CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Programma van Eisen voor de Leefomgeving

gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Sportweg SPvL, vaststellen31.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afbeelding: Extra details en plastiek in de gevel markeren de entree. Louis Couperusplein 39. Den Haag.

1. Zorg dat logistieke en technische entrees (zoals laad- en losdeuren en fietsenstallingen) bijdragen aan de architectuur van de gevel. 2. Maak individuele woningentrees herkenbaar als adressering van het gebouw naar de straat toe, met een vorm van visueel contact tussen de binnen- en buitenruimte. 3. Ontwerp commerciële en maatschappelijke entrees uitnodigend en met een tactiele vormgeving, waarbij sprake is van interactie met de straat. 4. Geef gemeenschappelijke woningentrees een duidelijke markering en zorg dat ze extra bescherming bieden tegen weersomstandigheden.

Afbeelding: Entreepartij vormt onderdeel van een verbijzondering in het gevelschema. Van Alkemadelaan 544. Den Haag.

Sportweg | PvEL | 4. Beeldkwaliteit

Afbeelding: Luifels en pilaren zorgen voor een voorname entree en passen in het horizontale en verticale lijnenspel van het gevelschemascala architecten

52

4.3.15. Overgangen tussen openbare ruimte en gebouw

4.3.16. Parkeergebouwen Parkeergarages spelen een cruciale rol in de interactie tussen de gebouwde omgeving en de openbare ruimte. Ze beïnvloeden niet alleen de mobiliteit, maar ook de ruimtelijke kwaliteit en beleving van een gebied. Een doordacht ontwerp zorgt voor een harmonieuze integratie in de stedelijke structuur, waarbij zowel functionaliteit als esthetiek bijdragen aan een prettige en veilige leefomgeving.

De overgang tussen de openbare ruimte en de bebouwing wordt zorgvuldig vormgegeven, zodat er een vloeiende en natuurlijke relatie ontstaat tussen het gebouw en de straat. Tevens draagt dit bij aan een levendige plint. Dit gebeurt onder andere door middel van entrees, portieken, stoepen en groene zones.

1. Ontwerp de (ondergrondse) parkeergarages aan de Sportweg met een ingetogen architectuur die goed past binnen de stedelijke structuur. 2. Zorg dat veiligheid en verlichting een belangrijke rol spelen in het ontwerp. 3. Zet sterk in op multifunctioneel gebruik, o.a. van de daken van de garages, die bijdraagt aan een levendige omgeving. 4. Creëer langs alle zijdes van de (semi) bovengrondse parkeergarages een goede overgang. 5. Maak de openbare ruimte rondom de bovengrondse garages visueel aantrekkelijk en veilig.

1. Geef entreegebieden herkenbaar en onderscheidend vorm, met extra aandacht in de detaillering en materialisatie. 2. Markeer de overgang tussen privé en openbaar door het toevoegen van extra elementen (Delftse stoep, bordessen, groene erfafscheidingen, kleine voortuinen etc.) bij grondgebonden woningen en plinten met woonfuncties.

Afbeelding: overgang gebouw en openbare ruimte

Afbeelding: overgang openbaar gevelstrook

Sportweg | PvEL | 4. Beeldkwaliteit

53

4.4 Buitenruimte De buitenruimte vormt de verbindende schakel tussen architectuur en openbare ruimte en draagt bij aan de leefbaarheid en uitstraling van het gebied. Een zorgvuldig ontworpen buitenruimte creëert een vloeiende overgang tussen privé en openbaar, stimuleert interactie en verhoogt het comfort voor alle gebruikers. Door middel van groen, straatmeubilair en doordachte materialisatie ontstaat een prettige en toegankelijke omgeving die de identiteit van het gebied versterkt. 1. Creëer een goede overgang tussen privé en openbaar door een samenhangend geheel tussen architectuur en buitenruimte te realiseren. 2. Markeer de overgang tussen privaat en openbaar. 3. Zet straatmeubilair en plantvakken in ter versterking van de verbinding met de omgeving. 4. Gebruik materialen in het voetgangersgebied en op het plein die bijdragen aan een uitnodigende sfeer en aansluiten bij de identiteit van het plein. 5. Ontwerp de buitenruimte voor toegankelijkheid en comfort, inclusief voor mensen met een beperking. 6. Richt collectieve buitenruimtes in voor ontmoeting en interactie, met zitgelegenheden, groen en andere voorzieningen. 7. Geef straatmeubilair een moderne en ingetogen uitstraling, passend bij de architectuur. 8. Verrijk de buitenruimte met zorgvuldig geselecteerde (inheemse) bomen, struiken en vaste planten die gedijen in het stedelijke klimaat. 9.

Leg groene erfafscheidingen (hagen, begroeide pergola’s) aan voor een natuurlijke overgang tussen privé en openbaar. 10. Realiseer collectieve binnentuinen en daktuinen die sociale interactie stimuleren en de leefkwaliteit verhogen. 11. Zorg dat de verlichting binnen het plangebied bijdraagt aan veiligheid, oriëntatie en sfeer. 12. Plaats functionele verlichting langs entrees en openbare ruimten voor duidelijke en aangename routes en bevordering van de sociale veiligheid. 13. Plaats decoratieve verlichting om specifieke accenten te leggen, zoals bij bijzondere geveldetails of collectieve buitenruimtes.

Afbeelding: Bloemrijke en vol beplante laag onder de bomen

Afbeelding: Verharding en halfopen verharding definiëren de verschillende ruimtes

Sportweg | PvEL | 4. Beeldkwaliteit

54

5. Randvoorwaarden, eisen en wensen 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de kaders uit hoofdstuk 2 en de ontwerpuitgangspunten uit hoofdstuk 3 vertaald naar randvoorwaarden, eisen en wensen, die gelden voor de gehele ontwikkeling Sportweg. Conform de geest van de Omgevingswet worden deze kaders integraal en vooraf voorgelegd aan de initiatiefnemer, zodat duidelijk is waar de gemeente plannen in de ontwikkeling aan toetst.

5.1.1. Leeswijzer De kaders in dit hoofdstuk zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Omgevingswet en -visie 2. Stedenbouwkundige hoofdopzet 3. Programma 4. Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten 5. Milieu- en omgevingsaspecten 6. Mobiliteit 7. Openbare ruimte 8. Privaat maaiveld 9. Gebouwen Op allerlei vlakken zit er overlap in de te behandelen thema’s en de kaders die in dit hoofdstuk worden meegeven. Een onderwerp als duurzaamheid en toegankelijkheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, maar ook op de gebouwontwerpen en op mobiliteit. Daarom moet dit hoofdstuk altijd in zijn totaliteit doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één thema. Let op: dit hoofdstuk behandelt alleen de hoofdlijnen

van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan voor een bouwlocatie. Bij de vergunningsaanvraag dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of er ook voldaan wordt aan de andere kaders die niet in dit hoofdstuk benoemd worden. Ook dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn tegen de tijd dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Een vergunningsaanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving.

5.1.2. Uitleg Randvoorwaarden, eisen en wensen In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen. Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschapsverordening van Rijnland) waar de gemeente zich aan moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden. Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeernormen) en het ontwerp (o.a. kwaliteitseisen aan maaiveld- en gebouwontwerpen). Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen.

Wensen zijn ambities van de gemeente waar het project bij voorkeur aan voldoet maar die niet afdwingbaar zijn. De gemeente zal de ontwikkelende partijen vragen invulling te geven aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.

5.2 Omgevingswet en -visie Fysieke ontwikkelingen op de Sportweg moeten voldoen aan de Omgevingswet. De Rijksoverheid wil dat deze wet bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Haarlem heeft dit in de Omgevingsvisie uitgewerkt in zes strategische keuzes. In hoofdstuk 2 is uitgelegd wat deze keuzes betekenen voor de ontwikkeling van de Sportweg. Randvoorwaarden 1. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. 2. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. 3. Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waar de ontwikkeling op van invloed kan zijn.

Luchtfoto Sportweg - voormalige tribune.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

55

Eisen De ontwikkeling van de Sportweg dient invulling te geven aan de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie, te weten: 1. Mengen en verdichten: De ontwikkellocatie is en blijft een gemengd stedelijk milieu met een goede balans tussen wonen, werken en voorzieningen. 2. Buurtgericht ontwikkelen: In de ontwikkeling wordt de sociale basisinfrastructuur versterkt en worden voldoende ontmoetingsplekken gecreëerd. 3. Vergroenen en vernatten: In de ontwikkeling wordt de groen- en waterstructuur versterkt en ecologische verbindingen verbeterd. 4. Bevorderen gezonde leefomgeving: In de ontwikkeling worden ontbrekende schakels in de voet- en fietspaden aangelegd en wordt op en rond de nieuwe bebouwing veel groen toegevoegd. 5. Ruimte voor de energietransitie: In de ontwikkeling wordt boven- en ondergronds ruimte gereserveerd voor energietransitie. 6. Mobiliteitstransitie: In de ontwikkeling wordt de voetganger en fietser op één gezet en wordt het vanzelfsprekend om te voet of met de fiets naar de voorzieningen te gaan en gebruik te maken van het openbaar vervoer.

5.3 Stedenbouwkundige hoofdopzet Deelontwikkelingen binnen het exploitatiegebied van dit PvEL dienen te voldoen aan het ruimtelijk concept zoals uiteengezet in hoofdstuk 3. Dit betekent dat een initiatief ruimtelijk minimaal van dezelfde stedenbouwkundige kwaliteit moet zijn als het betreffende onderdeel van het concept ontwerp. Programmatisch dient het initiatief te voorzien in het meegeven programma per bouwblok zoals in paragraaf 5.4 is aangegeven. Eisen 1. Een ontwikkelende partij dient ruimtelijk en programmatisch het ruimtelijke concept voor

zijn deelontwikkeling te volgen qua maximale rooilijnen, massaopbouw, programmatische invulling, etc. Zie hoofdstuk 3. 2. Afwijken van de opzet van het ruimtelijke concept is alleen mogelijk als dit niet tot een ruimtelijke verslechtering of programmatische verarming leidt ten opzichte van het concept ontwerp. Denk hierbij aan bezonning, windhinder, ontwikkelbaarheid omliggende bouwblokken, voorgeschreven programmamix, etc.

5.4 Programma

Er wordt de mogelijkheid geboden één tot twee lagen extra te realiseren op de locaties aangeven op de spelregelkaart. Hieraan zijn de volgende eisen verbonden: 1. De extra bouwlagen beëindigen de gevels en dienen te voldoen aan de stijl van de Nieuwe Haagse School. Hierbij wordt aangesloten bij de maat en schaal van de openbare ruimte en de bestaande bebouwing. Het gaat om accentwerking als herkenbaarheid en versterking van het stedenbouwkundig plan; 2. Onderbouw met een zichtlijnenstudie dat het toevoegen volume stedenbouwkundig aanvaardbaar is; 3. Bij het toevoegen van volume moet voldaan worden aan de eisen voor het windklimaat in de omgeving conform paragraaf 5.6.2; 4. Bebouwing dient te voldoen aan de eisen met betrekking tot de bezonning conform 5.6.3. Toename van schaduw op verblijfsplekken dient minimaal te zijn; 5. Extra schaduwwerking door toevoegen van extra bouwlagen mag niet leiden tot verslechtering van de groeiomstandigheden van groen en de bomen.

Voor wat betreft de woningaantallen en oppervlakte werken en voorzieningen, wordt als vertrekpunt uitgegaan van de eerder vastgestelde startnotitie. Deze invulling geeft richting voor de verdere uitwerking van de ontwikkeling door de marktpartijen. Er is hierbij ruimte voor optimalisaties en innovatieve ideeën, mits het niet ten koste gaat van kwaliteit.

Deze paragraaf geeft de kaders aan de gestelde programma-ambities zoals te lezen is in hoofdstuk 2. We maken onderscheid in de eisen en wensen met betrekking tot: 1. Programma algemeen 2. Woonprogramma 3. Sociaal-maatschappelijke voorzieningen 4. (Commercieel) werkprogramma

5.4.1 Programma algemeen Voor een goed functionerend en levendig gebied is het bereiken van een goede functiemix noodzakelijk. Concreet betekent dit dat er woningen, werk-, winkel-, cultuur- en sociaal-maatschappelijke functies en voorzieningen worden toegevoegd en dat deze strategisch worden gepositioneerd. Hierdoor ontstaan clusters in het gebied en komt er een geleidelijke overgang van reuring naar rust. Eisen 1. Ontwikkelingen op de Sportweg dragen bij aan het creëren van een gemengd woon- werkgebied waarbij bedrijvigheid en werkgelegenheid samengaan met wonen. 2. Ontwikkelingen op de Sportweg dragen bij aan het realiseren van voldoende passende commerciële-, buurtgebonden en sociaal-maatschappelijke voorzieningen die ook voorzien in de behoeften van de bestaande en nieuwe bewoners in dit deel van Haarlem.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

56

5.4.2 Woonprogramma Voor het westelijk deel van Haarlem streeft de Gemeente naar meer sociale huur- en betaalbare woningen. De woningbouw richt zich qua doelgroepen op starters en ouderen. Eisen 1. De nieuw op te leveren woningen voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de geactualiseerde Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering. Deze vereisten (spelregels) behelzen o.a. prijsgrenzen en indexering, onderverdeling prijssegmenten (5030-20), minimale oppervlakte, doelgroepen, toewijzing, huurverhoging, exploitatieperiode, zelfbewoning, antispeculatie en toegankelijkheid. 2. Er worden ten minste 245 woningen toegevoegd in de ontwikkeling, waaronder circa 60 geclusterde ouderenwoningen (gezien de nabijheid van de nieuwe zorginstelling). 3. De circa 60 geclusterde ouderenwoningen zijn te realiseren in het sociaal- en middensegment, waarbij een voorziening zoals een gemeenschappelijke woonkamer of ontmoetingsruimte in het ontwerp is opgenomen conform de Stadsdeal Ouderenhuisvesting. 4. De grenzen van middeldure koop- en huurwoningen zijn conform de Verordening Doelgroepen woningbouw Haarlem. 5. De sociale huurwoningen worden overgedragen en beheerd en verhuurd door één van de in Haarlem actieve woningcorporaties en dit wordt vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Wensen 1.

De woningbouw in de ontwikkeling richt zich qua doelgroepen op starters en ouderen conform de actuele Woonvisie. 2. Er is ruimte gewenst voor diverse vormen van begeleid wonen waaronder ook voor bijzondere

doelgroepen (i.c.m. zorg). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toevoegen van betaalbare sociale huur voor kleine huishoudens die uitstromen vanuit maatschappelijk opvang en beschermd wonen. 3. Het is wenselijk om woonconcepten te realiseren waarbij, vanuit financieel en duurzaamheidsoogpunt, ingezet wordt op het delen van (collectieve) ruimtes en dagelijkse gebruiksvoorwerpen (o.a. auto). Het heeft de voorkeur deze woningen toe te wijzen aan starters of ouderen. 4. NEN9120 Toegankelijk (ver)bouwen hanteren, in ieder geval bij gebouwen met publieke functies.

5.4.3 Sociaalmaatschappelijk programma Haarlem heeft de ambitie om de sociale cohesie in de stad te versterken. De nabijheid van werkgelegenheid en voorzieningen dragen hieraan bij. Dit betreft buurgerichte en maatschappelijke functies waar men elkaar kan ontmoeten. De ontwikkeling van het plein draagt bij aan de sociale basisinfrastructuur en geeft ruimte om elkaar te ontmoeten. Eisen 1. Er is ruimte gereserveerd voor circa 120 zorgunits met een maximaal bruto vloeroppervlak van circa 10.000m2. Er is een gedeelde gemeenschappelijke ruimte aanwezig. 2. Er is circa 400 m2 bvo aan ruimte gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen gericht op zorg, zoals een huisartsen-, fysiotherapie- of verloskundepraktijk. 3. Er wordt circa 1100 m2 bvo gereserveerd voor een Huis van de Wijk. De entree van het Huis van de Wijk ligt aan het plein. Publiekstoegankelijke voorzieningen zoals een apotheek, receptie en ontvangstkamers bevinden zich in de plint op de begane grond of op de verdieping. Gesloten voorzieningen, zoals wachtruimtes, praktijkruimten en behandelkamers bevinden zich achter de

publiektoegankelijke voorzieningen, en dus niet in de plint aan de straatzijde. Wensen 1. Cluster sociaal-maatschappelijke en culturele functies binnen de ontwikkeling. 2. Creëer een prettig leef- en verblijfklimaat door bestaande voorzieningenclusters aan te vullen met in de wijk gewenste sociaal-maatschappelijke functies.

5.4.4 Commercieel programma Om het gebied te ontwikkelen tot een multifunctioneel stedelijk gebied is het van belang om in verschillende type functies te voorzien. Het gebied is aantrekkelijk voor bedrijfshuisvesting door de goede ontsluiting via de Rijksstraatweg en de aanwezigheid van een (H) OV-knooppunt. De ontwikkeling is aangesloten op een stedelijk lint van bedrijvigheid op de Rijksstraatweg en biedt daarmee kansen voor voorzienende economie. Deze voorzieningen kunnen gericht zijn op de directe omgeving, maar kunnen ook een stedelijk voorzienend karakter hebben. Eisen 1. De ontwikkeling draagt bij aan de transformatie van een functioneel gebied naar een kwalitatief gemengd woon-werkgebied door commerciële, maatschappelijke en buurtgebonden functies toe te voegen. 2. In de ontwikkeling Sportweg wordt circa 4000 tot 5000m2 bruto vloeroppervlak toegekend aan commerciële werkfuncties. Er zijn verschillende typen werk- en/of maatschappelijke functies kansrijk. 3. De ontwikkeling bestaat uit het behouden of mogelijk maken van één supermarkt binnen het plangebied. Voor de ontwikkeling geldt een maximumaantal vierkante meters winkelvloeroppervlak (wvo) voor de supermarkt.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

57

Het maximumaantal vierkante meters bvo en wvo is vastgesteld respectievelijk 3152m2 bvo en 2521m2 wvo. 4. Bij verplaatsing krijgt de supermarkt een hoofdingang aan het plein en voorziet in een gebouwde parkeervoorziening onder het maaiveld. 5. Voor het overige commerciële programma dienen ontwikkelende partijen aan te tonen dat op hun bouwlocatie een werkprogramma gerealiseerd wordt dat aansluit op de behoeftes in het gebied. Dit betreft de benodigde economische voorzieningen (buurtgericht). 6. Aanvullend op de supermarkt komt er ruimte voor maximaal 1300 m2 bvo aan commerciële voorzieningen. Te denken valt bijvoorbeeld aan horeca en dienstverlening. 7. Publieke en maatschappelijke functies worden geplaatst langs hoofdroutes. De functies zijn zichtbaar, bereikbaar en toegankelijk gepositioneerd in de plinten van de gebouwen of op de 1e verdieping aansluitend op openbaar toegankelijk gebied. 8. De invulling van de tribune wordt nader bepaald na afronding van lopende onderzoeken. Zeker is dat het mogelijk toekomstige programma op locatie van de tribune los staat van het in 5.4.3 genoemde programma. Wensen 1. De wijkfunctie van de locatie Sportweg kan worden versterkt met verzorgende economische functies. Dit zijn voorzieningen die gericht zijn op de directe omgeving en veelal als dagelijkse voorzieningen worden gezien.

Hierbij valt te denken aan een bakker, slager, fietsenmaker of bloemenwinkel. Maar het kunnen ook voorzieningen zijn met een stedelijk karakter (sport, broedplaatsen, zorg, etc.). 2. De goede bereikbaarheid alsmede de bedrijvigheid langs de Rijksstraatweg, maakt de ontwikkeling ook aantrekkelijk voor hoogwaardige kantoorruimte.

5.5 Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders waar de ontwikkeling Sportweg op de volgende aspecten aan moeten voldoen: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Circulariteit

5.5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). De ontwikkellocatie Sportweg is versteend, maar kent ook natuurwaarden in de nabije omgeving met het Schoterbos. Doelstelling voor de Sportweg is het vergroten van de biodiversiteit en het behouden en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Dit wordt bereikt door de groenstructuren te verbeteren, ecologische verbindingen te versterken en de bebouwing natuurinclusief te ontwikkelen. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quickscan ecologie plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Hierbij hoort ook een inventarisatie van invasieve exoten. 3. Bij werkzaamheden die van invloed zijn op flora en fauna wordt gewerkt volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten.  

Algemene eisen

1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Brons’:  

a. Voor het project worden hoogwaardige habitats gerealiseerd of behouden voor ten minste 3 soortencategorieën *, waaronder in ieder geval een habitat voor gebouwbewonende soorten. b. Per soortcategorie wordt aangeven welke maatregelen worden genomen voor realisatie of behoud van een hoogwaardige habitat, waarbij wordt ingegaan op de samenhang tussen de 5 V’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden, variatie en verbinding. c. Het horizontale (en verticale) oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht met minimaal 30% biodivers en hoogwaardig groen op buurtniveau.

2. De te nemen maatregelen moet voldoen aan het volgende:

a. Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen, Inheems, autochtoon en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten en of deze te versterken. b. Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling, dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn. c. Ten minste 80% van de beplanting in natuurnetwerk Haarlem, in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems.

3. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar:

a. Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. b. Op deskundige wijze worden uitgevoerd. c. In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. d. Zijn goedgekeurd door de gemeente.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

58

* De soortencategorieën zijn onderverdeeld in 5 hoofdgroepen: gebouwbewonend, boombewonend, struweel-gebonden, bloemrijk grasland-gebonden, aan water en oevers gebonden. ( zie bijlage 14 ) Op deze manier is er geborgd dat op de juiste locatie de juiste maatregelen worden genomen. Eisen bouwblokken 1. Elk bouwblok moet in ieder geval onderdeel zijn van de hoogwaardig habitat voor de gebouwbewonende soorten. 2. Daken worden als natuurdaken uitgevoerd. Voor de eisen met betrekking tot pakketdikten, zie de paragraaf 5.10.7. 3. Gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, verblijfplaatsen, etc.). Eisen openbare ruimte 1. De hoofdbomenstructuur wordt versterkt. 2. Groenstructuren worden zo veel mogelijk op elkaar aangesloten. 3. De groenblauwe structuren worden versterkt (met nestkasten niet-gebouwbewonende soorten, vergroenen bermen, hagen, planten, ecologische wadi’s, natuurvriendelijke oevers, groeiplaatsen bomen verbeteren etc.). 4. Realiseren en/of versterken ecologische verbindingen (faunapassages etc.). 5. Groenvakken worden zonder barrières op het maaiveld aangelegd. 6. Gazon wordt zo min mogelijk aangebracht, maar bij toepassing van gazon wordt het gebruik van woekerende grassoorten vermeden. 7. Verontreiniging en verrijking van grond wordt voorkomen en aanvullende grond zoveel mogelijk gebiedseigen (humusarm). 8.

Langs de natuurverbindingen worden hoektrapjes voor amfibieën geplaatst in de putten. 9. Ten minste 80% van de beplanting in

Natuur Netwerk Haarlem (NNH), in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems. 10. Binnen het Natuurnetwerk Haarlem wordt gekozen voor nachtdiervriendelijke verlichting. Wensen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Zilver/ Goud’: a. Hoogwaardige habitat voor meer soortencategorieën dan geëist bij niveau ‘Brons’. b. Op maaiveldniveau wordt het horizontale (en verticale) oppervlak in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht. Meer dan 30% van de openbare ruimte heeft een groene invulling. Deze invulling bestaat uit biodivers en hoogwaardig groen en is ingericht aan de hand van de eisen van de aanwezige soortcategorieën. 2. Speelplekken worden gecombineerd met groen.

5.5.2 Bomen Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie, biodiversiteit en leveren waardevolle ecosysteemdiensten. Daarom behouden we monumentale en gezonde bomen en voegen we bomen toe in de openbare ruimte en op privaat terrein. Bomen worden zo geplaatst dat ze tot volle wasdom uit kunnen groeien. De focus ligt op kwaliteit, niet op kwantiteit. Voor bestaande en nieuwe bomen gelden verschillende eisen.

Bestaande bomen

Eisen met betrekking tot bestaande monumentale, waardevolle en gezonde bomen en bomen met een beschermde status staan beschreven in de Bomenverordening van Haarlem. Let hierbij op dat gezonde bomen van 50 jaar en ouder ook als waardevolle bomen behandeld dienen te worden.

Eisen 1. Ontwerpen vanuit de huidige situatie, niet vanaf een ‘leeg A4tje’. Rekening houden met bestaande bomen en het toekomstbeeld van deze bomen. a. Als onderdeel van het ontwerp openbare ruimte dient een bomeninventarisatie uitgevoerd te worden. Hierbij dient te worden geïnventariseerd wat de conditie, levensverwachting, vitaliteit, beheerbaarheid, kroonprojectie en eventuele verplantbaarheid is. b. Er wordt ontworpen volgens het ‘groen, tenzij’principe: gezonde bomen blijven behouden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om ze te verplaatsen of te kappen. c. Te behouden bomen: bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft onaangetast en groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig. 2. Bij planvorming een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden van bestaande bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde (rekening houden met het eindbeeld van de boom, (groeiplaatsverbetering/uitbreiding) 3. Er dient rekening te worden gehouden met het ecologische onderzoek/quickscan. 4. Tussen het Voorlopig Ontwerp en Definitief Ontwerp van de buitenruimte dient er een Boom Effect Analyse (BEA) te worden gedaan. Hierbij wordt de invloed van het ontwerp getoetst op de kwaliteit en levensverwachting van de bestaande bomen, ook worden hier passende beschermende maatregelen in omschreven om de bomen duurzaam in stand te houden. 5.

Groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig (aan de hand van de groen inventarisatie en/of BEA2.0, uitgevoerd conform de eisen gesteld in de Haarlemse Bomenverordening 2021).

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

59

Wens 1. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met iTree. Berekenen met 50% van de baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100% van de verloren baten terug.

Nieuwe bomen

In Haarlem komen zes groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden (bomen in open grasberm en plantvakken, bomen in verharding, bomen in parkeervoorziening – belaste verharding –, bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting, bomen in een wadi, bomen op civieltechnische constructie – parkeerdek o.i.d.–). Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie paragraaf 7.2.4 van het HIOR. Randvoorwaarde 1. Waterschapsverordening Rijnland, voor plantafstand voor nieuwe bomen ten opzichte van watergang ten behoeve van goed beheer en onderhoud van de oever. Dit is afhankelijk van het type oever. Eisen 1. Bomenverordening, herplant van de te kappen bomen één-op-één vervangen. 2. Voldoende maat in het profiel voor bestaande, Planetenlaan en Sportweg, en nieuwe boomstructuren. 3. Soortkeuze baseren op minimaal 80% inheemse bomen in de openbare ruimte. 4. Plantafstanden en soortkeuze, boven- en ondergrondse groeiplaats en groeiplaatsinrichting: conform HIOR en Keur. 5. Bij planvorming een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde. (Rekening houden met eindbeeld van de boom.).

6. Aanplanten van meerdere (boom)soorten op locatie/straat in plaats van één boomsoort per straat. Wens 1. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met iTree. 50% van de verloren baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100% van de verloren baten terug.

5.5.3 Water en klimaatadaptatie De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. De ontwikkeling moet in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst. Randvoorwaarden 1. Conform de Waterschapsverordening dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen een straal van 5 km van het ontwikkelingsgebied (en binnen hetzelfde peilgebied). 2. Conform de Waterschapsverordening gelden voor een ontwikkellocatie waarbij meer dan 5.000m² wordt verhard de volgende kaders: a. Er moet worden aangetoond dat het gebied waarin de ontwikkeling ligt een bui van 90mm in een etmaal kan bergen. b. Hevige neerslag (1/100 jaar, 70mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. c. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. Eisen 1. Conform Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte: a. De ontwikkeling vindt plaats volgens een

grondwaterneutraal ontwerp. Hiervoor moet worden onderzocht wat de effecten zijn op de mogelijk aanwezige grondwaterstromen. Dit vereist een geohydrologisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling daadwerkelijk grondwaterneutraal is. b. De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. c. De inrichting van de locatie is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. d. Er dienen maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 2. Conform het Plan Stedelijk Water moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: a. Er is tenminste 40% schaduw voor langzaamverkeerroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer. b. Koele plekken (minimaal 200m²) zijn op loopafstand (maximaal 300m) aanwezig. c.

Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. d. Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimtes in de directe omgeving. 3. Conform de Hemelwaterverordening, onderdeel van het Omgevingsplan, gelden de volgende kaders:

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

60

a. Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m²). b. Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. 4. Conform het Convenant Toekomstbestendig Bouwen, niveau ‘Goud’ dient afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte ingezet te worden op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen. Welke eisen van toepassing zijn op het plangebied is dus afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden in de klimaateffectatlas. 5. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase aangeleverd te worden: a. Berekening areaal verhardingscompensatie. b. Waterbergingsberekening volgens rekentool Hoogheemraadschap Rijnland. c.

Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatvorm Klimaatadaptatie. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte bestaat inhoudelijke overlap en/of samenhang. In overleg met Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen.

5.5.4 Energie We zetten in op passieve bouw, duurzame energieopwekking en lokale warmte met als doel (ten minste) nul op de meter. Passieve bouw biedt een comfortabele binnenomgeving met minimale energiekosten en een lage CO2-voetafdruk. We eisen niveau brons, maar streven naar niveau ‘Zilver’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen te halen. Met zilver is de druk op het elektriciteitsnet aanzienlijk lager. Randvoorwaarden 1. Bij grondgebonden woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling 55kWh/m²/jaar, aandeel fossiele energie < 0 (BENG2) en aandeel duurzame energie 100% (BENG3). Bij gestapelde woningen is dit 65kWh/m²/ jaar (BENG1). 2. Bij grondgebonden woningen is het minimaal aandeel hernieuwbare energie 50%, bij gestapelde woningen is dit 40% (BENG3), aandeel fossiele energie < 20 (BENG2) en aandeel duurzame energie 80% (BENG3). Deze randvoorwaarden zullen naar verwachting veranderen door toekomstige aanscherping van de BENG-eisen. Eisen 1. We hanteren niveau ‘Brons’ uit het convenant Toekomstbestendig Bouwen. Dat betekent voor: a. Energiebehoefte (BENG 1): < 55 kWh/m2/jaar voor grondgebonden woningen en < 65 kWh/ m2/jaar voor gestapelde bouw b. Primair-fossiele energie (BENG 2): < 0 kWh/m2/ jaar voor grondgebonden woningen en < 35 kWh/m2/jaar voor gestapelde bouw c.

Minimaal aandeel hernieuwbare energie (BENG 3): > 100% voor grondgebonden woningen en > 60% voor gestapelde bouw 2. De toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties, zoals lucht-waterwarmtepompen, elektrische boilers, conventionele

koelmachines en gasverbranders, zijn in principe niet toegestaan. 3. Verwarming en koeling van alle functies in de gebouwen wordt geleverd door bodemenergie, zie ook bijlage 3. 4. Duurzame energieopwekking wordt in samenhang met groen, natuur en waterberging uitgewerkt en geïntegreerd in het architectonisch ontwerp. 5. Het installatieplan is onderdeel van het goed te keuren VO en DO van de gebouwen, zie paragraaf 5.10.6. 6. Ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, warmtehubs e.d. worden niet in de openbare ruimte, maar op privaat terrein en uit het zicht geplaatst. Zie voor trafo’s e.d. paragraaf 5.10.6. Wensen 1. Er liggen kansen voor een Slim Energienet (Smart GRID) i.c.m. energieopslag waarmee energie wordt bespaard, opgeslagen, netcongestie wordt tegengegaan en energie slim wordt ingezet voor duurzame installaties en laden van elektrische vervoersmiddelen. 2. Niveau ‘Zilver’ uit het convenant Toekomstbestendig Bouwen.

5.5.5 Bodemenergie Een bodemenergiesysteem maakt voor de verwarming en koeling van gebouwen gebruik van de warmte en koude in de bodem. Er bestaan open en gesloten bodemenergiesystemen. Bij open systemen is sprake van verplaatsing van grondwater, bij gesloten systemen is dit niet het geval. In bijlage 3 zijn de mogelijkheden voor bodemenergie binnen de ontwikkeling Sportweg uitgewerkt. De organisatorische – en daarmee samenhangende technische keuze voor een type bodemenergiesysteem maakt geen onderdeel uit van dit PvEL.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

61

Randvoorwaarden 1. De aanleg en het gebruik van zowel open als gesloten bodemenergiesystemen is onder de Omgevingswet een aangewezen milieubelastende activiteit. 2. Onder de Omgevingswet gelden algemene rijksregels voor open en gesloten systemen. 3. Ook de lozingen die horen bij de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen, zijn onderdeel van deze milieubelastende activiteit (artikel 2.3 Bal). Wens 1. De voorkeur van de gemeente is een collectief systeem.

5.5.6 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Een circulaire economie draagt bij aan een duurzamere toekomst door het verminderen van de ecologische voetafdruk en het beschermen van natuurlijke hulpbronnen. Met het Actieprogramma Circulaire Economie kiest Haarlem voor het niveau ‘Zilver’ bij circulair bouwen uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score) is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Daarnaast zet Haarlem in op biobased bouwen. Randvoorwaarde 1. MPG-score van 0,8 €/m²/bvo (invoering MPG 0,5 per 1 juli 2025 uitgesteld). Eisen 1. Gebouwen worden gebouwd in houtbouw conform de eisen uit het convenant Houtbouw MRA, tenzij wordt onderbouwd dat dit niet constructief en/of financieel niet haalbaar is. 2. Bij de beoordeling van het ontwerp wordt de toepassing van circulaire materialen meegenomen.

3. Massapercentage van de grondstoffen dat is hergebruikt (non-virgin) en/of hernieuwbaar (biobased) bedraagt > 45%. 4. Gebouwen worden opgenomen in materialenpaspoort (Madaster) en er wordt een demontageplan opgesteld. Dit om in de toekomst de materialen te kunnen hergebruiken. 5. Adaptief en demontabel bouwen: scheiden van drager en inbouw en droge verbindingen/prefab zodat het gebouw flexibel en toekomstbestendig is en de indeling desgewenst aangepast kan worden, tenzij wordt onderbouwd dat dit niet constructief en/of financieel niet haalbaar is 6. Voldoen aan 3 indicatoren van het “Nieuwe normaal”, waaronder voldoen aan Paris-proof – materialen < 200 kg CO²/m². 7. Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt/gefaciliteerd, zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wensen 1. MPG-score van < 0,4 €/m²/bvo wordt behaald. 2. Toepassing van zichtbare circulaire materialen in de gevel en houtbouw in de constructie van gebouwen. 3. Massapercentage van de grondstoffen dat is hergebruikt (non-virgin) en/of hernieuwbaar (biobased) bedraagt > 55%. 4. Faciliteren op kavel dat bewoners hun afval kunnen scheiden – glas, papier, plastic, textiel, GFE (groente fruit en etensresten) en grijs (rest) – zodat we het gescheiden afval kunnen inzamelen via de ondergrondse afvalcontainers in de openbare ruimte. 5.

Pilot inzet voedselvermalers GFE en perscontainers bij rest en plastic.

5.6 Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel hiervan is ook het thema gezonde leefomgeving. Vanuit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen gaan we voor niveau ‘Brons’. Milieu- en omgevingsaspecten betreft de volgende onderwerpen: 1. Stikstof 2. Windklimaat 3. Bezonning 4. Geluid 5. Luchtkwaliteit 6. Bodemkwaliteit 7. Archeologie

5.6.1 Stikstof Met een stikstofdepositieberekening (AERIUSberekening) is onderzocht of de gebiedsontwikkeling voldoet aan de Omgevingswet, zie bijlage 10. Randvoorwaarden 1. Er moet voldaan worden aan de zorgplicht als bedoeld in de Omgevingswet en artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht betreft het zo veel mogelijk beperken van uitstoot door inzet van schoon en emissieloos materieel. 2. Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Wet natuurbescherming. 3. Indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet worden uitgezocht welke stappen gevolgd moeten worden om te kunnen voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

62

5.6.2 Windklimaat Hoge nieuwbouw heeft een acceptabel effect op het windklimaat van de directe woonomgeving. Windgevaar en een slecht windklimaat zijn hierbij niet toegestaan. Voor verblijfsgebieden dient het windklimaat goed te zijn. Eisen ontwerpproces 1. Vanaf een bouwhoogte van 15 meter dient windhinderonderzoek te worden verricht conform de NEN 8100: 2006. 2. Tijdens het ontwerpproces dient voorafgaand aan het voorlopig stedenbouwkundig plan (bij Gebiedsontwikkeling) oriënterende windonderzoeken gedaan te zijn op basis van volumestudies. 3. Ter onderbouwing van het voorlopig ontwerp wordt computersimulatie (Computational Fluid Dynamics) of windtunnelonderzoek uitgevoerd. 4. Voor de toetsing van de voorlopige en definitieve gebouwontwerpen wordt het onderzoek verder verfijnd, waarbij ook inzichtelijk gemaakt wordt wat de effecten zijn op de private buitenruimten en de woningen. 5. Het definitief ontwerp wordt beoordeeld met een laatste windhinderonderzoek, voordat besluitvorming plaatsvindt. Eisen kwaliteitsniveau 1. In de directe woonomgeving mag nergens sprake zijn van (beperkt) risico op windgevaar ten gevolge van de nieuwbouw. 2. Een ‘slecht’ windklimaat ten gevolge van de nieuwbouw is niet toegestaan. 3. Voor een verblijfsgebied dient sprake te zijn van kwaliteitsklasse A (goed).

Dit betreft windhindergevoelige functies zoals (horeca) terrassen, zitplekken in de openbare ruimte en private buitenruimten en balkons. 4. Voor een slentergebied dient sprake te zijn van minimaal kwaliteitsklasse B (goed). Dit

betreft windhindergevoelige gebieden, zoals gebouwentrees en parken. 5. Voor een doorloopgebied dient sprake te zijn van minimaal kwaliteitsklasse C (goed). Dit betreft niet of nauwelijks windhinder gevoelig gebieden, zoals parkeerterrein, trottoir, voet- en fietspaden en wegen. 6. Voor zover nodig wordt aangetoond welke maatregelen worden genomen om de vereiste kwaliteitsklasse te bereiken. Indien niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau vanwege specifieke locatieomstandigheden en het windklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, kan na instemming van de gemeente van deze eisen worden afgeweken. Er kan, na instemming van de gemeente, gebruikgemaakt worden van een aangepaste normstelling voor private buitenruimtes, mits deze normstelling door een windhinderdeskundige is onderbouwd.

5.6.3 Bezonning De nieuwbouw zorgt voor een goede afwisseling van zon en schaduwplekken zodat er ruimte is voor verkoeling in de zomer en opwarming in de winter. (Hoge) nieuwbouw heeft een acceptabel effect op de bezonning van de directe woonomgeving. Eisen 1. Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNO-normen in relatie tot de bestaande (woon)bebouwing in de omgeving. 2. Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNO-norm. Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNOnorm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden.

5.6.4 Geluid Haarlem kiest voor het beperken van geluidshinder ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Uit het geluidonderzoek naar wegverkeerslawaai komt naar voren dat bij de bebouwing aan de Planetenlaan en de Rijksstraatweg (zie bijlage 7), rekening moet worden gehouden met geluidshinder. Bron- en overdrachtmaatregelen om de geluidsbelasting te beperken zijn reeds in overweging genomen. Afgezien van het afwaarderen van de verkeerssnelheid op de Planetenlaan naar 30 km/uur zijn geen verdere maatregelen mogelijk door overwegende bezwaren op technisch of stedenbouwkundig vlak. Er moet voldaan worden aan de geluidsnormen, zodat een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Bij overschrijding van de standaardwaarde is de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder van toepassing, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels en opvolgend beleid. Randvoorwaarde 1. Er moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd op basis van de geldende wetgeving. Eisen ontwerpproces 1. Tijdens het ontwerpproces dient voorafgaand aan het voorlopig stedenbouwkundig plan een oriënterend akoestisch onderzoek gedaan te zijn op basis van volumestudies. 2.

Voor gebouwen bij plekken waar veel activiteiten plaatsvinden (bijvoorbeeld speelvoorziening, schoolplein of horecaterras), moet in het akoestisch onderzoek aandacht worden besteed aan het beperken van geluidoverlast van deze activiteiten op bestaande en nieuwe woningen, waaronder stemgeluid.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

63

Eisen kwaliteitsniveau 1. Bij overschrijding van de standaardwaarde geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): a. Een woning dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving met hieraan verblijfsruimten met te openen delen zoals ramen. b. Eenzijdig georiënteerde geluidgevoelige gebouwen zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een geluidluwe gevel. c. Bij onzelfstandige zorgwoningen is het voldoende om 50% van de zorgwoningen te voorzien van een geluidsluwe zijde. d. Bij een geluidsbelasting 5dB hoger dan de standaardwaarde vanwege wegverkeer, moet ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen. Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de Gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in de volgende volgorde: 1. Geluid compenserende maatregelen. Bij geluid compenserende maatregel kan gedacht worden aan een loggia voorzieningen als alternatief voor een geluidsluwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen. 2. Alternatieve compenserende maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving (genoemd in bijlage 7).

Bij alternatieve compenserende maatregelen kan gedacht worden aan extra groen rondom de woning, wat kan worden toegepast als aanvulling op de geluid compenserende maatregelen.

Met een combinatie van bovengenoemde maatregelen wordt zodoende een acceptabel alternatief kwaliteitsniveau bereikt.

5.6.5 Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. Aan de huidige Rijksomgevingswaarden wordt overal in het plangebied voldaan (o.a. voor fijnstof en stikstofdioxide). Ook beneden deze waarden zijn gezondheidseffecten voor gevoelige groepen niet uitgesloten. Daarom werken Haarlem samen met andere overheden en het Rijk aan een verdere, permanente verbetering van de luchtkwaliteit in het Schone Lucht Akkoord waarin een groot aantal maatregelen staan vermeld. Daartoe behoren een reeks maatregelen om de uitstoot uit onder meer mobiliteit en bouwapparatuur tegen te gaan. Daarnaast gaat het om maatregelen om de blootstelling van gevoelige groepen aan luchtverontreiniging te beperken. Eisen 1. Tussen nieuw toe te voegen gevoelige functies in eerstelijnsbebouwing en drukke binnenstedelijke wegen (met een verkeersintensiteit hoger dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal) dient 25m afstand aangehouden te worden. Dit geldt voor de Rijksstraatweg. 2. De gevoelige functies omvatten in elk geval woonzorgcentra voor ouderen. Voor deze functie geldt de afstandscriteria als eis. Hiervan kan, na inwinning van een GGD-advies, gemotiveerd worden afgeweken indien de vereiste afstand redelijkerwijs niet mogelijk is, en (redelijkerwijs) mogelijke maatregelen worden getroffen om de blootstelling binnenshuis te verlagen.

Wensen 1. Woningen kunnen ook gedefinieerd worden als functies met een gevoelige bestemming.

Vanwege het belang van voldoende huisvestingsmogelijkheden in onze compacte stad gelden de afstandscriteria hier als wens. Bij afwijking hiervan moet wel gemotiveerd worden welke mogelijkheden wel en niet worden toegepast om blootstelling te verlagen en/of toename van het aantal belaste gevoelige personen te voorkomen. 2. Tot de mogelijkheden om de blootstelling binnenshuis of het aantal blootgestelden te verlagen behoren in elk geval: a. Aanpassing van de doelgroep of functie van een gebouw (liever geen specifiek op de gevoelige doelgroep (ouderen) gerichte woningen op deze plek). b. Aanpassing van de indeling: gevoelige functies of doelgroepen binnen het gebouw op grotere afstand van de weg plaatsen, bij voorkeur aan de andere kant ten opzichte van de weg (een gebouw is een effectief scherm). c. Gevoelige functies of groepen liever op hogere verdiepingen (ook hoogte draagt bij aan de afstand). d. Woningentrees en aanzuiging luchtverversing aan de afzijdige kant van gebouw ten opzichte van de weg.

5.6.6 Bodemkwaliteit Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Een belangrijk uitgangspunt is dat nieuwe verontreinigingen voorkomen moeten worden. Met de Nota Bodembeheer 2023-2028 regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond in Haarlem. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

64

2. Om in het kader van de Omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten, is het nodig om binnen de ontwikkeling ‘Verkennend Bodemonderzoek’ volgens de NEN 5740 uit te voeren.

2. De initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; 3. Het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening.

Eisen 1. Het bodembeheer mag niet leiden tot nieuwe gevallen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen van ernstige verontreiniging. 2. Grondverzet moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota bodembeheer. 3. Binnen de ontwikkeling is rondom het tankstation bodemverontreiniging aanwezig die gesaneerd moet worden. De ontwikkelplannen voor deze locatie moeten afgestemd worden met afdeling Omgevingsbeleid, team Bodem van de gemeente Haarlem.

De gemeente heeft in de nota Haarlems Erfgoed, Verbindende kracht in de stad (2024) vastgelegd dat erfgoed bijdraagt aan de Haarlemse omgevingskwaliteit en dat er vanuit het erfgoedbeleid een krachtige bijdrage geleverd zal worden aan het ruimtelijk beleid en het verwezenlijken van de doelen van de omgevingsvisie. In de nota is een archeologische beleidskaart opgenomen die een verantwoording geeft van de maatschappelijke kosten voor de archeologische monumentenzorg en verhoging van de archeologische inhoudelijke kenniswinst. Zo’n kaart is in het belang van alle betrokkenen: overheden, burgers en het bedrijfsleven. En niet in de laatste plaats in het belang van een zorgvuldige omgang met het bodemarchief.

Wensen 1. Aan het begin van de planvorming rekening houden met huidige bezetting van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. 2. Mocht tijdens de uitvoering blijken dat er historische ernstige verontreinigingen zijn dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem 2023-2030 worden aangevraagd.

5.6.7 Archeologie De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: 1. Het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem;

Randvoorwaarden 1. Voor de ontwikkellocatie is al een bureau- en verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is om te komen tot een waardestelling. Op basis van de resultaten van dat onderzoek zal door het Team Erfgoed/vakgroep Archeologie van de gemeente Haarlem bepaald worden of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn. 2. Het archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf (BRL SIKB 4000, voor de betreffende activiteit). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Eisen (PvE) voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm

Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek. Eis 1. Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, moet ernaar gestreefd worden om die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Indien dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven. Wens 1. De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken om het verhaal van de plek een rol te kunnen laten spelen in de nieuwe ontwikkeling.

5.7 Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten behandeld: 1. Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie 2. Inclusief en toegankelijke openbare ruimte 3. Fietsinfrastructuur 4. Fietsparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 5. Autoparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 6. Toegankelijkheid calamiteitsdiensten 7. Laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera Met het ruimtelijk ontwerp en mobiliteitsplan (MP) onderbouwen de ontwikkelende partijen hoe hun ontwikkellocatie voldoet aan de in deze paragraaf beschreven onderdelen. In het MP wordt ook beschreven hoe de (toekomstige) bewoners op de hoogte worden gesteld van de mobiliteitsoplossingen in het gebied. Hierin wordt aangegeven hoe de communicatie voor de komende (tenminste) vijf jaar is geborgd. Conform het Convenant Toekomstbestendig Bouwen is het de ambitie voor Mobiliteit ‘Zilver’.

Sportweg | PvEL | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen

65

5.7.1 Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie Bij de ontwikkeling van de Sportweg geven we invulling aan de Haarlemse mobiliteitstransitie en sluiten we aan bij de gemeentelijke doelstellingen. Het Haarlemse Mobiliteitsbeleid is hierbij uitgangspunt (zie hoofdstuk 2). Haarlem moet goed bereikbaar zijn en blijven voor bewoners en bezoekers, vooral nu Haarlem gaat groeien. Een transitie van onze mobiliteit is daarbij nodig. We kiezen voor schone en duurzame mobiliteit. We geven prioriteit aan voetgangers, fietsers en reizigers met het openbaar vervoer. Er wordt ingezet op het versterken van het fiets- en voetgangersnetwerk. De inrichting nodigt uit om je te verplaatsen te voet, te fiets of met het openbaar vervoer. De voorzieningen voor deze gewenste vervoerswijzen worden excellent vormgegeven en routes vormen logische, directe verbindingen. De voetganger en fietser voelt zich welkom en begrepen, evenals de OV-reiziger. De openbare buitenruimte is vooral het domein van deze doelgroepen. Een goede toegankelijkheid te voet maar ook met de fiets en korte verbindingen van of naar het openbaar vervoer dragen daaraan bij. Wil men toch gebruik maken van de auto dan krijgen schone- en deelvoertuigen voorrang. Voldoende oplaadmogelijkheden, deelvoertuigen dichtbij en ‘Mobiliteit as a service’ (MAAS) moeten daar zorg voor dragen. Eisen 1.

Met een mobiliteitsplan dat voldoet aan de Nota Parkeernormen tonen de ontwikkelende partijen aan op welke manier zij invulling geven aan de doelstellingen en opgave uit de mobiliteitsvisie voor de ontwikkeling Sportweg. 2. Toepassen van omgekeerd ontwerpen volgens het STOMP-principe: dit principe benadrukt duurzame mobiliteit en het stimuleren van actieve vervoerswijzen zoals lopen en fietsen. Eerst wordt de benodigde ruimte gecreëerd voor de

voetganger en fiets, waarna vervolgens gekeken wordt wat de beschikbare overgebleven ruimte is voor de auto (rijden en parkeren). 3. Om meer ruimte vrij te maken voor functies die bijdragen aan een levendige en duurzame openbare ruimte, zoals fietspaden, groenvoorzieningen en ontmoetingsplekken, staan we geen parkeren van de (privé)auto toe in de openbare ruimte met uitzonderingen conform de Nota Parkeernormen. 4. Het autoparkeren dient inpandig opgelost te worden.

5.7.2 Inclusief en toegankelijke openbare ruimte In het gebied staat langzaam verkeer centraal. Het is het voor voetgangers gemakkelijk, veilig en comfortabel verblijven. Dit draagt bij aan de levendigheid op het plein en bevordert ontmoetingen op straat. De looproutes vloeien naadloos over in de looproutes naar omliggende wijken, waardoor zowel het gebied als de omliggende wijken gemakkelijk toegankelijk en veilig bereikbaar worden voor voetgangers. Eisen 1. Alle voetpaden worden ingericht conform HIOR, Besluit Bouwwerken Leefomgeving, richtlijnen CROW (ASVV) en Handboek toegankelijkheid gerealiseerd. 2. De looproutes van en naar de ingangen van de gebouwen sluiten op een logische manier aan op de doorgaande looproutes in en door het gebied en op het stedelijk voetgangersnetwerk. 3. Looproutes zijn sociaal veilig. Geen blinde hoeken, voldoende breed en goed verlicht. 4. Er wordt bij de inrichting rekening gehouden met mensen met een (visuele) handicap. Ook zijn er voldoende rustmogelijkheden (bankjes) voor ouderen en mindervaliden. 5. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf het voetgangersnetwerk in het gebied en vanuit

de omliggende wijken en het buitengebied. De looproutes van en naar de ingangen sluiten logisch aan op dit netwerk. 6. Bij het ontwerp, uitvoering en beheer moet nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan doelgroepen mensen met kinderwagens, rolstoelen rollatorgebruikers door na te denken over licht, verkleuring, kleur, contrast, materiaalgebruik, hoogteverschillen, reflecties en routing. Consistentie en logica zijn daarbij essentieel. 7. Het voetgangersnetwerk sluit op een veilige en aantrekkelijke manier aan op openbaar vervoer haltes aan de Rijksstraatweg. 8. De (H)OV halte is onderdeel van de pleinruimte. 9. Het plein is autoluw vormgegeven. 10. Het plein is voor de voetganger, de fietser is hier te gast.

5.7.3 Fietsinfrastructuur Fietsen en lopen zijn de aangewezen vervoerswijzen voor de bewoners en bezoekers van de ontwikkeling Sportweg. De Sportweg is hierbinnen een belangrijke fietsverbinding en aangemerkt als Stedelijk Plusnet route in het Haarlemse fietsbeleid. Er gelden specifieke eisen voor de inrichting van de fietsinfrastructuur zoals vrijliggende fietsvoorzieningen in asfaltverharding. Zowel doorgaande fietsers als fietsers met bestemming sportclub of supermarkt gebruiken de route Sportweg van en naar het Schoterbos veelvuldig. Van en naar de richting Jan Guijzenkade zuid en verder naar de Schoterbrug wordt gefietst via de oversteek Planetenlaan/Korteweg of nemen fietsers de oversteek Rijksstraatweg/Planetenlaan/ Jan Guijzenkade. Beide oversteken moeten veilig en fietsvriendelijk worden ingericht. Verder is de Planetenlaan als Hoofdnet fiets aangemerkt in het Haarlems fietsbeleid, ook hier is de fietsers het belangrijkste vervoersmiddel en stellen we eisen aan de weginrichting zodat fietsers van alle leeftijden veilig en comfortabel hun weg kunnen vervolgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16513539/2