7. Bijlage 6: Toelichting Ontwerp Waterschapsverordening 2023
Tekst van het document
Toelichtingen bij Ontwerp Waterschapsverordening Rijnland Toelichting op deel 1: Regels die met of zonder Omgevingswet in werking treden Toelichting op hoofdstuk 1: Algemene bepalingen In dit hoofdstuk zijn alleen bepalingen opgenomen die gelden voor de hele verordening.
Toelichting op afdeling 1.1: Algemeen Toelichting op artikel 1.1: Begripsomschrijvingen Begrippen uit de Omgevingswet en de AMvB’s In de waterschapsverordening gebruiken we begrippen uit de Omgevingswet en de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). De begrippen uit de Omgevingswet gelden ook voor de waterschapsverordening. Herhaling in bijlage I is daarom niet nodig. De begrippen uit de AMvB gelden niet direct. Als we deze begrippen gebruiken, dan verwijzen we voor een uitleg naar de AMvB. Zo staat in de waterschapsverordening altijd de juiste uitleg van een begrip. Landelijke afspraken over gebruik van begrippen In de keur gaf Rijnland ook een begripsomschrijving. Andere waterschappen gebruiken in hun regels soms andere begrippen en definities. In de praktijk zorgt dit verschil (nog) niet voor problemen. Maar deze verschillen maken het wel moeilijker om regels onderling te vergelijken. Dit is vervelend voor externe raadplegers, bijvoorbeeld mensen die zich aan de regels moeten houden. Het is ook lastig voor de doorontwikkeling van de regels en voor de digitalisering voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Landelijk spraken de waterschappen daarom af om in de waterschapsverordening zo veel mogelijk dezelfde begrippen en definities te gebruiken. Hiervoor gebruiken we de aquo-standaard. In deze standaard staan de begrippen en definities.
Het uitgangspunt is ‘pas toe of leg uit’. Dit betekent dat de waterschappen in de waterschapsverordening zoveel mogelijk de begrippen en definities uit de aquo-standaard gebruiken. Dit is niet verplicht. Als een waterschap wil afwijken, kan dat met een motivatie. Wanneer een begrip of definitie uit de aquo-standaard volgens een waterschap niet goed genoeg is, kan een waterschap een wijziging voorstellen bij het Informatiehuis Water. Dit doen we liever dan afwijken van de aquostandaard. Het Informatiehuis Water is verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van de aquo-standaard. Meer informatie over de aquo-standaard staat in paragraaf 2.14 van de TROWA Handreiking Waterschapsverordening. Of: kijk in de aquo-standaard . We schrijven in begrijpelijke taal We willen de waterschapsverordening ook in duidelijke taal schrijven. Het liefst op taalniveau B1. Dat is Nederlands op een niveau dat de meeste mensen begrijpen. Ook voor mensen die geen (hoge) opleiding hebben gehad. Een tekst op B1-niveau bestaat uit makkelijke woorden en korte, actieve zinnen.
Heldere taal gebruiken we ook in de waterschapsverordening. De begrippen en definities in bijlage I van deze waterschapsverordening zijn daarom anders dan die uit de Keur Rijnland 2020. Duidelijkere taal gebruiken was één van de aanbevelingen uit de evaluatie van de Keur Rijnland 2015: “Probeer in de waterschapsverordening minder gebruik te maken van vakjargon en meer met plaatjes te werken. Zo is voor onze omgeving nog duidelijker binnen welke kaders initiatieven kunnen worden ontplooid.” Toelichting op artikel 1.2: Meet- en rekenbepalingen In de meetbepalingen en rekenbepalingen staat hoe we meten en rekenen. Bij het toepassen van deze verordening is het soms nodig iets te meten of te berekenen. Het is belangrijk dat duidelijk is hoe we dat doen. In bijlage II zijn de meetbepalingen en rekenbepalingen bij elkaar gezet. Daardoor zijn ze makkelijk terug te vinden. De centrale plek in hoofdstuk 1 zorgt ervoor dat deze bepalingen voor de hele verordening hetzelfde zijn. Zo voorkomen we verschillen en onduidelijkheden.
Toelichting op afdeling 1.2: Doelen Toelichting op artikel 1.3: Doelen Doelen van de keur en de Waterwet In de Keur Rijnland 2020 stond geen artikel met het doel van de keur. Dat was niet nodig omdat de keur een uitwerking was van de Waterwet. Daarmee ook van het doel uit artikel 2.1, lid 1 van de Waterwet. Dat doel ging alleen over het waterdeel van de fysieke leefomgeving. Doelen van de Omgevingswet De doelen van de Omgevingswet staan in artikel 1.3. Deze doelen zijn veel uitgebreider dan die van de Waterwet. Ze gaan over de hele fysieke leefomgeving. Denk hierbij aan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, cultureel- en werelderfgoed. Dit staat in artikel 1.2, lid 2 van de Omgevingswet. Doelen van deze waterschapsverordening Rijnland heeft als waterschap alleen een directe taak en verantwoordelijkheid voor het waterdeel van de fysieke leefomgeving. De doelen uit artikel 2.1, lid 1 van de Waterwet komen terug in artikel 1.3 van deze waterschapsverordening. Maatschappelijke functies van het watersysteem Sloten, plassen, meren, waterkeringen en duinen zijn allemaal belangrijk voor een gezonde, veilige leefomgeving en voor droge voeten. Maar ze hebben ook maatschappelijke functies. Bijvoorbeeld wonen, werken, natuurbeleving en vormen van recreatie zoals varen, kanoën en schaatsen.
Rijnland kijkt zoveel mogelijk naar het beleid en de regels van het Rijk, de provincies en de gemeenten om te bepalen of iets een maatschappelijke functie is. Deze overheden zijn als eerste verantwoordelijk voor het vaststellen van de maatschappelijke functies voor een gebied.
Toelichting op afdeling 1.3: Toepassingsgebied Toelichting op artikel 1.4: Toepassingsgebied Dit artikel geeft aan dat de waterschapsverordening geldt voor het hele gebied dat Rijnland beheert. In de keur stond geen artikel dat hier op lijkt. Dit is dus een nieuw artikel.
Toelichting op afdeling 1.4: Zorgplicht
Toelichting op artikel 1.5: Zorgplicht Zorgplichtartikel speciaal voor waterschap Rijnland gebruikt dit artikel als vervanging van de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Het artikel sluit beter aan bij het doel van deze verordening. Het gaat namelijk over de nadelen voor het watersysteem en de stappen die iemand moet nemen als er nadelen kunnen ontstaan. In artikel 1.6 tot en met artikel 1.8 is dit verder uitgewerkt. De zorgplicht geldt tijdens het uitvoeren van de activiteit en in de eindsituatie. Zorgplicht bij algemene regel of vergunning De zorgplicht is van toepassing naast een algemene regel of de voorwaarden uit een vergunning. Maar de zorgplicht geldt niet voor een activiteit waarvoor in de algemene regel of de vergunning concrete voorwaarden staan. De zorgplicht geldt dus niet voor een activiteit die: is geregeld in hoofdstuk 3 van deze waterschapsverordening; is geregeld in de voorschriften in een vergunning; op een tekening bij een vergunning staat. Dit staat in artikel 1.8 van de Omgevingswet. Toelichting op artikel 1.6: Nadelen voor het watersysteem Dit artikel noemt de meest voorkomende nadelen voor het watersysteem waarbij de zorgplicht geldt. Dit artikel is een vangnetartikel. Dit betekent dat er meer nadelen voor het watersysteem zijn dan in dit artikel staan. Ook voor die niet genoemde nadelen geldt de zorgplicht.
Een waterkering wordt zwakker of raakt beschadigd Rijnland bestaat voor een groot deel uit polders. Om de polders droog te houden, hebben we waterkeringen. Het is belangrijk dat de kwaliteit van deze waterkeringen goed blijft. Waterkeringen die zwakker worden of beschadigen, zorgen voor verhoogd risico voor dijkbreuk en extra onderhoudskosten. In extreme situaties kan een waterkering zelfs doorbreken en dan stroomt de polder vol water. Het is dus belangrijk dat de waterkeringen hoog en breed genoeg zijn en dat ze beschermd worden tegen afbrokkelen (erosie), losslaan en wegspoelen (afkalven). De zeewering wordt zwakker of raakt beschadigd Rijnland ligt aan de Noordzee. Er bestaat een risico op een overstroming vanuit de zee. De zeewering beschermt ons tegen zo’n overstroming. De zeewering bestaat uit de duinen en de waterkeringen. Het is belangrijk dat deze duinen en waterkeringen sterk en stevig zijn en dat ook blijven. Als de zeewering zwakker wordt of beschadigd raakt, dan zorgt dat voor verhoogd risico op een overstroming en extra onderhoudskosten. In extreme situaties kan de zeewering zelfs doorbreken en kan het achterliggende land overstromen. De zeespiegel stijgt. Daarom is het belangrijk dat de duinen kunnen groeien door het natuurlijke proces van zandverstuiving. Kans op wateroverlast wordt groter Inwoners van Rijnland willen droge voeten houden.
Om wateroverlast te voorkomen moet het watersysteem voldoen aan: voldoende ruimte om regenwater op te vangen (bergingscapaciteit); een goede stroomsnelheid om het water te kunnen verplaatsen (afvoercapaciteit). Activiteiten kunnen zorgen voor een grotere kans op wateroverlast:
We maken steeds meer harde oppervlakken van steen en glas. Hierdoor kan neerslag niet meer de bodem in en stroomt het sneller naar de sloot. Krijgt die sloot geen extra ruimte om dat regenwater op te slaan (waterberging), dan kan wateroverlast ontstaan. We bouwen steeds meer voorwerpen en bouwwerken in het oppervlaktewater. Hierdoor kan de doorstroming van een sloot minder worden. Wordt het water niet snel genoeg afgevoerd, dan kan wateroverlast ontstaan. Wateroverlast zorgt voor overstroming en schade. Rijnland moet dan ingrijpen door bijvoorbeeld de afvoercapaciteit van gemalen of de bergingscapaciteit groter te maken. Dit is duur en ingrijpend. Kans op waterschaarste wordt groter Het is belangrijk dat we goed omgaan met het beschikbare zoetwater binnen Rijnland. In warme en droge periodes is er weinig zoetwater in het gebied. Rijnland probeert dan om meer zoetwater in het gebied te krijgen. Het kan gebeuren dat er onvoldoende zoetwater is om Rijnlands gebied in te laten. In de droge periodes moeten we zuinig omgaan met het zoete water. Dan moeten we ook goed blijven nadenken over het wel of niet onttrekken van oppervlaktewater. Kans op overlast door grondwater wordt groter Het is belangrijk om goed naar de oorzaak van de overlast te kijken. Grondwater is namelijk niet altijd de oorzaak van de problemen.
Door vochtoverlast in huis kunnen bewoners klachten aan hun luchtwegen krijgen. Een muffe lucht, vochtige plekken en schimmel betekent dat er vocht in huis is. Dat heeft gevolgen voor de volksgezondheid. Maar dat kan ook komen door te weinig ventilatie of lekke riolen of regenpijpen. Water in de kruipruimte of de kelder kan komen door grondwater. Andere redenen kunnen zijn: een te klein oppervlaktewatersysteem of rioleringssysteem, of problemen door de manier waarop een gebouw is gebouwd. Door lage grondwaterstanden kunnen houten funderingen gaan rotten. Zo ontstaat schade aan de fundering van een huis. In een landelijk gebied kan natschade ontstaan door een hoge grondwaterstand in het perceel. In landelijke gebieden kunnen grondwaterproblemen ook ontstaan door (ongewenste) peilstijgingen in oppervlaktewater of het onder water zetten van een gebied (inundatie). Bij nadelen door grondwater heeft ook de gemeente een belangrijke taak. Rijnland beperkt zich tot de eigen verantwoordelijkheid. Kans op schaarste van grondwater wordt groter Te weinig grondwater kan een nadeel zijn. Het kan deze problemen geven: dalen van de bodem palen gaan rotten en veroorzaken funderingsproblemen droogteschade aan gewassen of de natuur. Bij nadelen door grondwater heeft ook de gemeente een belangrijke taak. Rijnland beperkt zich tot de eigen verantwoordelijkheid.
De doorstroming in oppervlaktewater wordt kleiner Het is belangrijk dat de doorstroming in het oppervlaktewater goed blijft. Dan houden we de kans op overstroming of waterschaarste klein. De doorstroming is ook belangrijk voor de chemische en ecologische waterkwaliteit. Een voorbeeld: In een doodlopende sloot kan het water zuurstofloos worden. Dan is in het water geen leven meer mogelijk en het water gaat stinken.
Controlewerkzaamheden of onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden moeilijker Rijnland controleert en onderhoudt waterkeringen, duinen, sloten, plassen en meren. Een aantal vragen die we daarbij beantwoorden: Is de waterkering nog hoog genoeg? Is de waterkering nog goed beschermd tegen erosie? Zijn er tekenen dat de waterkering uitdroogt? Is de sloot dichtgegroeid met waterplanten? Is er te veel bagger opgehoopt? Het is belangrijk dat Rijnland alle plekken goed kan bereiken. Maar ook dat het onderhoud op die plek mogelijk is en betaalbaar blijft. Onderhoud wordt lastiger en duurder als een locatie niet meer goed te bereiken is. Maar bijvoorbeeld ook als bagger en maaisel niet langer op de kant kan worden gezet. De chemische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt slechter Rijnland streeft naar gezond water. Dat is water met een goede samenstelling en zonder verontreinigingen. Gezond water is belangrijk voor het leven in en rondom het water, maar ook voor de gezondheid van de mens. De chemische waterkwaliteit is op dit moment nog niet overal goed genoeg. Rijnland werkt hard om dat te verbeteren. Het is daarom belangrijk dat er geen activiteiten bijkomen die de waterkwaliteit slechter maken. Dit blijft ook gelden als de gewenste chemische waterkwaliteit is bereikt.
De ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt slechter Rijnland streeft ernaar dat in het water genoeg planten en dieren kunnen leven en dat dit ook de goede soorten zijn. Het is voor die planten en dieren belangrijk dat sloten, plassen en meren goed zijn ingericht. Ze hebben namelijk een geschikte omgeving nodig om te kunnen groeien. Dieren moeten ook eten kunnen zoeken, zich kunnen verstoppen en voortplanten. Voor sommige diersoorten is het belangrijk dat ze zich steeds goed kunnen verplaatsen in het water binnen Rijnland, maar ook richting het open water van de Noordzee. De waterbodemkwaliteit wordt slechter Het is belangrijk dat de waterbodem een goede chemische kwaliteit, ecologische kwaliteit en fysische samenstelling heeft. Een goede waterbodem ondersteunt een gezond ecologisch watersysteem. De kwaliteit van de waterbodem is ook belangrijk voor het beheer en het onderhoud van oppervlaktewater. Het baggeren wordt duurder en lastiger als de waterbodem verontreinigd is. Meer kwel Kwel is grondwater dat onder druk omhoog komt naar de oppervlakte. Dit is een natuurlijk proces. Activiteiten als graafwerkzaamheden kunnen zorgen dat er meer kwelwater omhoog komt. Dat kan negatieve gevolgen hebben: Het grondwater binnen Rijnland heeft op veel plaatsen een hoog zoutgehalte. Bij kwel kan de hoeveelheid zout in de bodem en in het water toenemen. Dit heet verzilting.
Meer kwel zorgt voor extra water in de poldersloten. Dit water moet Rijnland uit de polder wegpompen en dat kost extra energie en geld. Verzilting Verzilting is het toenemen van de hoeveelheid zout in de bodem en in het water. Rijnland wil voldoende zoet water in haar gebied. Dit is vooral belangrijk voor de natuur en de agrarische sector. Sommige activiteiten zorgen voor meer zout in het water. Hierdoor ontstaat schade aan de natuur en het vermindert de opbrengst in de agrarische sector.
In een droge periode laat Rijnland zoetwater het gebied instromen. Dit kan niet onbeperkt, want in een lange periode van droogte is zoetwater schaars. Verzakken van de bodem Op veel plaatsen binnen Rijnland zakt de bodem. Dat dalen van de bodem wordt versneld door bijvoorbeeld: het onttrekken van grondwater het verlagen van het waterpeil in oppervlaktewater. Hierdoor wordt de grondwaterstand lager en kan een veenbodem afbreken. Een dalende bodem maakt de kans op wateroverlast groter, omdat bij neerslag de sloten eerder overstromen. Uitwisselen van grondwater tussen grondwaterlagen die niet met elkaar zijn verbonden In de bodem zit grondwater. Dit is niet één grote hoeveelheid water, het zijn meerdere lagen grondwater die van elkaar gescheiden zijn door grondlagen die geen water doorlaten. De verschillende lagen grondwater hebben verschillende eigenschappen. Dat willen we graag zo houden. Daarom is het belangrijk dat deze lagen grondwater zo weinig mogelijk met elkaar in verbinding komen. Verstoren van het proces in een afvalwaterzuivering en transportleidingen Afvalwater van huishoudens en bedrijven pompt Rijnland door de riolering en transportleidingen naar de Rijnlandse afvalwaterzuiveringen. Daar reinigt Rijnland het afvalwater. Het schoon gemaakte afvalwater lozen we in het oppervlaktewater. Zo voorkomt Rijnland verontreiniging van het oppervlaktewater.
Wordt het zuiveringsproces verstoord, dan wordt het afvalwater niet of minder goed schoon gemaakt en wordt het oppervlaktewater verontreinigd. Dit veroorzaakt stankoverlast, vissterfte en geeft problemen voor de gezondheid van zwemmers en vee wanneer die van dit water drinkt. Dit herstellen zorgt voor extra kosten. Een polderscheiding of peilvakscheiding wordt zwakker of raakt beschadigd Rond polders en peilvakken liggen kaden en dijken (peilscheidingen) die deze vakken van elkaar scheiden. Als deze peilscheiding beschadigd raakt, kan het water in het hoger gelegen peilvak naar het lager gelegen vak stromen. Dit kan zorgen voor wateroverlast. Het uitvoeren van de maatschappelijke functies van het watersysteem is niet meer mogelijk. Sloten, plassen, meren, waterkeringen en duinen zijn allemaal belangrijk voor een gezonde, veilige leefomgeving en voor droge voeten. Maar ze hebben vaak ook maatschappelijke functies. Bijvoorbeeld natuurbeleving en vormen van recreatie zoals varen, kanoën en schaatsen. Ook bedrijven maken er gebruik van. Als het uitvoeren van deze maatschappelijke functies niet meer mogelijk is, dan kan dit grote gevolgen hebben. Het gaat dan om gevolgen waar een aanzienlijk deel van de inwoners van Rijnland mee te maken krijgt. Het belang van één persoon is geen maatschappelijke functie.
Ook voor het af en toe gebruik maken van de functie is geen maatschappelijke functie. Rijnland kijkt zoveel mogelijk naar het beleid en de regels van het Rijk, de provincies en de gemeenten om te bepalen of iets een maatschappelijke functie is. Deze overheden zijn als eerste verantwoordelijk voor het vaststellen van de maatschappelijke functies voor een gebied. Toelichting op artikel 1.7: Algemene maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht Dit artikel is nieuw en is toegevoegd om rechtszekerheid te geven. Het geldt ook naast de algemene voorwaarden of voorschriften uit de vergunningen. Onderhoud van installaties en voorzieningen
Goed onderhoud van installaties en voorzieningen is belangrijk. Slecht onderhoud kan ervoor zorgen dat installaties en voorzieningen slechter gaan werken. Dat kan problemen geven. Bijvoorbeeld: een waterzuivering die niet goed wordt onderhouden, kan zorgen voor een lozing van meer verontreinigd afvalwater; een debietmeter die slecht is onderhouden of niet op tijd gekeurd, kan er voor zorgen dat de hoeveelheid water niet goed wordt gemeten; een voorziening voor de berging van hemelwater die slecht wordt onderhouden, kan minder hemelwater opvangen. Daardoor is er meer kans op wateroverlast. Toegang tot plaats van de activiteit, installaties en voorzieningen Het is voor Rijnland belangrijk om goede toegang te hebben tot de plaats van de activiteit, de installaties en de voorzieningen. Toegang is nodig voor controle en onderhoud van waterkeringen, duinen, sloten, plassen, meren en installaties. Toegang is ook nodig voor het toezicht op en de handhaving van de regels uit deze verordening. Melden van nadelige gevolgen bij Rijnland Soms ontstaan er toch nadelige gevolgen voor het watersysteem. Het is belangrijk om zelf direct actie te ondernemen. Houd de gevolgen zo klein mogelijk en probeer ze zoveel mogelijk terug te draaien. Dit staat al in artikel 1.5. Het is belangrijk om deze nadelige gevolgen bij Rijnland te melden.
Verwijder tijdelijke aanpassingen Tijdens de activiteiten zijn soms tijdelijke aanpassingen nodig. Het verwijderen van deze tijdelijke aanpassingen na het afronden van de werkzaamheden hoort bij de zorgplicht. Representatieve metingen Het is belangrijk dat metingen betrouwbaar zijn. Daarom moeten alle metingen representatief zijn. Dat betekent dat de metingen een goede weergave zijn van de werkelijkheid. Meetresultaten registreren, verwerken en presenteren Alle meetresultaten moeten beschikbaar zijn voor Rijnland. Registreer, verwerk en presenteer de meetresultaten daarom op een duidelijke manier.
Toelichting op afdeling 1.5: Algemene verplichtingen Toelichting op artikel 1.9: Coupure Het is belangrijk dat de eigenaar een coupure in de waterkering meteen sluit na het eerste bericht hierover. Zo zorgen we dat het gebied achter de waterkering niet overstroomt.
Toelichting op hoofdstuk 2: Werkingsgebieden In artikel 1.4 staat dat de meeste regels uit deze verordening overal binnen het beheergebied van Rijnland gelden. Maar er zijn ook regels die alleen in delen van het beheergebied gelden. Deze regels hebben dan een bepaald werkingsgebied. In dit hoofdstuk noemen we al deze werkingsgebieden.
Toelichting op afdeling 2.1: Beheergebied Rijnland Toelichting op artikel 2.1: Beheergebied van Rijnland In bijlage III staat de kaart van het hele beheergebied van Rijnland. Aanpassing van deze kaart is alleen nodig als de
grenzen van Rijnland anders worden. In de keur kwam deze kaart nog niet voor. Dus in de waterschapsverordening is deze kaart een nieuw onderdeel. De kaart is wel al gebruikt bij de digitale ontsluiting van de keur.
Toelichting op afdeling 2.2: Oppervlaktewater Toelichting op artikel 2.2: Belangrijk oppervlaktewater Belangrijk oppervlaktewater zijn de belangrijkste sloten, vaarten, plassen en meren binnen Rijnland. Ze hebben een belangrijke rol: bij de aan- en afvoer van water; bij waterberging; bij onderhouden van een waterkering; als leefgebied voor planten en dieren. De totale lengte van belangrijk oppervlaktewater binnen Rijnland is ongeveer 2.300 kilometer. Belangrijk oppervlaktewateren veranderen soms. Er komen bijvoorbeeld nieuwe bij, of bestaand oppervlaktewater wordt vergroot of verdwijnt. Daarom wordt deze kaart regelmatig vernieuwd. Een kaart met belangrijk oppervlaktewater gebruikten we ook onder de keur. De kaart stond alleen niet in de keur zelf, maar in de Legger oppervlaktewateren. Met de komst van de Omgevingswet verplaatst de kaart naar de waterschapsverordening. Dit artikel en de kaarten in bijlage III zijn dus nieuw in deze verordening. Het verplaatsen van de kaart van de Legger oppervlaktewateren naar deze verordening geeft geen inhoudelijke wijzigingen. De indeling in kernzone en beschermingszone en de plek van deze zones verandert niet. Om goed te kunnen digitaliseren, splitsten we de oude kaart in een kaart met alleen de kernzones en een tweede kaart met de kernzones en beschermingszones.
Toelichting op artikel 2.3: Overig oppervlaktewater Overig oppervlaktewater zijn alle sloten, vaarten, plassen en meren die geen belangrijk oppervlaktewater zijn. Ze zijn vooral plaatselijk belangrijk voor het aanvoeren en afvoeren van water, de waterberging, als leefgebied voor planten en dieren en het onderhouden van waterkeringen. De totale lengte van de overig oppervlaktewater binnen Rijnland is ongeveer 10.800 kilometer. De overig oppervlaktewater veranderen soms. Er komen bijvoorbeeld nieuwe bij, of bestaand oppervlaktewater wordt vergroot of verdwijnt. Daarom wordt de kaart regelmatig vernieuwd. Een kaart met overig oppervlaktewater gebruikten we ook onder de keur. De kaart stond alleen niet in de keur zelf, maar in de Legger oppervlaktewateren. Met de komst van de Omgevingswet verplaatst de kaart naar de waterschapsverordening. Dit artikel en de kaarten in bijlage III zijn dus nieuw in deze verordening. Het verplaatsen van de kaart van de Legger oppervlaktewateren naar deze verordening geeft geen inhoudelijke wijzigingen. De indeling in kernzone en beschermingszone en de plek van deze zones verandert niet. Om goed te kunnen digitaliseren splitsten we de oude kaart in een kaart met alleen de kernzones en een tweede kaart met de kernzones en beschermingszones.
Toelichting op artikel 2.4: Oppervlaktewater met een belangrijke doorstroming Rijnland heeft een paar oppervlaktewateren die erg belangrijk zijn voor de aanvoer van water naar de boezemgemalen. Het is daarom heel belangrijk dat in dit oppervlaktewater niets de aanvoer in de weg zit. Anders kan op een andere plaats binnen Rijnland wateroverlast ontstaan.
De kaart met oppervlaktewater met een heel belangrijke doorstroming gebruikten we ook onder de keur. Het was kaart 9. De kaart is niet gewijzigd en zal in de toekomst ook weinig veranderen. Toelichting op artikel 2.5: Waardevolle oever Een waardevolle oever heeft een geleidelijke overgang van water naar land. Op de drassige bodem en in het ondiepe water groeien veel oeverplanten en onderwaterplanten. Voor vissen, vogels, salamanders, kikkers, padden, insecten en kleine zoogdieren is zo'n oever een belangrijke plek. Binnen Rijnland zijn een aantal ecologisch waardevolle oevers aanwezig die op een natuurlijke manier zijn ontstaan. Rijnland wil graag meer waardevolle oevers in zijn gebied. Daarom heeft Rijnland een subsidieregeling voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Meer informatie vindt u op onze website. Op deze kaart staan: de natuurvriendelijke oevers aangelegd met subsidie de waardevolle oevers die op een natuurlijke manier ontstonden. De kaart met waardevolle oevers gebruikten we ook onder de keur. Er is wel een belangrijke verandering. De kaart uit de keur bestond uit lijnen. De lijnen zijn nu veranderd in vlakken. Zo kunnen we de kaart ook digitaal gebruiken. Deze kaart zal regelmatig veranderen. Iedere nieuwe met subsidie aangelegde natuurvriendelijke oevers voegen we toe aan de kaart.
Toelichting op artikel 2.6: Vaarwegen Binnen Rijnland wordt in veel oppervlaktewater gevaren met boten. Op de kaart met vaarwegen staan alleen oppervlaktewateren waar Rijnland het vaarwegbeheer heeft. Dit zijn een paar oppervlaktewateren in de provincie ZuidHolland. Hier is geen beroepsvaart en ze zijn onderdeel van het bevaarbaar landelijk basistoervaartnet. In de provinciale omgevingsverordening of het gemeentelijk omgevingsplan kan ander oppervlaktewater ook een vaarweg zijn. Maar voor die vaarwegen gelden de regels voor vaarwegbeheer uit deze waterschapsverordening niet. De kaart met vaarwegen gebruikten we ook onder de keur. De kaart is niet gewijzigd en zal in de toekomst ook weinig veranderen.
Toelichting op afdeling 2.3: Kust Toelichting op artikel 2.7: Zeewering Rijnland grenst aan de Noordzee. Rijnland heeft als taak het achterland te beschermen tegen overstroming vanuit de Noordzee. Daarvoor hebben we tussen Velsen (kilometerpaal 56, 250) en Wassenaar (kilometerpaal 97, 400) de zeewering, die bestaat uit de duinen en de dijken. De kaart met de zeewering gebruikten we ook onder de keur. De kaart stond alleen niet in de keur zelf, maar in de Legger primaire keringen. Met de komst van de Omgevingswet verplaatst de kaart naar de waterschapsverordening. Dit artikel en de kaart in bijlage III zijn dus nieuw in deze verordening. Het verplaatsen van de kaart van de Legger primaire keringen naar deze verordening geeft geen inhoudelijke wijzigingen. De kaart is niet gewijzigd en zal in de toekomst ook weinig veranderen. Toelichting op artikel 2.8: Dijk in duin Toelichting op artikel 2.8, eerste lid In Katwijk en Noordwijk zijn er dijken onder het duin en in het duin. Daar ligt onder een in verhouding dunne zandlaag
een dijk die voor de bescherming zorgt. Toelichting op artikel 2.9: Niet dynamische kustgebieden Rijnland wil de duinen op een natuurlijke manier laten groeien. Het is belangrijk om het zand dat in de duinen waait vast te houden. Dat kan door helmgras in de duinen te laten groeien. Langs de Rijnlandse kust zijn ook een paar gebieden waar het niet zo belangrijk is om het zand op die plek vast te houden. Het zand mag hier wel verspreiden. Dit zijn de dynamische kustgebieden.
Toelichting op afdeling 2.4: Waterkeringen Toelichting op artikel 2.10: Waterkeringen Een van de taken van Rijnland is het gebied te beschermen tegen overstromingen. Daarvoor hebben we de waterkeringen. De waterkering zelf is de kernzone. Naast de kering is er een beschermingszone en een buitenbeschermingszone. Toelichting op artikel 2.11: Profiel van vrije ruimte Het profiel van vrije ruimte is een ruimte (lengte, breedte, hoogte) in de grondmassa aan beide kanten van een regionale waterkering. Het is een reservering voor toekomstige versterking of uitbreiding van de waterkering.
Op de kaart staat elk profiel van vrije ruimte als bovenaanzicht. Het profiel van vrije ruimte heeft ook een reservering in de hoogte. Deze doorsnede vindt u in de Legger Primaire waterkeringen en de Legger regionale waterkeringen. Provinciale instructie In artikel 7.4.4 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening staat dat een waterschap de plek van het profiel van vrije ruimte en de grenzen van het profiel moet bepalen. Zodat de plek is gereserveerd voor een toekomstige versterking of uitbreiding van de waterkering. Met dit artikel voldoet Rijnland aan deze instructie.
Toelichting op afdeling 2.5: Overige gebieden Toelichting op artikel 2.12: grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Rijnland ligt binnen de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. Beide provincies hebben provinciale milieubeschermingsgebieden. Sommige regels uit deze waterschapsverordening zorgen voor de bescherming van deze gebieden. Het gaat om waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Een waterwingebied is een gebied dat wordt aangewezen door de provincie. In dit gebied wordt grondwater onttrokken voor drinkwater. Er gelden strenge regels om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Een grondwaterbeschermingsgebied. Er gelden extra regels om de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Voor goede digitale dienstverlening is het nodig dat Rijnland deze gebieden zelf als werkingsgebied omschrijft. Dan gebruiken we een eigen kaart en niet meer de kaarten van de provincie. Deze kaart is een kopie van de kaarten van de
provincies. Als een provinciale kaart wijzigt, dan moet de Rijnlandse kaart ook wijzigen. Het bestuur van Rijnland moet een besluit nemen om de eigen kaart te wijzigen. Toelichting op artikel 2.13: Grondwateronttrekking Toelichting op artikel 2.13, eerste lid Een grondwateronttrekking of grondwaterinfiltratie geeft op sommige plaatsen meer risico’s. Dat komt bijvoorbeeld door: kwetsbare oudere bebouwing; natuurgebieden; bodemopbouw. Dat risico is bijvoorbeeld dat diep grondwater met veel zout naar het oppervlak kan gaan lekken of dat de oude bebouwing kan gaan verzakken. Toelichting op artikel 2.14: Kwelgebied Toelichting op artikel 2.14, eerste lid Op deze kaart staan de gebieden met een vergroot risico op meer kwel of het lek raken van de waterdichte laag in de bodem (opbarsten). Door kwel komt er meer grondwater uit de diepere waterlagen omhoog. Dit grondwater komt terecht in oppervlaktewater. Hierdoor moet Rijnland meer water afvoeren en de kwaliteit van het oppervlaktewater kan slechter worden. Toelichting op artikel 2.15: Hoogwatervoorzieningen Binnen Rijnland zijn percelen welke hoger liggen dan het naastgelegen gebied. . Het gaat bijvoorbeeld om percelen langs een waterkering. Omdat deze gebieden hoog liggen is het peil in de watergangen laag ten opzichte van de perceelhoogte en is de grondwaterstand er laag.
Gewassen kunnen dan minder goed groeien of bebouwing kan verzakken. Met een hoogwatervoorziening blijft het waterpeil hoog in het oppervlaktewater. En daardoor blijft de grondwaterstand in de percelen ook hoog. De gebieden binnen Rijnland die hoog liggen staan op deze kaart. Toelichting op artikel 2.16: Veengronden en kleigronden op veen In een deel van Rijnland bestaat de bodem uit veengrond of kleigrond op veen. Deze zijn kwetsbaar voor bodemdaling. Op deze kaart staat waar deze gebieden liggen. Toelichting op artikel 2.17: Zandgronden Toelichting op artikel 2.17, eerste lid: Hoger gelegen zandgrond In een deel van Rijnland bestaat de bodem uit zandgronden. Hier kan water goed infiltreren in de bodem. Op deze kaart staat waar deze hogere zandgronden liggen. Toelichting op artikel 2.18: Manieren voor extra waterberging Soms vindt Rijnland het goed dat water op een andere manier dan in open water wordt vastgehouden, of vertraagd wordt afgevoerd. Voorbeelden zijn wadi’s, bassins, polderdaken en bergingskelders. Op de kaart staan de gebieden waar Rijnland het goed vindt dat er een andere manier voor waterberging mogelijk is.
Toelichting op hoofdstuk 3: Activiteiten algemeen In dit hoofdstuk staat informatie over het melden van activiteiten.
Toelichting op afdeling 3.2: Werkzaamheden melden Toelichting op artikel 3.2: Tijdstip van melden In elk hoofdstuk over een activiteit staat of een initiatiefnemer de activiteit moet melden. Wanneer is aangegeven dat dit moet, moet dit twee weken voor de start van de werkzaamheden zijn gedaan.
Toelichting op afdeling 3.3: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op paragraaf 3.3.1: Algemeen Toelichting op artikel 3.5: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op artikel 3.5, eerste lid Rijnlandse beoordelingsregels Om een vergunningaanvraag te kunnen beoordelen zijn beoordelingsregels nodig. Rijnland heeft algemene beoordelingsregels en daarnaast nog extra regels voor allerlei activiteiten. In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen die voor alle activiteiten gelden. In de volgende hoofdstukken zijn regels opgenomen die alleen gelden voor een specifieke activiteit. De basis van de Rijnlandse beoordelingsregels is dat we alleen een vergunning verlenen als de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor onze doelen voor het waterbeheer. verandering door Omgevingswet Voor de komst van de Omgevingswet vormde de Waterwet de basis van de beoordeling van een vergunningaanvraag bij Rijnland. De Omgevingswet vervangt de Waterwet gedeeltelijk waarmee deze basis verdwijnt. Het is nu aan Rijnland om zelf het beoordelingskader in de waterschapsverordening op te nemen. Zowel het Rijk als de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland hebben aangegeven dat Rijnland bepaalde regels moet opnemen in het beoordelingskader.
Dit betekent dat in deze waterschapsverordening een aantal dingen samenkomen: de oude keur van Rijnland, de uitvoeringsregels die bij de keur horen, de instructies van het Rijk (opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving) en de instructies van de provincies (opgenomen in de omgevingsverordeningen). Toelichting op artikel 3.5, tweede lid In lid 2 is aangegeven wanneer dijkgraaf en hoogheemraden van de beoordelingsregels kunnen afwijken. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader voor het beoordelen van vergunningaanvragen. Om te kunnen afwijken moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Door die bijzondere omstandigheden moeten de beoordelingsregels onevenredig zijn voor een of meer belanghebbenden in verhouding tot de met de beoordelingsregels te dienen doelen. Hiermee wordt aangesloten op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Delegatiebesluit zijn dijkgraaf en hoogheemraden ook bevoegd om deze beoordelingsregels aan te passen.
Onder de situatie met de keur en uitvoeringsregels bestond deze mogelijkheid ook. De beoordelingsregels voor vergunningaanvragen stonden toen in beleidsregels. Deze beleidsregels werden door dijkgraaf en hoogheemraden vastgesteld. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht konden dijkgraaf en hoogheemraden daar onder omstandigheden van afwijken. Omdat het hier gaat om een verordening en niet om beleidsregels, kan niet langer gebruik worden gemaakt van 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het strikt naleven van de regels onder omstandigheden kan leiden tot een onrechtvaardige uitkomst, wordt deze situatie wel voortgezet. Op die manier wordt ongewenst en onvoorzien onrecht voorkomen. Toelichting op artikel 3.6: Rekening houden met In de instructieregel van artikel 6.2, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staat dat Rijnland rekening moet houden met deze programma’s en plannen. Toelichting op artikel 3.7: Controle en onderhoud van een waterstaatswerk Rijnland controleert en onderhoudt veel waterkeringen, duinen, sloten, plassen en meren.
We onderzoeken dan: Is de waterkering nog hoog genoeg? Is de waterkering nog goed beschermd tegen erosie? Zijn er tekenen dat de waterkering uitdroogt? Is de sloot dichtgegroeid met waterplanten? Is er te veel bagger opgehoopt? Het is belangrijk dat Rijnland alle plekken goed kan bereiken om de controles uit te voeren. Maar ook dat het onderhoud op die plek mogelijk is en betaalbaar blijft. Onderhoud wordt lastiger en duurder als een plek niet meer goed te bereiken is. Maar bijvoorbeeld ook als we bagger of maaisel niet langer op de kant kunnen zetten. Toelichting op artikel 3.8: Verzakken van de bodem Op veel plaatsen binnen Rijnland zakt de bodem. Dat dalen van de bodem wordt versneld door bijvoorbeeld: het onttrekken van grondwater het verlagen van het waterpeil in oppervlaktewater. Hierdoor wordt de grondwaterstand lager en breekt een veenbodem sneller af. Een dalende bodem maakt de kans op wateroverlast groter, omdat bij neerslag het water eerder over het maaiveld kan stromen. Toelichting op artikel 3.9: Maatschappelijke functies van het watersysteem Sloten, plassen, meren, waterkeringen en duinen zijn allemaal belangrijk voor een gezonde, veilige leefomgeving en voor droge voeten. Maar ze hebben vaak ook maatschappelijke functies. Bijvoorbeeld natuurbeleving en vormen van recreatie zoals varen, kanoën, zwemmen en schaatsen. Ook bedrijven maken er gebruik van.
Als het uitvoeren van deze maatschappelijke functies niet meer mogelijk is, dan kan dit grote maatschappelijke gevolgen hebben. Het gaat dan om gevolgen waar een aanzienlijk deel van de inwoners van Rijnland mee te maken krijgt. Rijnland vindt dit geen maatschappelijke functie: Het belang van één persoon; Het af en toe gebruik maken van het watersysteem. Rijnland kijkt zoveel mogelijk naar het beleid en de regels van het Rijk, de provincies en de gemeenten om te bepalen of iets een maatschappelijke functie is. Als het mogelijk is, dan kijken we ook hoe inwoners het watersysteem in het dagelijks leven gebruiken.
Toelichting op paragraaf 3.3.2: Zeewering Toelichting op artikel 3.10: De zeewering Rijnland ligt aan de Noordzee. Er bestaat een risico op een overstroming vanuit de zee. De zeewering beschermt ons tegen zo’n overstroming. De zeewering bestaat uit de duinen en de waterkeringen. Het is belangrijk dat deze duinen en waterkeringen sterk en stevig zijn en dat ook blijven. Deze eis geldt voor het moment waarop de activiteit wordt uitgevoerd maar ook voor de toekomst. Als de zeewering zwakker wordt of beschadigd raakt, dan zorgt dat voor extra onderhoudskosten. In extreme situaties kan de zeewering zelfs doorbreken en kan het achterliggende land overstromen. Ook de provincies willen dit zoveel mogelijk voorkomen. Daarom hebben ze omgevingswaarden gemaakt. Hierin staat aan welke eisen een zeewering moet voldoen. Deze omgevingswaarden mogen niet worden overschreden door het uitvoeren van een activiteit. De zeespiegel stijgt. Daarom is het belangrijk dat de duinen kunnen groeien door het natuurlijke proces van zandverstuiving.
Toelichting op paragraaf 3.3.3: Waterkering Toelichting op artikel 3.11: De waterkering Rijnland bestaat voor een groot deel uit polders. Om de polders droog te houden, hebben we waterkeringen. Het is belangrijk dat de kwaliteit van deze waterkeringen goed blijft. Waterkeringen die zwakker worden of beschadigen, zorgen voor verhoogd risico voor dijkbreuk en extra onderhoudskosten. In extreme situaties kan een waterkering zelfs doorbreken en dan stroomt de polder vol water. Het is dus belangrijk dat de waterkeringen hoog en breed genoeg zijn en dat ze beschermd worden tegen afbrokkelen (erosie), losslaan en wegspoelen (afkalven). Deze eis geldt voor het moment waarop de activiteit wordt uitgevoerd maar ook voor de toekomst. Ook de provincies willen dit zoveel mogelijk voorkomen. Daarom hebben ze omgevingswaarden gemaakt. Hierin staat aan welke eisen een waterkering moet voldoen Deze omgevingswaarden mogen niet worden overschreden door het uitvoeren van een activiteit.
Toelichting op paragraaf 3.3.4: Oppervlaktewater Toelichting op artikel 3.12: Wateroverlast Inwoners van Rijnland willen droge voeten houden. Om wateroverlast te voorkomen moet het watersysteem voldoen aan: voldoende ruimte om regenwater op te vangen (bergingscapaciteit); een goede stroomsnelheid om het water te kunnen verplaatsen (afvoercapaciteit). Sommige activiteiten kunnen zorgen voor een grotere kans op wateroverlast: We maken steeds meer harde oppervlakken van steen en glas. Hierdoor kan neerslag niet meer de bodem in en stroomt het sneller naar de sloot. Krijgt die sloot geen extra ruimte om dat regenwater op te slaan (waterberging), dan kan wateroverlast ontstaan. We bouwen steeds meer voorwerpen en bouwwerken in het oppervlaktewater. Hierdoor kan de doorstroming van een sloot minder worden. Wordt het water niet snel genoeg afgevoerd, dan kan wateroverlast ontstaan. Wateroverlast zorgt voor overstroming en schade. Rijnland moet dan ingrijpen door bijvoorbeeld de afvoercapaciteit van gemalen of de bergingscapaciteit groter te maken. Dit is duur en ingrijpend.
Ook de provincies willen dit zoveel mogelijk voorkomen. Daarom hebben ze omgevingswaarden gemaakt. Hierin staat wanneer Rijnland moet ingrijpen om wateroverlast te voorkomen. Deze omgevingswaarden mogen niet worden overschreden door het uitvoeren van een activiteit. Toelichting op artikel 3.13: Hoeveelheid zoet water Het is belangrijk dat we goed omgaan met het beschikbare zoetwater binnen Rijnland. In warme en droge periodes is er weinig zoetwater in het gebied. Rijnland probeert dan om meer zoetwater in het gebied te krijgen. Het kan gebeuren dat het zoetwater niet snel genoeg ons gebied binnen komt, omdat voorwerpen en bouwwerken de doorstroming in de sloot beperken. In de droge periodes moeten we zuinig omgaan met het zoete water. Dan moeten we ook goed blijven nadenken over het wel of niet onttrekken van oppervlaktewater. Toelichting op artikel 3.14: Aanvoer en afvoer van water Het is belangrijk dat de doorstroming in het oppervlaktewater goed blijft. Dan houden we de kans op overstroming of waterschaarste klein. De doorstroming is ook belangrijk voor de chemische en ecologische waterkwaliteit. Een voorbeeld: In een doodlopende sloot kan het water zuurstofloos worden. Dan is in het water geen leven meer mogelijk en het water gaat stinken.
Toelichting op artikel 3.15: De chemische kwaliteit van het water Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in dit artikel. In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rijnland zorgt voor gezond water. Dat is water met een goede samenstelling en zonder verontreinigingen. Gezond water is belangrijk voor het leven in en rondom het water, maar ook voor de gezondheid van de mens. De chemische waterkwaliteit is op dit moment nog niet overal goed genoeg. Rijnland werkt hard om dat te verbeteren. Het is daarom belangrijk dat er geen activiteiten bijkomen die de waterkwaliteit slechter maken. Dit blijft ook gelden als de gewenste chemische waterkwaliteit is bereikt. Toelichting op artikel 3.16: De ecologische kwaliteit van het water Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in dit artikel. In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Rijnland zorgt ervoor dat in het water genoeg planten en dieren kunnen leven en dat dit ook de goede soorten zijn. Het is voor die planten en dieren belangrijk dat sloten, plassen en meren goed zijn ingericht. Ze hebben namelijk een geschikte omgeving nodig om te kunnen groeien. Dieren moeten ook eten kunnen zoeken, zich kunnen verstoppen en voortplanten. Voor sommige diersoorten is het belangrijk dat ze zich steeds goed kunnen verplaatsen in het water binnen Rijnland, maar ook richting het open water van de Noordzee. Toelichting op artikel 3.17: De waterbodemkwaliteit Als een waterbodem een goede kwaliteit heeft, dan helpt dat mee om het ecologische watersysteem gezond te houden. Daarom is het is belangrijk dat de waterbodem een goede chemische kwaliteit, ecologische kwaliteit en fysische samenstelling heeft.
De kwaliteit van de waterbodem is ook belangrijk voor het beheer en onderhoud van oppervlaktewater. Het baggeren wordt namelijk duurder en lastiger als de waterbodem verontreinigd is. Toelichting op artikel 3.18: Verbinding tussen polders Polders kunnen verschillende waterpeilen hebben. Daarom staan deze polders niet met elkaar in verbinding. Het is ook belangrijk dat deze polders niet met elkaar worden verbonden. Dat kan namelijk dat zorgen voor wateroverlast. Toelichting op artikel 3.19: Verbinding tussen peilvakken Peilvakken kunnen verschillende waterpeilen hebben. Daarom staan deze peilvakken niet met elkaar in verbinding. Het is ook belangrijk dat deze peilvakken niet met elkaar worden verbonden. Dat kan namelijk dat zorgen voor wateroverlast. Toelichting op artikel 3.20: Waterwinlocatie Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in dit artikel. In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Toelichting op paragraaf 3.3.5: In kwetsbaar kwelgebied Toelichting op artikel 3.21: Kwel Kwel is grondwater dat onder druk omhoog komt naar de oppervlakte. Dit is een natuurlijk proces. Activiteiten als graafwerkzaamheden kunnen zorgen dat er meer kwelwater omhoog komt. Dat kan negatieve gevolgen hebben: Het grondwater binnen Rijnland heeft op veel plaatsen een hoog zoutgehalte. Bij kwel kan de hoeveelheid zout in de bodem en in het water toenemen. Dit heet verzilting. Meer kwel zorgt voor extra water in de poldersloten. Dit water moet Rijnland uit de polder wegpompen en dat kost extra energie en geld. Toelichting op artikel 3.22: Verzilting Verzilting is het toenemen van de hoeveelheid zout in de bodem en in het water. Rijnland wil voldoende zoet water in haar gebied. Dit is vooral belangrijk voor de natuur en de agrarische sector. Sommige activiteiten zorgen voor meer zout in het water. Hierdoor ontstaat schade aan de natuur en het vermindert de opbrengst in de agrarische sector. In een droge periode laat Rijnland zoetwater het gebied instromen. Dit kan niet onbeperkt, want in een lange periode van droogte is zoetwater schaars. Toelichting op artikel 3.23: Opbarsten van de bodem Bij sommige activiteiten is er een risico dat de bodem of de waterbodem opbarst. Bijvoorbeeld bij graven in een kwetsbaar kwelgebied. Dat willen we voorkomen.
Daarom moet de initiatiefnemer bepalen wat het risico is op opbarsten van de bodem. Dit moet gebeuren voor de start van een werk en volgens de NEN-6740.
Toelichting op paragraaf 3.3.6: Grondwater Toelichting op artikel 3.24: Overlast door te veel grondwater Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in dit artikel.
In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Overlast door teveel grondwater kan voor veel problemen zorgen. Die problemen die kunnen ook een aantal andere oorzaken hebben. Het is daarom altijd goed om goed te kijken wat precies de oorzaak is van een problemen. Bijvoorbeeld: Door vochtoverlast in huis kunnen bewoners klachten aan hun luchtwegen krijgen. Een muffe lucht, vochtige plekken en schimmel betekent dat er vocht in huis is. Dat heeft gevolgen voor de volksgezondheid. Maar dat kan ook komen door te weinig ventilatie of lekke riolen of regenpijpen. Water in de kruipruimte of de kelder kan komen door grondwater. Andere redenen kunnen zijn: een te klein oppervlaktewatersysteem of rioleringssysteem, of problemen door de manier waarop een gebouw is gebouwd. Door rottende houten palen ontstaat schade aan de fundering van een huis. In een landelijk gebied kan natschade ontstaan door een hoge grondwaterstand in het maaiveld. In landelijke gebieden kunnen grondwaterproblemen ook ontstaan door (ongewenste) peilstijgingen in oppervlaktewater of het onder water zetten van een gebied (inundatie). Bij overlast door grondwater heeft de gemeente ook een belangrijke taak. Rijnland houdt zich alleen bezig met grondwateroverlast door oorzaken waar wij verantwoordelijk voor zijn.
Toelichting op artikel 3.25: De kans op schaarste van grondwater Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in dit artikel. In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Te weinig grondwater kan een nadeel zijn. Het kan deze problemen geven: dalen van de bodem palen gaan rotten en veroorzaken funderingsproblemen droogteschade aan gewassen of de natuur. Bij schaarste van grondwater heeft de gemeente ook een belangrijke taak. Rijnland houdt zich alleen bezig met grondwaterschaarste door oorzaken waar wij verantwoordelijk voor zijn. Toelichting op artikel 3.26: Uitwisseling van grondwater In de bodem zit grondwater. Dit is niet één grote hoeveelheid water, het zijn meerdere lagen grondwater die niet met elkaar zijn verbonden. Er zitten namelijk grondlagen tussen die geen water doorlaten. De verschillende lagen grondwater hebben verschillende eigenschappen. Dat willen we graag zo houden. Daarom is het belangrijk dat deze lagen grondwater zo weinig mogelijk met elkaar in verbinding komen. Toelichting op artikel 3.27: De grondwaterkwaliteit Artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel van het Rijk.
Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in lid 1, lid 2 en lid 3 van dit artikel. In dit artikel noemen wij omgevingswaarden. Die zijn terug te vinden in artikel 2.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 7.87 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening is een instructieregel van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat dat Rijnland in de waterschapsverordening beoordelingsregels moet opnemen. Dit doen wij in lid 4 en lid 5 van dit artikel.
Toelichting op paragraaf 3.3.7: Afvalwaterzuivering of transportleiding Toelichting op artikel 3.28: Goede werking van een afvalwaterzuivering of transportleiding Afvalwater van huishoudens en bedrijven pompt Rijnland door de riolering en transportleidingen naar de Rijnlandse afvalwaterzuiveringen. Daar reinigt Rijnland het afvalwater. Het schoon gemaakte afvalwater lozen we in het oppervlaktewater. Zo voorkomt Rijnland verontreiniging van het oppervlaktewater. Wordt dit verstoord, dan wordt het afvalwater minder goed schoon gemaakt en wordt het oppervlaktewater verontreinigd. Dit herstellen zorgt voor extra kosten.
Toelichting op hoofdstuk 4: Duiker plaatsen Toelichting op afdeling 4.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 4.1: Duiker plaatsen Een duiker is een buis of koker onder een dam, dijk of weg. De duiker verbindt oppervlaktewater met elkaar. Door de duiker kan het water van de ene kant van de dam, dijk of weg naar de andere kant stromen. Een duiker helpt bij het aan- en afvoeren van water.
Toelichting op afdeling 4.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 4.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op artikel 4.2: Duiker in belangrijk oppervlaktewater In Rijnland zijn twee typen oppervlaktewater: belangrijk oppervlaktewater overig oppervlaktewater. Belangrijk oppervlaktewater is belangrijk voor de aanvoer en afvoer van water. Daarom is er een vergunning nodig voor het plaatsen van een duiker in belangrijk oppervlaktewater. Toelichting op artikel 4.3: Duiker in een overig oppervlaktewater Een duiker heeft veel invloed op de aanvoer en afvoer van water in overig oppervlaktewater dat breder is dan 8 meter. Rijnland beoordeelt daarom elke situatie apart via een vergunning. Toelichting op artikel 4.4: Duiker langer dan 15 meter Hoe langer een duiker, hoe moeilijker het water er doorheen kan stromen. Voor een duiker langer dan 15 meter beoordeelt Rijnland de situatie vooraf via een vergunning. Toelichting op artikel 4.5: Duiker met bocht of knik Water kan moeilijker stromen door een duiker met een bocht of een knik. Daarom beoordeelt Rijnland de situatie apart via een vergunning.
Toelichting op paragraaf 4.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op artikel 4.6: Beoordelen van de vergunningaanvraag De artikelen gebruiken we om een vergunningaanvraag te beoordelen. Voldoet een vergunningaanvraag hieraan, dan verlenen we de vergunning.
Toelichting op artikel 4.7: Duiker met bocht of knik Een duiker met een bocht of knik kan sneller verstoppen of versmallen door bezinking van vuil. Het onderhoud van deze duikers is ook lastiger. De duikers zijn een risico voor de doorstroming in het oppervlaktewater en voor het goed werken van het watersysteem. Rijnland wil daarom liever geen duikers met een bocht of knik. Rijnland geeft alleen een vergunning voor een duiker met een bocht of knik als het redelijk is om te zeggen dat er geen andere mogelijkheid is. Bijvoorbeeld: een duiker met knik (sifon) bij het kruisen van een oppervlaktewater met een ander waterpeil. Toelichting op artikel 4.8: De duiker is nodig Rijnland heeft liever open verbindingen tussen oppervlaktewater dan duikers. Daarom moet er wel een goede reden zijn voor het aanleggen van een duiker.
Toelichting op paragraaf 4.2.3: Voorschriften in de vergunning Toelichting op artikel 4.9: Voorschriften in de vergunning Plaats van de duiker (a) Voor elke situatie beoordeelt Rijnland of we de duiker toestaan. Ook de plaats van de duiker is belangrijk. Maak de duiker daarom op de plaats die Rijnland heeft beoordeeld. Ligging van de duiker (b en c) Met de hoogteligging van de duiker bedoelen we hoe diep de duiker onder water ligt. Dus welk deel van de duiker ligt boven en onder water. Dit is samen met de plaats waar de duiker ligt in het oppervlaktewater belangrijk voor de doorstroming. Daarom staat de hoogteligging van de duiker als voorwaarde in de vergunning. Afmetingen van de duiker (d en e) De lengte en de diameter van een duiker bepalen hoeveel invloed de duiker heeft op de aanvoer en afvoer van het water. Een kleine diameter of een grote lengte zorgen dat het water niet goed genoeg door de duiker stroomt. Daarom staan in de vergunning voorwaarden voor de diameter en lengte van de duiker. Daarmee voorkomen we dat door de duiker watertekort of wateroverlast ontstaat. Vorm van de duiker (f en g) Voor elke situatie beoordeelt Rijnland of we de duiker toestaan. Ook de vorm van de duiker en bochten in de duiker zijn belangrijk. Maak de duiker daarom precies zoals door Rijnland is beoordeeld.
Toelichting op afdeling 4.3: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op artikel 4.10: Wanneer gelden deze voorwaarden Voldoet de duiker aan alle drie de voorwaarden dan hoeft de initiatiefnemer geen vergunning aan te vragen. Toelichting op artikel 4.11: Werkzaamheden melden Het plaatsen van een duiker is een wijziging in het watersysteem. Dit moet Rijnland weten, omdat we de wijziging registreren in de legger oppervlaktewateren van Rijnland. Toelichting op artikel 4.14: Maximale lengte van de duiker Toelichting op artikel 4.14, eerste lid De lengte van een duiker bepaalt de invloed van de duiker op de aanvoer en afvoer van water. Een lange duiker zorgt voor een grote weerstand, waardoor het water niet genoeg kan stromen. De maximale lengte van 10 meter voorkomt
dat er een watertekort of wateroverlast ontstaat. Een duiker van 10 meter lang is meestal genoeg om een perceel bereikbaar te maken. Toelichting op artikel 4.14, tweede lid Soms is een duiker van 10 meter niet lang genoeg om een perceel bereikbaar te maken voor bijvoorbeeld grote vrachtwagens. Dan kan Rijnland een duiker van maximaal 15 meter lang toestaan met een maatwerkvoorschrift. Hierin staat een nieuwe maximale lengte. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat de initiatiefnemer aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning. Soms is een duiker nodig om twee bestaande oppervlaktewateren met elkaar te verbinden. Bijvoorbeeld om de aanvoer of afvoer van water te verbeteren. Ook dan kunnen we een langere duiker toestaan met een maatwerkvoorschrift. Toelichting op artikel 4.15: Minimale inwendige diameter van de duiker De diameter van een duiker bepaalt de invloed van de duiker op de aanvoer en afvoer van water. Een kleine diameter zorgt voor een grote weerstand. Het water stroomt dan onvoldoende. Om te voorkomen dat door de duiker een watertekort of wateroverlast ontstaat stelt Rijnland voorwaarden aan de diameter van de duiker. Toelichting op artikel 4.15, vierde lid Soms is het technisch niet mogelijk om een duiker met de voorgeschreven inwendige diameter aan te leggen.
Bijvoorbeeld als oppervlaktewater smaller is dan de voorgeschreven diameter. Of als het oppervlaktewater in een gebied ligt met beperkte drooglegging. Rijnland kan met een maatwerkvoorschrift toestaan dat één of meerdere kleinere duikers worden gebruikt, zolang de doorstroming van het water maar voldoende blijft. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat de initiatiefnemer aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning. Toelichting op artikel 4.16: Afstand tot andere objecten Toelichting op artikel 4.16, eerste lid De onderlinge afstand van minimaal 5 meter voorkomt dat bij veel duikers, stuwen en bruggen achter elkaar opstuwing ontstaat. Zo is de invloed op de aan- en afvoer van water minimaal en blijft goed onderhoud ook mogelijk. Toelichting op artikel 4.16, tweede lid Een kortere afstand dan 5 meter tussen de nieuwe duiker en een bestaande duiker, brug of stuw staat Rijnland met een maatwerkvoorschrift toe als de aanvoer en afvoer van water niet vermindert en het onderhoud aan het oppervlaktewater goed mogelijk blijft. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat de initiatiefnemer aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning. Toelichting op artikel 4.17: Hoogteligging van de duiker Toelichting op artikel 4.17, eerste lid De hoogteligging van de duiker is belangrijk voor de doorstroming.
Daarom is er een voorschrift waarin staat hoeveel lucht en water er in de duiker moet zijn. Toelichting op artikel 4.17, derde lid Soms is het niet mogelijk om de duiker op de juiste hoogte te plaatsen. Blijft de doorstroming van het oppervlaktewater goed, dan kan Rijnland een andere hoogteligging toestaan via een maatwerkvoorschrift. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat de initiatiefnemer aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning.
Toelichting op artikel 4.18: Plaats in het oppervlaktewater Door de duiker in het midden van het oppervlaktewater te plaatsen komt de aanvoer en afvoer van water niet in gevaar.
Toelichting op hoofdstuk 5: Vee houden Toelichting op afdeling 5.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 5.1: Vee houden Met vee bedoelen we de landbouwhuisdieren runderen, paarden, schapen en geiten. Op veel percelen langs oppervlaktewater en waterkeringen wordt vee gehouden. Vaak bedrijfsmatig en soms kleinschalig: bijvoorbeeld iemand die als hobby een paar schapen of ander vee houdt. Het vee kan de slootkanten vertrappen, wat nadelig is voor het watersysteem.
Toelichting op afdeling 5.2: Vee houden algemeen Toelichting op artikel 5.2: Afrastering groot vee bij waterkering Op een dijk of in de kern- en of beschermingszone van een dijk wordt soms groot vee gehouden. Met grootvee bedoelen we paarden en runderen. Ook als ze nog niet volwassen zijn, dus veulens, kalfjes en pinken. Deze dieren kunnen de waterkering beschadigen. Een goede afrastering voorkomt die schade. Een afrastering is bijvoorbeeld een hek, een muurtje of schrikdraad. Met deze bepaling kan het dagelijks bestuur de grondeigenaar verplichten om een goede afrastering te maken die de dijk beschermt tegen schade van groot vee.