20221030995 2 Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Oostpoort blok 1F
Tekst van het document
5.9
Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 65
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Ten oosten van het plangebied, op circa 25 meter afstand, ligt het tracé van een ondergrondse 150 kV-leiding tussen station Vijfhuizen en station Waarderpolder. Ondanks dat er (nog) geen formele wetgeving geldt ten aanzien van dergelijke leidingen, is het vanuit sociaal en praktisch oogpunt niet gewenst gevoelige of functies met hoogopgaande bebouwing in de directe nabijheid van deze leidingen te situeren. Dit geldt echter met name indien deze leidingen bovengronds worden geprojecteerd (bovengrondse hoogspanningslijn).
Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp (zie ook ‘Handreiking voor het berekenen van de specifieke magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen’). Op basis daarvan zijn internationaal geldende normen vastgesteld voor de sterkte van het magnetisch veld. De breedte van de magneetveldzone, de zone waarbinnen de advieswaarde van 0,4 µT (jaargemiddelde) wordt overschreden, is afhankelijk van een aantal factoren en kan in het algemeen variëren van enkele tientallen meters (bij een optimale ophanging en lage stroombelasting) tot ongeveer 400 meter (bij niet optimale ophanging en hoge stroombelasting). Zoals gezegd geldt bovenstaande met name ten aanzien van bovengrondse hoogspanningslijnen. Evenwel is met het bestemmingsplan "150 kV leiding Waarderpolder - Vijfhuizen", welk bestemmingsplan de genoemde ondergrondse buisleiding mogelijk maakt, een berekeningen van de jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone voor en na de aanleg van een extra 150 kV kabelverbinding tussen station Vijfhuizen en station Waarderpolder berekend. Uit de berekening volgen de volgende conclusies: Bij de tracédelen waar de nieuwe kabelverbinding een eigen tracé volgt bedraagt de jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone 10 meter (5 meter aan weerszijden van het kabelcircuit).
Dit komt overeen met de zone die opgenomen is in het bestemmingsplan waar niet gebouwd mag worden; Op de tracédelen waar sprake is van samenloop met andere hoogspanningskabels is het effect van de nieuwe kabelverbinding op de bestaande jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone beperkt. Op het overgrote deel van het tracé is geen sprake van een vergroting van de
66
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
jaargemiddelde 0,4 microtesla magneetveldzone; Ter plekke van de horizontaal gestuurde boringen neemt de magneetveldzone af bij toenemende kabeldiepte en reduceert tot nul op enige afstand van het intrede- en uittredepunt van de boringen. Uit de berekeningen blijkt aldus dat de ondergrondse buisleiding in overeenstemming is met het zwaardere beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Over het gehele traject van de ondergrondse kabelverbinding op Haarlems grondgebied mag er niet gebouwd worden binnen in zone van 5 meter aan weerszijde van de kabelverbinding. Hiervan is met het onderhavige bestemmingsplan geen sprake. Het aspect elektromagnetische velden vormt geen belemmering voor de realisatie van het bestemmingsplan. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
5.10 Niet-gesprongen explosieven In opdracht van de gemeente Haarlem heeft het bureau REASeuro in 2016 historisch vooronderzoek gedaan naar niet gesprongen explosieven uit de Tweede Oorlog. Op Open Data Portaal van de gemeente Haarlem is een kaart beschikbaar gesteld met de locaties waar waarschijnlijk niet gesprongen explosieven aangetroffen kunnen worden bij werkzaamheden aan de bodem. Deze kaart is verwerkt in de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan C". Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een locatie waar niet gesprongen explosieven zijn te verwachten.
5.11 Ecologie 5.11.1
Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt 67
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Kennemerland-Zuid' dat is gelegen op een afstand van ca. 4,5 km tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van stikstofdepositie in de aanlegfase geldt dat op 1 juli 2021 de wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking is getreden. De wet voegt artikel 2.9a toe aan de Wet natuurbescherming waarin staat dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. In de realisatiefase wordt materieel ingezet dat slechts zeer tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. De fossiele brandstoffen die vrijkomen tijdens de realisatiefase zullen in een korte tijd tot stikstofdepositie leiden.
Het materieel dat ingezet wordt in de realisatiefase is sinds de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming (de Europese referentiedatum) al in gebruik en steeds op een wisselende plek. Daardoor is in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met de verspreidingseffecten van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergrondposities die altijd al aanwezig was. De exacte mate van stikstof is voor de gebruiksfase wel bepaald door middel van een AERIUS-berekening, bijgevoegd als Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat het voornemen niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland en overige natuurgebieden In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Nabij het plangebied liggen in het noordoosten wel gronden die deel uitmaken van een gebied dat is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap 'Spaarnwoude en omgeving'. BPLs zijn gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het BPL Spaarnwoude en omgeving is een voornamelijk open (veen)polderlandschap tussen Haarlem en Amsterdam.
De ontstaans- en ontginningsgeschiedenis is goed afleesbaar in het landschap, bijvoorbeeld aan de bochtige veenrivieren (Binnen- en Buiten) Liede en Spaarne, het verkavelings- en slotenpatroon van de veenweidepolders en de Spaarndammerdijk die door het gebied loopt. De Stelling van Amsterdam is
68
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
met zijn forten en liniedijk ter hoogte van Spaarndam, Penningsveer en Haarlemmerliede prominent aanwezig in het landschap. De openheid van het gebied is van een bijzondere waarde, zowel voor bewoners en recreanten, als voor weidevogels. Delen van het gebied rond de A9, rond de forten van de Stelling van Amsterdam en in de polders tussen Haarlem en de Ringvaart van de Haarlemmermeer zijn meer verdicht door opgaande beplanting. Het BPL Spaarnwoude en omgeving is in deelgebieden verdeeld. Het specifieke nabij het plangebied valt in deelgebied “rivieren en plassen”.
Uitsnede kaartbeeld Bijzonder Provinciaal Landschap met het plangebied aangeduid met een rode contour. Het ruimtelijk plan kan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten van het BPL aantast mogelijk maken, indien: a. er sprake is van groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd. Bij de toetsing of door een ontwikkeling de kernkwaliteiten van het gebied in het geding komen zal voornamelijk gekeken worden naar het effect op de waterlopen. De grillige structuur moet zichtbaar blijven. Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot het dempen of wijzigen van de waterloop zijn een aantasting van deze kernkwaliteit. Kleine oeveraanpassingen (zoals beschoeiing en steigers), mits niet over grote lengte, worden niet als een aantasting van deze kernkwaliteit beschouwd. Om te waarborgen dat de kernkwaliteiten niet in geding komen, wordt met dit bestemmingsplan geen nieuwe functie toegekend aan gronden die liggen binnen het BPL. Hiermee wordt woningbouw binnen het BPL uitgesloten. Conclusie 69
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming.
5.11.2
Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ten behoeve van de ontwikkeling van Oostpoort is een natuurtoets uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting. Het onderhavige plangebied maakt deel uit van het onderzoeksgebied van de natuurtoets.
Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de natuurtoets volgt dat het onderzoeksgebied Oostpoort mogelijk een functie heeft voor de boommarter, kleine marterachtigen en vleermuizen. De boommarter wordt echter in het (nood)oosten van het onderzoeksgebied verwacht en vleermuizen langs het spoor. Beide soorten worden niet verwacht binnen het onderhavige (kleinere) plangebied. De kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) worden in de omgeving waargenomen (zowel ten noorden, ten zuiden als ten westen en oosten). Het onderhavige plangebied is klein en markeert de overgang naar het buitengebied. Gezien de verruiging kan het voor komen van deze soorten niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom dient op basis van de uitgevoerde natuurtoets voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Uit de rapportage volgt dat het plangebied geen functie heeft voor marterachtigen.
Door de voorgenomen werkzaamheden treden er geen negatieve effecten op. Er is geen ontheffingsaanvraag
70
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
noodzakelijk met mitigerende en compenserende maatregelen. Wel zijn waarnemingen gedaan van vrijgestelde soorten zoals de haas, egel, spitsmuis en bosmuis. Voor deze soorten geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming.
5.12 Verkeer en parkeren Toetsingskader Op 6 juni 2013 stelde de gemeenteraad van Haarlem de Parkeervisie vast waarmee de gemeente inzet op een goede bereikbaarheid van Haarlem en voldoende parkeervoorzieningen. Hierbij wordt ingezet op het leveren van maatwerk en het realiseren van de gewenste kwaliteit van de openbare ruimte. Op 23 september 2021 heeft de gemeenteraad het Mobiliteitsbeleid vastgesteld. Dit beleid zet in op een transitie waarin de gemeente voorrang geeft aan schone manieren van vervoer, die zo min mogelijk ruimte innemen. Om te kunnen bepalen welke extra parkeerbehoefte een nieuwe ontwikkeling veroorzaakt, wordt gebruik gemaakt van parkeernormen. De functie en de locatie bepalen de parkeernormen en liggen vast in de "Beleidsregels parkeernormen 2015''. Uitgangspunt daarbij is dat er voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor het laden en/of lossen van goederen op het eigen terrein worden gerealiseerd. De beleidsregels zijn op twee momenten geactualiseerd: opnemen van parkeernormen voor sociale huurwoningen (publicatie op 21 februari 2019); wijziging parkeernormen (publicatie op 27 februari 2019). Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om af te wijken van de parkeernormen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Beleidsregels parkeernormen.
Een gewijzigde parkeerbehoefte kan zowel gaan over het toevoegen van bouwactiviteiten als op het wijzigen van een functie. Het parkeerbeleid is alleen van toepassing op nieuwe ontwikkelingen. Al bestaande situaties zijn hiervan uitgezonderd. Beoordeling In maart 2020 is door Goudappel Coffeng BV een Mobiliteitsplan Haarlem Oostpoort opgesteld, bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting. Verkeer In de ontwikkelvisie van Oostpoort worden de ambities voor de transformatie 71
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
naar een duurzame woonwijk beschreven. Het gaat hierbij om het creëren van een autoluw gebied met een hoge ruimtelijke kwaliteit. Daarbij zijn op hoofdlijnen de volgende mobiliteitsambities genoemd: Voetganger centraal: de voetganger staat op nummer één in het binnengebied van Oostpoort en krijgt hier de ruimte om te verblijven en recreëren. Aantrekkelijke fietsroutes met de omgeving: de nieuwe fietsroutes in Oostpoort worden op een goede manier aangesloten op het stedelijke en regionale fietsnetwerk: naast het omliggende fietsnetwerk naar de binnenstad wordt Oostpoort aangesloten op de F200, de doorfietsroute naar Schalkwijk en Velsen en het buitengebied. Herprofilering van de Amsterdamsevaart: de Amsterdamsevaart vormt (samen met het spoor) een barrière tussen de twee ontwikkeldelen. Een herprofilering van de weg en een verlaging van de snelheid biedt kansen om de leefbaarheid van Oostpoort te verhogen en de twee ontwikkelgebieden met elkaar te verbinden. Mobiliteitsknooppunt Haarlem Oostpoort: de ambitie voor station Spaarnwoude is het maken van een volwaardig knooppunt voor Oostpoort en de omgeving. Het verlengen van de perrons en het realiseren van een nieuwe entree, gekoppeld aan een nieuw busstation en een P+R voor Haarlem centrum biedt kansen voor een verbetering van de ketenmobiliteit bij het station.
Hanteren van lagere parkeernormen voor bewoners en gebruikers: om bovenstaande ambities waar te maken wordt er ingezet op lagere parkeernormen en daarmee minder benodigde ruimte voor de stilstaande auto en minder autoverkeer van en naar Oostpoort. Dit heeft tot gevolg dat er meer ruimte is voor het bieden van ruimtelijke kwaliteit, lopen en verblijven. De herontwikkeling van Oostpoort zal leiden tot een toename aan verkeersbewegingen. In het mobiliteitsplan zijn daarom een aantal netwerkmaatregelen geformuleerd die randvoorwaardelijk zijn voor de herontwikkeling van Oostpoort. Deze maatregelen worden verder uitgewerkt en gerealiseerd ten tijde van de ontwikkeling van Oostpoort in zijn geheel. Vooruitlopend daarop beoogd onderhavige bestemmingsplan conform de ontwikkelvisie een nieuw woongebouw mogelijk te maken ten zuiden van de Amsterdamsevaart/N200. Verkeer van en naar het plangebied zal met name via de Diakenhuisweg ontsluiten richting de Amsterdamsevaart en de N200. Het verkeer wordt daarmee buiten bestaande woonstraten om ontsloten. Het onderhavige plan zorgt niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen, waardoor het aspect verkeer geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Parkeren In het eerder genoemde mobiliteitsplan zijn nieuwe parkeernormen voor Oostpoort opgenomen. Dit bestemmingsplan sluit aan bij deze parkeernormen.
72
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
In de regels van dit bestemmingsplan wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan de betreffende parkeernorm. Het parkeren ten behoeve van de nieuwe functie zal geheel binnen het plangebied worden opgelost. Het autoparkeren vindt in de toekomstige situatie ondergronds plaats dan wel binnen de bouwmassa van de nieuwbouw. Parkeren vindt daarmee overwegend buiten het zicht plaats, waardoor de ruimte rondom de woningbouw aantrekkelijk kan worden ingericht.
5.13 Vliegverkeer Vanaf 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) van kracht, welke nadien enkele malen is gewijzigd. Dit besluit wijst rond het luchthavengebied een beperkingengebied aan. Binnen dat gebied gelden regels voor beperkingen van bestemming en gebruik van grond. Het gaat om beperkingen voor bebouwing, hoogte en het realiseren van vogelaantrekkende bestemmingen, vogelaantrekkend gebruik, windturbines en lasers. Deze paragraaf gaat in op deze beperkingen en eventuele gevolgen voor dit bestemmingsplan. Bebouwing en gebruik Binnen het plangebied gelden geen beperkingen voor bebouwing en het gebruik daarvan als bedoeld in artikel 2.2.1 tot en met 2.2.1.e van het LIB voor het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting door het luchthavenverkeer. Het plangebied ligt namelijk niet in een aan- en uitvliegroute van het vliegverkeer en daarnaast op een te grote afstand van de luchthaven. Hoogte Voor het hele plangebied gelden wel hoogtebeperkingen op basis van de artikelen 2.2.2 en 2.2.2a van het LIB. De hoogtebeperkingen zorgen ervoor dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De maximaal toegestane hoogte op grond van artikel 2.2.2 bedraagt circa 41 meter NAP. Deze bouwhoogte wordt bij lange na niet overschreden.
Vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik In het hele plangebied is het niet toegestaan om vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik mogelijk te maken volgens het LIB. Dit voorkomt concentraties vogels in de nabijheid van de luchthaven die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Onder vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik wordt verstaan: industrie in de voedselsector met extramurale opslag of overslag; viskwekerijen met extramurale bassins; opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of 73
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
verwerking; natuurreservaten en vogelreservaten; moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare. Dit bestemmingsplan maakt geen vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik mogelijk. Windturbines en lasers Rondom de luchthaven Schiphol wijst het LIB een toetszone aan waarin extra beperkingen voor windturbines en vaste laserinstallaties gelden. Deze regels moeten hinder voor landend en startend vliegverkeer voorkomen en een goede werking van de luchtverkeersapparatuur waarborgen. Windturbines kunnen hierop namelijk van extra invloed zijn door onder andere hun hoogte en de aanwezigheid van bewegende delen. Het gebruik van laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit op de grond en in de directe omgeving van Schiphol kan de vliegveiligheid ook beïnvloeden. Voor nieuwe windturbines geldt een maximaal toegestane tiphoogte van 35 meter of bij plaatsing van een dakturbine op een gebouw een maximale tiphoogte van de turbine van 5 meter waarbij de hoogte van het gebouw inclusief de tiphoogte van de turbine de 35 meter niet mag overschrijden. Uiteraard blijven daarnaast de eerder genoemde hoogtebeperkingen gelden. Afwijking van één van de hoogtebeperkingen is niet toegestaan tenzij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart is verkregen.
Ook voor nieuwe laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit binnen de toetszone is een dergelijke verklaring van geen bezwaar nodig. Voor dit bestemmingsplan hebben de extra beperkingen geen gevolgen omdat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voldoen aan de gestelde beperkingen c.q. niet zien op windturbines/ lasers. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB. De maximale bouwhoogte van het gebouw is gelegen onder de max. toegestane hoogte op grond van het Lib.
5.14 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is 74
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid waterschap In het Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water' legt Hoogheemraadschap Rijnland (HHR) de ambities voor de komende jaren vast. Het gaat om: Waterveiligheid, bescherming tegen overstromingen Voldoende water, passend bij de gebruiksfuncties, niet te veel of te weinig; Schoon en gezond water, zodat mens, natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken; Optimale waterketen, optimale zuivering en hergebruik van grondstoffen. Daarbij gaat Rijnland uit van kansen, samenwerken en zoeken naar nieuwe wegen: Voor en samen met de inwoners en bedrijven; hun wensen en belangen staan centraal; Duurzaam en innovatief tegen zo laag mogelijke kosten; Dienstverlenend. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
In de "Handreiking Watertoets" licht HHR de te nemen stappen in de Watertoets toe en geeft het aan hoe de planontwikkelaar of gemeente rekening houdt met het watersysteem (toets- en adviespunten). Deze komen voort uit beleid (inmiddels zijn veel onderliggende beleidsdocumenten geactualiseerd). De uitgangspunten in de watertoets zijn: Ontwerp en inrichting van het plangebied zijn zodanig dat bescherming tegen overstromingen gegarandeerd blijft; Dat het watersysteem duurzaam voldoet aan de normen voor berging en de aan- en afvoer van water; Stand still voor waterkwaliteit, of zelfs verbetering; Zo min mogelijk schoon water op de riolering, zo min mogelijk vervuild water naar oppervlaktewater (zoals via gemengde riooloverstorten); Beheer en onderhoud van watergangen en –keringen is op verantwoorde en efficiënte wijze mogelijk. De Keur van het Hoogheemraadschap gaat uit van een zorgplicht voor handelingen in het watersysteem. Veel handelingen zijn toegestaan, waarbij de initiatiefnemer (actor) nadelige effecten voorkomt of beperkt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan als een handeling wordt verricht overeenkomstig een door
75
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
het bestuur vastgestelde erkende maatregel. Voor specifiek benoemde handelingen zijn Algemene Regels geformuleerd, waarmee veel handelingen kunnen volstaan met een meldplicht. Als hieraan niet wordt voldaan, dan is alsnog een vergunning nodig (met Beleidsregels als toetsingskader). Zo valt het graven van open water onder Algemene Regels (meldplicht) als het aan minimale afmetingen voldoet en niet in kwetsbaar kwelgebied ligt. En een toegenomen verharding met versnelde afvoer van hemelwater naar riolering of oppervlaktewater van een oppervlak tussen 500 en 5000 m² is toegestaan mits extra wateroppervlak wordt gerealiseerd ter grootte van 15% van die toename. Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen), met versnelde afvoer naar riolering of oppervlaktewater. Indien verharding in een gebied toeneemt, zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater.
Vanaf een toename van 5.000 m2 is een maatwerkoplossing nodig. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Voorbeelden zijn grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt. Tevens onderschrijft het Waterplan de noodzaak op het vlak van baggeren, afkoppelen, saneren overstorten, inrichten natuurvriendelijke oevers, en afkoppelen schone verharding, en het creëren van extra open water ter compensatie van toegenomen verharding. Gemeentelijk beleid Het watersysteem van Haarlem heeft een tweeledige functie. Enerzijds vervult het zichtbare water een belangrijke rol voor de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte. Uitgangspunt in de Structuurvisie Openbare Ruimte is deze bijdrage verder te versterken. Anderzijds is het watersysteem van groot belang voor het watermanagement van Haarlem en regio. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan (2004) (geactualiseerd in 2014) is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem.
Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten. Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend vermogen, een
76
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Als streefbeeld heeft de gemeente voor ogen een verbeterd waternetwerk dat uitgebreid is met nieuw water. Met het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het GRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. Er zijn vier doelstellingen voor het GRP van toepassing, te weten: Het doelmatig inzamelen van het afvalwater en het hemelwater; Het transporteren van het rioolwater naar een geschikt lozingspunt; Het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast; Het beperken van vervuiling door overstorten middels aanleg van randvoorzieningen (o.a. bergbezinkbassins) en afkoppelen. Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen). Indien verharding in een gebied toeneemt zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen.
Richtlijn is dat - indien er gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak - minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van opervlaktewater. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan (VGRP) is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (inclusief grondwaterbeheer) en de visie op riolering (en grondwater) voor de langere termijn worden beschreven. Met het VGRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het VGRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. Omdat de riolering veel samenhang heeft met rioolwaterzuiveringen en oppervlaktewater, bijvoorbeeld door overstorten, is ook het Hoogheemraadschap van Rijnland betrokken bij het opstellen van het VGRP. Beoordeling Door Antea Group is een watertoets uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 8 gevoegd bij deze toelichting. Watercompensatie Binnen het plangebied, maar ook binnen de rest van Oostpoort, zal verharding
77
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
worden toegevoegd. Om wateroverlast te voorkomen zal daarom binnen het plangebied nieuw oppervlaktewater worden gerealiseerd, aansluitend op het bestaande watersysteem direct ten oosten van het plangebied. In de regels van dit bestemmingsplan is hiertoe in artikel 3.3.2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze verplichting strekt ertoe dat binnen het plangebied een waterhuishoudkundige voorziening moet worden aangelegd met voldoende bergingscapaciteit. De bergingsnorm bedraagt 70 mm op eigen terrein. Watersysteem In de huidige situatie is op een aantal plaatsen oppervlaktewater aanwezig. De nieuw te realiseren ontwikkeling komt langs de beschermingszone van een oppervlaktewater te liggen. Deze watergang is in de legger oppervlaktewateren opgenomen als primair watergang. Voor dit type watergangen geldt, volgens ‘uitvoeringsregel 10 Objecten in de beschermingszone van watergangen’, een beschermingszone van 5 meter breed. Wanneer er wijzigingen in deze beschermingszone worden aangebracht, geldt een vergunningplicht. Wanneer watercompensatie plaatsvindt in de vorm van nieuwe watergangen geldt algemene regel ‘5. Graven van water’. Voor de ontwikkeling van het plangebied gelden de volgende uitgangspunten: voor overige water zijn de minimale afmetingen: bodembreedte: 0,4 m; breedte watergang 2,5 m en waterdiepte 0,6 m.
Het watersysteem moet zo aangepast worden dat dit goed blijft functioneren. Grondwater De grondwaterstanden in gemeente Haarlem zijn over het algemeen hoog. Uit informatie van DINOloket blijkt dat de gemiddeld kleinste diepte op ca. 0,2 m onder maaiveld ligt. Er zijn echter geen metingen op of nabij het plangebied aanwezig. Aanbevolen wordt om een peilbuis te plaatsen om meer inzicht te krijgen in de hoogte en fluctuatie van de grondwaterstanden. In de omgeving van het plangebied ligt in verband met de hoge grondwaterstanden een drainage van PVC met een diameter van 125 mm. Deze drainage beperkt de grondwateroverlast. Onderzocht moet worden of voor het plangebied een soortgelijke aanpak wenselijk is. De toepassing van een waterdichte kelder voorkomt ook grondwateroverlast bij de bebouwing. Bij het omliggende terrein (groenvoorziening, paden) is ophoging van het maaiveld, toepassing van drainage of een combinatie hiervan alternatief om grondwateroverlast te voorkomen. Aanleg van een kelder (parkeerplaats) Door de aanleg van een kelder wordt de grondwaterstroming beperkt.
78
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
Hierdoor kan lokaal een effect op de stijghoogte in het watervoerend pakket en in de freatische grondwaterstand optreden. Echter moet voor de vergunningsaanvraag verder onderzocht worden wat de lokale bodemopbouw ter plaatse van de kelder is en welke effecten de kelder heeft voor het lokale grondwatersysteem. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke waarborgt dat sprake is van grondwaterneutraal bouwen. Vuil- en hemelwater Conform het beleid van de gemeente moet de vuil- en hemelwaterafvoer in de toekomstige situatie gescheiden worden afgevoerd. Hierbij moet het vuilwater naar de rioolwaterzuivering worden geleid en het hemelwater naar een waterberging. Door de herontwikkeling van Oostpoort (inclusief het onderhavige deelgebied) zal een toename van bewoners en een toename verharding een extra belasting van het bestaande rioolstelsel opleveren. Het is nog niet haalbaar om de gebieden te bepalen waar veranderingen in het drainagesysteem moeten plaatsvinden. Het is raadzaam om onderzoek te doen naar de capaciteit van het riool en te beoordelen of veranderingen in de huidige diameter nodig zijn of niet. Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich niet binnen een waterkering of de beschermingszone daarvan. Om deze reden worden geen effecten verwacht op de waterveiligheid.
Duurzaamheid Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Stedenbouwkundig Programma van Eisen De gemeente Haarlem is zelf initiatiefnemer van dit plan. Na vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan zal de gemeente een Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) opstellen. In dit SPvE staan de randvoorwaarden voor de verdere ontwikkeling van de nieuwbouw en wordt 79
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
een ambitie meegegeven voor het hele gebied. Ten aanzien van het aspect 'water' zal het SPvE voorschrijven dat het beoogde rioolstelsel nog moet worden doorberekend met behulp van het bestaand rioolmodel en dat het klimaateffect van een bui 70 mm en 90 mm /uur nog moet worden doorberekend. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
5.15 Windhinder Toetsingskader Bij hoge bebouwing maar ook bij ongunstig gesitueerde laagbouw kan zich windhinder en windgevaar voordoen. Dat windhinder optreedt is onvermijdelijk. Het ervaren van windhinder is afhankelijk van de activiteit die men onderneemt: lopen, slenteren of stilzitten. Er is sprake van een goed windklimaat zolang geen sprake is van overmatige windhinder. Windgevaar is het optreden van een zodanige windsnelheid dat bij personen in ernstige mate problemen optreden bij het lopen en dient te allen tijde voorkomen te worden. Het nemen van maatregelen ter voorkoming van windhinder en windgevaar achteraf is duur en vaak lastig inpasbaar en daarmee negatief van invloed op de woon- en leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Bij het ontwerpen of mogelijk maken van een nieuw gebouw dient daarom vanaf het begin van het planproces rekening gehouden te worden met de effecten op het windklimaat. Beoordeling en conclusie In Nederland bestaat geen specifieke wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Haarlem heeft ook geen windhinderbeleid, maar maakt in praktijk (in toenemende mate) gebruik van NEN 8100 bij de beoordeling van hoogbouw in het kader van een Hoogbouweffectrapportage (HER) of bij het opstellen van een SPvE/Programma van Eisen voor de Fysieke Leefomgeving.
In de regels van dit bestemmingsplan is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke strekt tot het waarborgen van een acceptabel windhinderklimaat.
5.16 Trillingshinder Toetsingskader Het plangebied ligt op een afstand van circa 150 meter tot een spoorweg. Op 80
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
deze afstand bestaat het risico dat nieuwe bewoners en nieuwe gebruikers van gebouwen te maken krijgen met trillingshinder als gevolg van de ligging nabij het spoor. Hinder door spoortrillingen treedt op doordat passerende treinen tot trillingen leiden binnenin gebouwen. Door het trillen van een vloer waar personen zich op bevinden wordt een gevoel van ongemak of angst ervaren. Ook kan er slaapverstoring optreden. Buiten blijkt dit niet of in veel mindere mate te spelen. Hoeveel hinder daadwerkelijk optreedt bij welk trillingsniveau, hangt van een veelvoud aan factoren af, zoals: de eigenschappen van het trillingssignaal. Deze kunnen per trein en treintype sterk verschillen; hoe vaak een trilling optreedt. Deze hangt sterk af van de gehanteerde treindienstregeling; het tijdstip waarop de trilling optreedt. Ook ‘s nachts vindt treinverkeer plaats, waaronder goederenverkeer. de richting waarin de trilling optreedt. De beweging kan in horizontale en verticale richting optreden. persoonsgebonden eigenschappen. Er is misschien angst voor schade of een bepaalde mening over spoorontwikkeling. Deze factoren maken dat het optreden van hinder door trillingen per situatie verschilt.
Het trillingsniveau in een gebouw hangt ook af van diverse factoren: kenmerken van de bron (ligging spoortracés, dienstregeling, treintypen); het ontwerp en de kwaliteit van de spoorbaan en het rijdend materieel; de bodemopbouw; de fundering van een gebouw en de gebouwconstructie. Beoordeling en conclusie Ondanks de complexiteit van trillingshinder zijn handvatten te bieden om hinder door trillingen bij nieuwbouw te voorkomen. Voor elke ontwikkeling is een zorgvuldige en locatiespecifieke aanpak nodig. Bij voorkeur houden bevoegd gezag en initiatiefnemers van een project zo vroeg mogelijk rekening met trillingen, ter voorkoming van het treffen van dure maatregelen achteraf of het noodgedwongen accepteren van trillingshinder. Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee gewaarborgd wordt dat eventuele trillingshinder voorafgaand aan de bouw inzichtelijk moet worden gemaakt. Indien van trillingshinder sprake kan zijn, dan kunnen technische maatregelen aan de bouw worden genomen om hinder te voorkomen.
5.17 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. 81
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de Cof D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van circa 80 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst.
Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat; 82
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woningen en blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Op basis van een aanmeldnotitie, bijgevoegd als Bijlage 9, heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de provinciale omgevingsverordening. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v.
het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de omgevingsverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
83
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
84
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECT EN 6.1
Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verder uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een verdere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en ook de functie van visualisering van de bestemmingen.
6.2
Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn: www.ruimtelijkeplannen.nl. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde 85
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen conform de SVBP 2012 in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
6.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen is op grond van de SVBP dwingend voorgeschreven.
6.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Deze bestemming is bedoeld voor de gronden welke worden ingericht ten behoeve van het nieuwe woongebied. Ook de ontsluiting is mogelijk binnen deze bestemming. Door het opnemen van één bouwvlak wordt flexibiliteit gecreëerd voor de uitwerking van een definitief bouwplan. Wel is de bouwhoogte van nieuwe hoofdgebouwen en het maximum aantal woningen begrensd. Beroepsmatige activiteiten aan huis zijn binnen de bestemming 'wonen' toegestaan onder de voorwaarde dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan het wonen. In deze bestemming zijn tevens de benodigde bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen en erven. Onderdeel van het project is het realiseren van sociale huurwoningen. Artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening geeft de mogelijkheid om sociale woningbouw in het bestemmingsplan te regelen. Dit door middel van het opnemen van een bepaald percentage van het totaal aantal woningen dat mogelijk is volgens het plan. Dit is gedaan in de regels. Deze regel kan alleen
86
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
in het bestemmingsplan worden opgenomen als er een zogeheten doelgroepenverordening aanwezig is. Op 27 februari 2020 heeft de gemeenteraad de Verordening doelgroepen woningbouw Haarlem 2020 vastgesteld. Hiermee is de weg vrij gemaakt om sociale woningbouw te regelen in het bestemmingsplan. Artikel 4 Waarde - Archeologie 4 De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.
6.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is met name van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de bouwregels voor de woonbestemming opgenomen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Het bestemmingsplan als bindende verordening is opgebouwd uit objectief vastgelegde ruimtelijke begrenzingen. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor het bouwen en het gebruik zijn nauwkeurig vastgelegd.
Die ruimtelijke en functionele begrenzing is een afgeleide van de basisgegevens van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), stedenbouwkundige afwegingen en het bestaande gebruik. In de praktijk kunnen afwijkingen
87
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
voorkomen. Ook kan, bij nieuwe ontwikkelingen, veranderde wetgeving of voortschreidend inzicht, toch behoefte zijn aan een andere maatvoering of een andere functie van bouwwerken. Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%. Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Artikel 9 Overige regels In dit artikel is een regeling opgenomen waarmee wordt gewaarborgd dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.
6.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 10 overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar al aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Ook bouwwerken die op basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van al strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel 11 slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.
88
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
6.3
Hoofdopzet verbeelding
6.3.1 Opbouw verbeelding De verbeelding is opgebouwd uit verschillende elementen. Dit zijn: de bestemmingen; de dubbelbestemmingen; aanduidingen. Hieronder wordt verder uitgelegd wat deze elementen inhouden. De bestemmingen De verbeelding geeft in verschillende kleuren de bestemmingen weer. De bestemmingen worden begrensd door bestemmingsgrenzen. De regels geven per bestemming aan wat deze bestemming inhoudt en welke bouw- en gebruiksregels gelden voor die bestemming. Ter onderscheid met de dubbelbestemmingen worden de bestemmingen ook wel enkelvoudige bestemmingen genoemd. De dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen zijn een aparte vorm van bestemmingen. Dubbelbestemmingen beslaan vaak een groter gebied en omvatten vaak meerdere enkelvoudige bestemmingen. Op de verbeelding zijn ze opgenomen door middel van een arcering. De regels van de dubbelbestemmingen gaan vóór ten opzichte van de regels van de enkelvoudige bestemmingen. Dubbelbestemmingen zijn gericht op de bescherming van specifieke sectorale belangen. Voor de dubbelbestemmingen geldt net als voor de enkelvoudige bestemmingen dat in de regels de specifieke bouw- en/of gebruiksregels zijn opgenomen. Aanduidingen Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming verder of specifieker te regelen.
In dit bestemmingsplan zijn de volgende aanduidingen op grond van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) opgenomen: 1. bouwvlakken; 2. functieaanduidingen; 3. bouwaanduidingen (zie ook 6.4 hoofdopzet waarderingskaart); 4. maatvoeringen. 1. Bouwvlakken Bouwvlakken zijn een noodzakelijk onderdeel van de verbeelding. Bouwvlakken bestaan uit dikke zwarte lijnen, die aangeven waarbinnen hoofdbebouwing is toegestaan. Bouwvlakken bepalen vaak ook de voorgevelrooilijn van gebouwen of clusters van gebouwen, waardoor ze een belangrijk element vormen bij de 89
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
bescherming van een bepaald straatbeeld. Ook de achtergevelrooilijn wordt vaak al bepaald met een deel van de bouwvlaklijn. Hier geldt toch vaak een vergunningsvrije bouwmogelijkheid, waar er hier minder sprake is van een beschermend karakter in vergelijking met de voorgevelzijde. In de meeste gevallen laten de bouwvlakken op de verbeelding in combinatie met de bouwregels, verbetering, vernieuwing, bescheiden vergroting of vervanging met gelijkwaardige bouw toe. Daarbij is rekening gehouden met de nodige flexibiliteit, kwaliteitseisen voor de bebouwing, de woonomgeving en bereikbaarheid. Over het algemeen zijn de bebouwingsgrenzen van de geldende bestemmingsplannen overgenomen. Daar waar met een ontheffing is afgeweken van het geldende beleid is de nieuw ontstane situatie opgenomen. 2. Functieaanduidingen Functieaanduidingen zijn er in vele soorten en maten. De benaming van de diverse functieaanduidingen is vastgelegd in de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Ze zijn als een vlak op de verbeelding opgenomen. Een functieaanduiding wordt op de verbeelding opgenomen als er binnen een bepaalde bestemming maatwerk moet worden geleverd voor het gebruik. Het is daarbij gewoonlijk niet wenselijk of mogelijk om die functie in algemene zin in de planregels op te nemen, maar het is juist gewenst om het als uitzonderingssituatie vast te leggen.
Het kan hierbij gaan om een verdere specificatie van het gebruik, een uitdrukkelijke verruiming daarvan of juist een beperking. 3. Bouwaanduidingen Bouwaanduidingen geven specifieke bouwmogelijkheden aan. Ze zijn als een vlak op de verbeelding opgenomen. De benaming van de diverse bouwaanduidingen zijn vastgelegd in de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Een bouwaanduiding wordt op de verbeelding opgenomen als er binnen een bepaalde bestemming maatwerk moet worden geleverd voor de bouwmogelijkheden. Het is daarbij gewoonlijk niet wenselijk of mogelijk om die bebouwing in algemene zin in de planregels op te nemen, maar het is juist gewenst om het als uitzonderingssituatie vast te leggen. 4. Maatvoeringsaanduidingen Maatvoeringsaanduidingen hebben betrekking op: afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel voor het bouwen als voor het gebruik.
90
bestemmingsplan "Oostpoort blok 1F" (ontwerp)
Hoofdstuk 7 UIT VOERBAARHEID 7.1
Economische uitvoerbaarheid Bij ontwikkelingen die middels het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is het noodzakelijk aan te tonen in hoeverre de beoogde plannen financieel haalbaar zijn en wie de risicodragende partij is. In dit kader is in afdeling 6.4 Wro bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen, indien een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken indien het verhaal van de kosten van een grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Met dit bestemmingsplan wordt beoogd het vigerende juridisch-planologisch kader te herzien naar aanleiding van wens om het plangebied te transformeren naar een woongebied. Door woningen te kunnen realiseren is hier sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan noodzakelijk, tenzij de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd is. De gemeente is eigenaar van de gronden. Exploitatiekosten worden verdisconteerd in de uitgifteprijs. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd.