20221254980 02 Bijlage A Ontwerpnota DO v101-b IVORIM fase A-06092022
Tekst van het document
Ter vastlegging in het navolgende een overzicht van de basisuitgangspunten en gehanteerde waarden: • Het hemelwater van de openbare ruimte wordt bovengronds verwerkt of aangesloten op een te realiseren hemelwaterleiding; • Het hemelwater van de voorzijde van de daken van woningen (50%) wordt bovengronds aangeboden; • Het hemelwater van de achterzijde van de daken van woningen (50%) blijft aangesloten op de bestaande gemengde riolering; • Het hemelwater van de hoogbouw (woningstichting) blijft aangesloten op de bestaande gemengde riolering; • Achterliggende parkeerplaatsen, doorsteken en schuurtjes (woningstichting) blijven aangesloten op de bestaande gemengde riolering. In de toetsing van de ondergrondse infra is deze wel meegenomen als belasting op HWA-riool, zodat deze in ieder geval voldoende groot is om ook deze oppervlakken af te kunnen koppelen (mocht dat in de praktijk eenvoudig realiseerbaar en risicoloos blijken; • De volgende tabel geeft een samenvatting van de af te koppelen oppervlakken; per saldo wordt 13,1 ha verhard oppervlak afgekoppeld, van de 28,9 ha (Masterplan). RESUMEREND
Bestaand
[m²] 23.394 43.994 50.630 118.019
Ontwerp afgekoppeld HWA-riool [m²] 15452 24.603 13.496 53.550
bovengronds [m²] 23.394 39.391 12.977 1.470 77.232
11,8 **
5,4
7,7
gemengd
gemengd
type dak laagbouw dak hoogbouw verharding - open waterdoorlatend verharding - gesloten Subtotalen
[m²] 62.240 43.994 127.601 14.966 248.801
TOTALEN [ha]
24,9 *
Tabel 7: Samenvatting af te koppelen oppervlakken * dit getal is gebaseerd op de ontwerpoppervlakken en hiermee een kleine onderschatting van het huidige oppervlak, aangezien het wegprofiel op veel plekken smaller wordt. In het Masterplan telt het verhard oppervlak op tot ca. 28,9 ha. ** dit is inclusief de achterliggende parkeerplaatsen en doorsteken daar naartoe
•
In het Klimaatplan is met de genoemde 5,0 ha (open verharding) rekening gehouden in de dimensionering en toetsing van de te realiseren hemelwatervoorzieningen. In de toetsing van de ondergrondse infra is dit oppervlak meegenomen als belasting, op zowel gemengd als HWA-riool, zodat deze laatste in ieder geval 26
• • •
•
voldoende groot is om ook deze oppervlakken af te kunnen koppelen (mocht dat in de praktijk eenvoudig realiseerbaar en risicoloos blijken); Met het afkoppelen van de 4,4 ha (daken hoogbouw) of 2,3 ha (achterzijde daken woningen) niet; deze oppervlakken zijn in de modellering aangesloten op het gemengde riool; In de integrale modellen voor de toetsing van het functioneren bij extreme buien is er geen dubbeling in oppervlak aanwezig; De basis voor de bepaling van het verharde oppervlak zijn de BGT en BAG. De terreinen die momenteel braakliggend zijn, zijn derhalve meegenomen als onverhard. Dit is een aandachtspunt; zodra hier nieuwbouw aan de orde is, zijn de dan geldende criteria voor watercompensatie door toename verhard oppervlak aan de orde; Wijziging in het technische DO is, dat in de noordelijke buurtjes een drainafvoerleiding is toegevoegd (Ø400mm, zinkers Ø315mm). Kruising met bestaand gemengd riool in de Briandlaan ruimschoots bovenlangs (BET560, -4,79m NAP).
Figuur 9 : Uitstroom drainage noordelijke woonbuurten
•
Dit riool verzamelt en verdeelt het grondwater (de drains onder de wadi’s en openbare ruimte voeren hierop af; zie §2.1.4). Met deze leiding wordt de grondwaterstand beheerst op maximaal -0,60m NAP. In het ontwerp is er geen verhard oppervlak op deze drainafvoerleiding aangesloten. Bij zeer extreme neerslag (>70mm in één uur, eens per 100 jaar) zijn de wadi’s overvol en biedt deze leiding een noodoverloopmogelijkheid naar de Amerikavaart. Aanvullende wijziging is dat het oostelijke deel van deze leiding dieper is ontworpen en is doorgetrokken naar het Spijkerboorpad om de eventuele aansluiting richting het Aziëpark te kunnen realiseren (zie ook de voorgaande paragraaf). De Forel- en Jungstraat zijn voorzien van gescheiden riolering. In de uitwerking van het SO voor de gehele wijk (september 2020) is rekening gehouden met deze afvoer, via de beoogde regenwaterstelsels in de Erasmuslaan en Albert Schweitzerlaan. Voor de uitwerking van het DO voor fase A heeft dit geen impact.
DWA/gemengd Vervanging riolering In het DO worden alle bestaande riolen vervangen, ook in noordelijke buurtjes. Dit vanuit het oogpunt van de kwaliteit, de verwachte restlevensduur en de samenhang met de te verrichten werkzaamheden in de openbare ruimte. Uitgangspunt is dat de nieuwe gemengde riolen in de noordelijke buurtjes op de bestaande fundering worden aangelegd. De centrumbuurtjes zijn in het DO voorzien met een gemengd/vuilwaterriool, 27
een hemelwaterriool, een drain en het warmtenet. De positionering heeft in afstemming met HWN en gemeentelijk beheer plaatsgevonden. De volgende figuur geeft het resultaat van een analyse uit Geovisia (datum 16 september 2020) betreffende de fundering van de riolering in Meerwijk. Hierin is te zien dat de fundering aan de noordzijde van de wijk bestaat uit palen. Het midden en zuidzijde van de wijk is de fundering van het bestaande riool onbekend. Voor fase A geldt dat de centrumbuurtjes hierin vallen. De riolering wordt hier echter volledig vervangen en herlegd. Uitgangspunt is dat geen fundering nodig zal zijn in de centrumbuurtjes, vanuit de diepteligging en de verwachte geringe restzettingen.
Figuur 10: Analyse uit GeoVisia fundering riolering in Meerwijk
Verlaging vuilwater centrale buurtjes op verzoek van Warmtenet Ten opzichte van het VO is het vuilwaterriool in de buurtjes William Boothstraat en Hugo de Grootstraat dieper ontworpen, zodat het beoogde warmtenet beter inpasbaar is. Het hemelwaterriool kan op de ontwerphoogte blijven liggen, bij de kruising Thomas Morestraat is dan een zinker nodig. Afstemming inmeting aansluiten bob-maten bestaande riolering Een toetsing van de ontwerpmaten van de aansluitende riolen op de meest actuele inmetingen van de riolering (8 november 2021) in de Braillelaan en Stresemannlaan is uitgevoerd. Dit leidt niet tot een bijstelling van het ontwerp.
28
Geometrie Op 24 november 2021 is het document ‘Eisenoverzicht 18052021 (1).xlsm’ gedeeld. Vanuit dit document worden meer toetsingseisen gesteld aan geometrie van de riolen. Het technische DO is in onderhavig document getoetst; de volgende tabel geeft de bevindingen hiervan weer. Eis Dekking op riolering > 1,20m voor hoofriolering > 1,30m voor HWA
Bevindingen Alle hemelwaterriolen zijn ontworpen met een dekking van > 1,20 m NAP en voldoen aan de eis. Uitgangspunt voor de gemengde riolen in de noordelijke buurtjes is dat deze worden teruggelegd op de bestaande fundering. Uit de toetsing blijkt dat een aantal strengen een zeer minimale dekking heeft. Dit is in de huidige situatie ook het geval. Het betreft de rood (0,8 tot 1,00m dekking) en oranje (1,00 tot 1,20m dekking) gemarkeerde strengen.
Vanuit het afschot en de aansluitende strengen is hier ruimte om de betreffende strengen ca. 30cm te laten zakken, mits de bestaande fundering dat toelaat. De mogelijkheid is pas bekend tijdens uitvoering. De huidige aanname blijft het terugleggen op de huidige fundering voor deze buurtjes. De centrumbuurtjes voldoen qua dekking, met uitzondering van enkele strengen in centrumbuurtje 1. Voor de oranje gemarkeerde strengen is de dekking 1,05 tot 1,20m dekking. Gezien het afschot en de aansluiting op de bestaande riolering is er geen ruimte voor verlaging. De ontwerp is reeds lager dan de bestaande riolering; het ontwerp is voor deze strengen niet aangepast.
Buisdiameter > Ø250 voor DWA > voor Ø300 hoofdriolen Buisverhang Gemiddeld 2,5‰ voor DWA Niet flauwer dan 2‰ voor DWA.
Alle riolen zijn ontworpen met een diameter >Ø315mm. Het ontwerp voldoet. In de noordelijke buurtjes wordt de riolering teruggelegd op de bestaande fundering. Voor enkele strengen wordt het vereiste verhang niet behaald. De minimale waarde is 1,9‰. Dit voldoet nagenoeg, het ontwerp is hierop derhalve niet aangepast.
29
Eis Bevindingen Vullingsgraad De gemengde riolen worden vervangen door een vergelijkbare diameter. DWA-vullingsgraad, De hoeveelheid aangesloten oppervlak op dit stelsel neemt af, waardoor stamriolen Gemengd stelsel, er meer ruimte en reserve ontstaat tijdens droogweer ten opzichte van de tot 100% inclusief POC en huidige situatie. Het stelsel verbetert. reserve. Putafstand De maximale putstand in het DO is 65m. Het ontwerp voldoet. De maximale afstand tussen twee inspectieputten bedraagt 80m Tabel 8 Bevindingen eisen geometrie riolen
Klimaatbestendige verharding De hoofddoelstelling voor het project IVORIM is een toekomstbestendige klimaatadaptieve en gezonde leefomgeving maken voor de bewoners in Meerwijk. Deze doelstelling van IVORIM valt samen met een hoge betrokkenheid vanuit de bewoners en stakeholders. Een belangrijk element is het toepassen van ander type verharding voor de parkeervakken in Meerwijk, om zo veel als mogelijk water in het gebied zelf te verwerken. Het eventueel ‘vergroenen’ draagt verder bij aan het terugdringen van ‘hittestress’. In het DO zijn de parkeerplaatsen voorzien als halfverharding (graselementen), waarbij water door open delen in de verharding naar de ondergrond zakt en een deel een groene uitstraling blijft houden (voorbeeld grasbetonstenen). Enerzijds omdat er meer parkeerruimte wordt gerealiseerd en hiermee deze toename in verharding wordt gecompenseerd, anderzijds vanuit de behoefte/beleving van inwoners voor meer groen in de wijk. De gemeentelijke beheerders (BBOR) zijn een belangrijke partner; zij zijn immers aan zet om de openbare ruimte de komende decennia te beheren en functioneel te houden. Zij hebben hun zorg uitgesproken over de verharding van de parkeerplaatsen.
Aangegeven is dat tot op heden het beleid is terughoudend te zijn: daar waar veel geparkeerd gaat worden het zo goed mogelijk te faciliteren (stenen) en daar waar weinig (tot niet) wordt geparkeerd dit groen te maken (i.p.v. een tussenoplossing halfverharding). In overleg is gekozen voor de volgende opbouw van de parkeerplaatsen: - KAP Graselementen (Reduton®, kleur grijs) uitgevuld met teelaarde en ingezaaid met gras - open ruimte in parkeervakken, uitstapstroken in straatwerk - straatlaag split 2-6, dik 50mm - wegendoek - menggranulaat 4-32, dik 300mm - zanduitvulling Belangrijkste reden om deze materialisatie te kiezen hierbij is dat deze verhardingselementen standaard worden geleverd in Reduton ® cementloos beton, vanuit de impact op circulariteit (zie §2.5). Voor de in/uitritten en voorzijdes van garageboxen wordt gebruik gemaakt van waterpasserende verharding. Hiervoor is gekozen omdat deze verharding beter toegankelijk is voor mindervaliden, welke via de voetpaden gebruikmaken van de voor de garageboxen liggende ruimte. Voor de waterpasserende verharding is gekozen voor straatbakstenen keiformaat, kleur rood/bruin (Drainflow). De funderingsopbouw is gelijk aan de opbouw onder de graselementen.
30
Onderzoeksprogramma klimaatbestendige verharding Naar aanleiding van deze zorgen, het overeenkomstige oordeel van de uitvoeringstoets van aannemingsbedrijf Van Gelder en de schriftelijke vragen vanuit de Raad, waarin wordt verzocht om waterdoorlatende stenen toe te passen, is conform het raadsbesluit 2020 een onderzoeksprogramma klimaatbestendige verharding uitgewerkt met als doel: “het onderzoeken van klimaatbestendige verharding op parkeervoorzieningen in de wijk, op het functioneren in relatie tot de klimaatthema’s en op het technisch beheer en onderhoud”. Het onderzoeksvoorstel, de te onderzoeken alternatieven en varianten, het meetplan en afwegingskader zijn verwoord in een separate notitie. Gezien de verwachte grondwaterstanden uit het Grondwatermodel is het advies wel drainage in de openbare ruimte, nabij de parkeervakken, toe te passen en deze aan te sluiten op de hoofdinzamelleiding; de maximale grondwaterstand wordt hiermee beheerst op -0,60m NAP. Voor de uitwerking van de drain wordt verwezen naar §2.1.4.1. Qua buffering van water in de fundering; in de toetsingen voor het VO is gerekend met berging op straat en de doorlatendheid van het pakket. Elke laag van het pakket moet 1,3m/dag kunnen doorlaten. Met de voorgesteld opbouw is dat realiseerbaar.
De gedachte voor IVORIM is dat het water met name wordt geborgen in de groenstroken, in de wadi’s en tijdens extreme buien tijdelijk op straat. Voor het waterbergend vermogen van het funderingspakket onder de parkeervakken, is hiermee in de klimaattoetsingen een veilige aanname gedaan.
Aansluitingen particuliere woningen Volgens het DO wordt straks het hemelwater van het wegoppervlak bovenstrooms afwaterend verwerkt. De woningen hebben echter op dit moment een gemengde riolering. De voorkant van de meeste huizen staan dicht op de straat, met kleine (of geen) voortuinen. Het hemelwater van de voorkant van het dak, kan hier relatief makkelijk afgekoppeld worden door het afzagen van de regenpijpen en de realisatie van een gootje/afvoer over de stoep. Enkele woonblokken staan verder van de straat. Of hier het afkoppelen van de voorzijde van de daken bovengronds haalbaar is, moet blijken uit een kritische beschouwing van het te realiseren afschot (1:300 wordt aanbevolen) in relatie tot de afstand van de gevel tot aan de openbare ruimte. Het definitieve peilverschil tussen de stoep en de straat moet uitwijzen of goten aangebracht kunnen worden, of dat leidingen met spuwer een geschiktere oplossing zijn. Vooralsnog is de scope van welke woningen wel en welke niet worden afgekoppeld niet scherp. Daarom dient in het Uitvoeringsontwerp een kaart opgesteld te worden vanuit de volgende afwegingskaders: • de eigendomssituatie. • afspraken met de verschillende woningstichtingen (overleggen oktober 2021). • het te realiseren afschot bij bovengrondse afvoer. De uitwerking zal per woningen maatwerk zijn en vindt plaats vanuit het principe: 1. afzagen regenpijp. 2.
realiseren bovengrondse afvoer naar de straat (de betreffende panden grenzen nagenoeg aan de openbare ruimte). 3. afwerken aanstrating particulier terrein. Eisen voor huisaansluitingen vanuit het tPvE • Bij aanleg van een nieuwe huisaansluiting een minimale gronddekking van 0,6m toepassen. • Materiaal PVC (≥ Ø125mm), Kwaliteit SN8, steekmoffen met rubbermanchet. Kleur grijs voor HWA en kleur bruin voor DWA en gemengd. • Huisaansluitleidingen HWA voorzien van een ontstoppingsstuk, 0,50 m voor de erfgrens op particulier terrein, op een goed bereikbare plaats. 31
Aansluitlengte max. 20 m; PVC min. ø 125 mm; bochten maximaal 45 graden, aansluiten op opzetter. Aansluitleidingen intekenen op de digitale revisietekening. Voorkom foutieve aansluitingen HWA/DWA. Stem ligging huisaansluitingen af met installatietekening woningen. • De afstand tussen boom en huisaansluiting dient zodanig te zijn dat onderhoud en vervanging van huisaansluitingen mogelijk is zonder de boom te kappen. Onderlinge afstand van de huisaansluiting en boom is minimaal 1 meter en eventueel voorzien van een antiwortelscherm. Dit is per woning maatwerk en wordt nader uitgewerkt in het UO. • • •
Aandachtspunt luchtinsluiting Bij hevige regenval vult de riolering zich met water, de lucht moet ergens kunnen ontsnappen. Dit gebeurt in de huidige situatie via de huisaansluitingen, regenpijpen en de dakgoot. Nieuwe woningen hebben hiervoor ontspanningsleidingen, maar deze ontbreken vaak in oudere huizen en zijn vaak te klein. Een goede ontluchting kan hiermee wegvallen als één van de regenpijpen afgekoppeld wordt. Problemen in de ontluchting uiten zich vervolgens inpandig als borrelende toiletten of wastafels. Er zijn verschillende mogelijkheden om te zorgen voor voldoende ontluchting na het afkoppelen, waarbij het volgende de voorkeur heeft: • Er kunnen ontlastputten aan de voor- en achterzijde van de woning worden aangelegd, op die punten waar de regenpijpen worden doorgezaagd. Dit zijn putten op maaiveldniveau die alleen als het nodig is lucht uit laten. Om stankproblemen tegen te gaan moet deze ontluchting een waterslot hebben. • Inmiddels zijn hiervoor specifieke oplossingen op de markt. Een optie is weergegeven in de figuur hiernaast. (bron: Regenwater afkoppelset met WOP | StadLandWater). 1. Alternatieve principes zijn: • Er kan een extra pijp naast de afgekoppelde regenpijp worden aangelegd om te dienen als ontluchting die net uitkomt onder de dakgoot. Nadeel is een vergrote kans op stankoverlast via bijvoorbeeld slaapkamerramen.
• Er kan de gemeente op strategische punten in het hoofdriool een open rioolputdeksel aangelegd worden. Deze open deksels kunnen het beste geplaatst worden op de hoge punten van het riool en aan de uithoeken van de straat. Ook deze deksels moeten voorzien worden van een stankslot. Nadeel is een vergrote kans op stankoverlast.
Beheersmaatregelen bij klimaatbestendige verharding Vanuit de interne beheerorganisatie is de zorg geuit over het blijvend functioneren van de afwatering van de verharding met graselementen. Hiervoor is voorzien in een onderzoeksprogramma, zie de §2.1.7.3. Mochten de resultaten tegenvallen, dan moet het overtollige regenwater op een andere wijze verwerkt worden. Als beheermaatregel kan voor de noordelijke buurtjes een hemelwaterstelsel ingepast worden. Met straatkolken op specifieke punten in het dwarsprofiel, kan overtollig water alsnog worden afgevoerd via een ondergronds hemelwaterriool (Ø315). Dit hemelwaterriool kan dan aansluiten op de reeds voorziene verzamelleiding van oost naar west, om uiteindelijk te lozen op de Amerikavaart (deze is reeds robuust ontworpen en hoeft niet te worden vergroot). Ook moet voorzien worden in een extra drainafvoerleiding van oost naar west. Dit betekent de volgende impact: • Aanleg extra hemelwaterriolering (Ø315, ca. 900 m) 32
• • •
Aanleg extra straatkolken (ca. 100 stuks) Aanleg extra drainafvoer (ØPE160 in grindkoffer 0,5x0,5, ca.550m) Aanleg extra lozingspunt op de Amerikavaart
Modeltoetsen Het klimaatplan is in de VO-fase rekenkundig onderbouwd. In het DO zijn enkele wijzigingen in het VO doorgevoerd; een toetsing aan de actuele eisen zoals beschreven in §2.1.1 is uitgevoerd. De resultaten van de rioolmodellen zijn weergegeven in §2.1.5.2. Het onderliggende rioolmodel in Sobek is beschikbaar 2. De rioolmodellen zijn gecontroleerd door Witteveen+Bos en de beschouwing van de impact van het ontwerp op de grondwaterstanden door Aveco de Bondt, conform de procedures van de gemeente Haarlem. De toets op de grondwaterstanden is gedaan op het ontwerp van 19-11-2021. In de tussentijd is op 11 januari 2022 is een Ontwerpnota verzonden met diverse ontwerpaanpassingen, waaronder het uitwerken van een drainagesysteem in aansluiting op de richtlijnen tPvE. Geconcludeerd is dat de adviezen van Aveco de Bondt zijn verwerkt in het technische DO, zie de beschrijving en analyse in §2.1.4. De sobekmodellen zijn in januari 2021 geleverd. Op 3 maart 2022 heeft Witteveen+Bos haar toetsing van de rioolberekeningen geretourneerd. Witteveen+Bos verwijst naar document ’Gemeente Haarlem, 24 augustus 2020, gemeentelijke eisen voor de aanleg van riolerings- en drainagestelsels in Haarlem en Zandvoort”.
Uit de toetsing is naar voren gekomen dat het ontwerp voldoet aan de eisen van de gemeente: - er wordt geen water-op-straat berekend bij bui 09 vanuit het HWA of gemengde stelsel; - in de 60 mm bui wordt er geen water berekend tegen de gevels van de woningen; - in de 90 mm bui wordt er water berekend tegen de gevels van 8 woningen. Er wordt echter geen schade verwacht in de woningen als gevolg van de drempelhoogtes. Het ontwerp voldoet aan de functionele eisen van het rioolstelsel. Witteveen+Bos geeft aan dat er aan enkele eisen met betrekking tot het DO niet wordt voldaan: - er zijn enkele strengen met een lengte van meer dan 60 m. Voor onderhavig DO is in afstemming met de gemeente getoetst aan het TPvE ‘Eisenoverzicht 18052021 (1).xlsm’, waaruit volgt dat de maximale afstand tussen twee inspectieputten 80m mag zijn. Hieraan wordt voldaan. - het DWA-stelsel voldoet niet aan de eisen voor minimale gronddekking, op tenminste 1 locatie. Dit is onderkend in onderhavig DO, zie §2.1.7. De toetsing van Witteveen+Bos leidt niet tot ontwerpaanpassingen. De impact op het oppervlaktewatersysteem is beschreven in het VO en verfijnd in dit document in §2.1.6. Specifiek is de uitwerking van de Geleerdevaart toegevoegd. Dit is besproken met het Hoogheemraadschap van Rijnland en past binnen de gedeelde filosofie van vasthouden, bergen en afvoeren van water.
2
Bestand Sobek model Meerwijk.lit.zip dd 6 december 2021
33
Materialisatie ondergrondse infra Op 24 november 2021 is het document ‘Eisenoverzicht 18052021 (1).xlsm’ gedeeld. Vanuit dit document worden meer toetsingseisen gesteld aan materialisatie van de ondergrondse infra. Deze eisen zijn voor de hoofdriolen niet eenduidig. De volgende tabel geeft het overzicht van de belangrijkste punten voor materialisatie weer zoals gehanteerd voor het technische DO. Meer details zijn te vinden in het genoemde document. Voor de drainage is het document ‘CM14 RAP20211207.pdf’ leidend voor de materialisatie. Leidingen Gemengde riolen en Hemelwaterriolen Drains Grindkoffer om drain
Diameters ≥ Ø500 mm beton, sterkteklasse B45, milieuklasse 5b Diameters < Ø500 mm PVC, SN8. Materiaal drainageleiding PE (≥ Ø160mm), kleur zwart Kwaliteit SN8. De drainageleidingen worden aangebracht in een grindkist van 0,50m x 0,50m, zonder doek. De korrelgrootte van drainagegrind is 2-6mm.
Tabel 9: Belangrijkste punten voor materialisatie technisch DO
Putten en kolken Inspectieputten riolering Inspectieputten drainage Instelputten drainage Doorspuitputten drainage Kolken
Beton, minimaal 800x 800 Beton, minimale interne doorsnede 800mm Beton, minimale interne doorsnede 800mm Beton, Minimale interne doorsnede 600mm Kunststof, Klasse Y, conform NEN7067, cilindrisch gietijzeren stankscherm, een gietijzeren kop, uitneembaar rooster en zandvang.
Tabel 10: Belangrijkste punten voor materialisatie technisch DO
De juiste locaties van kolken staan weergegeven op de situatietekeningen (bijlage 1).
Beheer en onderhoud In een separaat document, het Beheerplan, is een beschouwing uitgevoerd van de beheeractiviteiten die nodig zijn om het langdurig robuust functioneren te borgen. Dit Beheerplan dekt de scope van de gehele openbare ruimte en de gehele levenscyclus van 65 jaar. Ook de onderhoudsstrategie en beheerkosten voor de voor gemeente nieuwe elementen als waterpasserende verharding, infiltrerende groenstroken en wadi’s, zijn hierin uitgewerkt. Aanpassingen vanuit de bespreking van het concept Beheerplan (dd. 14 april 2022), en als gevolg van wijzigingen in het ontwerp en materialisatie, zijn hierin doorgevoerd. Het betreft met name wijzigingen in onderhoudsfrequenties, de materialisatie van de parkeervakken en het laten aansluiten van de kostenkentallen met de ervaringscijfers van de gemeente. Het Beheerplan is als bijlage 7 toegevoegd.
Groen, gezondheid en biodiversiteit Groenplan 34
Uitgangspunten uit het masterplan zijn behouden en in het DO nader uitgewerkt. Het DO betreft een uitwerking van een sortimentkeuze, plaatsing en hoeveelheid van de beplanting. Daarbij is een balans gezocht in een zo groen mogelijke en toch functionele inrichting van de openbare ruimte. Het sortiment is gefundeerd op klimaatadaptieve, biodiversiteit-versterkende en door participatie onderbouwde keuzes: -
Ten eerste is in het VO door bewoners gekozen voor een kleurrijke invulling van de woonstraten. De hoeken hebben een kleurrijk hoogtepunt gekregen door de toepassing van een wisselend vaste planten sortiment, in combinatie met bomen die een seizoensgebonden verkleuring vertonen. Ten tweede worden de plekken waar water wordt opgevangen op een groene manier ingericht. Verlaagde delen in het terrein worden ingericht als wadi’s om hier het water op te vangen. De wadi’s zijn beplant met een eigen type beplanting om zowel infiltratie als evapotranspiratie te bevorderen. Ten derde zijn de ruimtes tussen de wadi’s en kleurrijke hoekaccenten, ingericht als groene, bloemrijke stroken met een gras- en boomlaag.
De Groene Vingers vormen de uitlopers van het Aziëpark en zijn daarmee de verbinding met de sterke groene omranding van Meerwijk. Uit voorgaande ontwerpfases is gebleken dat deze randen ecologisch waardevol zijn, maar ook een hoog recreatief gebruik kennen. De Groene Vingers zijn in het DO ingericht met de volgende belangrijke voorwaarden en maatregelen: - Versterking van biodiversiteit; door niet alleen in de hoogte meer (inheems) groen aan te bieden, maar ook in verlagingen in de vorm van wadi’s. Zie ook 3.2.3. - Versterken van de sociale veiligheid; door het openhouden van lange zichtlijnen en door het verduidelijken van de padenstructuur. - Vergroten van het (recreatief) gebruik; door de programmering van de ruimte ontstaan drie, op een eigen manier ingevulde, ruimtes; o De westelijke vinger wordt ingericht als een ontspannen milieu. De plek is geschikt als ontmoetingsplek, plek om te picknicken of om yoga te beoefenen; o De middelste ruimte is ingericht op sport en spel. Drie aantrekkelijke speel- en sportplekken zorgen voor een actief milieu; o De oostelijke vinger is ingericht met o.a. eetbaar groen, het groen wordt daardoor anders beleefd dan bij de andere 2 groene vingers. Onderstaande tabel geeft een overzicht van aantal m2 groen en verharding in het DO.
onderdeel
Verharding Groen Waarvan (bloemrijk) gras (incl. wadi) Waarvan vaste planten Waarvan bosschage Waarvan moeras/natte gras mengsel
Tabel 11: Overzicht m2 verharding en groen in het DO
Aantal m2 26.682 23.062 18.614 2.051 1.328 1.068
Bomen Bestaande bomen Alle bestaande bomen binnen het projectgebied zijn weergegeven op de situatietekeningen. Het totaal aantal bestaande bomen inclusief bomen met invloed op de werkgrens is 461, hiervan staan 428 binnen of direct aansluitend de werkgrens fase A en deze staan ook op de situatietekening afgebeeld. 35
Als onderdeel van de Boom Effect Analyse (BEA) zijn echter de bomen in de openbare ruimte binnen de exacte werkgrens geïnventariseerd en visueel gekeurd. Voor de twee deelgebieden (centrum en noord) betreft dit in totaal 415 bomen. Hierbij is het bomenbestand als volgt beoordeeld. Conditie Totaal Goed Redelijk Matig Slecht Dood Verwijderd*
Aantal Noord 243 46 116 64 11 3 3
Aantal Centrum 172 30 67 61 13 1
Percentage (%) Noord
Percentage (%) Centrum
19% 48% 26% 4% 1%
17% 39% 35% 7% <1%
Tabel 12: Beoordeling bomenbestand
Uit bovenstaande blijkt dat binnen de twee deelgebieden 384 bomen een goede, redelijke of matige conditie hebben. Met uitzondering van 3 bomen met een matige conditie hebben al deze bomen een levensverwachting van 5 jaar of langer. Drie van deze bomen hebben een levensverwachting van <5 jaar. De bomen met een slechte conditie hebben allemaal een levensverwachting van minder dan 10 jaar. In de analyses is onderscheid gemaakt tussen de bomen met een goede, redelijke of matige conditie en de bomen met een slechte conditie. Voor bomen met een slechte en matige conditie met een levensverwachting korter dan 10 jaar, wordt geadviseerd om deze op voorhand te verwijderen, omdat deze bomen geen of nauwelijks herstellend vermogen hebben en zelfs bij minimale wortelschade of voortzetting van de huidige situatie, binnen enkele jaren een conditiecategorie terug zullen vallen. Behoud van deze bomen is in dit geval zonde van de moeite en investeringen. Ook dragen bomen met een slechte conditie nauwelijks bij aan ecosysteemdiensten zoals opslag CO2, zuurstof productie, water afvang, afvangen fijnstof en het tegengaan van hittestress. Het bovenstaande advies omtrent het verwijderen van bomen is besproken met het groenplatform. Het bomenbestand binnen de twee deelgebieden is onderverdeeld in 25 verschillende geslachten. De geslachten die het meest voorkomen zijn esdoorn, sierkers en sierpeer.
De verdeling van aantallen tussen de sortimenten is ongelijkmatig verdeeld. Zes geslachten vertegenwoordigen 73% van het bomenbestand. Op zich is dat niet vreemd omdat lanen en straten van oudsher met eenzelfde soort zijn aangeplant. Over het algemeen wordt het bomenbestand als matig divers beschouwd. Een hoge diversiteit aan soorten is belangrijk voor een gezonde houtopstand. In onderstaande tabel (tabel 12) is een onderverdeling van soorten en aantallen zichtbaar.
36
Geslacht Wetenschappelijke naam Acer Aesculus Alnus Amelanchier Betula Carpinus Catalpa Crataegus Elaeagnus Fagus Fraxinus Ginkgo Gleditsia Malus Platanus Populus Prunus Pterocarya Pyrus Quercus Robinia Salix Sorbus Tilia Ulmus
Geslacht Nederlandse naam Esdoorn Kastanje Els Krent Berk Haagbeuk Trompetboom Meidoorn Olijfwilg Beuk Es Japanse notenboom Valse christusdoorn Sierappel Plataan Populier Sierkers Vleugelnoot Sierpeer Eik Valse acacia Wilg Lijsterbes linde Iep
Aantal
Percentage
60 1 11 6 2 3 1 31 1 3 44 1 3 18 13 7 63 4 64 2 2 1 40 6 21
14% <1% 3% 1% <1% <1% <1% 7% <1% <1% 11% <1% <1% 4% 3% 2% 15% <1% 16% <1% <1% <1% 10% 1% 5%
Tabel 13: Overzicht van het geïnventariseerde en gekeurde bomenbestand binnen het onderzoeksgebied.
37
In de onderstaande tabel is aangegeven hoeveel bomen een conflict vormen met het VO en hoeveel van deze bomen redelijkerwijs verplant/verplaatst kunnen worden. Het uitgangspunt hierbij is het Voorlopig Ontwerp.
Totaal aantal geïnventariseerde bomen Bomen welke op voorhand verwijderd worden in verband met toekomstverwachting <10 jaar in de huidige situatie Bomen welke een conflict vormen met het ontwerp (exclusief bomen met een toekomstverwachting <10 jaar) Totaal aantal bomen welke als verplantbaar zijn beoordeeld. Bomen welke als verplantbaar zijn beoordeeld en een conflict vormen met het ontwerp
Aantal bomen deelgebied Noord 243 30
Aantal bomen deelgebied Centrum 172 34
82
57
19
37
2
8
Tabel 14: Bomen conflict
Nieuwe bomen Met de nieuw te planten bomen is vastgehouden aan het groenplan. In het DO is het groenplan verfijnd en is een sortiment bepaald. De aan te planten soorten zijn benoemd in de situatietekening. De bomen zijn geplaatst waar dit mogelijk was. In het DO streven wij naar een zo groen mogelijk beeld met bomen in een zo goed mogelijke standplaats. In het DO zijn conflicten met kabels en leidingen geconstateerd die volgens de ondergenoemde stappen zijn opgelost: a. Bij een conflict met bestaande bebouwing of ondergrondse infrastructuur de boom verplaatsen naar een realistische standplaats (volgens de regels van het HIOR); b. Als een 3e grootte boom niet past, onderzoeken of de ondergrondse ruimte (kubieke meters doorwortelbare ruimte) behaald kan worden, in combinatie met maatregelen zoals wortelschermen of mantelbuizen. c. Als dat niet lukt, hetzelfde proberen met een kleinere orde boom. Bijvoorbeeld als een 1e grootte boom niet past, dan een 2e grootte boom, enz.; d. Ondergrondse infrastructuur waar mogelijk verplaatsen; e. Als stap d. niet past en de boom boven op een kabel of leiding staat, is het plaatsen van de boom niet mogelijk. De nieuw te planten bomen staan aangegeven op de situatietekening en toegelicht in het DO groen en spelen, zie bijlage 6.
De nieuw te planten bomen worden bij voorkeur aangeplant in maat 20/25 (of anders aangegeven in de plantlijst van bijlage 6). Op de straathoeken van de woonbuurten staan accentbomen met een opvallende seizoenskleur. De overige nieuwe bomen sluiten zoveel mogelijk aan op het bestaande sortiment, zijn bestand tegen droogte, korte overstroming en bieden zoveel mogelijk ecologische meerwaarde.
38
Het totaal aantal te verwijderen bomen en nieuw aan te planten bomen op basis van voorgaande paragrafen is in onderstaande tabel weergegeven. BOMENBALANS AANTAL BESTAANDE BOMEN HUIDIGE SITUATIE (binnen de werkgrens of van 465 invloed op de werkgrens fase A) TE VERWIJDEREN o.b.v. conditie en levensverwachting minder dan 10 jaar TE VERWIJDEREN o.b.v. conflict met ontwerp BESTAANDE TE BEHOUDEN BOMEN
67 91 307
NIEUW AAN TE PLANTEN BOMEN NIEUW AAN TE PLANTEN MEERSTAMMIGE BOMEN
191 34
TOTAAL AANTAL BOMEN NIEUWE SITUATIE
532 (+67)
Tabel 15: Te verwijderen bomen en nieuw aan te planten bomen
Biodiversiteit Uitgangspunten uit het masterplan zijn behouden en in het DO nader uitgewerkt. Op meerdere lagen is het systeem van de stadsnatuur in Meerwijk verrijkt. Hieronder wordt per diersoort benoemd welke ontwerpkeuzes wij hebben gemaakt; a. Voor insecten (en daarmee ook de hogere predatoren zoals vleermuizen, vogels en zoogdieren) is het volgende in het plan opgenomen: - Bloemrijk bijenmengsel met vaste soorten (N1, Cruydt-Hoeck) in de woonbuurten; - De wadi’s worden ingezaaid met een bloemrijk graslandmengsel voor jaarrond natte en vochtige gronden (G3, Cruydt-Hoeck); - Onder de bestaande en nieuwe bosschages wordt de onderste laag ecologisch verrijkt met een bloemrijk mengsel voor ruige onderbegroeiing en boszomen op voedselrijke gronden (G3, Cruydt-Hoeck) - Vaste planten mengsels op de hoek van de straten in de woonbuurten; - Struweelranden in de Groene Vingers, met grotendeels inheems sortiment; - Open stukken zand (in taluds). b.
Voor vleermuizen is het volgende ontworpen; - 10 nestkasten aan bestaande bomen (locatie en vorm zijn in deze fase gespecificeerd in het DO groen en spelen en opgenomen in situatietekeningen); - Uitbreiding foerageergebied (zie punt a); - Geen toepassing van extra verlichting in de Groene Vingers; - Vliegroutes zijn intact gehouden.
c.
Voor overige zoogdieren (egels, marterachtigen) zijn de volgende maatregelen genomen; - Vergroting foerageergebied (zie punt a); - Creatie van meer schuilmogelijkheden zoals bosschages, vaste planten en takkenrillen (verdere uitleg hierover is te vinden in DO groen en spelen).
d.
Vogels hebben de volgende aandacht in het plan ontvangen: 39
-
Creatie van een groter foerageergebied (zie punt a); Toepassing van zoveel mogelijk soorten die vrucht dragen (met name heesters); 8 Nestkasten aan bestaande bomen voor huismussen (locatie en vorm zijn in deze fase gespecificeerd).
Daarnaast is het uitgangspunt om zoveel mogelijk bestaande bomen te behouden. Daarmee wordt het bestaande ecosysteem zo min mogelijk beschadigd.
Watergang Geleerdevaart De oostzijde van de Geleerdevaart is integraal in het ontwerp fase A opgenomen. Het ontwerp is noodzakelijk om de het gevraagde waterbergend vermogen te halen. Tegelijk is de ecologische kwaliteit, aantrekkelijkheid (esthetiek) en gebruikswaarde van de plek in het ontwerp verhoogd zonder in te boeten op sociale veiligheid en huidige toegankelijkheid. Hierdoor genereert de Geleerdevaart meerwaarde voor de hele wijk. Dit wordt o.a. bereikt door een aantrekkelijk vlonderpad over de watergang, duidelijke zichtlijnen op het gebied en een plasdraszone met moerasbeplanting, ter verrijking van flora en fauna. De zone bevat een zachte onderlaag, geïnspireerd op het inheemse laagveenmoeras. Deze onderlaag wordt gecombineerd met de harde, antropogene en duidelijk vormgegeven bovenlaag. De 2 vormen een contrast, welke elkaar in leesbaarheid en beleving versterken.
Ontwerp Groen Het bestaande gemanicuurde groen wordt verzacht en veranderd naar een glooiende omgeving met verschillende lagen groen. Deze lagen hebben ook een ecologische toegevoegde waarde: •
•
•
•
Boomlaag; Verschillende bomen worden toegevoegd. Gekozen is voor een zo inheems mogelijk sortiment, passend bij een laagveenmoeras. De bomen zijn ook bestand tegen zilte zeewind. De gekozen bomen bieden een nestplek voor verschillende vogels en zijn bij voorkeur ook een drachtboom voor bijen en/of een waardboom voor vlinders. Een voorbeeld van een nieuwgekozen soort is de zilverlinde. Naast de toegevoegde ecologische waarde heeft de boom ook een zilverkleurig (achter)blad en past het bij de grijzige lagere beplanting zoals geoorde wilg en gagel. Struiklaag hoog; De relatief hogere struiklaag (maximaal 250cm) dekt op verschillende plekken de bestaande schuttingen van achtertuinen af. De ruimtelijke beleving wordt daarmee opgewaardeerd. De hogere struiklaag biedt vogels, egels en kleine zoogdieren een schuilplek. De besjes of nootjes die de struiksoorten in verschillende seizoenen dragen, zorgen ook voor een aantrekkingskracht op deze soorten. Struiklaag laag; Op enkele plekken worden lagere struikgewassen toegepast (maximaal 150cm hoog). Doordat een volwassen persoon over deze struiklaag heen kan kijken, wordt het zicht op de Geleerdevaart niet geblokkeerd. Naar de Geleerdevaart zijn zo zoveel mogelijk inheemse soorten toegepast, waaronder wilde gagel en geoorde wilg. Ook deze lage bosschages bieden een goede schuilplek aan verschillende kleine diersoorten.
Onderlaag; Onder de struiklaag is een rijke groene onderlaag toegepast. Afhankelijk van de bodemcondities zijn verschillende gras- en kruidenmengsels voorzien. De infiltratiedelen naast de Geleerdevaart hebben plek voor moerasbeplanting, met soorten als gele lis en lisdodde. Hierdoor ontstaat ook plek voor amfibieën in de Geleerdevaart. In de plantkeuze is rekening gehouden met het aantrekken van jagende insecten zoals de libelle.
40
Ontwerp water De vaart is een belangrijke route voor verschillende vleermuissoorten, waaronder de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. In principe blijft het doorstroomprofiel en de vorm van het natte profiel gehandhaafd. Door de deksloven te verlagen kan het water bij piekbuien over de deksloven spoelen naar de infiltratiezones. In het natte profiel worden geen planten geplaatst i.v.m. openhouden profiel voor onderhoud.
Toekomstig gebruik De bestaande Geleerdevaart heeft een goed toegankelijk pad en een avontuurlijk pad. Deze karakteristieken van paden komen terug in het herontwerp van de Geleerdevaart. De vlonder vormt het avontuurlijke pad en is bereikbaar via trappen. Het vlonderpad wordt niet voorzien van leuningen en komt met het dek 50cm boven waterpeil uit. Aan de zuidkant zal een droog, en gelijkvloers pad, oost en west verbinden voor iedereen. Dit laatste pad maakt daarbij de entrees van bergingen bereikbaar. Het lopen langs de Geleerdevaart met een verbeterde waterberging en ecologische kwaliteit heeft de prioriteit. Deze zone is ontspannend en rustgevend en wordt niet ingericht als actieve zone voor bijvoorbeeld sport en spel. De noordelijke L-wand is ingericht als Zwaluwwand, wat de ecologische waarde in het gebied ten goede komt.
41
Beplanting Geleerdevaart De keuze voor de beplanting is gebaseerd op het beoogde beeld in combinatie met de bestaande condities van de omgeving en ondergrond. De planten zijn geschikt voor een gebied met de volgende eisen: • Waterstand; laag, redelijk hoog tot zeer hoog. • Grond: zand/kleiig in de bovenlagen, in de diepere lagere kalkrijk zand. • Zonlicht: Redelijk zonnig en open, maar planten onder de bomen en ten noorden van (appartementen)gebouwen hebben een schaduwrijkere plek. Ook is gekeken naar het streefbeeld welke de beplanting moet uitstralen. Het geheel moet een moerasachtige omgeving schetsen. Dit betekent overigens niet dat alle gekozen planten moerasplanten zijn. Slechts het deel dat aan de vaart staat zijn moerasplanten. Vanuit de vaart naar buiten gezien, wijken de planten steeds meer af van het moerasthema. Planten aan de kaders van de Geleerdevaart grenzen aan achtertuinen en gecultiveerde ruimtes. Strakke hagen gaan hierover naar kleurrijke struwelen. De planten in de kern van de Geleerdevaart worden extensief onderhouden, waardoor een natuurlijk en zacht beeld ontstaat. De hagen en planten aan de grenzen van het plangebied worden intensiever onderhouden, om ook ongemakken te voorkomen van de bewoners en gebruikers. Struwelen grenzend aan de achtertuinen worden beheerd op een hoogte van maximaal 2,50m.
Daarmee dekt de beplanting schuttingen af en voorkomt een rommelige aanblik van de verschillende achterkanten. In de rest van het plangebied zorgen enkele lage bosschages voor een beleving van een grotere ruimte dan die werkelijk is. Lage bosschages van maximaal 1,50m hoog breken het perspectief, zonder het overzicht en doorzicht van de vaart te minimaliseren. In de UO fase wordt een specifiekere uitwerking gemaakt voor de moerasbeplanting in de Geleerdevaart. Daarnaast wordt dan een technische tekening opgesteld voor de zwaluwwand. Bij de wanden die ingezet worden als zwaluwwand, zal lagere beplanting worden geplaatst.
42
Mobiliteit, verkeer en veiligheid Verkeersveiligheid Huidige situatie
Figuur 12: Huidige situatie parkeren op straat en trottoir (Jan Ligthartstraat, Google Street view)
De brandweer en verkeerspolitie geven in hun advies aan, dat de doorgang voor nood- en hulpdiensten in de huidige situatie onvoldoende is. Met name de brandweer kan onvoldoende passeren langs de geparkeerde voertuigen aan twee zijden op straat en/of half op het trottoir. Ook de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers op het trottoir komt hierdoor in het geding. De brandweer geeft daarnaast aan dat zij via twee zijden de woonbuurten moeten kunnen benaderen, hetgeen in de huidige situatie vaak niet mogelijk is. In de noordelijke buurten zijn weliswaar onderlinge verbindingen tussen woonbuurten, maar paaltjes belemmeren eventuele doorgang. In de centrumwoonbuurten zijn er 2 van de 3 buurten wel toegankelijk onderlinge verbindingen. Meerwijk is verkeerstechnisch gevormd door een grote lus van gebiedsontsluitingswegen 50 km/u (waaronder Stresemannlaan of Braillelaan). De 6 woonbuurten met woonstraten sluiten hierop aan en bestaan uit een lusje met één of twee toegangen. De huidige inrichting bevat onoverzichtelijke en brede 50 km/u asfaltstraten waarin de auto centraal staat, welke zijn aangelegd in de jaren ‘70. Hierdoor staat ruimte voor langzaam verkeer, verblijven en spelen onder druk. Dit beeld wordt versterkt door de geluiden uit de buurt, welke opgenomen zijn in de participatieverslagen van het masterplan d.d. 17 september 2020 Gemeenteraad en Voorlopig Ontwerp d.d.
25 mei 2021 college B&W, dat het verkeersonveilig is en afvalophaal diensten en nood- en hulpdiensten slecht de woningen kunnen bereiken. Daarnaast is parkeren in de woonbuurten momenteel niet gereguleerd, waardoor veelvuldig voertuigen op trottoirs staan en voetgangers blokkeren. Ook is de ruimte voor fietsers beperkt. In de vele smalle straten wordt de doorgang van nood- en hulpdiensten ernstig belemmerd, omdat aan beide kanten op straat geparkeerd wordt. Dit is een groot veiligheidsprobleem.
43
Ontwerp Om de verkeersveiligheid en doorgang van nood- en hulpdiensten te verbeteren, bevat het ontwerp woonstraten ingericht als erftoegangsweg (30 km/u), met zoveel mogelijk éénrichtingsverkeer en parkeren in parkeerstroken aan één zijde van de rijweg. Zodoende worden doorgangen niet meer geblokkeerd. Ook voldoen de bochtstralen aan de eisen van de brandweer. Om de tweezijdige benaderbaarheid van brandweervoertuigen mogelijk te maken in de noordelijke buurten, worden de onderlinge verbindingen tussen woonbuurten ook toegankelijk gemaakt voor nood- en hulpdiensten. Overige maatregelen die daarbij horen bestaan uit: Bij de aansluiting van de woonstraten op de gebiedsontsluitingswegen zijn in/uitritconstructies voorzien, waarbij het trottoir en eventueel het fietspad doorloopt. Hierdoor wordt langzaam verkeer beschermd. Om een snelheid van 30km/u te waarborgen in de woonstraten is het belangrijk dat de inrichting van de straat een hogere snelheid tegengaat. Voorkomen moet worden dat de weg een lange rechtstand heeft, dit leidt namelijk tot een hogere rijsnelheid. In het ontwerp is in de langere op de rechtstanden een ‘uitbuiging’ aangebracht. Deze uitbuiging van de weg heeft, naast het breken van de rechtstand, ook het effect dat automobilisten vanzelf de juiste rijrichting kiezen. In het definitief ontwerp is de uitgaande straat uitgebogen.
Hiermee zijn alle rechtstanden vrij kort, waardoor verdere snelheidsbeperkende maatregelen niet nodig zijn. De erftoegangswegen zijn bij entree van de woonbuurten dubbelrichting en 5m breed. Na een kruising start het eenrichtingsverkeer met rijwegen van 4m met dubbelrichting voor fietsers. Dit voldoet aan de eis van de CROW. Eenrichtingsverkeer is gekozen om meer ruimte voor langzaam verkeer te maken, meer groen en verblijfsruimte te realiseren en het aantrekkelijker te maken om met de fiets of te voet te gaan in plaats van met de auto. Éénrichtingswegen dragen bij aan een lagere snelheid op straten waar de hoeveelheid passerende auto’s laag is. Wanneer de hoeveelheid passerende auto’s laag is en de rijbaan geschikt voor tweerichtingsverkeer, zal de snelheid van het gemotoriseerde verkeer hoog liggen. De weg biedt namelijk voldoende overzicht en ruimte om een hogere snelheid te rijden. Eénrichtingswegen zijn over het algemeen smaller en bieden ook op rustige momenten minder ruimte aan het gemotoriseerde verkeer. Om deze reden zal de snelheid lager liggen dan op een bredere tweerichtingsweg. Het ontwerp gaat uit van een smaller wegprofiel dat past bij de 30-km inrichting en bij eenrichtingsverkeer. Daarnaast is het voor overige verkeersdeelnemers begrijpelijk dat gemotoriseerd verkeer vanuit slechts één richting kan komen aanrijden.
Het verwachtingspatroon van de verkeersdeelnemers wordt hierdoor beïnvloed en de verkeerssituatie minder complex. Als gevolg van de minder complexe verkeerssituatie, is het voor verkeersdeelnemers gemakkelijker om hun eigen rij-taak uit te voeren. Tevens draagt éénrichtingsverkeer bij aan het verminderen van het aantal conflictpunten op de wegen binnen een woonwijk. Het aantal kruisende verkeersstromen op een kruispunt of T-splitsing wordt sterk verminderd, waardoor het aantal conflictpunten afneemt en de kans op ongevallen daalt. Ook de kans op ongevallen op wegvakniveau dalen. Gemotoriseerd verkeer rijdt allen in dezelfde richting, waardoor de kans op frontale aanrijdingen met tegenliggend gemotoriseerd verkeer wordt weggenomen. In plaats van de huidige brede asfaltstraten zijn in het DO voor de rijweg eenduidige klinkerbestrating voorzien en bevatten de parkeervakken ‘groene’ grasbetonstenen.
44
Fietsers Voor fietsers geldt het éénrichtingsverkeer niet. Bij éénrichtingswegen is het binnen heel Nederland ‘normaal’ dat fietsers wel in twee richtingen mogen rijden. Dit is om het gebruik van de fiets te stimuleren, maar ook om de omrijdafstand voor fietsers te beperken. Het is voor gemotoriseerd verkeer namelijk niet heel ingrijpend om 500 meter om te rijden. Voor fietsverkeer is 500 meter echter wel een behoorlijke afstand. Fietsers nemen daarnaast minder ruimte in op de rijbaan, waardoor het gemakkelijker en veiliger is om elkaar in twee richtingen te passeren. Voetgangers Aan beide zijden van de straat zijn trottoirs voorzien. Bij eventuele in/uitritten loopt de trottoirverharding door, zodat voetgangers en met name minder validen niet beperkt worden. Er zijn duidelijke oversteekmogelijkheden door het toepassen van voldoendedoorsteken. Tevens zijn de hoogteverschillen opgelost. De trottoirs zelf hebben een breedte van 1,5m. Voor een woonstraten is dit een acceptabele breedte. De hoeveelheid voetgangers is beperkt in de intieme woonbuurten en mindervaliden hebben voldoende ruimte om voort te bewegen. Tevens past de breedte binnen de ambitie om onnodige verharding te vermijden en zoveel mogelijk groene kwaliteit toe te voegen in de woonbuurten. Langsparkeerstroken Aan de rijweg zijn langsparkeerstroken voorzien.
Deze fungeren als parkeerhavens, zonder belijning tussen individuele parkeerplaatsen. Afgezien van één straat is parkeren aan één zijde van de rijweg ontworpen. Gezien de bepaalde locatie van de langsparkeervakken in de woonstraten, is met het oog op de verkeersveiligheid en begrijpelijkheid voor bestuurders, gekozen voor een rijrichting met de klok mee (rechtsom). In Nederland is men gewend om rechts te rijden. De inrichting van de auto (spiegels, stuur, etc.) is hierop aangepast om het deelnemen aan het verkeer zo overzichtelijk en veilig mogelijk te maken. In het verlengde van het rechts rijden, is ook het rechts parkeren genormaliseerd. Het is voor weggebruikers normaal om aan de rechterzijde van de rijbaan te parkeren, dit omdat men dan niet het tegemoetkomende verkeer hoeft te kruisen. Daarnaast is de positie van de bestuurder in de auto zo gepositioneerd dat hij/zij bij het wegrijden het beste zicht heeft op overige doorgaande verkeer. Door het toepassen van één strook langsparkeren, wordt er minder in de woonbuurten geparkeerd en meer aan de aan de randen, op loopafstand van woningen. Ook hierdoor neemt de overzichtelijkheid toe in de straat en wordt langzaam verkeer gestimuleerd. Doorsteken De woonbuurten zijn in de huidige situatie op sommige plaatsen voor autoverkeer onderling met elkaar verbonden.
In het masterplan is benoemd om deze doorsteken te vervangen door verkeersverbindingen die uitsluitend toegankelijk zijn voor langzaam verkeer en nood- en hulpdiensten om langzaamverkeer te stimuleren en een verkeersveiligere route aan te bieden. Als onderdeel van aanpassingen ontwerp door ingebrachte zienswijzen op het VO, is deze ambitie komen te vervallen. De doorsteek Jan van Den Boschstraat, tussen William Bootstraat en Baden-Powellstraat, is in het DO ook voor auto’s in één richting ingericht. Dit wijkt af van de uitgangspunten uit het masterplan en het advies van de verkeerspolitie. Rousseaustraat, Pa Van der Steurstraat, en Rudolf Steinerstraat Er is ingegaan op het verzoek uit de wijkschouw met bewoners om de inrichting te wijzigen voor de Rousseaustraat, Pa Van der Steurstraat en Rudolf Steinerstraat. Bewoners vrezen overlast van verkeer en lichtmasten nabij de woningen. Daarom is de weginrichting van deze straten gewijzigd. In de 3 noordelijke woonbuurten is de ligging van de meest noordelijke rijweg zuidelijk opgeschoven, zodat meer afstand ontstaat tussen de woningen (appartementengebouw) aan de noordzijde en de rijweg. De garageboxen op de begane grond blijven bereikbaar dankzij meerdere in- en uitritten. De hoeveelheid parkeerplaatsen is gelijk gebleven of elders opgevangen. In de Pa van der Steurstraat is haaksparkeren 45
ontworpen om het aantal parkeerplaatsen te kunnen behouden. Het verleggen van de rijweg en aanpassen van de parkeerplaatsen zorgt voor meer verharding en minder groen t.o.v. het VO.
Parkeren Uitgangspunten Uitgangspunten uit het masterplan zijn in het VO aangescherpt en in DO behouden. In het masterplan zijn twee belangrijke uitgangspunten bepaald. Ten eerste aan één zijde van de straat te parkeren en overig parkeren aan de randen op loopafstand, zodat groene kwaliteit in de straten ligt, gecombineerd met voldoende (klimaatadaptieve) wateropvang in het groen en men gestimuleerd wordt om te voet te gaan of zich met de fiets te verplaatsen (gezondheid). Als tweede uitgangspunt geldt dat het aantal te ontwerpen parkeerplaatsen in een woonbuurt gebaseerd moet zijn op het hoogst aantal getelde voertuigen incl. foutparkeren in de huidige situatie. Alle parkeerplaatsen in de woonbuurt tellen mee, ook die op eigendom van derden.Binnen andere herinrichtingsprojecten in Haarlem wordt een vergelijkbare aanpak met parkeerdruk gevolgd. Aan de hand van een parkeerdrukmeting wordt bepaald of de huidige parkeercapaciteit aansluit bij de vraag.
Uitgevoerde tellingen Het vastgestelde VO fase A (juni 2021) is gebaseerd op de parkeertelling van maart 2021. De telmomenten zijn in overeenstemming met de klankbordgroep gekozen. Uit de telling van maart bleek dat de grootste bezetting van parkeerplaatsen hoofdzakelijk op zondagnacht aanwezig is. Tijdens buurtgesprekken in september hebben meerdere bewoners het verzoek ingediend om nogmaals te gaan tellen. Hierna zijn nog twee extra tellingen uitgevoerd, namelijk in oktober en november 2021. De telling in oktober 2021 is uitgevoerd met dezelfde telmomenten als in maart 2021. De telling van november 2021 is enkel op het meest drukke telmoment uitgevoerd, namelijk zondagnacht.
Resultaten De resultaten van de aanvullende tellingen (oktober en november 2021) tonen aan dat, met uitzondering van één woonbuurt (William Boothstraat), meer geparkeerde voertuigen zijn geteld ten opzichte van maart 2021. De verschillen variëren per buurt tussen 1 en 30 voertuigen, zie in onderstaande tabel (dik gedrukte het hoogste aantal geparkeerde voertuigen van de drie tellingen): ONDERZOEK AANTAL GEPARKEERDE VOERTUIGEN Parkeertelling mrt 2021
Parkeertelling okt 2021
Parkeertelling nov 2021
98 94 105 137 123 128
115 89 110 169 124 140
103 88 103 163 121 143
WOONBUURTEN 1. Hugo de Grootstraat 2. William boothstraat 3. Baden-Powellstraat 4. Montessoristraat 5. Jan Ligthartstraat 6. Spoelderstraat Tabel 16: Resultaten parkeertellingen
46
Gevolgen Het vastgestelde VO was gebaseerd op de telling van maart 2021. De nieuwe tellingen van oktober en november 2021 tonen aan dat de parkeerbehoefte hoger is dan aantal voorziene parkeerplaatsen in het VO. Na inbreng van bewoners is besloten om het aantal parkeerplaatsen aan te passen op de nieuwe parkeertellingen en daarbovenop nog 4-5 parkeerplaatsen per buurt toe te voegen. Hierdoor kunnen eventuele onvoorziene piekmomenten worden opgevangen. Dit resulteert in 101 extra parkeerplaatsen in het DO ten opzichte van het VO. AANTAL PARKEERPLAATSEN IN DO WOONBUURTEN 1. Hugo de Grootstraat 2. William boothstraat 3. Baden-Powellstraat 4. Montessoristraat 5. Jan Ligthartstraat 6. Spoelderstraat
120 98 115 177 130 150
Tabel 17: Aantal parkeerplaatsen in het DO
Woonstraten Uitgangspunten uit het masterplan zijn in het VO aangepast en in DO behouden. De standaardprofielen uit het masterplan hebben de basis gevormd voor de uiteindelijke profielen in het VO en DO. Dankzij de inrichting is hemelwateropvang mogelijk, blijft parkeren nabij woningen bestaan en worden straten verkeersveiliger. Alle éénrichtingsstraten bevatten parkeren aan één zijde, met uitzondering van een klein deel van de William Boothstraat. In deze woonbuurt zijn meer parkeerplaatsen toegevoegd om het noodzakelijk aantal te behalen.
Andere voertuigen De aanvullende uitgangspunten uit het VO zijn behouden. Het DO is getoetst aan de toegankelijkheidseisen voor verkeerspolitie, brandweer en vuilnisophaaldiensten. Mindervalidenparkeerplaatsen blijven behouden, zo veel mogelijk voor de deur van de gebruiker, en sluiten aan op de nieuwe inrichting. Dit geldt ook voor de bestaande laadpalen. Nieuwe laadpalen kunnen op aanvraag worden aangelegd, zoals gebruikelijk in Haarlem. Eventuele (elektrische) deelauto’s kunnen in de toekomst ook een plaats krijgen in de openbare ruimte. Er is echter geen rekening gehouden met deelauto`s die de parkeerdruk kunnen verlagen, doordat het aantal beschikbare parkeerplaatsen is getoetst aan de huidige parkeerdruk.
Openbare verlichting Een verlichtingsplan is opgenomen in dit DO. Het vervangen van de lichtmasten en armaturen volgt het gemeentelijk beleid en afstemming met betrokken beleidsmedewerkers. De uitkomst van deze afstemming was dat de lichtkleur aangepast diende te worden naar 2700 Kelvin (voor zowel TECEO als KIO). Vanwege het toevoegen van 101 extra parkeerplaatsen aan het voorgaande DO waarop het verlichtingsplan is gebaseerd, zal het verlichtingsplan in de UO fase gecontroleerd moeten worden op onjuistheden. Het bekabelingsplan wordt uitgewerkt in samenspraak met de aannemer en Liander Elektra in de UO-fase. 47
Afvalinzameling Uitgangspunten uit het VO zijn aangepast. Aanvullend op het VO is in het DO in iedere woonbuurt ten minste één bestaande restafvalcontainer aanvullend behouden om de loopafstand tot woningen te verkleinen. In het DO is het uitgangspunt van gecentraliseerde afvalstraatjes behouden om afvalscheiding te bevorderen. In de uitwerking zijn afvalstraatjes met ca. 4 containers bij elkaar geplaatst op meest logische plaatsen, namelijk bij de in- en uitgangen van de woonbuurten en nabij de appartementengebouwen. Het kan voorkomen dat ondergrondse containers het zicht op het doorgaande verkeer ontnemen. Afhankelijk van de exacte locatie kan het zijn dat verkeer afgedekt wordt door de afvalcontainers. De containers zijn echter ongeveer 1 meter hoog. Zittend in een auto zou je hier normaal gesproken overheen kunnen kijken. Daarom is de verwachting dat de locaties van afvalcontainers voor het autoverkeer geen zichtproblemen oplevert. Voor kleine kinderen op de fiets zou het meer zichtproblemen op kunnen leveren, maar deze worden vaak vergezeld door een volwassene. Als er sprake is van zicht belemmering dan treedt het op bij verkeer van rechts. Enkel bij links afslaan vanuit een woonbuurt is sprake van kruisende verkeersstromen. Dit verkeer zal zich echter opstellen richting het midden van de straat, waardoor voor de containers langs gekeken kan worden.
Hierdoor wordt verondersteld dat de locaties van ondergrondse afvalcontainers geen problemen opleveren met betrekking tot verkeersveiligheid. Afvalscheiding vindt plaats op loopafstand binnen de gestelde kaders. Gemiddeld bedraagt de loopafstand 150m, waar 250m maximaal is toegestaan. De containers staan op de DO situatietekening aangegeven. Het noodzakelijke inzamelbesluit zal in de volgende fase worden voorgedragen.
Materialen en circulariteit Materiaalkeuze Bijlage 8 geeft de gebruikte uitgangspunten met betrekking tot materialen weer. Deze materialen staan tevens gemeld in de legenda van de tekeningen.
Circulaire uitvoering Voor de DO fase is een eerste opzet gemaakt voor de toepassing van circulariteit en duurzaamheid binnen het project. Deze aanpak wordt verder uitgewerkt in de UO fase. Voor dit project hebben we de doelstelling om vrijkomende materialen zo hoogwaardig mogelijk toe te passen (binnen of buiten dit project). Dit doen we middels een grondstoffenplan waarbij we inventariseren wat er vrijkomt en vaststellen wat de meeste duurzame toepassing is, bijvoorbeeld boomstammen als speelaanleiding. Materialen die we niet binnen het project hergebruiken, bieden we bij de Haarlem Circulair app aan, zodat deze lokaal hoogwaardig kunnen worden hergebruikt. Doordat we meer groen integreren in de wijken, reduceren we ook 10% van de verhard oppervlakte, wat de grondstoffen vraag en CO2-uitstoot verlaagt. Op dit moment ligt er asfalt in de wijk, waarbij we uitgaan dat de helft teerhoudend is. Door inzet van een smart frezer, willen we zoveel mogelijk kwalitatief goed asfalt naar een verwerker brengen die het 100% recyclet. De verlichting in de wijk zal LED worden. De ambitie is om slimme verlichting toe te passen, die de intensiteit van de verlichting verlaagd wanneer er niemand in de buurt is. Hierdoor wordt de 48
energiebehoefte van de wijk in de gebruikersfase verlaagd. Tot slot is het streven om duurzamer uit te voeren door middel van de inzet van elektrisch materieel. Circulair materiaal gebruik MAATREGEL IMPACT
TOTALE IMPACT***
10% MINDER VERHARDING
Besparing MKI: 4,58 €/m² Besparing CO2: 39,92 kg/m²
HERGEBRUIKEN KANTOPSLUITINGEN
Besparing MKI: 1,93 €/m Besparing CO2: 15,17 kg/m
HERGEBRUIKEN STRAATBAKSTENEN TOEPASSING CEMENTLOZE TEGEL (REDUTON)* TOEPASSING CEMENTLOZE GRASBETONTEGEL (REDUTON)** TOEPASSING SLIMME LED VERLICHTING
Besparing MKI: 2,27 €/m² Besparing CO2: 29,85 kg/m² Besparing MKI: 1,54 €/m² Besparing CO2: 13,12 kg/m² Besparing MKI: 1,7 €/m² Besparing CO2: 14,57 kg/m² Nader te bepalen
Besparing MKI: € 1.359 Besparing CO2: 11.844,26 kg Besparing MKI: € 2084,4 Besparing CO2: 16.383,6 kg
IMPACT IN PROCENTEN 100% 100% 34% 25%
Besparing MKI: € 6147,52 Besparing CO2: 32.238 kg Besparing MKI: € 2.274,6 Besparing CO2: 17.554,56 kg Besparing MKI: € 2.318 8 Besparing CO2: 19.873,48 kg
49,5% 75% 34% 33%
Nader te bepalen
Nader te bepalen
37% 37%
*Besparing berekend ten opzichte van een straatbaksteen **Reduton is KIWA gecertificeerd. ***De totale impact is indicatief berekend op basis van het VO. De hoeveelheden en daarmee de impact kunnen als gevolg van ontwerp aanpassingen nog veranderen.
Duurzame uitvoering MAATREGEL ELEKTRISCHE WIELLAADSCHOP ELEKTRISCHE TRILPLAAT ELEKTRISCHE KRAAN
IMPACT Besparing MKI: 7,1 €/uur Besparing CO2: 74,6 kg/uur Besparing MKI: 0,48 €/uur Besparing CO2: 4,88 kg/uur Nader te bepalen
49
IMPACT IN PROCENTEN 87% 86% 77% 73% Nader te bepalen
Energie en ondergrond Aanvullend onderzoek Ter aanvulling op de uitgevoerde onderzoeken in de masterplan- en VO-fase zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Hieronder zijn de onderzoeken kort samengevat