CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20220077811 3. Bijlage II DSP rapport

commissie Samenleving 19 mei 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: Gevolgen schrappen Verwijsindex uit de Jeugdwet (JB)24.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

hoogste twee jaar wordt bewaard; daarna wordt de melding in beginsel gedurende vijf jaar opgenomen in een historisch meldingsarchief dat beperkt toegankelijk is. 34 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 855, nr. 58. Wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met de introductie van een verwijsindex om vroegtijdige en onderling afgestemde verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van risicojongeren die bepaalde risico’s lopen te bevorderen (verwijsindex risicojongeren) Nr. 58 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

28

zijn in het gebruik van de verwijsindex tussen de (convenant)gebieden, waardoor ook de landelijke dekking uitblijft. 35

Een beknopte analyse van data over 2020 van het CIBG levert het volgende beeld van het gebruik van de verwijsindex in 2020. Het beeld is in lijn met de bevindingen uit voorgenoemde evaluaties. Verschillen tussen convenantgebieden Er zijn grote verschillen tussen de 65 regionale convenantgebieden in aantallen meldingen en matches. Volgens een analyse van de CIBG gegevens uit 2020 zijn er 40 convenantgebieden van waaruit professionals meldingen hebben gemaakt. Dit betreft de convenantgebieden die zijn aangesloten via Multisignaal en PinkRoccade. Dat betekent dat er 25 convenantgebieden zijn waar dit niet het geval is: daaruit zijn geen meldingen binnengekomen. Dit betreft de convenantgebieden die zijn aangesloten via Topicus en Stipter. Kijkend naar de convenantgebieden van waaruit meldingen zijn gemaakt, valt op dat de aantallen meldingen zeer uiteenlopend zijn (een overzicht is opgenomen in bijlage 2). Hetzelfde geldt voor gemeenten waar de gemelde jeugdigen woonachtig zijn: er zijn gemeenten waar veel gemelde jeugdigen wonen en gemeenten waar weinig tot geen gemelde jeugdigen wonen. Dit verschil houdt stand wanneer we de aantallen afzetten tegen het aantal inwoners per gebied. Het gemiddeld aantal meldingen per gemeente per inwoner van 0-23 jaar varieert van rond de 300 meldingen tot enkele of geen meldingen per 1000 inwoners van 0-23 jaar.

Bij verre is de lokale verwijsindex van Rotterdam goed voor het hoogste aantal meldingen per inwoners. Deze verwijsindex Stadsregio Rotterdam36 is de grootste melder van in de landelijke verwijsindex. In 2020 zijn er 107.225 meldingen vanuit dit convenantgebied in de landelijke database opgenomen, dat is 34% van het totaal aantal meldingen.

Verschillen tussen organisaties De in 2020 gemaakte meldingen zijn afkomstig van professionals uit 2.244 verschillende organisaties. Conform het wettelijk kader zijn dit zeer uiteenlopende organisaties. Aan de hand van de CIBG gegevens valt geen uitdraai te maken van het type meldende organisatie. Dit omdat organisaties zijn opgenomen onder hun eigen naam, waardoor iedere Gecertificeerde Instelling bijvoorbeeld een aparte naam heeft 37. De grootste meldende instellingen zijn de landelijk werkende organisaties: de William Schrikker Groep en de Raad voor de Kinderbescherming, beide goed voor 6% van de meldingen. De Gecertificeerde Instellingen (zonder WSG) zijn bij elkaar naar schatting goed voor 14% van de meldingen.

35 M. Abraham (2012) De VIR: een tussenstand. Tussenevaluatie van het gebruik van de landelijke verwijsindex risicojongeren. DSP-

groep; M. Abraham en B. van Dijk (2015) Evaluatie verwijsindex risicojongeren. Onderzoek naar het gebruik, het nut en de noodzaak van de verwijsindex risicojongeren: de VIR. DSP-groep; N. Woestenburg, V. Dörenberg, C. Veen, P. van Dijk, J. Geertsema, M. Beukers, C. Ridderbos-Hovingh en H. Winter (2020) Tweede evaluatie Wet verwijsindex risicojongeren. ZonMW. 36 Voorheen SiSa. 37 Zo zijn er namen te vinden als: BJZ, BJZ AMK, BJZ Gelderland, BJZ Groningen, BJZ Limburg - Verwijsindex NM, BJZ Noord-Holland, BJZ UTRECHT, BJZ ZH-ZHN, BJZFLEVO, ZZVIF-BJZ.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

29

Verschillen tussen leveranciers De meldingen gemaakt in 2020 zijn volgens gegevens van het CIBG afkomstig uit twee van de vier leveranciers die de koppeling maken voor gemeentelijke convenanten en daarnaast van de Raad voor de Kinderbescherming die een eigenstandige aansluiting met de landelijke verwijsindex heeft. De verschillen in aantallen worden deels verklaard met het aantal inwoners van 0-23 jaar in de aangesloten gemeenten. Maar vooral ook met de wijze waarop het werken met de VIR is ingericht en wordt begeleid. Een interview met een van de betreffende leveranciers bevestig dat deze aantallen klein zijn, omdat er wordt gewerkt met lokale overlegstructuren, van waar uit door een procesmanager kan worden gemeld bij de VIR. Dit verklaart echter niet waarom er voor de leveranciers Topicus en Stipter helemaal geen meldingen zijn binnengekomen bij het CIBG. Mogelijk ook zijn er technische verklaringen voor het feit dat er geen meldingen van deze leveranciers zijn doorgekomen bij de landelijke database van de verwijsindex. Tabel 3.2: Aantal meldingen en leveranciers + Raad voor de Kinderbescherming38, 2020 Aansluiting VIR via leveranciers

Aantal meldingen 2020

MULTIsignaal

281.431

PinkRoccade

21.757

Topicus

0

Stipter

0

Aantal meldingen via regionale verwijsindexen

303.188

Raad voor de Kinderbescherming

17.906

Totaal aantal meldingen

321.094

Bron CIBG 2021 Tot slot De resultaten overziend valt het op dat een aantal kengetallen niet eenvoudig landelijk beschikbaar is. Zo is bij het CIBG niet bekend hoeveel meldingen er per gemeente zijn gemaakt. Ook de indeling van gemeenten naar convenantgebieden is niet landelijk beschikbaar. Noch is er een landelijk overzicht van het aantal meldingen per type organisatie.

Dit wordt, zo blijkt uit een interview met het CIBG, mede verklaard door het feit dat het CIBG de minimale data verzamelt, niet meer dan nodig voor het maken van matches. Enkele leveranciers kunnen dergelijke gegevens wel aanleveren. Zo heeft MULTIsignaal een landelijk overzicht van meldingen via MULTIsignaal per type organisatie en zijn dashboards gerealiseerd, zodat MULTIsignaal-gemeenten kunnen sturen op aantallen meldingen per gemeente en per organisatie.

38

Omdat de Raad voor de Kinderbescherming direct is aangesloten op de landelijke database wordt deze genoemd in de zelfde rij als de leveranciers, die ook direct zijn aangesloten op de landelijke database. Zie ook figuur 3.1.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

30

Implementatie We zien op basis van de aantallen meldingen en de interviews met professionals en gemeenten verschillende factoren die hebben bijgedragen aan de implementatie van de verwijsindex, waarvan we de twee belangrijkste noemen. Beide factoren worden in ook genoemd in de evaluaties. In hoofdstuk 6, dat ingaat op de mogelijkheden voor doorontwikkeling gaan we hier verder op in. Ten eerste constateren we dat het aantal meldingen sterk samenhangt met de leverancier. Er zijn twee leveranciers waarvandaan geen meldingen in de landelijke database van de verwijsindex zijn opgenomen. We zien hier ook verschillende rollen van leveranciers, waarbij bijvoorbeeld Topicus zich meer richt op het functioneel beheer, en MULTIsignaal actief vormgeeft aan gebruikersbevordering, bijvoorbeeld door het instellen van een actieve gebruikersvereniging en het aanbieden van naslaginformatie via hun website, het organiseren van trainingen/scholingen en het bieden van faciliteiten zoals modelconvenanten. Daarnaast worden in de interviews met gebruikers de inspanningen die gemeenten doen om organisaties aan te sluiten op de verwijsindex genoemd als een belangrijke factor om het gebruik van de verwijsindex te stimuleren. Het instellen van een actieve beheerder, aanjager of relatiebeheerder werkt bevorderlijk. Niet alle gemeenten ondernemen activiteiten om alle organisaties aan te sluiten.

In gemeenten waar weinig inspanningen zijn om organisaties aan te sluiten, zijn daardoor ook minder organisaties aangesloten. Gemeenten hebben een wettelijke plicht om organisaties aan te sluiten op de verwijsindex, maar voor deze organisaties geldt geen wettelijke verplichting (ZonMW 2020). Geconcludeerd kan worden dat in de gemeenten waarin geen meldingen zijn gedaan, zoals diegenen die via Topicus en Stipter zijn aangesloten, of gemeenten waar geen activiteiten zijn ondernomen om organisaties te laten aansluiten, de verwijsindex niet wordt gebruikt zoals bedoeld. We merken hierbij op dat Stipter, sinds 2017 actief, een relatief nieuwe speler is.

3.3

Ruwe kostenraming De kosten voor de verwijsindex zijn, zo blijkt uit interviews met leveranciers, het CIBG en enkele gemeenten, globaal op te delen in verschillende posten. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel en vervolgens toegelicht. Het was binnen de afgesproken doorlooptijd niet mogelijk uitgebreider onderzoek te doen naar de kosten voor het gebruik van de VIR.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

31

Tabel 3.3: Overzicht kostenposten verwijsindex Kostenposten verwijsindex VWS •

Kosten technische doorontwikkeling (CIBG + externe)

•

Personeelskosten facilitair beheer (CIBG)

Gemeenten (352) •

Kosten lokale verwijsindex voor aansluiting en ondersteuning

•

Personeelskosten voor regiocoördinatoren, matchcoördinatoren, relatiebeheer et cetera

Organisaties (>2500) •

Aansluiting lokale verwijsindex (voor de enkele organisaties die aansluiting hebben via eigen registratiesysteem)

•

Personeelskosten instellingscoördinatoren voor borging en bevordering gebruik

•

Personeelskosten voor training en handelingen meldingsbevoegde professionals

Kosten VWS Er zijn kosten voor het CIBG voor het facilitair beheer (personele kosten) en de doorontwikkeling van het systeem (in samenwerking met een extern ICT-bedrijf (CGI)). Een groot deel van de technische doorontwikkeling betreft het updaten van de web portal en de componenten op het platform, om daarmee te blijven voldoen aan veiligheidseisen en laatste ontwikkelingen. De kosten worden betaald door het ministerie van VWS. De kosten bedragen volgens het CIBG circa 900.000,- per jaar.39

Kosten gemeenten Gemeenten hebben (o.a.) kosten voor de leveranciers van de lokale verwijsindexen, die de aansluiting met de landelijke verwijsindex verzorgen. Deze kosten worden betaald door de gemeenten, die daarover binnen convenantgebieden afspraken hebben gemaakt met leveranciers.

Op basis van dit onderzoek zijn geen harde uitspraken te doen over de precieze kosten die gemeenten voor de aansluiting betalen. Op basis van de opgave van enkele gemeenten en enkele leveranciers is bekend dat de kosten voor de aansluitingen per leverancier flink verschillen. De leveranciers zijn terughoudend openheid te geven over de kosten omdat ze bang zijn daarmee hun concurrentiepositie te schaden. Alle contracten met gemeenten zijn tot stand gekomen met een aanbesteding, dat maakt de kosten bedrijfsgevoelige informatie. Er zijn meerdere leveranciers van de verwijsindex, vanwege de keuze om marktwerking op te laten treden. Daarbij bieden leveranciers ook andere pakketten en diensten aan. Leveranciers kennen verschillende abonnementen en abonnementskosten, waarbij bijvoorbeeld worden aangeboden functioneel beheer, webservices, e-learningmodules, implementatie- en gebruik

39 Dit komt overeen met opgave op rijksfinanciën.nl.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

32

bevorderende materialen, ondersteuning en begeleiding. Het is niet per definitie zo dat (leveranciers met) de meeste diensten de meeste kosten met zich mee brengen.

Op basis van die informatie gaan we uit van een gemiddeld bedrag van 50 cent per inwoner van 0-23 jaar per jaar. Daarmee komt het totaalbedrag voor de aansluiting die de 352 gemeenten samen betalen grofweg neer op € 2,2 miljoen. Overigens viel het op dat de respondenten van de gemeenten doorgaans weinig zicht hadden op de kosten, mede omdat er vaak sprake is van langlopende contracten die ‘standaard’ op de begroting staan.

Gemeenten hebben daarnaast personele kosten voor de functies van gemeentelijke coördinator (of een variant daarop). Ook hieraan wordt heel verschillend invulling gegeven: waar in de ene gemeente fulltime een coördinator aan het werk is, heeft een andere gemeente hier (vrijwel) geen personeel voor vrijgemaakt. De gemeente heeft onder andere tot taak het gebruik van de verwijsindex te bevorderen, daartoe afspraken te maken met binnen de gemeente werkzame organisaties, en erop toe te zien dat professionals opvolging geven aan een match. Door deze verschillende invullingen valt hier ook geen schatting te maken van deze kostenpost.

Kosten organisaties De kosten die organisaties dragen voor de verwijsindex zijn met dit onderzoek niet in kaart gebracht. Organisaties kunnen kosten hebben voor de aansluiting van hun eigen systeem op de (lokale) verwijsindex. Daarnaast hebben organisaties personele kosten voor de functie van coördinator, die contactgegevens van de meldingsbevoegden en signalen uit de verwijsindex beheert. Ook vraagt het gebruik van de verwijsindex tijd en inzet om meldingsbevoegde professionals te instrueren en faciliteren. Tot slot zijn er personele kosten voor tijd en inzet van meldingsbevoegde professionals voor training en instructie, en het doen van een melding. Dit laatste kost de meldingsbevoegde professionals weinig tijd, zo maken we op uit de evaluatie uit 2020.

Totaalsom Een totaalsom van de jaarlijkse kosten van de verwijsindex is op basis van voorliggend onderzoek niet te maken. Aan de hand van extrapolatie kunnen we beredeneren dat de kosten voor de infrastructuur van de landelijke en lokale verwijsindexen tezamen liggen in de orde van grootte van ruim € 3 miljoen (€ 0,9 miljoen voor het Rijk en € 2,2 miljoen voor gemeenten). Daarbovenop komen diverse personele kosten voor gemeenten, instellingen en professionals. Waarbij geldt dat hoe meer de VIR wordt gebruikt, hoe hoger de kosten zullen zijn. Immers, als een gemeente of organisatie geen coördinator heeft, hoeft deze ook niet te worden betaald.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

33

3.4

Resumé De uitkomsten over de uitvoeringspraktijk van de landelijke verwijsindex laten zich vatten in de volgende punten, waarbij we ook ingaan op de beantwoording van de onderzoeksvraag over implementatie: Het gebruik van de verwijsindex is de afgelopen jaren toegenomen, zo kan worden afgeleid uit het toegenomen aantal meldingen en matches. Vanaf de invoering van de verwijsindex in 2010 zijn er grote verschillen tussen gemeenten, convenantgebieden, leveranciers, organisaties en professionals in de mate waarin meldingen worden gemaakt. De beoogde landelijke dekking is niet gerealiseerd. Er zijn diverse leveranciers en gemeenten van waaruit geen meldingen in de landelijke database zijn opgenomen. Belangrijke genoemde factoren die bijdragen aan een implementatie van de VIR in een gemeente en het stimuleren gebruik van de VIR binnen organisaties en onder professionals zijn: • leveranciers die een grote rol hebben en betrokken zijn bij de uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld door de inzet van gebruikersverenigingen; • de inspanningen die gemeenten doen om organisaties aan te sluiten op de verwijsindex en het gebruik binnen de organisaties te borgen. Een harde uitspraak over de kosten van de verwijsindex is op basis van dit onderzoek niet te maken.

De kosten voor de architectuur van de verwijsindex voor het Rijk en gemeenten liggen in de orde van grootte van respectievelijk € 0,9 miljoen en € 2,2 miljoen. Daarbovenop komen personele kosten voor gemeenten en organisaties voor het faciliteren, bevorderen en gebruiken van de verwijsindex. Er blijken grote verschillen tussen de kosten van de verschillende leveranciers.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

34

4

Doelbereik We beantwoorden in dit hoofdstuk de volgende onderzoeksvragen over doelbereik: Welke opvolging is gegeven aan matches op een individuele jeugdige en gezinsmatches in 2020 op regionaal en bovenregionaal niveau en waarom is er wel of geen opvolging gegeven aan een match? In hoeverre draagt het opvolgen van een (gezins)match bij aan de achterliggende doelen van de VIR: vroegtijdige signalering, informatie-uitwisseling en tijdige hulp, zorg of bijsturing?

In dit hoofdstuk gaan we in op het doelbereik van de verwijsindex. Eerst zetten we de beoogde werking uiteen om vervolgens na te gaan in welke mate deze worden bereikt. Zo wordt uiteengezet hoe een match wordt opgevolgd en in welke mate de match bijdraagt aan de achterliggende doelen van de verwijsindex. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op het casusonderzoek waarbij we professionals benaderden en vragen stelden over een recente match, en interviews met gebruikers (gemeenten en organisaties), leveranciers, jeugdigen en ouders en betrokken ambtenaren van de ministeries van VWS en JenV en de VNG.

4.1

Beoogde werking Aan de hand van de doelen van de verwijsindex (paragraaf 2.1) en op basis van logica is de beoogde werking van de verwijsindex uiteengezet. Om te komen tot vroegsignalering, informatie-uitwisseling en tijdige en passende hulp, zorg of bijsturing, dient een aantal stappen te worden doorlopen. Deze zijn weergegeven in onderstaand figuur en vervolgens toegelicht:

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

35

Figuur 4.1: Beoogde werking verwijsindex 1. professional heeft een zorg over een jongere

2. professional doet melding in verwijsindex

3. twee meldingen over dezelfde jongere leiden tot match in landelijke database

4. professionals ontvangen bericht van match en weten van elkaars betrokkenheid bij dezelfde jongere

5. professionals nemen contact met elkaar op en wisselen informatie uit (na toestemming)

6. professionals zetten tijdig in op passende hulp, zorg of bijsturing en passen zo nodig hun aanpak aan

voorkomen, beperken of wegnemen van daadwerkelijke bedreigingen van noodzakelijke condities voor gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid

Het proces begint bij een meldingsbevoegde professional die een redelijk vermoeden van de in de Jeugdwet genoemde risicosignalen zorg heeft over een jongere40. Na een afweging (bijvoorbeeld met gebruikmaking van de handreiking) kan deze er voor kiezen een melding te maken in de verwijsindex.

Wanneer professionals (binnen twee jaar tijd) een melding hebben gedaan over een en dezelfde jongere (of in geval van een gezinsmatch: twee jeugdigen met overeenkomende ouder), is er een match. Dit bij elkaar brengen van twee (of meer) meldingen, is een vorm van vroegsignalering. Mogelijk is er meer aan de hand met de jongere en dient (verder) te worden ingegrepen. Naar beide professionals wordt vervolgens het signaal afgegeven dat er een gedeelde zorg is. Hiermee is het eerste doel van de verwijsindex bereikt: vroegsignalering.

Wanneer het signaal de professionals bereikt, kunnen zij volgens de gemaakte afspraken met elkaar contact opnemen om vervolgens (conform de wet na toestemming van jongere en/of ouders) informatie

40 Jeugdwet Artikel 7.1.4.1.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

36

met elkaar uit te wisselen. Wanneer dit gebeurt, is het tweede doel van de verwijsindex bereikt: informatie-uitwisseling.

Vervolgens dienen professionals met de nieuwe informatie in te zetten op tijdige en passende hulp, zorg of bijsturing. Als het nodig is kunnen zij hun aanpak aanpassen. Wanneer de informatie-uitwisseling én het inzetten van een passend hulpaanbod binnen afzienbare termijn gebeurt, is deze hulp ook tijdig. Als dit is gebeurd is het derde doel van de verwijsindex bereikt: tijdig passende hulp, zorg of bijsturing bieden. Dit alles draagt bij aan een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid van de jongere waarover een zorg was.

4.2

Doelbereik Om zicht te krijgen op de opvolging aan matches hebben we casusonderzoek uitgevoerd. Daartoe hebben we een selectie gemaakt van matches uit 2020 van de CIBG gegevens41 en zijn de bijbehorende professionals aangeschreven42. Deze professionals zijn bevraagd over de geselecteerde match. Of, wanneer ze de match niet herkenden, over een recente andere match. Uiteindelijk beantwoordden 178 respondenten (138 aangesloten via MULTIsignaal en 40 via PinkRoccade) over 178 verschillende matches de vragen. Daartoe zijn 826 respondenten aangeschreven en hebben er 106 email-uitnodigingen de professionals niet bereikt. Dat levert, framefouten in acht genomen, een responspercentage van 25% (178/720).

Kanttekening Het aantal respondenten dat vragen beantwoordde is beperkt (178). Dat betekent dat de uitkomsten van het onderzoek naar de opvolging van matches met enige voorzichtingheid en met de juiste betrouwbaarheidsmarges moeten worden geinterpreteerd. De kleine aantallen maken het niet mogelijk een opsplitsing te maken naar individuele/gezinsmatches en matches op regionaal/ bovenregionaal niveau. Niet alle respondenten hebben alle vragen beantwoord, wat ertoe leidt dat de hieronder genoemde ‘n-en’ kunnen verschillen.

Vroegsignalering Aan de 178 geselecteerde professionals is gevraagd of zij een bericht hebben gekregen over ‘hun’ match. Dit blijkt voor 26% (46) van de respondenten het geval, maar voor 74% (132) niet. Mogelijke verklaringen voor dit beperkte aantal zijn:

41 Het CIBG heeft een steekproef getrokken van matches uit de geselecteerde convenantgebieden. Dat resulteerde in een steekproef

van 1566 matches, zowel convenant-overstijgende als regionale en zowel ‘gewone’ matches als gezinsmatches. 42 Wanneer er meerdere matches op één naam stonden, is daaruit één match geselecteerd. Er zijn op deze manier 826 professionals aangeschreven en uitgenodigd voor het onderzoek. Niet alle uitnodigingen hebben de professionals bereikt, bleek uit de 106 nietbezorgbare e-mails.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

37

Professionals hebben ‘hun’ match niet meer helder voor de geest, bijvoorbeeld omdat ze te maken hadden met meerdere matches, of omdat ze deze match op basis van de gegeven informatie niet herkenden. De e-mailadressen die zijn gekoppeld aan de match zijn niet (meer) de juiste, bijvoorbeeld door ‘achterstallig onderhoud’ van de contactgegevens van meldingsbevoegden. Overigens is bekend dat ‘systeem-hygiëne’ onderhoud aandacht vraagt, blijkt uit gesprekken met leveranciers en gebruikers. Dat betekent dat mutaties doorgevoerd moeten worden zodat de contactgegevens van gebruikers up-to-date zijn en matchnotificaties bij de juiste persoon terecht komen. Vaak is de invoer/start van het systeem geregeld, maar de borging en het beheer vraagt meer aandacht van organisaties. De matchsignalen bereiken in sommige organisaties de professionals via de ICT-systemen van de leveranciers of organisaties, waardoor de respondent deze nu niet herkent aan de hand van de verstrekte informatie.

We hebben hier beperkt zicht op gekregen en trekken daarom geen harde conclusies over de mate waarin een matchbericht de juiste professional bereikt, maar dat niet alle matchsignalen de juiste professionals bereiken is evident. Ook het aantal uitnodigingen dat niet bezorgd kon worden op het in de CIBG-database opgenomen e-mailadres (106 van de 826 =13 %) geeft daartoe aanwijzingen. Wat de consequenties daarvan zijn weten we niet; mogelijk bemoeilijkt dit de opvolging van matches.

Van de respondenten die de match niet herkenden (132), gaf 72% (92) aan afgelopen jaar een bericht ontvangen te hebben over een andere match. Beide groepen professionals hebben we vervolgens bevraagd over de achtergrond van de melding en de opvolging van de matches. De antwoorden van beide groepen bleken niet veel van elkaar te verschillen en we presenteren de uitkomsten van beide groepen dan ook bij elkaar. De respondenten die niet recent te maken hadden met een match hebben - net als de andere respondenten - een aantal algemenen vragen beantwoord.

Bevraagde respondenten (n=11443), dus professionals die recent te maken hadden met een match, hebben een melding gemaakt om de volgende reden (top 3): Zorgen over de jongere; deze had opgroei- en opvoedproblemen 45%; Zorgen over de jongere; de ouders/verzorgers schoten ernstig tekort in de verzorging of opvoeding 25%; Het maken van een zorgmelding wordt voorgeschreven door het protocol/de werkwijze in de organisatie 17%.

43 Een aantal respondenten is afgehaakt. Daardoor zijn er minder dan 46+92 respondenten over.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

38

Informatie-uitwisseling Naar aanleiding van de match heeft volgens de enquête 60% (n=114) van de bevraagde professionals contact gehad met de andere meldende professional voor informatie-uitwisseling. Voor convenantoverstijgende matches is dit aandeel kleiner, voor matches binnen convenanten groter. Dit contact vond in 77% van de gevallen plaats binnen twee weken, en in 93% binnen vier weken (n=84). De professionals kenden elkaar al voordat zij bericht kregen over de match in 52% van de gevallen, vooral omdat zij in dezelfde gemeente of regio werkten (n=68). In 82% van deze gevallen, waar professionals elkaar al kenden, wisten zij van elkaar dat de zorg over een jongere/gezin werd gedeeld voordat zij een bericht kregen.

Er zijn, blijkens de bevraagde professionals, verschillende redenen om geen opvolging te gegeven aan een match en geen contact te zoeken om informatie uit te wisselen. Relatief vaak is genoemd dat er al contact was, bijvoorbeeld via beschermingstafels of multidisciplinair overleg, of dat dit anderszins niet nodig wordt bevonden, bijvoorbeeld omdat er vanuit school geen verdere vragen zijn. Enkele respondenten melden dat er technische redenen zijn om geen opvolging te geven, bijvoorbeeld omdat het inlogsysteem niet werkte, of dat de casus niet hen maar een andere professional betrof. Redenen om wel contact op te nemen is om te komen tot afstemming over zorg, hulp of bijsturing. Bijvoorbeeld om samen te bepalen welke vervolgstappen genomen dienen te worden, of om de andere professional te vragen of deze het in dit geval nodig acht om contact op te nemen.

Tijdige en passende hulp, zorg en bijsturing Als er contact is geweest tussen professionals leidt dit volgens professionals in het casusonderzoek vooral tot meer zicht op de problematiek en afstemming in een vroeg stadium. De percentages zijn weergegeven in onderstaande tabel, waarbij de linker kolom betrekking heeft op percentages van de gevallen waarin contact tussen professionals is geweest, en in de rechter kolom percentages zijn weergegeven ten opzichte van alle professionals die te maken hadden met een match. Hiermee krijgen we zicht op (een schatting van) het daadwerkelijke doelbereik van de matches.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

39

Tabel 4.1: Antwoorden op de vraag: Tot wat heeft het contact tussen u en de andere meldende professional geleid? Meerdere antwoorden mogelijk (n=68) Aantal

Meer zicht op systeemproblematiek/het grote plaatje rondom het gezin van de jongere Afstemming in een vroeg stadium met een andere organisatie Tot niks concreets

40

% t.o.v. aantal matches waarbij contact tussen professionals is geweest (68) 59%

% t.o.v. aantal matchsignalen (114)

21

31%

18%

10

15%

9%

Afstemming met een professional/organisatie die nog niet betrokken was Opschaling van de hulpverlening van het gezin

9

13%

8%

7

10%

6%

Aanpassing van mijn plan van aanpak van de jongere Opschaling van de hulpverlening van de jongere

7

10%

6%

6

9%

5%

35%

Aanpassing van de beoordeling van de problematiek van de jongere Aanpassing van mijn plan van aanpak van het gezin Weet ik niet

5

7%

4%

4

6%

4%

3

10%

6%

Overig

3

29%

6%

Bron: Enquête casusonderzoek matches

Verder geeft van de professionals die te maken hadden met een match aan dat (n=99) In 44% de informatie van de andere meldende professional waarmee contact is geweest heeft bijgedragen aan het inzetten van (meer) passende hulp, zorg of bijsturing. In 34% de informatie van de andere meldende professional waarmee contact is geweest heeft bijgedragen aan het inzetten van vroegtijdiger hulp, zorg of bijsturing. In 48% de hulp, zorg of bijsturing heeft geleid tot (het voorkomen, beperken of wegnemen van daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor) een meer gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid.

Totaalbeeld De verwijsindex heeft als doel te leiden tot vroegsignalering, informatie-uitwisseling en tijdig bieden van zorg, hulp en bijsturing. Het beeld dat ontstaat uit het casusonderzoek is dat dit gebeurde in een deel van de cases waarin sprake is van een match, echter lang niet in alle gevallen. Dit blijkt wanneer we voor een steekproef van 178 matches de verschillende stappen nagaan die professionals moeten doorlopen om te komen tot doelbereik. Het gaat om: a)

de professional moet bericht krijgen van de match;

b) (tijdig) contact krijgen met de andere professional; en c)

DSP-groep

op basis van die informatie komen tot vroegtijdige en passende zorg, hulp of bijsturing.

RAPPORT ─ De VIR in beeld

40

De uitkomsten van het casusonderzoek zijn samengevat in onderstaand figuur. Figuur 4.2: Opvolging matches (n=178)

* Hoe groot dit percentage is valt op basis van dit onderzoek niet vast te stellen, zie ook pagina 38. ** Een aantal antwoordcategorieën uit tabel 4.1 is in dit overzicht gebundeld. *** Het betreft dezelfde aantallen als eerder genoemd in tabel 4.1, afgezet tegen het aantal matchsignalen.

Aan alle respondenten hebben we stellingen voorgelegd over het doelbereik van de verwijsindex (n=118). Ook daaruit blijkt dat de verwijsindex – volgens een krappe meerderheid van de respondenten – bijdraagt aan vroegtijdiger signalering, informatie-afstemming en/of het bieden van een meer passend aanbod van hup zorg of bijsturing. Dit geldt echter niet voor iedereen en niet in alle gevallen. Bijna een kwart van de respondenten is het hiermee (deels) oneens.

Tabel 4.2: Stellingen (n=118) Mee eens

De VIR draagt bij aan het vroegtijdiger signaleren van problemen bij jeugdigen. De VIR draagt bij aan het bevorderen van afstemming tussen meldingsbevoegde professionals. De VIR draagt bij aan het meer passend aanbieden van hulp, zorg of bijsturing bij jeugdigen.

Grotendeels mee eens

Neut raal

Mee oneens

27%

Groten deels mee oneens 19%

15%

31%

25%

36%

21%

10%

8%

13%

31%

33%

14%

9%

8%

Bron: Enquête casusonderzoek matches

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

41

In de interviews met organisaties en gemeenten die de verwijsindex gebruiken, is gevraagd hoe zij aankijken tegen het doelbereik van de verwijsindex. Een belangrijke uitkomst van de gesprekken is dat er weinig tot geen zicht is op het doelbereik. Noch gemeenten noch organisaties noch leveranciers monitoren de opvolging van de matches en hebben structureel zicht op het verloop. Wel worden, zoals vermeld in voorgaand hoofdstuk, de aantallen meldingen en matches bijgehouden door leveranciers, gemeenten en regionale convenanthouders, maar niet door allemaal, waarbij er wederom een grote diversiteit is in het land. Verschillende respondenten, met name ‘actieve’ coördinatoren van gemeenten en leden van de gebruikersvereniging van MULTIsignaal maar ook Zorgvoorjeugd-gebruikers (PinkRoccade) kunnen succesverhalen noemen waarbij jeugdigen door gebruikmaking van de verwijsindex zijn geholpen. Vaak betrof het verhuisde gezinnen en zorgmijders, die uit beeld verdwenen waren en met behulp van de verwijsindex weer in beeld kwamen. Enkele van deze succesverhalen zijn door MULTIsignaal verzameld en online gezet op jijmaakthetverschil.nl. In alle gesprekken werd door respondenten de kanttekening geplaatst dat het doelbereik van de verwijsindex vergroot zou kunnen worden door het gebruik van de VIR door gemeenten, organisaties en professionals te stimuleren.

In de twee interviews met vertegenwoordigers, werd door zowel jeugdigen als ouders het doel van de verwijsindex onderschreven. Daarbij wordt wel benoemd dat als er sprake is van een match, er ook daadwerkelijk hulp dient te worden geboden. Door de lange wachtlijsten is dit vaak niet realistisch, waardoor wordt getwijfeld aan het nut van vroegsignalering als er toch geen tijdige hulp kan worden geboden.

4.3

Resumé We vatten de uitkomsten samen aan de hand van de beantwoording van de onderzoeksvragen over doelbereik: Er zijn in 2020 ruim 630.000 matches gemaakt, waarmee jeugdigen vroegtijdig zijn gesignaleerd. Het gaat om 472.480 matches binnen het convenant en 161.495 convenant-overstijgende matches. Een groot deel van de daar uitvolgende matchsignalen bereikt de meldende professionals, maar niet alle (hoeveel is op basis van dit onderzoek niet vast te stellen). Naar schatting 60%44 van de matchsignalen is opgevolgd: professionals zochten contact met de andere professionals en daarmee vond informatie-uitwisseling plaats. •

De meest voorkomende reden om géén contact op te nemen naar aanleiding van een match is dat er al contact was met de andere professional. Dat is overigens een positief teken wat wijst op al bestaande samenwerking en netwerken.

44 Betrouwbaarheidsmarges in acht genomen.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

42

•

De meest voorkomende reden om wel contact op te nemen naar aanleiding van een match is dat er behoefte was aan verdere afstemming over te bieden hulp, zorg of bijsturing.

Een deel van deze matches leidt tot meer inzicht, vroegtijdig afstemmen en inzetten en bijstellen van hulpplannen: naar schatting respectievelijk 39%, 18% en 21% 45. Binnen dit onderzoek is geen zicht verkregen op de mate waarin daadwerkelijk hulp, zorg en bijsturing de jeugdigen heeft bereikt en de rol die de VIR daarbij heeft gespeeld. (Dit vraagt een ander soort onderzoek.)

45 Betrouwbaarheidsmarges in acht genomen.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

43

5

Alternatieven In dit hoofdstuk staan de onderzoeksvragen over alternatieven centraal: Wat doen gemeenten, organisaties en professionals waarbij de VIR niet wordt gebruikt ter bevordering van vroegtijdige signalering, informatie-uitwisseling en tijdige hulp, zorg of bijsturing op zowel regionaal als op bovenregionaal niveau? Wat zijn de mogelijke consequenties van het ‘Wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein’ (Wams)? voor vroegsignalering en informatie-uitwisseling? Is er een passend alternatief voor een instrument als de VIR die dezelfde achterliggende doelen nastreeft (vroegtijdige signalering, informatie-uitwisseling en tijdige hulp, zorg of bijsturing)? Zo ja, wat houdt dit alternatief inhoudelijk in? Hoe is dit alternatief van meerwaarde en welke voor- en nadelen kent een dergelijk alternatief voor gemeenten, (meldingsbevoegde) organisaties en professionals? Is er voor dit passende alternatief voldoende steun onder gemeenten, (meldingsbevoegde) organisaties en professionals en wat is nodig vanuit het Rijk, de VNG en gemeenten om draagvlak verder te bevorderen in de komende periode? Wat zijn de kosten van een passend een alternatief voor het Rijk, de VNG, gemeenten en organisaties en hoe verhoudt dit zicht tot de kosten voor een doorontwikkelde VIR.

In dit hoofdstuk gaan we in op mogelijke alternatieven voor de verwijsindex waarmee dezelfde doelen worden bereikt: vroegsignalering, informatie-uitwisseling en tijdige en passende hulp, zorg of bijsturing. Eerst beschrijven we de werkwijze in gebieden waar de verwijsindex niet of beperkt wordt gebruikt. Vervolgens gaan we nader in op twee werkwijzen die zijn genoemd als mogelijke alternatieven. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op deskresearch, de digitale uitvraag onder beleidsambtenaren jeugd van gemeenten waar de verwijsindex niet of nauwelijks wordt gebruikt en interviews met gebruikers (gemeenten en organisaties), leveranciers, jeugdigen en ouders en betrokken ambtenaren van de ministeries van VWS en JenV en de VNG.

5.1

Werkwijzen waarbij de VIR niet wordt gebruikt Om zicht te krijgen op de werkwijzen van gemeenten, organisaties en professionals in gebieden waar de VIR niet of nauwelijks wordt gebruikt, hebben we een beknopte digitale uitvraag gedaan onder betrokken beleidsambtenaren jeugd. We hebben hiervoor gemeenten benaderd via de leveranciers en

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

44

VNG in geselecteerde convenantgebieden waarvan we op basis van CIBG data wisten dat er in mindere mate gebruik wordt gemaakt van de verwijsindex. De korte enquête is beantwoord door 24 beleidsambtenaren uit 20 verschillende gemeenten46 van verschillende leveranciers47. Niet alle respondenten hebben alle vragen beantwoord, wat ertoe leidt dat de hieronder genoemde ‘n-en’ kunnen verschillen.

Inzet op vroegtijdig signaleren van risico’s binnen gemeenten In alle gemeenten wordt volgens de respondenten ingezet op het vroegtijdig signaleren van risico's die een bedreiging vormen voor het veilig opgroeien van jeugdigen van 0-23. Dit gebeurt op verschillende wijzen, bestaande uit een combinatie van onderstaande punten: Door de inzet van ‘een netwerk’: “Door (op diverse manieren) korte lijnen te organiseren tussen verschillende instellingen/partijen die nauw betrokken zijn bij/goed zicht hebben op jeugdigen.” Een gemeente heeft een ‘vroegsignaleringsplatform’ waarbinnen lokale partijen signalen met elkaar delen en samenwerken aan een gezamenlijke aanpak indien nodig. Een andere gemeente heeft een Ondersteuningsteam (toegang Jeugdhulp en complexe casuïstiek) waar ook de samenwerking met het basisteam preventie plaatsvindt. In dit kader is ook het zorg en veiligheidsoverleg genoemd, alsmede overleg met de consultatiebureaus, scholen en zot of zat-overleggen48. Door de inzet van sociale wijkteam: “Daarnaast zijn de medewerkers van onze Sociale Wijkteams goed en laagdrempelig bereikbaar voor vele sociale partners. Ze zitten bij het overgrote deel van de huisartsenpraktijken, bij nagenoeg alle scholen en werken nauw samen met de jeugdgezondheidszorg, peuterspeelzalen en kinderopvang” (respondent).

Door het gebruik van de meldcode: “Allereerst wordt er natuurlijk breed gewerkt op basis van de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” (respondent). Ook de kindcheck49 is onderdeel van de meldcode voor organisaties die werken met volgwassen opvoeders.

Vaak wordt de goede en multidisciplinaire samenwerking benoemd. Ook deelname aan projecten als: Geweld hoort Nergens Thuis en Stevig Ouderschap binnen de jeugdgezondheidszorg zijn genoemd. Verder valt op dat respondenten van twee gemeenten aangeven (toch) ook de verwijsindex te gebruiken, in aanvulling op bovenstaande punten.

46 Het aantal gemeenten dat weinig of niet gebruik maakt van de verwijsindex ligt naar verwachting rond de 100. Dit beredenerend

vanuit het feit dat er 25 convenantgebieden zijn van waaruit geen meldingen zijn gemaakt. 47 De 24 respondenten zijn afkomstig uit 22 gemeenten, aangesloten via de leveranciers Topicus (16) en Pink Roccade (7) en onbekend (1). 48 Zorgteam- en zorg adviesteam-overleg. Het zorgteam is verbonden aan één school en een ZAT werkt voor een aantal scholen tegelijk. In het ZAT zitten bijvoorbeeld de schoolmaatschappelijk werker, de leerplichtambtenaar en de orthopedagoog. 49 Zie 5.2.2.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

45

Informatie-uitwisseling binnen gemeenten De informatie-uitwisseling tussen professionals binnen de gemeente bij risicosignalen over een jongere of een andere jongere uit hetzelfde gezin vindt plaats:50 Via reguliere overleggen op gemeentelijk niveau waar professionals signalen uitwisselen (18 van de 20 gemeenten). Voorbeelden zijn casusoverleg, “verdeeloverleg, waarbij we informatie uitwisselen tussen professionals. Soort 1e screening over welke voorziening of wet passend is om hulp uit te bieden”; Via reguliere overleggen in lokale (wijk)teams waar professionals signalen uitwisselen (in 16 van de 20 gemeenten); Via een centraal meldpunt51 of contactpersoon (in 8 van de 20 gemeenten). Dit is bijvoorbeeld het aanspreekpunt van het toegangsteam, dat ook meteen het wijkteam is.

In het algemeen wordt door respondenten ook aangegeven dat informatie-uitwisseling plaatsvindt op allerlei manieren: formeel en informeel, op uitvoerend, beleids- en bestuurlijk niveau. Aanvullend aan reguliere overleggen zijn er de ‘korte lijnen’ zodat professionals bij dringende zaken direct contact kunnen hebben. Professionals komen elkaar ook tegen in hun dagelijks werk waardoor er ook korte contactmomenten kunnen zijn. Een ‘warme overdracht’ is in meerdere gemeenten de standaard, bij voorkeur samen met het gezin, aldus respondenten.

Informatie-uitwisseling buiten de gemeentegrenzen De informatie-uitwisseling tussen professionals buiten de gemeentegrenzen bij risicosignalen over een jongere of een andere jongere uit hetzelfde gezin vindt plaats: 52 Via reguliere overleggen op regionaal niveau waar professionals signalen uitwisselen (10 van de 22), bijvoorbeeld via het regionaal expertteam waar jeugdigen met een complexe hulpvraag besproken worden. Daarnaast vindt er overleg plaats in de veiligheidsniveau en in het Zorg en Veiligheidshuis; Via reguliere overleggen op gemeentelijk niveau waar professionals signalen uitwisselen (9 van de 20). In dit geval worden anderszins verkregen bovenregionale signalen besproken; Via reguliere overleggen in lokale (wijk)teams waar professionals signalen uitwisselen (7 van de 20); Via een centraal meldpunt of contactpersoon (4 van de 20).

Verschillende respondenten geven aan dat signalen altijd kunnen worden opgevangen door Veilig Thuis. Door meerdere bevraagden wordt aangegeven dat ook de overdracht van een gezin/jongere naar een andere gemeente 'warm' plaatsvindt. Ook hier worden de korte lijnen benoemd. Professionals weten elkaar te vinden via de gangbare paden als dat nodig is, via de mail, telefonisch, digitaal of live. In feite is de werkwijze niet veel anders dan bij de informatie-uitwisseling binnen de gemeente, behalve dan dat er

50 Respondenten kunnen meerdere antwoorden geven. 51

Het gaat hier niet om een digitaal systeem.

52 Respondenten kunnen meerdere antwoorden geven.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

46

diverse bovengemeentelijke overleggen zijn waarbij wordt aangesloten of bovengemeentelijke informatie wordt meegenomen. Een systeem als hulpmiddel Wanneer we respondenten vragen naar of ze als hulpmiddel ook een informatiesysteem gebruiken, blijkt dat in minder dan de helft van de gevallen zo te zijn. Genoemd worden de meldcode en (toch ook) de verwijsindex (daaronder valt ook Zorg voor Jeugd, het systeem van Pink Roccade, dat door respondenten apart wordt genoemd). Een enkele gemeente maakt gebruik van meerdere systemen: een voor de lokale afstemming (in dit geval de applicatie MensCentraal) en een voor de regionale en bovenregionale afstemming (verwijsindex).53

In een gesprek met een beleidsambtenaar van een gemeente waar weinig/geen gebruik wordt gemaakt van de verwijsindex54, blijkt dat voor het doen van vroegsignalering en het bevorderen van samenwerking vooral wordt ingezet op lokale netwerken. De aansluiting met de verwijsindex is gerealiseerd maar gemeenten noch instellingen maken er gebruik van. Dit komt ook door de wijze waarop de verwijsindex in dit convenantgebied is geïmplementeerd: alleen een selecte groep van procesmanagers (doorgaans werkzaam bij gemeenten) heeft toegang tot de verwijsindex die is aangesloten via het VIS2 systeem van Topicus. Deze wordt gebruikt als er grote problemen spelen en de zorg als is geëscaleerd. Het gebruik wordt vanuit de gemeente niet gestimuleerd. Voor deze constructie is destijds bij de implementatie van de verwijsindex door de gemeenten van het convenantgebied gekozen.

Het valt op dat bovenstaande resultaten vooral betrekking hebben op de meer geëscaleerde zorgsignalen en hulpvragen, denk aan de voorbeelden als casusoverleg, expertteam waar jeugdigen met een complexe hulpvraag besproken en Zorg en Veiligheidshuis. De gebruikte overlegstructuren lijken daarmee vooral te zijn gericht op een goede ketensamenwerking en onderlinge afstemming, en minder op vroegsignalering. Verder zien we dat de werkwijzen in de praktijk bestaan in combinatie met of naast het werken met de verwijsindex, en-en dus. Waarbij in het ene geval gemeenten actiever gebruik maken van de verwijsindex, in combinatie met, en in het andere geval de verwijsindex alleen pro-forma aanwezig is.

53 Hoewel op het eerste gezicht niet wenselijk komt het voor dat wordt gewerkt met verschillende systemen. Technisch is het vaak

mogelijk een koppeling te maken. Hiervoor wordt soms ook een derde ICT partij ingezet 54 Het was de bedoeling om een groepsgesprek te realiseren, dat is mede door de korte tijdspanne niet gelukt.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

47

5.2

Een passend alternatief? Via de verschillende kanalen is in het onderzoek aan uiteenlopende betrokkenen gevraagd of zij een mogelijk alternatief zien voor een instrument als de VIR, dat dezelfde achterliggende doelen nastreeft. Dat leverde twee mogelijke alternatieven die we hieronder nader belichten.

5.2.1

Goede samenwerking op lokaal niveau en inzet wijkteams Een eerste alternatief is een goed functionerende lokale overlegstructuur en de inzet van lokale (wijk)teams om te komen tot vroegsignalering, afstemming en tijdige en passende hulp, zorg of bijsturing.

Met de decentralisatie in 2015 is de jeugdzorg overgeheveld van het Rijk naar gemeenten. Veel gemeenten zijn vanaf de decentralisatie gaan werken met lokale (wijk)teams met als belangrijk doel er voor te zorgen dat dichtbij het kind en gezin passende jeugdzorg gerealiseerd kan worden. Lokale (wijk)teams dienen als toegangspoort voor jeugdigen (en hun ouders/ verzorgers) met een hulpvraag. Doordat in lokale (wijk)teams mensen uit verschillende (zorg)disciplines bij elkaar komen, kunnen hulpvragen op een integrale manier behandeld worden. Ook kunnen lokale (wijk)teams actief de wijk in gaan op zoek naar verborgen problematiek om zo tijdig in te kunnen grijpen en escalatie te voorkomen. Lokale (wijk)teammedewerkers signaleren en indiceren dan de zorgbehoefte van een kind/gezin en verwijzen indien nodig door naar hulp in de eerste of tweede lijn (CPB, 2020). 55 Door de komst van de lokale (wijk)teams, is de gedachte van enkele betrokkenen van verschillende organisaties, is de verwijsindex niet meer nodig.

Doordat de jeugdhulp met de transitie gemeentelijk is georganiseerd is ook, zo is de veronderstelling van verschillende respondenten, de samenwerking tussen betrokken ketenpartners op lokaal niveau versterkt. Lokaal fungeert doorgaans de gemeentelijk georganiseerde toegang als knooppunt voor samenwerking. Daarbij wordt nauw samengewerkt met de scholen, kinderopvang en jeugdgezondheidszorg. Samen vormt dit een netwerk voor de vroegsignalering én waar nodig de samenwerking of afstemming bij hulpvragen. Praktisch gezien is de verplichting voor scholen om een kind of jongere ‘warm over te dragen’ heel belangrijk (en idem dito voor kinderopvangorganisaties), met name als sprake is van een verhuizing naar een andere gemeente of andere regio. In veel gemeenten werken zij nauw samen met medewerkers van de lokale toegang. Ook deze ontwikkeling maakt de verwijsindex minder nodig.

55 Zie o.a. Wijkteams en praktijkondersteuners in de jeugdzorg (cpb.nl).

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

48

Relatie tot de verwijsindex Lokale overlegstructuren en lokale (wijk)teams vormen een beperkt alternatief voor de verwijsindex, waarmee in beperkte mate op lokaal niveau vroegsignalering (met name door de inzet van de lokale (wijk)teams ) en informatie-uitwisseling (met name door overleggen) wordt bereikt. In vergelijking met de verwijsindex is er een beperkte overkoepelende functie waardoor er beperkter bovenlokale of bovenregionale vroegsignalering en informatie-uitwisseling kan plaatsvinden. Het aantal deelnemers aan lokale overleggen is veelal beperkt tot 10 a 20 deelnemers. Het aantal professionals dat betrokken wordt bij vroegsignalering is daarmee beperkter ten opzichte van de VIR waar een (veel) groter aantal professionals op aangesloten kunnen worden. Ook bieden ze zonder verdere registratiesystemen geen sluitend ‘geheugen’; het niet mogelijk alle gesignaleerde zorgen van alle jeugdigen in een vroeg stadium te delen. Daarentegen bieden de werkwijzen met overlegstructuren meteen de mogelijkheid tot inhoudelijke informatie-uitwisseling en komt overleg de hulpverlening ten goede. Lokale overlegstructuren en lokale (wijk)teams zijn dan ook niet uitwisselbaar met de verwijsindex. Dat zien we bevestigd in de aantallen meldingen sinds de decentralisatie.

We zien immers geen terugloop in aantallen meldingen in de verwijsindex, iets wat we wel verwachtten als de lokale overleggen en lokale (wijk)teams de functie van de verwijsindex hadden vervangen.

Ergo, de verwijsindex is een instrument voor professionals dat kan worden gebruikt binnen en in combinatie met overlegstructuren en door lokale (wijk)teams. De verwijsindex enerzijds en overleggen en lokale (wijk)teams anderzijds zijn kunnen aanvullend op elkaar zijn.

5.2.2

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Het tweede alternatief is gelinkt aan de wet Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (kort: meldcode). De meldcode behelst een professionele norm om melding te doen bij Veilig Thuis als er vermoedens zijn van acute en structurele onveiligheid. De meldcode richt zich op huiselijk geweld en kindermishandeling, daaronder ook begrepen seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking, eergerelateerd geweld, oudermishandeling (kind-oudergeweld), ouderenmishandeling en huwelijksdwang56. De wet beoogt professionals te ondersteunen in een tijdige en effectieve aanpak, met als doel om sneller en adequater hulp te bieden bij signalen van geweld. Daartoe verplicht de wet organisaties en zelfstandige beroepskrachten om een meldcode te hebben en het gebruik daarvan te bevorderen. De meldcode geldt voor de sectoren gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en justitie. 57

56 Basismodel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 57

Merk op dat de doelgroep van verwijsindex werkzaam is in een of meer van de domeinen jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of politie en justitie.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

49

De meldcode bestaat uit een stappenplan voor professionals bij signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. De werkwijze kent een aantal vaste onderdelen die in de praktijk per organisatie kunnen verschillen. Op basis van een basismodel kan een organisatie zijn of haar eigen meldcode ontwikkelen. Daarin moeten in ieder geval de volgende vijf stappen staan: 58 1

In kaart brengen van signalen van vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Overweeg een melding in de verwijsindex & doe kindcheck.

2

Overleggen met een deskundige collega en raadpleeg eventueel (anoniem) Veilig Thuis.

3

Gesprek met de cliënt.

4

Wegen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling: Heb ik op basis van stap 1 tot en met 3 een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling. Heb ik een vermoeden van acute of structurele veiligheid. En bij twijfel altijd Veilig thuis raadplegen.

5

Beslissen over 1) is melden noodzakelijk en 2) is zelf hulp verlenen of organiseren (ook) mogelijk.

Onderdeel van de meldcode is de verwijsindex. In het Basismodel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling waarin de verschillende stappen van de meldcode zijn uitgewerkt staat “Overweeg [ ] of het noodzakelijk is om, gelet op de bedreiging van de ontwikkeling van de jeugdige(n), ook een melding te doen in de verwijsindex risico-jongeren.” Professionals worden in de tekst erop gewezen dat het niet gaat om een keuze tussen een melding in de verwijsindex of de stappen van de meldcode. Beide acties kunnen, zo staat vermeld, bij vermoedens van kindermishandeling aan de orde zijn omdat ze elkaar ondersteunen. Daarom staat in (de algemene maatregel van bestuur bij) de Wet verplichte meldcode dat instellingen, die zijn aangesloten op de verwijsindex, ook het al dan niet doen van een melding in de verwijsindex moeten opnemen in het stappenplan van hun meldcode. 59 In de praktijk blijkt aan deze verplichting wisselend invulling gegeven te worden. Uit de evaluatie van de VIR uit 2020 blijkt overigens dat de raakvlakken en verschillen tussen beide instrumenten nog niet zo inzichtelijk zijn voor professionals die met beide instrumenten moeten werken.

Ook relevant in dit kader is de kindcheck, ook onderdeel van de meldcode. De kindcheck is bedoeld voor professionals die werken met volwassen cliënten/patiënten. De kindcheck houdt in dat de professional in contacten met volwassen cliënten/patiënten nagaat of er kinderen in het gezin zijn en inschat of zij veilig zijn.

58

Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling | Huiselijk geweld | Rijksoverheid.nl

59 basismodel-meldcode-huiselijk-geweld-en-kindermishandeling-20161101.pdf

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

50

Relatie tot de verwijsindex In relatie tot de achterliggende doelen van de verwijsindex: informatie-uitwisseling, vroegsignalering en passender hulp zorg en bijsturing, zien we verschillen tussen de meldcode en de verwijsindex. De meldcode heeft als doel om sneller en adequater hulp te bieden bij signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld (0-100 jaar). De VIR richt zich op risicosituaties en is specifiek gericht op jongeren tot 23 jaar, en heeft als doel te bewerkstelligen dat vroegtijdige en onderlinge afstemming plaatsvindt tussen professionals zodat tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kan worden verleend. De afweging om ook een signaal af te geven in de verwijsindex is onderdeel van de meldcode. De meldcode is bedoeld voor een deels andere groep meldingsbevoegden en voorziet niet in uitwisseling van signalen en informatie tussen verschillende domeinen anders dan met Veilig Thuis. Met name de nulde- en eerstelijnsorganisaties zijn in de meldcode minder vertegenwoordigd dan in de verwijsindex. Daarmee wordt het doel vroegsignalering in mindere mate bereikt dan met de Verwijsindex. Er is overlap van professionals die werken met de meldcode en de verwijsindex.

Daarnaast zijn er professionals die werken met de meldcode en niet meldingsbevoegd zijn (omdat de wet deze niet heeft opgenomen en/of als gevolg van keuzes van de gemeenten) 60, en professionals die werken met de verwijsindex en buiten de doelgroep van de meldcode vallen. De meldcode bevat ook inhoudelijke informatie en de verwijsindex brengt ‘slechts’ signalen bij elkaar.

De meldcode is daarmee een beperkt alternatief voor de verwijsindex.

5.3

Resumé We vatten uitkomsten samen aan de hand van de beantwoording van de onderzoeksvragen over alternatieven: Gemeenten, organisaties en professionals waarbij de VIR niet wordt gebruikt zetten ter bevordering van vroegsignalering, informatie-uitwisseling en tijdige hulp, zorg of bijsturing vooral in op ‘netwerken’. Er zijn verschillende overleggen en werkwijzen die worden gebruikt, zowel lokaal als regionaal, om zorgsignalen te delen. Er zijn indicaties dat daarmee meer wordt ingezet op reeds geëscaleerde zorgvraag, en minder op vroegsignalering. Daarnaast worden lokale (wijk)teams ingezet om te komen tot lokale vroegsignalering en vroegtijdige en passende hulp. Er is geen alternatief dat in dezelfde mate de doelen van de VIR nastreeft.

60

Een veelgenoemd voorbeeld is kinderopvang, niet opgenomen in het wettelijk kader van de verwijsindex. Echter, er zijn ook gemeenten die er juist wel voor kiezen kinderopvang gebruik te laten maken van de verwijsindex

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

51

•

Lokale overlegstructuren en de inzet van lokale (wijk)teams richten zich op met name lokale signalering en informatie-uitwisseling.

•

De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling richt zich op signalering en informatieuitwisseling over vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (waar de VIR zich richt op risicosignalen) voor de doelgroep van 0-100 jaar (waar de VIR zich richt op de doelgroep van 0-23 jaar). Het gebruik van de verwijsindex is opgenomen in de meldcode.

•

Zowel de lokale overlegstructuren als de meldcode zijn ook aanvullend op de verwijsindex. Er is geen sprake van een of-of situatie waarbij door een gemeente of organisatie moet worden gekozen voor lokale overlegstructuren of de verwijsindex respectievelijk de meldcode of de verwijsindex.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

52

6

Doorontwikkeling In dit hoofdstuk staan de onderzoeksvragen over doorontwikkeling centraal: Is een doorontwikkeling van meerwaarde? Zo ja, wat houdt een doorontwikkeling in inhoudelijk in? Leidt een doorontwikkeling van de VIR tot het behalen van de achterliggende doelen en het reduceren van de in de wetsevaluatie genoemde knelpunten onder organisaties, professionals en gemeenten ten aanzien van het gebruik van de VIR? Hoe verhoudt deze doorontwikkeling zich tot het Wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein? Is er voldoende steun voor de voorgestelde doorontwikkeling onder gemeenten, (meldingsbevoegde) organisaties en professionals en wat is nodig vanuit het Rijk, de VNG en gemeenten om draagvlak verder te bevorderen in de komende periode? Wat zijn de kosten van een doorontwikkelde (som van de huidige kosten VIR, kosten voor een doorontwikkeling en de implementatie daarvan) VIR voor het Rijk, de VNG, gemeenten en organisaties?

Dit hoofdstuk gaat over de eventuele doorontwikkeling van de verwijsindex. Eerst geven we een korte afweging waarom kan worden ingezet op doorontwikkeling. Vervolgens gaan we in op de onderdelen die bij een eventuele doorontwikkeling centraal dienen te staan. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op deskresearch, beide enquêtes en interviews met gebruikers (gemeenten en organisaties), leveranciers, jeugdigen en ouders en betrokken ambtenaren van de ministeries van VWS en JenV en de VNG.

6.1

Aandachtspunten voor doorontwikkeling: wegnemen van knelpunten Het doelbereik hangt sterk samenhangen met het juiste gebruik van de verwijsindex. Immers, als niet wordt gewerkt zoals bedoeld, kunnen de noodzakelijke stappen - zoals uiteengezet in paragraaf 4.1 - niet worden doorlopen en worden de verschillende doelen van de verwijsindex niet of niet optimaal bereikt. Dit is het geval omdat er in de praktijk geenzins sprake is van ‘ideaal’ gebruik van de verwijsindex. Hoewel het gebruik van de verwijsindex de afgelopen jaren is toegenomen, zijn eerder geconstateerde knelpunten blijven bestaan. Een doorontwikkeling van de verwijsindex is van meerwaarde als wordt gewerkt aan het wegnemen van deze knelpunten, opdat de doelen van de verwijsindex beter worden bereikt.

DSP-groep

RAPPORT ─ De VIR in beeld

53

In de enquête van het casusonderzoek, de digitale uitvraag en de interviews zijn verschillende knelpunten en bezwaren benoemd van de verwijsindex. Een groot deel daarvan werd ook genoemd in de evaluaties van de verwijsindex waarin het gebruik van de verwijsindex werd onderzocht. Navolgend behandelen we de verschillende knelpunten.

“[ ] Er blijken drie belangrijke factoren te zijn die belemmerend werken; gebruikers en organisaties zien weinig meerwaarde van de melding omdat eerdere signalen niets opleverden of omdat de betrokken hulpverleners al bekend zijn (1), een vijfde van de gebruikers vindt het lastig om ouders en/of jeugdige te informeren over de melding (2), gebrek aan kennis, bijvoorbeeld over de consequenties van de melding of de privacy van betrokkenen (3).” ZonMW 2020.

Gebruik Versnippering in het land Het gebruik van de verwijsindex door gemeenten en organisaties en de wijze waarop de (regionale) verwijsindex wordt aangeboden kent een grote variatie. Er zijn uiteenlopende werkwijzen, en er worden door gemeenten en convenantgebieden uiteenlopende kwaliteitseisen gehanteerd voor de 65 regionale verwijsindexen en keuzes gemaakt over de aangesloten organisaties. Dat zorgt ervoor dat er vele verschillende smaken zijn. Volgens de gegevens van het CIBG zijn er convenantgebieden en gemeenten in het land waar geen of heel beperkt gebruik wordt gemaakt van de verwijsindex. Dat leidt er toe dat er delen in het land zijn waar in het geheel geen sprake is van mogelijke meerwaarde van de verwijsindex. Anderzijds creëert de versnipperde situatie verdere onduidelijkheid over de verwijsindex voor professionals, organisaties en gemeenten, maar vooral ook voor jeugdigen en ouders.

Achterblijven participatie van organisaties en professionals In interviews met organisaties en gemeenten en beide enquêtes werd benoemd dat de meerwaarde van de verwijsindex beperkt is, omdat ‘er toch niet door iedereen gebruik van wordt gemaakt’. Het heeft weinig zin te melden als de andere organisaties geen melding doen, is dan de gedachte. Respondenten benoemen doorgaans diegenen in hun eigen omgeving die achter blijven in het gebruik: niet aangesloten organisaties en professionals die niet melden. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is in dit kader genoemd, omdat deze niet is aangesloten volgens de laatste standaarden 61 en (daarmee) niet op de gezinsmatch. Er is sprake van een meldrecht en er is geen verplichting voor organisaties opgenomen, waardoor het melden in de ogen van sommige respondenten te vrijblijvend is. Ook de handreiking melden, opgesteld in 2010, biedt hier geen oplossing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12264401/1