toegankelijk. 2. Maximaal 50 woningen ontsluiten op één entreepartij en bij voorkeur niet meer dan 35. Als niet aan deze eis voldaan kan worden, bijvoorbeeld bij de torens, dan dient het gebouw gecompartimenteerd te worden en/of voorzien van voldoende collectieve ruimten, zie Overige eisen woongebouwen. 3. Afzonderlijke ruimte bij entree voor het stallen van scootmobielen, bakfietsen en andere voertuigen met afwijkende maten dient conform de nota parkeernormen uitgevoerd te worden. 4. Bij de entreepartij extra ruimte creëren voor ontmoeting met een inrichting die daartoe uitnodigt. Afmeting is afhankelijk van de grootte van het gebouw. Het kan bijvoorbeeld een huiselijk ingerichte ruimte naast de entree zijn met een leestafel en stoelen. 5. Extra aandacht voor het functioneren van entreepartijen bij dubbelgebruik voor woningen, voorzieningen en/of bedrijven. Eisen balkons, loggia’s en galerijen 1. Balkons maken deel uit van de hoofdmassa en vormen nooit losse uitkragende elementen. 2. Balkons versterken de horizontaliteit en dragen bij aan een rustig gevelbeeld door clustering, combinatie met erkers, doorstekende delen of hoekomlopen. 3. Balkons zijn inpandig, deels inpandig of uitpandig.

Bij uitpandige balkons zijn ze boven elkaar geplaatst en hebben ze een gesloten borstwering voor een sculpturaal gevelbeeld. 4. Gemeenschappelijke balkons zijn onderdeel van het bouwvolume en volgen hetzelfde horizontale en verticale ritme als de gevel. 5. Loggia’s zijn onderdeel van de hoofdmassa en dragen bij aan een consistent en rustig gevelbeeld. 6. Galerijen vallen binnen het bouwvolume en maken integraal deel uit van de gevelstructuur.

5.10.4 Bergingen en (collectieve) stallingsruimten Fietsenstallingen voor bewoners worden inpandig bij de (hoofd)entrees geplaatst, zie de eisen in paragraaf 5.7.4. Deze stallingsruimten domineren de plint van het gebouw niet. Als er bergingen worden toegepast, dan zijn deze niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Eis bergingen 1. Bergingen zijn vanaf de openbare buitenruimte niet zichtbaar. Eisen collectieve stallingsruimten 1. Overdekte stallingsruimten voor fietsen worden bij de (hoofd)entrees geplaatst. 2. Stallingsruimten voor fietsen worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat ze de gebouwplint niet domineren en niet tot een dode plint leiden. 3. Openbare en collectieve stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht.

5.10.5 Parkeergarages In Sportweg vindt het parkeren in parkeergebouwen plaats. Deze parkeerfaciliteiten mogen de leefomgeving van de bewoners en omwonenden niet domineren of negatief beïnvloeden ten gevolge van geluid-, stank- en lichtoverlast. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 4. Eisen 1. Een parkeergebouw domineert de omgeving niet en veroorzaakt geen geluid-, stank- en lichtoverlast voor omwonenden. 2. De plint van een parkeergebouw krijgt actieve, levendige voorzieningen of anders vormige attractieve inpassing.

3. Hellingbanen en noodzakelijke trafo’s worden binnen de schil van het parkeergebouw geplaatst. 4. Parkeergarages worden sociaal veilig ontworpen: zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. 5. Daken van parkeergebouwen worden in beginsel uitgevoerd met multifunctionele daken. 6. Geen rechtstreekse toegang vanuit de parkeergarage naar de aangrenzende woningen; ontsluiting via de straat en (centrale) entreepartij. 7. Het dak van halfverdiepte parkeergarages is maximaal 1,2 meter hoog gerekend vanaf maaiveld. Wens 1. De ingangen van de parkeergarages aan de Sportweg moeten zo dicht mogelijk bij de Planetenlaan worden geplaatst om het autoverkeer op de Sportweg tot een minimum te beperken.

5.10.6 Technische ruimten en installaties Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, batterijen en afvalcontainers e.d. worden niet in de openbare ruimte opgelost. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Ook installaties en liftopbouwen op het dak zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 4. Eisen technische ruimten op de begane grond 1. Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat ze minimaal 4 meter afstand tot de omliggende verblijfsruimten aanhouden. Overeenkomstig de NPR-norm 2. Brandwerendheid van traforuimten dient te voldoen aan de NPR-norm.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

73

3. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, WKOinstallaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden, waaronder toegankelijkheid. 4. Technische ruimten voor trafostations, WKOinstallaties (exclusief bronputten), batterijen, loading docks, opstelruimten voor (bedrijfs)afvalcontainers, etc., worden niet in de openbare ruimte, maar in de gebouwen opgelost. 5. Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. Let hierbij op of dit de eisen of wensen betreffen. 6. Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden. Eisen installaties en andere opbouwen op het dak 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. 2. Voor de goedkeuring van het voorlopig en definitief gebouwontwerp dient er een integraal dakontwerp aangeleverd te worden, waarbij alle benodigde installaties, opbouwen, etc. in beeld zijn gebracht.

Eisen daken 1. Platte en licht hellende daken worden minimaal als natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met de plaatsing van zonnepanelen. 2. Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw die voldoet aan de betreffende waterbergingseisen, zie paragraaf 5.5.3.

5.11 Slotbepalingen

Eis gevels 1. Gevels en dakranden worden voorzien van voldoende nestkasten en rustplekken. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen met de gemeentelijke ecoloog op de diersoorten van de gewenste soortencategorieën.

Hardheidsclausule Er kan door de gemeente gemotiveerd worden afgeweken van eisen vastgelegd in het PvEL indien een eis leidt tot gevolgen, die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze eis, andere eisen te dienen doelen en/of haalbaarheid.

Dynamische verwijzing Waar in de randvoorwaarden, eisen en wensen wordt verwezen naar wetgeving, regelgeving, beleid(sregels) of gelijk te stellen documenten waaraan moet worden voldaan, geldt dat met inbegrip van latere wijzigingen.

Wensen gevels 1. Daar waar mogelijk gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de gewenste soortencategorieën. 2. Integreren van bloembakken aan de balustraden van balkons en galerijen passend binnen de beeldkwaliteitscriteria. Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar heeft ook een gunstig effect op verkoeling, individuele expressie en geborgenheid. Bij voorkeur bewateren met collectief bewateringssysteem gevoed vanuit de vereiste hemelwaterberging.

5.10.7 Vergroenen daken en gevels Zoals in paragraaf 5.5.1 beschreven staat, wordt Sportweg natuurinclusief ontwikkeld. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als multifunctioneel dak uitgevoerd worden. Voor de gevels wordt de ontwikkelaar gevraagd naar vergroeningsmogelijkheden te zoeken en nest- en rustplekken te maken voor de gewenste soortencategorieën.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

74

Spelregelkaart

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

75

Hoe nu verder ? Sinds enige jaren wordt binnen Haarlem projectmatig gewerkt aan de ontwikkelopgaven van de stad. Bij de uitvoering van een ontwikkelproject worden zes fases doorlopen volgens het Haarlems Ruimtelijk Planproces (HRPP). Het planproces geeft inzicht in de op te stellen producten, momenten waarop inspraak en participatie plaatsvindt en besluitvorming.

Initiatieffase Met het vaststellen van de Ontwikkelvisie Orionweg en Planetenlaan in 2020 en het vaststellen van de startnotitie voor het plangebied Stadionplein in 2021 is de initiatieffase voor de Sportweg doorlopen en zijn de doelstellingen en toekomstbeelden geschetst.

Definitiefase De gebiedsontwikkeling Sportweg bevindt zich nu in de definitiefase. In de definitiefase zijn de randvoorwaarden, eisen en wensen voor de ontwikkeling nader gedefinieerd en vastgelegd in een kaderstellend product; het Programma van Eisen voor de Leefomgeving (PvEL). Het ontwerp-PvEL is door het college vrijgegeven voor de inspraak gedurende een termijn van zes weken. Iedereen heeft op het ontwerp een zienswijze kunnen geven. Alle zienswijzen zijn beoordeeld. Voor zover de reacties hiertoe aanleiding geven, is het PvEL aangepast. Het PvEL door het college vastgesteld, nadat de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld zienswijzen te geven met de zogenaamde ‘zware voorhangprocedure’.

pre-initiatieffase

initiatieffase

definitiefase

ontwerpfase

voorbereidingsfase realisatiefase

Ontwerpfase

Voorbereidingsfase

In de ontwerpfase wordt een schetsontwerp opgesteld binnen de kaders van het PvEL en door de ontwikkelende partijen uitgewerkt tot een stedenbouwkundig plan (SP) inclusief een schetsontwerp openbare ruimte en een beeldkwaliteitsplan. Het SP biedt inzicht in de situering van bebouwing, volumes, afstanden, de samenhang tussen de bebouwde en onbebouwde ruimte en het functioneel programma.

Na afronding van de definitie- en ontwerpfase volgt de voorbereidingsfase. In deze fase wordt de juridischplanologische procedure doorlopen om de ontwikkeling juridisch mogelijk te maken. Met de ontwikkelende partijen is overeengekomen hiertoe een procedure voor de wijziging van het omgevingsplan te doorlopen. Het SP en de gebouwontwerpen vormen de onderlegger voor het omgevingsplan. De ontwerpwijziging wordt voor zes weken ter inzage gelegd met de mogelijkheid tot het geven van zienswijzen. Als het omgevingsplan op onderdelen afwijkt van het PvEL is de gemeenteraad bevoegd tot vaststellen. Indien het omgevingsplan blijft binnen de kaders van het PvEL is het college bevoegd.

De ontwerpen worden onderzocht op de effecten op de fysieke leefomgeving en op uitvoerbaarheid. Deze onderzoeken worden uitgevoerd door of namens de ontwikkelende partijen. In deze fase worden met de ontwikkelende partijen overeenkomsten gesloten over onder andere het kostenverhaal en de verkoop van gronden. De fase wordt afgerond met het vaststellen van het SP en de verkoop-/ anterieure overeenkomsten door het college.

De mogelijkheid bestaat om voor deelontwikkelingen, gelijktijdig met de wijziging van het omgevingsplan, een omgevingsvergunningsprocedure te doorlopen (Bopa) met de coördinatieregeling. Sint Jacob gaat hier hoogstwaarschijnlijk gebruik van maken ten behoeve van de ontwikkeling van de zorginstelling. Ook Pré Wonen en de gemeente in de hoedanigheid van ontwikkelaar van de ‘parkeervoorziening met voetbalveld’ overwegen van de coördinatieregeling gebruik te maken.

Realisatiefase Na vaststelling van het omgevingsplan en het onherroepelijk worden van de vergunningen wordt gestart met de uitvoering van de eerste fase, naar verwachting eind 2027.

Luchtfoto Sportweg - voormalige tribune.

Sportweg | PvEL | Hoe nu verder ?

76

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16513539/2