CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Bijlage 1b Archeologische Beleidskaart Haarlem BAAC Rapport (onderdeel van bijlage 4 van de beleidsnota)

commissie Ontwikkeling 12 oktober 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.00 uur Terinzagelegging Concept Erfgoedbeleid (FR)38.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Per bovenstaande eenheid is het betreffende beleid beknopt op de kaart weergegeven.

2.7 Beperkingen van een verwachtingskaart De in onderhavig rapport beschreven archeologische landschaps- en verwachtingskaart en de hiervan afgeleide beleidskaart zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen en zijn gebaseerd op de huidige archeologische kennis. Zo is bijvoorbeeld middels archiefonderzoek veel moeite gedaan om de ARCHIS-gegevens aan te vullen met vindplaatsen die (nog) niet waren geregistreerd. Dit wil echter niet zeggen dat hiermee alle bekende vindplaatsen ook daadwerkelijk zijn gelokaliseerd. Mogelijk zijn in het verleden amateur-archeologen actief geweest die inmiddels zijn overleden en waarvan de collecties in de vergetelheid zijn geraakt. Mogelijk is tijdens werkzaamheden een vindplaats 25

De AMK-terreinen 13916 t/m 13926 betreffen terreinen van archeologische waarde. Deze terreinen zijn zonder onderbouwing door de toenmalige gemeentelijke archeoloog aan de RCE doorgegeven. In overleg met de archeologen van de gemeente Haarlem zijn deze terreinen bij het opstellen van de beleidskaart niet opgenomen. 26 Indien deze bufferzone aan het Spaarne grenst, is deze ook daar doorgetrokken.

Project V-19.0130A

26

blootgelegd, zonder dat dit is doorgegeven aan het bevoegd gezag. Dit soort eventueel verlies aan data is niet te voorkomen, ook al gezien de beperkte hoeveelheid tijd die beschikbaar is voor een dergelijk onderzoek. Dit houdt impliciet in dat de verwachtingskaart ook niet 100% betrouwbaar kan zijn. Het woord verwachting zegt het ook al, het betreft een zo goed mogelijk onderbouwde verwachting. Zonder een waardestellend archeologisch veldonderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De verwachtingskaart is een instrument om eventuele archeologische waarden zo goed mogelijk te beschermen. Het kan echter voorkomen dat in een gebied, waaraan om allerlei beargumenteerde redenen een lage verwachting is gekoppeld, tijdens bouwwerkzaamheden toch belangrijke archeologische waarden aanwezig blijken te zijn. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van kennislacunes, als gevolg waarvan de huidige theorieën niet altijd volledig genoeg zijn om tot de juiste verwachting te kunnen komen. Ook de aanwezigheid van bebouwing in dorpen en steden maken het ‘voorspellen’ van de aanwezigheid van archeologische resten erg moeilijk. Dit geldt eveneens voor het voorspellen van de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In de bewoningskernen kan namelijk sprake zijn van verstoring vanwege de aanwezige bebouwing.

De mate van deze verstoring kan tijdens het bureauonderzoek mogelijk middels een bouwdossieronderzoek achterhaald worden. Dit is tijdens onderhavig onderzoek niet op perceels-/adresniveau uitgevoerd. De aanwezigheid van archeologische resten en de gaafheid hiervan kan dus alleen op basis van archeologisch onderzoek worden vastgesteld. Het is goed om hiervan bewust te zijn bij het gebruik van een archeologische beleidskaart. Planontwikkelingen waarbij bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, dienen vanuit archeologisch oogpunt bij voorkeur in gebieden met een lage tot geen verwachting te worden gepland. Zoals hierboven is uiteengezet betekent dit echter niet dat op dergelijke locaties geen archeologische resten aanwezig zijn. De verwachting is dat de kans op archeologie hier minder groot is dan in zones met een middelhoge of hoge archeologische verwachting.

27

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Project V-19.0130A

28

3

Landschappelijke ontwikkeling

3.1 Landschappelijke ontwikkeling 3.1.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waar men zich bevindt. De afzettingen waarin de bodem is gevormd (moedermateriaal) en de grondwaterstand hebben grote invloed op de bodemvorming. De verspreiding van archeologische vindplaatsen vertoont over het algemeen een duidelijke relatie met het landschap en de bodemgesteldheid. Bewoning vindt voornamelijk plaats op de hoger gelegen en daarmee de drogere delen van het landschap. In de periode dat de mensen als jagers en verzamelaars leefden (paleolithicum tot neolithicum, bijlage 1), vormden met name de overgangen in het landschap gunstige bewoningslocaties, vanwege de aanwezige biodiversiteit. In de periode dat mensen als landbouwers leefden (neolithicum tot en met nieuwe tijd, bijlage 1), was naast de beschikbaarheid van water ook de natuurlijke bodemvruchtbaarheid belangrijk voor locatiekeuze en de meer permanente vestiging van nederzettingen. De gemeente Haarlem bevindt zich zowel binnen de archeoregio ‘Het Hollands Duingebied’ als ‘Het Hollands veen- en kleigebied’ (zie figuur 3.1).27 Circa 84,1 % van de gemeente valt binnen de archeoregio Het Hollands veen- en kleigebied. Slechts een smalle strook aan de westzijde van de gemeente behoort tot Het Hollands

Duingebied.

Figuur 3.1. De onderverdeling van de gemeente Haarlem in twee archeoregio’s (RCE 2020).

Een archeoregio is een regio met vergelijkbare landschappelijke en archeologische kenmerken. De gebieden binnen een archeoregio kunnen bij de bepaling van de 27

29

RCE 2020.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

archeologische verwachting onderling vergeleken worden.28 Komen in een gebied veel vindplaatsen op een bepaald bodemtype of op een bepaalde landschapsvorm voor, dan geldt dat meestal ook voor de overige gebieden binnen de archeoregio. De provincie Noord-Holland heeft, los van de nationale archeoregio’s, enkele ‘regio’s van archeologisch belang’ aangewezen. De gemeente Haarlem valt echter niet binnen een dergelijke provinciale regio.29 Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart dient eerst inzicht te worden verkregen in de landschappelijke ontwikkeling van het gebied voor de verschillende archeologische perioden. In het licht van bovenstaande zal in de volgende paragrafen worden ingegaan op het ontstaan van het landschap binnen de gemeente Haarlem. Tevens zullen de meest voorkomende bodems binnen de gemeentegrenzen kort worden behandelt. 3.1.2 Ontstaanswijze landschap in vogelvlucht Het huidige landschap van West Nederland, en daarmee ook het grondgebied van de gemeente Haarlem, is ontstaan gedurende het Holoceen, de laatste 11.650 jaar van de geologische geschiedenis. Dat wil echter niet zeggen dat er in de periode hiervoor, het Pleistoceen, niets is gebeurd. Van dat oude landschap is binnen de gemeente Haarlem aan het oppervlak echter niets meer te herkennen.

Tijdens de laatste ijstijd (Weichselien) is vanuit de drooggevallen Noordzee door de sterke westenwinden veel zand over Nederland afgezet. Dit zand is hierbij als een deken over het toenmalige landschap verspreid. Vandaar dat wordt gesproken van dekzand.

Figuur 3.2. Geologisch dwarsprofiel door de gemeente Haarlem (De Jong en Bosman 1997).

De overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (vanaf 11.650 jaar geleden tot heden) kenmerkt zich door een blijvende klimaatsverandering. De temperaturen stegen als gevolg waarvan het landijs smolt. Dit had weer tot gevolg dat de 28

Archeoregio: Relatief groot gebied waarbinnen zowel in de wordingsgeschiedenis als in ruimtelijke zin een zeker verband bestaat tussen archeologie en landschap. In Nederland zijn zeventien archeoregio’s gedefinieerd die het geografisch kader vormen voor het onderzoek van het bodemarchief. 29 www.steunpunterfgoednh.nl 2020.

Project V-19.0130A

30

zeespiegel in rap tempo steeg. Deze zeespiegelstijging gedurende het Holoceen heeft bij het ontstaan van het landschap in dit deel van Nederland een belangrijke rol gespeeld. Gedurende het Holoceen is namelijk een dik pakket sedimenten afgezet op de oudere Pleistocene zanden, variërend van 20 meter tot plaatselijk wel 50 meter. Dit pakket Holocene afzettingen bestaat binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem hoofdzakelijk uit strandwalafzettingen, oude duinafzettingen, veen en jonge mariene afzettingen. In figuur 3.2 is de bodemopbouw binnen de gemeente Haarlem schematisch weergegeven. 3.1.3 Pleistoceen Gedurende het Pleistoceen (2,5 miljoen jaar tot 11.650 jaar BP30) zijn er verscheidene zeer koude perioden geweest (glacialen/ijstijden), afgewisseld met warmere perioden (interglacialen). Gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien, was Nederland gedeeltelijk met een dik pakket landijs bedekt. In deze periode werden als gevolg van het zich verplaatsende landijs in verschillende stadia de in de ondergrond aanwezige afzettingen opgestuwd. Het ijs had een dikte van minimaal 31 225 m maar ter hoogte van bijvoorbeeld Groningen was het ijs mogelijk zelfs circa 32 2,5 km dik. Het ijs was in beweging, waardoor op verschillende plaatsen materiaal werd gedeformeerd en/of afgezet.

Aan de rand van de ijslobben werden oudere afzettingen door de druk van het ijs opgestuwd tot stuwwallen. Onder het landijs werden diepe, zogenaamde glaciale bekkens gevormd. In eerste instantie werden dergelijke bekkens gevormd als gevolg van subglaciale smeltwater-erosie. In een later stadium werden de bekkens uitgeschuurd door het bewegende landijs. Dergelijke bekkens zijn tot een diepte van soms meer dan 100 meter uitgeschuurd. In Noord-Holland zijn vijf glaciale bekkens voor. Eén hiervan, het Bekken van Haarlem, bevindt zich in de diepe ondergrond van Haarlem en omgeving.33 Binnen de gemeente Haarlem zijn in enkele diepe geologische boringen op dieptes variërend van 41 tot 73 meter beneden maaiveld afzettingen van de Formatie van Drenthe aangetroffen. Het betreft hier zowel keileem (Laagpakket van Gieten) als lacustroglaciale bekken-opvullingen (Laagpakket van Uitdam). 34 Ook uit de op het Saalien volgende warmere periode, het Eemien, zijn in de diepe ondergrond van Haarlem overblijfselen aangetroffen. Binnen de gemeente Haarlem zijn in enkele diepe geologische boringen op dieptes variërend van 29,5 tot 34 meter beneden maaiveld afzettingen van de Eem Formatie aangetroffen. Het betreft hier matig fijn tot matig grof , meestal kalkhoudend, schelprijk zand.

Dit zand is onder mariene omstandigheden afgezet.35 Het Eemien betreft de warmere periode (interglaciaal) tussen het Saalien en het Weichselein. Dit interglaciaal heeft geduurd 36 van circa 130.000 jaar tot circa 115.000 jaar BP.

Weichselien Hoewel in de laatste ijstijd (Weichselien, 115.000 - 11.650 jaar geleden) het gebied niet bedekt is geweest met ijs, is het klimaat wel van invloed geweest op de vorming van het toenmalige landschap. Er heersten periglaciale condities. De huidige Noordzee bestond niet, aangezien het water voor een groot deel was opgenomen in het landijs van de Scandinavische ijsmassa’s. Met name gedurende de latere perioden van de ijstijd was het klimaat droger dan in voorgaande perioden. Deze droogte in combinatie met een schaars begroeid landschap zorgde ervoor dat de wind vrij spel had, waardoor er op grote schaal zand kon worden afgezet. Dit door de wind afgezette zand wordt dekzand genoemd. In het verleden is de theorie 30

BP = before present, waarbij 1950 als ‘present’ wordt gerekend. 11.650 jaar BP komt derhalve overeen met 9.700 jaar voor Christus. 31 Berendsen 2008. 32 De Mulder et al. 2003. 33 De Gans 1994. 34 Boringen B25A3140, B25A3141 en B25A1509, www.dinoloket.nl. 35 Boringen B25A0657, B25A1149, B25C0059 en B25A1509, www.dinoloket.nl. 36 De Mulder et al. 2003.

31

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

gebezigd dat het dekzand over grote afstanden door de wind werd getransporteerd en dat al het dekzand in Nederland uit het destijds droogliggende Noordzee bekken afkomstig is. Voor Haarlem en omgeving is deze theorie kloppend. Uit mineralogisch onderzoek is echter gebleken dat dit niet voor heel Nederland geldt. De dekzanden 37 bestaan overwegend uit materiaal van lokale herkomst. Het dekzandreliëf bestond voor het grootste gedeelte uit dekzandruggen en dekzandwelvingen. Behalve deze reliëfrijke gebieden zijn er ook gebieden waar het dekzand in de vorm van vlakten is afgezet. Het dekzandpakket wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel.38 Het materiaal bestaat in het algemeen uit fijn zand (mediaan van 150 – 210 mm) met enkele grovere zand- of grindlaagjes.39 Het pleistocene dekzand is in de loop van het holoceen bedekt geraakt met een dik pakket holocene afzettingen en bevindt zich binnen de grenzen van de gemeente Haarlem op grote diepte (gemiddeld op circa 25 m – NAP, zie figuur 3.2). 3.1.4 Holoceen Rond 11.650 jaar BP verbeterde het klimaat definitief. Tegen het einde van de Late Dryas steeg de gemiddelde jaartemperatuur in korte tijd. Nederland lag in een groot dekzandgebied waar de invloed van de zee nog niet merkbaar was. Zo ook binnen de gemeente Haarlem.

Het maaiveld van het toenmalige (pleistocene) landschap bevond zich echter enkele tientallen meters lager dan het huidige maaiveld. Door de snelle afsmelting van het landijs begon de zeespiegel snel te stijgen en vanaf ongeveer 8000 jaar geleden werd de zee-invloed in West-Nederland merkbaar. Door de stijgende grondwaterspiegel vond vernatting plaats en ontstond veengroei, het zogenaamde Basisveen. In deze periode van relatief snelle zeespiegelstijging gedurende het Atlanticum zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd. De vorming van strandwallen is het gevolg van het feit dat de Noordzee een ondiepe zee betreft, met een overwegend zandige bodem. Als gevolg van golfwerking en zeestromen kan de Noordzeebodem tot een diepte van 12 meter onder de waterspiegel in beweging komen.40 Dit vrijgekomen sediment wordt vervolgens in de vorm van een strandwal weer afgezet. Als de strandwal hoog genoeg is en regelmatig droog valt, zal een deel van het zand opwaaien tot duinen.

Figuur 3.3. De ontwikkeling van de kustlijn rond het begin van het Atlanticum, circa 8000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

37

Berendsen 2008. De Mulder et al. 2003. 39 Staring Centrum 1992. 40 Berendsen 2008, Klijn 1981. 38

Project V-19.0130A

32

Achter deze nog niet aaneengesloten strandwallen werd vanuit zeegaten marien sediment afgezet in de hier aanwezige uitgestrekte lagunes en waddengebieden, bovenop het al aanwezige Basisveen. Deze mariene (veelal zware) kleien worden gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Wormer (zie figuur 3.3). Als gevolg van de verder gaande zeespiegelstijging drong de zee steeds verder oostwaarts op. De kustlijn, die eerst nog ver in de huidige Noordzee lag, schoof steeds verder landinwaarts op en bereikte tussen 6000 en 5000 jaar geleden haar meest oostelijke positie.41 Hierbij zijn de oudere, voor die tijd afgezette strandwallen weer geërodeerd. Op veel plaatsen is ook het basisveen en het onderliggende dekzand door erosie aangetast. Achter de strandwallen ontstonden grote getijdebekkens waarbij zand en klei werd afgezet. Het zand werd met name in de getijdegeulen afgezet.42 Ook dit sediment wordt gerekend tot de Formatie van Naaldwijk, laagpakket van Wormer.43 De zee had grote invloed en dit maakte het gebied niet aantrekkelijk voor bewoning. In figuur 3.4 is dit visueel weergegeven.

Figuur 3.4. De ontwikkeling van de kustlijn rond het eind van het Atlanticum, circa 5000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

Vanaf circa 5000 jaar voor heden begon de kust zich te sluiten. Dit proces werd veroorzaakt door een afname van de zeespiegelstijging van meer dan een meter per eeuw naar enkele tientallen centimeters per eeuw. De sedimentaanvoer van de rivieren kwam hierdoor meer in balans met de stijging van de zeespiegel en de kustlijn kon zich stabiliseren en vervolgens weer westwaarts uitbreiden. Deze uitbreidingsfase hield circa 2500 jaar aan en werd veroorzaakt door het steeds opnieuw ontstaan van strandwallen voor de kust. Op deze wijze breidde de kust zich tot een maximum van10 kilometer westwaarts uit (westelijker dan de huidige kustlijn).44 Op de strandwallen ontstonden kleine duintjes die uiteindelijk zo hoog werden dat ze niet meer onder water kwamen te staan en de nieuwe kustlijn vormden. Deze duinen worden Oude Duinen genoemd. Voor deze duinen vormde zich een nieuw strand met langs de waterlijn een nieuwe strandwal. Door dit proces is een reeks strandwallen ontstaan met daartussen de lager gelegen strandvlaktes. De strandwallen met Oude Duinen vormden aantrekkelijke vestigingsplaatsen. Het waren relatief droge gebieden in een verder natte omgeving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste menselijke activiteiten in deze regio zich op deze Oude Duinen concentreerden. 41

Berendsen 2008, De Jong & Numan 2002, Klijn 1981. Berendsen 2008, Rosing 1995, Rappol en Soonius 1994. 43 De Mulder et al. 2003. 44 Berendsen 2008, Klijn 1981. 42

33

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

De kustbarrière sloot de zee overigens niet geheel buiten. Er waren nog enkele zeegaten aanwezig waardoor de zee nog regelmatig tot ver in het achterland kon doordringen. Hierbij werden de reeds aanwezige lagunes en wadafzettingen deels geërodeerd. Er werd echter ook weer nieuwe mariene afzettingen (met name zandige klei) afgezet. Een van de zeegaten bevond zich ten zuidwesten van het huidige Castricum. Het betrof de monding van het Oer-IJ. Via deze monding waterde een deel van de Rijn via haar meest noordelijke vertakking af.

Figuur 3.5. De ontwikkeling van de kustlijn rond het midden van het Subboreaal, circa 3000 jaar BP (naar Berendsen 2008).

Als gevolg van de kustafsluiting werd het grote waddengebied achter de strandwallen (grotendeels) afgesloten. In dit gebied, met uitzondering van de gebieden rond de zeegaten, nam de invloed van de zee sterk af en konden zich onder invloed van de stijgende grondwaterspiegel uitgestrekte veenmoerassen ontwikkelen. Het veengebied maakte tot in de middeleeuwen deel uit van een veel groter veengebied, een woest landschap dat zich uitstrekte van Vlaanderen tot in noordwest Duitsland. Het veenpakket (Hollandveen) heeft zich lokaal tot een dikte van enkele meters ontwikkeld. Ook op de tussen de strandwallen aanwezige lager gelegen strandvlaktes ontwikkelde zich op uitgebreide schaal veen. Zo ook in het oostelijke deel van de gemeente Haarlem, globaal ten oosten van het Spaarne. Maar ook binnen de Oude Duinen waren de gevolgen van de vernatting merkbaar. Zo is bij verscheidene onderzoeken in de randzone van Oude Duinen naar de strandvlakte in de basis van het oude duin een afwisseling van dunne veenlagen met oud duinzand aangetroffen (zie ook figuur 3.7). In figuur 3.5 is de bovenstaande ontwikkeling schematisch weergegeven. Gedurende de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bevond de kust zich (plaatselijk) tot enkele kilometers buiten de huidige kustlijn (zie figuur 3.5).

Dit blijkt onder andere uit het feit dat de resten van het Romeinse fort Brittenburg nu ter hoogte van Katwijk in zee liggen. De Brittenburg betrof zeer waarschijnlijk de meest westelijk gelegen fortificatie van de Limes en bevond zich aan de toenmalige monding van de Oude Rijn. Er heeft derhalve gedurende de middeleeuwen een sterke kusterosie plaatsgevonden waarbij delen van de oude strandwallen en bijbehorende Oude Duinen weer zijn afgebroken.45 Hierbij trad een versteiling van de zeebodem op en ontstond een grote aanvoer van zand naar het strand.46 Dit

45 46

De Jong & Numan 2002. Berendsen 2008.

Project V-19.0130A

34

heeft geresulteerd in het ontstaan van de Jonge Duinen vanaf circa 1000/1100 na Chr.47 Het jonge duinlandschap vertoont grote reliëfverschillen. Op veel plaatsen bereiken de Jonge Duinen hoogtes van 30 tot 50 m + NAP. De Jonge Duinen zijn ter hoogte van Haarlem in een circa 4,5 kilometer brede zone over het onderliggende oude duinlandschap afgezet, waarbij dit oude landschap als het ware is gefossiliseerd. Als gevolg van het ontstaan van de Jonge Duinen is circa 2,1 miljard 3 m zand aan de kust onttrokken. Dit komt globaal overeen met een kustafbraak van 1 à 2 kilometer.48 Binnen de gemeente Haarlem komen geen Jonge Duinen voor.

Figuur 3.6. De ontwikkeling van de kustlijn gedurende het Subatlanticum, ten tijde van de late middeleeuwen (naar Berendsen 2008).

Vanuit de het zeegat bij Castricum, de monding van het Oer-IJ, is tot de verzanding van dit zeegat gedurende de Romeinse tijd, nog regelmatig klei afgezet over het achter de strandwallen gelegen Hollandveen. Ook na de verzanding van het Oer-IJ, en dan met name vanaf de volle middeleeuwen, is tijdens overstromingen nog een dun pakket klei afgezet in het lager gelegen oostelijke deel van de gemeente Haarlem. Het water kwam nu niet via de Noordzee binnen, maar via het IJ vanaf de Zuiderzee. Deze klei wordt gerekend tot het Walcheren Laagpakket en wordt ook wel IJ-klei genoemd.49 In figuur 3.6 is dit schematisch weergegeven. In paragraaf 3.2 zal hier nader op worden ingegaan. Er bestaat nog de nodige controverse over de oorzaak van de kustafbraak. Het kan een gevolg zijn de fluctuaties van de zeespiegel en de ontbossing van de duinstreek welke sinds de Karolingische tijd heeft plaatsgevonden. Een aanvullende hypothese is dat de stormfrequentie gedurende de middeleeuwen hoger was, wat het proces van kusterosie door het verlies van zand naar de duinen versterkt zou kunnen hebben.50 De periode van ruim 1000 jaar tussen het einde van de maximale kustuitbreiding gedurende de ijzertijd tot het ontstaan van de jonge duinen gedurende de late middeleeuwen, kenmerkt zich als een fase van stilstand in duinvorming.

Grassen, struiken en bomen kregen de kans te groeien als gevolg waarvan een dunne humuslaag kon ontstaan. Eeuwen van uitloging door regenwater resulterende in de ontwikkeling van een podzolbodem, met uitspoelings- en inspoelingshorizonten. 47

De Jong & Numan 2002. Berendsen 2008. 49 De Mulder et al. 2003. 50 Berendsen 2008. 48

35

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Deze bodem is op veel plaatsen in de Amsterdamse Waterleidingduinen en de Kennemerduinen nog als zodanig herkenbaar, met name daar waar de Oude Duinen het hoogst gelegen zijn.51 Maar ook in de oostflank van de strandwal van Haarlem is een dergelijke bodem aangetroffen, al kan de ouderdom van de bodem hier op basis van vondstmateriaal in de bronstijd geplaatst worden.52 Een gevolg van de bodemvorming is dat de top van de Oude Duinen tot relatief grote diepten is ontkalkt. De droge hooggelegen delen van de Oude Duinen zijn lokaal zelfs tot een diepte van 5 meter ontkalkt.53 Op grotere diepte is het sediment van de Oude Duinen overigens wel weer kalkrijk. Op de wat lagere plekken ontstond als gevolg van vernatting door de verder stijgende grondwaterspiegel veengroei, veelal op de (in de lagere gelegen delen zwak ontwikkelde) podzolbodem. Zoals onderzoek op de oostflank van de strandwal van Haarlem heeft aangetoond, komt bodemvorming, maar vooral veengroei, op de flanken van de Oude Duinen op meerdere niveaus voor.54 Uit dat onderzoek is gebleken dat in de periode na de late bronstijd, een periode waarin de strandwal van Haarlem intensief werd bewoond, verstuiving van de Oude Duinen plaatsvond. Deze intensieve verstuivingen vonden ook nog plaats gedurende de vroege ijzertijd.

Het betrof verstuiving van lokale aard; de kustlijn lag dermate ver naar het westen, dat het geen aanvoer van ‘nieuw’ strandzand betrof.55 Gedurende deze periode heeft derhalve een aanzienlijke afvlakking van de Oude Duinen op de strandwal van Haarlem plaatsgevonden. Gezien de aanwezigheid van in het duinzand geschakelde veenlaagjes, betrof het een afwisseling van verstuiving en relatief rustige periodes, waarbij het veen vanuit de strandvlakte de strandwal ‘opkroop’. Pollenanalyses hebben aangetoond dat zich vanaf de jaartelling bos heeft ontwikkeld op de Oude Duinen. In deze regio betreft het een bos dat zich uitstrekte van het huidige Haarlem tot aan de toenmalige kust.56 Het bos bestond aanvankelijk voornamelijk uit eiken, later werd de beuk overheersend. Vanaf circa 700 na Chr. nam de dichtheid van het bos af (zichtbaar aan de toename van struiken en kruiden in de pollendiagrammen).57 Dit was het gevolg van de kap van bomen. Aanvankelijk kapte men voornamelijk om aan de vraag naar brandhout te voldoen en in mindere mate om nieuw landbouwareaal te creëren.58 Vanaf de ontwikkeling van de Jonge Duinen degradeerde het bos in de kuststreek in rap tempo. In deze regio wordt dit oerbos in historische bronnen vermeld als het Haarlemmerhout.

Zoals hierboven uiteen is gezet, is vanaf circa 5000 jaar BP tot circa 2500 jaar BP een serie parallel aan elkaar gelegen strandwallen gevormd, waarop zich de zogenaamde Oude Duinen hebben gevormd. De oudste van de strandwallen (met duinen) bevindt zich in deze regio op circa 10 kilometer ten oosten van de huidige kustlijn. Het betreft de strandwal die van Heemstede richting Spaarnwoude loopt. Deze strandwal is rond 5200 jaar BP gevormd.59 Deze strandwal, de oudste in de regio, bevindt zich grotendeels binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Haarlem. Het betreft een relatief smalle rug van 150 tot 200 meter breed en een lengte van circa 9 kilometer. Circa 5 kilometer hiervan bevindt zich binnen de gemeente Haarlem en loopt vanaf de Binnen Liede tegenover Haarlemmerliede langs het Liewegje via de Fuikhoeve en de rioolwaterzuiveringsinstallatie naar de Boerhavewijk. Hier blijven slechts enkele ‘eilandjes’ over tot de strandwal ter hoogte 51

De Jong & Numan 2002. De Jong 1991. 53 Klijn 1981. 54 De Jong 1991. 55 De Jong 1991. 56 Jelgersma et al. 1970. 57 De Jong & Numan 2002. 58 De Jong & Numan 2002. 59 RGD 1995, Dütting, Verniers & Voormolen 2018. 52

Project V-19.0130A

36

van de Schouwbroekerplas weer ‘opduikt’ om vervolgens richting Heemstede de gemeente uit te lopen. Aangezien deze strandwal relatief weinig is aangetast (bijvoorbeeld als gevolg van afgravingen) en op sommige plekken zelfs nog enigszins zichtbaar is in het huidige landschap, heeft de provincie Noord-Holland het noordelijke deel van deze strandwal tot aardkundig monument aangewezen.60

Figuur 3.7. De begrenzing van de provinciale Aardkundige Monumenten binnen de gemeente

Haarelm (provincie Noord-Holland 2020).

De volgende, jongere strandwal met Oude Duinen betreft de strandwal van Haarlem. Dit is een grote en relatief brede strandwal die van Velserbroek tot aan Leiden doorloopt. Op zijn breedst is deze strandwal ruim 1 kilometer breed. Binnen de gemeente Haarlem is deze strandwal wat smaller, maar heeft toch nog een breedte van gemiddeld ruim 500 meter. De strandwal van Haarlem doorsnijdt de gehele gemeente van de Slaperdijk in het noorden tot het Haarlemmerhoutkwartier in het zuiden. De strandwal van Haarlem is omstreeks 4800 jaar BP gevormd.61 Als gevolg van de uitbouwende kust bevindt deze strandwal zich op circa 3 kilometer ten westen van de oudere strandwal van Heemstede-Spaarnwoude. Omdat de strandwalafzettingen de relatieve zeespiegelstijging volgden, bevindt de strandwal van Haarlem zich op grotere hoogte ten opzichte van NAP dan de oudere strandwal van Heemstede-Spaarnwoude. De jongere strandwal van Bloemendaal-Santpoort ligt op haar beurt weer circa twee kilometer ten westen van die van Haarlem en is ook weer wat hoger in het landschap gelegen. Deze strandwal is rond 4000 jaar BP gevormd. 62 Ook dit betreft een grote en relatief brede strandwal met breedtes van meer dan een kilometer.

Deze strandwal begint ter hoogte van Santpoort-Noord en loopt via Santpoort, Bloemendaal, Overveen en Aerdenhout in zuidwestelijke richting, waar het ter hoogte van Bennebroek aansluit op de strandwal van Haarlem. Ter hoogte van Overveen is de strandwal van Bloemendaal-Santpoort afgedekt met Jonge Duinen. Slechts een klein deel van de strandwal van Bloemendaal-Santpoort bevindt zich binnen de gemeente Haarlem, ter hoogte van het Ramplaankwartier. Ten westen van de strandwal van Bloemendaal-Santpoort bevinden zich nog enkele strandwallen in de ondergrond. Hier liggen de strandwallen echter dicht op elkaar, zonder duidelijke strandvlakten ertussen. Daaroverheen is een ‘deken’ van oude duinen afgezet, die op hun beurt ook weer moeilijk te koppelen zijn aan de 60

Dütting, Verniers & Voormolen 2018. RGD 1995. 62 Bosman 2011. 61

37

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

bijbehorende strandwal.63 In figuur 3.8 is de ouderdom van de individuele strandwallen binnen de gemeente Haarlem visueel weergegeven.

Figuur 3.8. Geologisch dwarsprofiel door de gemeente Haarlem (De Jong en Bosman 1997),

aangevuld met de ouderdom van de strandwallen (naar De Groot et al. 1994).

3.1.5 Verstoring van de Oude Duinen Aan het einde van de middeleeuwen en gedurende nieuwe tijd zijn grote delen van de hoger gelegen strandwallen en Oude Duinen afgegraven ten behoeve van zandwinning.

Figuur 3.9. Schematische weergave van de intacte en afgegraven strandwallen in de regio Haarlem rond 1952 (naar Van der Meer 1952).

Dit zand werd gebruikt voor de uitbreiding van de grote steden zoals Amsterdam maar ook Haarlem. Hierbij zijn deze strandwallen tot ver onder het archeologisch relevante niveau afgegraven. De tot aan het grondwaterniveau afgegraven 63

Dütting, Verniers & Voormolen 2018.

Project V-19.0130A

38

gebieden werden in cultuur gebracht. De kalkrijke zandgronden bleken uitermate geschikt voor de bollenteelt. Overigens zijn de strandwallen (inclusief de Oude Duinen) in de regio Haarlem grotendeels gespaard gebleven. Dit is onder andere het gevolg van de hier in overvloed aanwezige buitenplaatsen. Deze waren het eigendom van rijke stedelingen die hun landgoederen niet ten prooi lieten vallen aan de zandwinningen.64

3.2

Reconstructie van het landschap voor verschillende archeologische perioden

3.2.1 Inleiding Zoals uit paragraaf 3.1 is gebleken, is het landschap van West-Nederland, en daarmee ook het grondgebied van de gemeente Haarlem, ontstaan gedurende de laatste 11.650 jaar van de geologische geschiedenis, het Holoceen. Er hebben gedurende deze lange periode veel landschappelijke veranderingen opgetreden, waarbij de relatieve zeespiegelstijging een grote rol heeft gespeeld. Het veranderende landschap is van grote invloed geweest op de mogelijkheden voor de mens om het landschap te gebruiken. Derhalve zal de landschappelijke situatie gedurende enkele archeologische perioden aan de hand van enkele paleografische kaartjes65 in de volgende paragrafen kort uiteen worden gezet. 3.2.2 Laat-Paleolithicum (35.000 - 8.800 voor Chr.) Gedurende de laatste ijstijd (Weichselien) lag de zeespiegel circa 40 meter lager dan nu het geval is. De Noordzee bestond niet, het huidige Groot-Brittannië kon vanaf Nederland bereikt worden zonder natte voeten te krijgen. Gedurende het laatste deel van het Weichselien, de Jonge Dryas, heerste er een subarctisch klimaat met o korte, koude zomers (gemiddelde juli temperatuur <10 C) en lange koude winters. Het landschap bestond uit een open, subarctisch parklandschap waar in beperkte mate begroeiing aanwezig was (voornamelijk kruiden en enkele solitaire (dwerg)berken en dennen).

Deze situatie is vergelijkbaar met de huidige toendragebieden in Alaska, Canada, Noord-Europa en Rusland. Net zoals de mens in deze gebieden (tot vrij recent) een nomadisch bestaan had, leefde de mens gedurende de Jonge Dryas periode als nomaden, waarschijnlijk in kleine groepjes bestaande uit één of meerdere families. Men leefde van de jacht en volgde het wild dat met de seizoenen mee migreerde. Ook binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem zullen destijds mensen hebben gewoond. Het pleistocene landschap is in de loop van het holoceen echter bedekt geraakt met een dik pakket holocene afzettingen en bevindt zich nu op grote diepte (gemiddeld op circa 25 m – NAP). Bovendien is dit landschap in de loop van de volgende millennia grotendeels verstoord als gevolg van trans- en regressies. De kans op sporen uit deze periode is derhalve zeer gering. 3.2.3 Mesolithicum (8.800 – 5.300 voor Chr.) Als gevolg van de snelle zeespiegelstijging gedurende het mesolithicum werd de zee-invloed in West-Nederland vanaf ongeveer 8000 jaar geleden merkbaar. In eerste instantie betekende dit dat er zich veen ontwikkelde als gevolg van de grondwaterspiegelstijging. Dit had een serieuze verslechtering van de woonomstandigheden tot gevolg. Later ontstond ter plaatse een waddengebied met schorren en slikken achter verder zeewaarts gelegen strandwallen.

Geen aantrekkelijke omstandigheden, al is het in theorie mogelijk dat zich hier mensen hebben gevestigd. In figuur 3.10 is de situatie rond 5500 jaar voor Chr. weergegeven.

64 65

39

Klijn 1981. Vos & de Vries 2013.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Echter, zelfs als zich mensen hebben gevestigd in dit waddenmilieu, dan is de kans op sporen van deze menselijke activiteiten zeer gering. Als gevolg van de steeds verdergaande zeespiegelstijging schoof de kustlijn steeds verder oostwaarts op en kwam het gebied ter hoogte van de gemeente Haarlem geheel onder water te staan. Hierbij is veel, zo niet al het eerder afgezette holocene sediment weer opgeruimd.

Figuur 3.10. De landschappelijke situatie rond 5.500 voor Chr. ter plaatse van de gemeente

Haarlem en omgeving (naar Vos en de Vries 2013).

3.2.4 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) Zo rond 5.200 jaar geleden, aan het begin van het neolithicum, bereikte de kustlijn haar meest oostelijke ligging. De kust begon zich te sluiten en de kustlijn schoof in de daarop volgende 2500 jaar circa 10 kilometer westwaarts op. Er ontstonden strandwallen met daarop (oude)duinen. Deze strandwallen met (Oude) duinen speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van menselijke activiteiten in deze regio. Het waren relatief droge gebieden in een verder natte omgeving. De eerste menselijke activiteiten in deze regio dateren dan ook uit het midden-neolithicum en concentreerden zich op de oudste strandwallen in het landschap.66 Zoals uit figuur 3.11 blijkt, ontwikkelde het landschap zich binnen de huidige grenzen van de gemeente Haarlem dermate gunstig, dat bewoning vanaf het (midden) neolithicum mogelijk was. Rond 3.250 jaar voor Chr. werd de oudste strandwal (met Oude Duinen) binnen de gemeente Haarlem gevormd. Het betreft de reeds besproken strandwal van HeemstedeSpaarnwoude. Ondanks de geringe grootte van deze strandwal heeft hier wel degelijk bewoning plaatsgevonden (zie hoofdstuk 4). De dynamiek van het landschap was in die tijd blijkbaar van dien aard, dat het aantrekkelijk was voor de mens zich hier te vestigen.

De omstandigheden waren gunstig, met zoet water in de directe nabijheid in de omliggende veengebieden en hoger (en dus droger) gelegen gebieden op de strandwal. De biotoop was dermate gunstig, dat voldoende voedsel aanwezig was. Bovendien werd de bodem in de loop der tijd dermate vruchtbaar, dat (kleinschalige) landbouw mogelijk was. Eenzelfde argumentatie geldt voor de strandwal van Haarlem. Deze circa 400 jaar later gevormde strandwal was voor de sedentaire mens nog geschikter, aangezien deze strandwal aanzienlijk groter was en derhalve meer mogelijkheden bood voor landbouw. Toen rond het einde van het neolithicum de strandwal van Bloemendaal-Santpoort werd gevormd (rond 2050 voor Chr.), werden de omstandigheden op de strandwal van Haarlem nog gunstiger, aangezien de invloed van de zee als gevolg van de 66

Bosman 2011.

Project V-19.0130A

40

aanwezigheid van de jongere strandwal verder afnam. De omstandigheden ter plaatse van de strandwal van Heemstede-Spaarnwoude werden mogelijk wel minder gunstig, gezien de uitbreiding van het veenmoeras alhier als gevolg van de stijgende grondwaterspiegel. Desalniettemin heeft ook hier nog bewoning plaatsgevonden gedurende deze periode.67

Figuur 3.11. De landschappelijke situatie rond 2.000 voor Chr. ter plaatse van de gemeente

Haarlem en omgeving (naar Vos en de Vries 2013). Bewoning ter plaatse van de gemeente Haarlem was goed mogelijk op de strandwallen van Heemstede – Spaarnwoude, Haarlem en Bloemendaal – Santpoort.

3.2.5 Bronstijd – vroege middeleeuwen (2.000 voor Chr. – 1.050 na Chr.) De kustuitbreiding duurde ongeveer tot in de late ijzertijd. Het strandwallen- en duingebied ten westen van de gemeente Haarlem vormde in deze periode een dynamisch gebied waar de invloed van de zee nog goed merkbaar was met de vorming van verscheidene strandwallen.

Figuur 3.12. De landschappelijke situatie rond 500 voor Chr. ter plaatse van de gemeente Haarlem en omgeving (naar Vos en de Vries 2013).

67

41

Smit et al. 2014.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Dat was veel minder het geval binnen het grondgebied van de gemeente Haarlem. Dat wil echter niet zeggen dat hier niets meer gebeurde. Het veen breidde zich uit en ‘bedreigde’ de lager gelegen strandwal van Heemstede-Spaarnwoude. Ook op de strandwalvlakte tussen de strandwallen van Haarlem en Bloemendaal-Santpoort ontwikkelde zich als gevolg van de steeds stijgende grondwaterspiegel een veenmoeras. Bovendien vlakten de Oude Duinen op de strandwal van Haarlem als gevolg van verstuiving verder af. Zoals in paragraaf 3.1.4 reeds behandeld, resulteerde dit met name aan de oostflank van de strandwal van Haarlem in een afwisseling van duinzand en veenlagen.68 De verstuiving en vernatting heeft ook invloed gehad op de bewoonbaarheid van de strandwallen, al zijn de omstandigheden in deze periode niet dermate verslechterd, dat het gebied onbewoonbaar werd, getuige de vondsten uit de bronstijd en de ijzertijd69 (zie ook hoofdstuk 4). Naast de uitbreiding van het veenmoeras en de lokale verstuivingen, werd gedurende de bronstijd en de ijzertijd nog regelmatig mariene klei afgezet over het achter de strandwallen gelegen Hollandveen. Dit was het gevolg van overstromingen vanuit het zeegat bij Castricum (de monding van het Oer-IJ). De afzetting van dergelijk sediment beperkte zich in deze periode echter tot een klein deel in het noordoosten van de gemeente Haarlem (zie figuur 3.12).

Figuur 3.13. De landschappelijke situatie rond 800 na Chr. ter plaatse van de gemeente

Haarlem en omgeving (naar Vos en de Vries 2013). In de periode vanaf de jaartelling tot de vorming van de Jonge Duinen rond 1000 na Chr. betrof het een relatief stabiel landschap.

Vanaf de vorming van de jongste strandwal zo rond 200 voor Chr. tot aan de vorming van de Jonge Duinen vanaf circa 1000 na Chr. was het oude duinlandschap binnen in de regio veel minder dynamisch dan de periode daarvoor. Het landschap stabiliseerde en er ontstond op grote schaal begroeiing. Er ontwikkelde zich een uitgestrekt bos dat zich uitstrekte van de strandwal van Haarlem tot aan de toenmalige kustlijn. Het veenmoeras breidde zich echter ook nog steeds uit. De strandwal van Heemstede-Spaarnwoude ‘verdween’ onder het veen. Ook de strandwal van Haarlem raakte deels bedekt met veen. De monding van het Oer-IJ nabij Castricum is in de loop van de Romeinse tijd verzand, maar als gevolg van erosie van veen aan de monding van de Vecht in het voormalige Oer-IJ estuarium ontstond het IJ. Vanaf het ontstaan van de Almere lagune in de loop van de vroege middeleeuwen werd het water in het IJ brak en

68 69

De Jong 1994, De Jong 1997, Jacobs 1999, Alkemade et.al. 1991. Jacobs 1999.

Project V-19.0130A

42

trad er getijdewerking op.70 Het veenmoeras in het oostelijke deel van de gemeente Haarlem waterde af op het IJ middels (voorlopers van) het Spaarne, het Vuilrak en de Liede. In het veengebied bevonden zich natuurlijke meren. Sommige van deze meren konden ontstaan omdat de afwatering van de veengebieden verslechterde als gevolg van het zakken van het veenoppervlak. Als gevolg van erosie ontstonden er kleine meertjes langs de bestaande veenriviertjes. Vanwege golfslag, aangewakkerd door de wind, kalfden de veenoevers af, waardoor de meren groter werden. Hierdoor kreeg de wind meer vat op het wateroppervlak, met meer erosie tot gevolg. Op deze wijze konden de veenmeren groeien. De voorgangers van het Haarlemmermeer zijn al voor 800 na Chr. op deze wijze ontstaan. 71 Met name de strandwal van Haarlem was in deze periode nog steeds geschikt voor bewoning. Dit blijkt ook wel uit het vondstmateriaal uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen (zie hoofdstuk 4). Desalniettemin zijn relatief weinig vondsten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen bekend binnen de gemeente Haarlem. Dit is het gevolg van de afname van de invloed van de mens op het landschap gedurende de Laat-Romeinse tijd, wat tot in de vroege middeleeuwen heeft geduurd. Dit duidt mogelijk op een ontvolking van het gebied.

Een veel gebruikte hypothese voor deze ontvolking van de kuststreek is dat er politieke of sociaal economische oorzaken aan ten grondslag liggen. Deze periode kenmerkt zich namelijk door onrust als gevolg van invallen van Germaanse stammen en het wegvallen van het centrale Romeinse gezag.72 3.2.6 Late-middeleeuwen en Nieuwe Tijd (1050 na Chr. tot heden) De periode vanaf circa 1000 na Chr. kenmerkt zich in deze regio als een periode met grootschalige verstuivingen. Dit heeft geresulteerd in het ontstaan van de Jonge Duinen. De Jonge Duinen zijn in een circa 4 kilometer brede zone over het onderliggende Oude Duinlandschap afgezet. Binnen de gemeente Haarlem bevinden zich echter geen Jonge Duinen. Hier hebben in deze periode dan ook nauwelijks verstuivingen plaatsgevonden. Het landschap binnen de gemeente Haarlem is in deze periode echter wel degelijk sterk veranderd. Deze veranderingen waren niet alleen het gevolg van natuurlijke omstandigheden, maar ook van de sterk toegenomen menselijke activiteiten. De bevolkingsdichtheid nam sterk toe en Haarlem ontwikkelde zich tot een grote stad (zie ook hoofdstuk 4). De behoefte om het omliggende landschap in gebruik te nemen nam dan ook sterk toe. Het veengebied in het oostelijke deel van de gemeente werd in deze periode intensief in gebruik genomen. Het gebruik van het veengebied had grote gevolgen voor het aanzien van het landschap.

In drie eeuwen tijd veranderde het uitgestrekte aaneengesloten veengebied in een intensief bewoond en regelmatig verkaveld veenweidegebied.73 Om de veengebieden, die in het begin van de ontginning nog ruim boven NAP lagen, te kunnen gebruiken voor landbouwdoeleinden, moest men het gebied ontwateren. Er werden afwateringssloten gegraven en het veen werd in gebruik genomen als akkerland. Als gevolg van de sterk toegenomen afwatering van de veengebieden trad oxidatie op. Het veen begon in te klinken en het maaiveld begon te dalen.74 Dit proces werd nog eens versterkt door het feit dat ook de natuurlijke afwatering toenam als gevolg van het ontstaan het IJ en de Zuiderzee. De daling van het land ging door totdat het grondwaterpeil weer werd bereikt. Dat was weer nadelig voor het landgebruik door de mens, met als gevolg dat men het gebied

70

De Gans 2016. De Gans 2016. 72 Bosman 2011. 73 Besteman 1994. 71

74

43

Besteman 1994, De Gans 2016.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

weer verder afwaterde. Hierdoor nam de oxidatie weer toe met maaiveld daling tot gevolg. Dit proces is op veel plaatsen doorgegaan tot het gehele veenpakket e geoxideerd is. Rond de 17 eeuw was het oppervlak in veel gebieden zover gezakt, dat het rond NAP kwam te liggen en te nat werd voor akkerbouw. Men ging over op het gebruik als grasland met de totstandkoming van veenweidegebied tot gevolg.75 Grote delen van het buitengebied van Noord- en Zuid-Holland zijn nog steeds in gebruik als veenweidegebied. Ook binnen de gemeente Haarlem zijn hier nog restanten van overgebleven, al heeft de naoorlogse stadsuitbreiding veel van dit gebied ‘opgeslokt’. Het gebied ten oosten van het Vondelkwartier en ten westen van Spaarndam is hier een mooi voorbeeld van. Dat geldt ook voor (de restanten van) de Zuider- en Poelpolder. Als gevolg van de daling van het maaiveld werd het veengebied in toenemende mate gevoelig voor overstromingen en verzilting. Zo ook het gebied binnen de gemeente Haarlem ten oosten van het Spaarne. In de jaren 1164 en 1170 is dit gebied tijdens hevige najaarsstormen vanuit het IJ overstroomd, waarbij een dun pakket klei over het nog resterende veen is afgezet. Ook na 1170 hebben nog herhaaldelijk overstromingen plaatsgevonden waarbij klei is afgezet.

Deze kleilaag staat bekend als IJ-klei, 76 maar wordt plaatselijk ook wel Klei van Bakenes genoemd.77 Pas nadat omstreeks 1250 het IJmeer werd bedijkt en het Spaarne en de Liede door de Spaarndam werden afgedamd, nam de overstromingsfrequentie af.78

Figuur 3.14. De landschappelijke situatie rond 1500 na Chr. ter plaatse van de gemeente

Haarlem en omgeving (naar Vos en de Vries 2013).

In deze periode nam, mede als gevolg van de daling van het maaiveld, de grootte e van de natuurlijke veenmeren sterk toe (zie figuur 3.14). In de 16 eeuw bestond bijna de helft van de provincie Noord-Holland uit water. In de directe omgeving van Haarlem bevonden zich het IJmeer, het Spiering meer en het Haarlemmermeer. e Vanaf de 16 eeuw werden de meeste van deze meren ingepolderd.79 De inpoldering die de meeste invloed had op het aangezicht van het landschap in de directe omgeving van de gemeente Haarlem, was de inpoldering van het Haarlemmermeer in 1852.

75

De Gans 2016. De Mulder et al. 2003. 77 RGD 1995. 78 Smit et al. 2014. 79 De Gans 2016. 76

Project V-19.0130A

44

3.3 Bodem 3.3.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waarin de bodem zich vormt. Het deel van het landschap binnen de grenzen van de gemeente Haarlem dat op de bodemkaart uit 1992 is gekarteerd, is relatief jong. Het betreft voornamelijk veen- en kleigronden die slechts enkele honderden jaren aan het oppervlak liggen. Bovendien waren de omstandigheden (te nat) ongeschikt voor uitgebreide bodemvorming. Echter, als gevolg van de naoorlogse bouwdrift is verreweg het grootste deel van de gemeente Haarlem op de bodemkaart van1992 niet gekarteerd. De bodemkaart uit 1992 geeft derhalve een zeer beperkt beeld van de bodemopbouw van de gemeente Haarlem. Er is ook een bodemkaart uit 1952.80 Ook voor deze kaart geldt echter dat slechts een deel van de gemeente Haarlem is gekarteerd (zie figuur 3.15). In dit geval is het oostelijke deel van Haarlem, dus het deel waar de ‘begraven’ Oude Duinen/strandwallen aanwezig zijn, wel gekarteerd.

Figuur 3.15. Overzicht van de bodemkaart van de Omgeving van Haarlem uit 1952.

De ligging van de op deze oude kaart gekarteerde ‘begraven’ Oude Duinen/strandwallen komt goed overeen met de ligging van de ‘begraven’ Oude Duinen/strandwallen zoals weergegeven op de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving,81 zij het dat het kaartbeeld van laatstgenoemde kaart gedetailleerder is en meer begraven Oude Duinen/strandwallen toont. Vandaar dat bij het vervaardigen van de landschappelijke eenhedenkaart voornamelijk de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving is gebruikt (zie ook hoofdstuk 6). De terminologie zoals gebruikt op de bodemkaart van 1952 is dermate afwijkend van de moderne terminologie, dat deze niet bruikbaar is voor deze paragraaf. De bodemtypes zoals weergegeven op de bodemkaart van 1992 zullen in de nu volgende paragraven nader worden behandeld. 3.3.2 Vorstvaaggronden Zoals op figuur 3.15 zichtbaar is, is het grootste deel van de gemeente Haarlem gekarteerd als zijnde bebouwd. Van het oude duinlandschap in het westelijke deel van de gemeente is maar een zeer beperkt deel gekarteerd. Een klein deel hiervan 82 betreft vorstvaaggronden. Vorstvaaggronden zijn bodems zonder of soms met een 80

Stichting Bodemkartering 1952, Bennema en de Visser 1952. RGD 1995. 82 Staring Centrum 1992. 81

45

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt direct op een duidelijk verbruinde bodemlaag tot een diepte van circa 60-80 cm. Dit is een Bw-horizont (soms Bws-horizont) met duidelijke ijzerhuidjes om de zandkorrels. Daaronder bevindt zich de soms nog sterk gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is meestal middelhoog, zodat vanaf circa 50 cm beneden maaiveld roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. De vorstvaaggronden liggen 83 ten opzichte van de omliggende landschapseenheden relatief middelhoog.

Figuur 3.16. Overzicht van de bodemkaart van Nederland voor de gemeente Haarlem.

Archeologische resten kunnen bij een intact bodemprofiel in theorie worden verwacht op of binnen 30 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont. In (voormalig) actieve stuifgebieden, waarvan hier mogelijk sprake is, dient echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere stuifzanden. Onder een vondstloze C-horizont van dergelijke bodems kunnen dan nog begraven bodems met bewoningssporen en/of oudere vondstniveaus voorkomen.

Figuur 3.17. Voorbeeld van een begraven bodem in Jonge Duin-afzettingen. Bron; Loopgroep 03 Haarlem.84

83

De Bakker en Schelling 1989.

84

www.loopgroep03.nl 2020.

Project V-19.0130A

46

Indien archeologische resten overstoven zijn, dan biedt het stuifzanddek juist bescherming tegen invloeden van bovenaf, wat de gaafheid van vindplaatsen en de conservering van archeologische resten ten goede komt. Aangezien het hier de westzijde van de strandwal van Haarlem betreft, is de kans hier echter groter dat het oude duinoppervlak hier juist is geërodeerd als gevolg van verstuiving gedurende de brons- en ijzertijd. 3.3.3 Kalkhoudende enkeerdgronden Volgens de bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000) bevindt zich op de Oude Duinen van de strandwal van Haarlem nog een zone bestaande uit kalkhoudende enkeerdgronden. Enkeerdgronden zijn zandgronden met een niet-vergraven, dikke humushoudende bovengrond (Aa-horizont van minimaal 50 cm dik). Deze dikke humushoudende bovengrond wordt ook wel een plaggendek of esdek genoemd. Dit esdek is ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers. Op een akkercomplex op arme zandgrond konden zo gedurende langere tijd gewassen verbouwd worden, zonder dat de bodemvruchtbaarheid daarbij uitgeput raakte. Dergelijke gronden komen echter vooral voor op de arme pleistocene gronden van oost en zuid Nederland en veel minder in het duingebied. Daar waar ze wel voorkomen in het duingebied van West-Nederland is sprake van zogenaamde geestgronden.

Dit betreft voornamelijk bollengronden of zanderijgronden die daar zijn ontstaan door herhaalde diepe grondbewerking. Daarvan is binnen de gemeente Haarlem geen sprake. Waarschijnlijk zijn bij de bodemkartering abusievelijk bodems tot een enkeerdgrond gerekend waar in werkelijkheid sprake is van zones met venige afzettingen in de top van het Oude Duinlandschap, die als gevolg van menselijk handelen zijn vermengd met zand. Het op de bodemkaart gekarteerde areaal aan enkeerdgronden wordt dan ook in twijfel getrokken. 3.3.4 Beekeerdgronden In het noordoostelijke deel van de gemeente Haarlem, ter oosten van de wijk het Vondelkwartier, maar ook ten zuiden van het Ramplaankwartier is een beekeerdgrond gekarteerd. Beekeerdgronden zijn kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand, waar de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door de aanvoer van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15-30 cm). De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond. De aanwezigheid van roestvlekken duidt op een (zeer) slechte ontwateringstoestand van de 85 ondergrond van deze bodem. Archeologische resten kunnen worden aangetroffen binnen 30 cm beneden maaiveld.

De natte tot vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventueel aanwezige archeologische resten (met name organisch materiaal) goed geconserveerd blijven. 3.3.5 Veengronden Zoals uit de paragraven 3.1 en 3.2 al is gebleken, bestaat het oostelijke deel van de gemeente Haarlem uit veengronden. Ondanks dat veel van het veen is verdwenen als gevolg van oxidatie, of niet meer aan het oppervlak ligt omdat het is afgedekt met een dun pakket klei, is het nog wel degelijk aanwezig. Dat blijkt ook wel wanneer de bodemkaart wordt bekeken (figuren 3.15 en 3.16). In de nu nog aanwezige polderlandschappen van de gemeente Haarlem komt een veelvoud aan veengronden voor. Het betreft waardeveengronden, weideveengronden, vlietveengronden en koopveengronden. De veendikte heeft invloed op het bodemtype, omdat de bovenste 120 cm van een bodem naamgevend is. Indien binnen 80 cm beneden maaiveld een laag van tenminste 40 cm materiaal met veel organische stof (moerig materiaal) aanwezig is, dan valt de bodem onder de

85

47

De Bakker en Schelling 1989.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

86

veengronden. Wanneer minder moerig materiaal aanwezig is, valt de bodem onder de moerige gronden. Bij een veengrond kunnen archeologische resten aanwezig zijn binnen 30 cm van de top van het bodemprofiel. Tot aan de veenontginningen was het veengebied niet tot weinig geschikt voor bewoning. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten van nederzettingen in het veengebied van voor de middeleeuwen en/of nieuwe tijd is daardoor klein. Dit betekent echter niet dat in het veengebied geen archeologische resten aanwezig kunnen zijn. In het veengebied kunnen rituele deposities, resten van veenwegen en losse vondsten gerelateerd aan de jacht en houtkap aanwezig zijn. Het voordeel van veengronden is dat door de vochtige bodemgesteldheid eventuele archeologische resten goed geconserveerd blijven. Bij de veengronden moet echter rekening worden gehouden met overgroeide landschappen (in dit geval strandwallen met Oude Duinen), waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt. In dat geval werkt het veenpakket als een conserverende laag die eventueel aanwezige archeologische resten beschermd. In het laag gelegen oostelijke deel van de gemeente Haarlem kan dit goed het geval zijn, voornamelijk op die locaties waar het veen gelegen is op de strandwaleilandjes behorende tot de strandwal van Heemstede-Spaarndam.

Moerige eerdgronden kenmerken zich doordat in het profiel een moerige (= venige) laag van tenminste 20 cm en maximaal 40 cm voorkomt, in combinatie met een minerale eerdlaag van minstens 15 cm. Moerige eerdgronden zijn meestal gelegen in de laagste delen van het landschap en vormen vaak de overgangszone naar gebieden met veengronden. Het grondwater staat in deze gebieden hoog.

86

De Bakker en Schelling 1989.

Project V-19.0130A

48

4

Bewoningsgeschiedenis M.A. Tolboom

4.1 Inleiding De vorming van het landschap en de bewoningsgeschiedenis hangen nauw met elkaar samen. De gemeente Haarlem is gelegen in een landschap dat zich kenmerkt door een afwisseling van twee verschillende landschapszones, namelijk het duinlandschap in het westelijke deel van de gemeente en het getijdenlandschap in het oostelijke deel van de gemeente. Het duinlandschap bestaat uit Oude Duinen gelegen op strandwallen, van elkaar gescheiden door laag gelegen strandwalvlakten. Het getijdenlandschap bestaat eveneens uit Oude Duinen gelegen op strandwallen die van elkaar gescheiden zijn door laag gelegen strandwalvlakten. Dit landschap is als gevolg van haar relatief lage ligging in latere tijden echter ‘verdronken’. Hier hebben zich grote veenmoerassen gevormd en is gedurende de volle middeleeuwen een dun pakket IJ-klei afgezet (zie hoofdstuk 3). Het landschap binnen de gemeente Haarlem is relatief jong; het is tot ontwikkeling gekomen vanaf het midden-neolithicum. De oudste bewoning concentreerde zich op twee strandwalruggen, namelijk de strandwal Heemstede tot Spaarnwoude en de strandwal van Haarlem. Tot die tijd bestond het grondgebied van de gemeente Haarlem uit een nat waddengebied en open zee.

In theorie kan gedurende bepaalde perioden in de steentijd bewoning hebben plaatsgevonden binnen de gemeentegrenzen, maar als gevolg van latere landschapsvormende processen, met name onder invloed van de Noordzee, zijn dergelijke eventueel aanwezige resten geërodeerd en opgeruimd. In de nu volgende paragrafen wordt de bewoningsgeschiedenis per periode beschreven, toegespitst op het grondgebied van de gemeente Haarlem. Hiervoor dienen de vindplaatsenkaarten per periode en diverse synthesen uit de Oogst voor Malta als basis. De vindplaatsenkaarten staan afgebeeld bij de betreffende periode. De informatie over deze vindplaatsen is verwerkt in een vindplaatsencatalogus, waarin alle relevante vindplaatsen binnen de gemeente Haarlem zijn genummerd (1 t/m 799, bijlage 11B). De gegevens in deze catalogus zijn (deels) overgenomen uit ARCHIS. Omdat de dateringen in ARCHIS in een aantal gevallen over meerdere perioden zijn geadministreerd, komen enkele vindplaatsen voor op meerdere vindplaatsenkaarten. Hoe de archeologische inventarisatie is uitgevoerd en hoe de vindplaatsenkaarten tot stand zijn gekomen, staat beschreven in hoofdstuk 2. De synthesen uit de Oogst voor Malta zijn in de afgelopen jaren verschenen. Zij beschrijven de meest recente stand van zaken met betrekking tot archeologisch onderzoek op basis van onderzoeksrapporten uit de periode 1998 tot 2013.

Naar deze synthesen zal daarom regelmatig worden verwezen. Hieronder staan de relevante synthesen kort beschreven. Van Heeringen en Van der Velde beschrijven in hun synthese de bewoningsgeschiedenis van het Hollands duingebied vanaf het laat-paleolithicum 87 tot en met de nieuwe tijd. Uit deze synthese zijn voor Haarlem de paragrafen over 87

49

Van Heeringen en Van de Velde 2017.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

het strandwallenlandschap tussen de Rijnmonding en het Oer-IJ estuarium 88 relevant. Verspay (et al.) beschrijft de dorpsvorming gedurende de middeleeuwen en de 89 vroege nieuwe tijd. Uit deze synthese is de beschrijving van de dorpsvorming van 90 Limmen relevant. Fokkens (et al. 2016) gaat in zijn onderzoek in op de archeologische kennis over het laat-neolithicum tot en met het begin van de midden-bronstijd (2580 – 1500 voor Chr.). In dit onderzoek komen geen vindplaatsen uit Haarlem aan bod. Daarom is dit onderzoek niet meegenomen in deze rapportage. De informatie uit het onderzoek is wel relevant als kennisbron over deze periode. In 2019 is een boek verschenen over de geschiedenis van Haarlem op basis van de 91 archeologische vondsten. Dit boek gaat uitgebreid in op archeologisch onderzoek dat in de afgelopen jaren in Haarlem is uitgevoerd. Naar deze publicatie zal in de onderstaande paragrafen veelvuldig worden verwezen.

4.2 Paleolithicum – mesolithicum (35.000 – 5.300 voor Chr.) De bewoning kenmerkte zich in deze periode door kampementen waar rondtrekkende groepjes mensen zich tijdelijk vestigden. Zij leefden van de jacht op grote en kleine dieren, van vis en van het seizoensgebonden aanbod van de natuur aan planten, fruit en noten. De archeologische neerslag van deze periode wordt gevormd door werktuigen die gemaakt zijn van vuursteen en natuursteen, en door artefacten van materialen als bot, gewei, git. Botanische resten, uitgezonderd resten 92 in verkoolde vorm, ontbreken. Van deze bewoning is binnen de gemeente Haarlem niets terug te vinden. Eventuele resten uit deze periode zijn door jongere processen verspoeld geraakt en opgenomen in de zee, waarna de geërodeerde resten van het voormalige landschap in latere periodes zijn afgedekt met dikke pakketten sediment. In Haarlem en 93 omgeving zijn dergelijke resten dan ook niet teruggevonden. In de database van ARCHIS is één waarneming opgenomen waaraan een brede datering is toegekend, beginnend in het mesolithicum en eindigend in het heden. Het betreft de vondst van een stuk vuursteen. De interpretatie van dit vuursteen is onduidelijk (mogelijk netverzwaring).

Aangezien het landschappelijk gezien duidelijk is dat een mesolithische datering van dit stuk vuursteen niet mogelijk is, is de datering in de tijdens onderhavig project vervaardigde database gewijzigd in 94 neolithicum – heden.

4.3 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) Gedurende de nieuwe steentijd (neolithicum) deden zich grote veranderingen voor. In deze periode deden aardewerk, veeteelt en landbouw hun intrede. Hierdoor veranderde langzamerhand de economische (en culturele) levenswijze. Geleidelijk ging men over naar een meer sedentair bestaan. De eerste neolithische landbouwers vestigden zich in het Zuid-Nederlandse lössgebied (circa 5.300 voor Chr.). In de daarop volgende eeuwen verbreidde het neolithisatieproces zich geleidelijk over de rest van Nederland. Door contacten met de boeren in het zuiden namen de jagers88

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13257133/1