CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20221103125 2. Bijlage 1 Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023

commissie Samenleving 29 september 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: Inspraak en advies integrale herziening lokale regelgeving maatschappelijke ondersteuning15.028 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2023

Inhoud ALGEMENE TOELICHTING ........................................................................................................................ 3 Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente .............................................................................................. 3 Uitgangspunten in het Sociaal Domein ............................................................................................... 3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING ............................................................................................................. 5 HOOFDSTUK 1 WAT STAAT ER IN DE VERORDENING? ........................................................................ 5 Artikel 1.1 Definities ........................................................................................................................ 5 Artikel 1.2 Voor wie is de verordening van toepassing? ................................................................. 7 Artikel 1.3 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning ..................................................... 7 HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING ................................................. 7 Hoe werkt een melding, onderzoek en aanvraag?..............................................................................

7 Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning .............................................. 7 Artikel 2.2 Cliëntondersteuning ...................................................................................................... 8 Artikel 2.3 Onderzoek ...................................................................................................................... 8 Artikel 2.4 Verslag.......................................................................................................................... 10 Artikel 2.5 De aanvraag ................................................................................................................. 10 Artikel 2.6 Advisering .................................................................................................................... 11 Artikel 2.7 De beslissing en de beschikking ................................................................................... 11 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN ........................................................................................ 12 Artikel 3.1 Bepalingen rondom de algemene voorziening ............................................................ 12 HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN .......................................................................................

13 Artikel 4.1 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening ........................................... 13 Artikel 4.2 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren.................................................. 15 HOOFDSTUK 5 EEN PERSOONSGEBONDEN BUDGET ............................................................................ 16 Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb ........................................................................ 16 Artikel 5.2 Weigeringsgronden voor een pgb ............................................................................... 18 Artikel 5.3 De hoogte van het pgb................................................................................................. 18 Artikel 5.4 Pgb sociaal netwerk ..................................................................................................... 21 HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE VOOR HET GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN ................................................. 21 Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen ............................................................................................................... 22 Artikel 6.2 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening of pgb ............................................

22 Artikel 6.3 Bijdrage algemene voorziening, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorziening ................................................................................................................... 23

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 1 van 34

HOOFDSTUK 7 Maatwerkvoorzieningen individuele begeleiding en groepsbegeleiding (Aanvullende Ondersteuning) en kortdurend verblijf ................................................................................................. 24 Artikel 7.1. Criteria begeleiding ..................................................................................................... 24 HOOFDSTUK 8 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING ............................................................................. 24 Artikel 8.1 Criteria huishoudelijke ondersteuning ........................................................................ 24 HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING BIJ HET GEBRUIK VAN DE WONING ................................................. 24 Artikel 9.1 Criteria woningaanpassing ........................................................................................... 25 Artikel 9.2 Hoofdverblijf in een instelling ...................................................................................... 27 HOOFDSTUK 10 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERPLAATSEN .................................................... 27 Artikel 10.1 Criteria maatwerkvoorziening voor verplaatsingen .................................................. 27 HOOFDSTUK 11 OPVANG, WONEN EN HERSTEL ...................................................................................

27 Artikel 11.1 Criteria voor maatschappelijke opvang ..................................................................... 27 Artikel 11.2 Criteria voor vrouwenopvang .................................................................................... 28 Artikel 11.3 Criteria voor beschermd wonen ................................................................................ 29 Artikel 11.4 Aanvullende voorwaarden opvang en beschermd wonen ........................................ 30 HOOFDSTUK 12 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING ........................................................................ 30 Artikel 12.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning ..................................................... 30 Artikel 12.2 Inkoop en aanbesteding ............................................................................................ 30 Artikel 12.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld ................................................................. 31 Artikel 12.4 Klachtenregeling ........................................................................................................ 31 HOOFDSTUK 13 TOEZICHT EN HANDHAVING .......................................................................................

32 Artikel 13.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet .................................................................... 32 Artikel 13.2 Beëindiging van een maatwerkvoorziening ............................................................... 32 Artikel 13.3 Maatregelen bij wangedrag, misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen .... 32 Artikel 13.4 Opschorting betaling uit het pgb ............................................................................... 33 Artikel 14.1 Mantelzorgondersteuning ......................................................................................... 33 Artikel 14.4 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen ..................................................................................................................................... 33 HOOFDSTUK 15 INSPRAAK EN EVALUATIE ............................................................................................ 33 Artikel 15.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid ................................................................. 33 Artikel 15.2 Medezeggenschap bij aanbieders..............................................................................

33 HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN ........................................................................................................ 33 Artikel 16.1 Hardheidsclausule ...................................................................................................... 34 Artikel 16.2 Indexering .................................................................................................................. 34

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 2 van 34

ALGEMENE TOELICHTING Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente De Wmo 2015 (hierna: wet) draagt gemeenten op zorg te dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Over een aantal onderwerpen moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Haarlem 2023 bevat deze regels. Ze gaan over de ondersteuning bij het versterken van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking en/of met chronische psychische of psychosociale problemen. De nu voorliggende verordening is een integrale herziening van de vorige versie en sluit aan op het actuele beleid van de gemeente op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en op de actuele jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Deze nieuwe versie is compacter en begrijpelijker dan de vorige versies en geeft helder de kaders rondom de uitvoering van maatschappelijke ondersteuning in de gemeente Haarlem weer.

Uitgangspunten in het Sociaal Domein Maatschappelijke ondersteuning is onderdeel van het brede Sociaal Domein in Haarlem met als uitgangspunten: Werken vanuit het perspectief van de inwoner De leefwereld van inwoners staat centraal, niet de systeemwereld. Leidend is het dagelijks leven van Haarlemmers en ‘doen wat nodig is’. De gemeente onderschrijft daarom de werkwijze van de ‘omgekeerde toets’ (zie verderop). De kracht van de wijk We bieden laagdrempelige en herkenbare ondersteuning in de wijken en buurten van Haarlem, waar iedereen welkom is. Deze ondersteuning richt zich op het redzaam zijn in het dagelijks leven en op het meedoen in de samenleving en sluit aan bij de leefwereld en de mogelijkheden van inwoners en hun omgeving. Daarbij zetten we ook in op preventieve maatregelen om er voor te zorgen dat inwoners zelfredzaam blijven en blijven participeren. De vraag en situatie van de inwoner zijn het vertrekpunt en het beoogde resultaat is leidend. Hierdoor kunnen de oplossingen divers zijn. Er is een breed palet aan ondersteuning beschikbaar, onder meer vanuit de Sociale Basis en de Sociale Wijkteams en aansluitend op regelingen vanuit aanpalende wetten zoals de Jeugdwet en de Participatiewet.

Er wordt vanuit een brede blik naar vragen en mogelijkheden in de verschillende leefdomeinen, levensfase, gezinssituatie, sociale netwerk en omgeving gekeken en waar nodig wordt de ondersteuning integraal ingezet. Door ondersteuning dichtbij en laagdrempelig te organiseren kan ook meer en beter ingespeeld worden op initiatieven van inwoners en sociaal ondernemers. Samenhangende aanpak zonder schotten of kolommen De gemeente wil een aanpak zonder schotten tussen voorzieningen. Dat veronderstelt een goede samenwerking tussen partners, op stedelijk niveau of in wijken. Een samenhangende aanpak moet er in resulteren dat inwoners soepel kunnen overstappen als zij meer of juist minder ondersteuning Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 3 van 34

nodig hebben. Ook samenwerking met vrijwilligers en mantelzorgers is daarbij van belang. Een samenhangende aanpak draagt ook bij aan de herkenbaarheid (en bekendheid) van voorzieningen. Samenwerken met alle betrokkenen, met respect voor ieders rol en belang De gemeente en haar partners bieden in goede samenwerking maatschappelijke ondersteuning. De gemeente is opdrachtgever en stuurt op resultaten, de aanbieders zijn de deskundigen op het gebied van de daadwerkelijke ondersteuning. Gemeente en partners doen het samen, vanuit het perspectief van de inwoner. Ondersteuningsstructuur In de lokale ondersteuningsstructuur onderscheiden we de volgende onderdelen: Inwoners en hun sociale netwerk Uitgangspunt is de redzaamheid en de mogelijkheden van inwoners en hun sociale netwerk; mensen die zich proberen te redden in hun dagelijks leven, elkaar hulp geven en hierom vragen en samen initiatieven ondernemen. Ook sociaal ondernemers, organisaties en instanties die hulpverlening niet als kerntaak hebben dragen hieraan bij, zoals sportverenigingen, onderwijsinstellingen, religieuze instellingen of de wijkagent. Zij bieden op hun eigen wijze ondersteuning, signaleren en leiden inwoners met problemen waar nodig naar professionele hulp.

Algemene voorzieningen Voor sommige inwoners is het – tijdelijk of langer durend - moeilijk of niet haalbaar om zichzelf te redden in het dagelijks leven en/of hulp te vragen. Voor hen zijn algemene voorzieningen beschikbaar in de stad en in wijken en buurten. Hier kunnen zij gebruik van maken zonder dat een diepgaand onderzoek naar hun persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden hoeft plaats te vinden. Een beschikking (besluit) van de gemeente is hiervoor niet nodig, een verwijzing soms wel. Deze ondersteuning is vrij toegankelijk; soms voor alle inwoners en soms voor een bepaalde doelgroep. Bij gebruik van een algemene voorziening (met uitzondering van huishoudelijke ondersteuning) kunnen inwoners zich rechtstreeks tot de aanbieder van de ondersteuning wenden. Inwoners kunnen uiteraard ook door derden verwezen worden naar deze algemene voorzieningen. Deze verordening geeft aan welke algemene voorzieningen beschikbaar zijn, wanneer er een eigen bijdrage geldt bij het gebruik van een algemene voorziening en hoe een bijdrage voor een algemene voorziening wordt vastgesteld.

Maatwerkvoorzieningen Wanneer een cliënt naar het oordeel van het college op bepaalde leefgebieden niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van gebruikelijke hulp, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk of met een algemene of voorliggende voorziening, dan kan het college besluiten een maatwerkvoorziening te verstrekken. Maatwerkvoorzieningen zijn niet rechtstreeks toegankelijk; er is een besluit (beschikking) van de gemeente noodzakelijk. Tegen dit besluit is bezwaar en beroep mogelijk. De toegang tot maatwerkvoorzieningen verloopt – afhankelijk van het type voorziening - via de gemeente, het sociaal wijkteam of de aanbieder in de wijk. Werkwijze: de ‘omgekeerde toets’ Vanuit landelijke jurisprudentie en lokale bezwaar- en beroepszaken is er een roep om het vastleggen van voldoende (noodzakelijke) criteria rondom toegang tot en gebruik van een Wmovoorziening in de verordening en onderliggende regelgeving. Deze lijn volgen wij dan ook. Tegelijkertijd willen we vanuit het perspectief van de inwoner en flexibel met de regelgeving Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 4 van 34

omgaan, als en voor zover de individuele omstandigheden daarom vragen. Dit speelt met name daar waar breder moet worden gekeken dan alleen naar de wet, in het bijzonder in situaties met complexe en meervoudige problemen. Landelijk is hiervoor een methode ontwikkeld; de omgekeerde toets. Deze werkwijze is voor ons leidend voor complexe ondersteuningsvragen van cliënten. De werkwijze van de omgekeerde toets begint met kijken wat (cliënt vindt dat) nodig is in een concreet geval en of dat past binnen de grondwaarden van de wet en het lokale beleid (zoals vastgelegd in lokale regelgeving). Mogelijke effecten van een besluit op alle leefdomeinen worden meegewogen. Er volgt wel een juridische toets, maar tegelijkertijd dienen de wetsartikelen als instrumenten om de grondwaarden van de wetten te realiseren. Zo is maatwerk mogelijk zonder dat het tot willekeur leidt. En omdat de grondwaarden van de verschillende wetten binnen het sociaal domein gelijk zijn maakt dit het integraal werken in de gemeente veel eenvoudiger. Bovendien is het toetsbaar in bezwaar en beroep.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Niet iedere bepaling in de verordening behoeft toelichting; alleen waar nodig is een toelichting opgenomen.

HOOFDSTUK 1 WAT STAAT ER IN DE VERORDENING? Artikel 1.1 Definities In de wet en het daarop gebaseerde landelijke Uitvoeringsbesluit en de landelijke Uitvoeringsregeling is een groot aantal definities opgenomen. Deze definities herhalen we niet in dit artikel. Lid 1 Algemeen gebruikelijke voorziening Deze begripsbepaling is van belang voor beantwoording van de vraag of cliënt zélf zijn beperkingen kan oplossen. Zie nadere uitwerking van dit begrip onder artikel 4.1, eerste lid. Begeleiding Begeleiding is beschikbaar voor alle inwoners van 18 jaar of ouder. Waar nodig wordt ingezet op een gezinsgerichte aanpak. De criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding zijn opgenomen in de verordening en worden nader uitgewerkt in de gemeentelijke Uitvoeringsregels. Gemeenschappelijke ruimte De begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Een gemeenschappelijke ruimte behoort niet specifiek tot de woonruimte van de cliënt, maar meerdere gebruikers zijn hierop aangewezen. Bijvoorbeeld een galerij bij meerdere appartementen. Hoofdverblijf Het begrip is zo geformuleerd dat personen die elders wonen niet de mogelijkheid wordt ontnomen om naar de gemeente Haarlem te kunnen verhuizen. Wel zal deze persoon bij de keuze van een

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 5 van 34

woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn beperkingen (zie verder artikel 9.1 van de verordening). Huisgenoot Als mensen omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen, dan worden zij ook niet aangemerkt als huisgenoot. Te denken valt hierbij aan woongemeenschappen van ouderen of gehandicapten. Meerkosten Een persoon zonder beperkingen heeft de hier bedoelde ‘meerkosten’ van een voorziening niet. Dat betekent dat in voorkomende gevallen het ‘meerdere’ voor verstrekking van een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen als dat noodzakelijk blijkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Onderzoeksverslag Het onderzoeksverslag is het resultaat van het onderzoek dat het college volgens artikel 2.3.2 van de wet uitvoert. Nadat het onderzoek is afgerond overlegt het college een verslag met de uitkomsten van het onderzoek. In dit verslag, dat bij de beschikking wordt meegestuurd, staat opgenomen wat in samenspraak met de cliënt is besproken. Hierin staan in ieder geval de wettelijk voorgeschreven onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet en, afhankelijk van de individuele situatie, eventuele andere onderwerpen. Indien aanwezig betrekt het college ook het persoonlijk plan bij het onderzoek en in het verslag.

Pgb-vaardigheid De wetgever heeft in artikel 2.3.6, tweede lid onder a van de Wmo 2015 aan het college de opdracht meegegeven te controleren of een cliënt, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is zijn eigen belangen goed te behartigen door de inzet van een pgb. Deze ‘pgb-vaardigheid’ wordt getoetst in het pgb-gesprek, aan de hand van het door de cliënt opgestelde pgb-plan. Pgb-gesprek Als een cliënt een maatwerkvoorziening voor een dienst wenst in de vorm van een pgb worden twee gesprekken gevoerd. Het eerste gesprek is gericht op de invulling van de ondersteuningsvraag. Het tweede gesprek is gericht op de pgb-vaardigheid. Dit is een aanpassing ten opzichte van voorgaande jaren. De ervaringen uit eerdere jaren leert dat gesprek over de inhoud van de voorziening én over de pgb-vaardigheid en de vraag of wordt voldaan aan de criteria van de wet en de hieruit voortvloeiende lokale criteria. Sociaal netwerk Tot het sociaal netwerk worden de personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt (zoals buren, familie, vrienden, medeleden van een vereniging, etc.). Daaronder valt ook de mantelzorger. Voor deze personen is het niet verplicht om de cliënt bij te staan.

De vraag of er personen in het sociaal netwerk zijn aan wie iemand hulp zou kunnen en mogen vragen, komt aan de orde bij het onderzoek dat volgt nadat een ondersteuningsvraag is gemeld. Zelfstandige woning Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 6 van 34

Een zelfstandige woning is een woning met eigen toegang en eigen keuken en toilet. Is er geen sprake van een eigen toegang of wordt de keuken of het toilet gedeeld met de bewoners van andere woningen of kamers, dan is het een onzelfstandige woning. Voorbeelden van zelfstandige woningen zijn: eengezinswoningen (vrijstaande woningen, hoekwoningen, tussenwoningen), appartementen, portiekwoningen, maisonnettes en galerijflats.

Artikel 1.2 Voor wie is de verordening van toepassing? Lid 1 en 2 In dit lid wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf heeft in de gemeente Haarlem, geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. Voor opvang en beschermd wonen geldt dit niet. De gemeente Haarlem hanteert daarbij de afspraken zoals vastgelegd in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang en het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen zoals vastgesteld door de VNG. Artikel 1.3 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning De wet richt zich op het bieden van ondersteuning die bijdraagt aan de mogelijkheden van de inwoner om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Welke bijdrage van de gemeente nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening, wordt zorgvuldig gewogen in het toegangsproces. Daarbij zijn de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt een onderdeel van het onderzoek, waarbij een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie het uitgangspunt is. Zonder afbreuk te doen aan de persoonlijke, unieke situatie van elke inwoner.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING Hoe werkt een melding, onderzoek en aanvraag? In dit hoofdstuk worden de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college om gaat met de melding van cliënten en hoe het onderzoek wordt gedaan en afgerond. Dit hoofdstuk legt ook uit wat het resultaat van een melding kan zijn. Er zijn vaak meerdere manieren om ondersteuning te bieden, dit hoeft niet altijd een maatwerkvoorziening op grond van de wet te zijn. Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning Lid 1 t/m 4 Het eerste contact van de inwoner met de gemeente kan op verschillende manieren plaatsvinden: persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of digitaal. Naar aanleiding van dit eerste contact wordt beoordeeld of kan worden volstaan met informatie en advies of dat een onderzoek nodig is. Als dit laatste het geval is, komt het begrip “melding” in beeld. Is er naar oordeel van het college sprake van een melding, dan wordt deze geregistreerd. Zoals bij wet is voorgeschreven, bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de cliënt. Na de melding of gelijktijdig met de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 7 van 34

Van belang is dat cliënten worden gewezen op hun recht een persoonlijk plan in te dienen. Hierin kunnen cliënten aangeven hoe zij zelf bij voorkeur hun hulpvraag opgelost willen zien. Bij het Sociaal Wijkteam kunnen ook meldingen worden gedaan. Ook kan hier namens het college het onderzoek worden gedaan en kan er worden beschikt. Lid 5 Aanbieders kunnen snel constateren of en hoe de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt wijzigt. Daarom is in dit lid geregeld dat het college met aanbieders afspraken maakt over deze signaleringsfunctie. Na het signaal van de aanbieder kan het college met de cliënt in contact treden en wordt -zo nodig- een (nieuwe) melding van de cliënt ingenomen. De verplichting voor het college om periodiek heronderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is toegekend, is neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is domein overstijgend en heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo. Deze ondersteuning helpt de inwoner om hulp te krijgen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, (preventieve) zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Dit maakt integrale dienstverlening nog beter mogelijk. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke gratis ondersteuning ten behoeve van de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn.

Het is van belang dat cliënten worden gewezen op de gratis onafhankelijke clientondersteuning, zoals door de gemeente beschikbaar is gesteld. Artikel 2.3 Onderzoek Inhoud onderzoek Lid 1 t/m 5 Na de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Afhankelijk van de aard van de melding kan het nodig zijn dat het college eerst de haar bekende relevante gegevens verzamelt voor een goede voorbereiding op het gesprek. De cliënt of de vertegenwoordiger zorgt dat deze alle relevante gegevens en bescheiden meeneemt naar het gesprek (zoals ook gewaarborgd in artikel 2.3.2, 7e lid van de wet), en eventueel het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken met het oog op zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. In het geval er een mantelzorger is, wordt deze ook uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van mantelzorg. Daarnaast kunnen personen uit het sociaal netwerk bij het gesprek worden betrokken: mogelijk kunnen zij bijdragen aan de nodige ondersteuning. Het kan voorkomen dat de situatie van de cliënt en zijn ondersteuningsbehoefte voldoende bekend zijn bij het college.

Het uitvoeren van een onderzoek voegt in die gevallen niets toe. In overeenstemming met de cliënt kan dan worden afgezien van een onderzoek en/of een gesprek. Het college kan dan direct na de aanvraag beschikken. Zodoende is de cliënt snel geholpen zonder deze nodeloos te belasten met een gesprek en/of een onderzoek.

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 8 van 34

Stappenplan Centrale Raad van Beroep voor het Wmo-onderzoek Om te kunnen beoordelen of een Wmo-voorziening nodig is heeft de Centrale Raad van Beroep een stappenplan gemaakt (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Daaruit blijkt dat het college voldoende kennis moet verkrijgen over de voor het nemen van een besluit van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Deze verplichting volgt uit art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015. Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit betekent dat het college na de melding allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek goed en onderbouwd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Pas als het stappenplan doorlopen is en de problemen van de cliënt in kaart zijn gebracht kan het college bepalen welke ondersteuning nodig is. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.

Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Als er bijzondere deskundigheid nodig is, dan moet het college die inhuren (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). De Centrale Raad gebruikt het stappenplan inmiddels als leidend. Het stappenplan moet ook worden gevolgd bij een herindicatie (CRvB:2021:11793) en bij de vraag of een algemene voorziening passend is (stap 4) (CRvB:2022:1430). Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 9 van 34

De cliënt is verplicht (op grond van artikel 2.3.8 van de wet) de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor uitvoering van de wet. Tijdelijk maatwerk na de melding, gedurende het onderzoek (artikel 2.3.3 van de wet) De hoofdregel is dat het college na de melding eerst het onderzoek uitvoert zoals hiervoor beschreven (conform artikel 2.3.2 van de wet). Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zoals bepaald in artikel 2.3.3 van de wet. Het college verstrekt in voorkomende gevallen direct een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomsten van het gesprek en/of het onderzoek. Tijdelijk maatwerk is ook van belang voor situaties waar zorgmijding kan optreden als de noodzakelijke processen van onderzoek en de afhandeling van de aanvraag te lang duren voor een individuele cliëntsituatie. Het college weegt dit zorgvuldig af in situaties waar zorgmijding aan de orde kan zijn. Spoedinzet speelt in ieder geval bij ontslag uit het ziekenhuis, zorg voor kleine kinderen, (acute) overbelasting van de mantelzorger en terminale situaties. Artikel 2.4 Verslag Na het onderzoek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociaal netwerk, tot stand gekomen oplossingen.

De oplossingen hebben in ieder geval betrekking op de onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het verslag. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale netwerk. Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de uiteindelijke beslissing op de aanvraag. Een cliënt krijgt het verslag toegestuurd ter controle en wordt gevraagd deze binnen twee weken te retourneren. De cliënt kan opmerkingen of aanvullingen meegeven. Deze worden verwerkt in het definitieve verslag. Artikel 2.5 De aanvraag Lid 1 en 2 Artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat in incidentele situaties het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van het besluit meer tijd nodig heeft. Omdat bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig is, eventueel in aanvulling op een deskundigenadvies uit de onderzoeksfase. De Awb biedt het college mogelijkheden voor een ruimere termijn. Zo kan het college op grond van artikel 4:14 de beslistermijn verlengen. Hiervan wordt gemotiveerd mededeling gedaan aan de cliënt, waarbij een zo kort mogelijke termijn wordt genoemd waarbinnen het college zal besluiten.

Op grond van artikel 4:15 kan het college de beslistermijn opschorten, als de genoemde situaties aan de orde zijn. De beslistermijn staat dan als het ware tijdelijk stil, waardoor het college deze beslistermijn niet kan overschrijden. Van belang is dat de inwoner in duidelijke bewoordingen op de hoogte wordt gesteld van het gebruik van deze bevoegdheden, en wat er van de cliënt wordt verwacht.

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 10 van 34

Lid 3 In dringende gevallen kan het college ambtshalve een maatwerkvoorziening verstrekken. Het gaat dan om situaties waarbij noodzaak is gebleken tot (tijdelijke) ondersteuning en de inwoner en/of een vertegenwoordiger niet in staat is om een melding of aanvraag voor tijdelijk maatwerk in te dienen. Een ambtshalve beschikking kan ook aan de orde zijn als het recht op een toegekende voorziening wordt beëindigd, omdat iemand is overleden of is verhuisd naar een andere gemeente. Artikel 2.6 Advisering De wet vereist een zorgvuldig onderzoek. Daarom zal het college soms advies moeten vragen omdat het zelf niet ter zake (medisch) deskundig is. Uit de algemene medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking dient te verlenen aan een oproep van een (medisch) adviseur of het - via een machtiging - toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Het kan onduidelijk zijn of huisgenoten daadwerkelijk in staat zijn om de gebruikelijke zorg te leveren. Ook onderzoek naar de belastbaarheid van de huisgenoot wordt met deze bepaling mogelijk gemaakt. Artikel 2.7 De beslissing en de beschikking Lid 1 Er zijn drie leveringsvormen van de maatwerkvoorziening. Een naturaverstrekking, de verstrekking van een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming.

Een financiële tegemoetkoming is een niet-kostendekkende bijdrage voor een maatwerkvoorziening. Daar waar het persoonsgebonden budget kostendekkend moet zijn, hoeft de financiële tegemoetkoming dit niet te zijn. Een pgb kan niet worden verstrekt voor de maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Inhoud van de beschikking Lid 3 Als aan de cliënt een persoonsgebonden budget is verleend worden daar, afhankelijk van de maatwerkvoorziening die daarmee zal worden aangeschaft, verplichtingen verbonden. Het college moet beoordelen of voldoende is gewaarborgd dat de betreffende maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt (art. 2.3.6 van de wet). Daarnaast beoordeelt het college of de beoogde resultaten worden behaald waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Om dat oordeel kracht bij te zetten bepaalt dit lid dat het college hierover aanvullende voorwaarden kan stellen.

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 11 van 34

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 3.1 Bepalingen rondom de algemene voorziening Lid 1 en 2 Als in de gemeente een passende algemene voorziening beschikbaar is, is die voorliggend ten opzichte van een individuele maatwerkvoorziening. Uit jurisprudentie blijkt dat iets géén algemene voorziening (in de zin van de Wmo 2015) is als de gemeente niet zelf, maar een andere partij de diensten levert. Kenmerken van een algemene voorziening zijn:  er is een eenvoudige toegangstoets om voor de voorziening in aanmerking te komen;  er hoeft geen beschikking afgegeven te worden;  de voorziening biedt daardoor een snelle oplossing en  er is geen keuzemogelijkheid tussen een naturavoorziening en een persoonsgebonden budget. Dagbesteding en een groot deel van de huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en groepsbegeleiding zijn als algemene voorziening beschikbaar. Voor zover het begeleiding betreft worden deze voorzieningen geboden vanuit een samenwerkingsverband waar ook de Sociaal Wijkteams onderdeel van zijn. Zo worden op wijkniveau laagdrempelig integrale voorzieningen geboden zonder dat daarvoor een beschikking noodzakelijk is. De huishoudelijke ondersteuning is eveneens als algemene voorziening en als maatwerkvoorziening beschikbaar. Beide voorzieningen worden geleverd door de zorgaanbieders die hiervoor zijn gecontracteerd.

Een groot deel van de cliënten zal voldoende ondersteuning ontvangen vanuit de algemene voorziening, omdat hier (op basis van vastgestelde normtijden) wordt uitgegaan van de gemiddelde cliëntsituatie. Waar meer ondersteuning nodig is kan de cliënt een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Lid 3 De gemeente wijst op grond van artikel 2.1.4 van de wet in de verordening de algemene voorzieningen aan waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is. Binnen de gemeente Haarlem geldt dit alleen voor de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. Bij deze voorziening is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie, zodat is aangesloten bij het bepaalde in artikel 2.1.4, derde lid van de wet. De eigen bijdrage valt hiermee onder het abonnementstarief. Lid 4 Een algemene voorziening is toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoners. Omdat een algemene voorziening ook voor een bepaalde doelgroep bestemd kan zijn is een eenvoudige toegangstoets wel mogelijk. Het college is bevoegd nader uit te werken welke algemene voorziening voor welke doelgroep beschikbaar is.

Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 12 van 34

HOOFDSTUK 4 MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.1 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening Reikwijdte maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening moet de cliënt in staat stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand ondanks zijn lichamelijke, verstandelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd. Jurisprudentie geeft aan dat het college niet alle wensen van een inwoner hoeft in te willigen. Het resultaat moet zijn dat een inwoner in aanvaardbare mate kan deelnemen aan de maatschappij.

Lid 1 onder a t/m h Andere (voorliggende) oplossingen Lid 1 is gebaseerd op de algemene criteria van artikel 2.3.5 derde lid van de wet. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening komt nadrukkelijk pas in beeld als er geen andere (voorliggende) oplossing mogelijk is volgens de wet. De (versterking van de) eigen kracht Onder eigen kracht wordt verstaan: dat wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om datgene aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Gebruikelijke hulp Huishoudelijk werk als gebruikelijke hulp is in de jurisprudentie volledig aanvaard. Als de ene persoon uitvalt wordt van de andere personen verwacht dat zij het gewoon overnemen. Bij kinderen tot 18 jaar gaat dat naar rato van hun leeftijd. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een huishouden te kunnen draaien. Uitsluitend als men niet in staat is tot huishoudelijk werk (door objectiveerbare lichamelijke problemen of door langdurige afwezigheid) wordt een uitzondering gemaakt op deze regel. Het niet gewend zijn is geen argument om het niet te hoeven doen.

Mantelzorg of de inzet van het eigen netwerk Cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen iets voor hen te doen. Terwijl mensen uit het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor de cliënt te betekenen, maar niet weten hoe ze Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 13 van 34

dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek. Het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 (kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 148) kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer aan de ondersteuningsbehoefte kan worden voldaan door het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (zie ECLI:NL:CRvB:2019:3535). Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan -gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen- aannemelijk is dat de cliënt daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als: 1. deze normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. deze niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; 3. deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en/of participatie én; 4. deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

Het is ter beoordeling van het college of er sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een cliënt behoort. Uitzonderingen zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is (zijn). Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen of het ineens moeten vervangen van verschillende algemeen gebruikelijke voorzieningen. Voorzieningen die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers, sanitair, keukens, kranen, e.d. Mogelijk dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan en mag van de cliënt vergen dat hij zich in hoge mate inspant door bijvoorbeeld de woningeigenaar van een particuliere huurwoning aan te schrijven of een kort geding aan te spannen om zo te bewerkstelligen dat de woning wordt aangepast aan de eisen die daar aan mogen worden gesteld. Het is algemeen gebruikelijk om dat te doen. Voorliggende voorzieningen De Wmo-doelgroep voor maatwerkvoorzieningen zal soms ook een beroep kunnen doen op voorzieningen uit diverse andere wetten.

Vaak gaat het dan om wettelijke regelingen met voorzieningen voor een bepaalde doelgroep of voor een bepaald doel. In sommige gevallen kan bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op de Zorgverzekering voor een vervoerskostenvergoeding en ook voor bepaalde hulpmiddelen of op de Wet langdurige zorg voor intensieve ondersteuning thuis of zorg met verblijf. Lid 2 Het gestelde onder het eerste lid geldt eveneens voor een beroep op een maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen. Aanvullend gelden de regels voor de landelijke toegankelijkheid, zie voor meer uitleg hierover onder artikel 1.2. Lid 4 Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 14 van 34

De maatwerkvoorziening waartoe het college beslist moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. We gebruiken in de verordening ook de term adequaat. Wanneer sprake is van een adequate voorziening is deze niet alleen de meest passende, maar is deze ook tijdig beschikbaar. Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst adequate voorziening te bieden. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Lid 5 Het college legt deze nadere uitwerking vast in de lokale Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning. Artikel 4.2 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren In dit artikel zijn de situaties opgenomen waarbij geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen (criteria) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Lid 1 onder a Ingevolge artikel 2.3.5 en artikel 3.1 van de wet is een voorziening passend, doeltreffend en doelmatig. Daarmee is gewaarborgd dat deze voorziening daadwerkelijk bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt en dat de cliënt daarmee zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Of, in het geval van opvang of beschermd wonen, dat de cliënt zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Soms levert een voorziening niet de beoogde bijdrage. Specifiek zijn in dit artikel ‘onveilig’, ‘niet passend’ en ‘gezondheidsrisico’s’ benoemd omdat in deze situaties evident geen sprake meer is van een voorziening zoals de wet deze heeft bedoeld. De weigeringsgrond kan worden ingezet op basis van een gedegen onderzoek, dat ook helder heeft gemaakt welke voorziening wél passend is. Lid 1 onder b Deze bepaling is gebaseerd op de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:2018:2603). Deze uitspraak stelt dat de wet ruimte biedt om van burgers ter verlangen dat ze bij een verhuizing rekening houden met hun beperkingen én met de redelijkerwijs te verwachten progressie daarvan. Maar tot op zekere hoogte. De Raad stelt dat de gemeente niet van een burger kan verlangen om preventief maatregelen te nemen en investeringen te doen. Bijvoorbeeld omdat in de toekomst de gezondheid of psychosociale gesteldheid misschien verslechtert of zich anderszins een situatie kan voordoen waardoor een cliënt maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Het college dient dit artikel dan ook terughoudend toe te passen en enkel in het kader van woningaanpassingen die redelijkerwijs niet nodig waren geweest.

Lid 1 onder c en d Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op al eerder verstrekte voorzieningen en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. In dit artikel worden twee uitzonderingssituaties genoemd. Daarbij geldt ook dat het verstrijken van de afschrijvingstermijn niet automatisch hoeft te leiden tot verstrekking van een nieuwe voorziening na aanvraag. Als het mogelijk is de voorziening in stand te Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 15 van 34

houden en met instandhoudingskosten nog steeds sprake is van de goedkoopst adequate voorziening dan gaat dit voor op verstrekking van een nieuwe voorziening. Lid 1 onder e De wet verplicht het college niet om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of de aanvraag is aangeschaft. Na het zelf (laten) realiseren van (maatwerk)voorzieningen is geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Dit is dan ook de afwijzingsgrond. Onbekendheid met de regelgeving is geen reden voor verstrekking, dit komt voor rekening en risico van de aanvrager. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar jurisprudentie bepaald dat deze regel bedoeld is om te voorkomen dat de gemeente voor het blok wordt gezet. Deze bepaling mag echter geen automatisme zijn, er dient te worden afgewogen of er sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor deze bepaling niet kan worden gebruikt als afwijzingsgrond.

Dat betekent dat indien: - binnen de redelijke termijn (een half jaar) de noodzaak voor de maatwerkvoorziening alsnog vastgesteld kan worden; en - deze als de goedkoopst adequate voorziening aangemerkt kan worden; en - er sprake was van een (zeer) spoedeisende situatie (bijvoorbeeld doordat cliënt niet naar huis kon vanuit ziekenhuis of verpleeginrichting zonder woningaanpassingen), de aanvraag niet kan worden afgewezen. Als onderzoek door de gemeente door toedoen van de aanvrager echter onmogelijk is, is dat voor risico van de aanvrager. Lid 1 onder f Een behandeling kan voorliggend zijn op een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2019:558). Het gaat in dit lid om behandelingen die noodzakelijk zijn om de Wmovoorziening op een doelmatige en doeltreffende manier te kunnen verstrekken (zie artikel 3.1, tweede lid van de wet). Daarbij speelt ook de medewerkingsplicht van artikel 2.3.8, derde lid van de wet. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie waarin een cliënt de keuze maakt om niet te starten met een behandeling. Dit lid is niet van toepassing in situaties waarin de cliënt wel meewerkt, maar het door bijzondere omstandigheden onmogelijk is om te starten met de behandeling.

Dan dient het college in het kader van maatwerk (tijdelijk) een andere oplossing te vinden ter ondersteuning van de cliënt. Lid 1 onder g De wet kent geen (algemene) bepaling op grond waarvan een maatwerkvoorziening wordt geweigerd of beëindigd als iemand in het buitenland verblijft.

HOOFDSTUK 5 EEN PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Algemene voorwaarden voor een pgb Lid 1 Artikel 2.3.6 van de wet regelt dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Het pgb biedt cliënten de mogelijkheid naar eigen Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 16 van 34

inzicht een maatwerkvoorziening in te zetten om daarmee de gestelde doelen/ resultaten te behalen. Het biedt de cliënt keuzevrijheid, wat bijdraagt aan de wens om inwoners die een voorziening nodig hebben meer regie over hun eigen leven te geven. Daarmee is niet gezegd dat er ook altijd recht bestaat op een persoonsgebonden budget. In artikel 2.3.6 van de wet staan de voorwaarden opgenomen waar een cliënt aan dient te voldoen. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend worden in artikel 5.2 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Lid 2 en 3 De cliënt die een persoonsgebonden budget voor diensten (huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen) wenst, is verplicht om een pgb-plan op te stellen op basis van een door het college vastgesteld en aangereikt format pgb-plan. Het kan zijn dat de cliënt zelf al een pgb-plan opstelt om te motiveren waarom hij een persoonsgebonden budget wenst. Deze informatie kan de cliënt in het format pgb-plan overnemen. Het pgb-plan wordt door het college beoordeeld in verband met de aanspraak op een persoonsgebonden budget (pgb) en dient als hulpmiddel bij het toetsen van de pgb-vaardigheid.

Dit gebeurt in het pgb-gesprek gedurende het onderzoek na de melding. In het pgb-plan beschrijft de cliënt de motivatie waarom hij een persoonsgebonden budget wenst, welke diensten hij met het persoonsgebonden budget wil inkopen, hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd en welke resultaten daarmee worden bereikt. Het pgb-plan maakt uiteindelijk ook onderdeel uit van de beschikking. Het college kan vooraf op basis van offertes de kwaliteit van hulpmiddelen, verplaatsingsvoorzieningen of woningaanpassingen genoegzaam vaststellen. De vereiste van het pgb-plan geldt hiervoor niet. Vertegenwoordiger Een cliënt kan zich laten ondersteunen door een pgb-vertegenwoordiger als de cliënt zelf niet in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit vloeit voort uit artikel 2.3.6, tweede lid van de wet. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij ‘aan een persoonsgebonden budget verbonden taken’ gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen van en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen (Tweede kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33841, nr. 3, blz. 38). ‘Op verantwoorde wijze uitvoeren’ betekent ook dat de cliënt in staat is toezicht te houden op de geleverde kwaliteit. Onder een wettelijke vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor.

Een cliënt kan ook iemand anders machtigen om op te treden als zijn pgb-vertegenwoordiger. Gemeenten mogen kritisch naar de rol van de vertegenwoordiger kijken. De vertegenwoordiger moet het belang van de cliënt dienen, en geen andere belangen. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:2803. Lid 4 Het pgb is bestemd voor de inzet van de in de beschikking opgenomen maatwerkvoorziening. Het pgb is een all-in tarief (zie artikel 5.3, 10e lid). Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens ziekte en vakantie, verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief. Het kan zijn dat er overige kosten worden gemaakt rondom de voorziening. In dit artikel is bepaald dat de hier genoemde kosten niet uit het pgb betaald kunnen worden. Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 17 van 34

Lid 4 onder a Hieronder vallen ook de tussenpersonen zoals pgb-bureaus en administratiekantoren. Lid 4 onder d Cliënten mogen zelf bepalen hoe ze het uurtarief besteden via de zorgovereenkomst. Het kan dus wel aan feestdagenuitkeringen of reiskosten besteed worden, maar dan vanuit het pgb-uurtarief. Lid 4 onder f Reiskosten die noodzakelijk zijn om tot inzet van de voorziening te komen zijn een onderdeel van het all-in pgb-tarief. Overige reiskosten kunnen nadrukkelijk niet uit het pgb worden betaald. Lid 7 Het college krijgt de bevoegdheid nadere regels te stellen over de inhoud en vorm van het pgb-plan. Deze zijn in lijn met de definitie van pgb-plan, zoals omschreven in artikel 1.1 van de verordening. Artikel 5.2 Weigeringsgronden voor een pgb Een pgb kan ook worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.3.6 van de wet zijn vastgelegd. Naar dit artikel wordt verwezen en deze voorwaarden gelden onverkort. Aanvullend zijn in artikel 5.2 een aantal concrete situaties benoemd waarbij geen pgb kan worden verstrekt. Zij volgen uit de voorwaarden die de wet aan de verstrekking van een pgb stelt en waarborgen dat hieraan wordt voldaan. Onder b en c Budgethouders die te maken krijgen met surseance van betaling, faillissement of schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: Wsnp) moeten dat aan de gemeente melden.

Als de budgethouder jonger is dan 18 jaar dan gelden deze eisen voor de ouders of de voogd. De aanvraag voor een pgb door een persoon die in de Wsnp zit, zal door de gemeente worden afgewezen. Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan de gemeente een pgb aan een minderjarige weigeren te verlenen indien op zijn ouders de Wsnp van toepassing is verklaard. Lid 5 onder d en e In een spoedeisende situatie of als een maatwerkvoorziening ambtshalve wordt verstrekt, is een pgb niet passend. Het college kan dan immers niet beoordelen of de cliënt voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.3.6 van de wet. Lid 5 onder h Het is niet toegestaan een pgb buiten Nederland te besteden. Een uitzondering kan gemaakt worden voor een pgb voor begeleiding als voortzetting van de ondersteuning op vakantie vanuit het pgb door ouders of een persoon uit het sociaal netwerk noodzakelijk is. Er moet altijd eerst toestemming van het college worden gevraagd, alvorens het pgb in het buitenland ingezet kan worden. De kosten van de begeleiding moeten opgevangen worden binnen het toegekende pgb. Artikel 5.3 De hoogte van het pgb In dit artikel zijn de kaders opgenomen waarmee de pgb-tarieven kunnen worden vastgesteld. Het college legt de pgb-tarieven vast in het lokale Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning. Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 18 van 34

Lid 1 Dit artikel bepaalt de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Tot maximaal de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet). Het college is ook bevoegd een lager tarief te hanteren, mits dat tarief de cliënt maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen.

De hoogte van het budget voor diensten wordt gebaseerd op het tarief waarvoor het college (of – daar waar de gemeente lumpsum financiert en voor specifieke voorzieningen geen separate zintarieven kent – de gemeenten in de regio) de diensten heeft gecontracteerd. Bij de vaststelling van deze tarieven is rekening gehouden met alle vereisten uit de Algemene Maatregel van Bestuur (zie artikel 12.2) In alle gevallen geldt dat als de budgethouder met de zorgverlener een lager tarief overeenkomt, de hoogte van het persoonsgebonden budget op basis van dat lagere tarief wordt vastgesteld. Lid 2 Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget ook vaststellen op basis van een offerte. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de voorziening bereikt moet worden. Hierbij wordt, conform de verordening, uitgegaan van de verschuldigde huurprijs die de gemeente kwijt zou zijn aan de gemeentelijk leverancier. Woningaanpassing Bij een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing gaat het om de kosten van de door het college goedgekeurde aanpassingen. Aan de hand van een programma van eisen wordt vastgesteld welk resultaat met de woningaanpassingen bereikt moet worden. Woningaanpassingen kunnen trapliften zijn, maar ook bijvoorbeeld onder meer aanpassingen aan keukens, badkamers, toiletten en de aanpassing van drempels binnen de woning.

De hoogte van een pgb ten behoeve van een woningaanpassing wordt vastgesteld aan de hand van het programma van eisen en de tarievenlijst overeengekomen met de woningcorporaties dan wel op basis van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een erkende aannemer. Bij de eenvoudige, veel voorkomende kleine woningaanpassingen wordt gebruik gemaakt van een standaard tarievenlijst. Lid 4 Het pgb voor lokaal vervoer (plv) kan worden verstrekt als alternatief voor de natura-verstrekking van het collectief vervoer. De hoogte van het pgb voor lokaal vervoer staat vermeld in het gemeentelijk uitvoeringsbesluit Wmo. Het pgb biedt de mogelijkheid op jaarbasis 2.000 kilometer Toelichting verordening MO Haarlem 2023

Pagina 19 van 34

regionaal te reizen op basis van de onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer, zoals deze wordt gehanteerd door de Belastingdienst. Lid 5 en 6 De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en individuele begeleiding wordt vastgesteld op basis van 85% van de reële tarieven zoals die in de omliggende gemeenten worden gehanteerd voor vergelijkbare ondersteuning in natura. Dit tarief is afdoende omdat de met een pgb in te kopen ondersteuning over het algemeen goedkoper is dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten zijn. Lid 7 De hoogte van het pgb voor groepsbegeleiding is gelijk aan de hoogte van de reële tarieven zoals die in de omliggende gemeenten worden gehanteerd voor vergelijkbare ondersteuning in natura. Lid 8 Huisvesting, hotelmatige kosten en voeding maken geen onderdeel uit van het pgb-tarief voor beschermd wonen. Voor eventueel benodigd vervoer naar dagbesteding wordt dit opgehoogd met een tarief per etmaal, Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddeld aantal dagen dat de dagbesteding wordt bezocht. Lid 10 Met het uurtarief van € 20,00 sluiten we aan bij het advies van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als tarief voor budgethouders waarbij de ondersteuning wordt geboden door een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt (informele zorg). Dit tarief ligt boven het wettelijk minimum uurloon.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12266283/1