20210656850 Bijlage; rapport Roof en rechtsherstel in Haarlem
Tekst van het document
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Roof en rechtsherstel in Haarlem Vastgoed uit joods bezit en de rol van de gemeente tijdens de bezetting en de naoorlogse jaren Maili Blauw December 2021
1
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Inleiding De gemeente Haarlem heeft opdracht gegeven haar naoorlogs handelen jegens joodse oorlogsslachtoffers te onderzoeken. De onderzoeksvragen betreffen met name onroerend goed uit joods bezit. Het Haarlemse college van B en W besloot onderzoek te laten uitvoeren naar mogelijke naheffingen van gemeentelijke lasten wegens achterstalligheid. Ook is in de opdracht meegenomen de eventuele aankoop van onroerend goed uit joods bezit door de gemeente. De onderzoeksvragen luiden: •
• •
of de gemeente Haarlem na afloop van de Tweede Wereldoorlog naheffingen voor erfpachtcanon en/of straatbelasting heeft gevorderd van joodse eigenaren van onroerend goed dan wel hun nabestaanden/erfgenamen over de oorlogsperiode; in hoeverre de gemeente Haarlem tijdens de bezetting onroerend goed heeft aangekocht dat eigendom was van joodse burgers; of er nadien over deze eventuele aankopen rechtsherstel heeft plaatsgevonden.
De focus ligt op het gemeentelijk handelen in Haarlem. Om dit te kunnen plaatsen in de context van de bezettingstijd wordt ook aandacht besteed aan ontwikkelingen die verband houden met het joods vastgoed en de woningmarkt in het algemeen. Voorbeeld van dat laatste is het verschijnsel van de vordering van huizen door de Duitse bezetter. Erg diep kan op deze zaken echter niet worden ingegaan, gezien de beperkte omvang van deze studie. Nader onderzoek naar deze aspecten is uiteraard een mogelijkheid. Onderzoeker Maarten-Jan Vos heeft geadviseerd over de inhoud van dit onderzoek. De verantwoordelijkheid voor de tekst ligt geheel bij de auteur.
2
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Inhoud 1. Fasen van rechtsherstel 1.1 Onroerend goed en belastingen 1.2 Drie fasen 1.3 Rol van de gemeente
2. Haarlem aan de vooravond van de bezetting 2.1 Joodse Haarlemmers 2.2 Gemeentelijk grondbezit 2.3 Erfpacht: niet van harte 2.4 Straatbelasting
3. Oorlogsjaren 3.1 Bezette stad 3.2 Anti-joodse maatregelen 3.3 Huizen in joods bezit 3.4 Vertrokken 3.5 Verkoop en doorverkoop 3.6 Naamloze vennootschappen 3.7 Woningtekort
4. De draad weer oppakken 4.1 Afwezigen 4.2 Opvang en herstel 4.3 Naoorlogs beheer 4.4 Achterstalligheid? 4.5 Straatbelasting in beheersdossiers 4.6 Rechtsherstel
5. Conclusie
3
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
1.1. Onroerend goed en belastingen Begin 2020 ontving de gemeente Haarlem persvragen van Pointer (KRO/NCRV) en Follow the Money. Deze gingen over ‘de compensatie voor de onteigening van joodse woningen tijdens de Tweede Wereldoorlog’. Pointer verwees naar de zogenaamde Verkaufsbücher en vroeg of de gemeente bekend was met deze ‘praktijken van onteigening’. Ook noemde Pointer de compensatieregelingen van de gemeenten Amsterdam en Den Haag en verbond hieraan de vraag of ook Haarlem compensatie wilde aanbieden. Het televisieprogramma de Monitor besteedde in mei en oktober 2020 aandacht aan de Verkaufsbücher en aan de lotgevallen van enkele joodse families. Deze belangstelling voor onroerend goed van joodse burgers leidde tot vragen bij het Haarlemse gemeentebestuur en tot de opdracht voor een onderzoek. In de vragen van Pointer komen verschillende onderwerpen het naoorlogs rechtsherstel bij elkaar: enerzijds het herstel van rechten van de tijdens de bezetting beroofde joden en anderzijds gemeentelijke lasten uit de naoorlogse periode. Om met het eerste te beginnen: meteen na de bevrijding begon een uitgebreide operatie om gedupeerden in hun rechten te herstellen. Zowel de roof van vastgoed tijdens de bezettingsjaren als het naoorlogse rechtsherstel zijn al veel onderzocht.1 De aandacht voor de gemeentelijke belastingen en erfpachtcanon daarentegen is betrekkelijk nieuw.
Een toevallige archiefvondst bracht aan het licht dat de gemeente Amsterdam in de naoorlogse periode boetes had opgelegd wegens achterstalligheid van erfpachtcanon, ook aan joodse oorlogsslachtoffers. Dit leidde tot onderzoek naar gemeentelijke erfpacht en straatbelasting In Amsterdam. In maart 2014 verschenen de eerste resultaten, die in 2015 in boekvorm uitkwamen.2 Het ging vooral om erfpachtcanon en erfpachtboetes. De gemeente Amsterdam besloot tot terugbetaling van de geheven erfpachtboetes en tot een collectieve tegemoetkoming van 10 miljoen euro aan de Joodse gemeenschap. Vervolgens werd in 2016 de rapportage van Robin te Slaa over Den Haag gepubliceerd, een jaar later uitgebracht als boek.3 Ook hier was sprake van heffing van achterstallige erfpachtcanon en van straatbelasting. Zijn bevindingen leidden tot de regeling ‘Joods moreel rechtsherstel’ van de gemeente Den Haag. Er werd daarvoor 2,6 miljoen euro gereserveerd, en de regeling kende een individuele en een collectieve component.4 Het rapport over Rotterdam werd in juni 2020 gepubliceerd.5 Hier was geen sprake van naheffingen van erfpachtcanons, aangezien erfpacht voor particulieren niet voorkwam in Rotterdam. Evenmin waren er aanwijzingen dat er geprotesteerd is tegen opgelegde straatbelasting.
Wel heeft de gemeente Rotterdam voordeel gehad bij de anti-joodse maatregelen van de bezetter en hield zij de gemeentefinanciën goed in de gaten.6 Het Rotterdamse college reageerde op de bevindingen met de wens om onrechtvaardige 1
Enkele voorbeelden. Over de roof: L. de Jong (deel 5-1, 1974, p. 554 en 575); Gerard Aalders, Roof (1999); Raymund Schütz, Kille mist (2016), Joep Boerboom, Beroofd volgens de regels (2020). Over het rechtsherstel: Gerard Aalders, Berooid (2001); Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw (2005); K. Meijer, E 100 en de naoorlogse rechtspraak met betrekking tot onroerend goed (2008); Maarten-Jan Vos en Serge ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd Joods onroerend goed (2013). 2 Piersma Kemperman, Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom 2015). 3 Te Slaa, ‘Daar dit een immorele aanslag is’. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed 1940-1955 (Den Haag: De Nieuwe Haagsche 2017). 4 Rechtsherstel voor Joodse eigenaren van geroofd vastgoed in Den Haag (Raadsbesluit 13 april 2017), RIS 296327. 5 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel. Het Rotterdams gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940-1955. (NIOD-rapport, juni 2020). 6 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020), p. 5.
4
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
bureaucratische beslissingen uit de naoorlogse periode ‘zo goed mogelijk te repareren’. Het stelde daarvoor een bedrag van 2 miljoen euro beschikbaar.7 Voor Utrecht geldt min of meer hetzelfde. Ook daar was erfpacht voor particulieren vrijwel niet aan de orde. Verder zijn hier evenmin aanwijzingen aangetroffen voor opgelegde aanslagen in de straatbelasting wegens achterstalligheid. Onduidelijk is of er van achterstalligheid eigenlijk wel sprake was. Wel stelde de gemeente zich zakelijk op bij het rechtsherstel van onroerend goed dat door de gemeente was aangekocht.8 Het Utrechtse college van B en W heeft daarvoor zijn spijt betuigd en een bedrag van drie ton beschikbaar gesteld.9 De besluiten en regelingen van deze gemeenten gaan over gemeentelijke naheffingen wegens achterstalligheid van erfpachtcanon en/of gemeentelijke belasting. Ze voegen een nieuw hoofdstuk toe aan de lange geschiedenis van het naoorlogs rechtsherstel.10 Rechtshistoricus Raymund Schütz typeerde de hernieuwde aandacht voor onrecht en rechtsherstel, nu bij gemeenten, als de derde fase van rechtsherstel. De eerdere fasen duurden globaal van 1945 tot 1967 en van 1990 tot 2000.11
1.2 Drie fasen De ‘eerste fase’ van het rechtsherstel begon direct na de bevrijding. Voorbereidingen daarvoor waren getroffen door de regering in Londen, terwijl Nederland nog grotendeels bezet was. In september 1944 kwamen twee wetsbesluiten tot stand, het Besluit bezettingsmaatregelen (E93) en het Besluit herstel rechtsverkeer (E 100). Er kwam een Raad voor het Rechtsherstel met een aantal uitvoerende afdelingen.12 Het rechtsherstel in de naoorlogse jaren duurde in sommige gevallen tot eind jaren vijftig. De praktijk ervan was niet zelden weerbarstig en bleef ook in de decennia daarna onderwerp van discussie.13 In de loop van de jaren negentig kwam het rechtsherstel weer prominent op de politieke agenda. Er werden enkele commissies ingesteld, die lopend onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland kritisch volgden. Ook deden ze onderzoek naar de praktijk van de teruggave van roerende en onroerende goederen van joodse oorlogsslachtoffers. De conclusie luidde dat het naoorlogse rechtsherstel in grote lijnen correct was verlopen, maar dat er niettemin sprake was geweest van tekortkomingen die voor betrokkenen onbillijke en onrechtvaardige consequenties konden hebben. Op grond hiervan kwamen de commissies met een aantal aanbevelingen en ramingen van de bedragen die redelijkerwijs alsnog zouden moeten worden terugbetaald.
Het ministerie van Financiën ging uiteindelijk akkoord met een bedrag van 400 miljoen gulden, een besluit dat moest worden gezien ‘als een erkenning van morele aanspraken’ van de joodse gemeenschap. Het bedrag is bekend geworden onder de naam Maror-gelden: Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel. De totale geldsom die aan de joodse gemeenschap werd betaald liep op tot 764 miljoen gulden, omgerekend 347 miljoen euro. Naast de 400 miljoen van het ministerie van Financiën betrof dit 50 miljoen van de verzekeraars, 50 miljoen van de Nederlandse banken en 264 miljoen van de effectenbeurs.14 De commissies stelden in hun onderzoeken de herstelwetgeving zelf niet ter discussie. 7
Burgemeester en wethouders Rotterdam aan de gemeenteraad (30 juni 2020). Blauw, Verschil maken? (2020) 9 Raadsvoorstel Joods rechtsherstel (december 2020) https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/Utrecht/a83c5d59-2bfd-4497-a4b3-b6438e40e555. 10 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020), p. 5. 11 Schütz, ‘Het eeuwig terugkerende rechtsherstel’ (2018). 12 Aalders, Berooid (2001), p.43, 52-53. 13 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020), p. 6. 14 Ibidem, p. 6. 8
5
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Anderen deden dat wel, zoals Philip Staal, Ido de Haan en Wouter Veraart, aangehaald door Hinke Piersma en Marleen van den Berg in hun onderzoek over Rotterdam. De Haan wees op voorbeelden van ‘fatale weeffouten’ zoals de inperking van beroepsprocedures en de vage criteria van ‘redelijkheid’ en billijkheid’. Veraart constateerde een pragmatische, instrumentele visie van de Nederlandse regering op het rechtsherstel in dienst van de wederopbouw, met als grondslag ‘billijkheid’ en ‘redelijkheid’. Die visie leidde er in de praktijk toe dat ‘joodse rechthebbenden vaak water bij de wijn moesten doen’ omdat er werd aangestuurd op compromissen.15 Maarten-Jan Vos en Serge ter Braake concludeerden dat er grotendeels wel administratief rechtsherstel heeft plaatsgevonden, maar dat er ‘in zeer uiteenlopende en soms zeer beperkte mate sprake was van moreel rechtsherstel.’16 Met de 400 miljoen gulden in de Maror-regeling wilde de Nederlandse regering ‘uitdrukkelijk finaal recht doen’ en onderstreepte in een brief aan de Tweede Kamer het definitieve karakter van de financiële compensatie. De overheid ging ervan uit dat dit finaal rechtdoen betrekking had op ‘de overheid en overheidsoptreden in zijn geheel’ met inbegrip van de lokale overheden. Met andere woorden, ook wat er op gemeentelijk niveau was misgegaan, was met de Maror-gelden rechtgezet.
Volgens een van de toenmalige onderhandelaars namens de joodse gemeenschap zou daarmee echter sprake zijn van een eenzijdige interpretatie van het akkoord door de overheid. Van het regeringsstandpunt dat er finaal recht was gedaan, is in 2014 door burgemeester Van der Laan van Amsterdam afgeweken. Daarmee is de discussie over financiële compensatie of tegemoetkoming opnieuw opengebroken.17 Na Amsterdam hebben ook de gemeenten Den Haag, Rotterdam, Utrecht hun naoorlogs handelen laten onderzoeken en daaruit consequenties getrokken. Zij beschouwen dat niet als juridisch, maar als moreel rechtsherstel.
1.3 Rol van de gemeente Tot zover de ontwikkelingen rond het naoorlogse rechtsherstel in brede zin. Met de compensatie voor naheffingen van gemeentelijke lasten bevinden we ons in de derde, betrekkelijk nieuwe fase van het rechtsherstel, zoals geanalyseerd door Schütz. Hierin draait het om het naoorlogs handelen van gemeenten jegens joodse oorlogsslachtoffers, waarvoor bestuurders van nu spijt betuigen. Een van de onderzoeksvragen in deze studie is gericht op de eventuele heffingen wegens achterstalligheid in de jaren na de bevrijding. De aandacht voor de roof van joods onroerend goed brengt ons terug naar de rechtsherstelfase één, die direct na de bevrijding is ingezet. Zijn er redenen om die fase opnieuw te doorlopen, omdat zaken toen niet naar behoren zijn afgewikkeld? Zoals hierboven al gememoreerd, zijn er diverse vraagtekens en kanttekeningen geplaatst bij het naoorlogs rechtsherstel. Hoe dit in individuele gevallen is verlopen is echter niet na te gaan in een beknopt onderzoek als dit. Het beantwoorden van die vraag zou een tijdrovende dieptestudie vergen in rechtshersteldossiers van de vele joodse huizenbezitters uit Haarlem, voor zover de daarvoor relevante gegevens nog zijn te achterhalen.
15
Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020, p. 6-7. Vos en Ter Braake, Rechtsherstel (2013), p. 98-99. 17 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel (2020), p. 7-8. 16
6
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
2. Haarlem aan de vooravond van de bezetting 2.1 Joodse Haarlemmers Sinds 1765 kende Haarlem een synagoge, ingericht in een huis aan het Goudsmidspleintje. Daarmee was de joodse gemeente in Haarlem een feit. In 1770 kreeg zij toestemming voor een eigen begraafplaats aan het Bolwerk. In 1798 werden de Haarlemmers geteld en bleken er 131 joden te zijn, dat was 0,6% van de bevolking. Toen in 1830 het begraven in kerken verboden werd en er een algemene begraafplaats op Akendam werd gesticht, kreeg die een eigen joodse afdeling. In 1841 werd in de Lange Begijnestraat een nieuwe synagoge gebouwd. Die moest in 1896 aanmerkelijk worden uitgebreid en kreeg ruim 340 zitplaatsen. In de Lange Wijngaardstraat werd in 1887 de eerste steen gelegd voor een gemeentegebouw. Hier vergaderden het kerkbestuur en de kerkenraad, er was een godsdienstschool, een kleine synagoge en ook vond het secretariaat van de joodse gemeente er onderdak.18 In 1887 werd ook overgegaan tot de aankoop van een terrein voor een eigen begraafplaats aan de Amsterdamsevaart. De joodse gemeente bloeide en had toen 714 leden. In die tijd was nog vrijwel iedere Nederlander lid van een kerkgenootschap en kerkelijk ingeschreven. Buitenkerkelijkheid bestond toen nauwelijks.19 In Haarlem woonde in de decennia voor de oorlog een grote joodse gemeenschap.
Vanaf 1937 was het opperrabbinaat van Noord-Holland in de stad gevestigd, met vanaf 1940 rabbijn Philip Frank aan het hoofd. Er waren tal van joodse verenigingen. De Haarlemse joden woonden over de hele stad verspreid.20 De stad kende verschillende joodse winkeliers en enkele grotere ondernemers, zoals Gerzon Serphos. Vanwege de oorlogsdreiging verhuisde hij in 1939 van Enschede naar Haarlem, waar hij veilig dacht te zijn. In Enschede had hij een confectiefabriek gehad en in Haarlem kocht hij de Vereenigde Confectie Bedrijven Regenkleding Industrie, waarvan de eigenaren met pensioen gingen.21 De joodse Haarlemmer Mozes Joles is bekend geworden omdat hij zijn vermogen in 1927 naliet voor de bouw van een joods ziekenhuis. Dat kwam er enkele jaren later, in de vorm van een nieuwbouwvleugel aan het bestaande Sint Elisabeth Gasthuis. Het joodse ziekenhuis was eigendom van een speciaal daarvoor opgerichte stichting. Het bestond uit een verpleegafdeling voor joodse patiënten, met een koosjere huishouding onder rabbinaal toezicht. Voor de medische behandelingen kon men gebruikmaken van de operatie- en röntgenkamers van het Elisabeth Gasthuis.22 In de jaren dertig nam Haarlem een groot aantal joodse vluchtelingen op uit Duitsland. Nadat Hitler daar op 30 januari 1933 aan de macht was gekomen, liet hij al snel optreden tegen joden en politieke tegenstanders.
De joden hoorden volgens de nationaalsocialistische leer niet bij het Duitse volk van ‘ariërs’. Ze werden verantwoordelijk gehouden voor allerlei (vermeende) misstanden in de Duitse samenleving, voor het verliezen van de Eerste Wereldoorlog en voor de moeilijke omstandigheden waarin het land daarna verkeerde. In Haarlem werden rond de 200 vluchtelingen opgevangen door de Haarlemse joodse gemeenschap. Volgens de opgave in het gemeenteverslag behoorden eind 1938 913 personen in Haarlem tot het Nederlands Israëlitische Kerkgenootschap en 40 tot het Portugees Israëlitisch 18
Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 10; De Wagt, Joods Haarlem (2005), p. 39. Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 10 20 Van der Linden e.a, Kom ga sjoelen (1999), p. 7-8; Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 12 21 De Wagt, Joods Haarlem (2005), p. 79-81. 22 Ibidem, p. 71-75. 19
7
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Kerkgenootschap. Haarlem telde toen 137.576 inwoners, van wie er 44.185 niet tot een kerkgenootschap of gezindte behoorden, dus 32 procent van de Haarlemse bevolking.23 Onkerkelijkheid was toen dus al tamelijk breed verbreid. De joodse onkerkelijkheid bedroeg volgens de voorzitter van het kerkbestuur Barend Chapon in november 1940 28 procent, aldus Wim de Wagt in zijn biografie over Chapon.24 Kees van der Linden vermeldde in een eerdere publicatie dat ongeveer de helft van de Haarlemse joden godsdienstig was.25 Volgens De Wagt waren er in 1940-1941 ongeveer 1000 joden in de stad.26 De publicatie joodsmonumenthaarlem.nl noemt daarentegen een aantal van 1800 joden in Haarlem vlak voor de Duitse inval.27 Dat is aanzienlijk meer dan 1000. Hoe we dit verschil kunnen verklaren is niet duidelijk. Mogelijk speelde het moment van tellen een rol, en/of de vraag wat men onder joods verstond. Enerzijds kan men daarbij uitgaan van geregistreerde kerkelijkheid, dus het behoren tot een kerkgenootschap, zoals opgetekend in de Verslagen van de toestand van de gemeente Haarlem. Anderzijds kreeg Nederland tijdens de bezetting te maken de nationaalsocialistische definitie van het ‘joodse ras’, waarop in een volgend hoofdstuk nader wordt ingegaan.
2.2. Gemeentelijk grondbezit In de decennia voor de oorlog was Haarlem gestaag gegroeid. Er werden tal van uitbreidingsplannen ontworpen en nieuwe wijken gebouwd. In 1905 had de directeur van Openbare Werken het eerste officiële Haarlemse uitbreidingsplan gepresenteerd en daarbij waren ook de omringende gemeenten betrokken. Haarlem begon druk uit te oefenen om de eigen gemeentegrenzen te kunnen verleggen en na een kwart eeuw lukte dit in 1927. Bij deze zogenaamde annexatie werd de gemeente Schoten opgeheven en voor het grootste deel bij Haarlem gevoegd. Het westelijk deel van de eveneens opgeheven gemeente Spaarndam kwam ook bij Haarlem, evenals gedeeltes van Bloemendaal, Heemstede, Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Het Haarlemse grondgebied werd aanzienlijk vergroot en de gemeente kreeg er in een keer 31.184 inwoners bij. De meesten van hen woonden in het voormalige Schoten, waar begin twintigste eeuw de woonwijken Transvaalbuurt, het zuidelijk deel van de Indische buurt en Bomenbuurt waren ontwikkeld. Deze dienden om de overloop vanuit het overbevolkte Haarlem op te vangen.28 Door de grenswijziging van 1927 nam de Haarlemse bevolking dus sterk toe. In 1930 bedroeg het inwonertal 119.700 personen. De nog open plekken in Haarlem-Noord verdwenen in ijltempo.29 Ook daarna zette de groei door.
Eind 1936 telde de gemeente 133.305 inwoners en 36.389 woningen en eind 1939 140.469 inwoners.30 De gemeente Haarlem had vastgoed in eigendom, in de vorm van gebouwen bestemd voor de publieke dienst en onbebouwde terreinen. Die laatste werden aangekocht bijvoorbeeld met het oog op toekomstige stadsuitbreidingen. De gemeente verwierf met enige regelmaat percelen en verkocht ook grond. In 1919 kwam het tot de oprichting van een 23
Verslag van den toestand der gemeente Haarlem over 1938, p. 12-14. De Wagt, Joods Haarlem (2005), p. 119. 25 Van der Linden, ‘Der Adolf’ (1999), p. 38. 26 De Wagt, Joods Haarlem (2005), p. 119. 27 https://www.joodsmonumenthaarlem.nl/ geraadpleegd 5 oktober 2021. 28 Van den Assem e.a., ‘Politieke ontwikkelingen’ (1995), p. 457-462; Spijkerman, ‘De stedebouwkundige activiteiten’ (1992), p. 168. 29 Van den Assem e.a., ‘Politieke ontwikkelingen’ (1995), p. 457-462; Spijkerman, ‘De stedebouwkundige activiteiten’ (1992), p. 168. 30 Verslag van den toestand 1936, deel I, p.14; 1936, deel II, bijlage XI (Bouw- en Woningtoezicht), p. 6; 1940, deel I, p.17. 24
8
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
gemeentelijk grondbedrijf. De wenselijkheid om ‘een goede commerciële en overzichtelijke boekhouding van deze gronden te voeren’, werd steeds groter en dit werd de taak van het grondbedrijf. Bovendien zou dit dienstbaar kunnen worden gemaakt aan het voeren van een doelbewuste grondpolitiek. Zo kon men rekening houden met bestaande en toekomstige uitbreidingsplannen.31 Als grondeigenaar gaf de gemeente percelen in gebruik bij huurders, pachters en erfpachters. De manier waarop dat gebeurde varieerde sterk en kende verschillende vormen, zoals huur en pacht. Soms had de toestemming tot gebruik van de grond de vorm van een vergunning, bijvoorbeeld voor het leggen van een brug, voor het hebben van een ondergrondse opslag en voor het hebben van een waterbron. Er waren tal van variaties.32 In het kader van dit onderzoek interesseert ons vooral de erfpacht.
2.3 Erfpacht: niet van harte Erfpacht is een zakelijk recht om andermans grond te gebruiken tegen betaling van een vergoeding, de zogenaamde erfpachtcanon. In Haarlem kwam erfpacht al eeuwenlang voor.33 Ook de stedelijke en later gemeentelijke overheid gaf grond uit in erfpacht, maar het was geen beleid om dit systematisch te doen. Begin twintigste eeuw veranderde dat. In de gemeenteraadsvergadering van 1 augustus 1900 werd met algemene stemmen een motie aangenomen om gemeentelijke bouwterreinen niet te verkopen maar in erfpacht uit te geven. Dat gold voor zowel bestaand grondbezit als voor in de toekomst te verwerven terreinen. Herhaaldelijk al had de raad het beginsel onderschreven om slechts bij ‘gebleken noodzakelijkheid of overwegende redenen’ gemeentelijke gronden te verkopen. Het college van B en W werd uitgenodigd een regeling te ontwerpen.34 In april 1901 was het zover. De erfpachtvoorwaarden waren dezelfde als die van Amsterdam, dat sinds 1896 het gemeentelijk erfpachtstelstel kende.35 Maar in 1903 stelden B en W alweer voor om op het besluit terug te komen en bouwterreinen voor gewone verkoop beschikbaar te stellen. Het principe van erfpacht had te weinig ingang gevonden: op dat moment was nog geen enkel stuk grond in erfpacht uitgegeven.36 In de gemeenteraad werd uitgebreid over het onderwerp gesproken. Gepleit werd voor verandering van de voorwaarden.
Erfpacht was te duur en te moeilijk. Wel waren er ook voorstanders van het eerder aangenomen principe, maar met 15 tegen 8 stemmen werden de erfpachtbepalingen ingetrokken. Gemeentegrond was voortaan weer te koop.37 Het beleid bleef ook daarna in beweging, maar daar kunnen we hier niet nader bij stilstaan. Wel is het van belang te vermelden dat in 1919 aan de gemeenteraad werd voorgesteld om als regel gronden uit te geven in voortdurende erfpacht en niet langer voor een beperkt aantal jaren. Met het verlenen van een recht ‘hetwelk het eigendomsrecht zeer nabij komt’ hoopte men de aversie tegen erfpacht weg te nemen. De desbetreffende erfpachtverordening werd op oktober 1919 door de raad goedgekeurd.38 31
B en W aan de gemeenteraad (10 oktober 1919), zitting 22 oktober 1919, Verslag van het verhandelde in de gemeenteraad 1919, p. 954-961. 32 Kohieren van huur, pacht etc. (1930-1948), NHA, toegang 1503 (Gemeenteontvanger Haarlem), inv.nr. 383. 33 Dit blijkt bijvoorbeeld uit de vele treffers bij het doorzoeken van de archiefinventarissen van het Noord-Hollands Archief, zoekterm ‘erfpacht’. 34 ‘Gemeenteraad’, Haarlems Dagblad 4 augustus 1900, p.1. 35 ‘Stukken van den Gemeenteraad’, Haarlems Dagblad 12 april 1901, p. 3. 36 ‘Een ingrijpend voorstel’, Haarlems Dagblad 6 juni 1903, p.3. 37 ‘Gemeenteraad’, Haarlems Dagblad 10 oktober 1903, p.5-6. 38 Verslag van het verhandelde 1919, p. 966-995 (22 oktober 1919).
9
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Maar de kou was nog niet uit de lucht en de twijfels over erfpacht bleven bestaan. In 1923 bijvoorbeeld werd aan de gemeenteraad voorgesteld om bij de uitgifte van gronden voor woningbouw, deze niet uitsluitend in erfpacht uit te geven. Wanneer dit door gegadigden en in het belang van de volkshuisvesting werd gewenst, zou koop ook mogelijk moeten zijn.39 Een voorstel hierover werd in februari 1924 met 18 tegen 16 stemmen aangenomen.40 Al met al lijkt het er op dat er het erfpachtstelsel in Haarlem niet van harte werd omarmd. Hoeveel grond in de decennia voor de oorlog in Haarlem bij erfpachters in gebruik was, is onduidelijk. Weliswaar zijn er in het Noord-Hollands Archief gegevens over erfpacht, zoals registers van erfpachtovereenkomsten vanaf 1920. Maar de omvang van het verschijnsel erfpacht is hier niet direct uit af te leiden. Of veel joodse huiseigenaren aan de vooravond van de oorlog erfpachters waren, is evenmin bekend. Van de 155 joodse eigenaren van vastgoed die we tegenkomen in de nog nader te bespreken Verkaufsbücher, komen er 4 in de Haarlemse erfpachtregisters voor. Dat is dus slechts 2,5% van de joodse eigenaren, die we in de Verkaufsbücher aantreffen.41
2.4 Straatbelasting In 1919 kreeg Haarlem een straatbelasting, maar dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Veel eerder al was de invoering ervan geopperd. Bijvoorbeeld in 1898, toen B en W de gemeenteraad voorstelden om een straatbelasting in te voeren en ‘met bekwamen spoed’ een verordening daarvoor te later ontwerpen. Zo ver kwam het echter niet. Een raadslid stelde voor om in plaats daarvan de opcenten op de personele belasting tijdelijk te verhogen om de benodigde inkomsten te genereren. 42 Opcenten zijn een percentsgewijze verhoging van een oorspronkelijk bedrag, met name van een rijksbelasting, ten bate van bijvoorbeeld de provincie of gemeente.43 Verder wilde het raadslid eerst maar eens een advies ontvangen van de commissie van Financiën over de wenselijkheid van een straatbelasting. Zijn voorstel werd aangenomen met 19 tegen 11 stemmen.44 Dat dit toen niet leidde tot de invoering van een straatbelasting blijkt uit de motie van raadslid Slingenberg uit 1912. Onder meer ter bestrijding van de kosten van asfaltering van de Haarlemse hoofdstraten vond hij het wenselijk een belasting te heffen zoals bedoeld in artikel 240i van de Gemeentewet.
Dit artikel gaf gemeenten de mogelijkheid een ‘billijke bijdrage’ te vragen in de kosten voor aanleg en onderhoud van straten of wegen, voor hun verlichting en voor afvoer van water en vuil.45 Maar tot de instelling van een straatbelasting kwam het ook toen nog niet. Wel begon de gemeentelijke dienst Openbare Werken in 1913 met het asfalteren van straten zoals de Kruisweg, Kruisstraat, een deel van de Grote Markt, de Grote Houtstraat en de Anegang.46 39
Voorstel aan de raad (25 september 1923) en prae-advies van B en W (december 1923, besproken in de zitting van 21 december 1923), p. 937-940, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 127. 40 ‘Om ons heen no. 3288. Nabetrachting van den Gemeenteraad,’ Haarlems Dagblad 21 februari 1924, p. 1. 41 Dit blijkt uit een vergelijking van de namen uit de Verkaufsbücher met die uit de Bladwijzer van het erfpachtregister naar de namen der erfpachters, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 14019. 42 ‘Gemeenteraad’, punt 7, Haarlems Dagblad 6 oktober 1898, p. 2 en 3 43 Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal (1999). 44 ‘Gemeenteraad’, punt 7, Haarlems Dagblad 6 oktober 1898, p. 2 en 3 45 ‘Om ons heen no. 1538, Wat is een straatbelasting?’, Haarlems Dagblad 10 mei 1912, p. 1. 46 Spijkerman, ‘De stedebouwkundige activiteiten’ (1992), p. 156.
10
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Het onderwerp straatbelasting keerde herhaaldelijk terug op de agenda. Uiteindelijk werd in 1919 een ontwerpverordening gepresenteerd aan de gemeenteraad, voorzien van diverse amendementen. De raad discussieerde er uitgebreid over. Er was veel weerstand tegen deze belasting, die de gemeente f 135.000,- zou moeten opleveren.47 Tegenstanders stelden voor om dat bedrag uit de inkomstenbelasting halen. Verschillende maatschappelijke organisaties meldden zich met het verzoek om de belasting toch vooral niet in te voeren. Zij vonden de voorgestelde straatbelasting onrechtvaardig, onbillijk en ‘ongelijkmatig dragend’. Kortom, ‘een der slechtst denkbare belastingen’.48 Aan de andere kant was er druk van hogerhand om de belasting wél in te voeren, dat wil zeggen van de minister – zijn departement wordt niet genoemd. Deze had gemeenten aangespoord om alle bronnen aan te spreken die de Gemeentewet aangaf om in de stijgende uitgaven te voorzien. Hij stelde dit zelfs als voorwaarde voor een uitkering uit de opbrengst van de zogenaamde oorlogswinstbelasting.49 De Wet op de Oorlogswinstbelasting 1916 gold van 1 augustus 1914 tot en met 31 december 1918.50 Nu werden er uitkeringen uit de opbrengsten van deze belasting in het vooruitzicht gesteld.
Voor Haarlem ging het daarbij om vierhonderdduizend gulden.51 Er werd overigens al een flink aantal belastingen geheven, zo blijkt uit de opsomming van een Haarlems raadslid: ‘De gemeente heeft de precario-belasting verhoogd, ingevoerd een progressieve hondenbelasting, verhooging van de marktgelden en de haven- en kaaigelden, ingevoerd een nieuwe belasting op de publieke vermakelijkheden, de opcenten van de dividend- en tantiemebelasting zoo hoog mogelijk gesteld, de prijzen van water, electriciteit en gas verhoogd, de leges-gelden [administratiekosten, MB] verhoogd en legesgelden ingevoerd voor het archief, dat wil dus zeggen elf belastingen verhoogd of nieuw ingevoerd. Men wil nu, om het dozijn vol te maken, een straatbelasting invoeren.’52 Op de inhoud en betekenis van deze verschillende belastingen en heffingen wordt hier niet nader ingegaan. Het citaat is hier slechts opgenomen om te laten zien dat er tal van belastingen en heffingen bestonden naast de hier onderzochte straatbelasting. Dit was trouwens niet specifiek voor Haarlem maar gold in andere gemeenten evenzeer. Het invoeren van een straatbelasting gebeurde in 1919 inderdaad. Nu was de tijd er kennelijk wel rijp voor. Na stemming over een motie en diverse amendementen gaf de gemeenteraad met 15 tegen 13 stemmen zijn goedkeuring aan de verordening voor de straatbelasting.
Die zou worden geheven voor ‘gebouwde eigendommen, die zelve of wier aanhoorigheden aan de openbare straten of wegen der gemeente belenden’.53 Volgens artikel 3 van de verordening werd de belasting berekend ‘naar de belastbare opbrengst van het perceel aangewezen volgens de kadastrale leggers of, indien de opbrengst niet in de leggers is opgenomen, naar het bedrag waarop het wordt geschat in verhouding met de belastbare opbrengst van andere gelijksoortige perceelen’.54 Deze geschatte opbrengst werd gebruikt voor het vaststellen van de grondbelasting en genoteerd in de kadastrale leggers.55 De grondbelasting was een eeuwenoude (rijks)belasting op de opbrengst van onroerend goed, die is vervallen bij de invoering van de onroerendgoedbelasting.56 Tegenwoordig spreken we van onroerendezaakbelasting (OZB). 47
Verslag van het gesprokene 1919, p. 118-120 (26 februari1919). Verslag van het verhandelde 1919, p. 169-171 (26 februari 1919). 49 Verslag van het gesprokene 1919, p. 214 (16 april 1919). 50 https://shop.wolterskluwer.nl/De-vergeten-Wet-op-de-Oorlogswinstbelasting-1916sNPVERWOOB/#pdp-description. 51 ‘Geen Reclame’, Nieuwe Haarlemsche Courant (22 mei 1919), p. 11. 52 Verslag van het gesprokene 1919, p. 214 (16 april 1919). 53 Verslag van het verhandelde 1919, p. 268-275 (16 april 1919). 54 Art. 3 van de verordening, Verslag van het verhandelde 1919, p. 268-275 (16 april 1919). 55 Aan de slag (2014), p. 68, 69, 126. 56 Fockema Andreae’s Juridisch Woordenboek (1990). 48
11
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
De discussie over de straatbelasting was in 1919 niet ten einde. In de ruim twintig jaar tot het uitbreken van de oorlog werd die regelmatig gevoerd, onder andere in 1921. Toen werd de belasting door sommigen als ‘asfaltbelasting’ getypeerd, gezien het al eerder genoemde verband dat men legde tussen asfaltering van straten en de toenemende kosten voor de stratenaanleg.57 Belastingplichtigen konden bezwaar maken tegen de aanslag die hun was opgelegd. Dit gebeurde regelmatig en de bezwaren werden geagendeerd in de gemeenteraad. In september 1935 bijvoorbeeld ging het om 137 bezwaarschriften tegen aanslagen in de straatbelasting en precariorechten over de dienstjaren 1932 tot 1935. Ook waren er oninbare posten voor de straatbelasting. Bezwaren werden aan de gemeenteraad voorgelegd, die vervolgens een besluit nam over ‘de ter inzage gelegde adviezen’.58 Overigens werd de straatbelasting vaak in een adem genoemd met precariorechten. Dit zijn de bedragen verschuldigd voor het recht om stoepen, balkons, uithangborden en dergelijke op en boven de openbare grond te hebben.59 De precariorechten vielen in de gemeentelijke systematiek onder de heffingen.60 Voor straatbelasting en precariorechten bestond in Haarlem één aanslagbiljet, waarop beide belastingen stonden vermeld.61
57
Verslag van het gesprokene 1921, p. 702-714 (8 oktober 1921). Verslag van het verhandelde 1935, p. 438 (25 september 1935). 59 Fockema Andreae’s Juridisch Woordenboek (1990). 60 Verslag van den toestand der gemeente Haarlem over 1936, deel I, p. 18-20. 61 Aanslagbiljet straatbelasting en precariorechten (belastingjaar 1939) voor Kleine Houtweg 5, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) inv.nr. 6054. 58
12
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
3. Oorlogsjaren 3.1. Bezette stad Op 15 Mei 1940 trokken Duitse militairen Haarlem binnen. De bezetters vestigden hun plaatselijke militaire gezag in restaurant Brinkmann aan de Grote Markt, waar de Ortskommandant (plaatselijke militaire bevelhebber) zijn bureau inrichtte. Later verhuisde dit naar hotel Den Hout. De Duitse civiele gezaghebber M. Seidel gaf als Beauftragte van rijkscommissaris Seyss-Inquart leiding aan het burgerlijke bestuur In Noord-Holland. Hij vestigde aan de oostzijde van het Kenaupark zijn kantoren. Inmiddels waren de militairen in de stad ondergebracht in de Ripperda- en Koudenhornkazerne, in scholen, hotels en andere grote gebouwen die door de gemeentelijke dienst Openbare Werken moesten worden ingericht.62 Burgemeester J.E. baron de Vos van Steenwijk vormde samen met de wethouders W. van Liemt, M. Reinalda, D. Westerveld en A. Bijvoet het Haarlemse college. Op 5 juni 1940 was er voor het eerst sinds de Duitse invasie weer een gemeenteraadsvergadering. De burgemeester begon deze met een herdenking van de Haarlemse slachtoffers. Hij sprak vervolgens zijn waardering uit voor de vele arbeid die het gemeentepersoneel onder moeilijke omstandigheden verrichte. Inmiddels ‘ging het leven voort’, zo zei hij. Ook de gemeentelijke organen hadden de plicht met hun werkzaamheden door te gaan. ‘Wij zullen dit moeten doen in een geest van ernst en waardigheid.
Plichtsbetrachting en dienen der gemeenschap is thans meer dan ooit het parool, zoowel voor den individueelen burger als voor de bestuursorganen.’ Daartoe behoorde volgens de burgemeester onder meer een terughoudende opstelling en ‘het zich onthouden van alles wat in woord of daad aanstoot kan geven’. Het land had nu meer behoefte aan arbeid dan aan lege woorden en niemand was geholpen met ‘oncontroleerbare geruchten of het doen van sombere voorspellingen’.63 Vanaf het begin van de bezetting eisten de Duitsers terreinen en gebouwen op in veroverd gebied. In Haarlem gold dat behalve voor restaurant Brinkmann voor tal van andere panden, waaronder veel woonhuizen. De gemeente moest bij vordering de eigenaar en bewoner op de hoogte stellen. Zij had ook een rol in het uitkeren van vergoedingen die gedupeerden konden aanvragen als compensatie voor de inbeslagname van de onroerende goederen.64 Overigens had garnizoensstad Haarlem al tijdens de mobilisatie vanaf augustus 1939 te maken gehad met vorderingen, bijvoorbeeld van talrijke scholen.65 Burgemeester De Vos van Steenwijk bleef op zijn post tot in het vroege voorjaar van 1941. Toen ontstonden in Amsterdam onlusten die culmineerden in de Februaristaking, waaraan ook in Haarlem werd meegedaan. Dit vormde de aanleiding voor de Duitse autoriteiten in Den Haag om de gemeentelijke overheden in de onrustige steden aan te pakken.
Binnen een paar dagen kwam er noodwetgeving om de gemeentebesturen van Amsterdam, Hilversum, Zaandam en Haarlem aan de kant te zetten. Zij werden vervangen door regeringscommissarissen. Dit was het begin van een omvangrijke reorganisatie van het binnenlands bestuur, die in de loop van 1941 zijn beslag kreeg.66
62
Vijf jaren oorlog over Haarlem (1947), p.8. Verslag van het gesprokenen in de vergaderingen v.d. Raad (1940), p. 591-592. NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) inv.nr. 326. 64 Kaartenbak betreffende de uitkering van huurwaarde van gevorderde percelen, 1940-1945, NHA, toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem), inv.nr. 14024. 65 Bulte en Neeve, Garnizoensstad Haarlem (1992), p. 125-129. 66 Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd (e-book 2012), p. 283. 63
13
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
In Haarlem werd de NSB’er S.L.A. Plekker benoemd als regeringscommissaris, een overtuigd nationaalsocialist. In de meidagen van 1940 was hij door het Nederlandse gezag geïnterneerd. Na de Nederlandse capitulatie benoemde Mussert hem tot gemachtigde in algemene dienst en in 1941 kwam hij dus naar Haarlem. Twee SDAP-wethouders stapten op, omdat ze niet onder Plekker wilden werken. Ook zij werden na overleg met de Beauftragte vervangen door NSB’ers.67 Communistische en joodse gemeenteraadsleden hadden al in respectievelijk de zomer van 1940 en december van dat jaar te horen gekregen dat zij niet langer mochten deelnemen aan de raadsvergaderingen.68
3.2 Anti-joodse maatregelen Het weren van raadsleden uit de gemeenteraad was niet de enige anti-joodse maatregel van de Duitse bezetter. De joden in ons land kregen van begin af aan te maken met beperkingen en uitsluiting, die een ernstige aantasting vormden van hun grondrechten. Zij mochten niet meer in overheidsdienst werken, niet meer naar de bioscoop en de universiteit, geen bloeddonor meer zijn, parken en cafés niet meer betreden, zij moesten eerder dan anderen hun radiotoestellen inleveren en mochten in vrije beroepen alleen nog voor joodse cliënten werken. Vanaf begin mei 1942 moesten zij een ster dragen. En dit zijn slechts enkele voorbeelden, want de lijst van anti-joodse maatregelen is veel langer.69 De verboden of geboden werden gepubliceerd in landelijke verordeningsbladen. In Haarlem kwam de pasbenoemde regeringscommissaris Plekker op 1 april 1941 met een gemeentelijke verordening met discriminerende bepalingen tegen joden.70 Gemotiveerd met ‘de handhaving der openbare orde’ werd het joden verboden om hotels, restaurants, cafés, bioscopen, schouwburgen, openbare leeszalen, openbare zwem- en badinrichtingen en openbare badhuizen te betreden of daar te verblijven. Bij die instellingen moest op een duidelijk zichtbare plaats een bordje worden aangebracht met de tekst Verboden voor joden. Plekker zorgde daarmee voor een primeur.
Het is niet duidelijk waarom hij zo vroeg met deze maatregel kwam.71 De landelijke maatregel van een vergelijkbare strekking werd uitgevaardigd in september 1941.72 Als jood beschouwden de Duitse nationaalsocialisten iedereen ‘die uit tenminste drie naar ras vol-joodse grootouders stamde’, iedereen die ‘uit twee voljoodse grootouders stamde’ en óf zelf op 9 mei 1940 (of later) tot de joodse kerkelijke gemeente behoorde óf op 9 mei (of later) met een joodse partner was getrouwd. Een grootouder werd als voljoods aangemerkt wanneer deze tot de joods-kerkelijke gemeenschap had behoord.73 De definitie bevatte dus een combinatie van familiebanden (‘ras’ volgens de nazidenkbeelden) en religieuze bindingen. In de loop van de bezettingsjaren werden de joden steeds meer sociaal en economisch geïsoleerd en gediscrimineerd, waarbij de Duitse bezetter zijn oog ook liet vallen op hun bezit. Bedrijven werden geliquideerd of beheerd en door niet-joden voortgezet. Joden
67
Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd (e-book 2012), p. 288-289. Van den Assem e.a., ‘Politieke ontwikkelingen’ (1995), p. 473. 69 Te Slaa, ‘1941. Het masker valt’ (2016/2020), p. 488-493 (1941 Lijst van gebeurtenissen). 70 Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd (e-book 2012), p. 289. 71 Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 22; ‘Bekendmaking’ 1 april 1941, NHA, ‘Documentatie Temminck’. 72 Te Slaa, ‘1941. Het masker valt’ (2016/2020), p. 492 (1941 Lijst van gebeurtenissen). 73 ‘Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende het aangeven van ondernemingen’ (189/1940), art. 4 (Begrip ‘Jood’), in: Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, Stuk 33 (Uitgegeven 26 oktober 1940). 68
14
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
moesten hun privé-eigendommen en vermogenswaarden laten registreren, wat feitelijk neerkwam op confiscatie.74 Vastgoed werd de joden ontnomen door het verplicht onder beheer te stellen. Verordening 154/41 van 11 augustus 1941 bepaalde dat joden hun onroerend goed moesten laten registreren bij de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Dit gold ook voor onder andere hypotheken. Onroerend goed in bezit van ondernemingen viel er niet onder. Dat werd in het kader van eerdere ariseringsverordeningen afgehandeld, terwijl ook voor de confiscatie van landbouwgronden een aparte verordening was uitgevaardigd.75 De NGV kon de bezittingen voortaan beheren. Dit besteedde zij uit aan lokale kantoren van de organisaties als het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO) en Nobiscum. Ook in Haarlem bestond een kantoor van het ANBO, een ‘bijkantoor’ van het landelijke ANBO van D.H. de Vries. De Haarlemse vestiging werd in de winter van 1942 op 1943 opgericht en stond onder leiding van J. Overbeeke.76 Het kantoor zat aan de Parklaan 14A.77 De beheerorganisaties waren gerechtigd om de beheerde panden ook over te dragen of te verkopen.78 Gerechtigd niet volgens het Nederlands recht, maar volgens de verordening van de Duitse bezetter. Soms wordt dit verschijnsel van inbeheername en verkoop van joods bezit ‘onteigening’ genoemd.
Dat is in dit verband echter een lastige term, omdat die verwijst naar een procedure in de ruimtelijke ordening. Onteigening wordt toegepast om terreinen voor de aanleg van bijvoorbeeld woonwijken of wegen mogelijk te maken, wanneer minnelijke verwerving van de grond niet lukt.79 Bij deze procedure zijn de rechten van huisen grondeigenaren degelijk verankerd en dit was bij het beheer en de verkoop van joods vastgoed door de Duitse bezetter absoluut niet het geval. Roof en ontrechting zijn als termen voor dit verschijnsel daarom meer passend. Een korte opmerking over de begrippen ‘huis’, ‘pand’, ‘perceel’ en ‘woning’. In officiële documenten of administraties zoals het kadaster vormt het perceel het uitgangspunt. De kadastrale legger geeft een overzicht van het bezit per eigenaar. Hierin staat elk kadastraal perceel afzonderlijk genoteerd, met in de kolom ‘soort van eigendom’ bijvoorbeeld ‘huis en erf’, of ‘huis, schuur en erf’. Sommige percelen bevatten meer dan één huis, bijvoorbeeld vier huizen en erf, zeven huizen en erf, en dergelijke. Het is bovendien nog denkbaar dat één huis (pand) meer dan één woning (adres) bevatte, bijvoorbeeld bij etagebouw. Het is belangrijk om met deze verschillen rekening te houden, vooral wanneer aantallen worden genoemd. Landelijk werden circa 20.000 percelen aangemeld bij de NGV.80 Om hoeveel het in Haarlem ging is moeilijk te zeggen.
De omvang van het onroerendgoedbezit van joden in de gemeente rond 1940 is onbekend. Er is geen overzicht van (bekend), al zal de NGV dat na de registratie destijds wel hebben gehad. Wij hebben slechts bronnen die indicaties geven over deze omvang. Om te beginnen zijn er de zogenaamde Verkaufsbücher.
74
Zie voor een uitgebreidere beschrijving: Aalders, Roof (1999) Deel II, De roof van het joodse bezit. Aalders, Berooid (2001), p. 190. 76 Politieke recherche afdeling collaboratie, Uittreksel uit proces-verbaal, verklaring van D.H. de Vries (ongedateerd), NHA, toegang 2185 (Gemeentepolitie Haarlem), inv.nr. 573. 77 Verklaring P.P.F. Oor, Tribunaal 14 april 1948, p.9, Beheersdossier P.P.F. Oor, NA, toegang 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 137727. 78 Schütz, Kille mist (2016), p. 247; ‘Exposé over de NGV’, p. 4., NA, toegang 2.09.16 (NBI), inv.nr. 6675; Aalders, Berooid (2001), p. 190. 79 Zie voor een meer uitgebreide uitleg: Blauw, Roof en rechtsherstel in Eindhoven (2021), p. 20-21. 80 Aalders, Roof (1999), p. 145. 75
15
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
3.3 Huizen in joods bezit In de Verkaufsbücher staan de huizen uit joods bezit die tijdens de bezettingsjaren door de ‘beheerders’ zijn verkocht. De originele boeken bevinden zich in het Nationaal Archief. Ze vormen een inmiddels ook gedigitaliseerde landelijke bron, die bestaat uit 17 delen (2 tot en met 18), terwijl deel 1 ontbreekt. De 17 delen bevatten een kleine 8.000 transacties.81 Zoals de naam al aangeeft staan in deze boeken (slechts) de verkochte percelen. Op die verkoop wordt in een volgende paragraaf uitgebreider ingegaan. Hier worden slechts de aantallen voor Haarlem genoemd, omdat die van belang zijn als indicatie voor het joodse huizenbezit in Haarlem. Het ging hier om 207 transacties van 155 joodse eigenaren. Van sommigen van hen werden verscheidene huizen verkocht en zij staan daarom meermaals in de Verkaufsbücher vermeld. Niet al het vastgoedbezit van joden werd tijdens de bezetting verkocht. Landelijk gezien werden vanaf 1941 zo’n 20.000 percelen in beheer genomen en staan er zoals gezegd bijna 8.000 in de Verkaufsbücher. Dat is 40%, gesteld dat aangemelde percelen en transacties in de bücher voor hetzelfde staan. Hoe dit percentage voor Haarlem ligt, is niet bekend. Duidelijk is wel dat er ook in Haarlem meer joods bezit is geweest dan wat er is verkocht. Er zijn enkele bronnen met aanvullende gegevens waaruit we dit kunnen afleiden.
Te denken valt aan de naoorlogse beheersdossiers van het Nederlands Beheersinstituut, de kadastrale leggers en bronnen over vorderingen van huizen in Haarlem. De beheersdossiers zijn weliswaar pas na de oorlog gevormd, maar zij verwijzen ook naar bezit en vermogen aan het begin van de bezetting. Zo blijkt uit het beheersdossier van Hartog Kroese en zijn vrouw Naatje de Vries dat zij in Haarlem de volgende huizen bezaten: Smedestraat 27 en Smedestraat 41, Oude Gracht 128, Lange Wijngaardstraat 13 en Koudenhorn 72.82 In de Verkaufsbücher staat Kroese vermeld met één transactie c.q. pand, namelijk Smedestraat 41. Ook David Sanders uit Haarlem blijkt meer bezit te hebben gehad dan de verkochte panden aan de Leidschestraat en de Tetterodestraat uit de Verkaufsbücher. Hij bezat nog een huis aan de Tetterodestraat, twee huizen aan de Nieuwe Kruisstraat, een aan de Gasthuislaan en aan de Brandtstraat. Verder had hij een ‘buitenverblijfje’ in Lunteren.83 Uit een vergelijking van de gegevens uit het beheersdossier met die uit het kadaster blijkt ook het eerder aangestipte verschil tussen transactie, huis en woning.
Het pand Tetterodestraat 32 werd in de kadastrale legger aangeduid als ‘huis en erf’ en in het beheersdossier beschreven als een boven- en benedenhuis, Tetterodestraat 32 rood en zwart.84 Zoals bekend verwijst in Haarlem ‘zwart’ naar een benedenwoning en ‘rood’ naar een bovenwoning. Dit ‘huis’ op kadastraal perceel A 2305 bevatte dus twee woningen Een ander voorbeeld van een omvangrijk woningbezit in Haarlem is dat van S.J. van Praag, ‘rustend geneesheer’ en woonachtig in Heemstede. Uit het beheersdossier over hem blijkt dat hij diverse huizen bezat. Het beheersdossier spreekt van ‘percelen’. 5 percelen aan de Van Sillemstraat 20, 22, 24, 26 en 37 8 percelen aan de Borskistraat 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19 5 percelen (erfpacht) aan de Byzantiumstraat 22, 24, 26, 28, 30 81
Schütz, Kille mist (2016), p. 269. Staat van baten en schulden (5 april 1946), Beheersdossier H. Kroese, NA, toegang 2.09.16.08 (NBI), inv.nr. 116807. 83 Borghouts aan NBI (26 oktober 1946), ‘Overzicht over het vermogen van de afwezige D. Sanders te Haarlem per 31-12-1950’ (22 november 1951), Beheersdossier D. Sanders, NA, toegang 2.09.16.13 (NBI), inv.nr. 159058. 84 ‘Overzicht over het vermogen van de afwezige D. Sanders te Haarlem per 31-12-1950’ (22 november 1951), Beheersdossier D. Sanders, NA, toegang 2.09.16.13 (NBI), inv.nr. 159058; Kadastrale gemeente Haarlem, leggerartikelnummer 30936 (David Sanders). 82
16
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
2 percelen aan de Rechthuissstraat 30 en 32 bovendien in Heemstede 1 perceel aan de Jan van Goyenstraat 15.85 Behalve de huizen aan de Byzantiumstraat staan alle adressen in de Verkaufsbücher.86 Deze voorbeelden laten zien dat het joods bezit aan huizen dus omvangrijker is geweest dan de aantallen die we kennen uit de Verkaufsbücher. De beheersdossiers bieden aanvullende informatie. Maar voor een compleet beeld van het joods huizenbezit rond 1940 is dit onvoldoende, omdat (lang) niet van iedere eigenaar een beheersdossier voorhanden is. Dit komt onder andere doordat het vermogen van overlevenden niet werd beheerd en dus van hen geen dossier werd aangelegd. Verder zijn er ook eigenaren geweest van wie geen pand werd verkocht. Diegenen komen dan dus in de Verkaufsbücher niet voor, wat betekent dat we ook geen naam hebben om een eventueel beheersdossier te zoeken. De tweede bron die mogelijkheden biedt voor de reconstructie van joods bezit is de kadastrale legger. Deze kan worden doorgenomen op zoek naar joodse eigenaren. Zij zijn herkenbaar omdat op hun leggerpagina doorgaans een opmerking staat over de inbeheername door de NGV tijdens de bezetting. Deze zoekmethode is erg arbeidsintensief, omdat de kadastrale gemeente Haarlem duizenden eigenaren telde.
In de derde plaats kunnen ook bronnen over de vordering van gebouwen door de Duitse bezetter informatie bevatten over huizen van joden. In lijsten en correspondentie over de vorderingen kunnen panden uit joods bezit opduiken die niet in de Verkaufsbücher staan. In het Noord-Hollands Archief is veel materiaal over vorderingen in Haarlem aanwezig.87 Deze bronnen bieden, net als de beheersdossiers, kwalitatieve gegevens als aanvulling op de informatie uit de Verkaufsbücher. Een systematisch overzicht van joods bezit rond 1940 is hieruit niet af te leiden. Dat valt alleen te reconstrueren via arbeidsintensief detailonderzoek in kadastrale bronnen.
3.4. Vertrokken De joodse gemeente in Haarlem probeerde na de invasie door te gaan met haar activiteiten. Weldra gebeurde dit evenwel zonder de buitenlandse joden, van wie de meesten afkomstig waren uit Duitsland. Kort na de Duitse inval moesten alle buitenlanders namelijk de kuststreek verlaten. Veel Duitse joden uit de regio Haarlem kwamen op die manier voorlopig in Arnhem en Nijmegen terecht.88 De anti-joodse maatregelen namen toe. Zoals eerder vermeld was in oktober 1940 de mededeling gekomen dat de Nederlandse bestuursorganen en de openbare publiekrechtelijke lichamen voortaan geen joden meer in dienst mochten nemen of bevorderen. Dat gold ook voor het onderwijs.89 Later werden ook zittende joodse ambtenaren en leerkrachten ontslagen. Zoals we zagen liep Haarlem in april 1941 voorop met het weren van joden uit horecagelegenheden en dergelijke. Een andere maatregel die de joden trof vormden de zogenaamde evacuaties, dus het gedwongen vertrek uit hun woonplaats. Op last van de bezetter moest in maart 1942 de vrij grote joodse gemeente van Zandvoort die plaats ontruimen. Op 30 maart volgde het gedwongen vertrek van joden uit Bloemendaal, Overveen en Aerdenhout. Zij gingen naar Amsterdam. In Haarlem werd eind mei van dat jaar het gerucht genotuleerd dat de joodse 85
Overzicht bezittingen (27 maart 1946), Beheersdossier S.J. van Praag NA, toegang 2.09.16.11 (NBI), inv.nr. 147968. 86 Verkaufsbücher Haarlem en Heemstede. 87 Bijvoorbeeld in het archief van het gemeentebestuur (toegang 2295) en van het Bedrijf Openbare Werken (toegang 1517). 88 Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 15-16. 89 ‘Joden in openbaren dienst’, Haarlems’ Dagblad 7 oktober 1940.
17
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
gemeente van Haarlem niet zou worden geëvacueerd, maar er waren ook berichten dat de evacuatie wel doorging.90 Op 30 juni 1942 stonden ‘Nieuwe maatregelen tegen Joden’ in de krant, in een tweede beschikking ‘over het optreden van joden in het openbaar’ van de commissarisgeneraal voor de openbare veiligheid H.A. Rauter. In die beschikking werden de joden tal van zaken verboden, zoals het verblijf in huizen van niet-joden, het laten bezorgen van goederen, het betreden van kapperszaken tenzij deze ‘als joodsche gekenmerkt zijn’, het gebruikmaken van openbare en particuliere vervoermiddelen, enzovoort. Ontduiking van deze voorschriften zou worden bestraft met hechtenis en/of een geldboete. Dezelfde straf wachtte degene die een dergelijke ontduiking mogelijk maakte of er aan meewerkte.91 In 1942 begonnen ook de grootschalige deportaties van de Nederlandse joden. Onder de dekmantel van werkverruiming werden zij eerst naar Westerbork en vervolgens naar de nationaalsocialistische concentratiekampen en vernietigingskampen gebracht. De Duitsers hadden in Amsterdam de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (emigratie) opgericht, die het transport van de joden naar de kampen regelde. In de zomer van 1942 vroeg de Zentralstelle om een overzicht van Haarlemse joden. Die lijst bevatte 1521 namen.
De Joodse Raad in Haarlem zorgde voor overzichten van personen die vrijgesteld zouden worden van deportatie. Op zondag 23 augustus werd de datum van vertrek bekend: 25 augustus. Degenen die in staat werden geacht om te werken zouden naar Duitsland worden overgebracht en ouderen vanaf 60 jaar naar kamp Westerbork. Per post werden 650 oproepen bezorgd, waarvan 230 voor ouderen met bestemming Westerbork. In de loop van de dag meldden zich 120 tot 140 personen. De Duitsers waren hiermee niet tevreden en besloten tot een razzia. Zo werden nog eens circa 30 personen opgepakt. Volgens een gemeentelijke lijst, aangehaald in de publicatie van oud-gemeentearchivaris J. Temminck, zouden op die dag 149 personen uit Haarlem zijn vertrokken. De eersten van deze groep werden nog dezelfde maand vermoord, de meesten in Auschwitz.92 Begin februari 1943 werd de joodse gemeenschap in Haarlem zwaar getroffen. Toen vond de executie van tien gijzelaars plaats, onder wie drie joden. Het betrof een vergelding voor de aanslag op een Duitse officier en een bomaanslag op burgemeester Plekker. De drie joodse slachtoffers waren, de voorzitter van de joodse gemeente Barend Chapon, het voormalig gemeenteraadslid Herbert Drilsma en de jonge rabbijn Philip Frank.
Een week na hun executie kregen alle overgebleven Haarlemse joden een aanzegging dat zij Haarlem binnen een week moesten verlaten en zich vestigen in Amsterdam. Daar kwamen volgens Amsterdamse gegevens 509 joden uit Haarlem terecht, in totaal 184 gezinnen. In 1942 en 1943 zijn 523 joden vertrokken zonder dat duidelijk was waarheen, in het jargon van het bevolkingsregister ‘vertrokken onbekend waarheen’ (VOW). Van een aantal van hen is later duidelijk geworden dat zij op de datum van hun VOWaantekening al in een Duits kamp waren vermoord. Zij waren waarschijnlijk bij de razzia opgepakt of waren naar Amsterdam verhuisd zonder zich in Haarlem af te melden en zijn van daaruit verder gevoerd. Maar velen van de VOW’ers zijn inderdaad vertrokken, bewust zonder een nieuw adres op te geven, omdat zij onderdoken. De meeste onderduikers hielden zich niet in Haarlem maar elders verborgen. De woningen van de weggevoerde of ondergedoken joden liet de Duitse politie leeghalen. Aan de Schotersingel werd tijdelijk een afdeling van de zogenaamde Einsatzstab Rosenberg gevestigd, die belast was met de ontruiming van de woningen.93 90
Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 26. ‘Nieuwe maatregelen tegen de Joden’, Haarlemsche Courant 30 juni 1942, p.1 92 Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 27-31. 93 Temminck, ‘Vertrokken onbekend waarheen’ (1999), p. 31-33; Van der Linden, ‘Der Adolf’ (1999), p. 47. 91
18
Roof en rechtsherstel in Haarlem
December 2021
Op 13 april 1943 kwam er een verblijfsverbod voor joden in de provincies NoordHolland, Zuid-Holland en Utrecht. Wie zich in deze provincies ophield, moest zich naar ‘het kamp te Vught’ begeven. Wie in strijd handelde met deze bepaling, riskeerde een gevangenisstraf en een geldboete.94 Bij overtreding van dit ‘ontruimingsbevel’ diende onmiddellijke arrestatie te volgen.95
3.5 Verkoop en doorverkoop Een deel van het vastgoed uit joods bezit in Haarlem werd zoals gezegd door de beheerinstantie ANBO verkocht. In de Verkaufsbücher staan 210 Haarlemse transacties. Vier adressen komen om onverklaarbare redenen twee keer voor. Dit lijken doublures en die zijn hier niet meegeteld, zodat het aantal transacties op 206 komt. Een koop kon één pand of woning (adres) betreffen, maar ook een heel rijtje. Een deel van de panden werd (meteen) doorverkocht. Soms ontstond zo een complete ‘keten’ van kopers. Een voorbeeld hiervan zien we bij de acht huizen aan de Borskistraat van de eerder genoemde S.J. van Praag. De huizen werden in 1943 (dienstjaar 1944)96 verkocht aan P.P.F. Oor, die zeven van de acht vervolgens verkocht aan C. Kooy en het achtste aan G.T. van der Stoop. Kooy op zijn beurt verkocht die zeven huizen aan de Borskistraat ook weer, vier aan J.J. Beekelaar en de overige drie aan N.C. de Vries. De Vries verkocht die drie percelen vervolgens aan J.E. Pafort. Twee van de vier panden die Beekelaar had gekocht kwamen via echtscheiding in het bezit van A.M. Slotboom. De overige twee panden aan de Borskistraat verkocht Beekelaar aan M. Smit.
Het achtste perceel dat Oor aan Van der Stoop had verkocht bleef enkele jaren in diens bezit.97 In het geval van erfpacht werd bij verkoop van het pand het erfpachtcontract overgeschreven op naam van de nieuwe eigenaar. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij het bezit van Leman Abas aan de Dolfijnstraat in Haarlem. Hij bezat de panden met de huisnummers 7 tot en met 25. De erfpachtakte op Abas’ naam was van 19 januari 1932. Op 18 december 1942 werd een nieuwe erfpachtakte verleden voor de notaris en werden N.C. de Vries en J.J. Beekelaar ingeschreven als erfpachters, degenen die als kopers in de Verkaufsbücher staan. Op diezelfde datum (18 december 1942) staan ook alweer de volgende erfpachtcontracten ingeschreven, bij dezelfde notaris. De tien percelen werden kennelijk nog diezelfde dag doorverkocht. Vier ervan aan G.J. de Louwere, de andere zes aan kopers die elk één perceel kochten. Twee van de panden, Dolfijnstraat 9 en 11, werden in 1944 en 1945 nogmaals verkocht. De datum van het laatste erfpachtcontract voor deze beide percelen was 3 mei 1945, dus vlak voor de bevrijding.98 Bij de genoemde doorverkoop op dezelfde dag lijkt het te gaan om zogenaamde dubbeltransporten, waarover R. Schütz schrijft in zijn proefschrift. Bij deze constructie werd het beheerde pand aan een tussenkoper verkocht en dezelfde dag nog aan een volgende