CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210656850 Bijlage; rapport Roof en rechtsherstel in Haarlem

commissie Bestuur 10 februari 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: Onderzoek naar handelwijze gemeente Haarlem t.a.v. Joods erfgoed18.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

94

‘Verblijf voor joden in Noord-, Zuid-Holland en Utrecht verboden’, Haarlemsche Courant 13 april 1943, p.1. 95 Waarnemend directeur-generaal aan politiepresidenten (20 april 1943), NHA, toegang 2185 (Gemeentepolitie Haarlem), inv.nr. 126. 96 Veranderingen in de situatie werden in het volgende dienstjaar berekend. Vandaar dat dit een jaar ‘na-ijlt’. Aan de slag, p.80. 97 Kadastrale gemeente Schoten, leggerartikelen 4514 (Van Praag), 9707 (Oor), 8919 (Beekelaar), 9830 (Van der Stoop), 9815 (Kooy), 10800 (Pafort), 9413 (De Vries) en 9816 (Smit). 98 Register inzake erfpachtovereenkomsten, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 14019; kadastrale gemeente Schoten, leggerartikelen 6337, 9760, 9761 t/m 9767, 10137 en 10268.

19

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

koper. In de tweede verkoopakte was niet meer zichtbaar dat het pand een joodse eigenaar had gehad. In de Verkaufsbücher werden alleen de eerste overdrachten vastgelegd.99 We staan kort stil bij enkele personen die veel Haarlemse panden uit joods bezit hebben gekocht, om te beginnen de hierboven al genoemde P. Oor. Hij was sinds 1933 lid van de NSB. Hij had een bakkerij aan de Kritzingerstraat, waar hij vooral koek en gebak maakte. Hij leverde onder meer aan de kantines van de Ripperdakazerne en Koudenhornkazerne. Hier verbleven vóór de Duitse bezetting militairen van het Nederlandse leger en na de invasie werd de Ripperdakazerne door Duitsers betrokken. Bakker Oor kreeg van hen de opdracht om zijn leveranties gewoon voort te zetten. Deze breidden zich in de loop der jaren nog uit. Tot oktober 1944 bezorgde de bakkerij dagelijks koek en gebak aan de Ripperdakazerne, Koudenhornkazerne en de Wehrmachtsheime in Haarlem, Amsterdam en Utrecht. Gemiddeld leverde Oor dagelijks 5.000 à 6.000 gebakjes. Een groot deel van het geld dat hij hiermee verdiende belegde de bakker in vastgoed. Hij kocht verschillende huizen in Haarlem, het merendeel afkomstig uit joods bezit. Aan het einde van de oorlog bezat hij Rijksstraatweg 9, van Sillemstraat 3, 20, 22, 24 en 26, Barteljorisstraat 4, Frans Halsplein 4 en Kritzingerstraat 8 en 10.

Behalve de twee laatstgenoemde waren alle percelen joods bezit. Deze kocht hij door bemiddeling van de makelaar Overbeeke, de beheerder van het Haarlemse ANBO-kantoor. De koopprijs van alle aankopen samen schatte Oor na de oorlog op ongeveer f 75.000. Later verklaarde hij dat Overbeeke hem verzekerd had dat de koopsom voor de huizen gestort zou worden op rekeningen bij het Bankierskantoor Lippman en Rosenthal & Co. te Amsterdam, ten name van de joodse eigenaren. Ook was de koper voorgehouden dat het ‘een volkomen wettelijke transactie’ was, aangezien de overdracht geschiedde ten overstaan van een door Hare Majesteit de koningin beëdigde notaris. Daarom zag Oor, naar eigen zeggen, ‘in het kopen van joodse percelen geen kwaad’.100

3.6 Naamloze vennootschappen Andere grote kopers van joods bezit in Haarlem waren de naamloze vennootschappen van P.P. Pruys uit Santpoort en van J. Piersma uit IJmuiden. Zij waren al voor de bezetting actief in de huizenhandel en pakten deze bedrijfsmatig aan. Pruys was directeur van de NV’s Bon Espoir, Barbizieux, Bonne Chance, Bon Courage en Bon Achat, die begin jaren dertig waren opgericht.101 Vanaf 1928 had hij als zelfstandig bouwondernemer huizen gebouwd en verkocht. Na de Duitse bezetting van Nederland kwam er weer meer vraag naar huizen, zo verklaarde Pruys na de oorlog. In 1941 werd een prijzencommissie ingesteld en bij de verkoop van huizen moest deze commissie de prijs goedkeuren ‘alvorens de affaire door mocht gaan’. Men was dus aan vastgestelde prijzen gebonden, maar deze maatregel werd ontdoken door het betalen van zwart geld boven de vastgestelde koopprijs. Omstreeks begin 1942 ‘raakten de bonafide panden langzamerhand uitverkocht’, aldus Pruys. Hij kocht in maart 1942 de panden Zeeweg 99, 103 en 122 te IJmuiden en dat was zijn ‘eerste affaire in Joods onroerend goed’, zoals hij het zelf noemde. Er volgden tal van transacties met in totaal zeker 86 panden en een bouwterrein uit joods bezit.

In de Verkaufsbücher staan 11 transacties met joods bezit in Haarlem en verder kocht Pruys panden in Santpoort, Beverwijk, Ilpendam, Wijk aan Zee en vooral in IJmuiden en Velsen. Hij kocht dit vastgoed van de beheerinstellingen en verkocht ze vaak dezelfde dag nog door aan 99

Schütz, Kille mist (2016), p. 240, 272. Oors eigen verklaring, Tribunaal 14 april 1948, Beheersdossier P.P.F. Oor NA, T. 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 137727. 101 Kamer van Koophandel aan NBI Haarlem (4 maart 1946), Beheersdossier P.P. Pruys, NA, toegang 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 143235. 100

20

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

particulieren. Meestal werden de kopers er niet op geattendeerd dat het joods eigendom was, verklaarde Pruys. Voor de aankoop van deze percelen had hij in totaal f 460.400 betaald. Bij verkoop maakte hij – inclusief ‘zwarte winst’ – hierop een winst van f 132.850, en wel ‘normaal f 36.350 en zwart f 96.500’.102 Pruys was overigens geen NSB’er, was daar zelfs ‘fel tegen’, aldus zijn raadsman in het naoorlogse proces tegen hem. 103 Ook de NV Bouw- en Exploitatiemaatschappij Bon Ami heeft in Haarlem veel huizen uit joods bezit gekocht. Zij staat met 24 transacties in de Verkaufsbücher. In de meeste gevallen ging het om één woning (huisnummer) per transactie, maar soms om twee of meer. Bon Ami werd op 19 februari 1941 opgericht met als doel de exploitatie en administratie van vaste goederen. Sinds april van dat jaar was J. Piersma haar directeur. De huizen uit joods bezit die hij in zijn NV verhandelde werden gekocht van de Niederländische Grundstücksverwaltung of van H.R.C. Frauendorf. Deze was centraal beheerder van joodse onroerende goederen in district Haarlem, blijkt uit het beheersdossier van Piersma.104 Deze persoon en functie wordt alleen hier genoemd en niet nader toegelicht, daarom is de betekenis van deze functionaris onduidelijk.

Ten tijde van de bevrijding bestond de portefeuille van Bon Ami uit 35 woningen in Haarlem en verder nog 30 in Heemstede, Beverwijk en Bloemendaal.105 Over deze NV zijn er maar liefst zeven beheersdossiers van het Nederlands Beheersinstituut (NBI), een aanwijzing dat het naoorlogs beheer veel werk opleverde. Net als bakker Oor was Piersma NSB’er.106 Hij had zich in 1918 in IJmuiden gevestigd, waar hij een handel in fietsonderdelen begon. Met de gemaakte winst stichtte hij filialen, terwijl hij bovendien zijn geld in huizen belegde in IJmuiden en omstreken. In 1932 werd Piersma failliet verklaard, maar het faillissement werd in augustus 1944 weer opgeheven. Of dit laatste gebeurde omdat het hem wellicht weer voor de wind ging vanwege zijn huizenhandel, is onbekend. Toen de evacuatie van IJmuiden en omstreken te verwachten was, verkocht Piersma zijn huizenbezit aldaar en vestigde hij zich in juni 1943 te Heemstede aan de Jacob van Ruysdaellaan. Al voor die tijd was zijn handel in rijwielonderdelen bijzaak geworden en richtte hij zich meer en meer op de handel in onroerende goed, in hoofdzaak voormalig joods bezit. Piersma bracht de huizen onder in diverse NV’s, waarvan Bon Ami de belangrijkste was.107 Later verhuisde hij van Heemstede naar de Händelstraat in Amsterdam-Zuid.108 Piersma was ook enige tijd eigenaar van de Handelsmaatschappij Hecht.

Die was al in september 1934 opgericht door E. Sauerland en E. Hecht, met als doel exploitatie van roerende en onroerende zaken. In november 1943 werd J. Piersma enig aandeelhouder en directeur. Op 31 augustus verkocht hij deze NV aan H. Vestering. Zowel door Piersma als door Vestering werden verschillende joodse panden in de NV ondergebracht.109 Kopers van joods vastgoed werden gevonden door lokale vastgoednetwerken, schrijft R. Schütz. Het verkoopnetwerk voor joodse panden bestond uit een informeel stelsel van ANBO-makelaars, lokale huizenhandelaren en tussenpersonen die kopers probeerden te 102

Verklaring Pruys (25 februari 1948), aangehaald in Tribunaal, Uitspraak (10 maart 1948), p.4-6, Beheersdossier P.P. Pruys, NA, toegang 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 143235. 103 Verklaring raadsman, aangehaald in Tribunaal, Uitspraak (10 maart 1948), p.3, ibidem. 104 Beginvermogensopstelling NV ‘Bon Ami’ (19 juli 1948), Beheersdossier Bon Ami, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 133739. 105 Dit blijkt uit een lijst van ‘afgehandelde rechtsherstellen’ en ‘in behandeling zijnde rechtsherstellen’, ibidem. 106 Dit blijkt uit de vermelding ‘N.S.B. vermogen’ op de Vermogensopstelling 1947 (20 juli 1948), Beheersdossier Bon Ami, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 133737. 107 ‘Rapport betreffende beheer J. Piersma’ (9 december 1946), ibidem. 108 S. Groen aan NBI (19 oktober 1946), Beheersdossier Bon Ami, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 133738. 109 Beginvermogensopstelling NV ‘Hecht’ (20 juli 1948), Beheersdossier Bon Ami, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 133739.

21

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

vinden. Lokale handelaren in onroerend goed traden op namens het ANBO, kenden de markt goed en zij schakelden hun lokale netwerken in. Zo kwamen de transacties tot stand, waarin ook een notaris een functie vervulde. 110 De naoorlogse verklaringen van P. Oor en P. Pruys bevestigen dit beeld voor de Haarlemse situatie. De grootschalige handel met Haarlemse panden uit joods bezit is opvallend. Het ging niet overal zo. De Verkaufsbücher laten zien dat bijvoorbeeld ook in steden als Eindhoven en Arnhem kopers voorkwamen met meer dan één transactie. Dit leidde echter niet tot de omvangrijke portefeuilles zoals die van Oor, Pruys en Piersma met de panden uit Haarlem en omgeving. Waarom deze grootschalige handel zich juist hier voordeed, is onduidelijk. Hadden de Haarlemse huizen een bijzondere attractie voor kopers, of verliep de handel in huizen in West-Nederland in het algemeen anders dan in het zuiden of oosten? Onder de kopers in de Verkaufsbücher komt de gemeente Haarlem niet voor. Dat is van belang omdat een van de onderzoeksvragen hierover gaat: heeft de gemeente Haarlem tijdens de bezetting onroerend goed aangekocht dat eigendom was van joodse burgers? Uit onderzoek elders is gebleken dat ook gemeenten soms panden aankochten. Dit gebeurde bijvoorbeeld in verband met plannen voor sloop en nieuwbouw of herinrichting van een straat.

In Haarlem is niet van dergelijke aankopen gebleken. De gemeente staat niet in de Verkaufsbücher en ook in andere bronnen zijn geen aanwijzingen gevonden voor een gemeentelijke aankoop uit joods bezit tijdens de bezettingsjaren. Dit betreft de gemeenteraadsverslagen en besluiten van de burgemeester gedurende de bezettingsjaren. Hierin worden gemeentelijke aankopen en verkopen van grond en gebouwen vermeld. Daarin is niets aangetroffen wat zou kunnen wijzen op een gemeentelijke aankoop uit joods bezit.

3.7 Woningtekort De gemeente Haarlem was met een overschot aan woningen de oorlog ingegaan, maar na 1940 kon de woningvoorraad niet meer zoals gebruikelijk worden aangevuld. In Haarlem werd net als elders een gemachtigde voor de Wederopbouw benoemd en zonder vergunning van deze functionaris mocht men niet bouwen of verbouwen. Ook materialen werden alleen door hem toegewezen of geweigerd. Na 1942 lag de woningbouw in de gemeente door gebrek aan materialen volkomen stil. Dat gold ook voor onderhoud. Tijdens de bezettingsjaren gingen door bombardementen woningen verloren, onder andere in het Rozenprieel en het Amsterdamse kwartier. Op last van de Duitsers werden bovendien woningen gesloopt aan de Houtvaart, de Kleverlaan, de Rijksstraatweg en de Zijlweg. Ook werden woningen aan de voorraad onttrokken door verbouwing en verandering van bestemming. Verder leidde de brandstoffennood in de winter van 1944-1945 tot sloop of onbewoonbaarheid van woningen.111 Huizen van waaruit de Haarlemse joden waren weggevoerd stonden leeg. Het is waarschijnlijk dat deze aan woningzoekenden werden toegewezen en vermoedelijk heeft de Duitse bezetter hierover de controle willen houden. In september 1942 vroeg het Amt für Volkswohlfahrt (sociale zorg) van de NSDAP bij de Haarlemse politie om een opgave van de woningen van ‘geëvacueerde’ joden.

Dat lijstje kwam er.112 Van elders (Utrecht, Eindhoven) zijn ook dergelijke opgaven bekend en daar bleek dat de Duitsers toestemming moesten geven voor de verdeling van deze woonruimte. Mogelijk is het in Haarlem vergelijkbaar gegaan, gezien het feit dat maatregelen en bepalingen van de Duitse bezetter veelal in heel Nederland golden. 110

Schütz, Kille mist (2016), p. 239, 246-248. Vijf jaren oorlog over Haarlem (1947), p. 79-80. 112 Amt für Volkswohlfahrt aan politie Haarlem (8 september 1942), NHA, toegang 2185, inv.nr. 126. 111

22

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Tegen de achtergrond van het woningtekort zorgden de evacuaties uit enkele omliggende gemeenten voor problemen. Toen Zandvoort en Velsen gedeeltelijk moesten worden ontruimd, kwamen 11.000 tot 12.000 personen naar Haarlem voor onderdak.113 In september 1944 kwamen er nog evacués bij uit Haarlem zelf. Het gebied ten noorden van de Jan Gijzenvaart, ten westen van de Delft en van het Ramplaankwartier moest namelijk op 22 september 1944 om 18 uur ‘ter beveiliging van de burgerij’ zijn ontruimd.114 De Duitsers wilden in de vesting IJmuiden ruim schootsveld hebben en de bevolking van Haarlem moest daarbij geen gevaar lopen. Er werden 3510 woningen verlaten en de bewoners werden elders in Haarlem ingekwartierd. Wie geen onderkomen had kon op het stadhuis een evacuatieadres krijgen. Vrijstelling van inkwartiering was geen optie. Weigering om geëvacueerden op te nemen kon leiden tot onmiddellijke ontruiming van de desbetreffende woningen ten behoeve van de evacués.115 Om de daklozen woonruimte te bieden viel aan samenwoning niet te ontkomen. Haarlem kreeg een Bureau Huisvesting, dat samenwerkte met het Evacuatiebureau in Alkmaar. Het wees huizen aan voor inkwartiering. Daartegen bestond veel weerstand, aldus het naoorlogse gemeentelijke verslag hierover. Velen vertrouwden de regeling niet en vonden dat bij de een te weinig met bezwaren werd rekening gehouden en bij de ander te veel.

Het vereiste grote omzichtigheid de adressen zo te kiezen, dat geen ‘verkeerde elementen’ terechtkwamen in huizen waar joden of andere onderduikers verborgen zaten. Het huisvestingsbureau moest dus volkomen op de hoogte zijn van alle onderduikadressen om snel te kunnen beslissen, zo lezen we in het verslag. Het gemeentelijke bureau werkte dus kennelijk samen met het verzet. Het grote gevaar bestond dat die onderduikadressen ook bekend werden aan NSB’ers of andere ‘gevaarlijke elementen’, aldus het verslag. Men moest dus enerzijds met grote voorzichtigheid te werk gaan, anderzijds honderden klagende samenwoners tevredenstellen.116

113

Vijf jaren oorlog over Haarlem (1947), p. 82. Openbare bekendmaking (19 september 1944), NHA, toegang 3000 (Bibliotheek), inv.nr. 57114. 115 Temminck, De Haarlemmers en de Tweede Wereldoorlog (1990), p. 170; Openbare bekendmaking (19 september 1944), NHA, toegang 3000, inv.nr. 57117. 116 Vijf jaren oorlog over Haarlem (1947), p. 82-84. 114

23

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

4. De draad weer oppakken 4.1 Afwezigen ‘dat echter de kans geenszins uitgesloten geacht moet worden, dat allen, althans een of meerder hunner, te eeniger tijd het geluk mogen smaken weer in het Vaderland terug te keren, in welk geval zij zich alsdan tot verzoeker en zijn echtgenote, als de enige niet ernstige getroffen familie-leden bij hunne terugkeer, na zovele jaren van ontbering weer een tehuis zouden hebben.’117 Tienduizenden joden waren uit Nederland weggevoerd en naar de nationaalsocialistische concentratiekampen en vernietigingskampen gebracht. Verreweg de meesten van hen zijn daar gedood. Deze moord op de joden vormde het verschrikkelijke dieptepunt van de antisemitische politiek van de nazi-Duitsland. Kort na de bevrijding bestond er nog hoop dat althans sommigen zouden terugkeren, zoals blijkt uit het citaat hierboven uit juli 1945. Van velen bleef het lot lang onbekend. Zij waren ‘afwezigen’, zoals men dat toen in documenten noemde. Wanneer zij niet terugkwamen duurde het vaak nog jaren voordat hun overlijden officieel werd bevestigd. De publicatie Wij gedenken vermeldt dat 1460 personen in Haarlem in aanmerking waren gekomen voor deportatie. Van hen overleden 23 personen tussen mei 1940 en augustus 1942 aan natuurlijke oorzaken. In de kampen en in Haarlem overleden 712 joden, de meesten van hen in Auschwitz en Sobibor.

Van de genoemde 1460 overleefden 725 de oorlog.118 De website joodsmonumenthaarlem.nl hanteert het min of meer vergelijkbare aantal van 1477 personen die in aanmerking kwamen voor deportatie. Van hen zijn 715 overleden door geweld of in de kampen en overleefden 718 de oorlog.119 Een recente gemeentelijke notitie over stolpersteine hanteert het aantal van 733 slachtoffers.120 De cijfers over slachtoffers en overlevenden zijn moeilijk precies vast te stellen en het is mogelijk dat de aantallen ook in de toekomst nog worden bijgesteld op basis van nieuwe informatie. Wij weten nu dat slechts zeer weinigen zijn teruggekeerd uit de concentratiekampen en vernietigingskampen. In Haarlem was dit slechts een tiental.121 Uit de onderduik kwamen veel meer mensen terug, die verspreid hadden gezeten over heel het land.122 Uiteraard wilden terugkeerders zo snel mogelijk naar huis. Maar ook als zij Haarlem eenmaal hadden bereikt, was dat nog niet zo eenvoudig. Het is de vraag of ze hun woning weer in konden. Verschillende studies over Nederland na de bevrijding beschrijven de terugkomst van joden uit concentratiekamp of uit de onderduik. Hun huis was vaak bewoond door anderen, ongeacht of het ging om een huurwoning of om eigen bezit. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit ook in Haarlem is voorgekomen. Zoals we hebben gezien heerste ook hier grote krapte op de woningmarkt.

117

Advocaat aan militaire commissie (16 juli 1945), Beheersdossier P. De Vries, NA, toegang 2.09.16.15 (NBI), inv.nr. 186988. 118 Wij gedenken (2004), p. 8, 17. 119 https://www.joodsmonumenthaarlem.nl/ geraadpleegd 14 oktober 2021. 120 Interne notitie gemeente Haarlem, november 2021. 121 https://www.joodsmonumenthaarlem.nl/ geraadpleegd 14 oktober 2021. 122 Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 33.

24

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

4.2. Opvang en herstel Na de bevrijding stond men overal in Nederland voor de enorme opgave van opvang en herstel. Naast blijdschap over de bevrijding was er schade, verlies en gemis. In Haarlem stak men meteen de handen uit de mouwen om schade in de stad te herstellen.123 Daarnaast was opvang en ondersteuning nodig. De gemeente bood samen met maatschappelijke organisaties hulp aan oorlogsslachtoffers en gedupeerden. Dit betrof Haarlemmers die tijdens de bezetting in de stad waren gebleven en personen die terugkwamen uit onderduik of concentratiekamp, maar ook uit gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Er waren dus verschillende groepen van gedupeerden. Landelijk was het beleid om hen bij opvang en hulp gelijk te behandelen. Tijdens de bezetting had de regering in ballingschap (in Londen) het besluit genomen om geen onderscheid te maken tussen joodse en niet-joodse oorlogsslachtoffers. In het licht van de nazistische rassenleer vond men het ongepast de joden als een afzonderlijke groep te beschouwen.124 Daarmee ging men eraan voorbij dat zij vanwege hun joodszijn waren vervolgd en onevenredig zwaar waren getroffen door het antisemitisme van de bezetter. Daar kwam nog bij dat zij extra behoefte hadden aan praktische hulp. Doordat zoveel familieleden en vrienden niet terugkwamen ontbrak het hun aan een persoonlijk netwerk voor opvang en ondersteuning.

Veel repatrianten en opduikers (uit de onderduik) kwamen per trein terug naar Haarlem. Op het station werden zij opgewacht voor registratie, keuring en toetsing van bijvoorbeeld hun politieke betrouwbaarheid. In juni en juli 1945 waren al 3.900 terugkeerders op het Haarlemse station geweest. Hoeveel van hen joden waren is onduidelijk, omdat dit in de registraties niet is aangegeven. Uiteindelijk zouden in totaal rond de 10.000 ontheemden Haarlems station passeren.125 Wie in Haarlem bleef, had behoefte aan woonruimte en andere dringende zaken zoals voeding, kleding en verzorging. Huisvesting was voor gedupeerden dus van het grootste belang. Zoals we eerder zagen was in Haarlem tijdens de bezetting al druk op de woningvoorraad ontstaan. Er was weinig bijgebouwd, er waren gebouwen gevorderd en Haarlem had evacués moeten huisvesten. Ook de geallieerde bevrijders en het Militair Gezag, het overgangsbestuur na de bevrijding, eisten gebouwen op. Het tekort was niet zomaar opgelost en daarom hanteerde de gemeente een systeem van verdeling. Zij had daarbij verregaande bevoegdheden. Mike Hos bijvoorbeeld wijst er in zijn masterscriptie op dat bezitters van grote huizen vacante kamers moesten verhuren aan anderen. De gemeente hield naleving hiervan nauwlettend in de gaten en was streng.

Dit leidde soms tot frustraties bij recentelijk teruggekeerde joden, die ook te maken kregen met inwoning.126 De joden die na de oorlog van onderduikadressen en uit kampen terugkeerden, voelden zich in ons land vaak niet welkom. Hen wachtte niet zelden een kille ontvangst en weinig begrip voor wat zij hadden doorgemaakt. In de literatuur zijn hiervan verschillende voorbeelden te vinden.127 Of dit ook geldt voor terugkeerders in Haarlem, is een boeiende vraag, die hier echter niet in een bredere samenhang is onderzocht. Dit zou een meer omvangrijke studie vergen. In dit onderzoek richten we ons op de vraag over de eventuele (na)heffing van achterstallige lasten door de gemeente Haarlem. Maar eerst volgt een korte bespreking van het naoorlogs beheer van joods bezit. 123

Verslag van het gesprokene 1945-1946 (raadsvergadering 7 november 1945), p.12-13, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 327. 124 Bossenbroek, De Meelstreep (2001), p. 195-196. 125 Hos, ‘De moeizame evolutie’ (2020), p. 16-17. 126 Ibidem, p. 18-19. 127 Onder andere: Bossenbroek, De Meelstreep (2001); Citroen, U wordt door niemand verwacht (2021); Lipschits, De kleine sjoa (2001); diverse hoofdstukken in Piersma, Mensenheugenis (2001); diverse hoofdstukken in Kristel, Polderschouw (2002).

25

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

4.3 Naoorlogs beheer ‘Dat Hartog Kroese, laatste gewoond hebbende te Haarlem, Barteljorisstraat 1, in het jaar 1942 tezamen met zijn echtgenoote Naatje de Vries, door de Duitschers uit zijn woning is weggehaald, naar Polen is gedeporteerd en thans zonder bekende woon- of verblijfplaats is; dat voornoemde afwezigen geen volmacht hebben achtergelaten tot het waarnemen hunner zaken en belangen, noch orde op het beheer derzelve hebben gesteld.’ Deze passage stond in de brief waarin een nicht van Hartog Kroese het Nederlands Beheersinstituut (NBI) in Haarlem verzocht een bewindvoerder te benoemen.128 Het NBI stelde in de naoorlogse jaren bewindvoerders en beheerders aan om het vermogen van duizenden Nederlanders te beheren.129 Voor een groot deel betrof dit nietteruggekeerde joden (‘afwezigen’), in afwachting van hun mogelijke terugkeer of een officiële verklaring van overlijden. Uiteraard was dit een andersoortig beheer dan dat van de Niederländische Grundstücksverwaltung en het ANBO. Het NBI-beheer was opgezet om correct en rechtmatig om te gaan met het vermogen van afwezigen. De al eerder genoemde beheersdossiers zijn tijdens dit beheer aangelegd. Sommige van deze dossiers bevatten informatie die een licht werpt op de praktijk van dit beheer. Dat geldt bijvoorbeeld voor het dossier over het vermogen van David Sanders. Zijn laatste woonadres in Haarlem was de Delftlaan geweest.

Hij was met zijn vrouw ondergedoken in Amsterdam, waar zij echter op straat werden gearresteerd. Hun drie kinderen zaten verspreid elders ondergedoken. De ouders weigerden aanvankelijk hun adressen te noemen, maar zwichtten na zware fysieke mishandeling. David Sanders, zijn vrouw Clara Keizer, hun twee dochtertjes Eline en Marie en hun zoontje Elbert werden op 10 september 1943 in Auschwitz vermoord.130 Zoals hierboven beschreven bezat Sanders huizen in Haarlem, namelijk aan de Nieuwe Kruisstraat, de Gasthuislaan, de Brandtstraat, de Tetterodestraat en de Leidsestraat. Ook bezat hij een ‘buitenverblijfje’ in Lunteren. In oktober 1945 werd P.H. Borghouts uit Haarlem benoemd tot bewindvoerder over Sanders’ vermogen. Borghouts begon zijn werk met het inwinnen van informatie bij kennissen en relaties van Sanders. Zo kreeg hij diverse adressen van personen die geld, stukken of gedeelten van de inboedel in bewaring hadden, zo rapporteerde hij aan het Beheersinstituut. Borghouts liet de bezittingen van Sanders behoorlijk tegen brandschade verzekeren en onderhoud aan de huizen verrichten. Dat was een belangrijke post. Hij wees er op dat tijdens het ANBO-beheer alle reparaties waren uitgesteld, met de oorlogsomstandigheden als excuus. Borghouts had de ‘ons uit vroegertijd zo goed bekende’ panden min of meer verwaarloosd aangetroffen.

Vooral vloeren, daken en goten, waterleidingen, ramen, tegelwerk en het buitenschilderwerk moesten dringend aangepakt worden. Nu moest een en ander worden ingehaald, tegen aanzienlijke kosten. Tijdig onderhoud had die kosten kunnen beperken of over langere perioden verdelen, aldus de bewindvoerder in zijn rapportage. In zijn afrekening overlegde hij de facturen van aannemers en dergelijke.131 Dat Borghouts de panden van vroeger kende wijst er op dat hij eerder betrokken was bij dit bezit. Misschien had hij - bijvoorbeeld – de huren geïnd in opdracht van Sanders. Het vermogen van de hierboven besproken bakker en oorlogskoper P. Oor werd eveneens beheerd. Dat gebeurde namelijk behalve bij joodse afwezigen ook bij personen die 128

H. Bahlmann aan NBI Haarlem (15 oktober 1945), Beheersdossier H. Kroese, NA, toegang 2.09.16.08 (NBI), inv.nr. 116807 129 Aalbers, Berooid (2001), p.43, 52-54. 130 David Sanders en familie, joodsmonument.nl . 131 P.H. Borghouts aan NBI Haarlem (26 oktober 1946), Beheersdossier D. Sanders, NA, toegang 2.09.16.13 (NBI), inv.nr. 159058.

26

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

waren gearresteerd op verdenking van collaboratie. Uit het dossier blijkt dat Oor in november 1944 naar Duitsland was vertrokken, nadat zijn bakkerij in Haarlem op 21 oktober 1944 was gesloten op last van de bezetter. Hij bleef die winter in Duitsland. Op 18 juni 1945 vertrok hij naar Nederland, maar werd op 1 juli 1945 te Rheine in Duitsland gearresteerd. Vandaar werd hij overgebracht naar Ommen en begin augustus vervolgens naar het Bewaringskamp Koudenhorn te Haarlem.132 Piet Groot meldde zich bij het Militair Gezag aan als beheerder, en tegelijk als gegadigde voor het bakkersbedrijf. Groot had eerder een zaak gehad aan de Soendastraat, maar hij moest in februari 1943 naar Duitsland. Wellicht moest hij er werken in het kader van de Arbeitseinsatz. Hij keerde in juni 1943 terug en dook vervolgens onder. Zijn zaak werd toen aan een ander verhuurd, die nu natuurlijk niet op straat kon worden gezet. ‘Met goedvinden van mevrouw Oor’ wilde hij haar bakkerij beheren.133 Hijzelf ‘wenste een nieuwe zaak te beginnen’, aldus toelichting in zijn aanvraag van een verklaring van politieke betrouwbaarheid.134 Die verklaring kreeg hij, evenals het beheer over de bakkerij.

4.4 Achterstalligheid? Na de bevrijding probeerde men dus overal orde op zaken te stellen. De gemeente Haarlem kon haar bestuurstaak weer gaan vervullen en kreeg om te beginnen een tijdelijke gemeenteraad. In de eerste vergadering op 7 november 1945 stond waarnemend burgemeester Reinalda uitgebreid stil bij de bezettingsjaren. Volgens hem wist de bevolking van Haarlem dat het gemeentepersoneel ‘goed’ was geweest. Weliswaar waren er enkelingen ‘die zich zelf en niet de ander zochten te dienen’. Dezen waren dan ook fel veroordeeld, maar Reinalda was ervan overtuigd dat het gemeentebestuur in zijn geheel goed bekend stond. Raadslid Klein memoreerde in een reactie de ‘barbaarsheid, wreedheid en gruwelijke verdierlijking’ van de laatste oorlogsmaanden, naast de terreur, hongersnood en brandstoffennood. Het had in die laatste fase van de bezetting overigens geleken of de gemeentelijke diensten van het aardrijk weggevaagd waren. Van hun bestaan had men volgens Klein ‘zo goed als niets meer gemerkt’.135 In de bevrijde stad konden ook deze diensten zich weer laten zien. Zaken als de inning van gemeentelijke lasten zal men weer hebben aangepakt, wanneer deze in het ongerede waren geraakt.

Dat brengt ons bij de onderzoeksvraag over dit onderwerp: heeft de gemeente Haarlem na de bevrijding naheffingen voor erfpacht en/of straatbelasting gevorderd van joodse huiseigenaren dan wel hun erfgenamen over de oorlogsperiode? Dus kregen zij of hun bewindvoerders na de bevrijding nog een rekening gepresenteerd voor lasten over de jaren dat zij afwezig waren door deportatie of onderduik? Het is onduidelijk of dit zich in Haarlem heeft voorgedaan, dus of de gemeente Haarlem na de oorlog dergelijke naheffingen heeft opgelegd wegens achterstalligheid. Het is in de gemeentelijke archieven moeilijk na te gaan. De uitvoeringsadministratie (aanslagen, herinneringen) van de straatbelasting uit de jaren veertig bestaat namelijk niet meer. Gepoogd is om in andere bronnen relevante informatie te vinden over de heffing van de straatbelasting in de naoorlogse jaren. Geraadpleegd zijn gemeentelijke dossiers over straatbelasting, dossiers van de Raad van Beroep voor de Directe Belastingen, gemeenterekeningen, gemeentelijke journalen van inkomsten en gemeenteraadsverslagen. 132

Verklaring Oor, in Uitspraak Tribunaal (14 april 1948), Beheersdossier P.P.F. Oor, NA, toegang 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 137727. 133 Verklaring van politieke betrouwbaarheid (17 juli 1945), ibidem. 134 Groot aan Militair Gezag (13 juli 1945), ibidem. 135 Verslag van het gesprokene 1945-1946, vergadering tijdelijke raad op 7 november 1945, p. 15-17, NHA, toegang 2295, inv.nr. 327.

27

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

De gemeentelijke dossiers over straatbelasting bevatten enkele bezwaarschriften tegen aanslagen. Veel bezwaren hebben betrekking op de hoogte van de huurwaarde – de grondslag voor de belasting - die te hoog zou zijn ingeschat volgens de bezwaarmakers. Bezwaarschriften van joodse huizenbezitters tegen de aanslagen over de bezettingsjaren zijn in deze bron niet gevonden.136 Dit geldt ook voor de beroepszaken in het archief van de Raden van Beroep voor de directe belastingen. Na bezwaar bij de gemeente bestond als volgende stap de mogelijkheid van beroep bij deze instantie. Elders (in Den Haag) vormden acht van dergelijke bezwaar- en beroepsdossiers de aanwijzing dat daar naheffingen zijn opgelegd voor straatbelasting.137 De vraag was of dergelijke dossiers ook voor Haarlem aanwezig zouden zijn. De raad van beroep behandelde beroepszaken uit een groter gebied dan alleen Haarlem, dus van ingezetenen uit tal van gemeenten. Het merendeel van de behandelde zaken gaat over andere belastingen (inkomensbelasting, vermogensbelasting, loonbelasting enzovoort). De incidentele zaken over straatbelasting betreffen grotendeels andere gemeenten. De enige straatbelastingzaak uit Haarlem gaat over het belastingjaar 1947 en valt daarmee buiten de onderzochte periode.

Deze zaak gaat bovendien over de huurwaarde van het desbetreffende pand en dat is niet wat wij zoeken.138 Ook het archief van de raad van beroep bevat dus geen bezwaar- en beroepschriften van joodse huizenbezitters tegen aanslagen over de bezettingsjaren.139 In de gemeentelijke journalen van inkomsten komt de post ‘straatbelasting’ regelmatig voor. Maar meestal gaat het om grote (geaggregeerde) bedragen en nooit staan er namen van belastingplichtigen bij vermeld. De bedragen zijn niet te herleiden naar personen, want alleen ‘straatbelasting’ staat vermeld.140 In de gemeentebegrotingen en gemeenterekeningen geldt dit in nog veel sterkere mate. Hier gaat het om totalen over een heel jaar. In de gemeenteraad ten slotte is het onderwerp naheffingen van achterstalligheid en straatbelasting in de naoorlogse jaren niet geagendeerd. Ook hier vormde de gemeente Den Haag de referentie: daar werd dit onderwerp wel uitgebreid in de gemeenteraad besproken.141 In de raadsverslagen van Haarlem is iets dergelijks niet aangetroffen. Verder is navraag gedaan bij voorzitter Ruben Boas en rabbijn Shmuel Spiero van de Joodse gemeente in Haarlem of zij bekend waren met eventuele naheffingen van straatbelasting en/of erfpachtcanon na de bevrijding. Ook is deze vraag voorgelegd aan de auteurs Wim de Wagt, Kees van der Linden en Mike Hos.

Geen van hen kende uit overlevering verhalen dat dit zou hebben plaatsgehad in Haarlem. Dat er in alle genoemde bronnen geen informatie over naheffingen is gevonden, vormt echter geen ‘bewijs’ dat deze niet hebben plaatsgehad. Het betekent dat onduidelijk is of er sprake van is geweest. Complicerend bij deze zoektocht naar heffingen wegens achterstalligheid is dat we niet weten of er eigenlijk wel sprake was van achterstalligheid. Het joodse huizenbezit werd tijdens de bezetting beheerd en de beheerorganisatie ANBO was verantwoordelijk voor de betaling van de lasten. Of zij al dan niet regelmatig heeft betaald, is onduidelijk. Mogelijk verschilde dit per ANBO-kantoor. Voor zover bekend is ook de administratie van het ANBO niet meer voorhanden. Slechts wanneer de beheerder niet betaald had, was er sprake van 136

NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nrs. 6059, 6063, 6066, 6071, 6073, 6076, 6079 en 6080. 137 In Den Haag vormde de aanwezigheid van negen bezwaar/beroepsdossiers de aanwijzing dat daar naheffingen zijn opgelegd voor straatbelasting en erfpacht. Zie: Te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is (2017). 138 Zaak 1947/902, NHA, toegang 32 (Raden van Beroep), inv.nr. 382 139 Geraadpleegd zijn NHA, toegang 32 (Raden van Beroep), inv.nrs. 380 t/m 384. 140 Journaal van inkomsten 1943, 1944, 1945, 1946 en 1947, NHA, toegang 1503 (Gemeenteontvanger Haarlem), inv.nrs. 151, 152, 153 en 154. 141 Te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is (2017), hoofdstuk 4.

28

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

achterstalligheid. Bij verkoop van een pand door het ANBO moest uiteraard de nieuwe eigenaar voortaan de lasten betalen. De vraag of er al dan niet sprake was van achterstalligheid is van cruciaal belang bij het beantwoorden van de onderzoeksvraag.

4.5 Straatbelasting in beheersdossiers Tot zover enkele bronnen waarin geen informatie is gevonden over naheffingen van straatbelasting wegens achterstalligheid. In sommige beheersdossiers komt wel een vermelding van straatbelasting voor, bijvoorbeeld in de verslaglegging over het (naoorlogse) beheer. Onderdeel van het beheer was inning van de huren en de betaling van lasten. Straatbelasting wordt vermeld voor de belastingjaren van de naoorlogse beheerperiode, dus 1945, 1946, 1947 enzovoort. Zo’n vermelding van het belastingjaar 1945 komt voor in het beheersdossier van I.H. Baruch.142 Isaac Haim Baruch was op 25 maart 1944 omgekomen in Theresienstadt op de leeftijd van 72 jaar.143 Zijn zoon Leonard Baruch overleefde de oorlog en werd benoemd tot zijn bewindvoerder.144 In een accountantsrapport in zijn beheersdossier staat de post ‘straatbelasting 1945’. Betrof deze de eerste maanden van het jaar, dus nog de periode van de bezetting, of ging het om de periode vanaf mei 1945? Dit is onduidelijk. Aangezien er geen schulden over eerdere jaren vanaf 1942 of 1943 zijn vermeld, lijkt het niet waarschijnlijk dat hier sprake was van achterstalligheid. Wellicht verwijst dit bedrag naar de reguliere naoorlogse belastingheffing.

In het rapport komen ook andere belastingen voor, namelijk grondbelasting 1944 en 1945.145 Daarbij gaat het zoals we eerder zagen om een rijksbelasting en die valt buiten dit onderzoek, al lijkt het jaar 1944 bij Baruch wel te wijzen op achterstalligheid. Een ander voorbeeld is het beheersdossier van S.B. van Aalten, die een huis had aan het Frans Halsplein in Haarlem. Simon Bernhard van Aalten werd op 28 mei 1943 in Sobibor vermoord, evenals zijn zoons Karel en Frits.146 Zijn beheersdossier bevat vermeldingen van andere belastingen (dan straatbelasting), zoals ondern.[eminsg]bel.[asting] 1943 en 1944.147 Dat is goed verklaarbaar, want Van Aalten had een ijzerhandel gedreven aan de Spuistraat in Amsterdam, de firma I. van Aalten en zoon.148 Ook dit betreft voor zover bekend rijksbelastingen. Terug naar de straatbelasting. In september 1946 besloot de gemeente Haarlem om deze te verhogen. Bij circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 1946 was ter sanering van de gemeentefinanciën als eis gesteld, dat de opbrengst van de straatbelasting ten minste zou bedragen 6% van ‘het totaal der belastbare opbrengst gebouwd’ volgens de grondbelasting en 3% van ‘het totaal der belastbare opbrengst ongebouwd’. Dit betreft percentages van de (geschatte) belastbare opbrengst van de percelen.

Zoals eerder besproken werd deze opbrengst gebruikt voor het vaststellen van de grondbelasting en genoteerd in de kadastrale leggers.149 142

Rapport Bollerman (10 oktober 1950), p. 2 en 8, Beheersdossier I.H. Baruch, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 32122. 143 Joodsmonument.nl. 144 Benoeming door NBI (8 september 1945) Beheersdossier I.H. Baruch, NA, toegang 2.09.16.02, inv.nr. 32122. 145 Rapport Bollerman (10 oktober 1950), p. 2 en 8, ibidem. 146 Joodsmonument.nl. 147 Balans per 1 september 1945, Beheersdossier S.B. van Aalten, NA, toegang 2.09.16.02 (NBI), inv.nr. 26118. 148 Brief aan MG (27 juni 1945); Overzicht van het vermogen (11 november 1947), Ibidem. 149 Aan de slag (2014), p. 68, 69, 126.

29

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Bij toepassing van de genoemde percentages moest in Haarlem een bedrag van f 687.000 aan straatbelasting worden opgebracht, ofwel f 127.000 meer dan bij het bestaande tarief. Een forse verhoging dus. B en W presenteerden de gemeenteraad een voorstel hierover en dat werd zonder discussie of hoofdelijke stemming aangenomen. De verhoging kwam er en de nieuwe verordening trad in werking op 1 januari 1947.150 De tijd dat deze belasting, bij de invoering ervan, f 135.000 per jaar moest opbrengen, had men ver achter zich gelaten. Net als destijds in 1919 keek het Rijk over de schouder van de gemeente mee. Erfpacht is een ander verhaal dan straatbelasting. Erfpacht is geen belasting maar een zakelijk recht en een private overeenkomst tussen twee partijen. Een gemeente die grond uitgeeft aan een erfpachter handelt daarbij als privaatrechtelijk persoon. In een (private) overeenkomst, de erfpachtakte, worden de bepalingen rond de erfpacht vastgelegd. Er bestaan hierbij geen bezwaar- en beroepsprocedures. Als er een geschil ontstaat over de naleving van de voorwaarden uit de erfpachtovereenkomst, kunnen partijen naar de rechter stappen.151 Er is van afgezien om gerechtelijke archieven door te nemen op zoek naar een eventueel geschil tussen de gemeente en (de zaakwaarnemer van) een joodse erfpachter over achterstalligheid. Daarvoor zijn twee redenen.

Om te beginnen kwam erfpacht veel minder voor dan straatbelasting. Hoewel we niet weten hoe wijdverbreid erfpacht was in het Haarlem van de jaren veertig, kunnen we er wel van uitgaan dit slechts voor een (beperkt?) deel van de huizen van toepassing was. De straatbelasting daarentegen was de regel voor huizenbezitters. Zij werd immers geheven van al de percelen die aan gemeentelijke straten of wegen grensden en zal aan honderden, zo niet duizenden onroerendgoedbezitters zijn opgelegd. De tweede reden is dat bij de wijdverbreide straatbelasting al geen bezwaar- of beroepszaak is aangetroffen van joodse erfpachters. Ook is uit andere bronnen niet gebleken van achterstalligheid bij de straatbelasting. De kans dat we een gerechtelijke procedure zullen vinden over naheffingen wegens achterstalligheid bij de veel minder voorkomende erfpacht, is erg klein.

4.6 Rechtsherstel Direct na de bevrijding begon een grote operatie van rechtsherstel. Doel was om de ontrechting uit de bezettingsjaren te herstellen, zoals het geschonden eigendomsrecht van joden inzake vastgoed. Voorbereidingen voor het rechtsherstel waren al getroffen door de regering in Londen, terwijl Nederland nog grotendeels bezet was. In september 1944 kwamen twee wetsbesluiten tot stand, het Besluit bezettingsmaatregelen (E93) en het Besluit herstel rechtsverkeer (E 100). Er kwam een Raad voor het Rechtsherstel met een aantal uitvoerende afdelingen. Een ervan was het al vaker genoemde Nederlands Beheersinstituut (NBI), dat deel uitmaakte van de Afdeling Beheer.152 Met rechtsherstel wilde men zoveel mogelijk terug naar de vooroorlogse situatie. Verordeningen zoals 154/1941 (bebouwd onroerend goed) behoorden tot de maatregelen van de bezetter die geacht werden nooit van kracht te zijn geweest. Alle verkopen van joods onroerend goed waren daarmee onwettig, tenzij de koper kon aantonen dat hij te goeder trouw was (art. 25 sub c E100).153 Daarmee werd bedoeld dat de koper onwetend was: hij wist niet, of kon niet weten dat het ging om een perceel uit joods bezit. 150

Voorstel 12 september 1946, besproken in raadsvergadering van 18 september 1946, Verslag van het verhandelde 1945-1946, p. 386-388, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 257. 151 Mededeling Afdeling Vastgoed gemeente Haarlem, per mail (14 oktober 2021). 152 Aalbers, Berooid (2001), p.43, 52-54. 153 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 28.

30

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Rechtsherstel betekende dat de situatie voor de gedupeerde zoveel mogelijk werd teruggebracht in de toestand van vóór de anti-joodse maatregelen. Hij mocht er echter niet door worden verrijkt. Vaak betekende rechtsherstel teruggave van het geroofde of onder dwang verkochte onroerend goed. Soms kwam het neer op een schadevergoeding of een andere regeling. Dat gebeurde als de partijen daar zelf toe besloten, of als de rechter oordeelde dat de oorlogskoper te goeder trouw was geweest en door een herstel van de vooroorlogse situatie op onredelijke wijze benadeeld zou worden. In principe moesten alle oorlogsaankopen teruggedraaid of bekrachtigd worden. Het doel was om zo veel mogelijk minnelijk te schikken. Dat betekende overleg tussen partijen zonder tussenkomst van de rechter, met als resultaat een overeenkomst. Gedelegeerden van de Raad voor het Rechtsherstel moesten deze minnelijke regelingen bekrachtigen. In principe behoorde de koopovereenkomst nietig verklaard te worden. Baten zoals huren werden verrekend met de lasten die waren betaald. Het beheer van het perceel werd vaak al voor de uiteindelijke schikking overgedragen. Vaak waren de kosten voor de opmaak van de rechtsherstelakte eveneens voor de oorlogskoper.154 De ontrechte partij moest het initiatief nemen om zijn afgenomen eigendom terug te 155 krijgen.

De joodse eigenaar kreeg in beginsel zijn eigendom terug, maar soms wilde de (laatste) koper het pand behouden. Uiteraard kon dat alleen met instemming van de joodse rechthebbende. Die ontving alsnog de koopsom die tijdens de oorlog wel op zijn naam was geregistreerd, maar waarover hij nooit had kunnen beschikken.156 Een voorbeeld van rechtsherstel in Haarlem vormt het bezit van de eerder besproken S.J. van Praag. In 1951 (dienstjaar 1952) kwamen de panden via rechtsherstel weer op zijn naam te staan, met de aantekening ‘afwezig (vroeger te Heemstede)’. De wrange werkelijkheid was, dat Van Praag toen al jaren niet meer in leven was. Hij werd in mei 1943 in Sobibor vermoord.157 In het kadaster is via de leggerartikelen van de verschillende oorlogskopers te reconstrueren dat zijn bezit weer op de naam van Van Praag werd bijgeschreven. De percelen werden in 1955 openbaar verkocht.158 Ook de bezittingen van L. Abas aan de Dolfijnstraat werden in 1949 (dienstjaar 1950) weer op zijn naam gezet. In zijn geval ging het niet om een ‘afwezige’, want hij had de oorlog overleefd.159 Soms werd tijdens de bewindvoering door het NBI overgegaan tot verkoop van een of meer panden, zoals in het geval van het bezit van Elisabeth Appel-Mok.

Zij was in Birkenau vermoord op 30 september 1942, haar man Abraham Appel op 15 augustus 1942 en haar dochtertjes Leni en Sonja van respectievelijk 4 en 9 jaar op 18 juli 1942 in Auschwitz.160 Over haar bezit stond in het beheersdossier: ‘Geen der vermoedelijke erfgenamen wenst of is in staat de percelen over te nemen of toegescheiden te krijgen. Bovendien verkeren de panden in zeer slechte staat van onderhoud, zodat verkoop gewenst is en door de vermoedelijke erfgenamen wordt verzocht.’161 Het Nederlands Beheersinstituut moest daarvoor toestemming verlenen en deed dit begin mei 1951. Het pand werd in 1951 (dienstjaar 1952) verkocht. In het kadaster staat vermeld ‘Op[enbare]. Verkoop’.162 Of de erfgenamen toen bekend waren blijkt niet uit het beheersdossier of de kadastrale legger.

154

Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 28-29; mededeling Maarten-Jan Vos, november 2021. Schütz, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel’ (2018), p. 123. 156 Aalders, Berooid (2001), p. 191. 157 Joodsmonument.nl. 158 Kadastrale gemeente Schoten, leggerartikel 10833 (S.J. van Praag, ‘afwezig’). 159 http://www.maxvandam.info/humo-gen/family/1/F54256?main_person=I102815, geraadpleegd 12 oktober 2021. 160 Joodsmonument.nl. 161 ‘Het Nederlands Beheersinstituut – Bureau Amsterdam. Verkoop onroerend goed, Beheersdossier E. Appel-Mok, NA, toegang 2.09.16.01 (NBI), inv.nr. 4672 [3732]). 162 Kadastrale gemeente Schoten, leggerart. 11435 (Elisabeth Mok, afwezig) 155

31

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

5. Conclusie In deze studie is in de historische context onderzocht: •

• •

of de gemeente Haarlem na afloop van de Tweede Wereldoorlog naheffingen voor erfpachtcanon en/of straatbelasting heeft gevorderd van joodse eigenaren van onroerend goed dan wel hun nabestaanden/erfgenamen over de oorlogsperiode; in hoeverre de gemeente Haarlem tijdens de bezetting onroerend goed heeft aangekocht dat eigendom was van joodse burgers; of er nadien over deze eventuele aankopen rechtsherstel heeft plaatsgevonden.

Om met de eerste vraag te beginnen: het is onduidelijk of de gemeente Haarlem (ook) aan joodse huiseigenaren naheffingen heeft opgelegd wegens achterstallige erfpachtcanon en/of straatbelasting. Gebleken is dat sommige gemeenten in ons land na de bevrijding de rekening hebben gepresenteerd voor achterstallige erfpachtcanon of lokale belastingen aan joodse slachtoffers, hun nabestaanden of bewindvoerders. De voor deze studie geraadpleegde bronnen geven geen antwoord op de vraag of dit ook in Haarlem is gebeurd. De gemeentelijke uitvoeringsadministratie van de inning van de erfpachtcanon en straatbelasting is er niet meer. Voor de straatbelasting zijn ‘indirecte’ bronnen geraadpleegd, zoals bezwaar- en beroepsdossiers, gemeenterekeningen, gemeentelijke journalen van inkomsten en gemeenteraadsverslagen. Ook navraag bij de Joodse gemeente in Haarlem en bij enkele auteurs over joods Haarlem leverde geen informatie op over over dergelijke naheffingen. De geraadpleegde bronnen geven dus geen aanwijzingen dat de gemeente Haarlem voor joods bezit naheffingen zou hebben opgelegd wegens achterstalligheid. Dit vormt echter geen hard ‘bewijs’ dat deze niet hebben plaatsgehad. Voor erfpacht is afgezien van het raadplegen van gerechtelijke archieven, mede omdat we niet eens weten of er van achterstalligheid eigenlijk wel sprake was.

Bij de vermelding van ‘straatbelasting 1945’ is moeilijk te bepalen of dit (ook) de maanden vóór de bevrijding betrof. Tijdens de bezettingsperiode werd het joodse vastgoed ‘beheerd’ door het ANBO. Deze organisatie werd geacht de lasten zoals belastingen en erfpachtcanon te betalen. Het is onbekend of deze instantie dit ook consequent heeft gedaan. Wanneer dat zo is geweest, dan was er na de bevrijding geen achterstalligheid en bestond er geen reden om naheffingen op te leggen. Maar ook hierover ontbreken de gegevens. De boekhouding van het ANBO is voor zover bekend immers verdwenen. De tweede onderzoeksvraag betreft een eventuele aankoop door de gemeente Haarlem van onroerend goed uit joods bezit. Daar zijn geen aanwijzingen voor. De gemeente komt niet voor in de Verkaufsbücher en uit de vermelding van vastgoedaankopen tijdens de bezettingsjaren blijkt dat evenmin. Aangezien de gemeente geen vastgoed uit joods bezit heeft gekocht, vervalt de derde onderzoeksvraag over rechtsherstel over eventuele gemeentelijke aankopen. Het ‘beheer’ van joods vastgoed gebeurde door organisaties die door de Duitse bezetter waren ingesteld. Zij verkochten een deel van de percelen en waren daarmee de uitvoerders van de roof van onroerend goed, soms ‘onteigening’ genoemd. Deze term is in dit verband echter lastig, omdat die verwijst naar een procedure in de ruimtelijke ordening.

Daarbij zijn rechten van onroerendgoedeigenaren degelijk verankerd, wat bij de roof door de Duitse bezetter absoluut niet het geval was. Deze laatste betekende juist een grove schending van rechten. Daarom zijn roof of ontrechting betere termen voor dit verschijnsel. Het beheer van huizen uit joods bezit was geen aangelegenheid van de gemeente en de verkoop van joodse huizen evenmin. Dit waren zaken van de beheerorganisaties.

32

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Transacties kwamen tot stand door bemiddeling van plaatselijke makelaars en taxateurs, marktpartijen dus. Het naoorlogs rechtsherstel ten slotte was een taak van de landelijke organisaties die hiervoor waren ingesteld. In dit rapport zijn enkele voorbeelden beschreven van de handel in huizen, om duidelijk te maken hoe dit werkte. Daarbij is aandacht besteed aan zowel de joodse eigenaren als aan de kopers. Gebleken is dat in Haarlem enkele opvallend grote kopers actief zijn geweest in de handel met vastgoed uit joods bezit. De achtergrond daarvan is onbekend. Behalve beheerd en verkocht werd onroerend goed tijdens de bezetting ook gevorderd. Daarbij had de gemeente wel een taak: zij moest eigenaren en bewoners informeren en zij moest inboedels inventariseren en opslaan. De vorderingen door de Duitse bezetter troffen joden en niet-joden. Archiefdossiers over de vorderingen vormen een bron die aanvullingen kan bieden op de gegevens uit de Verkaufsbücher. Dat geldt ook voor de beheersdossiers en de kadastrale leggers. De gemeentelijke organisatie in Haarlem had een belangrijke rol bij de verdeling van woonruimte tijdens de bezetting en in de naoorlogse jaren. Tegen de achtergrond van de heersende woningnood kon de gemeente gebruik maken van verregaande bevoegdheden.

Ook in Haarlem kan of zal het zijn gebeurd dat joden die na de bevrijding terugkwamen hun huis bezet vonden, bewoond door anderen. Van joodse slachtoffers werd verwacht dat ook zij zich schikten in het systeem van distributie. Bij de opvang van oorlogsslachtoffers en gedupeerden in het bevrijde Nederland gold het (landelijke) beleid om geen onderscheid te maken tussen verschillende groepen slachtoffers. In hoeverre de lokale overheid een eigen koers kon of wilde varen, is onduidelijk. Dit geldt overigens ook voor belastingzaken, waarbij de rijksoverheid meekeek en een stem in het kapittel had bij zowel de invoering van de straatbelasting in 1919 als bij de verhoging ervan in 1946. Hoe ver die invloed precies reikte kon in deze studie niet worden nagegaan. Bovendien is bij de beantwoording van die vraag meer kennis nodig van met name gemeentefinanciën. Het is een intrigerende vraag hoe de gemeente Haarlem haar joodse en niet-joodse burgers tijdens en na de Duitse bezetting heeft bejegend. Dit is hier niet in een breder verband onderzocht, omdat hier het joods huizen centraal staat en omdat dit een veel uitgebreidere studie zou vergen. Een inventarisatie van het relevante bronnenmateriaal zou daarvoor een eerste stap kunnen zijn. Wanneer het gaat om de rol van de gemeente kunnen we ons wel afvragen of het vastgoed en de lokale belastingen geschikte ‘indicatoren’ zijn.

De handel in huizen uit joods bezit was een zaak van de markt en niet van de lokale overheid. Van de belastingen zijn de gemeentelijke gegevens over de inning niet meer voorhanden. Behalve de straatbelasting waren er meer (gemeentelijke) belastingen, maar er is geen reden om te veronderstellen dat daarover wel meer informatie beschikbaar is. Sommige beheersdossiers van het Nederlands Beheersinstituut bevatten wel gegevens over diverse belastingen. De vraag over achterstalligheid kon hiermee echter evenmin worden beantwoord. Het is niet ondenkbaar dat er toch nog ergens informatie opduikt over straatbelasting of erfpachtcanon in Haarlem, gerelateerd aan de hier onderzochte vragen. Dat zou dan een toevalstreffer zijn, zoals die in Amsterdam over de erfpachtboetes en in Den Haag over de beroepszaken tegen de naheffingen. Uit de vondsten elders kunnen we niets afleiden over Haarlem, want het is een vergelijking met te veel onbekenden. Hoe het met de belastingen en erfpachtcanon hier gesteld was, blijft daarom de vraag. Wanneer de bronnen ontbreken, staan we met lege handen.

33

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Met dank aan: Medewerkers van het Noord-Hollands Archief in Haarlem voor het actief meedenken en de flexibiliteit. Drs. J. Temminck, voor het meedenken en het leggen van contact.

Bronnen Navraag (telefonisch en/of per mail) bij: Ruben Boas, voorzitter Joodse gemeente in Haarlem Shmuel Spiero, rabbijn Joodse gemeente in Haarlem Wim de Wagt, auteur van publicaties over de joodse gemeenschap in Haarlem Kees van der Linden, auteur van publicaties over de joodse gemeenschap in Haarlem Mike Hos, auteur masterscriptie over de joodse gemeenschap in Haarlem Louise van Zetten, fractievoorzitter Hart voor Haarlem

Literatuur Aalders, Gerard, Roof. De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag: Sdu Uitgevers 1999). Aalders, Gerard, Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Amsterdam: Boom 2001). Aan de slag in de kadastrale archieven. Een handleiding voor de particuliere onderzoeker (Den Haag 2014). Assem, J. van den, B.M.J. Speet en B.A.A. de Vries, ‘19. Politieke ontwikkelingen tot heden, een zaak van alle burgers?’ in: Bank, J.Th., e.a. red., Deugd boven geweld. Een geschiedenis van Haarlem, 1245-1995 (Hilversum: Verloren 1995). Blauw, Maili, Verschil maken? Gemeente, belastingen en rechtsherstel in naoorlogs Utrecht (Utrecht 2020). Blauw, Maili, Roof en rechtsherstel in Eindhoven. Vastgoed uit joods bezit en de rol van de gemeente tijdens de bezetting en de naoorlogse jaren. (Eindhoven 2021). Bossenbroek, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: Bert Bakker 2001). Bulte, Marcel en Aad Neeven, Garnizoensstad Haarlem (Haarlem: De Vrieseborch 1992). Citroen, Michal, U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik (z.pl: Alfabet Uitgevers 2021). Hos, Mike, ‘De moeizame evolutie’. De Nederlands-Israëlitische Gemeente te Haarlem (19451950), MA scriptie 2020, aanwezig bij het Noord-Hollands Archief.

34

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Linden, Kees van der, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem, De Vrieseborch 1999). Linden, Kees van der, ‘Der Adolf hat uns nicht besiegt’ in: Kees van der Linden, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem: De Vrieseborch 1999), p. 37-60. Lipschits, Isaac, De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland (Amsterdam: Mets & Schilt 2001) Notulen van het verhandelde in de vergaderingen van den Raad der gemeente Haarlem (Haarlem, div. jaren). Piersma, Hinke, en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom 2015). Piersma, Hinke, en Marleen van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel. Het Rotterdams gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers 19401955 (NIOD-rapport, 2020). Romijn, Peter, Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting (Amsterdam: Balans e-book 2012).

Schütz, Raymund, Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog (Amsterdam: Boom 2016). Schütz, Raymund, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel (1954-2017)’. In: Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, 20e jrg. (2018) aflevering 1, p. 118-141. Slaa, Robin te, ‘Daar dit een immorele aanslag is’. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Den Haag: De Nieuwe Haagsche 2017). Slaa, Robin Te, ‘1941. Het masker valt’. In: Leven in bezet Nederland, onder redactie van het NIOD (2 delen), dl. 1 (1940, 1941, 1942) (Amsterdam: NIOD/Uitgeverij Spectrum 2020), p. 217-495. Spijkerman, H., ‘De stedebouwkundige activiteiten van ir. L.C. Dumont (1865-1935), eerste directeur van Openbare Werken te Haarlem 1902-1930’ In: Haerlem Jaarboek 1992 (Haarlem: Schuyt & Co b.v. 1993), p. 152-188. Temminck, J.J., ‘De Haarlemmers en de Tweede Wereldoorlog’, deel 7 van Als de dag van gisteren (Zwolle: Uitgeverij Waanders 1990). Temminck, Jaap, ‘Vertrokken onbekend waarheen. De vervolging van de Haarlemse joden in de Tweede Wereldoorlog’, in: Kees van der Linden, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem: De Vrieseborch 1999), p. 9-36.

Verslag van het gesprokene in de vergaderingen van den Raad der gemeente Haarlem, aanwezig in toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) in het Noord-Hollands Archief.

35

Roof en rechtsherstel in Haarlem

December 2021

Verslag van het verhandelde in de vergaderingen van den Raad der gemeente Haarlem, aanwezig in toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) in het Noord-Hollands Archief. Verslag van de toestand der gemeente Haarlem, aanwezig in toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) in het Noord-Hollands Archief. Vos, Maarten-Jan en Serge ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd joods onroerend goed. Inzicht in een administratief proces (Amsterdam: Boom 2013). Vijf jaren oorlog over Haarlem. Verslag van de Gemeentelijke Bemoeiingen van 1940-1945 (Haarlem 1947). Wagt, Wim de, Joods Haarlem. Een topografie van hoop en herinnering ([Z.pl.] Stichting Uitgeverij Noord-Holland 2005). Wij Gedenken. Omgekomen – Ondergedoken. De Haarlemse joden 1940-1945. Stichting Gedenkteken Joodse Slachtoffers WOII Haarlem (Haarlem: De Vrieseborch 2004). Diverse historische kranten, geraadpleegd via delpher.nl.

Archieven Noord-Hollands Archief (NHA) in Haarlem Toegangsnummers en naam van de archieven 32 456 1503 1517 2185 2295 3000 3417 5001

Raden van Beroep voor de directe belastingen te Alkmaar, Amsterdam en Haarlem, 1893-1957 Kabinet van de Commissaris van de Koningin voor de provincie Noord-Holland, 19431976 Gemeenteontvanger te Haarlem, 1811-1961 Bedrijf Openbare Werken te Haarlem, 1805-1952 Gemeentepolitie te Haarlem, 1918-1965 Gemeentebestuur van Haarlem (Gemeente Haarlem), 1813-1957 Bibliotheek Noord-Hollands Archief Nederlands Israëlitische Gemeente te Haarlem, 1792-1980 Gemeentebestuur van Haarlem (Gemeente Haarlem), 1957-1990

‘Documentatie J. Temminck’: documenten verzameld door J. Temminck over de joodse gemeenschap en anti-joodse maatregelen in Haarlem.

Nationaal Archief (NA) in Den Haag -

2.09.16 Nederlands Beheersinstituut (NBI), met diverse subnummers (Toegang 2.09.16.01 tot en met 2.09.16.15): Beheersdossiers

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12269711/2