20220053240 4. Bijlage 3 Uitvoeringsafspraken Gewoon in de Wijk
Tekst van het document
7.3 Klankbordgroep inwoners Gedurende de implementatiefase stellen de gemeente en het samenwerkingsverband een klankbordgroep voor inwoners in. Ook werken zij uit op welke wijze inspraak van inwoners structureel vormgegeven wordt. Gemeente en samenwerkingsverband doen dit in samenspraak met de Participatieraad.
7.4 Klachten en geschilbeslechting Het samenwerkingsverband beschikt over een klachtenregeling. Deze klachtenregeling ziet toe op de bejegening van inwoners door medewerkers van uw organisatie en onderaannemers en op de inzet van ondersteuning. U informeert de inwoner over de manier waarop een klacht ingediend kan worden. De klachtenregeling is tenminste conform de voorwaarden hierover in de Wmo 2015. Behandeling van een klacht is gericht op het vinden van een bevredigende oplossing voor de inwoner. Het samenwerkingsverband voert een zorgvuldig onderzoek uit naar de situatie van de inwoner. Indien de inwoner het niet eens is met het opgestelde ondersteuningsplan of de ondersteuning die ingezet wordt, dan gaan de inwoner en het samenwerkingsverband hierover in gesprek overeenkomstig de opgestelde klachtenregeling. Indien dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wordt dit gemeld bij de gemeente. De gemeente kan in dat geval een onafhankelijke derde vragen de situatie te beoordelen.
7.5 Bezwaren U zorgt, nadat u een verzoek daartoe van de gemeente heeft ontvangen, voor een tijdige, zorgvuldige en volledige gegevensoverdracht in verband met de afhandeling van bezwaar en beroep.
27
7.6 Toezicht op kwaliteit Het samenwerkingsverband verleent medewerking aan onderzoeken ingesteld door de toezichthouder Wmo (GGD) en door de gemeente zoals bijvoorbeeld het cliëntervaringsonderzoek Wmo. Indien er sprake is van een calamiteit handelt u conform het calamiteitenprotocol Sociaal Domein van de gemeente Haarlem. Als de toezichthouder Wmo een onderzoek uitvoert naar een calamiteit, verleent u daaraan alle gevraagde medewerking. U informeert de gemeente over de aard en omvang van de calamiteit zonder informatie te geven die tot personen herleidbaar is. Aanwijzingen van de toezichthouder Wmo volgt u meteen op. Als op basis van een inspectieonderzoek wordt besloten tot (tijdelijke) stopzetting van ondersteuning door het samenwerkingsverband of (tijdelijke) sluiting van (een van) uw locatie(s) of bij een van uw onderaannemers, werkt u mee aan een goede en vlotte overgang van de cliënten naar een andere, door u gecontracteerde aanbieder en (onder)aannemer. U bevordert daarmee ononderbroken voorzetting van de ondersteuning.
7.7 Fraude Het handelen van het samenwerkingsverband is erop gericht om fraude en oneigenlijk gebruik van ondersteuning te voorkomen dan wel te beperken. Het samenwerkingsverband zorgt voor voldoende interne controlemechanismes in de processen en doet – als signalen hiertoe aanleiding geven – onderzoek naar de rechtmatigheid van ondersteuning. Het samenwerkingsverband verleent medewerking aan mogelijke onderzoeken van de gemeente door het aanleveren van die gegevens die voor de uitvoering van deze onderzoeken nodig zijn. Bij constatering van fraude en/of oneigenlijk gebruik kan de Overeenkomst met onmiddellijke ingang worden ontbonden, kan de onrechtmatig verkregen vergoeding teruggevorderd worden, kan de gemeente aangifte doen en behoudt de gemeente zich het recht voor om gemaakte kosten in een eventueel fraudeonderzoek op de betreffende organisatie te verhalen.
7.8 Inzet buiten kantooruren Het samenwerkingsverband zorgt voor bereikbaarheid binnen (fysiek) én buiten kantoortijden (tenminste digitaal) zodat inwoners altijd een laagdrempelig contactpunt hebben en de eerste afspraken gemaakt kunnen worden om de benodigde ondersteuning op te starten. Het samenwerkingsverband kan naar eigen inzicht ondersteuning bieden die buiten kantooruren valt en passend is bij de opdracht.
7.9 Inzet van onderaannemers Wanneer het samenwerkingsverband onderdelen van de opdracht laat uitvoeren door een onderaannemer, blijft het samenwerkingsverband als hoofdaannemer verantwoordelijk en aansprakelijk voor de kwaliteit van de ondersteuning die de onderaannemer levert en voor alle overige verplichtingen in deze Uitvoeringsafspraken, zoals tijdige levering van ondersteuning, het werken met een ondersteuningsplan en levering van door de gemeente gevraagde gegevens.
28
Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat alle ingezette en in te zetten onderaannemers te allen tijde voldoen aan alle van toepassing zijnde (essentiële) voorwaarden en eisen als gesteld in het Preselectiedocument, het Selectiedocument, de Uitnodiging tot Inschrijving, de Overeenkomst, de Uitvoeringsafspraken en eventueel gedurende de looptijd van de opdracht tussen partijen overeen te komen andere van toepassing zijnde (essentiële) voorwaarden en eisen. Het samenwerkingsverband en eventueel in te zetten onderaannemer(s) beschikken te allen tijde over geldige wettelijk verplichte certificaten. Bij het inzetten van onderaannemers houdt het samenwerkingsverband de administratieve lasten zo laag mogelijk. Het samenwerkingsverband biedt zoveel mogelijk zekerheid aan onderaannemers voor meerdere jaren. Het samenwerkingsverband informeert de gemeente welke onderaannemers worden ingezet. De gemeente kan voorwaarden verbinden aan de inzet van onderaannemers.
7.10 . Social Return On Investment Voor de uitvoering van Gewoon in de Wijk hanteert de gemeente een SROI-eis. Deze SROI-eis houdt in dat het samenwerkingsverband zich verplicht bij gunning minimaal 5% van de totale waarde van de opdracht in te zetten ten behoeve van het vergroten van de arbeidsparticipatie van inwoners met afstand tot de arbeidsmarkt. Het gaat hierbij om de totale waarde van de opdracht (over acht jaar). Dat kan op vele manieren, onder andere: door het bieden van een werkplek, door het bieden van een werkervarings- en/of opleidingsplek of het inhuren van/opdracht geven aan SW-bedrijven of sociale firma’s. De gemeente stimuleert daarbij zoveel mogelijk lokale inzet. Het proces en de regels van de uitvoering van SROI staan beschreven in het document ‘Protocol SROI Arbeidsmarktregio Zuid Kennemerland en IJmond’.
7.11 . Duurzaamheid Na gunning gaan de gemeente en het samenwerkingsverband met elkaar in gesprek om te kijken op welke wijze er op een duurzame wijze invulling gegeven kan worden aan Gewoon in de Wijk. Hierbij kan gedacht worden aan duurzaamheidsmaatregelen in vastgoed dat gebruikt wordt, bijvoorbeeld door een afname van het energieverbruik of door het recyclen van gebruikte materialen. Bij de inzet van ambulante ondersteuning kan gekeken worden naar het beperken van gemotoriseerde verplaatsingen. Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat zij ook op dit punt vanuit partnerschap en proactief met de gemeente samenwerken.
29
8.
Partnerschap In dit hoofdstuk is een verdieping beschreven op het risicomanagement en monitoring en verantwoording zoals benoemd in de Uitnodiging tot Inschrijving.
8.1 Risicodossier In paragraaf 5.3 van de Uitnodiging tot Inschrijving wordt beschreven dat gemeente en samenwerkingsverband een vorm van dynamisch risicomanagement hanteren. Daarbij dient aangesloten te worden op onderstaande systematiek. Er zijn twee factoren die de risico’s bepalen. Dat zijn ‘voorspelbaarheid’ en ‘beïnvloedbaarheid’. Voorspelbaarheid hangt samen met de informatiepositie van het samenwerkingsverband en de mate waarin tijdig geanticipeerd kan worden op veranderingen die de uitvoering van Gewoon in de Wijk kunnen beïnvloeden. Beïnvloedbaarheid heeft betrekking op de mate van invloed c.q. de sturingsmogelijkheden van het samenwerkingsverband om de risico’s en het effect wat deze risico’s hebben op de uitvoering van Gewoon in de Wijk te beïnvloeden en geheel of gedeeltelijk te verminderen of weg te nemen. Op basis daarvan onderscheiden we vier risicoprofielen (figuur 1).
Figuur 1. Risicoprofielen 1. Risico’s met een hoge beïnvloedbaarheid en een hoge mate van voorspelbaarheid. Dit zijn risico’s die goed voorspelbaar zijn en die binnen de invloedsfeer van het samenwerkingsverband of de gemeente liggen. 2. Risico’s met een lage beïnvloedbaarheid en hoge voorspelbaarheid. Gemeente en het samenwerkingsverband hebben gezamenlijk de risico’s in beeld, maar mogelijkheden om de risico’s te beïnvloeden en beheersen zijn beperkter. 3. Risico’s met een hoge beïnvloedbaarheid en een lage voorspelbaarheid. 4. Risico’s met een lage beïnvloedbaarheid en een lage voorspelbaarheid.
30
Na gunning stellen het samenwerkingsverband en de gemeente gezamenlijk het risicodossier op. Het risicodossier is onderdeel van de Overeenkomst en gespreks- en verantwoordingscyclus.
8.2 Monitoring en verantwoording De gemeente wil als opdrachtgever van het samenwerkingsverband weten of de opdracht is uitgevoerd conform onze kwaliteitseisen (Kwaliteit); welke inwoners bereikt zijn met de geboden ondersteuning (Resultaat); en hoe de inwoners dit hebben ervaren (Cliëntervaring). Hiervoor zijn afspraken over informatie-uitwisseling nodig, waarbij de administratieve lasten zo beperkt mogelijk blijven en rekening gehouden wordt met wettelijke bepalingen. De genoemde onderdelen worden hieronder uitgewerkt. Kwaliteit De gemeente verwacht inzicht te krijgen in de mate waarin de uitvoering van de opdracht voldoet aan onze kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn enerzijds vastgelegd in de wet en de verordening. Hier worden in algemene termen eisen gesteld: ‘’De ondersteuning dient veilig, doeltreffend en doelmatig te zijn, cliëntgericht en afgestemd op andere vormen van zorg. Er dient te worden gewerkt vanuit professionele standaarden en met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt’’. Daarnaast heeft de gemeente kwaliteitseisen geformuleerd door middel van uitgangspunten (werken vanuit het perspectief van de inwoner; benutten van de kracht van de wijk; en samenhangende aanpak zonder schotten en kolommen) en haar visie op de opdracht (Uitnodiging tot Inschrijving, hoofdstuk 2).
Het samenwerkingsverband dient inzicht te geven in deze kwalitatieve aspecten van de uitvoering van de opdracht door middel van een jaarlijkse rapportage. Daarnaast wil de gemeente ook inzicht in het aantal klachten van inwoners, de aard van deze klachten, de opvolging die hieraan is gegeven en welke conclusies en lessen hieruit getrokken worden. De gemeente zal zelf op vergelijkbare wijze het aantal bezwaren monitoren. Resultaat De opdracht is ingericht volgens een taakgericht bekostigingsmodel. Daarom verwacht de gemeente inzicht te krijgen in de uitvoering van de opdracht door aan te tonen hoeveel inwoners gebruik maken van het aanbod aan passende ondersteuning. Detaillering van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren wordt samen met het samenwerkingsverband opgesteld na gunning. Na het opstellen van de indicatoren worden de benodigde registraties vastgesteld. De gemeente denkt hierbij onder andere aan: Bereik: het aantal unieke inwoners dat gebruik maakt van activiteiten en ondersteuning. Instroom: het aantal unieke inwoners waarvoor ondersteuning en activiteiten is gestart. Begindatum instroom: eerste moment betrokkenheid van het samenwerkingsverband. Reden instroom: aard van de inwonersvraag geregistreerd op basis van een gestandaardiseerde keuzelijst in de applicatie.
Leefgebied instroom: type problemen/klachten van inwoner waar ondersteuningstraject betrekking op heeft, geregistreerd op basis van een gestandaardiseerde keuzelijst in de applicatie. Uitstroom: Het aantal unieke inwoners waarvoor ondersteuning en activiteiten is beëindigd. Einddatum uitstroom: stopmoment betrokkenheid van het samenwerkingsverband. Reden uitstroom: resultaat uitstroom geregistreerd op basis van een gestandaardiseerde keuzelijst in de applicatie. Om administratieve lasten beperkt te houden dient een onderscheid gemaakt te worden tussen korte ondersteuning (informatie en advies) en langer durende ondersteuning (trajecten). In het eerste geval is geen registratie van unieke inwoners nodig, maar slechts van het aantal contacten.
31
Het registratiesysteem van het samenwerkingsverband is dusdanig ingericht dat alle functionele gegevens uit het systeem dagelijks en op verzoek via een automatische datakoppeling aan de gemeente kunnen worden aangeleverd in een algemeen gangbaar open formaat dat digitaal verwerkt kan worden (bijvoorbeeld XML, SQL, CSV). Het samenwerkingsverband geeft inzicht in de structuur en inhoud van de functionele gegevens, in het bijzonder op de gegevens of de structuur en samenhang ervan. De (verantwoordings)informatie (kwalitatief of kwantitatief) moet van voldoende kwaliteit zijn om geschikt te zijn voor de beoogde toepassing, zoals het monitoren van de resultaten of de kwaliteit. Wanneer blijkt dat de datakwaliteit niet van voldoende kwaliteit is en er bijvoorbeeld wijzigingen in de registratiediscipline, in de bedrijfsvoering of in applicaties nodig zijn, dan verwacht de gemeente dat hier het gesprek over kan worden gevoerd hoe deze datakwaliteit verbeterd kan en zal worden, zodat de verantwoordingsinformatie van voldoende kwaliteit is en blijft. Voor laagdrempelige groepsactiviteiten verwacht de gemeente alleen registratie van unieke inwoners als dat de laagdrempeligheid van de activiteit niet belemmert. Bij laagdrempelige groepsactiviteiten zijn administratieve lasten sowieso een aandachtspunt als het gaat om het registreren van deelnemende inwoners.
Met het samenwerkingsverband zullen na gunning maatwerkafspraken gemaakt worden over de wijze waarop inzicht gegeven kan worden in het aantal inwoners dat deelneemt aan laagdrempelige groepsactiviteiten. Vanwege het belang dat de gemeente hecht aan een preventieve inzet voor jeugd – en de afstemming die dat vraagt met de opdracht voor het CJG en jeugdhulpaanbieders – wil zij in het bijzonder inzicht in langerdurende ondersteuning die aan jeugdigen en hun opvoeders wordt gegeven en in laagdrempelige groepsactiviteiten voor jongeren. Ervaren effectiviteit Om inzicht te krijgen in de resultaten van de opdracht vindt de gemeente het ook belangrijk om te kunnen monitoren hoe de bereikte inwoners de ondersteuning en activiteiten hebben ervaren. De gemeente wenst inzicht in de inwonerservaringen en -tevredenheid met aandacht voor bereikte doelen en dienstverlening. Dit onderzoek dient op onafhankelijke wijze uitgevoerd te worden, met oog voor administratieve lasten en eventuele beperkingen van inwoners om hieraan deel te nemen. Met het oog op de onafhankelijkheid en de wettelijke verplichting voor gemeenten om een cliëntervaringsonderzoek te doen, wordt de regie en opdrachtverstrekking voor het genoemde onderzoek bij de gemeente belegd.
32
9.
Budget en vastgoed Dit hoofdstuk bevat de voorwaarden die gemeente Haarlem aan het samenwerkingsverband stelt ten aanzien van het omgaan met de taakgerichte financiering en praktische zaken die daarbij van belang zijn. Daarnaast is in dit hoofdstuk de ontwikkelopgave voor gemeente en samenwerkingsverband beschreven om te komen tot passende en betaalbare huisvesting (vastgoed).
9.1 Budget 9.1.1
Wijze van betaling, aanvragen en verplichtingen
Het samenwerkingsverband dient jaarlijks vóór 1 oktober een plan van aanpak in, waarin zij aangeeft hoe u het gestelde jaarbudget in gaat zetten aan de hand van een inhoudelijke toelichting met een begroting inclusief kostenonderbouwing die aansluit bij de opbouw van de kostensoorten uit uw jaarrekening. De gemeente gaat akkoord met uw plan van aanpak middels een opdrachtbrief. Het jaarbudget wordt aan het samenwerkingsverband uitgekeerd in 12 gelijke maandelijkse termijnen op IBAN-nummer X en uiterlijk overgemaakt voorafgaand de eerste dag van de betreffende maand. Het jaarbudget is bestemd voor de gehele integrale opdracht in het betreffende boekjaar, hierbij uitgaande van het door u opgestelde plan van aanpak. Het samenwerkingsverband meldt afwijkingen in de uitvoering van de opdracht Gewoon in de Wijk met een significant, structureel effect op de financiële beheersing. Dat wil zeggen: interne of externe ontwikkelingen die kunnen leiden tot onder- of overschrijding van het budget Overschrijding van het jaarbudget is in de basis voor uw rekening. Bij het herhaaldelijk niet nakomen van de uitvoeringsafspraken, kan de gemeente de uitbetaling van termijnen blokkeren. 9.1.2 Aanpak budgetbepaling Partijen gaan een Overeenkomst aan, waarbij partnerschap het vertrekpunt is. De onderbouwing van de raming van het budget is periodiek onderwerp van gesprek.
Het budget zoals opgenomen in de Overeenkomst is de basis voor de uitvoering van de opdracht en wordt jaarlijks in overleg tussen de gemeente en het samenwerkingsverband aangepast. Bij de berekening van het budget voor Gewoon in de Wijk wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de populatie van de gemeente Haarlem en de mogelijke gevolgen van deze groei voor het beroep op ondersteuning. Het samenwerkingsverband levert in aanloop (uiterlijk februari) naar het opstellen van de Kadernota (periode januari-maart) informatie aan over (in ieder geval) de verwachte volumegroei voor het komende jaar (t+1), prijseffecten en overige autonome ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het beschikbare budget. De verwachte groei wordt vergeleken met de groei zoals deze volgt uit de demografische ontwikkeling.
33
Aanvullend levert het samenwerkingsverband in juni aan de gemeente een financiële tussenrapportage over het lopende jaar met een doorkijk naar het einde van het jaar (eindejaarsverwachting). 9.1.3 Start- en implementatiebudget Voor de start- en implementatiefase (vanaf 1 juli 2022) wordt een bedrag beschikbaar gesteld ter compensatie van de kosten die voortkomen uit de inrichting van Gewoon in de Wijk. Het budget kan niet ingezet worden voor structurele kosten. Het start- en implementatiebudget bedraagt maximaal € 280.000,- en is alleen in te zetten in 2022. Het start- en implementatiebudget is inzetbaar voor de volgende onderdelen:
Noodzakelijke met de opdracht verband houdende investeringen in de interne bedrijfsvoering (ICT, organisatie, financieel systeem et cetera); Activiteiten gericht op het opbouwen van relaties/netwerken met relevante partners; Activiteiten die verband houden met de overdracht van cliënten of activiteiten en cliëntinformatie van bestaande opdrachtnemer(s) naar het samenwerkingsverband; Éénmalige projectkosten: bijvoorbeeld communicatie en inhuur van extra personeel.
Na inschrijving onderbouwt het samenwerkingsverband waar de start- en implementatiekosten uit bestaan met het indienen van een kostenraming. Het samenwerkingsverband en de gemeente bespreken deze kostenraming tijdens de implementatiefase. Aan de hand daarvan wordt het definitieve star- en implementatiebudget vastgesteld. 9.1.4 Recht- en doelmatige inzet van gemeenschapsgeld Het toegekende jaarbudget wordt ingezet ten behoeven van een recht- en doelmatige inzet van de opdracht. Daarbij gelden de wettelijke kaders zoals opgenomen in de Wmo en de Jeugdwet met betrekking tot recht- en doelmatigheid als uitgangspunt. Onderdeel daarvan is een winstpercentage van maximaal 4% van het jaarbudget.
9.2 Vastgoed De gemeente ziet passende en betaalbare huisvesting als een gezamenlijke ontwikkelopgave voor het samenwerkingsverband en de gemeente in de komende jaren. Hieronder wordt deze ontwikkelopgave beschreven vanuit vier invalshoeken: Maatschappelijke ontwikkeling: het geheel van activiteiten dat bijdraagt aan de gemeentelijke doelen van Gewoon in de Wijk. Maatschappelijke initiatieven: initiatieven vanuit inwoners met een ruimtevraag. Ruimtelijke ontwikkeling: ruimtelijke planning en vastgoedontwikkeling. Exploitatie: alle in- en uitgaande geldstromen die met het gebruik van het pand te maken hebben. Maatschappelijke ontwikkeling De gemeente wil met Gewoon in de Wijk meer samenhang in het aanbod realiseren. Ontmoeting, activiteiten, ondersteuning en huisvesting van de organisatie moeten zoveel mogelijk op één plek vindbaar zijn. Bij voorkeur worden per wijk de ruimten voor een Sociaal Wijkteam gecombineerd met een wijkcentrum. Voor de huisvesting biedt dit kansen voor het realiseren van accommodaties die bruisen van de activiteiten. Het onder andere in Amsterdam en Rotterdam toegepaste concept Huizen van de Wijk kan daarvoor inspiratie bieden. Een risico is dat de wijkcentra te veel op een kantoorverzamelgebouw gaan lijken, waardoor het minder uitnodigend is voor specifieke groepen.
Bij het huisvesten van Gewoon in de Wijk dient ruimte voor ondersteunende (kantoor)functies
34
zoveel mogelijk beperkt te worden. Verder is het belangrijk dat de uitstraling van en in het pand de verschillende groepen inwoners aanspreekt. De ‘wijkcentra-nieuwe-stijl’ kunnen waar nodig en mogelijk aangevuld worden met kleinere locaties in buurten of specifieke stedelijke functies. Daarnaast is het van belang dat ondersteuning vanuit Gewoon in de Wijk beschikbaar is op plekken waar mensen toch al komen, zoals op scholen, bij sportverenigingen, in de bibliotheek of in winkelcentra. Tot slot zal de huisvesting dienen aan te sluiten bij verschillen in wensen en behoeften die er zijn per stadsdeel, wijk en buurt. Maatschappelijke initiatieven Bij dit onderdeel gaat het over de balans tussen sociaal programma, dat ontstaat door de uitvraag van de gemeente, en lokale initiatieven, die ontstaan vanuit de samenleving. De ruimtebehoefte voor sociaal programma is beter vooraf te kwantificeren dan de ruimtebehoefte voor lokale initiatieven. Tegelijkertijd heeft de gemeente de ambitie om initiatieven van bewoners te ondersteunen. Om vrijwilligersorganisaties zonder personeel te behouden en te versterken, wil de gemeente dat minimaal € 300.000,- van het jaarlijkse budget door het samenwerkingsverband wordt belegd bij dergelijke organisaties en initiatieven.
Het heeft de voorkeur van de gemeente dat dit budget niet wordt ingezet voor huurkosten en dat deze organisaties gratis of tegen een sterk gereduceerd tarief gebruik kunnen maken van ruimten die geëxploiteerd worden door het samenwerkingsverband. Ruimtelijke ontwikkeling Onderdeel van een goed functionerende, aantrekkelijke, leefbare én toekomstbestendige stad is een stevig netwerk van maatschappelijke voorzieningen. Om accommodaties goed te laten functioneren is het van belang dat deze over de onderstaande kwaliteiten beschikken: bereikbaar: op centrale plekken in de wijk liggen, in de nabijheid van andere voorzieningen; uitstraling: herkenbaar zijn en aansprekend voor (verschillende) inwoners; toegankelijk: zowel fysiek (hellingbanen etc.) als sociaal (welkom voelen); flexibiliteit: ruimte bieden voor innovatie en improvisatie. In het kader van Gewoon in de Wijk wordt het aanbod aan stedelijke voorzieningen afgebouwd; accommodaties zijn zoveel mogelijk wijkgericht. Tegelijkertijd is er de komende jaren sprake van een ‘groei van de stad’ door toevoeging van 10.000 woningen. Uitgangspunt is een netwerk van multifunctionele, uitdagende, grotere voorzieningen (minimaal 300 m² bvo), aangevuld met fijnmazige, specifieke kleinere voorzieningen waar dat nodig is.
De gemeente is eigenaar van een flink deel van het vastgoed dat op dit moment wordt ingezet voor de activiteiten die onder Gewoon in de Wijk vallen, maar niet voor al het vastgoed. De gemeente wil de komende jaren samen met het samenwerkingsverband komen tot een strategisch huisvestingsplan. In dit plan staan de interventies beschreven die nodig zijn om de huisvesting aan te laten sluiten bij de doelen van Gewoon in de Wijk en de rol die de gemeente als vastgoedeigenaar daarbij kan en wil spelen. Het uitgangspunt is dat de gemeente zelf geen huisvesting ontwikkelt, tenzij de markt hiertoe niet in staat is, of als het gaat om herontwikkeling of aanpassing van een eigendom van de gemeente, of als het vanuit strategisch vastgoedbeheer gewenst is om eigenaar te worden van een pand. Ook van de aanbieder wordt geen ontwikkelrol verwacht, tenzij het vastgoed betreft dat al in bezit is bij de aanbieder. Streven is om de ontwikkeling van nieuwe maatschappelijke voorzieningen zoveel mogelijk neer te leggen bij partijen die in het desbetreffende gebied een ontwikkelrol hebben. Vanuit de rol van gebruiker wordt een adviserende bijdrage van het samenwerkingsverband aan het proces verwacht. Exploitatie De exploitatie is op te delen in de vastgoedexploitatie (de exploitatie van de eigenaar van het vastgoed) en de gebruikersexploitatie (de exploitatie van degene die het pand bestiert). Binnen
35
Gewoon in de Wijk gaat het over de exploitatie vanuit het oogpunt van de gebruiker en worden vier verschillende onderdelen onderscheiden: Programma: de geldstromen die ontstaan uit het aanbieden van het primair programma, met name de kosten voor aanbod van activiteiten/ondersteuning. Facilitair beheer: de kosten die een gebruiker heeft voor het comfortabel, schoon, heel en veilig houden van ruimte, met name schoonmaak, energie en de openstelling van het pand. Dienstverlening: de inkomsten die ontstaan uit activiteiten die niet direct onder het onderdeel programma vallen, met name het onderverhuren van ruimten aan derden en het aanbieden van horeca. Vastgoed: de kosten die te maken hebben met het kunnen beschikken over ruimte, met name de huur die de gebruiker aan de eigenaar moet betalen. De onderdelen ‘programma’, ‘facilitair beheer’ en ‘vastgoed’ maken onderdeel uit van de opdracht. Het is aan het samenwerkingsverband om te bepalen in welke mate zij inkomsten kan en wil generen uit het onderdeel ‘dienstverlening’. Met andere woorden: de gemeente gaat er vanuit dat de opdracht uitgevoerd kan worden zonder deze inkomsten. Aandachtspunt bij dit onderdeel is dat er overlap kan zijn tussen de exploitatieonderdelen.
Een beheerder speelt bijvoorbeeld een grote rol bij de uitstraling en de toegankelijkheid van de accommodatie; in feite begint bij de beheerder vaak de maatschappelijke ondersteuning. Een goede samenhang tussen de vier onderdelen is essentieel voor het bestaan van bruisende en aantrekkelijke wijkcentra. Een van de doelstellingen van Gewoon in de Wijk is om vastgoedlasten te verminderen en bestaande budgetten zoveel mogelijk aan het aanbod van programma te besteden. De gemeente verwacht dat een dergelijke efficiencyslag mogelijk is.
36
Dit is een uitgave van gemeente Haarlem ________________________________ Postbus 511 2003 PB Haarlem Tel. 14 023 haarlem.nl 37