CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Bijlage 1b Archeologische Beleidskaart Haarlem BAAC Rapport (onderdeel van bijlage 4 van de beleidsnota)

commissie Ontwikkeling 12 oktober 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.00 uur Terinzagelegging Concept Erfgoedbeleid (FR)38.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Gemeente Haarlem Archeologische verwachtings- en beleidskaart

Auteur: drs. M.J. van Putten et. al.

Status: definitief BAAC Rapport V-19.0130A

januari 2021

Archeologische Beleidskaart Gemeente Haarlem

1

Project V-19.0130A

2

Colofon ISSN: Auteur(s):

Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 drs. M.J. van Putten drs. J.M.J. Willems drs. M.A. Tolboom ma. N. Warmerdam drs. M.J. van Putten drs. K. Leijnse Gemeente Haarlem / BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch

Autorisatie (senior archeoloog):

drs. K. Leijnse

27-11-2020

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2020) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (0570) 61 84 30 E-mail: deventer@baac.nl

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Project V-19.0130A

4

Administratieve gegevens

5

Provincie:

Noord-Holland

Gemeente:

Haarlem

Datum opdracht:

5 april 2019

Datum definitief rapport:

21 december 2020

Uitvoerder:

BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219

Projectleider:

drs. M.J. van Putten m.vanputten@baac.nl

Auteurs:

BAAC-projectnummer:

drs. M.J. van Putten drs. M. Tolboom ma. N. Warmerdam drs. J.M.J. Willems V-19.0130A

Beheer documentatie:

BAAC bv te 's-Hertogenbosch

Opdrachtgever:

Gemeente Haarlem

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Project V-19.0130A

6

Inhoud Administratieve gegevens

5

Inhoud

7

1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidsadvieskaart 1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz 1.2.3 De Erfgoedwet 1.2.4 De Omgevingswet 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente 1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening 1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart 1.6 Ligging van het gebied 1.7 Leeswijzer

11 11 11 12 12 12 13 15 15 16 17 19 19 20

2

Onderzoeksopzet 2.1 Inleiding 2.2 Archeologische inventarisatie 2.3 Archeolandschappelijke eenhedenkaart 2.4 Archeologische verwachtingskaart 2.5 Verstoringen en gebieden met geringe informatie 2.6 De archeologische beleidskaart 2.7 Beperkingen van een verwachtingskaart

21 21 21 22 24 25 25 26

3

Landschappelijke ontwikkeling 29 3.1 Landschappelijke ontwikkeling 29 3.1.1 Inleiding 29 3.1.2 Ontstaanswijze landschap in vogelvlucht 30 3.1.3 Pleistoceen 31 3.1.4 Holoceen 32 3.1.5 Verstoring van de Oude Duinen 38 3.2 Reconstructie van het landschap voor verschillende 39 archeologische perioden 3.2.1 Inleiding 39 3.2.2 Laat-Paleolithicum (35.000 - 8.800 voor Chr.) 39 3.2.3 Mesolithicum (8.800 – 5.300 voor Chr.) 39 3.2.4 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) 40 3.2.5 Bronstijd – vroege middeleeuwen (2.000 voor Chr. – 1050 na Chr.) 41 3.2.6 Late-middeleeuwen en Nieuwe Tijd (1050 na Chr. tot heden) 43 3.3 Bodem 45 3.3.1 Inleiding 45 3.3.2 Vorstvaaggronden 45 3.3.3 Kalkhoudende enkeerdgronden 47

7

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

3.3.4 3.3.5 4

Beekeerdgronden Veengronden

47 47

Bewoningsgeschiedenis 4.1 Inleiding 4.2 Paleolithicum – mesolithicum (35.000 – 5.300 voor Chr.) 4.3 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) 4.4 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) 4.5 IJzertijd (800 - 12 voor Chr.) 4.6 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) 4.7 Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) 4.8 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) 4.9 De historische kernen binnen de gemeente Haarlem 4.9.1 Haarlem 4.9.2 Spaarndam 4.9.3 Gehuchten 4.9.4 Ontginningen en polders 4.10 De Militaire geschiedenis van Haarlem 4.10.1 Werkwijze en verantwoording geraadpleegde bronnen 4.10.2 Stelling van Amsterdam 4.10.3 Mobilisatie 1914-1918 4.10.4 De Tweede Wereldoorlog: Neue Landfront en Rundumverteidigung Haarlem 4.10.5 De Tweede Wereldoorlog; vliegtuigcrashes 4.10.6 De Koude Oorlog

49 49 50 50 52 54 55 57 59 62 63 70 72 74 80 80 82 83

5

Archeologische informatiekaart 5.1 Inleiding 5.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen 5.2.1 Waarnemingen 5.2.2 Archeologische monumentenkaart 5.3 Inventarisatie van overige bronnen 5.3.1 Archeologische onderzoeken 5.3.2 Historische bronnen

89 89 89 90 93 94 94 94

6

Archeolandschappelijke eenheden- en archeologische verwachtingskaart 6.1 Inleiding 6.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart 6.2.1 Bodemkaarten 6.2.2 Geomorfologische kaart 6.2.3 Geologische kaart 6.2.4 Actueel Hoogtebestand Nederland 6.2.5 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten 6.2.6 Bodemverstoringen 6.3 Archeolandschappelijke eenheden 6.3.1 Duinlandschap 6.3.2 Getijdenlandschap 6.3.3 Verstoringen 6.4 De archeologische verwachting 6.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden 6.4.2 Het verwachtingsmodel

97 97 97 98 98 99 100 102 102 103 103 104 104 104 104 106

Project V-19.0130A

84 86 87

8

6.4.3 De gaafheid van vindplaatsen 6.4.4 De verwachtingskaart 6.5 Beperkingen

108 109 111

7

Archeologie en beleid 7.1 Inleiding 7.2 Archeologiebeleid in de gemeente Haarlem 7.2.1 Werkwijze tot op heden 7.2.2 Voormalig instrumentarium 7.2.3 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium 7.2.4 Verplichtingen en keuzemogelijkheden 7.3 Het archeologische traject 7.3.1 Algemeen 7.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) 7.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) 7.3.4 Behoud (stap 3) 7.3.5 Behoud ex situ 7.3.6 Vrijgeven 7.4 De beleidskaart 7.4.1 Algemeen 7.4.2 Categorie 1a 7.4.3 Categorie 1b 7.4.4 Categorie 2a 7.4.5 Categorie 2b 7.4.6 Categorie 3 7.4.7 Categorie 4 7.4.8 Categorie 5a 7.4.9 Categorie 5b 7.4.10 Categorie 6 7.5 Toevalsvondsten 7.6 Vergunningen en vrijstellingen 7.7 Conclusie

113 113 113 114 115 115 116 120 120 120 121 122 124 124 125 125 127 127 128 129 130 131 131 131 132 132 133 133

8

Geraadpleegde bronnen

137

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

9

– overzicht van geologische en archeologische tijdvlakken – archeologische informatiekaart – archeologische informatiekaart; details historische binnenstad Haarlem – historische relictenkaart – historische relictenkaart; details historische binnenstad Haarlem – historische relictenkaart; details historische kern Spaarndam e – Militaire relicten uit de 20 eeuw – archeolandschappelijke eenhedenkaart – archeologische verwachtingskaart – beleidskaart

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Bijlage 11

Bijlage 12 Bijlage 13

– catalogus A AMK-terreinen B vindplaatsen C historische punten D buitenplaatsen E conflict archeologie F onderzoeken – stappenplan – onderzoeksrichtlijnen gemeente Haarlem

Project V-19.0130A

10

1

Inleiding

1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidsadvieskaart De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 van kracht geworden. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 zal worden geïmplementeerd, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Met de Erfgoedwet en de Omgevingswet is archeologie een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces geworden. Er is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het behoud van het archeologische erfgoed binnen de gemeentegrenzen. Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsplannen.

De gemeente Haarlem beschikt op dit moment alleen over een voorlopige archeologische beleidskaart (ABH), met een beperkte onderbouwing, weergegeven in de beleidsnota archeologie.1 Over het algemeen bestaat de onderbouwing van veel gemeentelijke beleidskaarten uit een gedetailleerde archeologische informatiekaart welke, gecombineerd met een archeolandschappelijke eenhedenkaart, wordt omgezet in een archeologische verwachtingskaart. Daarnaast is in de meeste gevallen een rapportage opgesteld die als onderbouwing dient voor de verschillende beleidsregels per archeologische verwachtingszone. Tot op heden zijn dergelijke kaarten voor het grondgebied van de gemeente Haarlem niet vervaardigd, waardoor de status voor de verwachtingszones slechts in beperkte mate onderbouwd is. De gemeente Haarlem wil, vooruitlopend op de Omgevingswet, graag de beschikking hebben over een archeologische verwachtingskaart en de daaruit voortvloeiende geactualiseerde beleidskaart. In dat kader heeft de gemeente Haarlem aan BAAC (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie) opdracht verleend om een archeologische inventarisatie uit te voeren, waarna een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld.

Het doel van onderhavig onderzoek is inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn binnen de gemeentegrenzen van Haarlem, om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid.

1

11

Gemeente Haarlem 2009.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Om tot een archeologische verwachting te komen, zijn de reeds bekende archeologische vindplaatsen en historische relicten binnen de gemeente Haarlem geïnventariseerd. Deze vindplaatsen zijn vervolgens vanuit landschappelijk, bodemkundig en geomorfologisch oogpunt geanalyseerd om te kunnen komen tot een archeologische verwachting voor de gehele gemeente. Vervolgens is aan de verschillende verwachtingszones beleid gekoppeld. Dit is op de beleidskaart weergegeven. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de 2 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. In hoofdstuk 2 wordt uitgebreid op de gebruikte onderzoeksopzet ingegaan.

1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals bijvoorbeeld de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten: 

Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (‘ex situ’). Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’).

1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz Voor het inwerking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) was de bescherming van monumenten, waartoe ook archeologische monumenten behoren, en stads- en dorpsgezichten geregeld via de Monumentenwet 1988. Dat was ook na het inwerking treden van de Wamz nog het geval. Met het inwerking treden van de Wamz was echter ook sprake van de bescherming van te verwachten archeologische waarden. De uitgangspunten bij de (herziene) Monumentenwet 1988 (na inwerkingtreding Wamz) waren: 

2

Het aansluiten op de Wet ruimtelijke ordening door te stellen dat bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden 2 met archeologie. Hierbij wordt vanuit de wet 100 m als vrijstellings/ondergrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten' gehanteerd. In ditzelfde artikel staat echter vermeld dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan vaststellen; Beleidsuitgangspunt dient behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed in situ te zijn door het treffen van technische en/of planologische

CCvD 2016.

Project V-19.0130A

12

maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. Indien dit niet mogelijk is, dan dienen behoudenswaardige vindplaatsen te worden opgegraven; in uitzonderlijke gevallen kunnen in plaats van een opgraving de werkzaamheden archeologisch worden begeleid; Provincies hebben de bevoegdheid om zogenoemde archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Dit betreft gebieden binnen het grondgebied van de provincie die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn en die binnen geldende bestemmingsplannen onvoldoende bescherming genieten. Voor die gebieden dient de desbetreffende gemeente binnen een nader vast te stellen termijn een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige en/of verwachte archeologische waarden. Het verhalen van de kosten verbonden aan het veiligstellen van archeologische waarden op de initiatiefnemer van de geplande ruimtelijke ingreep. Met andere woorden, de verstoorder betaalt; Introductie van marktwerking voor de uitvoering van archeologisch werk en controle van de kwaliteit hiervan middels de introductie van een 3 kwaliteitssysteem;

Het eerste uitgangspunt (aansluiting op de Wet ruimtelijke ordening/Wabo) had (en heeft nog steeds) de meeste gevolgen voor de gemeenten, aangezien hiervoor een gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart noodzakelijk is. Ook voor de initiatiefnemer heeft dit punt gevolgen. De bescherming van aanwezige en/of verwachte archeologische waarden wordt namelijk geregeld door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen. In dergelijke regels worden bepaalde voorwaarden gesteld aan het verlenen van vergunningen (bijvoorbeeld een onderzoeksplicht op het gebied van archeologie). De aanvrager van een vergunning zal aan de voorwaarden moeten voldoen voordat de vergunning wordt verleend. Het idee was om de uitvoering van de Wamz zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de al bestaande regelgeving met betrekking tot de afgifte van de omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu en flora en fauna. Op deze wijze diende voorkomen te worden dat de burger geconfronteerd werd met onnodige kosten en tijdverspilling. Zoals in paragraaf 1.2.4 uiteen is gezet, is men echter tot de conclusie gekomen dat de wet- en regelgeving te versnipperd is. Met de implementatie van een nieuwe wet, de Omgevingswet, wordt dit beter geregeld.

Een volgend uitgangspunt van de Wamz dat consequenties had (en nog steeds heeft) voor de initiatiefnemer is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan de gemeente de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten middels een omgevingsvergunning, een afwijking op grond van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit ter voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage is uitgevoerd, verplichten tot archeologisch onderzoek. De kosten voor dit onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. 1.2.3 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de nog te implementeren nieuwe Omgevingswet4 maakt de Erfgoedwet een integrale

3 4

13

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie). Naar verwachting in 2021.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen. Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de toekomstige implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, zal opgaan in de Omgevingswet. De essentie van de Erfgoedwet is nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (of Malta) blijven ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg. Er zijn echter wel enkele veranderingen danwel aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste verandering ten opzichte van de Wamz betreft de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren. Het is sinds de invoering van de Erfgoedwet verboden om zonder certificaat opgravingen te verrichten.5 Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, hebben hiermee te maken.

Bedrijven en organisaties die professioneel archeologische opgravingen uitvoeren, kunnen kiezen uit verschillende certificerende instellingen om een certificaat aan te vragen (paragraaf 5.1, art. 5.1 t/m 5.6 van de Erfgoedwet). Het verbod op het verrichten van een opgraving zonder certificaat zou een grote impact hebben op de activiteiten van amateur-archeologen. In de Erfgoedwet staan daarom voorwaarden vermeld waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Zo mogen verenigingen van vrijwillige archeologen zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is. Verenigingen van vrijwillige archeologen moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of de betreffende gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de RCE. Ook voor metaaldetectie is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt, wordt dat namelijk beschouwd als een opgraving. Hiervoor zou de detectoramateur dan een certificaat in bezit moeten hebben. Omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis, is echter besloten dat een dergelijke eis buitenproportioneel is.

Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem (bouwvoor) is derhalve toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt overigens ook voor verenigingen van vrijwillige archeologen. Een tweede verandering ten opzichte van de Wamz is dat het maritieme archeologische erfgoed beter in de Erfgoedwet is ingekaderd. Zo is bijvoorbeeld metaaldetectie onder water, het zogenaamde magneetvissen, verboden in de Erfgoedwet. Een derde wijziging in de regelgeving ten opzichte van de Wamz is dat de excessieve kostenregeling is geschrapt. Ter compensatie hiervan ontvangen gemeenten bestuurslastenvergoeding en een structurele extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.6

5

Aangezien ook archeologisch booronderzoek onder opgraven wordt gerekend, valt booronderzoek ook onder de certificering. 6 RCE 2016.

Project V-19.0130A

14

1.2.4 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestaat nu nog uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hebben hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. Dat kan gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat het langer duurt dan nodig is om een project op te starten. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd. Bijvoorbeeld door burgers en ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving.7 De implementatie van de Omgevingswet heeft echter de nodige vertraging opgelopen. De verwachting is dat de nieuwe wet in 2021 zal ingaan. Een aantal bestaande wetten zullen in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zullen alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld worden naar de Omgevingswet.

Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving.8 Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij. In het geval van archeologie zal het hierbij gaan om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd. 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente

Verantwoordelijkheden Rijk Sinds de wetgeving uit 2007 is er een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden opgetreden. Daarmee is de rol van bevoegde overheid voor gemeenten versterkt, aangezien de gemeenten vanaf toen mede verantwoordelijk zijn voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied. De rijksoverheid heeft echter nog de nodigde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld wanneer monumentale, archeologische of cultuur landschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn. Ook wanneer het Rijk initiatiefnemer is bij projecten bleef zij verantwoordelijk voor het archeologische belang. In het geval van projecten waarvoor een milieu effect rapportage (m.e.r.) dient te worden opgesteld, heeft het Rijk een wettelijke adviesrol. Het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument en kan vergunningen verlenen tot wijziging, afbraak of verwijdering van een dergelijk archeologisch rijksmonument. Het Rijk is tevens 7 8

15

www.rijksoverheid.nl 2020. www.rijksoverheid.nl 2020.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

verantwoordelijk voor de instandhouding van een centraal archeologisch informatiesysteem (Archis). Tot slot kan het Rijk werk stilleggen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie zijn de instanties die (namens de minister van OCW) verantwoordelijk zijn voor bovenstaande taken.

Verantwoordelijkheden Provincie Sinds de invoering van de Wamz heeft ook de provincie een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed toegekend gekregen. Zo is de provincie het bevoegd gezag in het geval van gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r. -procedures of in het geval van gebieden die een bovenlokaal karakter hebben (bijvoorbeeld de aanleg van provinciale wegen, landinrichtingsprojecten, waterberging, etc.). De provincie is volgens de wet ook eigenaar van alle vondsten en de opgravingsdocumentatie van archeologisch onderzoek binnen de provincie Noord-Holland. Derhalve is de provincie ook verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding en ontsluiting van deze archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie. In dit kader is het ‘Huis van Hilde’ te Castricum opgericht. In dit archeologische depot wordt het archeologische erfgoed van de provincie beheerd. De provincie hecht eraan haar verantwoordelijkheid als depothouder op dusdanige wijze in te vullen dat de archeologiecollectie in het ‘Huis van Hilde’ ook voor toekomstige generaties een middel en bron van (wetenschappelijke) studie zal kunnen zijn. De provincie is bevoegd om op verzoek van een gemeente een gemeentelijk depot aan te wijzen binnen de gemeentegrenzen. Daarbij zullen eisen worden gesteld aan bewaarcondities en beheer.

De gemeente Haarlem is, net als bijvoorbeeld de gemeenten Alkmaar, Hoorn en Amsterdam, een voorbeeld van een gemeente met een eigen depot voor bodemvondsten. Dit is al zo sinds 1983.

Verantwoordelijkheden Gemeenten Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving, en behouden ook na de implementatie van de Omgevingswet, een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. Gemeenten zijn namelijk verplicht bij bodemingrepen van enige omvang rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk zal dit meestal gebeuren bij de toetsing van vergunningsaanvragen in het kader van de Omgevingswet, nieuwe planologische ontwikkelingen en bestemmingsplanprocedures. Het bestemmingsplan (vanaf de implementatie van de omgevingswet ‘het omgevingsplan’) moet voorzien zijn van een archeologische paragraaf, waaruit de waarde die aan archeologie wordt gehecht in het bestemmingsplan blijkt. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart aangegeven evenals alle terreinen die als archeologisch monument of gebied van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. In de bestemmingsplanregels zijn archeologie-regels opgenomen waaraan voldaan moet worden. De gemeente heeft een loketfunctie voor initiatiefnemers en dient aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning verleend kan worden.

In de regels van het bestemmingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven te worden beschreven.

1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving (behoud ex situ) vermeden kunnen worden. Tevens zullen archeologische waarden

Project V-19.0130A

16

dan behouden blijven voor toekomstige generaties. Een tijdige opsporing voorkomt dat de daadwerkelijke ontwikkeling van te bebouwen of ontgraven gebieden vertraagd wordt. Het behoud van archeologische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Inpassing van bestaande archeologische waarden in een plan kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats (behoud in situ) door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen. Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bv. ophoging, funderen op staal). Naast archeologische waarden moet hierbij ook worden gedacht aan bestaande cultuurhistorische waarden. De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, bijvoorbeeld van natuurgebied of landbouwgrond naar woonwijk of bedrijventerrein. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening.

Het betreft vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de tot dan toe gebruikelijke verstoringsdiepte van de bovengrond zullen roeren. Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal in de bodem grondsporen kunnen vervagen en kwetsbare materialen als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen.

1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid Indien uit het gemeentelijk beleid blijkt dat een waardestellend archeologisch onderzoek is gewenst, dan dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd conform een Plan van Aanpak (PvA) of een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) dat aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (laatste versie) 9 voldoet. Uitzondering hierop vormt de uitvoering van een bureauonderzoek zonder gravend onderzoek. In dat geval is geen PvA of PvE noodzakelijk. Naast de richtlijnen van de KNA kan een gemeente ook (aanvullende) richtlijnen opstellen waar het onderzoek aan moet voldoen. Ook deze richtlijnen dienen in het PvA of PvE te worden opgenomen. De gemeente Haarlem heeft dergelijke aanvullende richtlijnen opgesteld.10 Op deze wijze wordt voorkomen dat een gecertificeerd uitvoerend bureau het PvE niet kan uitvoeren omdat het niet KNA conform is geschreven. In de gemeente Haarlem is het aan de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan om een PvE danwel PvA te laten opstellen. De gemeente zal het PvE/PvA vanuit haar bevoegd gezagrol controleren en goedkeuren.11 De initiatiefnemer laat vervolgens het onderzoek op basis van het goedgekeurde PvA of PvE uitvoeren door een (gecertificeerd) archeologisch bedrijf. Dit resulteert in een rapport waarin een advies is opgenomen (bijvoorbeeld; geen vervolgonderzoek noodzakelijk).

De gemeente dient dit rapport te toetsen op de inhoud, maar dient ook na te gaan of het onderzoek conform de richtlijnen van de KNA en het PvA/PvE is uitgevoerd. In de gemeente Haarlem beoordelen de archeologen van de gemeente of het betreffende rapport voldoende 9

Dit is een wettelijke verplichting. Het recht tot goedkeuring van het PvE door de gemeente is in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) verankerd. 10 Van Zalinge et al. 2014. 11 Dit gebeurt door de archeologen in dienst van de gemeente Haarlem.

17

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

informatie bevat om een beslissing te nemen met betrekking tot de omgang met archeologische waarden bij het bouwplan (waardestelling). Wanneer dat niet het geval is, dient aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Wanneer dit wel het geval is, dan neemt de gemeente een besluit (selectiebesluit) met betrekking tot de omgang met archeologische waarden bij het bouwplan (middels voorschriften aan de vergunning). Dat kan zijn: geen vervolgonderzoek noodzakelijk, een archeologische opgraving voorafgaand aan de civieltechnische werkzaamheden of het laten verrichten van de bodemverstorende werkzaamheden onder archeologische begeleiding of een combinatie van de genoemde opties. Maar het kan bijvoorbeeld ook planaanpassing (behoud van de archeologische resten in de bodem [in situ]) betekenen. Het besluit mag afwijken van het advies, mits daar gegronde redenen voor zijn. In hoofdstuk 7 zal nader worden ingegaan op het gemeentelijke beleid. De gemeente Haarlem streeft naar bescherming van het bodemarchief door middel van de bestemmingsplannen en door het op te nemen in de integrale stedelijke planvorming. Hierbij dienen archeologische waarden gebruikt te worden als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting (Belvedere gedachte). Het behoud in situ (ter plaatse) staat voorop.

Als vernietiging van archeologische waarden niet voorkomen kan worden, dienen deze veiliggesteld te worden door middel van archeologisch veldonderzoek en uitwerking (behoud ex situ). Op deze wijze streeft de gemeente Haarlem naar kennisvergroting van het Haarlems bodemarchief en kunnen archeologische gegevens ontsloten worden. Ondanks het vele onderzoek dat reeds is uitgevoerd, zijn er nog steeds kennislacunes, bijvoorbeeld omtrent de ontwikkeling van de stad. Doormiddel van het uitvoeren van synthetiserend onderzoek en het opstellen van een eigen onderzoeksagenda probeert de gemeente Haarlem de kennislacunes op te vullen. In de beleidsnota van de gemeente Haarlem zijn bovenstaande zaken uitgebreid beschreven.12 Naast het beschermen van archeologie binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden ook gebruiken voor andere doeleinden. Onderzoek naar archeologisch erfgoed levert verhalen op over de geschiedenis van de gemeente. Door dergelijke verhalen voor een groot publiek kenbaar of beleefbaar te maken, kan het historisch besef van de inwoners van de gemeente worden versterkt. Dat de gemeente Haarlem hier grote waarde aan hecht, blijkt wel uit het feit dat er regelmatig exposities worden georganiseerd in het Archeologisch Museum Haarlem.

Het Archeologisch Museum Haarlem is het eerste gemeentelijke museum in Nederland dat aan de archeologie van de eigen stad is gewijd. Naast aandacht voor de Haarlemse bodem, opgravingen en geschiedenis worden regelmatig wisseltentoonstellingen ingericht over uiteenlopende archeologische onderwerpen. Bij elke tentoonstelling verzorgt het museum voor zowel het basis, als het voortgezet onderwijs een educatief programma. Tevens worden er extra activiteiten georganiseerd bij speciale gelegenheden.13 Het kenbaar maken van de verhalen van het archeologische erfgoed gebeurt naast dit museum ook op tal van andere manieren. Zo heeft de gemeente Haarlem een archeologisch spreekuur, organiseert het open dagen, evenementen en educatieprojecten rondom opgravingen en archeologie. Het archeologisch depot is op afspraak te bezoeken en het kantoor van de gemeentelijk archeologen in de Bakenesserkerk is openbaar toegankelijk. Daar kunnen Haarlemmers regelmatig meewerken aan onderzoek. Op verschillende plekken in de stad zijn vondsten te zien, bijvoorbeeld in het hofje aan de Gravinnesteeg, het stedelijk gymnasium en parkeergarage aan de Dreef. Daarnaast geeft de gemeente folders en boekjes uit over archeologie en is er sinds 1970 de reeks Haarlems Bodemonderzoek met publicaties over archeologisch onderzoek. 12 13

Gemeente Haarlem 2009. Gemeente Haarlem 2009.

Project V-19.0130A

18

1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart Iedere gemeente dient dus over voldoende kennis te beschikken aangaande de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische verwachting- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd. De beleidskaart wordt in het bestemmingsplan/omgevingsplan geïntegreerd. Beide kaarten dienen actueel gehouden te worden. Het rapport behorende bij de archeologische verwachting- en beleidskaart dient als inhoudelijke onderbouwing van het beleid en kan worden gebruikt bij het toetsen van PvE’s en onderzoeksrapporten. Aangezien in de wet is opgenomen dat informatie over het erfgoed toegankelijk dient te zijn, kunnen het rapport en de kaart bijvoorbeeld via het internet openbaar worden gemaakt. Geïnteresseerde burgers kunnen het op deze wijze gemakkelijk inzien.

Hierbij kan worden besloten om bepaalde delen van het rapport, bijvoorbeeld de catalogus, niet vrij te geven. Dit om schatgraverij te voorkomen. Bij onderhavig onderzoek is getracht om met de beschikbare middelen en tijd een zo uitgebreid mogelijke inventarisatie van de bekende archeologische waarden, maar ook van de te verwachten archeologische waarden, uit te voeren om te komen tot een archeologische verwachting- en beleidskaart waarmee de gemeente kan voldoen aan de Erfgoed- en Omgevingswet. Het uitgangspunt hierbij is dat zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aanwezig is en verwacht kan worden, het mogelijk wordt een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. Dit beleid is het uitgangspunt bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de vergunningsprocedures. De archeologische verwachting- en beleidskaart van de gemeente Haarlem is door BAAC vervaardigd, in overleg en samenwerking met de archeologen van de gemeente Haarlem. De inhoudelijke regie bij de totstandkoming van de archeologische verwachting- en beleidskaart lag bij de archeologen van de gemeente Haarlem.

1.6 Ligging van het gebied Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Haarlem en beslaat een oppervlak van circa 3.209 ha. Figuur 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen. De gemeente telt twee kernen, te weten de stad Haarlem en het dorp Spaarndam. In het noorden grenst de gemeente Haarlem aan de gemeente Velsen. In het oosten vormt de gemeente Haarlemmermeer de buurgemeente. In het zuiden grenst de gemeente Haarlem aan de gemeente Heemstede en in het westen aan de gemeente Bloemendaal. Alle aangrenzende gemeenten maken gebruik van hun eigen archeologische beleidskaart.

19

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Figuur 1.1 Het grondgebied van de gemeente Haarlem.

1.7 Leeswijzer In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek beschreven. Dit rapport vormt de onderbouwing van de archeologische verwachting en de landschapsreconstructie zoals deze in de als bijlage toegevoegde kaarten zijn weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt bij het tot stand komen van de diverse kaarten. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling van het natuurlijke landschap geschetst, waarbij ook wordt aangegeven hoe het landschap er in de verschillende archeologische perioden uitzag en welke bodemkundige eenheden relevant waren voor de bewoningsgeschiedenis. In hoofdstuk 4 wordt globaal de bewoningsgeschiedenis van het gebied beschreven. Daarbij worden achtereenvolgens de verschillende relevante archeologische perioden behandeld. Bij middeleeuwen en nieuwe tijd is zoveel van het landschap en de bewoningsgeschiedenis bekend dat hier wat nader op kan worden ingegaan. Daarbij worden ook de stad Haarlem en het dorp Spaarndam beschreven. In dit hoofdstuk is tevens een paragraaf gewijd aan het militaire erfgoed binnen de gemeente Haarlem, waarbij de nadruk ligt op de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens komt de inventarisatie van de bestaande archeologische waarden binnen de gemeente aan bod (hoofdstuk 5), op basis waarvan de archeologische informatiekaart is gemaakt (bijlage 2).

In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe de archeolandschappelijke eenhedenkaart en de verwachtingskaart (bijlagen 8 en 9) tot stand zijn gekomen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op het beleidskader dat is gekoppeld aan de beleidskaart. Tenslotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. De vindplaatsen en objecten die in de tekst worden genoemd en op de verschillende kaarten staan afgebeeld zijn voorzien van een nummer. Dit nummer verwijst naar een lijst met objecten die als bijlagen zijn toegevoegd. Hierin worden alle vindplaatsen genoemd die reeds bekend zijn (bijlage 11B) of op basis van historische en cartografische bronnen vermoed worden (bijlagen 11C en 11D). Ook voor alle binnen de gemeente aanwezige AMK-terreinen is een catalogus (bijlage 11A). Er is tevens een catalogus voor de militaire relicten binnen de gemeente (bijlage 11E) als ook voor de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 11F).

Project V-19.0130A

20

2

Onderzoeksopzet

2.1

Inleiding

Om tot een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart. Tevens is in deze fase een historische relictenkaart gemaakt, waarbij historische elementen zijn ingetekend op basis van historisch kaartmateriaal. Ook is een aparte kaart gemaakt met betrekking tot relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied, waarbij de onderverdeling van het landschap in verschillende geomorfologische zones een belangrijke rol speelt (fase 2). Dit heeft geresulteerd in een archeolandschappelijke eenhedenkaart. De inventariserende fasen 1 en 2 vormen een hulpmiddel om te kunnen komen tot het opstellen van een archeologisch verwachtingskaart (fase 3). Deze kaart is namelijk opgesteld op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden, gecombineerd met locatiekeuzefactoren. Tot slot is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald beleid gekoppeld, waarmee een archeologische beleidskaart is ontstaan (fase 4). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven.

2.2

Archeologische inventarisatie

Allereerst is een overzicht gemaakt van de bekende archeologische waarnemingen en vondstmeldingen binnen de gemeente Haarlem. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), gegevens uit het analoge en digitale archief archeologie van de gemeente Haarlem en gegevens uit de literatuur.14 Alle bekende waarnemingen zijn geanalyseerd op betrouwbaarheid (mogelijk alleen administratief geplaatst, mogelijk inmiddels verstoord). De gegevens zijn verzameld in een nieuwe, geactualiseerde database. De gegevens uit ARCHIS vormen over het algemeen de basis van de te creëren database. Tijdens het controleren van de (grote hoeveelheden) data uit ARCHIS bleek dat veel van de in ARCHIS aanwezige data onvolkomenheden bevatte. Zo bleek bijvoorbeeld het toponiem vaak niet overeen te komen met de coördinaten. Daarnaast bleek dat de gemeente Haarlem zelf een groot archief bezat waarin nog vele, niet in ARCHIS vermelde waarnemingen aanwezig waren. Er is lopende het project in overleg met de gemeente besloten om de inmiddels reeds gemaakte database, gebaseerd op de data uit ARCHIS, te controleren en aan te vullen met de gegevens zoals bekend bij de gemeente Haarlem. Dat is uitgemond in een 14

Aanvullende data uit de literatuur is voornamelijk afkomstig uit de reeks Haarlems

Bodemonderzoek.

21

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

omvangrijk onderzoek waarbij de data is gecorrigeerd waar nodig en tevens is uitgebreid met vele bij ARCHIS onbekende waarnemingen (zie hoofdstuk 5). Op deze wijze is een betrouwbare database ontwikkeld (zie bijlage 11B), die noodzakelijk is voor het vervaardigen van betrouwbaar kaartmateriaal. De in de database verzamelde gegevens zijn visueel weergegeven op de archeologische informatiekaart (bijlage 2). Ook de bekende archeologische waarden zijn op de archeologische informatiekaart weergegeven. Het gaat hierbij om AMK-terreinen.15 Daarnaast zijn de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken op de archeologische informatiekaart geplot. Er is een aparte historische relictenkaart gemaakt waarop de historische elementen binnen de gemeente Haarlem zijn weergegeven (bijlage 4). Hierbij moet gedacht worden aan laat- en (post)middeleeuwse elementen als dorpsen stadskernen, kerken, erven, buitenplaatsen, etc. De grenzen van de historische kern van Haarlem zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten uit het begin van de 16 de 19 eeuw. Ook de bebouwing in het buitengebied, zoals deze aanwezig was op dat kaartmateriaal, is weergegeven. Voor het traceren van bijvoorbeeld molens en kalkovens is ook gebruik gemaakt van ouder kaartmateriaal. e Daarnaast is een aparte kaart vervaardigd waarop de militaire relicten uit de 20 eeuw zijn weergegeven (bijlage 7).

Het betreft voornamelijk relicten uit de Tweede Wereldoorlog, al zijn ook enkele relicten van de Stelling van Amsterdam, de mobilisatie 1914-1918 en de Koude oorlog opgenomen. Deze kaart is door een specialist conflictarcheologie opgesteld.17 Voor de inventarisatie van deze gegevens is gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen (zie paragraaf 4.9). Alle bekende vindplaatsen en terreinen zijn geprojecteerd op de topografische ondergrond, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel cultuurhistorische relict genummerd is. Deze nummers verwijzen naar een database waarin de verschillende terreinen kort worden beschreven. Op deze wijze is een betrouwbaar overzicht van de tot nu toe bekende archeologische waarden en tal van historische elementen binnen de gemeente Haarlem gecreëerd.

2.3

Archeolandschappelijke eenhedenkaart

In fase 2 is de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied geanalyseerd. De archeologische verwachting in een gebied kan namelijk worden opgesteld aan de hand van de landschappelijke kenmerken van een gebied. Immers, mensen hadden in het verleden een sterke voorkeur voor bepaalde delen in het landschap. Met name overgangsgebieden tussen hooggelegen, droge locaties en laaggelegen natte locaties waren ideale plekken voor bewoning. Hier had men op korte afstand beschikking over (drink)water en ook voedsel was hier volop aanwezig. Relatief hoog gelegen terreinen in een laag gelegen en natte omgeving zoals strandwallen en duinen in de kustzone zijn daarom vanuit archeologisch oogpunt interessant. Vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging en bodemtype wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten en geomorfologische kaarten. In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Een bepaald bodemtype kan dus in grote mate voorspellend zijn voor het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden, zodat aan dat bodemtype een bepaalde archeologische verwachting kan worden toegekend.

Zo is ook de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) voor de dekzandlandschappen grotendeels gebaseerd op de bodemkaart met schaal 15

Dit betreft terreinen waarvan de archeologische waarde door de RCE is vastgesteld. RCE 2019b. 17 ma. N. Warmendam, werkzaam bij BAAC. 16

Project V-19.0130A

22

1:50.000. In het geval van de gemeente Haarlem is het gebruik van de bodemkaart echter minder relevant. Het oostelijke deel van het grondgebied van Haarlem bestaat voornamelijk uit veen- en vaaggronden. Dergelijke bodems zijn vanwege de geringe vruchtbaarheid over het algemeen minder geschikt voor bewoning. Afgaande op de bodemkaart zou het oostelijke deel van de gemeente Haarlem daarom minder geschikt zijn voor bewoning. De binnen dit deel van de gemeente aangetroffen vindplaatsen vertellen echter een ander verhaal. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van verscheidene onder veen en klei ‘begraven’ Oude Duinen/strandwallen in dit deel van de gemeente. Bij de bodemkarteringen wordt over het algemeen echter slechts de bovenste 120 centimeter wordt behandeld. Als gevolg hiervan zijn de onder veen en klei ‘begraven’ Oude Duinen/strandwallen die hier wel degelijk aanwezig zijn, niet gekarteerd. Op dit oudere (pre-middeleeuwse) landschap heeft wel degelijk bewoning plaatsgevonden. Echter, verreweg het grootste deel van de gemeente Haarlem is op de meest recente bodemkaart niet gekarteerd vanwege de aanwezigheid van bebouwing.18 Daarmee is deze bodemkaart niet geschikt. Dit geldt niet voor de bodemkaart uit 1952. Deze is opgesteld voorafgaand aan de grote stadsuitbreidingen in het oostelijke deel van Haarlem.

Hierop is een groot deel van de begraven Oude Duinen/strandwallen al wel gekarteerd.19 Deze komen goed overeen met de begraven Oude Duinen/strandwallen zoals deze op de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving20 zijn weergegeven. Op de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving zijn de betreffende begraven Oude Duinen/strandwallen nog gedetailleerder in kaart gebracht. Vandaar dat bij de totstandkoming van de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Haarlem voornamelijk gebruik is gemaakt van de Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving, in combinatie met data uit het DINO-loket. In hoofdstuk 6 zal hier nader op worden ingegaan. Om te kunnen komen tot een zo gedetailleerd mogelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart voor de gemeente Haarlem is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: -

Bodemkaart (1952), schaal 1:10.000;21 Bodemkaart (1992), schaal 1:50.000 (in beperkte mate);22 Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000;23 Vereenvoudigde Geologische Kaart van Haarlem en Omgeving, schaal 1:50.00024 Bodemkundige en geologische data verkregen via het DINO-loket: Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3: Landschappelijke gegevens die vermeld staan in de diverse archeologische rapporten; Literatuur over de ontwikkeling van het landschap gedurende het Holoceen.

Bovenstaande gegevens hebben geresulteerd in een vereenvoudigde kaart waarop de verschillende landschappelijke eenheden zijn aangegeven die van invloed zijn geweest op de bewoningsgeschiedenis. Op de Archeolandschappelijke eenhedenkaart (bijlage 8) is het landschap binnen de gemeente Haarlem onderverdeeld in acht eenheden.

18

Staring Centrum 1992. Stichting Bodemkartering 1952. 20 RGD 1995. 21 Stichting Bodemkartering 1952. 22 Staring Centrum 1992. 23 DLO-Staring Centrum/RGD 1993. 24 RGD 1995. 19

23

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

2.4

Archeologische verwachtingskaart

Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen op deze nieuw gemaakte landschapseenhedenkaart zich bevinden. Zoals in paragraaf 2.3 al kort is genoemd liggen archeologische vindplaatsen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning. Hierdoor zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken. Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar zijn.

De analyse heeft geleid tot een archeologische verwachtingskaart waarbij vlakdekkend en op perceelsniveau zichtbaar is welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Op de gebruikte modellen zal in hoofdstuk 6 uitgebreid worden ingegaan. Het verschil tussen de verschillende verwachtingszones is een verschil in dichtheid van te verwachten archeologische vindplaatsen. In een zone met een hoge archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de archeologische wetenschap, een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones met een lage verwachting. De verwachtingszones doen echter geen uitspraak over de potentiële waarde van eventuele vindplaatsen. Deze waarde is namelijk afhankelijk van verscheidene parameters, zoals de gaafheid van de vindplaats maar ook de mate waarin het type vindplaats binnen de regio voorkomt. Met behulp van de verwachtingen per landschapseenheid is de ‘Archeologische verwachtingskaart’ tot stand gekomen (bijlage 9). De archeologische verwachtingskaart bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is onderverdeeld in vijf zones, te weten; 

  

een zone met een zeer hoge verwachting. Dit betreft het oudste deel van de historische kern van Haarlem, enkele oude begraafplaatsen, het Huis ter Kleef, het Huis te Zanen en het archeologische Rijksmonument. een zone met een hoge verwachting. Hieronder vallen de gebieden waar vondstmateriaal in de directe nabijheid is aangetroffen, waar historische elementen aanwezig zijn, waar militaire relicten worden verwacht en gebieden die op basis van het model een hoge verwachting toegekend hebben gekregen. een zone met een middelhoge verwachting (op basis van het model) een zone met een lage verwachting (op basis van het model) een zone zonder verwachting (verstoord)

Project V-19.0130A

24

2.5

Verstoringen en gebieden met geringe informatie

De verwachtingskaart betreft de archeologische verwachting in de situatie waarbij de oorspronkelijke ondergrond niet is aangetast. Door allerlei graafwerkzaamheden in het recente verleden zoals ontgrondingen, afgravingen, egalisatie en bebouwing is de oorspronkelijke ondergrond, en daarmee de mogelijk aanwezige archeologische resten, plaatselijk verstoord. Waar mogelijk zijn deze gebieden op het kaartmateriaal weergegeven. Zo zijn gebieden onderscheiden waar geen archeologie meer wordt verwacht als gevolg van deze verstoringen. In dit geval betreft het de tot grote diepte afgegraven waterwegen. Er zijn binnen de gemeente Haarlem ook grote gebieden onderscheiden waarvan bekend is dat het terrein is opgehoogd. Het gaat hierbij voornamelijk om delen ten oosten van het Spaarne. Voorafgaand aan de bouw van de naoorlogse bebouwing is dit deel van Haarlem opgehoogd met een 1,5 tot 4 meter dik ophoogpakket. Dit ophoogpakket kan een verstorend effect hebben, waarbij gedacht moet worden aan verblauwing, samendrukking, etc. Het kan echter ook een conserverend effect hebben op eventueel aanwezige onderliggende archeologische resten, die als gevolg van de aanwezigheid van het ophoogpakket buiten bereik liggen van oppervlakkige bodemverstoringen. Om deze verstoringen/ophogingen in kaart te kunnen brengen zijn de volgende gegevens gebruikt; -

-

Actueel Hoogtebestand Nederland: Op het AHN-3 zijn terreinen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die lager liggen dan omringende terreinen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is. gegevens die staan aangegeven op de bodem- en geomorfologische kaart.

2.6 De archeologische beleidskaart Aan zowel de bekende archeologische waarden als de verwachtingszones (bv. middelhoge verwachting) is in fase 4 beleid gekoppeld, resulterend in een beleidskaart (bijlage 10). Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen van een bepaalde archeologische waarde/verwachting in het ruimtelijk beleid, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem op een juiste en zorgvuldige manier worden behandeld. De archeologische beleidskaart moet gebruikt worden als dubbelbestemming op de bestemmingsplankaart/omgevingsplankaart. De beleidskaart is grotendeels een rechtstreekse afgeleide van de archeologische verwachtingskaart. De verschillende landschappelijke eenheden zijn op basis van hun gemeenschappelijke verwachting samengevoegd tot een aantal categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Er is echter een aantal categorieën toegevoegd. Het betreft hier uiteraard de gebieden met een bekende archeologische waarde (AMKterreinen). Maar ook zijn enkele historische elementen aan deze kaart toegevoegd. Sommige cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kern, maar ook puntlocaties als kerken) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Zo zijn op de beleidskaart zones gemarkeerd met een bepaalde archeologische verwachting, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch element. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zone rond een kerk of een oud erf waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft. Grote delen van Haarlem-Oost, vooral Haarlem Zuidoost, zijn voorafgaand aan de bouw van de hier aanwezige bebouwing in de jaren zestig van de vorige eeuw opgehoogd met een dik pakket ophoogzand. De dikte varieert van 2 tot wel 4 meter. In het beleid is hier rekening mee gehouden door extra categorieën toe te voegen. 25

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

De beleidskaart is onderverdeeld in een negental categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Het betreft de volgende categorieën, geprojecteerd op de topografische ondergrond: -

-

-

-

-

-

-

-

Categorie 1a; deze categorie betreft het enige archeologische rijksmonument dat de gemeente rijk is. De RCE heeft besloten dat de hier aanwezige vindplaats van dermate belang is, dat het tot een rijksmonument is benoemd. De RCE is het bevoegd gezag voor dit gebied. Categorie 1b; deze categorie betreft de oude historische binnenstad van Haarlem, het terrein rondom kasteel ‘Huis ter Kleef’, het terrein rondom ‘Huis te Zanen’ en enkele oude, niet meer in gebruik zijnde begraafplaatsen buiten de oude historische binnenstad van Haarlem. Categorie 2a; deze categorie bestaat uit de zones met een hoge 25 verwachting op militaire relicten, enkele AMK-terreinen, een bufferzone rond alle bekende relevante vindplaatsen, zoals waarnemingen, historische erven, buitenplaatsen, etc.26 Ook de historische delen van de binnenstad van Haarlem direct ten noorden en zuiden van de oude historische binnenstad (zie categorie 1b) en de historische kern van Spaarndam behoren tot deze categorie. Alle met oude duinen bedekte strandwalletjes ten oosten van het Spaarne worden ook tot deze categorie gerekend. Categorie 2b; deze categorie bestaat uit dezelfde elementen als 2a, maar zijn afgedekt met een dik pakket recent ophoogmateriaal. Categorie 3; deze categorie bestaat uit de gebieden met een hoge verwachting, gebaseerd op de landschappelijke ondergrond (strandwal met oude duinen).

Categorie 4; deze categorie bestaat uit de gebieden met een middelhoge verwachting, gebaseerd op de landschappelijke ondergrond (flanken van strandwal met oude duinen). Categorie 5a; deze categorie bestaat uit gebieden met een lage verwachting, gebaseerd op de landschappelijke ondergrond (getijde- en veenafzettingen op laag gelegen strandwal/oude zeeklei en ingesloten strandvlakte, afgedekt met veen en getijde-afzettingen) Categorie 5b; deze categorie bestaat uit gebieden met een lage verwachting welke zijn afgedekt met een dik pakket recent ophoogmateriaal. Categorie 6; deze categorie bestaat uit afgegraven gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13257133/1