CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

28 Bijlage 5 Ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan Waddenbuurt Haarlem

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)37.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan Waddenbuurt Haarlem Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

Waddenbuurt te Haarlem 1.0 25227 25227.01 9 maart 2026 R. Immerzeel mr. A.B. Groeneveld

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

Inleiding

5

Omgevingsplan Begrenzing van het plangebied Aanleiding en doel wijziging van het omgevingsplan Omgevingsplan procedure Leeswijzer plantoelichting

5 5 6 6 7

Ontwikkeling

8

Bestaande situatie en omgeving Toetsing omgevingsplan Beschrijving ontwikkelkader

8 9 12

Beleid en regelgeving

19

Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid Waterschapsbeleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

19 21 26 26 30

Aspecten fysieke leefomgeving

43

Beschermen van de gezondheid Geluid door activiteiten Kwaliteit buitenlucht Geur Bodemkwaliteit Wegen, verkeer en parkeren Omgevingsveiligheid Natuur Groenparagraaf Water en watersystemen Mer-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking Milieuzonering Trillingshinder Duurzaamheid en energie Archeologie en cultuurhistorie Vliegverkeer Bezonning Hoogbouw Windhinder Kabels, leidingen straalpaden en andere belemmeringen Molenbiotoop Niet-gesprongen explosieven

43 45 49 52 53 55 58 61 71 72 81 82 83 84 86 87 90 92 94 95 96 98 99

Beschrijving uitvoerbaarheid

101

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 3

6

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

101 101

Conclusie ETFAL

102

Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Akoestisch onderzoek (M+P, 2026) Verkennend bodemonderzoek (Van Dijk, Geotechniek en Milieu, 2023) Verkennend bodemonderzoek (Kwinfra, 2026) Auto- en fietsparkeerbalans Waddenbuurt blok 1 t/m 6 (Gemeente Haarlem, 2026) Auto- en fietsparkeerbalans blok 7 Waddenbuurt (Gemeente Haarlem, 2026) Quickscan externe veiligheid (AVIV, 2025) Quickscan Wet natuurbescherming Waddenbuurt (IDDS, 2023) Nader ecologisch onderzoek (IDDS, 2023) Quickscan Wet natuurbescherming (Adviesbureau E.C.O. logisch, 2023) Nader onderzoek, Inventarisatierapport (Adviesbureau E.C.O. logisch, 2025) Mobiliteitsstudie Waddenbuurt (Goudappel, 2026) Weging van het waterbelang (BOOT, 2026) Verslag participatiebijeenkomst SP en IP (Gemeente Haarlem, 2025) Hoogbouweffectrapportage (Peutz, 2026) Nader bodemonderzoek (Kwinfra, 2026) Archeologisch bureauonderzoek (Transect, 2026) Bezonningsonderzoek (Peutz, 2026) Windonderzoek (Peutz, 2026) Plan-mer-beoordeling (Mees Ruimte & Milieu, 2026) Passende beoordeling (Tauw, 2026)

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 4

1

INLEIDING OMGEVINGSPLAN Het omgevingsplan bevat de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving. Het werkingsgebied is daarmee ruimer dan voorheen het bestemmingsplan. Het omgevingsplan is voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. De gemeente heeft één omgevingsplan, dat geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied (artikel 2.4 Ow). De regels in deze wijziging van het omgevingsplan Waddenbuurt zijn gericht op het bereiken van de maatschappelijke doelen van de omgevingswet (art 1.3. Ow). Deze doelen worden in onderlinge samenhang beschouwd en vastgelegd in de regels van het omgevingsplan voor dit plangebied. Ter plaatse van het plangebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Haarlem” (/akn/nl/act/gm0392/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd op 19 januari 2024 en in werking per 22 januari 2024. Het plangebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. In hoofdstuk 2 van dit wijziging omgevingsplan wordt hier nader op ingegaan.

BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied bevindt zich in de Waddenbuurt te Haarlem. De Waddenbuurt is een onderdeel van Molenwijk, één van de wijken van Schalkwijk, het naoorlogse stadsdeel in het zuidoosten van Haarlem. De buurt ligt ingeklemd tussen de Europaweg (hoofdweg van Schalkwijk) aan de noordzijde, de Zwemmerslaan aan de westkant, de Amelandstraat en Frieslandlaan aan de zuidkant en de Groningenlaan aan de oostkant. De beoogde ontwikkeling ligt in sectie Y van de kadastrale gemeente: Haarlem (gemeentecode: HLM02).

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 5

Figuur 1. Plangebied Waddenbuurt (bron: eigen bewerking QGIS)

AANLEIDING EN DOEL WIJZIGING VAN HET OMGEVINGSPLAN Pré Wonen (hierna: initiatiefnemer) is samen met gemeente Haarlem voornemens op de locatie MolenwijkNoord te Haarlem te herontwikkelen. Op deze plek bevindt zich momenteel een bestaande woonwijk. Er worden elf woongebouwen gesloopt met 264 sociale huurwoningen. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Het voornemen is om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De 545 woningen bestaan maximaal uit 410 sociale huurwoningen, maximaal 100 woningen in het middensegment en 35 woningen in de vrije sector. Per saldo is dit een toevoeging van 281 woningen. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende omgevingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure verloopt via een wijziging van het omgevingsplan. De gemeenteraad kan ervoor kiezen om in een keer de regels aan te passen die gelden voor een specifiek gebied of thema. Hierdoor kan het omgevingsplan gedeeltelijk worden gewijzigd voor een deelgebied. Bij zo’n wijziging wordt ook toegelicht waarom er wordt afgeweken van het huidige omgevingsplan.

OMGEVINGSPLAN PROCEDURE Voor het wijzigen van het omgevingsplan doorloopt de gemeente de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Awb. De procedure is op hoofdlijnen als volgt in te delen:

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 6

1. Voorbereiding De gemeente maakt het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen bekend in het gemeenteblad via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). In de kennisgeving staat hoe de gemeenteraad burgers, wijkraden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. De participatie kan leiden tot aanpassing van het voorontwerp. 2. Ontwerpwijziging-omgevingsplan De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan in het gemeenteblad via de LVBB. De gemeente legt de ontwerpwijziging en de bijbehorende stukken ter inzage. Iedereen kan het ontwerp en de voorbereidingsstukken inzien en mag zienswijzen inbrengen. Dat kan binnen zes weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp. Dit kan schriftelijk, mondeling of elektronisch (email). 3. Vaststellen omgevingsplan Na verwerking van de zienswijzen en mogelijke ambtshalve aanpassingen besluit de gemeenteraad (of bij delegatie BenW) over de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. De gemeente geeft hierbij aan welke rol publieksparticipatie heeft gespeeld. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de LVBB. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken.

Daarnaast stuurt het bevoegd gezag een exemplaar van het besluit aan: a. degenen die bij de voorbereiding een zienswijze hebben ingebracht. b. een adviseur, als het bevoegd gezag van zijn advies afwijkt. Inwerkingtreding Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan eventueel een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Beroep De gemeente vermeldt bij de bekendmaking door wie, binnen welke termijn bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep kan instellen. Dit is de hoogste en enige rechtelijke instantie waarbij beroep kan worden ingesteld tegen het omgevingsplan. Beschikbaar stellen van het omgevingsplan De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren en via de LVBB bekendmaken en beschikbaar stellen. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden.

LEESWIJZER PLANTOELICHTING Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats.  Hoofdstuk 3: In dit hoofdstuk worden de relevante beleidskaders beschouwd.  Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten van de fysieke leefomgeving.  Hoofdstuk 5: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven.  Hoofdstuk 6: Dit hoofdstuk betreft de belangenafweging en de conclusie.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 7

2

ONTWIKKELING BESTAANDE SITUATIE EN OMGEVING De woningen in de Waddenbuurt bestaan uit hoge galerij flats aan de Europaweg en Gaasterlandstraat, grondgebonden woningen en 11 portiekflats. In totaal zijn in de elf portiekflats 264 sociale huurwoningen aanwezig. De portiekflats zijn verouderd en vervanging toe. In de wijk is de openbare ruimte ruim van opzet met veel groenvoorzieningen. De Waddenbuurt heeft hoofdzakelijk een woonfunctie met een groot aandeel flatwoningen (circa 90%) met een gemiddeld lage WOZ-waarde. De buurt maakt deel uit van de Molenwijk, gelegen in Schalkwijk – het naoorlogse stadsdeel in het zuidoosten van Haarlem. De Waddenbuurt is nooit als één geheel ontworpen; er was geen overkoepelend stedenbouwkundig plan. Door gefragmenteerde ontwikkelingen en latere toevoegingen van bebouwing is er vanaf het begin een gebrek aan samenhang tussen woningen, wegen en openbare ruimte ontstaan. Figuur 2. Historische vogelvluchtopname Nieuw Noord (bron: PvEL Waddenbuurt)

In de Waddenbuurt zijn grote ontwikkelingen op komst. Met name het voornemen van Pré Wonen om elf portiekflats te slopen en te vervangen door nieuwe woningen is ingrijpend. Daarnaast biedt de herontwikkeling van de voormalige Grafische School aan het Terschellingpad de mogelijkheid om extra woningen toe te voegen aan de buurt.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 8

TOETSING OMGEVINGSPLAN Het omgevingsplan bestaat vooralsnog nog uit de bruidsschat en het tijdelijk deel van het omgevingsplan, de voorheen geldende bestemmingsplannen. Om deze reden wordt voor de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden gekeken naar de bestemmingsplannen die gelden ter plaatse van het plangebied.

Bestemmingsplan “Schalkwijk” Algemeen Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan “Schalkwijk” geldend. Dit plan is op 27 juli 2009 onherroepelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlem. Het plangebied heeft de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Woondoeleinden en ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’. Er gelden bouwvlakken, waarbinnen gebouwd mag worden met verschillende bouwhoogten. Figuur 3 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Daarna vindt een toets aan het huidige bestemmingsplan plaats. Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplankaart (Plankaart Schalkwijk)

Toets aan bestemmingsplan De geplande ontwikkeling van 410 sociale huurwoningen, verdeeld over zes bouwblokken, aangevuld met 100 middensegmentwoningen en 35 vrijesectorwoningen, is in strijd met het geldende bestemmingsplan. De locatie heeft de enkelbestemmingen ‘Tuin’, ‘Woondoeleinden’ en ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’. Tuin Artikel 8 van het geldende bestemmingsplan geeft aan dat de voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Voor tuinen, zij- en achterpaden, bouwwerken, erfafscheidingen en bijbehorende voorzieningen; b. voor de (sub)bestemming tuin (T2): naast het in lid 1 sub a genoemde, tevens voor parkeren Woondoeleinden Artikel 5 van het geldende bestemmingsplan geeft aan dat de voor ‘Woondoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor: - beroepsbeoefening aan huis (zie artikel 1 lid 1 sub 15) - aan de hoofdfunctie wonen ondergeschikte woonzorgsteunpunten (zie artikel 1 lid 1 sub 80);

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 9

b. daar waar op de plankaart de aanduiding Parkeervoorziening Sandenburg, Prattenburg, Engelenburg is opgenomen, op de begane grond, uitsluitend parkeervoorzieningen. c. ondergrondse parkeervoorzieningen; d. bijbehorende voorzieningen, waaronder een gemeenschappelijke ruimte ondergeschikt aan de hoofdfunctie wonen ten dienste van de bewoners, bergingen en bestaande garages, waarbij onder bestaande garages verstaan wordt garages die bestaan op het moment van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan Schalkwijk (zie artikel 1 lid 1 sub 16). Verkeers- en verblijfsdoeleinden Artikel 15 van het geldende bestemmingsplan geeft aan dat de voor ‘Verkeers- en verblijfsdoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. rijwegen, straten, voet- en fietspaden; b. pleinen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en kunstwerken; c. verhardingen en bermen; d. parkeren; e. waterpartijen en waterlopen; f. kiosken, daar waar op de plankaart aangegeven met de aanduiding kiosk en tijdelijke ambulante handel; g. openbaar vervoersvoorzieningen, waaronder tracés en haltevoorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i. ondergrondse parkeervoorzieningen; j. bijbehorende voorzieningen, waaronder straatmeubilair, abri’s, (ondergrondse) inzamelplaatsen voor afval- en recyclecontainers en (ondergrondse) bergbezinkbassins.

De ontwikkeling wordt gedeeltelijk buiten de bestaande bestemming ‘Woondoeleinden’ gerealiseerd en buiten het bouwvlak gerealiseerd. Daarnaast vindt op een aantal locaties een wijziging plaats in de openbare ruimte, waardoor bijvoorbeeld een grasveld met de bestemming ‘Tuin’ een parkeerterrein wordt of juist een voetpad c.q. weg omgezet wordt naar groenvoorzieningen. Daarnaast wordt de maximale bouwhoogte bij sommige bouwblokken overschreden door het nieuwbouwplan. Om deze reden wordt een planologische procedure doorlopen aan de hand van een wijzing van het omgevingsplan. Conclusie Het plan is in strijd met het geldend planologisch regime, waardoor het omgevingsplan wordt gewijzigd voor de beoogde ontwikkeling.

Parapluplan behoud Omgevingskwaliteiten Algemeen Het Paraplubestemmingsplan Behoud Omgevingskwaliteiten is op 30 mei 2024 vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlem. Om het cultuurhistorisch erfgoed nog beter te beschermen is een aanvulling nodig van de huidige regels in de bestemmingsplannen. Het Parapluplan Behoud Omgevingskwaliteiten voorziet hierin. Hoofddoel van het parapluplan is het opstellen van een actueel juridisch kader, waarbinnen de bestaande situatie juist wordt geregeld. Het consoliderende karakter van het plan krijgt juridisch gestalte door de gedetailleerde bestemmingen die op de kaart zijn aangegeven. De bestaande ruimtelijk-functionele structuur en voortzetting van het huidige gebruik zijn daarbij het uitgangspunt. De verbeelding en de regels zijn zo opgesteld dat een maximale bescherming ontstaat voor de functies en gebouwen die in het huidige karakter moeten worden behouden. Het resultaat van deze wijze van bestemmen is dat inzichtelijk is wat wel en niet kan in het plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 10

Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplan “Parapluplan behoud Omgevingskwaliteiten” (bron: eigen bewerking QGIS)

Toets aan het bestemmingsplan Het Paraplubestemmingsplan Behoud Omgevingskwaliteiten heeft verschillende bestemmingsplannen samengevoegd tot één bestemmingsplan, namelijk:  Reparatieplan A;  Reparatieplan B;  Reparatieplan C;  Facetbestemmingsplan Archeologie;  Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018. Met het inwerking treden van het Parapluplan Behoud Omgevingskwaliteiten, hebben voornoemde bestemmingsplannen hun rechtskracht verloren. Ter plaatse van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2b’ en ‘Waarde – Archeologie 5b’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels 6’. Waarde – Archeologie 5b en 2b Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 50 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 1,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5b' dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2.500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 1,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 11

Met de sloop-nieuwbouw van de elf woongebouw, de realisatie van het woongebouw in blok 5 en de herinrichting van de openbare ruimte worden de uitzonderingsmogelijkheden overschreden. Om deze reden is een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.16 wordt het onderdeel archeologie nader uitgewerkt. Gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels 6’ De gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels 6’ heeft geen bepalingen die van invloed zijn op het plangebied. Conclusie Op basis de archeologische dubbelbestemmingen moet nader archeologisch onderzoek plaatsvinden. Dit is nader omschreven in paragraaf 4.16.

BESCHRIJVING ONTWIKKELKADER Ontwikkelvisie Molenwijk-Noord De Ontwikkelvisie Molenwijk-Noord, vastgesteld in juni 2022, vormt de belangrijkste basis voor de verdere ontwikkeling van de Waddenbuurt. Deze visie biedt richting om Molenwijk-Noord in de komende tien jaar te transformeren tot een aangenaam, groen woongebied met een gevarieerd woningaanbod en passende voorzieningen. Water en groen zijn van belang tegen hittestress, voor waterberging en voor een activerende, aantrekkelijke leefomgeving voor jong en oud. In de ontwikkelvisie is de toekomstige hoofdstructuur van de Waddenbuurt vastgelegd. Zowel de bebouwing als de buitenruimte krijgen een vernieuwde, heldere opzet die een sterke verbinding met de omgeving legt. Het centrale park vormt het hart van de buurt. Dit park verbindt de gebieden aan weerszijden van de Zuiderzeelaan en sluit aan op de Groene Zoom. Het Waddenpark nodigt uit tot beweging, ontspanning en ontmoeting en speelt tevens een belangrijke rol in de waterberging en -infiltratie voor de hele wijk. De nieuwe bebouwing zorgt voor een overgangsschaal die de verbinding legt tussen de grootschalige Europawegzone en de kleinschaligere buurten van Molenwijk. Ontwikkelingen langs de parkway Europaweg versterken bovendien de oriëntatie van de wijk naar buiten en markeren de toegang tot de wijk met een samenhangend beeld van hoogbouw en groen.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 12

Figuur 5. Conceptkaart uit Ontwikkelvisie Molenwijk-Noord (bron: PvEL Waddenbuurt)

Programma van Eisen voor de Leefomgeving Waddenbuurt Voor het plangebied is in juni 2025 een Programma van Eisen voor de Leefomgeving (hierna: PvEL) vastgesteld. In het PvEL zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen. Dit Programma van Eisen voor de Leefomgeving is een uitwerking van de Ontwikkelvisie Molenwijk-Noord, voor het deelgebied Waddenbuurt. Het voornemen van Pré Wonen om hier elf portiekflats te slopen en te vervangen door nieuwe woningen is aanleiding voor herstructurering van de openbare ruimte en bebouwing. Het doel is om het woningaanbod beter aan te sluiten op huidige en toekomstige behoeftes, woningen toe te voegen en een aangenaam groen en klimaatbestendig woonmilieu te ontwikkelen. Daarmee werken we aan doelen van de Omgevingsvisie: verdichten, vergroenen en vernatten, bevorderen van een gezonde leefomgeving, buurtgericht ontwikkelen en de mobiliteitstransitie. Er zijn drie leidende thema’s in de ontwikkeling: 1. robuust en verbonden groen; 2. voortbouwen op en herinterpretatie van de karakteristiek van de naoorlogse stedenbouw en architectuur; 3. versterken van sociale interactie en gemeenschapszin: een uitnodigende openbare ruimte, een mix van bewoners/woningtypen en kleinschalige voorzieningen.

Belangrijke kenmerken voor de naoorlogse stedenbouw waarop wordt voortgebouwd zijn: een open verkaveling met strokenbouw, ritmiek, samenhangende ensembles van gebouwen en buitenruimtes en een informele opzet van bebouwing en openbare ruimte. De herinterpretatie van de naoorlogse stedenbouw is in de eerste plaats gericht op de versterking van de relatie tussen bebouwing en openbare ruimte door een duidelijk onderscheid te maken tussen de voorzijde aan de straat en een meer besloten, private achterzijde en het maken van levendige plinten en overgangszones tussen gebouwen en openbare ruimte. In de openbare ruimte wordt de groene en ruime opzet gekoesterd, waarbij de belevingswaarde en gebruikswaarde voor voetganger en fietser wordt versterkt en er meer aandacht is voor de ecologische waarde.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 13

De architectuur van de nieuwe woonbebouwing van de Waddenbuurt refereert aan de karakteristiek van collectiviteit van de naoorlogse architectuur: appartementengebouwen met gemeenschappelijke portieken, galerijen en gemeenschappelijke buitenruimtes. Daarbij is een menselijke schaal belangrijk, zodat een gevoel van eigenaarschap ontstaat. In aanvulling op het dominante woonprogramma dragen collectieve voorzieningen als kleinschalige bedrijfsruimtes en werkplekken, horeca en dienstverlenende functies bij aan levendigheid en contacten in de buurt en activering van het Waddenpark. 2.3.2.1 Bouwpercelen en gebouwen randvoorwaarden, eisen, wensen De gemeente Haarlem heeft in samenspraak met de ontwikkelende partijen de randvoorwaarden, eisen en wensen voor de invulling van de bouwpercelen opgesteld. Centraal staat de spelregelkaart, waarin de belangrijkste stedenbouwkundige principes, bouwvlakken en rooilijnen zijn weergegeven. De spelregels vormen het toetsingskader bij toekomstige vergunningaanvragen en moeten altijd in samenhang met het actuele beleid worden beoordeeld. Figuur 6. Spelregelkaart (bron: PvEL Waddenbuurt)

De spelregels zijn leidend voor het uitwerken van het stedenbouwkundig plan en het ontwerp. De spelregels geven invulling op onder andere de bebouwingsopzet, toegestane bouwhoogtes of de bouwpercelen, etc. 2.3.2.2 Programma In het Programma van Eisen voor de Leefomgeving is opgenomen wat het beoogde programma is en wat de beoogde doelgroep is voor de herontwikkeling. Er worden circa 390 sociale huurwoningen, 95 middensegment en 33 marktwoningen gerealiseerd, conform de subsidie Woningbouwimpuls (WBI) (exclusief Hartekamp). Bij de verdeling van woonsegmenten is een maatwerkafspraak van toepassing. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Voor de toe te voegen woningen (inclusief de ontwikkeling Zwemmerslaan) is het uitgangspunt 40% sociaal, 40% middensegment en 20% overige woningen conform de nota Kaders sociale huur en middensegment met een verdeling van 40% sociaal, 40% midden en 20% overig. De ontwikkeling draagt bij aan een toename en differentiatie van woningen in de Waddenbuurt, met betrekking tot woningtypen, woonsegment, woninggrootte en aantal kamers. Het woningaanbod is gericht op diversiteit aan inkomensgroepen, woonproducten en woonmilieus. De focus ligt op huisvesting van kleinere huishoudens (waaronder startende huishoudens en ouderen), conform de vastgestelde Woonvisie.

Nieuwe woningen voldoen aan de vereisten uit de nota ‘Kaders en instrumenten sociale huur en middensegment’ (november 2022), betreffende o.a. prijsgrenzen (en de wijze waarop indexering plaatsvindt), minimale oppervlakte, doelgroepen, toewijzing, huurverhoging, exploitatieperiode, zelfbewoning, antispeculatie en toegankelijkheid.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 14

Stedenbouwkundig plan Het stedenbouwkundig plan is een nadere uitwerking van het PvEL. Het verwoordt hoe de randvoorwaarden, eisen en wensen in het project vertaald moeten worden. Tevens is het programma voor zowel de bebouwing als het landschap concreter vastgelegd in het SP. Het SP vormt de basis van voor het omgevingsplan waar de uitgangspunten voor de bebouwing planologisch zijn geborgd. Stedenbouwkundige uitgangspunten Voor het plangebied wordt een Stedenbouwkundig Plan opgesteld. Het Stedenbouwkundig Plan voor de Waddenbuurt vertaalt de uitgangspunten uit het PvEL naar concrete ruimtelijke en ontwerpgerichte principes. Deze uitgangspunten vormen het kader voor architectuur, verkaveling en de inrichting van de openbare ruimte. Ze geven richting aan hoe de gewenste leefkwaliteit, samenhang en identiteit van de wijk ruimtelijk worden vormgegeven. Begeleiding van de openbare ruimte De bebouwing begeleidt en definieert de openbare ruimte.  Langs hoofdstructuren zoals de centrale parkzone ontstaat een heldere, continue bebouwingswand.  Aan het centrale Park (Waddenpark) krijgt de bebouwingswand een representatief karakter. De parkwand bestaat uit afwisselende gebouwkoppen en langgerekte bouwdelen (strekken) langs het park, die gezamenlijk de volledige parkzone begrenzen en als één samenhangende compositie worden ontworpen.

 Alle gebouwen krijgen een actieve plint met entrees, transparantie, voorzieningen en woonfuncties die bijdragen aan levendigheid, sociale veiligheid en interactie met de openbare ruimte.  De bouwvolumes reageren op de maat en schaal van de buitenruimte. Heldere configuratie en samenhang  De nieuwe bouwblokken vormen samen een samenhangend geheel dat zorgvuldig aansluit op de te behouden bebouwing.  Overgangen tussen bestaand en nieuw worden subtiel vormgegeven door middel van hoogteopbouw, geleding en materiaalovergangen.  De configuratie van de bebouwing binnen de bouwvelden zorgt voor duidelijke grenzen tussen publiek, collectief en privé.  De schaal van de bebouwing sluit aan bij de bestaande korrel van de Waddenbuurt, maar is meer gedifferentieerd in hoogte en oriëntatie. Binnen- en buitenwereld  Tussen de openbare buitenwereld en de collectieve binnenwereld van de hoven ontstaat een duidelijk onderscheid.  De buitenzijde kent een stedelijk, representatief karakter; de binnenzijde van het bouwblok is collectiever en informeler vormgegeven, in architectuur en buiteninrichting.  Overgangen worden versterkt door materiaalkeuze, entrees, poorten en beplanting.  Doorgangen door de bouwpercelen verbinden binnenhoven met het publieke domein en maken deel uit van het netwerk van openbare routes.

Woonprogramma en differentiatie  Het woonprogramma wordt evenwichtig verdeeld over het plangebied.  Sociale huur-, middensegment- en marktwoningen worden in afzonderlijke bouwpercelen gerealiseerd, met een eigen identiteit maar vergelijkbare ruimtelijke kwaliteit.  In de plintzones aan het park, Zwemmerslaan en Europaweg-Zuiderzeelaan komen buurtgerichte functies zoals een buurtkamer, ‘ruimte voor werk’ of kleinschalige voorzieningen.  In de collectieve hoven ligt de nadruk op ontmoeting, kindvriendelijkheid en gemeenschapszin.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 15

Figuur 7. Overzichtskaart bebouwing en de binnenhoven (bron: Stedenbouwkundig Plan)

Herinterpretatie van de naoorlogse stedenbouw Het plan bouwt voort op de kwaliteiten van de oorspronkelijke Molenwijk, maar geeft hieraan een eigentijdse invulling:  Het verschil tussen openbaar, collectief en privé wordt duidelijker gemaakt door heldere eigendomsgrenzen.  Vergelijkbare bouwtypologieën (zoals galerijflats) blijven herkenbaar, maar worden vrijer georiënteerd, wat een rijker en minder repetitief straatbeeld oplevert.  De connectie tussen plint en buitenruimte wordt sterker: functies op de begane grond dragen actief bij aan levendigheid en veiligheid.  De architectonische en stedenbouwkundige expressie blijft geworteld in de seriematige logica van de naoorlogse wijk, maar biedt ruimte voor differentiatie en bijzondere accenten bij markante hoeken en entrees.  De buitenruimte en aangrenzende bebouwing worden in samenhang ontworpen: gebruik, karakter en beleving van de straat sluiten aan op de functies van de gebouwen. Leefkwaliteit en identiteit De Waddenbuurt behoudt haar ruimtelijke DNA – openheid, licht en groen – maar vertaalt dit naar een toekomstgerichte, gezonde wijk. Het Stedenbouwkundig Plan stuurt op menselijke maat, sociale veiligheid, ecologische kwaliteit en ontmoeting. Hiermee vormt de wijk een eigentijdse voortzetting van de Schalkwijkse karakteristiek: groene, collectieve woonomgevingen met ruimte voor ontmoeting, rust en identiteit.

Woonprogramma Er worden elf woongebouwen gesloopt met 264 sociale huurwoningen. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Het voornemen is om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De 545 woningen bestaan maximaal uit 410 sociale huurwoningen, maximaal 100 woningen in het middensegment en 35 woningen in de vrije sector. Per saldo is dit een toevoeging van 281 woningen. In het PvEL zijn voor Molenwijk Noord diverse woningtypen en prijssegmenten opgenomen. In de verdere uitwerking van het PvEL naar het Stedenbouwkundig Plan is de situering van sociale huurwoningen en Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 16

marktwoningen in het middengebied van Molenwijk Noord heroverwogen en aangepast. Deze aanpassing vindt plaats met behoud van het oorspronkelijke aantal woningen per prijssegment. De middensegmentwoningen blijven daarbij geprogrammeerd op de locatie van de voormalige Grafische School (Blok7). Door marktwoningen meer te clusteren en sociale huurwoningen onderling sterker te groeperen, ontstaan buurten met een duidelijker ruimtelijke en programmatische samenhang. Deze clustering sluit beter aan op de structuur en het karakter van de bestaande bebouwing en versterkt de herkenbaarheid en eenheid binnen de verschillende buurtdelen. Daarnaast maakt de aangepaste situering het mogelijk dat de ontwikkeling per buurt gefaseerd gerealiseerd kan worden, in plaats van per afzonderlijk bouwblok verspreid over het plangebied. Figuur 8. Overzichtskaart van het woonprogramma verdeeld over de percelen en de Waddenbuurt (bron: Stedenbouwkundig Plan)

In het Omgevingsplan is besloten om flexibiliteit in het woonprogramma op te nemen, waarbij een verruiming van het aantal woningen ten opzichte van het PvEL en het SP is opgenomen. Het maximale aantal woningen is per segment bepaald in de regels van het omgevingsplan:  Maximaal 410 sociale huurwoningen zijn toegestaan.  Maximaal 100 middensegment woningen zijn toegestaan  Maximaal 35 woningen in het hogere segment zijn toegestaan. Sociale voorzieningen Sociale voorzieningen vormen een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke en sociale structuur van de Waddenbuurt. Ze zijn buurtgericht en kleinschalig en dragen bij aan ontmoeting, levendigheid en sociale samenhang. De ruimtelijke inpassing staat centraal, in lijn met het PvEL. Uitgangspunten  Voorzieningen (sociaal) worden op strategische plekken binnen de wijk gepositioneerd, in relatie tot het Waddenpark en langs hoofdlooproutes.  De ligging bevordert zichtbaarheid, toegankelijkheid en gebruik en versterkt de sociale interactie verspreid over de wijk.  Voorzieningen maken integraal onderdeel uit van het stedenbouwkundig en architectonisch ensemble.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 17

 

De plint is de aangewezen laag voor sociale voorzieningen en draagt bij aan een actieve en levendige uitstraling. Buitenruimtes, zoals terrassen bij kleinschalige daghoreca, worden bij voorkeur op de zon georiënteerd en in directe relatie gebracht met het Waddenpark.

Locatie beoogde voorzieningen en omvang  Blok 2: Buurtkamer aan het Waddenpark (hoek Gaasterlandstraat – Waddenpark): 90 m2 BVO.  Blok 5: Kleinschalige daghoreca met terras aan het Waddenpark: 200 m2 BVO. Daarnaast wordt onderzocht of in blok 5 een kinderdagopvang kan worden ingepast van maximaal 400 m2 BVO.  Blok 7: ‘Ruimte voor Werk’. Zo kan je hier een plek bieden aan kleine ondernemers, creatieve starters en buurtbewoners die een werkplek zoeken. Een goed voorbeeld is een makelaardij, die een lokale functie bezit. De functie krijgt een maximale omvang van 200 m2 BVO. Figuur 9. Overzicht voorzieningen Waddenbuurt (bron: Stedenbouwkundig Plan)

Massa en bouwhoogte De bouwhoogtes binnen het plangebied worden afgestemd op de specifieke kenmerken van de verschillende delen van de buurt. Hoofdprincipe is dat de bebouwing in de middenzone bemiddelt tussen de lagere bouwhoogtes van de zuidelijker gelegen delen van Molenwijk en de hoogbouw langs de Europaweg. De bouwhoogtes variëren daarom op hoofdlijnen van drie tot zes bouwlagen in de middenzone, terwijl langs de Europaweg hogere gebouwen mogelijk zijn, met torens op de hoeken van de Zwemmerslaan en Zuiderzeelaan om de entrees van Schalkwijk en Molenwijk te markeren en herkenbaar te maken vanaf grotere afstanden. De bouwhoogtes zijn vastgelegd op de geometrieën die bij de wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen. De bouwhoogtes zijn afgestemd op basis van de uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 18

3

BELEID EN REGELGEVING RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS Nationale Omgevingsvisie In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de volgende nationale belangen: - Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit - Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving De beoogde ontwikkeling ziet op de herontwikkeling van de Waddenbuurt. Er worden elf woongebouwen gesloopt met 264 sociale huurwoningen. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur.

Het voornemen is om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De 545 woningen bestaan maximaal uit 410 sociale huurwoningen, maximaal 100 woningen in het middensegment en 35 woningen in de vrije sector. Per saldo is dit een toevoeging van 281 woningen. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het woningtekort in Haarlem.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 19

Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een verbetering van de leefomgevingskwaliteit en wordt hiermee een gezonde en veilige fysieke leefomgevingskwaliteit gewaarborgd. 3.1.1.2 Conclusie Dit motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan staat een ontwikkeling toe, die in overeenstemming is met de opgaven uit de NOVI. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Bkl. De rijksomgevingswaarden luiden als volgt:       

Lucht Waterveiligheid primaire waterkeringen Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwater Bronnen voor drinkwater Zwemmen in oppervlaktewater NEC omgevingswaarden

Provincies en gemeenten mogen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Hierbij te denken aan omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Instructieregels Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Voor deze GOFLO is met name hoofdstuk 8 van het Bkl relevant. Dit hoofdstuk bevat respectievelijk de instructieregels voor omgevingsvergunningen. Regels voor monitoring Bij monitoring verzamelen bestuursorganen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat instructieregels voor omgevingsplannen. De instructieregels zijn waar nodig verwerkt in hoofdstuk 4 van deze rapportage. De toets aan deze instructieregels vindt plaats in de paragrafen waarin de desbetreffende omgevingsaspecten worden behandeld. 3.1.2.2 Conclusie Het omgevingsplan is in overeenstemming met het Bkl.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 20

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Deze Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door de Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsvisie bevat strategische keuzes voor de lange termijn, welke tot uiting komen in ambities en doelen. Deze zijn gekozen met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren. De provincie wenst zo in te spelen op veranderingen en transities in het ruimtelijke domein die tijd nodig hebben om tot uiting te komen. De visie ziet op het ‘waarom’ en op hoofdlijnen op het ‘wat’. Onder de hoofdambitie ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie biedt inzicht in de algemene de ontwikkelprincipes voor de gehele provincie om zo tot een hoge leefomgevingskwaliteit te komen. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema’s gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.

Bovenstaande hoofdambitie werkt zich uit in een aantal ambities, hierbij wordt onderscheidt gemaakt tussen ambities voor de leefomgeving zelf en ambities voor het gebruik van de leefomgeving. Deze ambities worden op diens beurt nader uitgewerkt in doelstellingen. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De Omgevingsvisie NH2050 gaat tevens in op een aantal doelstellingen die voortvloeien uit de ambities. Op de relevante doelstellingen wordt hieronder kort ingegaan. Doelstelling voor gebruik van de leefomgeving: Wonen en werken Het aanbod van woon- en werklocaties dient zowel kwantitatief als kwalitatief op elkaar aan te sluiten. Woningbouw dient vooral in en aansluitend op bestaande verstedelijkte gebieden plaats te vinden. Hierbij moet overeenstemming worden gevonden met de kwalitatieve behoeftes en trends, waarbij duurzaamheid een uitgangspunt is en blijft. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambitie om woningbouw vooral in en aansluitend op bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. 3.2.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie NH2050.

Omgevingsverordening NH2022 De Omgevingsverordening NH2022 welke geldt vanaf 1 januari 2024. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie wil middels de omgevingsverordening ontwikkelingen zoals woningbouw en de energietransitie mogelijk maken maar ook waardevolle en bijzondere gebieden in Noord-Holland beschermen. De omgevingsverordening kan vooraf inzicht geven in mogelijk relevante regels voor beoogde ontwikkelingen. De ambities uit de provinciale omgevingsvisie worden middels normering in de omgevingsverordening geconcretiseerd en verankerd. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling De Omgevingsverordening NH2022 is opgebouwd uit artikelen die toezien op het gehele grondgebied en specifieke werkingsgebieden. Hieronder wordt eerst de toets aan de regels voor het gehele grondgebied uitgevoerd. Vervolgens zal de relatie van de werkingsgebieden tot de voorgenomen ontwikkeling nader worden beschouwd.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 21

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen Artikel 6.12 van de Omgevingsverordening NH2022 bepaalt dat subparagraaf 6.2.2.1 van de omgevingsverordening gaat over regionale afstemming bij nieuwe stedelijke functies. In deze subparagraaf is de verplichting opgenomen tot regionale afstemming in het geval een nieuwe stedelijke functie wordt mogelijk gemaakt. Daar is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van. Dit motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Op basis van het grote woningtekort in de regio en de wens om meer woningen binnenstedelijk aan te kunnen bieden, kan gesteld worden dat er voorzien wordt in de behoefte. De motivering van de behoefte aan de ontwikkeling volgt uit het regionale en gemeentelijke woonbeleid opgenomen in de gemeentelijke beleidsparagrafen (zie paragraaf 3.4 en 3.5). Dit wordt tevens nader gemotiveerd in de paragraaf 4.12 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking. Risico’s van klimaatverandering Artikel 6.75 bepaalt het volgende: 1. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, bevat de motivering een risicoanalyse van de aanwezige en de te verwachten klimaatrisico's binnen het plangebied. Hierbij worden over de volgende onderwerpen de risico’s in beeld gebracht: a. wateroverlast; b. overstroming; c. hitte; d. droogte (watertekort en verzilting); e.

natuurinclusiviteit en biodiversiteit; en f. ecologische en chemische waterkwaliteit. 2. Voor zover uit de risicoanalyse risico's naar voren komen, bevat het omgevingsplan maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van die risico's. 3. De maatregelen voldoen aan het basisveiligheidsniveau dat is genoemd in paragraaf 3.1 van het Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw. 4. Indien door de beperkte omvang of de aard van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan het basisveiligheidsniveau, wordt in afwijking van het derde lid rekening gehouden met het basisveiligheidsniveau. Relatie tot ontwikkeling In artikel 7.28 van het wijzigingsbesluit omgevingsplan voor de Waddenbuurt is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsplanactiviteit bouwen of gebruiken slechts is toegestaan indien klimaatadaptieve maatregelen worden gerealiseerd. De maatregelen omvatten in ieder geval voorzieningen gericht op het kunnen bergen en infiltreren van hemelwater, het beperken van hittestress, het tegengaan van droogte en het beperken van schade bij overstroming. Daarnaast is voor het plangebied een risicoanalyse uitgevoerd op basis van de onderdelen wateroverlast, overstroming, hitte, droogte (watertekort en verzilting), natuurinclusiviteit en biodiversiteit en ecologische en chemische waterkwaliteit.

Wateroverlast Om wateroverlast te voorkomen, worden de gebouwen en de buitenruimte in de Waddenbuurt klimaatbestendig ingericht. Daarbij wordt rekening gehouden met zowel hevigere neerslagpieken als met langere periodes van droogte en hitte. Regenwater wordt zoveel mogelijk lokaal vastgehouden, hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem. Hittestress Een klimaatbestendige leefomgeving begint met een vitale bodem: vruchtbaar, luchtig, rijk aan bodemleven en in staat om water en voedingsstoffen vast te houden en geleidelijk af te geven. Deze bodem vormt de basis voor gezonde beplanting en een veerkrachtig ecosysteem. Door de aanplant van inheemse bomen,

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 22

struiken en planten ontstaat een samenhangend ecosysteem dat bijdraagt aan biodiversiteit, waterberging en het beperken van hittestress. De herinrichting van de openbare ruimte biedt zo de kans om een duurzame, klimaatadaptieve leefomgeving te creëren. De nadruk ligt op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Grote bomen hebben een veel groter effect op het ruimtelijk beeld, de biodiversiteit en het lokale klimaat dan meerdere kleine bomen. Daarom worden vooral soorten van de 1e grootte (12–20 m) en 2e grootte (6–12 m) toegepast. Ook wordt geïnvesteerd in goede groeiplaatsen, zodat bomen hun volledige levensduur kunnen bereiken. Rond en op het parkeerterrein aan de Groningenlaan, dat nu zeer open is en gevoelig voor hittestress, komen grote bomen voor meer schaduw, verkoeling en een prettiger verblijfsklimaat. Met de Waddenbuurt wordt een klimaatbestendig wijk gerealiseerd, omdat onder andere water wordt geborgen via wadi’s en open water, en infiltratie vermindert piekbelasting op het riool. Tevens draagt de wijk bij aan hittestressreductie door schaduwrijke bomen, minder verharding en voldoende doorwaadbaar groen. Natuurinclusieve maatregelen, zoals nestelvoorzieningen en groene daken, vergroten biodiversiteit. Overstroming Op basis van de Klimaateffectatlas zijn kaarten beschikbaar waar de kans op een overstroming is afgebeeld.

Het plangebied is niet gelegen binnen het gebied waar een kans op een overstroming is. Op basis van de analyse blijkt dat er nauwelijks een kans is op een overstroming in het plangebied. De beoogde ontwikkeling heeft op zichzelf staand geen mogelijkheden om deze kans te verminderen. Daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat een overstroming tijdens een mensenleven zal gebeuren, waardoor geen risico voor de beoogde ontwikkeling wordt verwacht. Figuur 10. Kans op een overstroming (bron: Klimaateffectatlas)

Droogte (watertekort en verzilting) Men spreekt van verzilting als het chloridegehalte (het zoutgehalte) van zoetwater toeneemt. Dit kan verschillende oorzaken hebben, maar in Nederland komt het vooral voor in tijden van droogte. De beoogde ontwikkeling heeft geen directe gevolgen voor het watertekort en verzilting van het drinkwater. Met de realisatie van het waterretentiesysteem in de wadi wordt ervoor gezorgd dat hemelwater langer wordt vastgehouden, waarbij de vegetatie op het binnenterrein een deel van het water vasthoudt zoals een spons dat doet en geven het langzaam weer af. Bomen, struiken en klimplanten houden ook regenwater vast.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 23

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit De beoogde gebouwen worden voorzien van groene daken met een voorkeur voor een dikke leeflaag, zodat een gevarieerde beplanting met inheemse plantensoorten mogelijk is. Waar mogelijk worden zonnepanelen gecombineerd met groen, wat bijdraagt aan de natuurinclusiviteit van het plan. De beplanting in de openbare ruimte en het collectieve groen binnen het plangebied bestaat uit een gevarieerde vegetatie in soortkeuze en hoogte – met kruid-, struik- en boomlagen en variatie tussen natte en droge zones. Deze opbouw bevordert de biodiversiteit en versterkt de ecologische samenhang in de wijk. Daarnaast draagt De Waddenbuurt met haar robuuste groenstructuur bij aan de stedelijke biodiversiteit, met ruimte voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het Waddenpark vormt de groene hoofdas voor flora en fauna en sluit aan op het omliggende groen. De beplanting versterkt de biodiversiteit en draagt bij aan de wateropvang en -infiltratie, terwijl het park tegelijk de leefkwaliteit voor bewoners verhoogt. Bomen, hagen, kruidenrijke bermen, heesters en binnentuinen vormen een aaneengesloten groen netwerk door de hele buurt. Ecologische en chemische waterkwaliteit In de paragrafen 4.8 en 4.10 zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling besproken op de ecologische en chemische waterkwaliteit.

Volgens het Landelijk Hydrologische Model (LHM4.1) ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand op circa 1,2 m-mv. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand ligt volgens het LHM op 2,0 m-mv. Op basis van hiervoor genoemde bronnen wordt de Representatieve Hoge Grondwaterstand ingeschat op NAP - 0,3 m à NAP -0,6 m (0,6 à 0,9 m-mv). Er zijn in het onderzochte grondwater geen overschrijdingen van de signaleringswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving aangetoond (zie paragraaf 4.5). Voortvloeiend uit de Omgevingsverordening NH2022 wordt geconcludeerd dat het plangebied de volgende gebiedsaanwijzingen kent:  Datacenters uitgesloten o.g.v. artikel 6.32c  Ontgrondingen o.g.v. artikel 4.58  Peilbesluit o.g.v. artikel 6.91 Hieronder wordt inhoudelijk ingegaan op de gebiedsaanduidingen. Datacenters uitgesloten Ter plaatse van het werkingsgebied van de gebiedsaanduiding voorziet het niet in nieuwe datacenters met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in een datacenter. Ontgrondingen In afdeling 4.5 van haar omgevingsverordening heeft de provincie regels opgenomen die verband houden met ontgrondingen. Deze zijn opgesteld in afwijking van art. 16.7 van het Bkl en zien op de doelmatige uitvoering van ontgrondingsactiviteiten.

In navolging van artikel 4.58 lid 1 van de verordening is binnen het werkingsgebied ‘ontgrondingen’ kan een ontgronding waarbij maximaal 10.000 m3 wordt ontgraven, vergunningsvrij worden verricht. Deze vrijstelling van de vergunningsplicht geldt in navolging van artikel 4.58 lid 2 van de verordening ook voor het aanleggen, veranderen, verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 24

De beoogde ontwikkeling ziet op de herontwikkeling van het Waddenbuurt. Bij de beoogde ontwikkeling wordt meer dan 10.000 m3 ontgraven, hierdoor is het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit noodzakelijk. Peilbesluit Desbetreffend artikel geeft aan dat de waterschappen binnen het werkingsgebied van deze gebiedsaanwijzing een of meer peilbesluiten vaststellen voor de aanwezige oppervlaktewaterlichamen. Bovenstaand artikel is niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling daar deze ziet op de bevoegdheid van het vaststellen van een peilbesluit en geen daardoor geen normen bevat die raken aan de ontwikkeling. 3.2.2.2 Conclusie Het plan is niet in strijd met de Omgevingsverordening NH2022.

Actieagenda Wonen 2024-2028 In de provincie Noord-Holland zijn te weinig woningen voor het aantal woningzoekenden en de beschikbare woningen zijn vaak te duur. Bovendien woont niet iedereen in een passende woning. Als provincie wil men helpen hier verandering in brengen en de woningnood zo snel als mogelijk helpen terugdringen. Daarom is met het Rijk en gemeenten afgesproken om samen met de woningbouwpartners actief in te zetten om in Noord-Holland in de periode 2022 tot en met 2030 191.000 woningen te realiseren. Hiervan moet 30% sociale huur zijn en conform de aanstaande Wet versterking regio op de volkshuisvesting en de afspraken in de woondeals in totaal twee derde betaalbare huur of koop. De Provincie Noord-Holland maakt afspraken over voldoende plancapaciteit, bouwlocaties en betaalbare huizen en over ruimte voor doorstroming op de huizenmarkt. Men richt zich op woningen in een gezonde leefomgeving. Met zet het bestaand beleid voor toekomstbestendig bouwen voort, zolang dit niet ten koste gaat van de snelheid van de woningbouwproductie en de betaalbaarheid van de woningen. Ook zorgt men dat er genoeg woningen beschikbaar zijn voor jongeren en aandachtsgroepen waaronder ouderen. Om de doelen te bereiken, wordt gewerkt aan 4 actiethema’s: 1. Versnellen van de woningbouw; 2. Volkshuisvestingsprogramma’s opstellen; 3.

Stimuleren van innovatie en toekomstbestendig bouwen en wonen; 4. Monitoren en informeren. 3.2.3.1 Relatie tot ontwikkeling Er worden elf woongebouwen gesloopt met 264 sociale huurwoningen. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Het voornemen is om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De 545 woningen bestaan maximaal uit 410 sociale huurwoningen, maximaal 100 woningen in het middensegment en 35 woningen in de vrije sector. Onderhavige ontwikkeling zorgt per saldo voor een toevoeging van 281 woningen en draagt daardoor bij aan een versnelling van de woningbouwproductie. De woningen worden toekomstbestendig gebouwd en levensloopbestendig ingericht. In het programma is specifieke aandacht opgenomen voor bepaalde aandachtsgroepen zoals ouderen. 3.2.3.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de Actieagenda Wonen 2024-2028.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 25

WATERSCHAPSBELEID Algemeen Het Hoogheemraadschap Rijnland is belast met de zorg voor het watersysteem. De zorg voor watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken. Het beheer van het watersysteem is geregeld in de Omgevingswet, als onderdeel van het beheer van de fysieke leefomgeving. Het hoogheemraadschap oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelstellingen van waterbeheer, zoals verwoord in artikel 4.23 van de Omgevingswet en artikel 1.1.4.1 van de Waterschapsverordening: a. b. c. d.

voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Rijnland Vanaf 1 januari 2024 staan alle regels van het waterschap in de Waterschapsverordening. Voor 2024 stonden deze regels in de Keur en het Keurbesluit. De waterschapsverordening is een juridisch instrument om het watersysteem te beschermen tegen activiteiten die nadelige gevolgen voor de goede staat en werking van het watersysteem kunnen hebben. Het gaat om de volgende activiteiten: 1. 2. 3. 4. 5.

lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam; lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie); activiteiten in of nabij het oppervlaktewater; activiteiten in, op of nabij waterkeringen; het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.

Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap Rijnland 2022-2028 Vanaf 22 februari 2022 is het Waterbeheerprogramma (WPB6) van het Hoogheemraadschap Rijnland van kracht. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028.

Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.10 van voorliggende rapportage wordt nader het aspect water ingegaan. Daaruit volgt dat het aspect water de ontwikkeling niet in de weg staat.

Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het beleid van het hoogheemraadschap.

REGIONAAL BELEID Metropoolregio Amsterdam De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 26

Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het woningaanbod binnen de MRA. Daarnaast voldoen de woningen aan de BENG-eisen, wat weer bijdraagt aan een duurzaam woonmilieu. 3.4.1.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de MRA.

Convenant Toekomstbestendige Woningbouw Het convenant Toekomstbestendige Woningbouw beoogt voor de gehele MRA regio (en provincie Utrecht) een uniforme uitvraag op de thema’s van duurzaamheid in bouwprojecten middels het toetsingskader. Het doel hiervan is dat onze duurzaamheidsambities makkelijker en tegen lagere kosten onderdeel worden van de grote woningbouwopgave. Het convenant brengt belangrijke duurzaamheidsambities en de woningbouwopgave samen en biedt middels het toetsingskader handvatten voor opdrachtgevende en opdrachtnemende partijen om de duurzaamheidsambities in de woningbouwopgave te integreren. De thema’s waar dit convenant zich op richt zijn: circulair bouwen, energie, klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, natuurinclusiviteit en biodiversiteit en gezonde leefomgeving. Uitgangspunt zijn de landelijke doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, circulariteit en energietransitie. In het convenant zijn de afspraken, de intenties en het bijbehorend handelingsperspectief opgenomen. Om zoveel mogelijk gezamenlijk op te kunnen trekken, doet het convenant recht aan de verschillen in ambities van betrokken partijen. Die kunnen uiteenlopen van ‘het halen van de wettelijk norm is al een uitdaging’ tot aan ‘de ambities moeten zo uitdagend mogelijk zijn en de lat moet hoog liggen’.

Dit convenant doet zoveel mogelijk recht aan beide behoeften, daarom introduceren we één kader waarbinnen ruimte is voor de ambitieniveaus ‘brons’, ‘zilver’ en ‘goud’. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling In het plangebied wordt qua energievoorziening gekozen voor de realisatie van WKO-installaties. Deze installaties worden binnen de bouwvolumes gerealiseerd. Daarnaast wordt in het kader van biodiversiteit gekozen voor een groene inrichting van de binnenhoven met een tuinachtige en natuurlijk karakter. Ten slotte wordt bij het ontwerp van gevels, muren, daken en inrichtingselementen bijgedragen aan de leefomgeving van flora en fauna, naast esthetische kwaliteit. Ecologie en natuur worden zo integraal meegenomen in alle gebouwen en binnenhoven. Deze aanpak sluit aan bij de doelstellingen van het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op het gebied van biodiversiteit en natuurinclusief bouwen. 3.4.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de uitgangspunten van het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788225/1