20221515365 2 Bijlage 1 Ecologisch Beleidsplan, de uitwerking van een robuust ecologisch netwerk
Tekst van het document
Deze groenzone is breed, bestaat grotendeels uit bosplantsoen matig bloemrijk gras en een scheidingssloot en loopt zuidelijk over in het Nieuwewegje een voormalig boerenwegje met lintbebouwing. De Amsterdamsevaart en Spoorlijn Haarlem-Amsterdam grendelen het stadsdeel in ecologische zin af van het boven de spoorlijn Haarlem- Amsterdam gelegen Bedrijvenpark Waarderpolder. Dit bedrijventerrein kent de volgende doorgaande groenzones: d. De Waarderweg met aangrenzende groenstroken geldt als een belangrijke Noord-Zuid verbinding, vanaf de Schoterbrug tot aan de Oudeweg. Een brede
Natuur Netwerk Haarlem
38
wadi en ecologisch beheerde bermen zijn ecologisch interessant qua soortensamenstelling.
Richting het Romolenpark is via het bruggetje over de Europavaart een vrije faunapassage wenselijk (in de vorm van een plankier). b. Europaweg
Figuur 17 - Waarderweg met centrale watergang. e. De Oudeweg en de Jan van Krimpenweg. De Oudeweg is tussen Spaarne en Waarderweg steeds groenarmer geworden na de afwaardering van de Amsterdamsevaart en de opwaardering van de Oudeweg als toegangsweg vanaf de N200. De betekenis van de Jan van Krimpenweg is toegenomen, zeker in combinatie met de volgende verbindingszone die ook in het Ecologisch Beleidsplan als verbindingszone is aangeduid. f. De spoorlijn Haarlem- Amsterdam is aangeduid als een belangrijke ecologische verbinding. De noordelijke berm van de Amsterdamsevaart, de spoorsloten en taluds van de spoorlijn vormen een belangrijke verbinding naar de stad vanuit het Oosten tot aan de afbuiging van de Jan van Krimpenweg. De spoorlijn fungeert bovenal als belangrijke verspreider van zaden en sporen van planten.
5.2.3.4 R outes, barrières en maatregelen 1. Noord-Zuid routes in Schalkwijk: a. Noord-en Zuid Schalkwijkerweg. ichting Schipholweg bestaan geen barrières aan de R zuidzijde Schipholweg. Richting de Noordzijde is een faunapassage aanwezig langs de fietsbrug onder de Buitenrustbruggen, en aansluitend is een tunnelbak 41 onder de Schalkwijkerstraat nodig, naar de groenzone noordelijk van de Schipholweg. Richting Belgiëlaan bestaan geen barrières; et Engelandpark is eigenlijk potentiegebied (P15) en H groeiend naar een Hotspot. Het parkbos is gevarieerd en kent inmiddels ook al voldoende kwaliteit om een der belangrijke natuurgebieden in de stad te worden.
eze weg kent wel duidelijke barrières die in de tweede D fase gemakkelijk mee kunnen worden genomen (kruising Dwars door Schalkwijk: meekoppelen van faunapassage) maar uit de eerste fase nog deels zouden moeten worden hersteld. Onder de rotondeaftakking naar de Engelandlaan is op verzoek van de natuurwerkgroep Romolenpark een amfibieëntunnel aangelegd, dat ook voor andere fauna kan worden benut. Hetzelde is nog nodig voor de rotondeaftakking naar de Laan van Angers of een plankier onder de Laan van Angers brug. Er ontbreekt verder nog een faunapassage van het Romolenpark richting het Roosje Vos plantsoen. Dat zou gerealiseerd kunnen worden door middel van een plankier onder de brug Europaweg/Europavaart42. erder is het nodig een passage van de Europaweg te V maken tussen het Romolenpark en het Middengebied Molenwijk. Dat kan via een amfibietunnel in het traject tussen de Zuiderzeelaan en Groningenlaan43, of via een route langs een nieuwe waterverbinding. Een passage van de Groningenlaan kan via een plankier onder de brug ter hoogte van het Bramelpad44. c. Amerikaweg en -Vaart Op de kruising aan de Zuid- en Noordzijde van de Schipholweg zijn barrières, die opgelost kunnen worden door het plaatsen van tunnelbakken en goede toegeleidingen.
Passage van het water kan via bakken onder de brug of als doorvaarthoogte relevant is, aan de andere kant van de reling voor voetganger- of fietsverkeer (aan een zijde). Hetzelfde geldt voor de passages op de kruising van de Kennedylaan en de Amerikavaart (1x N-Z en 1x W-O) en voor passage van het water naar de Floris van Adrichemlaan. (1x) Aandacht is nodig bij de ontwikkeling van de Ceylonpoort en het Fluorgebouw en omgeving van de Rooseveltbrug richting de Aziëweg. Via het Aziëpark is weer een tunnelbak onder de Briandlaan naar Amerikavaart nodig45. Langs de kade van de R-Net halte is aanbouw van een richel nodig, die doorloopt tot aan de brug boven de N-Net halte. Aan de onderzijde van de brug is het mogelijk een faunapassage door te trekken naar de oever van de Amerikavaart langs de Briandlaan46. Vervolgens is een plankier nodig onder de Albert Schweitzerlaan, naar de oeverstroken langs de Verlengde Amerikavaart richting de Sallandvaart.
41 Beschrijving maategel 41 42 Beschrijving maategel 42 43 Beschrijving maategel 43 44 Zie beschrijving maatregel 44 45 Zie beschrijving voorziening 45 46 Zie beschrijving voorzieningen 46
Natuur Netwerk Haarlem
39
West-Oost routes. I. Schipholweg. De groenzones langs de Schipholweg en de mogelijkheden daarvan als ecologische routes langs de Schipholweg zijn drastisch afgenomen. Bij het ontwerp van de groenstroken zal aandacht moeten worden besteed aan de mogelijkheden om de groenstrook te recombineren met ecologische wensen. Bij de Meovingenstraat is een faunapassage onder het wegdek wenselijk47. Aan de zuidzijde van de Schipholweg is een busstation gepland. Aandacht zal moeten worden besteed aan een goede inpassing: dat wil zeggen dat een goede doorlopende groene rand aan de onderzijde langs dit station wordt voortgezet en voorzien wordt van een faunapassage onder de gereconstrueerde Europaweg en de kruising met de Schipholweg48. De Schipholzone blijft als geheel zeer belangrijk als ecologische verbindings- en verdeelzone van en naar de stad en tussen stadsdelen. Deze kan bij het ondertunnelen van de Schipholweg weer in belangrtijke mate kunnen worden opgewaardeerd. II. Belgiëlaan, Kennedylaan en Floris van Adrichemlaan. Dit is een belangrijke verdeelroute. Er zijn echter veel barrières, die overigens in verband met de vele reconstructies van de openbare ruimte in deze zone (Dwars door Schalkwijk) wel in één keer kunnen worden opgepakt.
De knelpunten zijn: • Oversteek Engelandlaan langs Belgiëlaan49 • Oversteek Europaweg vanaf Belgiëlaan naar Kennedylaan50 (Dit knelpunt kan worden meegenomen in reconstructie van de Europaweg; maar ook oversteek van de ecologische verbinding langs de Europaweg, van de Belgiëlaan vergt een ongelijkvloerse faunapassage!!) • Oversteek Amerikaweg vanaf Kennedylaan naar Floris van Adrichemlaan51 (Dit knelpunt kan worden meegenomen in de reconstructie van de Fl. van Adrichemlaan). III. Romolenpark en de bloemrijke graslanden en bermen aan de Europaweg, de Europavaart, Middengebied Molenwijk (Molenburgpark), Roosje Vospark. (Zie Europaweg)
2. De routes en barrières in de Amsterdamse Buurten, Parkwijk, Zuiderpolder-West, Slachthuisbuurt en Waarderpolder, hebben betrekking op: a. de Zomervaart en Gouwwetering. De aansluiting op de bermen van de Schalkwijkerweg is al behandeld bij het Centrum. De wegen langs de Zomervaart en Gouwwetering zijn niet al te breed (en daardoor goed oversteekbaar) en de buurten zijn redelijk rustig in de avond, nacht en vroege morgen. Langs de grasvelden, bosplantsoenen en perken die aansluiten op de wijken zijn ruigere plekken aanwezig als schuilplek en verspreidingsmogelijkheid. De Zomervaart heeft een belangrijke doorlopende structuur (ook onder de Nachtzaambrug loopt een verbindingsrichel) en op veel plekken is min of meer ruigte aanwezig. Voor de Gouwwetering die ligt tussen de noordelijke groene zone aan de Schipholweg en de Zomervaart geldt feitelijk hetzelfde. De Gouwwetering ‘voedt’ ook het te ontwikkelen Slachthuisterrein. Deze route gaat over in de westelijke berm van de Prins Bernhardlaan. b. De Esplanada, vormt een schakering van groentypen en kan een bijdrage leveren aan de verspreiding van kleine zoogdieren via toegangen tot de achterliggende buurtjes.
De Amsterdamsevaart zou eigenlijk over de gehele lengte weer een verbindingszone, in een ruime groene recreatieve setting moeten worden, waarbij onder alle grotere kruisingen fanapassages zouden moeten worden aangebracht52. Deze zou dan aansluiten bij de Ontwikkelzone Oost en de entree van Spaarnwoude bij de Veerplas. c. De brede verkeersader Prins Bernhardlaan, die voorzien is van brede bloemrijke bermen en aangrenzende parken en groene pleintjes vormt een brede groene slinger, waar het op gezette afstanden, en wel vooral bij groene dwarsverbindingen, wenselijk is passages aan te leggen. De brede 2x2 baans weg, die redelijk druk blijft, vormt in de huidige situatie naar verwachting een vrijwel onneembare barrière, waar ter hoogte van de Schipholweg en de Zomervaart onderdoorgangen van de weg gewenst zijn 53 Noordelijk van de Zomervaart is via de rustige achterliggende buurtjes en smalle straatjes voldoende uitwisseling mogelijk. Dit geldt zeker voor Parkwijk en in beperktere mate voor de Amsterdamse buurten, waar vanwege de dichtheid van de bebouwing en de hoeveelheid verharding, veel minder ruimte is als leefgebied. d. De voormalige tramlijn Haarlem- Uithoorn, tussen Parkwijk en de Zuiderpolder, met de daaraan gelegen brede groenstrook. Deze loopt vanaf de
47 Zie beschrijving voorziening 47 48 Zie beschrijving voorziening 46 49 Zie beschrijving Voorziening 47 50 Zie beschrijving Voorziening 48 51 Zie beschrijving Voorziening 49 52 Ter nadere uitwerking 53 Zie beschrijving voorziening 51
Natuur Netwerk Haarlem
40
Amsterdamsevaart langs de noordzijde van Parkwijk, via een lommerrijk met mantelvegetatie overgroeid, spontaan ontwikkeld parkgebied vol vogels. Vervolgens buigt deze af langs het voormalige stationsgebouwtje, de Joodse begraafplaats en volkstuin naar het dijklichaam waar voorheen een tramlijn liep. Deze groenzone is breed, bestaat grotendeels uit: fietspad, matig bloemrijk gras, bosplantsoen en een scheidingssloot en loopt zuidelijk over in het Nieuwewegje een voormalige boerenweg met lintbebouwing. Op de overgang naar het Nieuwewegje grenst de strook aan de ene kant aan de Hotspot Fuikvaart en aan de andere kant aan het Reinaldapark. Het fietspad wordt mogelijk opgewaardeerd tot regionale fietsroute naar de Haarlemmermeer, inclusief een (ongelijkvloerse?) passage van de Schipholweg. Deze passage kan ook een ecologische functie gaan vervullen (meekoppelkans). Afhankelijk van tracékeuze kan deze misschien ook benut worden voor een recreatieve verbinding tussen de weilanden van Zuiderpolder-Noord-West en de entree van Spaarnwoude (Veerplas).
De Amsterdamsevaart en Spoorlijn Haarlem-Amsterdam grendelen het stadsdeel in ecologische zin af van het boven de spoorlijn Haarlem-Amstrdam gelegen Bedrijvenpark Waarderpolder. Pas bij reconstructie van de Trekvaart naar Amsterdam en de reconstructie van de Oostersingel (gracht), zouden natuurinclusieve maatregelen getroffen kunnen worden die aansluiten bij de ambities. Het bedrijvenpark kent de volgende doorgaande groenzones: e. De Waarderweg met aangrenzende groenstroken geldt als een belangrijke Noord-Zuid verbinding, die loopt vanaf de Schoterbrug tot aan de Oudeweg.
Een brede watergang die doorloopt in een wadi en extensief beheerde bermen zijn ecologisch interessant qua ligging en robuuste verschijningsvorm en bovendien qua soortensamenstelling. Een faunapasage is nodig om zonder risico de Claes Tillyweg over te steken54. Ook is een passage nodig op de kruising met de A Mollerusweg55. Wenselijk is een ongelijkvloerse passage van de A. Hofmanweg 56. f. De A. Hofmanweg met de oostelijke groenzone, grenst aan het restveenweidegebied van de Waarderpolder. Dit gebied is een belangrijke leverancier van planten en dieren richting de Oudeweg en de Waarderweg. g. De Oudeweg en de Jan van Krimpenweg. De Oudeweg is tussen Spaarne en Waarderweg groenarmer geworden na de afwaardering van de Amsterdamsevaart en de opwaardering van de Oudeweg als toegangsweg vanaf de N2000. De betekenis van de Jan van Krimpenweg is toegenomen, zeker in combinatie met de volgende verbindingszone die ook in het Ecologisch Beleidsplan als verbindingszone is aangeduid. Een vrije passage van de Oostersingel is al opgenomen onder maatregel 37. h. De spoorlijn Haarlem- Amsterdam is is aangeduid als een belangrijke ecologische verbinding. De noordelijke berm van de Amsterdamsevaart, de spoorsloten en taluds van de spoorlijn vormen een belangrijke verbinding naar de stad vanuit het Oosten tot aan de afbuiging van de Jan van Krimpenweg.
De spoorlijn fungeert bovenal als belangrijke verspreider van zaden van planten. Tussen de Jan van Krimpenweg en de Hooimarkt is het groen verbrokkeld aanwezig. i. Bij reconstructie van de Trekvaart naar Amsterdam en de reconstructie van de Oostersingel (gracht), zijn natuurinclusieve maatregelen gewenst en kunnen worden meegekoppeld in de verbindingszone.
54 Zie beschrijving voorziening 52 55 Zie beschrijving voorziening 53 56 Zie beschrijving voorziening 54
Natuur Netwerk Haarlem
41
6. Toekomstig beeld Het toekomstige beeld, dat voortvloeit uit het NNH is veelomvattender dan het Ecologisch Beleidsplan, maar ook niet een eindbeeld omdat de stad verandert, nieuwe inzichten ontstaan etc. Het beoogt te leiden tot een kwaliteitsverbetering van omstandigheden voor de natuur, ook in de stad. Uit het Ecologisch Beleidsplan komen twee aanvullende actiepunten voort die nu niet goed geborgd zijn en vragen om een concretisering, in de vorm van toepassingskaarten: 3.2. Er ontbreekt een goede inventarisatie én afweging waar natuuroevers of ‘eiland’ natuuroevers worden gerealiseerd. Een onderzoek wordt in 2021 afgerond. 3.1. Er ontbreekt een goede inventarisatie waar nachtdiervriendelijke verlichting een goede bijdrage kan leveren aan een effectieve inzet van nachtdiervriendelijke verlichting.
6.1 Verbindingen, opheffen barrières en prioriteiten Als alle maatregelen worden uitgevoerd ontstaat een toekomstig beeld, dat in een soort resumé kan worden weergegeven (fig. 18). Om de maatregelen uit te voeren (Bijlagen 2. Maatregelen NNH en 3. Maatregelen op kaart), is een flinke inspanning nodig. Daarvan is een globale inschatting gemaakt. Veel van de maatregelen kunnen het best worden uitgevoerd als meekoppelmaatregelen, omdat ze dan het minst kosten en uiteindelijk ook gericht zijn op de lange termijn. Een nieuwe afspraak is nodig om veranderingen in de stedelijke infrastructuur die voor de aangegeven ecologische routes nieuwe barrières betekenen, in elk project op te lossen. Een deel van de maatregelen zal vanwege het ontbreken van dynamiek, apart gefinancierd moeten worden. De eerste stap is het beter in beeld brengen van de kosten, de mogelijkheden om mee te koppelen in het MeerJarenGebiedsProgramma (MJGP), en de duur van het uitvoeringsprogramma voor de overige maatregelen. Om een overzicht te hebben hoe de de dooradering van ecologische structuur eruit zal zien is het toekomstige beeld nog eens vastgelegd op de matrijs van de belangrijkste kaart van het Ecologisch Beleidsplan (fig. 18).
Deze NNH-kaart is als beleidskaart tevens toegevoegd aan Geofysia. De afbeelding op A4 schaal, maakt dat enkele onderdelen minder zichtbaar zijn (zoals bv H3: Vergierdeweg), maar wel zijn benoemd! In de legenda is de relatie gelegd tot het oorspronkelijke Ecologisch Beleidsplan, dan wel het NNH, of een combinatie van beide, waarbij deze kaart moet worden gezien als verbeterde cq bijgestelde kaart. Voor potentiegebied is de kleur groen gekozen, omdat de ondergrond beter zichtbaar blijft dan met de oorspronkelijke blauwe kleur. De spelregels voor potentiegebieden en hotspots blijven hetzelfde.
Hiermee is dan een nog ontbrekende schakel in de Structuurvisie Openbare Ruimte toegevoegd. Deze wordt meegenomen in de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Alle maatregelen, die voortvloeien uit deze schets, zijn beschreven in bijlage 2, en afgebeeld in bijlage 3. Ze zijn ingedeeld in vier prioriteitsvolgorden (met onderverdeling) voor uitvoering. Bij de prioritering speelt mee welke bijdrage de specifieke maatregel heeft voor het hele ecologisch netwerk: zowel voor de vergroting van biodiversiteitskansen van de Hotspots, als voor de kansen op succesvolle verspreiding over de stad. Zo zijn onder andere maatregelen, om een robuuste structuur in het oostelijke deel van de Poelpolder te realiseren,- waardoor voor bijzondere soorten in onze regio meer kansen ontstaan-, belangrijker dan het vergroten van beheerinspanningen in al goed ontwikkelde Potentiegebieden. Ook is bijvoorbeeld de uitwisseling tussen het Binnenduingebied en de Haarlemmerhout en vanaf De Hout naar Oost belangrijker dan het nemen van maatregelen om de Raamvest/-singel via de Verfroller te verbinden met de oevers van het Spaarne (Schalkwijkerstraat). Meekoppelkansen worden altijd meegenomen. Er is een globale schatting gemaakt van de totale kosten per prioriteit, waarmee een beeld ontstaat van alle kosten (behalve in deze fase: de uitwerkingen van de oostrand van de Poelpolder en weilanden Zuiderpolder.
De meekoppelkansen zijn in de opgave niet meegenomen als kostenpost; die kunnen meelopen met het MJGP. Daarbij moet ook gedacht worden aan herinrichting van de openbare ruimte van de aangegeven ecologische routes.
Natuur Netwerk Haarlem
42
Figuur 18 - Toekomstig beeld ecologische structuur en verbindingen.
Natuur Netwerk Haarlem
43
6.2 Versterking van de natuur Hiernaast wordt een overzicht gegeven waar versterking van de natuur gewenst is (soms gaat het om herinrichting en beheer; soms alleen verbetering van beheer). In West en Zuid-West gaat het om versterking van natuurwaarden in het Westelijk Tuinbouwgebied, langs het spoor Zandvoort-Haarlem en het opwaarderen van het ‘intrekgebied’ (H20) richting Eindenhout en Haarlemmer Hout. In Zuid-Oost is versterking van de natuurwaarden langs de Schalkwijkerweg aangegeven, die in de Verenigde Grote en Kleine polders en in de Poelpolder. In Oost en Noord-Oost is het van belang de natuurontwikkeling en beleving van weilanden en bos op de strandwal van de Zuiderpolder te versterken en het beheer van de Veerplas-Oost en Liedeoever te versterken. Het is van belang de natuurontwikkeling het Landje van Gruijters te vergroten door enkele stukken waardevolle natuur daarbij te voegen.
In Noord en Noord-West wordt met de toevoeging van het weiland van het Schoterveen en de schooltuinen een versterking van de Hotspot Haarlemmer Kweektuin gerealiseerd.
6.3 Uitgangspunten en vervolg 1. Alle uitgangspunten uit het Ecologisch Beleidsplan (2019) blijven van kracht. Daarnaast gelden de aanpassingen die bij het Groenbeleidsplan zijn vastgesteld: a Het opwaarderen van de volkstuin ‘Nooit Rust’ en het ‘Houtvaartbosje’ tot ecologische hotspot. Voor het Wilgenveld, het Van Leeuwenhoekpark en het Einsteinplantsoen zal ten behoeve van de nota Natuur Netwerk Haarlem worden onderzocht welke ecologische ontwikkelingen op deze plekken mogelijk zijn in relatie tot de bouwopgave, zie de Ontwikkelvisie Zuidwest; b Het opwaarderen van bermen en twee weilandpercelen aan de Zuid-Schalkwijkerweg, zuidelijk van de Schouwbroekerplas en oostelijk van de volkstuinen, tot potentiegebieden (P14); c de hooilandjes aan de westkant van de Zuidschalkwijkwegs en moerasje aan de Noordzijde van de Molenplas aanwijzen als potentiegebied (P15); d het Engelandpark opwaarderen tot potentiegebied (P16); e het weiland aan de Jan Haringstraat opwaarderen tot potentiegebied (P17); f h et weiland oostelijk van het Ramplaanspad aanwijzen als potentiegebied (P18); g de vastgestelde NNN-gebieden zuidelijk van de Marcelisvaart, aangeduid als P7 overeenkomstig de gehanteerde systematiek in het Ecologisch beleidsplan, aanwijzen als hotspot 21.
De duinrel bij Duinvliet aanwijzen als hotspot H22; h de begrenzingen van overige hotspots, potentielocaties en verbindingen uit het Ecologisch beleidsplan (actualisatie 2019), aanpassen overeenkomstig fig. 18.
Figuur 19 - Te versterken natuurwaarden
2. Alle maatregelen (bijlage 2 en 3) zijn verdeeld in 11 pakketten, die vooralsnog (nog) niet toebedeeld kunnen worden aan meekoppelkansen. In navolgende jaren zullen aanvullende voorstellen worden gedaan.
Natuur Netwerk Haarlem
44
3. Tegelijkertijd wordt het meenemen van de nodige maatregelen om barrières te voorkomen, onderdeel van de standaard aanpak in de openbare ruimte bij ontwerp en aanleg van wegen en bruggen, tenzij dat ter plekke evident niet nodig is. 4. Met de provincie zal op basis van dit plan gekeken worden naar medefinanciering van maatregelen ter vergroting van de biodiversiteit. Dit geldt natuurlijk voor passage van provinciale infrastructuur, maar wellicht ook voor stedelijke knelpunten; ook over onderdelen van punt 9 zal met de provincie overleg gevoerd worden. 5. Zo kan op termijn een vrije uitwisseling voor een belangrijk deel van de stedelijke doelgroepen/-soorten worden gerealiseerd. 6. Het succes van de verbindingszones zal mede bepaald worden door de mogelijkheden daar een meer ecologische inrichting van het groen tot stand te brengen en te beheren overeenkomstig de gewenste richtlijnen uit de Gedragscode Soortenbescherming; in die zones is dat uitgangspunt, rekening houdend met andere belangen. Voor de verbindingszones wordt gekozen
voor nachtdiervriendelijke verlichting, tenzij de onveiligheid en onoverzichtelijkheid zich daar tegen verzet. 7. In samenhang met het streven meer klimaat adaptieve en groene (onttegelde) tuinen zullen bewoners gestimuleerd worden hun tuinen ook voor fauna toegankelijk te houden/maken. 8. Een gericht onderzoek naar mogelijkheden van natuurlijke oevers gaat voor alle lage oevers de inrichting wijze bepalen. 9. Uit de onderzoeken naar mogelijkheden om de ecologische structuur te versterken in de Poelpolder, Zuiderpolder en Verenigde Polders en Westelijk Tuinbouwgebied zullen voorstellen komen voor herinrichting. In alle gevallen zal gekeken worden naar medefinancieringsmogelijkheden (compensatie voor Stikstofbelasting, RES NHZ, versterking en uitbreiding NNN-gebieden, versterking portaalfunctie Nationaal Park Zuid-Kennemerland, etc.). 10. Met ProRail zal vervolgoverleg plaatsvinden over versterking van de biodiversiteit van de spoorzones.
Natuur Netwerk Haarlem
45
7. Bijlage 1. Doelgroepen en -soorten voor biodiversiteit 1.
Waterorganismen
Alle strikt aan watergebonden soorten organismen zijn voor het gemak in deze groep ondergebracht. Het gaat om planten, algen, bacteriën, aquatische macrofauna veelal bestaande uit kleine organismen tot waterinsecten en vissen. Alle hebben ze gemeen dat alle fasen in hun leven zich in het water afspelen. We hebben te maken met allerlei bodemsoorten en water van verschillende kwaliteit. Aan de westzijde van de stad komen de uitlopers van duinrellen voor die voedselarm tot matig voedselarm, soms kalkrijk en zuurstofarm water bevatten, soms licht stromend. Dit staat in contrast tot kwellend brakwater in de polders, zurig water in sommige polders en wateren in bossen. Daartussen bevindt zich voedselrijk boezemwater, dat vanuit het zuidelijk deel van het beheergebied van Rijnland door de stad stroomt en overschotten aan uitgeslagen water uit haar beheergebied opneemt en soms ook levert aan gebieden met watertekorten als gevolg van droge zomers. Hoe minder de kleinere wateren in en buiten de stad uitwisselen met de boezem, hoe meer kansen ontstaan voor grote biodiversiteit (gebiedseigen water). Immers de waterkwaliteit is dan een afgeleide van bodem, grondwaterstroming en organismen. Planten in het watersysteem, onttrekken voedingsstoffen, waardoor de voedselrijkdom afneemt en meer biodiversiteit kan gaan ontstaan.
Welke organismen zich verder ontplooien wordt onder andere bepaald door: • de bodemsoort, • de uitwisseling met het grondwater, • structuren en waterdiepte, • de plantengroei (dekking voor jonge fasen van de organismen, zuurstofvoorziening, structuren die hechting mogelijk maken • de licht toetreding en doorzicht
meestal niet voor volwassen organismen. Sommige organismen kunnen zich, ondanks hun exclusieve watergebonden leefwijze, over land verplaatsen (paling, wolhandkrab, Amerikaanse rivierkreeft). Veel insecten en amfibieën zijn voor een of meer levensfasen afhankelijk van het watersysteem (en in het bijzonder: geïsoleerd poelen waar de predatiedruk het minst is). Het is van belang een goede verdeling van poelen in de ecologische structuur te hebben Een goede dooradering in de stad en een goede kwaliteit van het watersysteem (een schoon en zelfreinigend watersysteem met natuurlijke oevers) zijn belangrijke voorwaarden voor biodiversiteit. Niet alleen voor het eigen systeem, maar ook voor de soorten die vooral op het land leven (zoals libellen). In Haarlem bestaat een goed stelsel van wateren en een redelijk goede verdeling over de stad. Dankzij het baggerwerk in de beginjaren van deze eeuw, en de afkoppeling van overstorten is de waterkwaliteit sterk verbeterd. Er valt echter nog een flinke verbeterslag te maken in de aanleg van natuurvriendelijke oevers (die zorgen voor meer biodiversiteit en voor kansen voor fauna om aan land te komen) en in de poldergebieden in het vasthouden van gebiedseigen water.
Natuurvriendelijke oevers zorgen voor: • grote variatie in het aquatische systeem, waarin voldoende structuur en dekkingsmogelijkheden, voedsel en voortplantings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor aquatische organismen zijn (vergelijk het maar met een rif in zee), • een natuurlijke overgang van het waterecosysteem naar landecosystemen met ontwikkelingsmogelijkheden voor vegetaties • een goede structuur en dekking voor broedende vogels en zoogdieren.
• de zuurstofhuishouding De predatoren een grofweg een afgeleide zijn van ‘consumenten’ van de eerste orde57. Tussen boezemwateren en polderwateren is geen vrije uitwisseling. Het boezemwater kent over een groot gebied een vrije uitwisseling, namelijk het hele beheergebied van Rijnland. De polderwateren hebben in het algemeen een lager niveau en alleen door inlaat en bemaling vindt uitwisseling plaats. Daarbij is voor bepaalde levensfasen (eieren en jonge larven) een passage mogelijk; maar
• voor overbrugbare geleidelijke overgangen (zonder barrière) voor dieren die zowel op water als land zijn aangewezen en bijdragen aan de soortenrijkdom. Doelgroepen/soorten Toppredator in het watersysteem is de Snoek. Dit is voor de wat grotere vaarten en wateren ook de gidssoort voor een goede waterkwaliteit.
57 dieren die leven van organisch substraat of planten
Natuur Netwerk Haarlem
46
Meer bijzondere soorten van boezemwateren voor de regio zijn: Rivierdonderpad. Voor polderwateren zijn in onze regio de volgende soorten belangrijk: Bittervoorn en Kleine Modderkruiper. Voor de oevers gelden de Ringslang en Waterspitsmuis als gidssoorten.
Ook voor bomen en struiken is een hoge voedselrijkdom niet gunstig. Het leidt tot te sterke groei en ontwikkeling van scheuten die niet evenredig veel sterkte ontwikkelen. Geleidelijke groei, waar concurrentie is om voedingsstoffen, leidt tot evenwichtiger ontwikkeling en minder beheerkosten. Betekenis van natuurlijke omstandigheden en voedselarme bodems voor biodiversiteit. In de stad zijn de condities in het algemeen niet erg verschillend. In de stadszomen komen wat extremere omstandigheden voor, zoals kletsnatte plekken, waar onvoldoende beschikbaarheid van zuurstof voor de wortels voor veel soorten beperkend kan zijn. De soorten van natte bodems hebben hier specialistische strategieën voor. Ook wanneer plekken erg droog zijn, of wanneer er meer kalk of juist meer zuur in de bodem aanwezig is, ontstaan situaties die voor bepaalde soorten weer gunstiger zijn. In het streven naar meer biodiversiteit is het dus belangrijk voldoende aaneengesloten structuren te hebben met voedselarme omstandigheden, maar ook is de instandhouding van specifieke groeiplaatsomstandigheden, die we juist in de stadszomen treffen, van groot belang. Daaruit is de meeste diversiteit te verwachten.
Rivierdonderpad
2.
Planten
Algemeen Planten bestaan uit een grote variëteit aan levensvormen. Hieronder worden zowel eencelligen, als mossen, korstmossen en schimmels geschaard die een belangrijke rol spelen in de symbiose met planten. Planten zijn vrijwel overal en komen overal tot wasdom, mits vestigings- en voortbestaansvoorwaarden in voldoende mate zijn ingevuld en geborgd. Dan gaat het om een goede groeiplek, met voldoende water en beschikbaarheid van voedingsstoffen. Niet alle planten zijn even succesvol op elke plek. Alle planten hebben een soort vestigings- en handhavingsstrategie. Snelgroeiende en hoog opschietende soorten hebben veel voedingsstoffen nodig en verliezen het weer van planten die met weinig groeistoffen toe kunnen, of minder water. In bodems met voldoende voedingsstoffen kunnen soorten van de eerste strategie heel erg domineren, maar deze bodems kennen weinig verschillende soorten, zorgen voor een vochtig en koel microklimaat en bieden weinig voedsel: twee kwaliteiten die niet interessant zijn voor insecten. Bij afnemende mineralenbeschikbaarheid in de bodem, ontstaan condities die voor een grotere soortendiversiteit zorgen, die ook nog eens meer voedsel en warmte bieden aan insecten. In dergelijke milieus zijn vaak ook condities aanwezig voor specifieke planten die een één-op-één relatie onderhouden met specifieke insecten: waardplanten genaamd.
Vaak zijn dit specialistische combinaties, waarbij een insect afhankelijk is van een of enkele plantensoorten.
Bloemrijk gras is een zeer grote generator van biodiversiteit. Het vormt de basis voor de bovengrondse voedselpiramide of voedselketen. Het genereert direct voedsel voor insecten, vogels en zoogdieren, maar levert via de biomassa die door insecten wordt geconsumeerd, weer indirect voedsel aan amfibieën, reptielen, vogels, andere zoogdieren. In de volgende trede levert dit niveau weer voedsel aan het volgende voedselniveau bestaande uit predatoren als reptielen, roofvogels en grotere roofdieren als marterachtigen. Bloemrijk gras is aanwezig in natuurgebieden (vaak wel in heel verschillende samenstellingen), bermen, en in toenemende mate in parken (waar gazons langzaam omgevormd worden naar bloemrijk gras. Zowel binnenstedelijk als buiten stedelijk betreft het een groot areaal (gewijzigd maaibeheer 2020: 13,9 ha). Bloemrijk gras komt via bermen op veel plekken vrijwel aaneengesloten voor in de stad en is een prima basis voor het ecologisch netwerk van drogere bodems. De kwaliteit van het bloemrijke grasland lijkt al vrij goed ontwikkeld en liet in 2020 zien dat maar liefst 76 bijensoorten voorkwamen. Evenzo vormen opgaande oeverbegroeiing en waterplanten van natuurlijke oevers een tweede netwerk van natte bodems en open water.
Wanneer deze gecombineerd voorkomen met greppels, zoom-vegetaties, mantelvegetaties-struiken en bomen -met goede bodembedekkers-, ontstaan in toenemende mate condities voor complexere en meer gevulde netwerken. Er zijn meer voedselrelaties, schuilmogelijkheden, rust-, voortplantings- en overwinteringsmogelijkheden en veilige verplaatsingsmogelijkheden.
Natuur Netwerk Haarlem
47
Moerasspirea, Echte Koekoeksbloem Gevleugeld Hertshooi, Valeriaan, Grote Wederik.
Berm Pr. Bernhardlaan bij Reinaldapark Doelgroepen/soorten Het voert te ver om alle soorten op te nemen. We beperken ons tot gemeenschappen van weinig algemeen voorkomende bijzondere biotopen, die de meest kritische of bedreigde groepen en soorten herbergen tot algemenere gemeenschappen die een belangrijke rol spelen in de biodiversiteit in en rond de stad. Als de omstandigheden voor de daar voorkomende soorten goed zijn, zijn die ook goed voor tal van minder kritische volgsoorten.
• Vlindergras percelen in en buiten de stad. Deze variëren van droge, vochtige tot natte graslanden die door jarenlang maaibeheer gericht op verschraling de meest sterke expressie tonen van de plaatselijk voorkomende omstandigheden. De soortenrijkdom is groot. Kenmerkende soorten van natte tot vochtige graslanden zijn: Pinksterbloem, Ratelaar, Rietorchis, Reukgras. Van drogere niet bemeste graslanden: Bijenorchis, Bevertjes, Reigersbek, Zandzegge. Voorkomende gidsdiersoorten zijn: Waterspitsmuis en Ringslang voor natte graslanden en Bosspitsmuis en Veldmuis. • Struwelen van natte bodems, vaak spontaan ontstaan: Kraakwilg, geoorde Wilg, Els, Es, Spaanse Aak. Voorkomende gidssoort is Bunzing. • Struwelen met algemene kenmerkende soorten: Vochtige struwelen, oorspronkelijk aangeplant maar doorontwikkeld als struweel, met: o.a. Hazelaar, Gelderse Roos, Kornoelje, Meidoorn (Poelbroek) Droge struwelen met Duindoorn, Meidoorn, Sporkehout, Sleedoorn, Wegedoorn, Egelantier, Sleedoorn, Hondsroos, (Meerwijkplas) • Spontaan gevestigde inheemse kruiden en struiken en bomen van de meest natuurlijke bossen (Landgoederen, Eindenhout, de Hout en Elzenbroekbos aan de Liede.
Kensoorten van drogere bossen zijn dominant (overheersend) en subdominant (direct daaronder overheersend): Beuk respectievelijk Eik, vaak met ondergroei van Havikskruid, Daslook, Voorjaarshelmbloem, Stinsenplanten als Boshyacinth, Bosanemoon, Gevlekt Longkruid. In de oude bossen zijn Eekhoorn, Havik en Boommarter gidssoorten. Kensoorten van Elzenbroekbos: dominant en subdominant, Els, resp. Es met soorten van Dotter Rietland of Veenmos Rietland.
Veenmosrietland Poelpolder • Veenmosrietlanden (Ringvaart, Liede-westoeverzone, als best ontwikkelde oeverzones met drijftillen en levende veenvorming); Kenmerkende soorten zijn: Dotter, Veenmossoorten, Paddenrus, Echte Koekoeksbloem, Koningsvaren, Veenreukgras, Veenpluis, Zonnedauw, Veenbes, Welriekende nachtorchis • Dotter-Rietland: voorgaande type zonder Veenmossen, Zonnedauw, Veenbes en Bergnachtorchis, en met soorten van volgende type: Tweerijige Zegge, Kale Jonker, Paddenrus, Moerasspirea. • Oever- en moerasvegetaties, Riet, Lisdodde, Rietorchis, Ratelaar, Moerasrolklaver, Reukgras,
3.
Insecten
Insecten vormen een zeer diverse groep met verschillende behoeften aan verblijfplaatsen, voedsel, voortplantingsomgevingen en overwinteringsplaatsen. Zelfs binnen elke soort variëren de voedselbehoeften en beschuttingsmogelijkheden, omdat ze verschillende levensstadia doorlopen: van eitje, naar larve naar pop en tenslotte naar adult die in staat is tot voortplanting en waardoor weer nieuwe eitjes worden afgezet die weer nieuwe generaties moeten opleveren. Een groot aantal kent watergebonden levensstadia waarbij alleen de adult de open ruimte benut. Insecten, zoals bijen en vlinders, profiteren bij uitstek van nectar van bloeiende planten.
Natuur Netwerk Haarlem
48
Ze zijn dus afhankelijk van het aanbod van bloemrijke bermen en graslanden. Ze kunnen soms grote afstanden overbruggen om in hun essentiële behoeften te kunnen voorzien. Daarbij vervullen ze vaak ook een belangrijke functie, nl. bestuiving.
Bijenmonitoring Haarlem 2020 Voor insecten is geen specifieke extra aandacht nodig waar het gaat om de vervulling van essentiële functies, onder de volgende voorwaarden: • als er voldoende schoon (zichzelf regenererend) en zo veel mogelijk aaneengesloten water aanwezig is, • met vloeiende profielen, geschikt voor oeverplanten en aaneengesloten bloemrijke, gevarieerde bermen en overblijvende zomen/overhoeken, • die goed over de stad verdeeld zijn en • ook nog eens op de juiste wijze worden beheerd. Specifieke samenstellingen van bloemrijke kruiden en grasachtigen kunnen specifieke soorten insecten herbergen die zijn aangewezen op specifieke waardplanten. Hoe groter de variatie, hoe rijker de biodiversiteit. Voor deze groep is dus vooral het verbeteren, gevarieerder maken en uitbreiden van geschikte habitatten, van open water, natte omstandigheden tot droge plekken van belang. Van groot belang is dat deze voldoende warmte en licht bieden.
Bijenmonitoring Haarlem 2020 Doelgroepen/soorten De lijst van voorkomende soorten in Zuid-Kennemerland is groot en het voert te ver al deze soorten te benoemen. We beperken ons tot gidsgroepen en -soorten, die als meest kritische of bedreigde groepen en soorten gelden. De gedachte daarachter is: als de omstandigheden voor die soorten goed zijn, zijn die ook goed voor tal van minder kritische volgsoorten. Voor deze stad zijn de volgende doelgroepen voor een zo groot mogelijke biodiversiteit van belang: Wilde bijen, Libellen, Dagvlinders. De eerste groep wordt al gemonitord; de twee later genoemde laten zich gemakkelijk monitoren en er zijn naar verwachting veel vrijwilligers te vinden die mee willen doen aan tellingen.
4.
Amfibieën
De groep van amfibieën (kikkers, salamanders en padden) is vooral aangewezen op omstandigheden die variëren van open water tot geïsoleerde poelen met droge plekken.
Natuur Netwerk Haarlem
49
M.n. enkele padden overwinteren op droge plekken. Deze dieren komen voor een deel algemeen voor en hebben weinig moeite met het overbruggen van wateren, mits natuurlijke oevers of Fauna Uittrede Plekken (FUP’s) aanwezig zijn. Meer kritische soorten kiezen specifieke habitatten en zijn afhankelijk van specifieke omstandigheden. Vooral de aanleg van visvrije poelen is van belang voor voldoende reproductiesucces: met name vissen prederen op de ei-afzetting. Verspreiding van deze soorten naar specifieke habitatten, zonder dat deze aaneengesloten zijn, komt vaak voor via vogels die eieren van die soorten onbedoeld verspreiden. In de regio komt maar een beperkt aantal soorten voor, zodat daar meer aandacht aan wordt besteed. Specifieke biotoopwensen zijn generiek: • poelen, met voldoende diep water om een vorstvrije bodem te houden en voldoende variatie in bodem te hebben voor insecten, waarin waterplanten groeien en die visvrij zijn. Hoewel de laatste jaren de winters minder streng zijn, is natuurlijk niet te voorspellen wanneer er alsnog een strenge winter plaats vindt. Voeding van de poelen vindt bij voorkeur plaats met schoon water (neerslag, aangevuld met voldoende grondwater). De poelen worden ook zoveel mogelijk in de hotspots aangelegd en goed onderhouden. De Rugstreeppad overwintert in open zandhopen die voldoende droog zijn.
in onze regio nog niet voldoende ontwikkeld, en mogelijk tussen de brongebieden en onze regio. Doelgroepen/soorten Doelsoorten: Ringslang, Hazelworm, Zandhagedis.
6.
Kleine zoogdieren
De kleine zoogdieren (tot formaat Otter) zijn moeilijk waar te nemen. Ze zijn er wel en stellen allerlei specifieke eisen aan het milieu. De kleine knaagdieren (gewone muizensoorten, woelmuizen en Woelrat) zijn moeilijk waarneembaar maar veel soorten komen in onze regio voor. Ze leven vooral van zaden en insecten, leiden een teruggetrokken, vaak ook nachtelijk leven. De habitateisen zijn verschillend: sommige leven op droge plekken; andere juist op vochtige tot natte (w.o. de Dwergmuis die leeft in rietstengels). Spitsmuizen zijn insecteneters. Egel en Mol vallen onder insecteneters (maar eten ook noten, slakken en wormen). Ook deze groep leeft teruggetrokken. De Egel trekt er vooral ’s avonds en ’s nachts op uit. De marterachtigen zijn predatoren en leven van amfibieën, kleine zoogdieren en eieren.
• Schoon oppervlaktewater met zoveel mogelijk natuurlijke oevers en tenminste (bij harde oeverbescherming, voorzien van FUP’s. Doelgroepen/soorten Doelsoorten zijn: Kikkers (Bruine, Groene, Poel-, Meer-), Kleine Watersalamander, Gewone Pad, Rugstreeppad, (mogelijk ook: Kamsalamander).
5.
Reptielen
Waterspitsmuis.
De reptielengroep is in ons land zeer beperkt. Ze bestaat uit: hagedissen en slangen en als exoot de zich nog niet voortplantende Letterschildpadden. In onze regio is het aantal soorten beperkt en al helemaal in stedelijk gebied. In het duingebied en mogelijk het binnenduingebied komen de Zandhagedis en Hazelworm voor. Inmiddels voelt de Hazelworm zich al thuis in het Ramplaankwartier. Allereerst moeten er nog de nodige barrières worden geslecht. Van de slangen zou de Ringslang zich op termijn moeten kunnen vestigen. Op gezette tijden zijn in de omgeving waarnemingen gedaan; ze zijn op overbrugbare afstand waargenomen. De biotoop is
Doelgroepen/soorten Kleine knaagdieren: Dwergmuis, Noordse woelmuis, Rosse woelmuis, Bosmuis, Veldmuis, Woelrat, Zwarte Rat en Eekhoorn. Ook minder gewenste soorten zullen gebruik maken van de openbare ruimte en routes daarbinnen, zoals Huismuis en Bruine Rat. Insectenetende muizen: Huisspitsmuis, Dwergspitsmuis, Waterspitsmuis en Bosspitsmuis. Insecteneters: Mol, Egel. Haasachtigen: Haas en Konijn.
Natuur Netwerk Haarlem
50
Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis, Baardvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Franjestaart, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige Dwergvleermuis, Vale vleermuis, Watervleermuis, Bunzing.
Ook komt de Bruine Kiekendief als grote predator van rietlanden moerassen voor in de Haarlemse regio. Meer bijzondere en schuwe vogels zijn Dodaars, Roerdomp en Waterral. Voor deze vogels zijn robuuste structuren met overstaand nat riet en voldoende rust nodig. Oevervogels. Tal van oevervogels gebruiken de waterkant en natte weilanden voor het vinden van voedsel. In ons gebied zijn de Lepelaar, Ooievaar en Grote Zilverreiger meer bijzondere soorten. Weidevogels. Haarlem kende altijd rijke broedvogelpopulaties. Eind vorige eeuw heeft zich een sterke afname voltrokken van weidevogels. Vooral de Hekslootpolder was zeer rijk aan broedvogels, maar ook de Verenigde Grote en Kleine Polders en Poelpolder kenden belangrijke populaties.
Bunzing Marterachtigen (Hermelijn, Wezel, Bunzing, Boommarter; de verwachting is dat de Steenmarter binnen afzienbare tijd hier aanwezig zal zijn). Vos
7.
Vogels
Haarlem kent een redelijke variatie aan vogels. Het gaat zowel om standvogels die het hele jaar voorkomen en zich hier ook voortplanten, als ook zomergasten (vogels voor die hier te gast zijn en zich hier voortplanten) en doortrekkers, wintergasten (vogels die één of meerdere jaargetijden aanwezig zijn maar zich elders voortplanten) en dwaalgasten. In het kader van biodiversiteit is vooral het aanbieden van geschikte, veilige habitatten met voldoende voedselaanbod en voortplantingsmogelijkheden een opgave. Dat varieert nogal en is zowel gerelateerd aan bebouwing, als aan natuurlijk biotoop. Watervogels. Deze vogelsoorten van open water, vaarten etc. zijn divers. Meer bijzondere soorten zijn: Dodaars, Grote Zaagbek; in grote aantallen komen voor de Grauwe Gans, Canadese Gans (exoot), Kuifeend, Smient (winter), Aalscholver, Knobbelzwaan, Rietvogels. Algemeen voorkomende soorten zijn goed vertegenwoordigd. Het gaat om kleine rietvogels die dit biotoop gebruiken om (opzichtig) te baltsen en te broeden. Daarnaast komen grotere vogels voor die het riet vooral benutten om een teruggetrokken leven te leiden.
Grutto. Foto Landschap Noord-Holland Haarlem volgde de landelijke trend. Langzaam is voor de Hekslootpolder een kentering opgetreden door een effectieve bescherming tegen predatie door de vos en mogelijk ook de huiskat, door aanleg van een schrikdraad raster. Het kost een paar jaren voor de populaties die een zekere gebiedstrouw kennen, zich weer hebben gerehabiliteerd. De maatregelen richten zich op herstel van populaties van Grutto, Kievit, Tureluur, Watersnip, Scholekster, Slobeend en verder Bergeend en Kluut. Vogels van ruigten. Ruigten en overhoeken zijn veel verdwenen uit ons landschap, vooral door rationalisering in de landbouw, maar ook in het stedelijk gebied58 door de nadruk op beeldkwaliteit, waarbij de ecologische betekenis van dit landschapstypen uit het oog is verloren. Ruigten fungeren vaak als overwinteringsplekken voor insecten, maar trekken ook stadvogelsoorten en specifieke soorten aan als Putters. Cultuurvolgers. Door de toepassing van nieuwe bouwwijzen, -stijlen en toepassingen is een aantal cultuurvolgers in het nauw gekomen. Het broeden onder dakpannen, in spouwen en grotere ventilatieopeningen
58 Ditzelfde geldt ook voor vleermuizen (zoogdieren), die deels afhankelijk zijn van globaal dezelfde biotoop
Natuur Netwerk Haarlem
51
(in bedrijfsgebouwen) is door gebouwisolatie, en de toepassing van andere materialen sterk ingeperkt, waardoor de soorten schaars zijn geworden en soms in hun voortbestaan bedreigd worden. Ook vogels die meer en meer afhankelijk zijn van nestvoorzieningen die door de mens in landelijk gebied geplaatst worden zoals voor Ooievaar en Torenvalk. In het stedelijk gebied betreft het vooral de Huismus en de Gierzwaluw maar ook uilensoorten. Door natuur-inclusief bouwen kunnen soorten zich in stand houden. Het gaat dan om het inbouwen van (gebouwde) nestkasten in gevels, op goede hoogten en expositie en planten van geschikte voedselbronnen. Mits tijdig ingebracht hoeven deze maatregelen nauwelijks te leiden tot substantiële meerkosten. Vogels van struwelen. Lage struwelen vormen een specifiek biotoop voor bepaalde soorten. Het in standhouden van dit biotoop is nodig om die soorten aan het grondgebied te binden. Dit betekent dat jonge bosjes met wilg periodiek worden gesnoeid. Kenmerkende soorten van dit jonge struweel zijn vooral: Nachtegaal, Blauwborst, Kneu. Bosvogels. Het betreft een zeer gevarieerde groep van in bossen en parken voorkomende zangvogels, boom bewonende vogels, passanten, roofvogels etc.
Door de regionale ligging zijn veel hectaren volwassen en gevarieerd en ecologisch waardevol bos in de regio aanwezig in de vorm van landgoederen, maar ook jong bos is flink aanwezig binnen het beheergebied Spaarnwoude (Poelpolder, Groene Weelde, Oosterbroek en Houtrak).
Foto Landschap Noord-Holland Lepelaar kolonie Elzenbroekbos Liede
Natuur Netwerk Haarlem
52
8. Bijlage 2: Maatregelen NNH deelgebied
omschrijving
prioriteit
prioriteiten en globle kosten (euro’s) meekoppelkans
7
West
Omvorming P6 Brouwersvaartgebied naar Hotspot
1
ja
8
West
reconstructie waterweg achter Nova Colege, mogelijk i.s.m. nieuwbouw Vijverlaan
2
9
West
natuuroevers Regentesselaan
2
10
West
brug met fauanapassage in verlengde Regentesselaan
3
ja
11
West
Faunapassage onder Raaksbruggen tussen berm Brouwersgracht en berm Zijlsingel
1
ja
12
Zuid-West
passage bruggetjes Duinvlietweg, looproute westelijke berm Randweg, richel/plankier in duiker Houtvaart net bezuiden Vlaamseweg (passage Westelijke Randweg)
1
provincie
13
Zuid-West
plankier brug kruising Vlaamseweg Lorentzkade
1
14
Zuid-West
fauanapassages provinciaal fietspad Houtvaartbosje
1
15
Zuid-West
Koker buis Fiets-/voetgangertunnel
1
16
Zuid-West
koker/plankier langs fiets- of spoorviaduct over Westelijke Randweg
1
17
Zuid-West
Herinrichten groen Munterslaan ()0st)
1
18
Zuid-West
Koker onder wegdek Leidsevaart, aansluitend op Munterslaan
1
28800
24
19
Zuid-West
plankier, aansluitend aan 18, langs kade Leidsvaart en met rechte hoek aansluitend langs fietsbrug Limburg Stirum pad
1
18500
74
20
Zuid-West
koker onder wegdek Wagenweg en fauna uit- en toegeleiding de Hout en idem voor Fonteinlaan
1
21
Zuid-Oost
Ontwikkeling ecologische zone Verenigde Polders
3
22
Zuid-Oost
Plankier langs kwakel Sallandvaart (Vlinderpad tussen Molenplaspark en Meerwijkplas)
1
23
Zuid-Oost
Natte verbindingsstructuur Poelpolder-Oost ontwerpen en aanleggen
1
24
Oost en Noord-Oost
plan uit te werken voor verhoging van de biodiversiteit (flora en fauna) in het bos en weilanden in het noordelijk deel van de Zuiderpolder, inclusief ontsluiting voor wandelaars, het gebied aan te wijzen als Potentiegebied en aandacht te schenken aan voldoende toezicht
2
25
Oost en Noord-Oost
Faunapassage N2000, onder de bruggen en spoorlijn en fietspad
2
nr.
1a
1b
1c
2a
2b
2c
3a
3b
4a
4b
4c
samengestelde bedragen
18750
75 16250
ja
eenheid
65
3600
3
15000
42 13000
52
64800
27, 27
8250
33
ja
10000
14100
Ecologisch Beleidsplan | deel 2
9500; 3600
53
38 plankier; 3m fietspadtunnel
deelgebied
omschrijving
prioriteit
prioriteiten en globle kosten (euro’s) meekoppelkans
26
Oost en Noord-Oost
Versterken beheer van Veerplas-Oost en buitendijkse moerasgebieden, WaarderpolderOost en oevers Schoteroog
1
ja
27
Noord en Noord-West
Check fauanapassage J. Gijzenvaart via tunnel onder Westelijke Randweg en ontwerp en aanleg faunapassages onder brug Rijksstraatweg (1) en tussen J. Gijzenvaart en Spaarndamseweg-Oost (2); evt plankier in tunnel Westelijke Randweg (3)
2
28
Noord en Noord-West
faunapassage tussen J. Gijzenvaart en langs Schoterbrug naar Waarderweg
4
29
Noord en Noord-West
faunapassage Westelijke Randweg tussen Kleverlaan=West en -Oost vanaf de westberm Randweg bij de Delft
3
30
Noord en Noord-West
faunapassage van de J. Haringstraat, Marnixstraat (tussen de Schoolwerktuinen en Kweektuin, brug onder van Riebeecklaan en Pim Mulierlaan
2
31
Noord en Noord-West
permanente verkenning van de mogelijkheden van verbinding tussen de Kleverlaan en de Bolwerken
3
34
Centrum
faunapassage onder Kennemerbrug via een voor fauna beloopbare richel onder de brug (Z en N zijde)
1
35
Noord en Noord-West
Verbinding Bolwerken en Mandelapark via de Vrouwehekstraat en Zocherstraat
3
36
Centrum
faunapassage langs de zuidelijke voetgangersbaan van de Prinsenbrug (tunnel Prinsen Bolwerk + Friese Varkenmarkt en plankier Prinsenbrug)
4
37
Centrum
faunapassage af te waarderen Oostersingel
3
38
Centrum
faunapassage via de Verfroller (berm Kampervest, richel brug Kampergracht, via kamperbrug langs verfroller zuidzijde, naaar berm Antoniestraat)
3
39
Centrum
faunapassage (plankier) berm Schalkwijkerstraat ter overbrugging Schalkburgerbrug en brug Zomervaart en onder Schalkburgerbrug en brug Zomervaart, richting Zomervaart
1
40
Centrum
faunapassage Buitenrustbrug, zuidzijde
1
42
Oost (stedelijk)
faunapassage Laan van Angers bij rotonde Europaweg en via richel of tunnelbak onder de brug Europaweg/Europavaart
1
43
Oost (stedelijk)
faunapassage Europaweg tussen Romolenpark en Middengebied in traject tussen Zuiderzeelaan en Groningenlaan.
3
44
Oost (stedelijk)
fauanapassage via plankier brug Groningenlaan ter hoogte van Bramelpad
3
45
Oost (stedelijk)
faunapassage Aziepark via tunnel onder Briandlaan naar berm Amerikavaart
2
nr.
1a
1b
1c
9000
2a
2b
2c
39600
3a
3b
4a
4b
4c
32500
27600
93750
samengestelde bedragen
9000, (32500 en) 39600
35; 130 en 33
27600 en 30000; 63750
tunnel 23 en 25; plankier 255
44400
ja, deels
9000
eenheid
37
30000
25 at en 36 pl
13500
27, 27
24000; 32400; 27500
83900
t1: 20; t2: 27; plankier 110
ja 31250 eerste ja; tweede mogelijk
125
13000; 17500; 12500
43000 16250
52, 70, 50 65
22000
6250
ja, voor ecolgische verbinding
22.000; 6250
48000
40
7000
28
25200
Ecologisch Beleidsplan | deel 2
20; 25
21
54
prioriteit
nr.
prioriteiten en globle kosten (euro’s) meekoppelkans
deelgebied
omschrijving
46
Oost (stedelijk)
faunapassage (plankier) vanaf berm Amerikaweg, langs kade en onder Rooseveldbrug (over R-Net halte Schalkwijk-Centrum) naar berm Briandlaan
2
47
Oost (stedelijk)
faunapassage onder Merovingenstraat
3
48
Oost (stedelijk)
faunapassage onder de gereconstrueerde Europaweg en kruising met de Schipholweg
2
ja
55
49
Oost (stedelijk)
faunapassage Engelandlaan onder Belgiëlaan
2
ja
25
50
Oost (stedelijk)
faunapassage Europaweg van Belgiëlaan naar Kennedylaan
2
ja
45
51
Oost (stedelijk)
faunapassage Amerikaweg van Kennedylaan naar Fl. van Adrichemlaan
2
ja
50
52
Oost (stedelijk)
faunapassages langs Amsterdamsevaart van Pr. Bernardlaan en Camera Obscuraweg
2
deels
53
Oost (stedelijk)
faunapassages Pr Bernardlaan bij Schipholweg en Zomervaart
4
ja
54
Oost (stedelijk)
faunapassages langs Waarderweg (-Oost) onder Claes Tillyweg.
3
26400
22
EB
Oost (stedelijk)
idem Mollerusweg
3
9600
8
EB
Oost (stedelijk)
idem A. Hofmanweg.
3
25200
21
Subtotalen
1a
1b
1c
2a
EB
1
Hele ecologische netwerk
Overleg met provincie over bijdrage vergroten biodiversiteit
1
Hele ecologische netwerk
Toepassingskaart natuuroevers en eilandnatuuroevers
1
3a
3b
4a
4b
4c
51600
21
38400 97200
100150
112000
108900
Ecologisch Beleidsplan | deel 2
104100 306400
eenheid 210
25300
309700 Nachtdiervriendelijke verlichting toetsen aan routes van nachtvlinders en vleermuizen: EB 3.2 actie 11.
2c
52500
97550
Hele ecologische netwerk
2b
samengestelde bedragen
93400
102200
98700
200900
111500
93750
97200
302450
55
51600; 38400
43, 32
54000; 43200
45, 36
1119450
9. Bijlage 3: Maatregelen op kaart
Natuur Netwerk Haarlem
56
Dit is een uitgave van gemeente Haarlem, Natuur Netwerk Haarlem Mei 2022 Tekst: S.Y.M. Andela, stadsecoloog BBOR Ontwerp: Studio Swanink Illustraties: Alan Barker Postbus 511 2003 PB Haarlem Tel. 14 023 haarlem.nl