CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20220490901 RIB Wonen in de Metropoolregio 2021 (WiMRA) gehele rapport en Factsheet Haarlem gereed incl bijlagen

commissie Ontwikkeling 14 april 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: RIB Woonwensenonderzoek "Wonen in de Metropool 2021” (WiMRA), rapport en Factsheet Haarlem gereed (MTM)36.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In het algemeen is de interesse voor de meer ruime en groene woonmilieus licht toegenomen van 38% naar42%.  Van de huishoudens met kinderen heeft 22% een thuiswonend volwassen kind dat het huis uit wil. Deze thuiswonende volwassen kinderen zoeken relatief vaak een kamer (25%), een (sociale) huurwoning (30%) of (betaalbare) koopwoning (19%).  Thuiswonende jongeren zonder duidelijke woonvoorkeur komen vaak uit gezinnen met een laag inkomen en geven aan dat de krappe woningmarkt voor hen geen opties geeft.

Dit hoofdstuk bespreekt de verhuiswensen van huishoudens in de MRA. Het gaat daarbij alleen om de verhuiswensen van zelfstandig wonende huishoudens. In de laatste paragraaf wordt kort ingegaan op de woonwensen van thuiswonende jongeren.

6.1 Toename aandeel huishoudens dat wil verhuizen

27% wil zeker

De verhuisgeneigdheid van zelfstandig wonende huishoudens is verder toegenomen, men wil vaker zeker verhuizen in de komende twee jaar. In totaal heeft 56% verhuisplannen: 27% wil zeker verhuizen en 29% wil misschien verhuizen, in 2019 gaf 25% aan zeker te willen verhuizen en 29% wilde dit misschien. In 2017 lag het aandeel dat zeker wilde verhuizen nog op 22%.

verhuizen

84

Net als in voorgaande metingen zijn huishoudens in Amsterdam het meest verhuisgeneigd: 64% zegt (zeker/misschien) te willen verhuizen. Huishoudens in Zaanstreek-Waterland zijn het minst van plan te verhuizen de komende twee jaar (48%), de verhuisgeneigdheid is hier stabiel. In de overige regio’s is de verhuisgeneigdheid toegenomen en geeft tussen de 51% en 53% aan te willen verhuizen. De verhuisgeneigdheid is het hoogst in Diemen Holland Park (relatief veel campuscontracten) en de Westlandgracht (relatief veel tijdelijke contracten) in Amsterdam, hier wil 82% verhuizen. In Spaarndam hebben huishoudens het minst vaak verhuisplannen (21%). De verhuisgeneigdheid verschilt per segment (zie figuur 6.1). Huurders zijn meer verhuisgeneigd dan woningeigenaren. Van de woningeigenaren wil 47% verhuizen. Net als in 2019 willen huurders in de particuliere vrije sector het vaakst verhuizen en hun verhuisgeneigdheid is ook verder gestegen: van 82% naar 85%. Huurders in de vrije sector van corporaties zijn wat minder verhuisgeneigd, maar onder deze groep is het deel dat verhuisplannen heeft wel relatief sterk toegenomen, van 67% naar 71%. In de particuliere sociale huursector ligt de verhuisgeneigdheid met 74% hoger dan in de sociale huursector van corporaties (56%).

Dit komt onder andere doordat in de particuliere sociale huur huurders wat vaker een tijdelijk contract hebben dan in de sociale huur van corporaties. Tijdelijke huurders zijn verhuisgeneigder dan huurders met een contract voor onbepaalde tijd. Toch is ook onder huurders met een huurcontract voor onbepaalde tijd de verhuisgeneigdheid in de particuliere sociale huur hoger dan in de sociale huur van corporaties. Jonge alleenstaanden en jonge stellen zonder kinderen (<40jaar) hebben ook vaak verhuisplannen. Zo wil 87% van de jonge alleenstaanden en 81% van de jonge stellen verhuizen. Van de stellen met kinderen zijn degenen met jonge kinderen (<5 jaar) het meest verhuisgeneigd (69%). Huishoudens boven de 65 jaar hebben over het algemeen relatief weinig verhuisplannen (37%). Figuur 6.1 Verhuisgeneigdheid zelfstandige huishoudens naar segment, MRA, 2021 (%) sociale huur, corporatie

32

23

sociale huur, particulier

44

48

vrije sector huur, corporatie

26 30

42

vrije sector huur, particulier

29

51

koopwoning

15

totaal

34 32

27 0

26

53 29

20

wil zeker binnen 2 jaar verhuizen

15

40

44 60

wil misschien binnen 2 jaar verhuizen

80

%

100

wil niet verhuizen

85

Figuur 9.2 Verhuisgeneigdheid zelfstandige huishoudens naar wijk (wil zeker verhuizen), MRA, 2021 (%)

bron: WiMRA 2021

Dichter bij werk of studie wonen worden minder vaak genoemd als verhuisreden in 2021 De door zelfstandig wonende huishoudens meest genoemde redenen om te willen verhuizen zijn dat men groter wil wonen en dat men mooier/beter wil wonen (allebei 33%). Ook in eerdere metingen waren dit de meest genoemde redenen. In vergelijking met 2019 zegt men wat minder vaak dat men groter wil wonen (2019: 34%) en wat vaker dat men mooier/beter wil wonen (2019: 32%). Op de derde plaats staat het ontbreken van of een te kleine buitenruimte (18%), gevolgd door het dichter bij groen willen wonen (14%, in 2021 voor het eerst als antwoordcategorie opgenomen). Redenen die in 2021 minder vaak genoemd worden dan in 2019 als verhuisredenen zijn omstandigheden in het huishouden (12% vs. 19%) en dichter bij werk of studie willen wonen (5% vs. 9%). In alle regio’s zijn het groter en mooier/beter willen wonen de twee meest genoemde verhuisredenen. De derde meest genoemde reden verschilt. In Gooi en Vechtstreek noemt men gezondheidsredenen, in Amsterdam en Zuid-Kennemerland/IJmond is het ontevredenheid over de buitenruimte en in de overige regio’s staat op de derde plek dat men kleiner wil wonen (15%18%). In figuur 6.3 is te zien dat de meest genoemde verhuisredenen verschillen per levensfase. Kleiner willen wonen is vooral onder 55-plus huishoudens een vaker genoemde reden (22%).

De verhuisredenen verschillen ook per woonsegment. Verhuisgeneigde huurders in de sociale huursector geven vooral aan dat zij groter willen wonen (36%). Voor huurders in de vrije sector is de voornaamste verhuisreden dat zij willen kopen in plaats van huren (47%), daarnaast noemen zij relatief vaak dat de woning te duur is (35%). Verhuisgeneigde kopers willen vooral mooier/beter gaan wonen (36%), en noemen ook betrekkelijk vaak dat ze dichter bij groen willen wonen (17%). 86

Figuur 6.3 Redenen om wel te willen verhuizen naar huishoudens en huidige segment, MRA, 2021 (%) <35 jaar, zonder kinderen

groter wonen 56 mooier/beter wonen 42 geen/te kleine tuin of balkon 35 kopen i.p.v. huren/huren i.p.v. kopen 35 omstandigheden huishouden 22 dichter bij groen wonen 17 woning is te duur 16 moet woning uit 14 slechte kwaliteit woning 10 wil zelfstandig wonen 10

35-55 jr, zonder kinderen

mooier/beter wonen groter wonen geen/te kleine tuin of balkon dichter bij groen wonen kopen i.p.v. huren/huren i.p.v. kopen weg uit drukte in de stad buurt bevalt niet (meer) slechte kwaliteit woning omstandigheden huishouden woning is te duur

41 39 23 18 18 13 12 12 11 11

gezinnen

groter wonen 41 mooier/beter wonen 40 dichter bij groen wonen 16 geen/te kleine tuin of balkon 16 omstandigheden huishouden 12 buurt bevalt niet (meer) 11 woning niet gelijkvloers/te veel trappen 11 kopen i.p.v. huren/huren i.p.v. kopen 10 kleiner wonen 9 slechte kwaliteit woning 9 >55 jaar, zonder kinderen

vanwege gezondheidsredenen woning niet gelijkvloers/te veel trappen kleiner wonen mooier/beter wonen dichter bij groen wonen woning is te duur geen/te kleine tuin of balkon groter wonen buurt bevalt niet (meer) vanwege geluidsoverlast (vlieg)verkeer

vrije sector huur

sociale huur

groter wonen 36 mooier/beter wonen 31 geen/te kleine tuin of balkon 20 vanwege gezondheidsredenen 18 slechte kwaliteit woning 16 woning niet gelijkvloers/te veel trappen 14 kopen i.p.v. huren/huren i.p.v. kopen 12 dichter bij groen wonen 12 moet mijn woning uit 10 weg uit drukte in de stad 8

29 25 22 17 8 8 8 8 7 7

kopen i.p.v. huren/huren i.p.v. kopen groter wonen woning is te duur wil mooier/beter wonen geen/te kleine tuin of balkon omstandigheden huishouden dichter bij groen wonen slechte kwaliteit woning weg uit drukte in de stad buurt bevalt niet (meer)

47 37 35 32 26 17 13 8 8 7

koop

mooier/beter wonen groter wonen dichter bij groen wonen wil kleiner wonen woning niet gelijkvloers/te veel trappen geen/te kleine tuin of balkon omstandigheden huishouden vanwege gezondheidsredenen weg uit drukte in de stad buurt bevalt niet (meer)

36 30 17 17 15 14 11 11 10 9

bron: WiMRA 2021

87

Situatie woningmarkt vaker reden om niet te willen verhuizen Aan alle huishoudens is gevraagd wat redenen zouden zijn om niet te verhuizen. De belangrijkste redenen om niet te verhuizen zijn dat de huidige woning en buurt goed bevallen. De situatie op de woningmarkt is in 2021 de derde meest genoemde reden. Het aandeel huishoudens dat deze reden noemt, is het meest gestegen tussen 2019 en 2021 (van 23% naar 28%). Ook noemt men steeds vaker als reden om niet te verhuizen dat het aanbod aan koopwoningen te duur is (22%). Figuur 6.4 Redenen om niet te willen verhuizen, MRA, 2017-2021 (%)

huidige woning is goed

2017

55

buurt bevalt goed

2019

50

de situatie op de woningmarkt

2021

28

aanbod aan koopwoningen is te duur

22

woon dichtbij familie/vrienden

22

woon dichtbij werk/studie/school

20

mijn leeftijd

19

aanbod aan huurwoningen is te duur

16

woon hier nog maar net/pas verhuisd

14

wachttijden Woningnet/sociale huur zijn te lang

13

mijn (onzekere) financiële situatie

12

kan niets geschikts vinden

10

kan mijn huis nu niet verkopen

%

1

0

20

40

60

80

100 bron: WiMRA 2021

6.2 Gewenst segment: vraag naar koop toegenomen

60% zoekt koopwoning

De vraag naar koopwoningen is gestegen onder zelfstandig wonende huishoudens die binnen de MRA willen verhuizen (zeker + misschien). In 2021 geeft 60% van deze groep de voorkeur aan een koopwoning, in 2019 ging het om 58%. In alle gewenste woonregio’s is de voorkeur voor koopwoningen gestegen. Deze voorkeur loopt uiteen van 54% onder huishoudens die in Amsterdam willen wonen tot 69% van de huishoudens die in Gooi en Vechtstreek willen wonen. Onder de verhuisgeneigde huishoudens die de voorkeur geven aan een koopwoning in de MRA is het deel dat een koopwoning van minder dan €438.000 zoekt, ongeveer vergelijkbaar met het aandeel dat zich richt op een woning van meer dan €438.000 (31% versus 29%). Op dit punt zijn echter wel verschillen tussen de gewenste woonregio’s. Zo geven huishoudens die graag in Almere/Lelystad of Zaanstreek-Waterland willen wonen relatief vaak aan dat zij op zoek zijn naar een koopwoning onder de €438.000. Binnen de MRA is 30% van de verhuisgeneigden op zoek naar een sociale huurwoning, in 2019 ging het om 32%. En een tiende richt zich op een vrije sector huurwoning, voornamelijk op middeldure huur (7%). 88

Figuur 6.5 Gewenst woonsegment per gewenste deelregio, doorstromers MRA, 2017-2021 (%) binnen Metropoolregio Amsterdam 2017 2019 2021

33 32 30

Zaanstreek-Waterland 2017 2019 2021

33 37 34

6 3 14 9 2 15 7 3 9

31 32 29

5 1 9 6 1

Gooi en Vechtstreek 2017 2019 2021

28 27 22

7 2 8 2 7 2 9

Amstelland-Meerlanden 2017 2019 2021

27 27 24

9

Zuid-Kennemerland/IJmond 2017 2019 2021

29 25 24

5 2 15 7 1 17 6 2 9

18 18 15

geen voorkeur 2017 2019 2021

middeldure huur (€752-€1053)

dure huur (meer dan €1053)

11

2

19 13 17

1

4

29

0

8

4 3 6 2 5 3 13

25 26 19

0

sociale huur (tot en met €752)

7

38 35 34

buiten de MRA 2017 2019 2021

13

6 9

5

20 21

4 3

betaalbare koop, tot €296.000

27 25 20

24

28 25

7

11 12

28

21

24 23

19

24 19 24 23

29

37

22 21

27 24 25 22 29

26

dure koop 1 , €296.000 €438.000

10 8

25 26

34

60

12 13

28

20 19

28 29 27

27 24

27

18

21 20

29

36

25 27

24

28

40

24

27

14

10

4 3 16 5 1 19 6 2 15

20

22

6 1 21 7 0 19 6 1 13

Almere/Lelystad 2017 2019 2021

Amsterdam 2017 2019 2021

23 22

80

%

100

dure koop 2, hoger dan €438.000 bron: WiMRA 2021

6.3 Benodigde hypotheek verschilt sterk tussen starters en doorstromers In WiMRA 2021 is voor het eerst gekeken naar de mate waarin verhuisgeneigden die willen kopen hypothecaire financiering nodig hebben (zie figuur 6.6a en 6.6b). Iets minder dan de helft (46%) van de verhuisgeneigden (zeker/misschien) die een koopwoning willen, moet nagenoeg het gehele bedrag financieren met een hypotheek (75% - 125% van het aankoopbedrag). Vijftien procent heeft nauwelijks hypothecaire financiering nodig (< 25% van het aankoopbedrag), zeventien procent iets meer (25% - 50% van het aankoopbedrag) en 23% heeft 50-75% van het aankoopbedrag nodig aan hypotheek. De benodigde hypotheek verschilt sterk tussen kopers en huurders. Verhuisgeneigden die al een koopwoning hebben en dus doorstromen binnen de koopsector, hoeven slechts in 24% van de gevallen een nagenoeg volledige hypotheek af te sluiten voor de woning die ze beogen (75% 125%). Bij huurders ligt dit op 81%. Deze koopstarters (huishoudens die willen kopen maar nu nog huren of thuiswonen) zijn meer gericht op de goedkopere woningen. Voor de goedkopere woningen is daarom relatief meer hypothecaire financiering nodig dan voor de duurdere woningen. Zo heeft 68% van de huishoudens die een woning zoeken tot €296.000 een nagenoeg volledige hypotheek nodig.

De jongste huishoudens (< 35 jaar, zonder kinderen) hebben het vaakst een (nagenoeg) volledige hypotheek nodig, al is er wel een groot verschil tussen huurders en woningeigenaren (85% versus 89

51%). Oudere huishouden (55-plus, zonder kinderen) hebben het minst vaak minstens 75% hypothecaire dekking nodig, dit geldt zowel voor huurders als voor kopers (35% en 6%). Huishoudens die in Amsterdam een woning willen kopen, hebben het vaakst minstens 75% hypothecaire financiering nodig (56%), gevolgd door huishoudens die in Almere/Lelystad willen kopen (53%). Huishoudens die in Amstelland-Meerlanden of in Gooi en Vechtstreek willen kopen, hebben het minst vaak nagenoeg volledige hypothecaire dekking nodig (42%). Kader 6 gaat in op de vraag in hoeverre woonwensen van verhuisgeneigde huishoudens aansluiten bij hun inkomen. Figuur 6.6a Benodigde hypotheek als aandeel van de gewenste aankoopprijs, per gewenst segment naar kopers en huurders, 2021 (%) vanuit koop - gewenste koopprijs tot €296.000 €296.000 - €438.000 €438.000 en meer totaal

17

24 25 20 22

20 25 32 29

27 25

vanuit huur - gewenste koopprijs tot €296.000 3 2 9 €296.000 - €438.000 2 3 13 €438.000 en meer 4 7 14 totaal 3 4 12 totaal -

gewenste koopprijs tot €296.000 €296.000 - €438.000 €438.000 en meer totaal

11 14 16 15

34

25

77 76

9 7 74

2

75

8

6

13 15

60 20

22 17

0

5 3 1 2

22 20 22

20

46 27

34

23

42

40

60

8 4 1 3 %

80

100

Figuur 6.6b Benodigde hypotheek als aandeel van de gewenste aankoopprijs, per huishoudenstype, naar kopers en huurders, 2021 (%) vanuit koop- hh zonder kinderen <35 jaar 3 11 gezinnen 16 hh zonder kinderen 35-55 jaar 10 hh zonder kinderen >55 jaar

35 26 53

0

minder dan 25%

25% - 50%

28 82 70 74 26

27

17

2 2 3

22 27 13

34

26

vanuit huur- hh zonder kinderen <35 jaar 2 2 11 gezinnen 3 4 13 hh zonder kinderen 35-55 jaar 4 5 11 hh zonder kinderen >55 jaar 12 totaal- hh zonder kinderen <35 jaar 2 5 gezinnen 13 hh zonder kinderen 35-55 jaar 7 hh zonder kinderen >55 jaar

49 34

6 3 10 7

35 73

21 18

29 25

49 20

50% - 75%

46 28

40

3 4 4

34

60

75% - 100%

14

%

9

80

100

100% - 125% bron: WiMRA 2021

90

Kader 6: Hoe realistisch zijn woonwensen? Zoeken verhuisgeneigde doorstromers een woning die bij hun budget past, of hebben zij wat dit betreft onrealistische woonwensen? Hoe hoger het inkomen, hoe vaker men in de duurdere segmenten zoekt en hoe lager het inkomen hoe vaker men in de betaalbare segmenten zoekt. In figuur 6.7 is per inkomensgroep weergegeven welk deel van de verhuisgeneigde huishoudens een woning zoekt in het woonsegment dat bij hun inkomen past. Dit aandeel is voor elke inkomensgroep groen omkaderd. De groep met een inkomen tussen de huurtoeslaggrens en de grens voor sociale huur (€40.024) en de groep met een inkomen tussen €40.024 en €44.635 hebben beperkt toegang tot sociale huurwoningen. Het woonsegment dat het best bij hun inkomen past is geel omkaderd. Voor deze groep huishoudens is een huur tot €752 een realistische woonwens. Een deel van de verhuisgeneigden heeft echter woonwensen die niet aansluiten bij hun inkomen. In figuur 9.7 is zichtbaar dat een deel van de huishoudens met een inkomen boven de €44.635 toch op zoek is naar een sociale huurwoning. Het kan zijn dat de onrealistische woonwens wordt veroorzaakt door onzekerheid over het inkomen bijvoorbeeld door flexcontracten, zzp-schap, of naderend pensioen. Deze groep komt vaak niet in aanmerking voor een hypotheek en is daarom op het huursegment aangewezen.

Ook onzekerheid over het inkomen door de coronapandemie kan hier een rol spelen. Woningen in het dure huur- en dure koopsegment vereisen een huishoudensinkomen dat meer dan 1,5x modaal is (€60.036). Een deel van de verhuisgeneigden met een inkomen onder deze grens, geeft toch aan op zoek te zijn naar een dergelijke woning. Op het eerste gezicht lijken deze verhuisgeneigden een woning boven hun budget te wensen. Mogelijk hebben deze huishoudens echter vanwege vermogen, overwaarde of omdat ze gaan samenwonen, wel toereikende financiële ruimte om een duurdere woning te bekostigen. Figuur 6.7 Huidig inkomen verhuisgeneigde doorstromers en gewenst woonsegment, MRA, 2021 (%) lage inkomens tot huurtoeslaggrens

49

inkomens van huurtoeslaggrens tot €40.024

18

laagste middeninkomens (€40.024- €44.635)

9

lagere middeninkomens (€44.635- €50.030)

8

middeninkomens (€50.030-1,5x modaal)

6

hogere middeninkomens (1,5x modaal-2x modaal)

0

huur €679€752, koop tot €188.000

koop €188.000€209.000

14

4

10

2

2

10

8

3 5 2 5

hogere inkomens (vanaf 2x modaal) 1112 3

huur tot hoge aftoppingsgrens (€679)

17

5 10

10

12

22

2 5

13

25

16

13

15 17 26

36 43

34 70

40

huur €940€1053, koop tot €296.000

5 10

37

23

huur €752€940, koop tot €237.000

10

33

16

9

20

5

60

%

80

huur €1053€1400, koop tot €438.000

100

huur meer dan €1400, koop meer dan €438.000

bron: WiMRA 2021

91

Voorkeur voor meergezins-, eengezinswoningen of beide woningtypen onveranderd Verhuisgeneigden die binnen de MRA willen verhuizen, hebben de meeste interesse in meergezinswoningen (44%). Rond drie op de tien geven de voorkeur aan een eengezinswoning en 26% oriënteert zich op zowel eengezins-als meergezinswoningen. Deze voorkeursverdeling is vergelijkbaar met die in 2019. Verhuisgeneigden die zich enkel oriënteren op meergezinswoningen geven vooral de voorkeur aan een appartement met lift of, in minder mate, een seniorenwoning. De verhuisgeneigde huishoudens die zich zowel op eengezins- als meergezinwoningen richten, geven vooral de voorkeur aan een benedenwoningen of een appartement met lift. Huishoudens die in Amstelland-Meerlanden of Amsterdam willen wonen, zijn vaker op zoek naar meergezinswoningen dan eengezinswoningen. Binnen de huishoudenstypen zijn er echter nog wel verschillen. Gezinnen en jonge stellen zonder kinderen die in Amstelland-Meerlanden willen wonen, zoeken juist vooral een eengezinswoning. Gezinnen die in Amsterdam een woning zoeken, zoeken net wat vaker een eengezinswoning dan een meergezinswoning. De verhuisgeneigde huishoudens die in een van de andere regio’s willen wonen, richten zich in het algemeen vaker op eengezinswoningen. Figuur 6.8 Gewenst woningtype van huishoudens per gewenste deelregio, MRA, 2021 (%) binnen Metropoolregio Amsterdam

44

31

Zaanstreek-Waterland

26 41

42

Almere/Lelystad

48

Gooi en Vechtstreek

31

48

Amstelland-Meerlanden

40

Amsterdam

15

21

36

24 32

54

23

44

0

18

42

52

buiten de MRA geen voorkeur

21

34

37

Zuid-Kennemerland/IJmond

17

20

eengezinswoning

23

33

40

60

meergezinswoning

23

80

%

100

eengezins- of meergezinswoning bron: WiMRA 2021

Circa de helft woningzoekenden middeldure huur, zoekt een woning van minstens 80 m2 Onder de zelfstandig wonende huishoudens die binnen de MRA willen verhuizen is men op zoek naar verscheidene woninggroottes. De gewenste woninggrootte verschilt al naar gelang gewenst segment en woningtype. Huishoudens die de voorkeur geven aan een sociale huurwoning zoeken veelal een wat kleinere woning dan degenen die interesse hebben in een middeldure of dure huurwoning. Hoe duurder het huursegment waar men zich op richt, hoe vaker men op zoek is naar een woning van meer dan 80 m2. Bij middeldure huur is 46% op zoek naar dit woonoppervlak en bij degenen die zich oriënteren op dure huur is dit 54%. Van de verhuisgeneigden die zich oriënteren op betaalbare koop is de helft (49%) op zoek naar een woning van minstens 80 m2, onder degenen die zich richten op dure koop is dit 68%. Huishoudens die in het duurste segment zoeken, willen voornamelijk een woning van meer dan 100 m2 (70%). Bij de op koop georiënteerde huishoudens is de interesse voor woningen kleiner dan 40 m2 zeer beperkt.

92

Verhuisgeneigde huishoudens die de voorkeur geven aan een meergezinswoning, zoeken vaker een wat kleinere woning dan de huishoudens die een eengezinswoning zoeken. De meerderheid (68%) van degenen die een eengezinswoning op het oog hebben, wil een woning van meer dan 100 m2. Huishoudens die een eengezinswoning zoeken, willen gemiddeld minstens vier kamers (exclusief de keuken en de badkamer) en degenen die een meergezinswoning zoeken, willen gemiddeld minstens drie kamers. Voor woningen tot 60 m2 zoekt men vooral een woning met minstens 2 of 3 kamers, voor woningen tussen de 60-100 m2 geeft men vaak aan minstens 3 kamers te willen en voor woningen groter dan 100 m2 wil men veelal minstens 4 kamers. Figuur 6.9 Gewenste woninggrootte naar gewenst woonsegment en gewenst woningtype, MRA, 2021 (%) totaal binnen MRA 2 sociale huur (tot en met €752)

14

25

5

24

17

dure huur (meer dan €1.053) 2 betaalbare koop, tot €296.000 2

32 28

29

17

4 2

20

34

15

11

37

29

middeldure huur (€752-€1.053) 4

17

32

6

211

11

3 10

7

21

15

26

15

5 21

dure koop €296.000 - €438.000 1

9

22

duurste koop, hoger dan €438.000 02

9

20

27

26

11

5

eengezinswoning 02

9

20

28

25

10

6

meergezinwoning

4

eengezins of meergezins 2

23

40-60 m2

60-80 m2

29

20

80-100 m2

23

33

14

0

tot 40 m2

32

40

100-120 m2

11

25

11

21

4 11 21 %

29

16

60

80

100

120-160 m2

160-200 m2

≥ 200 m2

7

bron: WiMRA 2021

Van de gezinnen die willen verhuizen binnen de MRA zoekt 53% een eengezinswoning, in 2019 ging het om 50%. Gezinnen oriënteren zich wat vaker op zowel eengezins- als meergezinswoningen (25%) dan enkel op meergezinswoningen (22%). Qua gezochte woninggrootte zijn de voorkeuren van gezinnen nauwelijks gewijzigd: 56% wil graag een woning van meer dan 100 m2. Gezinnen zoeken vaak een woning met minstens vier kamers. Van de gezinnen is 19% op zoek naar een sociale huurwoning, 5% richt zich op een middeldure huurwoning en 2% op dure huurwoning. Vergeleken met 2019 zoeken gezinnen nu vaker een koopwoning in het duurste segment (30% in 2021 versus 21% in 2019). Van de verhuisgeneigde gezinnen woont 60% momenteel in een eengezinswoning. Verhuisgeneigde 65-plussers die binnen de MRA willen verhuizen, zijn vooral op zoek naar een meergezinswoning (82%), maar ten opzichte van 2019 oriënteert deze groep huishoudens zich net wat vaker op een eengezinswoning (7%) of op beide type woningen (11%). Het vaakst geven zij de voorkeur aan een appartement met lift of een seniorenwoning, gevolgd door een benedenwoning. Rond twee derde van de senioren, zowel bij alleenstaanden als paren, zoekt een woning van minstens 3 kamers. De verhuisgeneigde 65-plussers zoeken veelal een sociale huurwoning (44%). Dit aandeel is wel afgenomen (2019: 48%).

De helft (51%) van de verhuisgeneigde 65-plussers laat bij verhuizing een eengezinswoning achter. Van de verhuisgeneigde 65-plussers die een eengezinswoning achterlaten is 31% op zoek naar een sociale huurwoning. 93

Verhuisgeneigden zijn vaker op zoek naar een woning met werkruimte en/of tuin Verhuisgeneigden vinden het aantal slaapkamers en de aanwezigheid van een tuin de belangrijkste aspecten van de woning waar ze naar op zoek zijn. Dat was in 2019 ook het geval. Wel is het belang van de aanwezigheid van een tuin gestegen, in 2019 noemde 58% dit en in 2021 62%. Dit hangt waarschijnlijk samen met het vele thuisblijven tijdens de Covid-19 pandemie waardoor huishoudens meer waarde zijn gaan hechten aan een tuin. Het sterkste effect van de pandemie op de gewenste ruimten zien we terug bij het gestegen belang van de aanwezigheid van een werkruimte of praktijkruimte. Door het vele thuiswerken is de behoefte aan een werkruimte in de woning toegenomen: in 2019 vond 16% dit een belangrijk aspect van de gewenste woning en in 2021 is dit aandeel gestegen naar 23%. Dit belang van de aanwezigheid van een werkruimte is voor alle gewenste regio’s in de MRA gestegen, en in Amsterdam het meest (met 9 procentpunt). Figuur 6.10 Belangrijke ruimten en voorzieningen in gewenste woning, 2019-2021, MRA (%) 76

aantal slaapkamers

2019

75

58

tuin

2021

62

46

schuur/berging

46

45

balkon of dakterras

44

43

parkeerplek

44

33

gelijkvloers/lift/geen trappen

32

werkruimte/praktijkruimte

16

garage

16

23

18

13

zolder

13

0

10

% 20

30

40

50

60

70

80

bron: WiMRA 2021

6.4 Woonmilieuvoorkeuren divers en enigszins veranderd Onder verhuisgeneigden is er interesse in verschillende typen woonmilieus. Onderaan tabel 6.12 staat de omschrijving van de verschillende woonmilieus. Het meest in trek zijn het rustig stedelijke woonmilieu (20%), de woonwijk (16%) en het gevarieerde woonmilieu (15%). De woonmilieuvoorkeuren zijn enigszins veranderd tussen 2021 en 2019. Minder populair geworden zijn het rustig stedelijke milieu (2019: 22%) en wonen-winkels-werken (2019: 16%). De ruimtelijkere woonmilieus (woonwijk, landelijk, ruim wonen en recreatief) zijn licht in populariteit toegenomen, mogelijk doordat huishoudens tijdens de Covid-19 pandemie zich meer op een ruime woonomgeving zijn gaan focussen en minder op een voorzieningenrijke woonomgeving. Per huishoudenstype verschilt het accent bij de woonmilieuvoorkeuren (zie figuur 6.11). Er zijn enkele verschuivingen in de woonmilieuvoorkeuren van de verschillende huishoudenstypen. 94

Jonge alleenwonenden (<35 jaar) lijken zich minder op de stad te richten. Waar in 2019 het grootstedelijke woonmilieu van alle huishoudens onder deze groep het populairst was, is het enthousiasme voor dit woonmilieu onder jonge alleenstaanden gedaald van 17% naar 10%. Ook de interesse voor het gevarieerde woonmilieu is bij deze huishoudens sterk gedaald. Jonge alleenstaanden hebben meer interesse gekregen in de woonwijk, wonen-winkels-werken en het recreatieve woonmilieu. Onder gezinnen is vooral de interesse voor ruim wonen toegenomen (van 16% naar 19%) en de interesse voor wonen-winkel-werken en rustig stedelijk licht afgezwakt. Stellen en alleenwonenden tussen de 35-55 jaar zijn zich meer gaan richten op een woning in een woonwijk dan in 2019. Ook 55-plussers hebben de focus verlegd qua woonmilieuvoorkeur, maar bij hen nam juist de stedelijke woonvoorkeur toe. Deze huishoudens zijn onder andere veel minder gericht geraakt op wonen-winkels-werken en hebben meer interesse gekregen voor het grootstedelijke woonmilieu en het gevarieerde woonmilieu. De woonmilieuvoorkeuren verschillen niet heel sterk per inkomensklasse (figuur 6.12). Huishoudens met een inkomen tot de sociale huurgrens (€40.024) en middeninkomens hebben vaker interesse voor wonen-winkels-werken.

Hoger opgeleiden oriënteren zich vaker op de stedelijke woonmilieus en het gevarieerde woonmilieu vergeleken met midden en lager opgeleiden. Laag opgeleiden geven relatief vaak de voorkeur aan wonen-winkels-werken en aan woonwijk. Figuur 6.11 Woonmilieuvoorkeuren van verhuisgeneigden per huishoudenstype, MRA, 2021 (%) totaal 2019 2021

8 9

alleenwonend tot 35 jaar 2019 2021

10

alleenwonend 35-55 jaar 2019 2021

4

stel zonder kind tot 35 jaar 2019 2021

22 20 17

12

5

gezin 2019 2021

5

alleenwonend 55+ 2019 2021

8

8

overig 2019 2021 0

21

13

30

7

21

26 14 23

22

12 15

22

20

16

22

40

15

20

11 16

9

14

60

10 11

9 10

10

15 15

13

5

15 12

15 18 15

10 8

13 13

23 13 19

10 12

16 11

16

9

9

16 16 16

11 9

18

15

10 12

8

21

15

20 18

15

22 22

17 23

12

14 19

15

24 24

19

stel zonder kind 55+ 2019 4 2021 13

23

21

16

9

25

22

9 8

stel zonder kind 35-55 jaar 2019 2021

16 13

19

17

8 10

80

10

6

3 4 5 6

8 8

5 4 5 4

15 19

6 6

16 16

5 7

7 13

4 4 5

10 7 14 12

4 5

10

8 8 4

7

7

7

4

7 1 4 %

100

95

Figuur 6.12 Woonmilieuvoorkeuren van verhuisgeneigden per inkomensklasse, MRA, 2021 (%) tot €40.024

10

€40.024 tot €60.036 (1,5x modaal)

8

€60.036 tot €80.048 (2x modaal)

7

€80.048 en meer

9

0

grootstedelijk

22

16

21

19

19

14

16

16

16

16

10

14

18

7

16

14

20

40

rustig- wonen-winkelsstedelijk werken gevarieerd

8

woonwijk

9

11

11

60

landelijk

7

5

10

6

14

6

19

6

80

% 100

ruim wonen

recreatief

bron: WiMRA 2021

* omschrijving woonmilieus:  grootstedelijk: centrum van een grote stad met veel winkels, uitgaansgelegenheden, bedrijven en kantoren  rustig stedelijk: buurt waar vooral gewoond wordt, nabij het centrum  wonen-winkels-werken: buurt met vooral appartementen, dichtbij wijkwinkelcentrum  gevarieerd: historisch gevarieerde laagbouwbuurt in of bij het centrum van een stad of dorp  woonwijk: wijk waar vooral gewoond wordt, met voornamelijk eengezinswoningen  landelijk: landelijk gebied met weinig andere woningen  ruim wonen: woonomgeving met veel ruimte tussen de woningen op ruime kavels  recreatief: woonomgeving met veel ruimte, tussen recreatieve voorziening als golfbaan, water of bos.

96

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12265466/1