20221515365 2 Bijlage 1 Ecologisch Beleidsplan, de uitwerking van een robuust ecologisch netwerk
Tekst van het document
Ecologisch Beleidsplan, deel 2: uitwerking van een robuust ecologisch netwerk. Natuur Netwerk Haarlem
Inhoudsopgave 1.
Samenvatting en Leeswijzer...........................3
2.
Opgenomen figuren en foto’s........................ 5
3.
Scope................................................................ 6
3.1 Waarom dit Natuur Netwerk Haarlem?..........6 3.2
Omgeving.............................................................. 7
3.3 Biotopen in de stad en de stadszomen...........8 3.3.1 Voorwaarden en bouwstenen voor ecologie in de stad...............................................................8 3.3.2
Doeltypen............................................................. 10
4. Geschikte habitat en vrije uitwisseling.........11 4.1 Wat zijn belangrijke uitgangspunten?............ 11 4.2 Habitat en specifieke doelgroepen.................12 4.3 Doelgroepen/soorten voor verbindingen.....12 4.4 Structuurversterking, verbindingen, barrières en maatregelen...................................................13
5.1.3.4 Routes, barrières en maatregelen.................25 5.1.4
Oost en Noord-Oost..........................................25
5.1.4.1 Onderdeel Ecologische Structuur..................25 5.1.4.2
Deelgebieden.....................................................26
5.1.4.3 Structuurversterking en verbindingen..........29 5.1.4.4 Routes, barrières en maatregelen.................30 5.2
Binnenstedelijk netwerk.....................................31
5.2.1
Noord en Noord-West........................................31
5.2.1.1 Onderdeel Ecologische structuur....................31 5.2.1.2
Deelgebieden......................................................31
5.2.1.3 Structuurversterking en verbindingen..........33 5.2.1.4 Routes, barrières en maatregelen.................33 5.2.2
Corridor Centrum...............................................34
5.2.2.1 Onderdeel ecologische Structuur..................34 5.2.2.2
Deelgebieden.....................................................34
5.2.2.3 Structuurversterking en verbindingen..........35 5.2.2.4 Routes, barrières en maatregelen.................35
5.
Het ecologisch netwerk.................................14
5.2.3
5.1
Buitenrand stedelijk netwerk........................... 15
5.2.3.1 Onderdeel ecologische Structuur..................35
5.1.1
West-Centrum..................................................... 15
5.2.3.2
Schalkwijk en Oost.............................................35
Deelgebieden.....................................................36
5.1.1.1 Onderdeel Ecologische Structuur.................. 15
5.2.3.3 Structuurversterking en verbindingen.......... 37
5.1.1.2
5.2.3.4 Routes, barrières en maatregelen.................39
Deelgebieden..................................................... 15
5.1.1.3 Structuurversterking en verbindingen.......... 15 5.1.1.4 Routes, barrières en verbindingen..................17 5.1.2
Zuid-West............................................................. 18
5.1.2.1 Onderdeel Ecologische Structuur.................. 18 5.1.2.2
Deelgebieden..................................................... 18
5.1.2.3 Structuurversterking en verbindingen.......... 19 5.1.2.4 Routes, barrières en maatregelen.................20 5.1.3
Deelgebieden......................................................21
5.1.3.3 Structuurversterking en verbindingen.......... 22
Toekomstig beeld.......................................... 42
6.1 Verbindingen, opheffen barrières en prioriteiten...........................................................42 6.2 Versterking van de natuur................................44 6.3
Uitgangspunten en vervolg.............................44
7. Bijlage 1. Doelgroepen en -soorten voor biodiversiteit.................................................. 46
Zuid en Zuid-Oost..............................................20
5.1.3.1 Onderdeel Ecologische Structuur..................20 5.1.3.2
6.
8. Bijlage 2: Maatregelen NNH........................ 53 9. Bijlage 3: Maatregelen op kaart................. 56
Natuur Netwerk Haarlem
2
1. Samenvatting en Leeswijzer Het Ecologisch Beleidsplan is in 2019 nog geactualiseerd. Het geeft een goed overzicht waar waardevolle natuur aanwezig is en welke ontwikkelingskansen er liggen in de huidige groenstructuur. Voor vergroting van biodiversiteit was het nodig om de ecologische structuur en het ecologisch netwerk verder te detailleren en gereed te maken voor de ontwikkeling van het nieuwe Groenbeleidsplan en het nieuw ruimtelijke afwegingskader, het Omgevingsplan. Het is van belang de huidige groenstructuur te benutten en tegelijkertijd meer in te richten op, en te beheren voor de ecologische functie. In hoofdstuk 1 wordt vooral ingegaan op de historische opbouw van het landschap, de biotopen die aan de randen en in de stad voor komen. Er wordt ingegaan op de voorwaarden voor biodiversiteit. Vervolgens worden de bouwstenen aangereikt voor verbetering voor de natuur in en buiten de stad. In hoofdstuk 2 gaat het om geschikte leefgebieden, het tot stand brengen van verbindingen, het bieden van vrije uitwisseling en het wegnemen van barrières. Dit geldt voor kwetsbare en zeldzame natuur die we vooral aan de randen aantreffen, maar ook voor de talrijke organismen in de stad.
Aan de rand van de stad zal de nadruk liggen op versterken van de kwaliteit van de meer natuurlijke leefgebieden en doorlopende structuren voor meer zeldzame en kwetsbare soorten; in het stedelijk gebied zal er vooral aandacht zijn voor routes die aansluiten bij belangrijke natuurgebieden en soortengroepen die staan voor een veelheid van organismen die de stad kunnen gebruiken als leefgebied (zie ook bijlage 1 voor de beschrijving van de doeltypen en -soorten). Veel van de routes zijn nu nog niet geschikt voor een vrije uitwisseling van die soortengroepen. De ecologische inrichting van het binnenstedelijke gebied zal de komende jaren vaak in samenhang met de te treffen stedelijke inrichtingsmaatregelen (o.a. bij vormgeving van de Ontwikkelzones) en versterking van de groenfunctie in de openbare ruimte plaats vinden. In hoofdstuk 3 wordt per groter stedelijk deelgebied (‘windstreek’) een beschrijving gegeven van: inliggend ecologische gebiedjes uit het Ecologisch Beleidsplan (huidige betekenis), deelgebieden (inbedding), waar structuurversterking en verbindingen nodig zijn (wat moet verbeterd worden), welke barrières er zijn en welke inrichtingsmaatregelen worden voorgesteld.
Bestaande kerngebieden, ligging, gewenste versterkingen verbinding en maatregelen zijn per groter stedelijk deelgebied bijeengehouden, vanwege samenhang in ‘betekenis’, ‘inbedding’, ‘versterking’ en ‘maatregelen’. Deze laatste zijn ondergebracht in een catalogus van maatregelen, met een prioritering (bijlage 2).
Als de ‘ont-snipperende’ maatregelen getroffen zijn (opheffen van barrières) en het groene netwerk via de ecologische verbindingsroutes steeds verder wordt door ontwikkeld op basis van ecologische inrichtingsprincipes (uit het ecologisch hoofdprofiel), ontstaat een hecht ecologisch netwerk in de stad (hoofdstuk 4). Dit sluit aan op het landelijke en provinciale netwerk (NP en NNN) en een grotere bijdrage leveren kan aan de landelijke biodiversiteit. Het zal nooit af zijn. Door goede monitoring en gerichte natuur inclusieve maatregelen kan het wel steeds beter worden. Dan kan steeds meer aandacht gegeven worden aan introductie van nieuwe soorten in een natuur inclusieve stad. De doeltypen en -soorten uit bijlage 1 zijn een eerste identificatie van soortengroepen waar rekening mee moet worden gehouden bij het ecologisch groenbeheer en de ruimtelijke inrichting (Gedragscode soortbescherming). Dat heeft consequenties voor de ingreep en mitigerende (vervangende) maatregelen, het soort beheer, de wijze waarop en wanneer dat wordt uitgevoerd. Om de leesbaarheid te vergroten is bij sommige passages gekozen voor het toepassen van een groene steunkleur. Deze accentueert kernteksten. Vooral van belang bij uitleg en verduidelijking. Maatregelen zijn in rode tekst weergegeven (zie voorbeeld pagina 17).
De grootste stap is de vertaling van uitgangspunten, via de gebiedseigenschappen naar maatregelen, in de deelgebieden (versterking van de natuur, benoemen
Natuur Netwerk Haarlem
3
van verbindingen en wegnemen van barrières) - zeg maar de kern van hoofdstuk 3.
ontstaansgeschiedenis (bodemopbouw, ontginning en wording) van de natuurkerngebieden.
De indeling van de buiten stedelijke gebieden is zo gekozen vanwege regionale ligging.
Het (binnen-)stedelijk gebied kent een stedelijke ophooglaag die uitermate bepalend is voor de mogelijkheden voor de natuur.
• West en Zuid-West grenzen aan het duinmassief dat als kerngebied voor de stad fungeert. • Zuid en Zuid-Oost ligt aan de Ringvaart. Geohydrologisch staat het sterk onder invloed van de dieperliggende Haarlemmermeer en kent, naar de Ringvaart toe, een steeds sterkere grondwateronttrekking en peilverschillen. • Oost en Noord-Oost liggen voor een belangrijk deel aan de voormalige veenrivieren de Liede en Spaarne (Buiten). Deze zijn bepalend voor de
Er is bewust voor gekozen, per samenhangende gebiedsdeel, systematisch de vertaling te maken vanuit de uitgangspunten: • wat is opgenomen in het Ecologisch Beleidsplan? • beschrijving van de gebieden • structuurversterking en verbindingen • routes barrières en maatregelen Daaruit volgt het eindplaatje van figuur 18.
Natuur Netwerk Haarlem
4
2. Opgenomen figuren en foto’s Figuur 1
Verzicht Hotspots, Potentiegebieden en Verbindingen uit het Ecologisch Beleidsplan................................... 6
Figuur 2 Dwarsdoorsneden Haarlem: van zee via strandwallenlandschap, en vroeg menselijke bewoning naar huidige stad..........................................................................................................................................7 Figuur 3
Ecologisch hoofdprofiel.................................................................................................................................................. 8
Figuur 4
Natuuroevers..................................................................................................................................................................... 9 ‘Eiland’- natuuroevers (FUB = fauna uittreed plaats) ............................................................................................. 9
Figuur 5
Faunapassages............................................................................................................................................................... 13
Figuur 6
Indeling delen van het netwerk.................................................................................................................................... 14
Figuur 7
Impressie strandvlakte................................................................................................................................................... 16
Figuur 8
Ringslang.......................................................................................................................................................................... 16
Figuur 9
Nieuwe Hotspot Zuid-West............................................................................................................................................ 19
Figuur 10
Waterral.............................................................................................................................................................................22
Figuur 11
Roerdomp.........................................................................................................................................................................23
Figuur 12
Natuurontwikkelingszone Poelpolder........................................................................................................................ 24
Figuur 13
Natuurontwikkelingszone Zuiderpolder.....................................................................................................................27
Figuur 14
Welriekende nachtorchis.............................................................................................................................................. 28
Figuur 15
Otter, de toekomstige bewoner Oeverlanden? ...................................................................................................... 28
Figuur 16
Gouwwetering................................................................................................................................................................ 38
Figuur 17
Waarderweg met centrale watergang..................................................................................................................... 39
Figuur 18
Toekomstig beeld ecologische structuur en verbindingen. ................................................................................. 43
Figuur 19
Te versterken natuurwaarden..................................................................................................................................... 44
Natuur Netwerk Haarlem
5
3. Scope 3.1 W aarom dit Natuur Netwerk Haarlem? Het Ecologisch Beleidsplan is in 2019 nog geactualiseerd. Het geeft een goed overzicht waar de waardevolle natuur aanwezig is, welke ontwikkelingskansen er voor meer natuur liggen en waar belangrijke routes liggen. In het coalitieprogramma 2018-2022: Duurzaam Doen, is opgenomen dat vergroting van biodiversiteit een belangrijke opgave is, ook binnen de stad. Vanuit de groen stakeholders in de stad is de wens naar voren gekomen meer samenhang aan te brengen. Voor de ontwikkeling van een nieuw ruimtelijk afwegingskader, het Omgevingsplan, is de behoefte ontstaan om nog eens goed in te zomen wat er nodig is om meer biodiversiteit tot stand te brengen. Onder de naam ‘Houtskoolschets’ is gestart met het in kaart brengen van de ontbrekende schakels en zwakke plekken in de ecologische structuur. Gebleken is dat veel aangegeven verbindingen uit het Ecologisch Beleidsplan in werkelijkheid zwak zijn of niet (kunnen) functioneren. In het stedelijk weefsel ontbreekt grotendeels een samenhangend netwerk dat interactie tussen woonbuurten en het buitengebied mogelijk maakt.
aanwezigheid, gebruiksvormen en inrichting die de mens bezigt voor een goede vervulling van zijn wensen. Vervlechting betekent dat zoveel mogelijk ruimte wordt benut om het ecologisch netwerk te vergroten.
De ecologische structuur maakt onderdeel uit van de groene structuur in en om de stad, zij het dat op een groot aantal plaatsen de groenstructuur onvoldoende voorwaarden biedt voor het goed functioneren van het ecologisch netwerk. Dit zal daarom een belangrijke bijdrage leveren aan de verdere vormgeving van de onderliggende groenstructuur. Niet door concrete inrichtingen voor te stellen, maar door aan te geven dat op de verbindingen in de nabije toekomst aandacht moet worden gegeven aan een goede ecologische structuur (zie o.a. 1.3.1. en 2.1). Als zodanig maken het Ecologisch Beleidsplan en dit NNH deel uit van het Groenbeleidsplan Dit plan legt over het bestaande Ecologisch Beleidsplan een beschrijving van de versterking van de structuur, de routes en het maatregelenpakket dat die leemten moet vullen.
Wat zijn de uitgangspunten voor deze uitwerking? 1. Het geactualiseerde Ecologisch Beleidsplan (2019) blijft uitgangspunt. 2. Vergroting van de biodiversiteit binnen en buiten de stad. Deze heeft versterking van het ecologisch netwerk nodig. Het gaat om het verbeteren van de kwaliteit van de kerngebieden, vervlechten van plantaardig en dierlijk leven met de menselijke
Figuur 1 - Overzicht Hotspots, Potentiegebieden en Verbindingen uit het Ecologisch Beleidsplan (Actualisatie 2019).
Wat moet het opleveren? Een toekomstig integraal ecologisch netwerk met belangrijke kerngebieden, een samenhangend stelsel van verbindingen dat voldoende is voor een vrije uitwisseling van flora en fauna tussen omgeving en de stad en binnen de stad. Het stelsel voorziet niet in alle routes: er wordt vanuit gegaan dat op buurt niveau voldoende informele en rustige plekken zijn voor uitwisseling en vrije verplaatsing van en naar de aangegeven routes en buiten de stad en omgekeerd.
Natuur Netwerk Haarlem
6
Waarom toekomstig? Met dit plan is het netwerk niet af maar er wordt naar verwachting een integrale structuur neergelegd. Toch zal via onderzoek (o.a. cameravallen, monitoring) moeten worden bepaald of dit stelsel voldoende is en of verfijningen nodig zijn. Vergroting van biodiversiteit in het binnen- en buiten stedelijk gebied: -h eeft als vertrekpunt de fysische omgeving (klimaat, hoogteligging, bodem, grondwater, oppervlaktewater) - r icht zich op een zo groot mogelijke verscheidenheid van doeltypen van planten en dieren die hier van nature aanwezig kunnen zijn
Daarnaast is er (ecologisch) een Zuid-Noord gradiënt. De Haarlemse polders bevinden zich op een overgang van het Zuidhollande zoete grondwaterpakket naar het brakke Zaanse grondwaterpakket. Dit wordt door diverse kensoorten van zo’n overgangsgebied bevestigd. Voor een deel gaat het om brakkig water dat door een diepere ligging van de veenpolders vanuit de ondergrond op kwelt. Haarlem kent een soort zonale Oost-West landschaps-opbouw, die ontstond met de geleidelijke opschuiving van de kust in westelijke richting. Zo zijn de Noord- Zuid strekkende strandwallen ontstaan, die sterk bepalend zijn geweest voor de zonale landschapsopbouw. Daardoor zijn namelijk veel Noord-Zuid gerichte infrastructuurlijnen (wateren, wegen) aangelegd en daarmee zijn veel WestOost barrières ontstaan.
- s toelt op drie belangrijke pijlers: - voldoende geschikte habitatten1, - een goed beheer om deze in stand te houden/c.q. verbeteren en - vrije uitwisselingsmogelijkheden voor soorten (die nu grotendeels worden tegengehouden door barrières).
3.2 Omgeving Haarlem is gelegen op ca. 10 km. van de Noordzeekust. Het gebied Zuid-Kennemerland kent veel zonuren per jaar en ondervindt een zwakke invloed van de zee via inwaaien van zoutcomponenten (door een overwegende zuidwestelijke en westelijke windrichting. Haarlem is gesticht op een centrale strandwal en ligt tussen belangrijke toeleverende landschapstypen, van allerlei planten- en diersoorten die ook goed gedijen in het stedelijk gebied. Aan de westzijde liggen in deze volgorde: de zee, de duinen, de binnenduinrand met bosrijke landgoederen en de strandvlakte; aan de oostzijde liggen veengebieden en twee droogmakerijen (op kleibodems). Het duin- en binnenduingebied is reliëf rijk, tot 45m + NAP; de strandvlakte en het stedelijk gebied liggen ongeveer op NAP en de veengebieden liggen op 130 – 280 cm -NAP. Het oppervlaktewater bevindt zich op ca 60 cm -NAP. Het maakt deel uit van het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (meest noordelijke deel), waarvan het overtollige water wordt uitgeslagen bij Spaarndam en Halfweg). De polderpeilen gaan tot ca. 290 cm -NAP. Er is een duidelijke West- Oost gradiënt.
1
Figuur 2 - Dwarsdoorsneden Haarlem: van zee via strandwallenlandschap, en vroeg menselijke bewoning naar huidige stad (bron: Zesduizend jaar Haarlem; 2019 Anja van Zalinge)
Welke lijnen komen we tegen? 1. Spaarne en Liede, beide oorspronkelijk veenstromen die het hoogveendek, dat gelegen was op de plek van de Haarlemmermeer, in noordelijke richting afwaterden; 2. de centrale Noord-Zuid liggende strandwal waarop Haarlem is gesticht en de hoofdverbindingsroutes met de omgeving; 3. de Noord-Zuid lopende strandvlakte die voldoende moest kunnen afwateren maar ook een route bood voor transport (Leidsevaart); 4. hulp/hoofdroutes (w.o. de nu belangrijke Westelijke Randweg), die door de langgerekte structuur ontstonden.
Natuurlijk leefgebied voor doelsoorten.
Natuur Netwerk Haarlem
7
Uiteraard groeide de economische betekenis van verbindingen met Amsterdam, waardoor West-Oost routes ontstonden. Als gevolg van de stedelijke groei zijn steeds meer onoverbrugbare hindernissen ontstaan door de grachten, brede vaarten en wegen en verstening van oude kernen.
3.3 B iotopen in de stad en de stadszomen In het stedelijke milieu is de variatie in groeiplaatsomstandigheden of standplaatsen voor planten niet heel groot; de bodem is tamelijk voedselrijk, zanderig en min of meer humeus, met een vochthuishouding die varieert en met het grondwater op een range tussen 20 cm en meer dan 2 m, afhankelijk van het stadsdeel. Bijna alle grond in het stedelijk gebied is niet oorspronkelijk, maar opgebracht en varieert qua samenstelling, afhankelijk van gebruiksfunctie, tussen zand en humeus zand. Op de oude strandwallen komen wel oorspronkelijke bodems voor, die afhankelijk van het gebruik, zijn ontwikkeld tot natuurlijke bodems.
Figuur 3 - Ecologisch hoofdprofiel2
In het landelijke gebied komt meer variatie voor, wat ook zorgt voor een grotere verscheidenheid aan groeiplaatsomstandigheden en dus ook biotopen. Op de oude strandwallen en oude duinformaties komt aan de oppervlakte zand voor. Aan de oostzijde van de stad komt aan de oppervlakte veraard veen voor op een onderlaag van veen of kleiig veen; op sommige plekken is sprake van doorlopende natuurlijke bodemvorming (levend veen, moerassen). Op enkele plekken duiken zandlichamen op. De oude strandwallen vinden we als centrale rug in Haarlem-Heemstede, in enkele delen van Schalkwijk, Zuiderpolder en Veerpolder. Als gevolg van deze verschillen, kan daarom hier de grootste biodiversiteit ontstaan. Aan de westzijde van de stad is het veen overstoven of voor tuinbouw opgehoogd met zand.
3.3.1
oorwaarden en bouwstenen V voor ecologie in de stad
Het stedelijk weefsel is dooraderd met groen. Dit is een verzameling voor alle planten en het bodemsubstraat (en grondwater) dat een bestaansbasis vormt voor alle andere organismen. Het groen vormt een matrijs en naarmate de samenstelling daarvan bestaat uit meerdere lagen, met een grotere soortendiversiteit, kan deze ook meer organismen herbergen die direct consumeren van die matrijs, dan wel de consumenten daarbinnen, weer als voedselbron gebruiken.
Water (met waterplanten) -oeverplanten -kruiden/bloemrijk gras- greppel -zoomvegetatie -mantelvegetatiestruiklaag- bomen, en symmetrisch terug.
2 ruigtestrook
Natuur Netwerk Haarlem
8
Zo ontstaat een netwerk van voedsel en soorten: een ecologisch netwerk. Niet in elk stadsdeel is sprake van een goede verdeling van groen. Er is bovendien niet overal voldoende ruimte voor vestiging van bomen van de eerste orde, laat staan een heel bos. Het is de zoektocht om binnen de groene ruimte in de stad een ecologisch netwerk in te vullen dat bestaat uit dwarsdoorsneden uit de onderstaande reeks. Een invulling van (delen van) deze reeks noemen we een ecologisch profiel (zie pagina hiervoor). Bij groeninrichting kiezen we voor inheemse soorten omdat deze de beste voorwaarden vervullen om de juiste ecosysteemdiensten te leveren aan organismen die daar afhankelijk van zijn (voedsel, schuil- en voortplantingsmogelijkheden, overwintering). De soortensamenstelling hangt af van groeiplaatsomstandigheden, de gewenste beeldkwaliteit en ontwikkeling van het ecologische netwerk. Bij weinig ruimte kan gekozen worden voor combinaties met bomen van de tweede orde of zelfs alleen hoge heesters of lage heesters, mantelsoorten als grootste planten in de reeks. Op veel plaatsen in de stad zijn de beeldkwaliteit en gebruikswaarde bepalend geweest voor de inrichting van het groen; een ecologisch netwerk vraagt om meer, namelijk een goede structuur en soortensamenhang van planten, die bovendien ook nog voldoende ecosysteemdiensten leveren, zoals bv. voedsel, beschutting, koeling, rust, etc.
Het is een uitdaging beeldkwaliteit, gebruikswaarde en ecologische kwaliteit te verenigen.
Figuur 4 - Natuuroevers
Welke typen beplanting/inrichting komen we vaak tegen? Water, beschoeiing, gazons, bloemrijk gras, perken, heestervakken, bomen (-rijen), bosplantsoen, parken, bossen. Wat we, komend vanuit dat beeld, willen versterken in de ontwikkeling van ecologische netwerken, is: • oeverbescherming vervangen (waar dat kan) door natuuroevers of ‘eiland’ natuuroevers. • omvorming van gazons naar bloemrijk gras (waar gebruiksfuncties en gewenste beeldkwaliteit dat toelaten), • omvorming van perken naar gevarieerde, gelaagde en voedselproducerende3 heestervakken met inheemse soorten, • bomen met ondergroei van struiken, mantels en bloemrijk gras
Figuur 4.1 | ‘Eiland’- natuuroevers (FUB = fauna uittreed plaats) 3 Nectar uit bloemen, bessen, zaden en vruchten
Natuur Netwerk Haarlem
9
3.3.2 Doeltypen
• Insecten • Amfibieën
Is de ontwikkeling van een betere verbindingsstructuur nodig voor alle organismen?
• Reptielen
Nee, sommige groepen organismen kunnen met de huidige en in de loop der jaren verbeterde basis groenstructuur goed uit de voeten en gaat het meer om het verbeteren van de kwaliteit van het netwerk.
Zie voor een uitgebreide beschrijving: Bijlage 1.
Het is goed om te weten om welke organismen in het ecologisch netwerk het gaat en welke rol ze spelen. De volgende doeltypen zijn aan de orde: • Waterorganismen
• Zoogdieren • Vogels.
De daarin genoemde doeltypen en -soorten zijn een eerste aanduiding van soortengroepen en soorten die voor ons gebied van belang zijn. Deze zal tenminste worden gebruikt voor het samenstellen van het werkprotocol bij de Gedragscode soortenbescherming, voor het bestendig groenbeheer en ruimtelijke inrichting. Naast de algemenere beschrijving zal de komende jaren een catalogus van soorten worden opgesteld, waar specifieke aandacht aan wordt gegeven bij specifieke biotoopontwikkeling, maar ook ecologisch groenbeheer en ruimtelijke inrichting.
• Vaatplanten.
Natuur Netwerk Haarlem
10
4. Geschikte habitat en vrije uitwisseling 4.1 W at zijn belangrijke uitgangspunten? Geschikte leefgebieden en vrije uitwisselingsmogelijkheden hebben bij uitstek een ruimtelijke component. Ze zeggen iets over vorm en grootte van gebieden en lijnvormige elementen en het ruimtebeslag/vervlechting en afstemming met de omgeving. Het NNH richt zich in de kern op: a het versterken van leefgebieden die kwetsbaar zijn of die een habitat vormen voor soorten die: - zeldzaam zijn of waarvan hun vermeerdering gewenst is of - h ier nog ontbreken maar wel thuishoren en waarvan de spontane vestiging wordt gestimuleerd, en het verbeteren van doorgaande routes; b het wegnemen van barrières, zodat een vrije uitwisseling van organismen mogelijk wordt.
a. Versterking van leefgebieden. De schets richt zich op verbeteringsmogelijkheden naar de beste omstandigheden voor zoveel mogelijk (doel-) soorten, rekening houdend met het soort biotoop en routes. Dat betekent dat voor buiten stedelijke situaties gekeken wordt naar biotoopversterking voor specifieke doelgroepen. Op veel plaatsen fungeren die (door beperkte schaalgrootte of isolatie) als eilanden en lopen populaties van planten en dieren een groter risico op verdwijnen, dan wanneer deze voldoende robuust zijn en bovendien een goede verbinding hebben naar vergelijkbare leefgebieden. Onder verbindingen wordt gekeken naar routemogelijkheden voor zo veel mogelijk doelgroepen en daaronder vallende soorten. Voor binnenstedelijke situaties zal daarom vooral gekeken worden naar het ontsluiten van vrije routes voor zoveel mogelijk doelgroepen en daaronder vallende soorten. Waar mogelijk zal bij de verbindingen gekeken worden naar optimale habitatten voor al die soorten die we een vrije uitwisseling willen geven. De binnenstedelijke verbindingen richten zich op hoofdroutes, waarbij kleine stadstraatjes, woonerven en uiteindelijk tuinen van woningen de kleinste haarvaatjes voor de natuur zijn. Deze omgevingen kennen veel
informele plekjes, stroken groen, met voldoende rust, waar de barrièrewerking niet meer aan de orde is. Het gaat potentieel om een groot aandeel van het stedelijke weefsel (tot 60%). Hier doet zich, niet alleen het belang gelden van het tegen gaan van hittestress en water opvang na flinke regenbuien, maar ook het belang van groene en toegankelijke tuinen4 voor kleine dieren. Daarnaast zullen we in het stedelijk weefsel streven naar het versterken van habitatten voor de verschillende doelgroepen. Dat gaat verder dan dit NNH en is eigenlijk een permanente verbeteringsopgave. Daarbij gaat het niet alleen om ruimte voor de natuur, maar om een zo goed mogelijke vervlechting met andere stedelijke functies, die we al een plek hebben gegeven. Het gaat vooral om slimme keuzen die recht doen aan: bestaande functies, op voldoende peil houden van beeldkwaliteit en robuustheid van inrichting en beheer. Op veel plekken in de bestaande wijken kan, met het rooien van banen tegels van over-gedimensioneerde wandelpaden, veel ruimte toegevoegd worden aan doorgaande routes en in buurtjes. Daarmee ontstaat extra ruimte in het dwarsprofiel, waardoor een complexer ecologisch profiel mogelijk is en er dus meer ruimte komt voor vergroting van biodiversiteit.
Voorbeelden: • De keuze voor meer biodiversiteit door omvorming van gazons naar bloemrijke graslandjes kan gezien worden als zo’n uitwerking: na een paar jaar ontstaat meer bloemrijke natuur, vervlochten met gazons die geschikt zijn voor picknick en sport en spel en het uitlaten van huisdieren en overblijvende zomen. Het geheel wordt door de meeste mensen gewaardeerd. Voorwaarde is een goed beheer dat ook rekening houdt met de belangen van gebruikers. Bloemrijke graslanden zijn de basis voor het voedselnetwerk en daarmee de generator voor biodiversiteit, (zie: Bijlage1, paragraaf 2 in het groene kader). • Heestervakken met een grote variatie aan inheemse mantelvegetatie, struiken en bomen in een goede gelaagdheid, met voldoende dekkingsmogelijkheid voor kleine zangvogels. Een goede onderliggende bodembedekking, greppels en zomen met lang gras, met een goede passagemogelijkheid voor kleine zoogdieren en met jaarrond voldoende voedsel voor insecten en vogels. • Wateren met natuurlijke oeverbescherming en -vegetatie met een goede zoom van struiken en bomen van
4 Toegankelijkheid kan al bereikt worden door schuttingen niet tot de grond te laten doorlopen maar ruimte te bieden voor dieren die zich tegoed kunnen doen aan bodemdieren, slakken etc. of even beschutting kunnen vinden.
Natuur Netwerk Haarlem
11
natte plaatsen en lang en bloemrijk gras en, als er voldoende ruimte is, met poelen en droge zandhopen. • In de stad zijn veel kunstmatige oeverbeschermingen aanwezig, die omgevormd kunnen worden naar natuuroevers. Als hier minder ruimte beschikbaar is kan ook gewerkt worden met afwisselingen van beschoeiing en kleine eilandvormige uitgravingen achter de beschoeiing, transplantaties van kraggen met oeverplanten en verlaging op die plek van de beschoeiing, zodat vrije uitwisseling via het water mogelijk wordt (‘eiland’ natuuroever). • In stedelijke situaties kunnen situaties met minder ruimte voor natuur en dus minder complexe gemeenschappen van planten en dieren, of hier en daar zelfs ontbrekend, ook een realiteit zijn! Maar er zijn ook prachtige voorbeelden in oorspronkelijk geheel versteende stadsstraatjes waar bewoners ervoor gekozen hebben een stuk bereikbaarheid voor alle verkeerssoorten, in te ruilen voor een oase van groen voor de deur. Daar is ruimte is voor insecten en stadsvogels. En daar liggen voor bewoners in een versteende stad dan ook kansen: kiezen voor minder mogelijkheden voor mobiliteit maar voor meer natuur.
b. Vrije uitwisselingsmogelijkheden en wegnemen van barrières. Vrije uitwisselingsmogelijkheden zijn een voorwaarde voor vergroting van biodiversiteit. Dieren kijken met een andere ‘bril’ naar structuren die wij hebben gecreëerd om ons te verplaatsen. Veel van die structuren zijn onveilig voor dieren en worden zo ook ervaren, waardoor ze onneembare barrières zijn. Het identificeren van dergelijke plekken kan helpen deze weer te overbruggen met hulpstructuren die voor dieren wel als veilig worden ervaren. Deze vrije uitwisselingsmogelijkheden worden in de verschillende gebieden besproken met de voorkomende biotoop. Sommige diersoorten steken wel over en worden slachtoffer van verkeersbewegingen. Ook dat helpt biodiversiteit niet vooruit!
4.2 Habitat en specifieke doelgroepen. Bij het versterken van de kerngebieden in het netwerk zal specifiek worden ingegaan op de ontwikkeling van het gewenste biotoop en doelsoorten die worden bevorderd. De doelsoorten worden als gidssoorten beschouwd voor vele andere soorten. Soms richt de aandacht zich op de biotoop in combinatie met daar thuishorende flora, biotoop bewonende vogels, insecten, amfibieën, reptielen
en combinaties. Dit zal meestal het geval zijn in buiten stedelijke situaties. Voor binnenstedelijke situaties richt het zich op generieke versterking van de biotopen die zich goed voegen in de stad, maar ook bijdragen aan een zo groot mogelijke biodiversiteit. Daarbij zijn de bouwstenen uit 1.3.1. van belang; fysieke ruimte en vervlechtingsmogelijkheden bepalen de inkleuring, (de volledigheid/complexiteit van de bouwstenen).
4.3 Doelgroepen/soorten voor verbindingen. Als we de vrije uitwisseling van soorten willen veiligstellen, is het belangrijk aan te geven voor welke groepen en soorten begaanbare routes en belemmeringen aanwezig zijn. Voor planten, vogels, vleermuizen, en de meeste insecten zijn voldoende mogelijkheden om de aanwezige barrières (in een essentiële levensfase) te passeren. Planten maken voor verspreiding voornamelijk. gebruik van wind, water, insecten en vogels. De andere groepen kunnen vliegen en oriënteren zich op verschillende manieren om voedsel en geschikte habitatten voor alle levensfuncties te vinden. Doorlopende verbindingen met vrije uitwisselingsmogelijkheden zijn nodig voor amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren (knaagdieren, marterachtigen, insecteneters). Leidend voor beoordeling van geschiktheid is de soort die hoogste eisen stelt aan de habitat: de ringslang (nu nog niet aanwezig, maar naar verwachting wel op enige termijn). Alle andere soorten kunnen en zullen gebruik maken van voorzieningen die op deze soort zijn afgestemd. Lang niet overal waar fysieke aansluiting aanwezig is, is het gewenste ecologische profiel aanwezig (dwarsdoorsnede van de route van minimaal 25 m. met gevarieerde begroeiing met bomen, struiken, mantelvegetatie, ruigte, nat of droger grasland en eventueel moeras). Wel is belangrijk dat de passage is ingericht op deze soort.
Smallere zones zijn zeker geschikt voor kleine zoogdieren en amfibieën.
Deze voorzieningen zijn voor grotere zoogdieren (vanaf otters en groter) niet toereikend, maar deze zullen zich hier zeer vermoedelijk niet op afzienbare termijn vestigen. Als ze zich in de regio gaan aandienen zullen ze zich hoogstens in het buiten stedelijk gebied vestigen en specifieke voorzieningen vragen, die dan pas aan de orde zijn.
Natuur Netwerk Haarlem
12
4.4 Structuurversterking, verbindingen, barrières en maatregelen
Hieronder zijn voorbeelden van de toepassingen afgebeeld:
Figuur 5 - Faunapassages
Onderstaand wordt verder ingegaan op het ecologisch netwerk, op basis van het Ecologisch Beleidsplan. Daar waar nodig en gewenst, wordt bekeken welke gebieden zich lenen voor structuurversterking. Binnen deze gebieden wordt bekeken welke maatregelen genomen kunnen worden, voor welke doelgroepen maatregelen gewenst zijn en welk landschapsbeeld daarbij hoort. Structuurversterking is niet overal nodig. Soms gaat het alleen om het identificeren en te beschrijven van mogelijke, maar noodzakelijke verbindingen. Van belang is dat ze vanaf de vaststelling van het document een rol gaan spelen in de ruimtelijke inpassing en groeninrichting. Het zijn de toe- en afvoer routes voor een scala aan soorten, zoals beschreven onder 4.3.2 en bijlage 1. Er zijn twee hoofdroutes: water en land. Voor elkaar kunnen ze barrières vormen. Daarom is het zaak beide complementair te bekijken als route èn barrière.
Plankieren voor amfibieën, reptielen en zoogdieren om barrières te nemen
Tenslotte gaat het om maatregelen die nodig zijn om de aangetroffen barrières te slechten. In hoofdstuk 4 en bijlage 2 zal ook een hiërarchie aangebracht worden welke maatregelen de hoogste prioriteit hebben en welke later aan de orde zullen zijn. Twee belangrijke toepassingen zijn: 1. amfibieëntunnels, die ook door andere kleinere dieren worden gebruikt en 2. plankieren die in duikers, tunnels en onder bruggen kunnen worden toegepast.
Amfibieëntunnel onder Engelandlaan
Natuur Netwerk Haarlem
13
5. Het ecologisch netwerk Algemeen
1. Onderdeel Ecologische Structuur: met een relevante kaartuitsnede van het Ecologisch beleidsplan
Zoals al gezegd: aan de westzijde van Haarlem komen, in deze volgorde voor: de duinen, de binnenduinrand met bosrijke landgoederen en de strandvlakte; aan de oostzijde liggen veengebieden en twee droogmakerijen (op kleibodems). Haarlem kent een soort zonale opbouw waardoor veel Noord-Zuid-barrières zijn ontstaan. Het Ecologisch Beleidsplan is leidend in de nadere beschouwing van structuur en onderdelen. Onderscheiden zijn: natuurkerngebiedjes (Hotspots), ontwikkelgebieden (Potentiegebieden) en verbindingen.
2. Deelgebieden 3. Structuurversterking en verbindingen 4. Routes, barrières en maatregelen: het laatste onderdeel is gekoppeld aan bijlage 2
Voor de bespreking van het netwerk is gekozen voor het ‘slakkenhuismodel’, van buiten (vanuit het meer doorlopende oorspronkelijke landschap) naar binnen ‘gekruld’ (in de stedelijke inrichting). De buitenrand van het stedelijke netwerk is onderverdeeld in: 1.1. West-Centrum 1.2. Zuid-West 1.3. Zuid en Zuid-Oost 1.4. Oost en Noord-Oost Het (meer verdichte) binnenstedelijk netwerk bestaat uit: 2.1 Noord en Noord-West 2.2 Corridor Centrum. 2.3 Schalkwijk en Oost. De opbouw van dit hoofdstuk is per stedelijk deelgebied dezelfde gehouden. Dit om beschrijving, knelpunten en maatregelen zo dicht mogelijk bij elkaar te houden ter vergroting van de leesbaarheid en verder om het document compact te houden: Figuur 6 - Indeling delen van het netwerk
Natuur Netwerk Haarlem
14
5.1 Buitenrand stedelijk netwerk 5.1.1
5.1.1.1
West-Centrum
Onderdeel Ecologische Structuur
In West-Centrum zijn de volgende onderdelen in het Ecologisch Beleidsplan benoemd: P6 5 is Noordzijde Brouwersvaart (het Bouwersvaartgebied); H176 is de Spoorwegdriehoek.
Van de Ontwikkelingsvisie maken de plotgebieden Schoonzichtlaan, Korte Verspronckweg, en het Spoorwegstraatgebied deel uit van het aandachtsgebied. De Spoorwegdriehoek is niet alleen een belangrijk spoorknooppunt, maar ook een ecologisch knooppunt. Het belang van dit deelgebied met uitlopers wordt onder Verbindingen uiteengezet. 2. Brouwersvaartgebied. Van de Ontwikkelzone zijn de volgende plotgebieden aan de orde: Garage Biemond en GGD/Kazerne. Het Brouwersvaartgebied, dat via het Brouwerskolkpark grenst aan de Binnenduinrand kan mee koppelen met de Gebiedsvisie, dat het ontwikkelingsperspectief van het Tuinbouwgebied als ‘voorportaal’ voor het Nationaal Park (NP) Zuid-Kennemerland in kaart brengt. Direct ten zuiden van de Brouwersvaart ligt ‘het land van Piet’, een perceel voormalig tuinbouwgrond, dat nu als uitloopgebied voor de wijk wordt gebruikt. Het Tuinbouwgebied-Noord kent veel tegengestelde maatschappelijke belangen. Het was in de jaren 70 van de vorige eeuw nauwelijks meer in gebruik als tuinbouwgebied. Geleidelijk viel het ten prooi aan ontwikkelaars, die hoopten op woningbouwmogelijkheden in het gebied. De gemeente Haarlem heeft dit gebied nog proberen te bestemmen tot woongebied, maar dit streven is door een referendum in 1991 de pas afgesneden. Een voormalig bedrijventerrein binnen dit gebied is ontmanteld.
5.1.1.3 De rode en donkerrode lijnen zijn de belangrijke verbindingszones langs het spoor respectievelijk het Houtmanpad e.o. Het open deel van het Westelijk Tuinbouwgebied is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).
5.1.1.2
Deelgebieden
Door omwonenden, met name uit het Ramplaangebied, is na de verwerping van woningbouw in het Westelijk Tuinbouwgebied via een referendum, krachtig gepleit voor behoud van het gebied als groengebied. In 2013 is het gebied opgenomen als potentielocatie (P6) in het Ecologisch Beleidsplan en dat is bevestigd in 2019. Recentelijk is de Ontwikkelvisie Zijlweg-West in de raad behandeld. Beschrijvingen van de ecologische kwaliteiten en ambities zijn opgenomen in het Ecologisch Beleidsplan.
Te onderscheiden zijn: 1. Spoortrajecten Zandvoort-Haarlem en Leiden-Haarlem.
Structuurversterking en verbindingen
Zowel de verbindingszones als de Potentielocatie en de Hotspot maken deel uit van de Ontwikkelingszone Zijlweg-West. De Ontwikkelzone biedt kansen om de verbindingszones en P6 en H17 mee te ontwikkelen tot een hoogwaardigere ecologische invulling. Het boven de Brouwersvaart gelegen voormalige tuinbouwgebied bleef door de jaren heen een soort reservering. Het is van belang meer duidelijkheid te verschaffen over de eindbestemming. Door de raad is het verzoek gedaan een strategische visie op te stellen om Potentiegebied P6 om te vormen tot een Hotspot. Verder is voor het Westelijk Tuinbouwgebied een (provinciale) Gebiedsvisie in ontwikkeling, waarbij de Stikstofaanpak, het natuurontwikkelingsperspectief binnen de aangewezen Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebieden en de mogelijke uitbreiding van NNN-gebied aan de orde zijn. Dit biedt mee koppel kansen voor m.n. Potentielocatie P6 en ten zuiden van de Brouwersvaart gelegen percelen. Op de overgang van het NP-deelgebied Duinvliet naar de voormalige strandvlakte ligt een duinmassief dat op
5 P = Potentielocatie 6 H = Hotspot
Natuur Netwerk Haarlem
15
tal van plaatsen brongebieden kent voor duinrellen. Deze zijn aanwezig op het grensvlak Duinvliet-weilanden/ voormalig bollengebied, noordelijk en zuidelijk van het Duinvlietpad. De bestaande duinrellen zouden moeten worden gerevitaliseerd. De brongebieden zijn niet meer zichtbaar of hebben een beperkte omvang, door een snelle vermenging met afwateringssloten. Daarmee gaat veel habitat verloren voor organismen die aan deze brongebieden zijn gebonden. Het centrale thema voor de ontwikkeling van de Potentielocatie P6 is het deels zichtbaar maken van de historische context van het gebied, zijnde de strandvlakte tussen het oude strandwallengebied waarop Haarlem is gesticht en het wat jongere duingebied (wat we in de Binnenduinrand aanduiden als het oude duin). Dit duinmassief heeft een deel van de strand-vlakte overstoven, zichtbaar in de beboste oude duin-complexen met veel hoogteverschillen. Deze zijn zichtbaar in de landgoederen, zoals Elswout, Koningshof, Middenduin en Brouwerskolkpark.
Doeltypen waarvoor het gebied wordt ingericht zijn: a Het open, westelijke en centrale deel: amfibieën en reptielen, w.o. Ringslang (op termijn); Ooievaar (uitbreiding foerageergebied). b De overgang van het open deel via boomgroepen langs water, naar het oostelijke Vogelbosje: IJsvogel, Cetti’s zanger.
Figuur 8 - Ringslang De volgende verbindingen zijn te onderscheiden: 1. a. spoortraject Zandvoort-Haarlem, b. singels, bermen, sloten, en spoortaluds van Spoorwegdriehoek naar de Bolwerken en c. spoortraject Leiden-Haarlem.
Figuur 7 - Impressie strandvlakte Een logische omvorming van potentielocatie naar Hotspot Brouwervaart7 ligt in de boven beschreven lijn: een voornamelijk open gebied met enkele boomgroepen. Hoewel de strandvlakte zich heeft gekenmerkt door een lage kwelderachtige zone, met prielen en kreken, zijn die kenmerken niet terug te halen. Wel is een openheid en rijkdom aan water en poelen haalbaar in het centrale deel, een soort afspiegeling van het (afgeplagde) Zanderijvaart gebied van Middenduin. Voor het meer westelijke deel tot aan de Westelijke Randweg is het streefbeeld: een met Elzen omzoomde Brouwersvaart en hier en daar met boomgroepen, uitmondend in het Vogelbosje. In hoeverre ook het (al dan niet gedeeltelijk) afplaggen van de teeltaardelaag in het open centrale deel uitvoerbaar is, moet worden bekeken. Wel is het wenselijk hier veel poelen en bredere watergangen te creëren. Ontwerptechnisch komt dit beeld het dichtst bij het idee van de strandvlakte.
Het spoortraject Zandvoort-Haarlem is een West-Oost georiënteerde verbinding, die vanaf de Binnenduinrand bij Overveen, langs het spoor loopt, bestaande uit het spoortalud, spoorsloot en aangrenzende struwelen en parkbos. Deze verbinding sluit aan op de Garenkokerskade, die richting de Bolwerken gaat. De andere tak (Leiden -Haarlem) kruist de voorgaande verbinding op de Spoorwegdriehoek, komt uit het stadsdeel Zuid-West en versmalt sterk vanaf de Westergracht tot aan de Spoorwegdriehoek. Vanaf de Spoorwegdriehoek loopt een ‘droge tak’ via het KV-station en het Seinwezen langs de achterzijde van de woningen aan de Duvenvoordestraat richting de Bolwerken. Ook de lijn Alkmaar-Haarlem takt aan op de Spoorwegdriehoek. 2. Brouwersvaart- BrouwersgrachtgebiedLeidsevaart-Bolwerken. Het Brouwersvaartgebied verbindt de Binnenduinrand met de groenzone langs de Brouwersgracht en loopt via de bermen aan de Zijlvest en -singel door naar het Kenaupark en de Bolwerken.
7 Maatregel ontwikkeling Hotspot, nr. 7
Natuur Netwerk Haarlem
16
5.1.1.4
outes, barrières en R verbindingen
Bovendien is hiermee een belangrijke verbetering van het watersysteem mogelijk.
De ecologische verbindingszone West-Centrum is complex vanwege de (inmiddels) complexe stedenbouwkundige structuur en de vele maatschappelijke belangen. Ook liggen er nu belangrijke mee koppel kansen, vanwege de dynamiek van visieontwikkeling en ruimtelijke ontwikkeling Zijlweg-West. Er zijn twee belangrijke routes aan te merken: 1. Spoorverbindingen 2. Brouwersvaart- BrouwersgrachtgebiedLeidsevaart-Bolwerken.
1. Verbinding langs het spoor ZandvoortHaarlem, van Binnenduinrand via Spoorwegdriehoek naar de Bolwerken en het traject Leiden-Haarlem De spoorwegverbinding is een belangrijke route voor planten wier diasporen via het spoor meegevoerd worden. Ook is het een geleidingsroute voor dieren. Traject Zandvoort-Haarlem Vanaf het voormalige Marinehospitaalgebied is een spoorsloot aanwezig. Deze is echter op vele plaatsen rudimentair en wordt onderbroken door bebouwing. Tussen het spoor en In-Holland is eigenlijk alleen een open duiker aanwezig; achter het Nova College een (ver-)brede sloot zonder ecologische betekenis: een reconstructie is gewenst, mogelijk i.s.m. de nieuwbouw Vijverpark.8 Vanaf dit punt loopt de spoorsloot eerst weg van het spoor en verderop weer terug, via de Regentesselaan (waar ruimte is voor breder water met natuurlijke oevers, ingebed in gazons9) en komt via een duiker uit op de Julianalaan (beter zou zijn: via open water met een brug met faunapassage10). Vervolgens is er weer een spoorsloot, die langs ‘het Landje’ loopt en uiteindelijk uitkomt op de Garenkoker. Van daaruit zijn verbindingen met de Nieuwe Gracht en de Leidsevaart aanwezig en sluit de route aan op de Bolwerken. Het spoortalud loopt via de Spoorwegdriehoek en de voormalige spoorbedrijfsgebouwen zoals het Seinwezen.
Vervolgens loopt deze achter de scheidingssloot tussen privé tuinen aan de Duvenvoordestraat uit in een rustige, parkachtige setting die ook aansluit op de Bolwerken, het Kenaupark en Parklaan. De ontwikkeling van de waterroute is, ondanks dat hier ook genoemde knelpunten liggen, kansrijk.
8 Beschrijving voorziening 8 9 Beschrijving voorziening 9 10 Beschrijving voorziening 10
Het traject Leiden- Haarlem Dit traject maakt tot de Westergracht deel uit van gebiedsdeel Zuid-West en is daar ook beschreven. Vanaf de Westergracht naar de spoorwegdriehoek is de ecologische zone hier en daar smal geworden, niet in de laatste plaats door de aanleg van het geluidscherm. Wel is deze zone gevarieerd in begroeiing. Het scherm zelf is een belangrijke doorlopende corridor die smalle groenstroken verbindt, die aan het talud liggen. Echte barrières in deze strook zijn er niet: passage van wateren is langs rustige wijkroutes mogelijk via bruggen. Dit traject kruist de verbindingszone langs de Brouwersvaart/-gracht en komt daarna aan bij de Spoorwegdriehoek met de twee genoemde routes.
2. Brouwersvaart- BrouwersgrachtgebiedLeidsevaart-Bolwerken Dit is de zuidelijke strook, die vanuit Brouwerskolkpark loopt en aansluit op het voormalig tuinbouwgebied benoorden de Brouwersvaart (Brouwersvaartgebied). Via de Brouwersgracht komt deze uit bij de Raaks en loopt via de Leidsevaart met haar bermen naar de Bolwerken. Allerlei kleinschalige tijdelijke functies zijn tot ontwikkeling gekomen (waaronder de aanleg van volkstuintjes en de spontane ontwikkeling van bos). Deze hebben het open en landelijke karakter enigszins aangetast. Aan de Oostzijde ligt het garagecomplex Biemans, waar herontwikkeling op eigen terrein staat ingepland. De Brouwersvaart is een belangrijke drager en verbinder van de landschappelijke en ecologische structuur. Allereerst staat deze in verbinding met alle haaks daarop verkavelde sloten; maar verder is deze ecologisch belangrijk vanwege het feit dat het aansluit op kwelbronnen uit het Binnenduingebied, die water afvoeren naar de Leidsevaart en een route is voor tal van organismen uit het duin- en binnenduingebied. Vanwege aanvoer van kwelwater is het een belangrijk gebied voor de IJsvogel (grotendeels vorstvrij). Het is een belangrijke route voor vleermuizen. De Brouwersvaart gaat na de onderdoorgang van de Westelijke Randweg over in de Brouwersgracht, omzoomd met een smalle grasberm met bomen en hier en daar met open terrein en stadsparkjes.
Ook voor kleine landdieren is dit een begaanbare route via het tunneltje, zij het dat geen exclusieve voorziening (faunapassage) aanwezig is. Beter is het om aanvullend op de noordelijke oever een exclusieve faunapassage te ontwerpen, maar dit is nu niet essentieel. Ook de bruggen die de Brouwersgracht overkluizen zijn redelijke geschikte routes (relatief rustig en niet breed).
Natuur Netwerk Haarlem
17
Waar de Brouwersgracht overloopt in de Leidesvaart is een faunapassage onder de Raaksbruggen11 nodig om uit te komen in de berm van de Zijlsingel.
Vandaar is een landverbinding naar de Bolwerken aanwezig.
5.1.2
5.1.2.1
Zuid-West
Onderdeel Ecologische Structuur
In Zuid-West zijn de volgende waardevolle, in het Ecologisch Beleidsplan vastgestelde, gebieden gelegen: H16 (Duinvliet Natura 2000 gebied), P7 (weilanden Tuinbouwgebied-Zuid: Natuurnetwerk Nederland (NNN), P8 (Wilgenveld en Van Leeuwenhoekpark), H10 (Eindenhout) en H19 (De Haarlemmer Hout). Bovendien is het gebied een knooppunt van ecologische verbindingen. De rode lijn gaat over de verbinding via het spoor; de donkerrode is de (beoogde) verbinding tussen het Duin/Binnenduingebied, Eindenhout en de Haarlemmer Hout. Het Westelijk Tuinbouwgebied is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).
5.1.2.2
Deelgebieden
De bovengenoemde deelgebieden zijn beschreven in het Ecologisch Beleidsplan. Een onderbelicht onderdeel zijn de fysiek nog niet gerealiseerde ecologische verbindingen. Er is verder ingezoomd in het gebied. Hierbij is gebleken dat versterking van de ecologische structuur de basis moet vormen voor het maken van een goede verbindingszone. Er wordt niet naar één route gekeken, maar naar meerdere routes, die recht doen aan de kwaliteiten van Duinvliet en de potenties van de weilanden van Tuinbouwgebied-Zuid:
1. De deelgebieden Duinvliet en de weilanden van Tuinbouwgebied-Zuid (inmiddels opgewaardeerd als NNN-gebied) zijn belangrijke leveranciers van biodiversiteit voor Zuid-West, Eindenhout en de Haarlemmer Hout (zie Verbindingen). Voor de NNN-gebieden wordt gewerkt aan een visie die aansluit bij het open karakter van de voormalige strandvlakte. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden het weiland oostelijk van het Ramplaanspad toe te voegen aan de versterking van natuurontwikkeling in het Westelijk Tuinbouw Gebied. Recentelijk is ook de betekenis van een duinrel, op de grens van de Auris Prof. Van Gilseschool en Duinvliet duidelijk geworden. Deze wordt toegevoegd als Hotspot. Onderzoek naar revitalisering van de beek is in gang gezet. Passage van de Westelijke Randweg kan via enkele kleine bruggen en een grote duiker onder de Randweg plaats vinden. 2. Het Binnenduingebied/villawijk Aerdenhout is een goede tussenleverancier voor biodiversiteit. Er zijn van daaruit meerdere haalbare routes te onderscheiden: 1. Via en langs Volkstuinvereniging Nooit Rust die wil uitgroeien tot Hotspot, om daarmee de verblijfszekerheid te vergroten. Ze huurt van de gemeente en dreigde al een deel van de grond te moeten afstaan aan de ontwikkelzone; die aanspraak is voor nu van tafel. De vereniging claimt vanwege terreinomvang en huidige soortenrijkdom, al een potentiegebied te zijn.
Ze heeft een biologische en soortenrijke tuin en biedt toegang en een educatieve functie aan bezoekers en scholen. Met de Volkstuinvereniging wordt bezien wat de beste mogelijkheden zijn hun natuurfunctie te vergroten. Zo wordt overlegd met Rijnland over verbetering van de waterkwaliteit en watercompensatie voor aanleg van het provinciale fietspad. Met de provincie wordt overlegd over integratie van faunapassages in de fietsroute. 2. H et voormalige weiland met boomopslag, noordelijk van Nooit Rust, tussen de Westelijke Randweg en Houtvaart (verder te noemen: Houtvaartbosje) tot aan de Munterslaan. 3. M unterslaan-West met een brede sloot, struik- en graszone parallel aan de weg (zie Verbindingen). 4. Fiets/voetgangerstunnel Munterslaan (zie Verbindingen). 5. Wilgenveld en Van Leeuwenhoekpark. Het Wilgenveld en Van Leeuwenhoek park
11 Beschrijving faunapassage 11
Natuur Netwerk Haarlem
18
zijn uitgebreid beschreven in het Ecologisch Beleidsplan.
5.1.2.3
Structuurversterking en verbindingen
De provincie Noord-Holland onderzoekt de natuurontwikkelingsmogelijkheden in het zuidelijk deel van het Tuinbouwgebied. Er dienen zich mogelijkheden aan voor de gemeente om samen op te trekken, m.n. vanuit het belang om de Stikstofbelasting te verminderen. Deze zet een rem op de bouwproductie in Haarlem. Door gebieden uit de agrarische productie te halen en om te zetten naar natuurontwikkeling kan de stikstofbelasting worden verminderd. Zo zou het weiland oostelijk van het Ramplaanspad omgezet kunnen worden naar natuurontwikkeling. De Volkstuin Nooit Rust, het Houtvaartbosje, het Wilgenveld, het Van Leeuwenhoekpark en plantsoen aan de Einsteinstraat vormen samen een gevarieerd gebied dat als springplank kan fungeren tussen het Binnenduingebied en Eindenhout en de Haarlemmer Hout, beide (laatste) belangrijke natuurkerngebieden. Het gebied is een belangrijk kruispunt en verzamelplek tussen spoorverbinding Leiden-Haarlem en het Binnenduingebied en de Hout. De Volkstuin bevat al een rijke natuur en fungeert ook als rust- en foerageergebied voor passanten, die nog een belangrijke horde moeten nemen: de Westelijke randweg. Aan de overzijde daarvan ligt een volgend gevarieerd rustgebied. De ecologische betekenis van het Wilgenveld en Leeuwenhoekpark is de afgelopen jaren door ecologisch beheer flink gestegen.
Er is sprake van zomen met jong en wat ouder bos, met volwassen bomen, een goed gelaagde ondergroei, zomen, een ondiepe kwelplas met glooiende kruidenrijke oever en bloemrijk grasland. Het Wilgenveld is vogelrijk en kent vleermuispopulaties. Het zuidelijk deel van het Leeuwenhoekpark en plantsoen aan de Einsteinstraat worden extensief gebruikt, hebben al een goede kwaliteit, die door een samenhangend verschralingsbeheer verder zullen verbeteren. Vooral de soortenrijkdom van delen van de voormalige gazons naar bloemrijke graslanden (Vlindergras) kan nog toenemen. Toevoegen van water kan, mits voorzien van natuurlijke oevers. Het Wilgenveld, de randen van het Van Leeuwenhoek park en het plantsoen aan de Einsteinstraat, verdienen in combinatie met de ecologische kwaliteit voedselbeschikbaarheid en relatieve rust van Nooit Rust, het Houtvaartbosje en de genoemde verbindingen de kwalificatie: Hotspot. Voorwaarde is dat in of nabij het tunneltje van de Munterslaan een goede faunapassage van de Houtvaart en Westelijke Randweg komt. Op het Potentiegebied P8 van Leeuwenhoekpark rust een bouwopgave. Een goede afstemming daarvan met ecologie, parkontwikkeling en compensatie is mogelijk.
Aanvullend is het gewenst een faunapassage op te hangen aan de spoorwegviaduct of een eventuele nieuwe fietsverbinding over de Westelijke Randweg. Als er in de toekomst nieuwe passages van de Westelijke Randweg komen is het gewenst faunapassages mee te koppelen. Hoe ziet de route tussen het Duingebied en de Haarlemmerhout eruit? 1. Aan de westzijde is een open villapark in de Binnenduinrand gelegen, met goede verbindingen naar het Duingebied (via Munterslaan-West en Houtvaart); 2. Er zijn veel Noord-Zuid gerichte barrières: de Houtvaart, de Westelijke Randweg, de spoorlijn Haarlem- Leiden, de vrij dichte en versteende bebouwing van Zuid-West en de Leidsevaart (zowel weg als water). 3. De eerstvolgende vrij natuurlijke eenheid is Eindenhout en de waardevolle omgeving hiervan. 4. Tussen de Eindenhout en de Haarlemmer Hout is een vrij drukke weg gelegen: de Wagenweg. 5. De Haarlemmer Hout wordt doorsneden door de drukke Fonteinlaan.
Figuur 9 - De nieuwe Hotspot Zuid-West In Zuid-West gaat het vooral om de feitelijke realisatie van verbindingen. Daarnaast wordt voorgesteld de volkstuin Nooit Rust en noordelijk daarvan gelegen Houtvaartbosje, het Wilgenveld samen met de ecologisch in te richten en beheren randen van Einsteinplantsoen en het Van Leeuwenhoekpark, op basis van boven beschreven kwaliteiten samen als nieuwe Hotspot H20 te benoemen. Eindenhout en de Haarlemmer Hout zijn belangrijke maar tot op dit moment geïsoleerd liggende stadsbossen met een grote cultuurhistorische waarde en ecologische kwaliteit, welke beschreven is in het Ecologisch Beleidsplan.
Natuur Netwerk Haarlem
19
De aanleg van feitelijke verbindingen met het Binnenduingebied is daarom belangrijk. Voor beide bossen gelden beheerplannen, die momenteel worden herzien. In en rond Eindenhout zijn natuurwerkgroepen actief.
5.1.2.4
outes, barrières en R maatregelen
d Spoortunnel Munterslaan en Munterslaan met informele stukken groen (17deels her te ontwerpen). e Een passage van de weg Leidsevaart (18amfibietunnel onder de weg en fietspad naar buitenkant kade) f Een passage langs kade van de Leidsevaart (water) (19plankier opgehangen aan kade en met rechte hoek aan buitenzijde brug naar van Limburg Stirum fietspad tot berm) g Een passage via de berm van het Van Limburg Stirumpad naar Eindenhout via een boomstam.
Welke routes zijn mogelijk; welke barrières kunnen geslecht worden en op welke wijze?
1. Via Duinvliet naar Haarlemmer Hout: a Via duikers ( 12door het maken van enkele kleine brugpassages, een toe geleiding en aanbrengen van looproutes via een plankier in de grote duiker voor kleine zoogdieren en reptielen) onder de Westelijke Randweg, met aansluiting op de bermen van de Lorentzkade, het Theemsplein en de Spoorzone-West en de Munterslaan-spoortunnel en het Van Leeuwenhoekpark/Wilgenveld en verder b Via de kruising Vlaamseweg naar de Lorentzkade (13met een plankier opgehangen aan de buitenkant van de brug).
h Een fauna toe geleiding in de Eindenhout naar een faunapassage van de Wagenweg (20koker infrezen onder weg en fauna uit-toe/geleiding in de Haarlemmer Hout: geleiding vanuit de Hout naar Eindenhout) i Idem voor de Fonteinlaan. j Mogelijk zijn aanvullende touwbruggen gewenst voor passages van de Wagenweg en Fonteinlaan voor Eekhoorns.
5.1.3
5.1.3.1
c Van de Lorentzkade naar onderstaande route (vanaf II c):
2. Via Aerdenhout naar de Hout: a Vanaf de volkstuin Nooit Rust en Houtvaartbosje, (indien het geplande provinciaal fietspad in deze strook wordt gerealiseerd: met 14vrije faunapassages), via de Munterslaan aan de westzijde van de Westelijke Randweg, met een aftakking van de route langs Houtvaart.
Zuid en Zuid-Oost
Onderdeel Ecologische Structuur
In dit (buiten stedelijke) deelgebied zijn gelegen: potentiegebieden Schouwbroekerplas (P10), Verenigde Polders (P13), noordelijk deel Poelpolder (P12) en de hotspots: Meerwijkplas (H12), Poelbroek (H13), rietmoeras Poelpolder (H15) en weilandstrook (Dwarspad Poelpolder) H14. Verder zijn in het Ecologisch Beleidsplan Verbindingszones aangewezen in blauw en donkerrood.
b Fiets-/voetgangerstunnel Munterslaan ( 15buis/koker tegen plafond fiets/voetgangerstunnel/wellicht later via een nieuwe tunnel onder de Westelijke Randweg.) c Overzijde van de Westelijke Randweg: het Wilgenveld en het Van Leeuwenhoekpark en evt. via de geprojecteerde gemeentelijke fietsroute (Noord-Zuid) (of) langs het spoorviaduct (16plankier buitenom langs het viaduct) 12 Beschrijving voorziening 12 13 Beschrijving voorziening 13 14 Beschrijving voorziening 14 15 Beschrijving voorziening 15 16 Beschrijving voorziening 16 17 Beschrijving voorziening 17 18 Beschrijving voorziening 18 19 Beschrijving voorziening 19 20 Beschrijving voorziening 20