20221103125 2. Bijlage 1 Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023
Tekst van het document
Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat informele zorg (deels) een ander karakter heeft en wordt verleend vanuit een andere motivatie dan formele zorg. Er is sprake van een andere betrokkenheid tussen zorgverlener en cliënt; een betrokkenheid die een andere dan financiële waarde oplevert voor de zorgverlener. Verder kent informele zorg geen overheadkosten (zoals bijvoorbeeld kosten voor organisatie, kosten om te voldoen aan kwaliteitseisen, e.d.). Lid 11 Dit onderdeel benadrukt dat het tarief een all-in tarief is. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en ziekte, verzekeringen(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief. Het is dus niet mogelijk om voor deze kosten een aanvullend persoonsgebonden budget te ontvangen. De in dit lid genoemde kostenposten zijn opgenomen in de uurtarieven waarop het persoonsgebonden budget wordt gebaseerd. Ook overige kosten samenhangend met de ondersteuning moeten uit het persoonsgebonden budget worden betaald. Lid 12 Er wordt hier gebruik gemaakt van de bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.
De regeling ‘Hulp uit het sociaal netwerk’ maakt het mogelijk om vanuit het persoonsgebonden budget door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een symbolisch bedrag per maand uit te laten betalen aan personen uit het sociaal netwerk die informele hulp aan de budgethouder verlenen. Er is Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 20 van 34
geen sprake van een arbeidsrelatie en het minimumloon is niet van toepassing. Deze vergoeding kan worden aangevraagd via een modelverklaring die de SVB levert. Het college moet deze verklaring beoordelen. De regeling houdt in dat maximaal € 141,- per kalendermaand uitbetaald kan worden aan de ondersteuner(s) van cliënt. De ondersteuning maakt altijd deel uit van de maatwerkvoorziening, met een minimale omvang van 3 uur per week. Het is nadrukkelijk de vrije keuze van de cliënt, om te kiezen voor de reguliere uurtarieven die voldoen aan de Wet minimumloon, (tarief van artikel 5.2, lid 9) of voor deze vergoeding voor het sociaal netwerk. Artikel 5.4 Pgb sociaal netwerk Als de cliënt in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget, dan moet gekozen worden uit één van de volgende twee varianten: - Ondersteuner uit het Sociaal netwerk; - Beroepsmatige ondersteuner. Ondersteuner uit het sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociaal netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is van een relevant diploma.
Deze persoon kan voor het beroepsmatige tarief in aanmerking komen, als in het pgb-plan aangetoond wordt dat de ondersteuning beroepsmatig wordt verleend en de ondersteuner voldoet aan de vereisten voor beroepsmatig (professionele) ondersteuners. Beroepsmatige ondersteuner: Er is sprake van professionele ondersteuning als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden, de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel en de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming aansluiten bij de te leveren diensten voor het Pgb en als de professionele ondersteuner in het bezit is van relevante diploma’s en voldoet aan de overige kwaliteitseisen.
HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN Inleiding De gemeente heeft ervoor gekozen aan haar cliënten een eigen bijdrage te vragen voor het gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb. Deze mogelijkheid is opgenomen in de wet. Er is niet gekozen voor een lagere eigen bijdrage of voor een verlaging van de eigen bijdrage voor bepaalde categorieën cliënten. Gezien de hoogte van de eigen bijdrage en overige mogelijkheden op grond van het minimabeleid wordt dit niet nodig geacht. Voor een aantal voorzieningen geldt het abonnementstarief (ten tijde van de vaststelling van deze verordening bedraagt deze € 19,- per maand). De maatwerkvoorzieningen opvang, beschermd wonen en het collectief vervoer zijn hiervan uitgezonderd. Voor deze voorzieningen vindt de berekening van de eigen bijdrage op andere wijze plaats.
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 21 van 34
Gemeenten mogen geen eigen bijdrage vragen voor een rolstoel of een voorziening voor kinderen (behalve voor woningaanpassingen). Nu dit in de wet staat benoemd is deze uitzondering niet meer opgenomen in de verordening. In artikel 6.1 zijn de algemene bepalingen rondom de eigen bijdrage opgenomen. In artikel 6.2 is uitgewerkt hoe de kostprijs van de voorzieningen wordt berekend. In artikel 6.3 is uitgewerkt op welke wijze een eigen bijdrage voor andere voorzieningen kan worden vastgesteld. Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen Lid 1 Voor de maatwerkvoorziening (zowel in natura als in de vorm van een persoonsgebonden budget) en de bij verordening aangewezen algemene voorziening (huishoudelijke ondersteuning) is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd. Als cliënt de beschikking heeft over een maatwerkvoorziening in natura, maar deze niet daadwerkelijk gebruikt, moet hij ook een eigen bijdrage betalen. De bijdrage in de kosten wordt opgelegd en geïnd door het CAK volgens de regels van het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Lid 3 De vaststelling van de eigen bijdrage gebeurt op basis van de geldende regelgeving. De grondslag ligt in artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a van de wet en de uitwerking in het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Lid 5 In lid 6 wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.8, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor het collectief vervoer. De raad kan voor een voorziening voor vervoer de hoogte van de bijdrage in de verordening bepalen, in een dergelijk geval geldt niet het abonnementstarief. Lid 6 Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van een cliënt die jonger is dan 18 jaar mag het college geen bijdrage in de kosten opleggen. Er is een uitzondering voor een woningaanpassing die tot waardevermeerdering van een woning leidt. De bijdrage in de kosten is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. De kosten worden aan het adres van de wettelijke ouder(s) of verzorger(s) doorberekend. Lid 7 Alleen het innen van de eigen bijdrage is neergelegd bij de instelling die de opvang verzorgt. Artikel 6.2 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening of pgb Lid 1 De hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald op grond van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daaruit volgt dat de hoogte van de eigen bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budgetten of de aangewezen algemene voorziening (de huishoudelijke ondersteuning) tezamen gelijk is aan het geldende abonnementstarief. Als een cliënt meerdere van deze voorzieningen gebruikt is de totale eigen bijdrage niet hoger dan € 19,- per Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 22 van 34
maand (tarief ten tijde van vaststelling van de verordening). Deze kan wijzigen als gevolg van aanpassing van de wet of hierop gebaseerde regelgeving). De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen, opvang en het collectief vervoer zijn hiervan uitgezonderd. De hoogte van de eigen bijdrage voor deze voorzieningen komt op andere wijze tot stand (zie hiervoor de artikel 6.1 lid 6 en artikel 6.2 lid 8 en 9). Zij vallen dus buiten het abonnementstarief. Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs van een voorziening is van belang omdat de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening nooit hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening (zie artikel 2.1.4, zesde lid en artikel 2.1.4a zesde lid van de wet). De gemeente is om deze reden verplicht de wijze van berekening van de kostprijs in de verordening vast te leggen. Lid 7 Er is bij een traplift gekozen voor een gemiddelde prijs per verstrekking omdat er in de praktijk een aanzienlijk verschil is in de kostprijzen van een traplift. De kostprijs is afhankelijk van het aanbod. Soms kan een tweedehands traplift worden gebruikt en soms is alleen een nieuwe traplift geschikt als passende maatwerkvoorziening.
Om het voordeel van herverstrekking aan alle inwoners aan wie een traplift wordt verstrekt ten goede te laten komen, wordt uitgegaan van een gemiddelde prijs. Voor wat betreft de eigen bijdrage leidt het hanteren van een gemiddelde prijs in geen geval tot nadeel voor de cliënt. De kostprijzen van trapliften, ook bij herverstrekking, zijn zo hoog dat deze het abonnementstarief overstijgen. De cliënt is aan eigen bijdrage voor een traplift, ook in combinatie met andere maatwerkvoorzieningen, maximaal het abonnementstarief verschuldigd. lid 8 en 9 Voor berekening van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor opvang is specifiek artikel 3.20 van het Uitvoeringsbesluit van belang. Hierin is bepaald dat bij berekening van de hoogte van de eigen bijdrage rekening gehouden dient te worden met de zak- en kleedgeldnorm die jaarlijks wordt vastgesteld en het verschil tussen de zorgtoeslag en de standaardpremie zorgverzekering. Voor het overige wordt de eigen bijdrage vastgesteld op basis van de vergoeding die de gemeente maandelijks verschuldigd is voor de betreffende opvangvoorziening. Voorwaarde voor opvang is dat de cliënt de geldende eigen bijdrage hiervoor betaalt (zie artikel 11.4, eerste lid van de verordening). Als de cliënt geen inkomen heeft bij aanvang van de opvang, wordt een betalingsregeling met de cliënt afgesproken.
Heeft de cliënt inkomen en betaalt hij de eigen bijdrage zonder geldende reden niet, dan kan de opvang worden beëindigd. Artikel 6.3 Bijdrage algemene voorziening, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorziening De bijdrage in de kosten -bij gebruik van een algemene voorziening- is nooit meer dan een kostendekkende –dus niet commerciële- bijdrage. Instellingen hebben er belang bij de toegang tot hun voorzieningen en activiteiten zo laagdrempelig mogelijk te houden. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de kosten die zij in rekening brengen voor deelname aan hun activiteiten. Deze deelnemersbijdragen zijn kostendekkend en betreffen normale ‘gebruikskosten’ (kopje koffie, drankje, gebruik van biljart, materiaalkosten etc.). Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 23 van 34
HOOFDSTUK 7 Maatwerkvoorzieningen individuele begeleiding en groepsbegeleiding (Aanvullende Ondersteuning) en kortdurend verblijf Artikel 7.1. Criteria begeleiding Voor de voorzieningen individuele- en groepsbegeleiding is een maatwerkvoorziening beschikbaar als dat - gezien de ondersteuningsbehoefte- nodig is. Het gaat daarbij om complexe ondersteuningsvragen waarvoor meer expertise of een zwaardere vorm van ondersteuning nodig is. De overkoepelende naam van deze maatwerkvoorziening is ‘aanvullende ondersteuning’. Met deze systematiek is gewaarborgd dat de cliënt de ondersteuning krijgt die deze nodig heeft. Voor de maatwerkvoorziening kan een aanvraag worden ingediend waarvoor een beschikking kan worden verstrekt. Een cliënt heeft zo de mogelijkheid rechtsbescherming in te roepen, als de cliënt ondanks een zorgvuldig toegangsproces van mening is niet de juiste ondersteuning te hebben gekregen.
HOOFDSTUK 8 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING Artikel 8.1 Criteria huishoudelijke ondersteuning Lid 1 In de gemeente Haarlem is een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening beschikbaar voor huishoudelijke ondersteuning. Beiden zijn gebaseerd op het normenkader zoals opgesteld door bureau HHM: Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning juni 2019. Dit normenkader wordt in Haarlem sinds 1 juli 2021 gehanteerd voor alle maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en sinds 1 mei 2022 voor de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) voldoet dit kader voor onderbouwing van normtijden. Het normenkader gaat uit van ‘de gemiddelde cliëntsituatie’ en er is mogelijkheid tot meer of minder inzet. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel professionele inzet nodig is (in uren per jaar) voor de verschillende resultaten in de gemiddelde cliëntsituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. De algemene voorziening is op basis van het normenkader ingericht met drie varianten. Deze zijn vastgelegd in de lokale Uitvoeringsregels. Daarnaast blijft de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning beschikbaar die op basis van het normenkader aansluit bij de meer complexere ondersteuningsvraag van de cliënt.
In de praktijk zullen de zorgaanbieder en de cliënt gezamenlijk bepalen hoe de uit te voeren werkzaamheden over de beschikbaar gestelde uren worden verdeeld. Zij leggen dit vast in een ondersteuningsplan. Zo worden alle activiteiten met de overeengekomen frequentie uitgevoerd.
HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING BIJ HET GEBRUIK VAN DE WONING Inleiding
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 24 van 34
Artikel 9.1 Criteria woningaanpassing Lid 1 Het doel van een woningaanpassing is dat de cliënt de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft normaal kan gebruiken. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Maatwerk kan er in een individueel geval toe leiden dat de woningaanpassing ook betrekking heeft op andere ruimten zoals de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang). Lid 2 onder b In het geval de cliënt genoodzaakt is vanwege zijn beperking(en) te verhuizen naar een andere woning, kan - vooruitlopend op de verhuizing naar deze woning – daarvoor een woningaanpassing worden toegekend. Lid 2 onder d en lid 3 In het geval een noodzakelijke woningaanpassing meer dan € 7.500, - zou bedragen, wordt een verhuizing naar een passender woning als goedkoopst adequate voorziening beschouwd. De CRvB heeft in haar uitspraak van 22-08-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2602) bevestigd dat dit primaat van verhuizen ook onder de Wmo 2015 kan worden toegepast. Daarbij wordt in een individueel geval getoetst of het toepassen van dit primaat een passende bijdrage levert.
Bij het toekennen van de verhuisvoorziening krijgt de inwoner een pakket van eisen waar de nieuwe woning aan moet voldoen en een bijdrage in de verhuiskosten als wordt verhuisd vanuit een zelfstandige woonruimte of woning. Uit de jurisprudentie van de CRvB is gebleken dat er belangrijke redenen kunnen zijn waarom cliënten niet kunnen verhuizen. Hier houden we middels een belangenafweging rekening mee. De uitkomst daarvan kan zijn dat het college het primaat van de verhuizing niet aan een inwoner opleggen, en een passende woningaanpassing moet verstrekken, ook als de kosten daarvan hoger zijn dan € 7.500,-. Bij de belangenafweging worden onderstaande factoren betrokken: 1. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; 2. Een kostenvergelijking tussen het aanpassen van de woning en verhuizen; 3. De beschikbaarheid van de andere woning binnen een medisch aanvaardbare termijn; 4. Sociale aspecten zoals: de voorkeur van de cliënt; de binding met de woning en de woonomgeving; de nabijheid van belangrijke voorzieningen; de nabijheid van vrienden, kennissen en familie; mantelzorg 5. De werksituatie van de cliënt; 6. De verandering in woonlasten; 7. Gaat het om een huurwoning of een koopwoning? (Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaak langer te gebruiken). Lid 4
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 25 van 34
Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Als een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. De woningeigenaren zijn dan zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een zogenaamde basisoutillage aan voorzieningen aan of in deze gebouwen. Lid 5 onder a Als er sprake is van een belangrijke reden voor de verhuizing kan dit lid buiten toepassing blijven. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd.
Lid 5 onder b Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:2021:3259). Onder deze bepaling zijn ook begrepen woningaanpassingen die nodig zijn na aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen. De cliënt dient in dergelijke gevallen eerst met het college te overleggen over de (andere) mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning. De aantoonplicht dat er geen geschiktere woningen beschikbaar waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt. Als de cliënt dit niet kan aantonen, kan het college de aanvraag om een woningaanpassing afwijzen. Het college kan vooraf schriftelijk toestemming verlenen om te verhuizen naar een inadequate woning. In dat geval is een afwijzing op grond van lid 5 onder b vanzelfsprekend niet aan de orde. Lid 5 onder c Bij gemeenschappelijke ruimten geldt dat voorzieningen hier niet geplaatst worden als dit om veiligheids- en uitvoeringstechnische redenen niet verantwoord is. Lid 5 onder f en g Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld.
Als het een eigen woning betreft, spreekt dat voor zich. In geval van een huurwoning dient de cliënt de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Als een woning wordt gerenoveerd, houdt de cliënt daarbij rekening met huidige en verwachte toekomstige beperkingen. Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 26 van 34
Bij de toepassing van lid g dient rekening te worden gehouden met de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB: 2018:2182). Daarin is nader uitgewerkt wanneer sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening (zie verder de toelichting bij artikel 4.1 over de algemeen gebruikelijke voorziening). Met toetsing aan deze criteria kan worden vastgesteld of de vervanging daadwerkelijk als ‘algemeen gebruikelijk’ kan worden aangemerkt. Artikel 9.2 Hoofdverblijf in een instelling Met bezoekbaar maken wordt bedoeld dat het voor iemand die woonachtig is in een Wlz-instelling mogelijk wordt gemaakt bijvoorbeeld zijn ouderlijk huis te bezoeken. Bij bezoekbaar maken gaat het gewoonlijk om het bereikbaar maken van de woning zelf, de woonkamer en het toilet.
HOOFDSTUK 10 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERPLAATSEN Artikel 10.1 Criteria maatwerkvoorziening voor verplaatsingen Lid 1 en 2 Het gaat daarbij om sociaal vervoer, oftewel vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woon- of leefomgeving. Een inwoner heeft recht op een verplaatsingsvoorziening als deze het openbaar vervoer (OV) door een beperking niet kan gebruiken of niet kan bereiken (medisch vastgesteld) en het vervoersprobleem ook niet kan worden opgelost met voorliggende voorzieningen, zoals een fiets (met of zonder trapondersteuning), brommer, scooter of auto. Als eerste geldt dan het primaat van het collectief vervoer. Een individuele verplaatsingsvoorziening (bijvoorbeeld een aanpassing van een auto) kan enkel aan de orde zijn als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer niet passend is. Lid 3 en 4 Het derde en vierde lid bepalen de reikwijdte van de verplaatsingsvoorziening. Hiermee voldoet de gemeente ruimschoots aan de vereisten uit de jurisprudentie die aangeeft dat 1.500-2.000 km voldoende is. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken naar beneden of naar boven. Dat kan (ook) het geval zijn als er meer dan één verplaatsingsvoorziening wordt verleend.
De verplaatsingen kunnen immers betrekking hebben op de korte, de middellange en op de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Ten aanzien van de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning kan een rolstoel of ander verplaatsingsmiddel worden verstrekt. Onder overige verplaatsingen in het kader van het leven van alledag kunnen ook verplaatsingen voor vormen van dagbesteding in de sociale basis vallen. Bij vastgestelde (grote en reële) behoefte aan dagbesteding in de sociale basis en andere sociale vervoersbehoeften kan het kilometer budget verhoogd worden naar maximaal 2.500 km per jaar voor regionaal vervoer.
HOOFDSTUK 11 OPVANG, WONEN EN HERSTEL Artikel 11.1 Criteria voor maatschappelijke opvang Inleiding De gemeente Haarlem is centrumgemeente voor de Maatschappelijke opvang in de regio's Haarlemmermeer, IJmond en Zuid-Kennemerland. Maatschappelijke opvang omvat de voorzieningen Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 27 van 34
waarin een eerste veilige plek aan dakloze inwoners wordt geboden die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit betreft altijd een tijdelijke en kortdurende opvang. Lid 1 Huidige doelgroep maatschappelijke opvang Tot de doelgroep voor maatschappelijke opvang behoren inwoners die tijdelijk en kortdurend dakloos zijn binnen de gemeenten. Van belang is dat er sprake is van feitelijke dakloosheid. Dat betekent dat andere mogelijkheden zijn onderzocht, bijvoorbeeld via inzet van het sociaal netwerk. Ook is van belang of een cliënt onvoorbereid naar Nederland komt en een woning elders achterlaat. In een dergelijk geval kan niet worden gesproken van feitelijke dakloosheid, omdat iemand nog een woning heeft. Binnen de maatschappelijke opvang wordt trajectbegeleiding geboden. Deze begeleiding is ter ondersteuning om zich weer op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving (zie lid 1 onder b). De trajectbegeleiding is maatwerk en kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het organiseren van de basisbehoeften, ondersteuning bij het vinden en behouden van werk, regie krijgen over het eigen leven en voorbereid zijn op het zelfstandig leven. Ook wordt (intensieve) ondersteuning geboden bij het uitstromen uit de maatschappelijke opvang, zoals ondersteuning bij het zoeken naar een woning en bij het (weer) zelfstandig wonen.
De gemeente is daarbij niet verantwoordelijk voor de uitstroom, enkel voor de ondersteuning richting uitstroom. Binnen de maatschappelijke opvang wordt onderscheid gemaakt in verschillende doelgroepen. Deze worden door het college nader uitgewerkt in de Uitvoeringsregels op grond van het bepaalde in artikel 4.1, 5e lid van deze verordening. EU-burgers In artikel 1.2.2, tweede lid van de wet is een lex specialis opgenomen voor vreemdelingen die ook ingezetenen zijn. Voor de opvang kan gebruik gemaakt worden van de uitzonderingsmogelijkheid uit de richtlijn (Richtlijn 2004/38/EG, artikel 24, 2e lid). Gemeenten hoeven burgers van de Europese Unie gedurende de eerste drie maanden van verblijf, en in de periode daarna alsnog geen werk is gevonden, geen opvang te bieden. Het mag overigens wel. Opvang van deze doelgroep wordt beschouwd als onredelijke belasting van het sociale bijstandsstelsel. De uitzondering geldt niet voor opvang als gevolg van huiselijk geweld en niet voor beschermd wonen. Overigens is het aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om te beoordelen of een cliënt uit de EU (na 3 maanden verblijf) geen werkzoekende meer is, in twijfelgevallen is hun oordeel doorslaggevend. Lid 2 en 3 Het is van belang dat een cliënt meewerkt aan de begeleiding binnen de opvangvoorziening.
Alleen op deze manier kan het doel van de wet worden bereikt, namelijk zich weer op eigen kracht handhaven in de samenleving (zie 2.1.2, derde lid onder b van de wet). Artikel 11.2 Criteria voor vrouwenopvang Het gaat hier om geweld dat door iemand uit de huiselijk kring van het slachtoffer wordt gepleegd zoals (ex-)partners, familieleden en huisvrienden. Het kan gaan om lichamelijk, psychisch of seksueel geweld. Het kan (ex-)partnergeweld, eergerelateerd geweld, kindermishandeling, verwaarlozing van ouderen of geweld tegen ouders betreffen). Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 28 van 34
Voor slachtoffers van huiselijk geweld gelden afwijkende criteria. Het uitgangspunt is dat cliënten worden opgevangen in de gemeente waar zij wonen. Opvang in de eigen gemeente is kansrijker in verband met het bestaande sociale netwerk. Er kunnen echter zwaarwegende omstandigheden zijn voor opvang buiten de eigen gemeente. Het kan dan gaan om redenen van veiligheid, of om situaties waar acuut opvang geboden is maar de gemeente van herkomst op dat moment geen plek beschikbaar heeft. Als sprake is van huiselijk geweld tegen een persoon of tegen leden van het gezin van de persoon en er is geen opvang noodzakelijk, is ambulante hulpverlening mogelijk. Artikel 11.3 Criteria voor beschermd wonen Inleiding Op dit moment ligt de verantwoordelijkheid voor beschermd wonen nog bij de centrumgemeenten. De gemeente Haarlem is centrumgemeente voor het beschermd wonen in de regio's Haarlemmermeer, IJmond en Zuid-Kennemerland. Beschermd wonen wordt per 2024 gedecentraliseerd naar alle gemeenten. Dit houdt in dat alle gemeenten vanaf dat moment financieel verantwoordelijk worden voor inwoners die beschermd wonen nodig hebben. Beschermd wonen is wonen in de accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding voor cliënten die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen. De cliënten wonen in een veilige en beschermende woonomgeving.
Begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week, oproepbaar of aanwezig. Cliënten betalen een eigen bijdrage voor dit verblijf. Naast het beschermd wonen zijn er ondersteuningsvormen voor cliënten die meer zelfredzaam zijn en/of zelf huur betalen voor hun woonplek omdat de financiering van het wonen en de ondersteuning van elkaar gescheiden zijn. Het college werkt deze andere ondersteuningsvormen nader uit in de lokale Uitvoeringsregels op grond van het bepaalde in artikel 4.1, 5e lid van deze verordening. Lid 1 en 2 Toegang tot beschermd wonen en bijbehorende begeleiding Beschermd wonen wordt geboden aan mensen met psychiatrische of psychosociale problematiek. Deze problematiek kan belemmeringen geven op enkele of meerdere levensgebieden waardoor de cliënt minder in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat om cliënten voor wie op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving centraal staat. De doelstellingen van beschermd wonen zijn herstel en stabilisatie van het gewone leven, veilig en gezond wonen, het bevorderen van zelfredzaamheid, eigen kracht leren ontwikkelen en inzetten en gelijkwaardig burgerschap. Beschermd wonen omvat een traject op maat bij ondersteuningsvragen op het gebied van wonen én herstellen.
Samen met de cliënt en eventueel (wettelijk) vertegenwoordigers of zorg-ondersteuners wordt een arrangement op maat vastgesteld. Een arrangement op maat is van toepassing op de cliënt die niet volledig zelfstandig in de thuissituatie kan wonen en/of de cliënt die baat heeft bij het wonen in de nabijheid van andere cliënten en baat heeft bij begeleiding. Een arrangement betreft één of meerdere van in totaal 9 resultaatgebieden van de zelfredzaamheidsmatrix en de daarbij vastgestelde intensiteitstrede op basis van de persoonskenmerken van de cliënt. De systematiek hiervoor is door het college verder uitgewerkt in de Uitvoeringsregels op grond van het bepaalde in artikel 4.1, 5e lid van deze verordening. Ook voor het beschermd wonen geldt dat de gemeente bepaalde vormen van uitstroom met intensieve begeleiding beschikbaar heeft die kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid en de Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 29 van 34
participatie van cliënten die het zonder deze ondersteuning niet redden. Het genoemde onder artikel 11.1, lid 1 geldt voor BW eveneens.
Artikel 11.4 Aanvullende voorwaarden opvang en beschermd wonen Lid 1 t/m 4 In dit artikel zijn aanvullende voorwaarden genoemd met betrekking tot de maatschappelijke opvang en het beschermd wonen. Hierbij is het belang van het meewerken aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid nader uitgewerkt. Uit artikel 2.3.5 van de wet volgt dat een maatwerkvoorziening wordt vertrekt die een passende bijdrage levert aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit kan alleen worden bereikt als de voorziening op een veilige, doelmatige en doeltreffende manier wordt verstrekt (zie artikel 3.1, tweede lid onder a van de wet). De gestelde voorwaarden zijn daarbij noodzakelijk. Enerzijds voorwaarden rondom het werken aan de gestelde doelen. Anderzijds voorwaarden om de veiligheid binnen de voorziening te waarborgen. Met name in de opvangvoorzieningen, waar meerdere cliënten en begeleiders samen verblijven. De cliënt moet zich houden aan de huisregels van de opvangvoorziening. Grensoverschrijdend en/of agressief gedrag worden niet getolereerd. In het uiterste geval kan de instelling een cliënt (tot maximaal) een maand schorsen. Het college werkt dit verder uit in de Uitvoeringsregels.
HOOFDSTUK 12 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING Artikel 12.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst gemaakt worden via de contracten en afspraken met aanbieders. Deze bepaling is een uitwerking van dit artikel. De wet maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in dit artikel uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek (art. 2.5.1. van de wet) en de mogelijkheid om toezicht te laten uitvoeren door de daarvoor aangewezen toezichthouder (art. 6.1.) dragen eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Artikel 12.2 Inkoop en aanbesteding Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet).
Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 30 van 34
regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijskwaliteitverhouding te borgen. Met de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) 'Reële prijs Wmo 2015’ is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een nieuw artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel definieert de kostprijselementen van een reële prijs en regelt de plaats van een reële prijs in de aanbestedingsprocedure. Het artikel heeft tot doel dat een gemeente een reële prijs vaststelt voor een Wmo-dienst. De AMvB bevat geen landelijke kwantitatieve normering van de verschillende kostprijselementen en stelt geen vaste minimumprijs of een prijs die voor alle gemeenten gelijk moet zijn vast. De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Het college is niet verplicht aan iedere aanbieder de specifieke kostprijs die de aanbieder zelf hanteert te betalen. Uitvoering Het college moet tot een reële prijs komen in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid. Dit vraagt om een zorgvuldig proces vanuit de gemeente en openheid vanuit de aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst. Het college kan de aanbieders vragen om in hun offertes/ bestek toe te lichten hoe zij invulling geven aan kwaliteits-, deskundigheids-, en continuïteitseisen en normering van de kostprijselementen door de aanbieder.
Verantwoordelijkheid aanbieders Van aanbieders wordt verwacht dat zij op een reële wijze inschrijven voor de opdracht, daarbij een reële kostprijs hanteren waarmee ze kwalitatief goede hulp of voorzieningen kunnen bieden en handelen in de lijn van goed werkgeverschap en de geldende wet- en regelgeving. Artikel 12.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel regelt dat er door het college wordt voorzien in een regeling voor het doen van meldingen en dat de door het college aangestelde toezichthoudend ambtenaar (artikel 6.1 van de wet) deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 12.4 Klachtenregeling Lid 1 Dit lid is opgenomen om een meer volledig beeld te schetsen van de mogelijkheden om een klacht in te dienen. Deze bepaling staat al in de wet. Lid 2 In dit lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Gekozen is om voor alle aangeboden voorzieningen de klachtenregeling bij de aanbieder verplicht te stellen. De gemeente laat de aanbieders vrij hoe de regeling vorm te geven.
In de Memorie van Toelichting staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Dat kan dan bijvoorbeeld gaan over de deskundigheid van een medewerker, een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder.
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 31 van 34
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Lid 3 In het derde lid is aangegeven hoe het college de uitvoering van de klachtregeling door aanbieders controleert.
HOOFDSTUK 13 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 13.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Lid 1 Een voorbeeld van algemene voorlichting is het communiceren in huis- aan- huis bladen over verrichte handhavingsacties en de uitkomsten hiervan. Vanzelfsprekend is deze communicatie anoniem, dus niet herleidbaar tot bepaalde cliënten. Lid 2 Dit begint al bij een goede voorlichting over de gewenste maatwerkvoorziening of het pgb. Zie hiervoor artikel 2.1, vierde lid van de verordening. Van belang is dat er een grondige toets plaatsvindt aan de voorkant. In het geval van pgb zal de nieuwe werkwijze van het toetsen van de pgbvaardigheid bijdragen aan een rechtmatig en doelmatig gebruik van de maatwerkvoorziening. Lid 3 Het college heeft het recht om de inzet van een maatwerkvoorziening in natura of van een persoonsgebonden budget te controleren. Het is aan het college om te bepalen of ze de verantwoording en controle wil inrichten en zo ja, op welke wijze ze dat doet.
De besteding van het pgb kan door het college bij een zaak eenmalig en bij diensten en andere periodieke betalingen meermalig worden gecontroleerd. Bij de controle beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen en wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten. Dit is maatwerk: bij de ene cliënt kan dit halfjaarlijks zijn en bij de andere cliënt één maal in de vijf jaar of zelfs helemaal niet. Artikel 13.2 Beëindiging van een maatwerkvoorziening Dit artikel ligt in het verlengde van artikel 13.1. In dit artikel zijn een aantal situaties opgenomen waarbij het college de maatwerkvoorziening of het pgb kan herzien of beëindigen, om te voorkomen dat hier misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt gemaakt. Deze bevoegdheid komt naast de bevoegdheid die het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet heeft.
Artikel 13.3 Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 32 van 34
mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden. Artikel 13.4 Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2b, zesde lid onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Voor de termijn van dertien weken is gekozen op verzoek van de SVB: een landelijk uniforme regeling komt de praktische uitvoerbaarheid ten goede.
HOOFDSTUK 14 MANTELZORGONDERSTEUNING EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 14.1 Mantelzorgondersteuning Het college heeft aandacht voor de situatie van de mantelzorger en ziet het belang van goede ondersteuning van de mantelzorger. Er zijn daarom voorzieningen gericht op de mantelzorger in de sociale basis. Ook worden afspraken gemaakt met aanbieders van maatwerkvoorzieningen om de positie van de mantelzorger te versterken.
Artikel 14.4 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Inwoners met een inkomen tot het niveau van de Haarlem Pas komen in aanmerking voor de gemeentelijke zorgpolis, op grond waarvan onder bepaalde voorwaarden de Wmo eigen bijdrage vergoed kan worden.
HOOFDSTUK 15 INSPRAAK EN EVALUATIE Artikel 15.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In de gemeente Haarlem is de inspraak zoals bedoeld in artikel 15.1 geregeld via de Participatieraad Gemeente Haarlem. Zie ook de Verordening Participatieraad gemeente Haarlem. Ook heeft de gemeente op grond van artikel 150 van de Gemeentewet een inspraakverordening vastgesteld. Hierin is geregeld hoe voor de diverse beleidsvelden inspraak van inwoners is geborgd. Artikel 15.2 Medezeggenschap bij aanbieders Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin staat dat de gemeente in ieder geval moet bepalen ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten is vereist. Er is voor gekozen alle voorzieningen onder deze regeling te brengen.
HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 33 van 34
Artikel 16.1 Hardheidsclausule Er kunnen omstandigheden zijn dat moet worden afgeweken van een bepaling in de verordening. Te verwachten is dat een beroep op de hardheidsclausule sporadisch zal voorkomen. Er vindt immers op basis van artikel 2.3.2 van de wet- standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden, en waarbij vanuit de Wmo maatwerk wordt geleverd. De hardheidsclausule wordt in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie. Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. De cliënt dient te onderbouwen dat zijn situatie zo bijzonder is, dat een beroep op de hardheidsclausule is gerechtvaardigd. Een hardheidsclausule is niet bedoeld om de doelgroep van een regeling uit te breiden. Artikel 16.2 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. De daarbij te hanteren index kan per voorziening door het college worden bepaald.
Toelichting verordening MO Haarlem 2023
Pagina 34 van 34