CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210611052 11. Bijlage 5 Onderzoeksrapport ARK 2020 2021

commissie Ontwikkeling 1 september 2022, gemeente HaarlemBij agendapunt: 18.50 uur Vaststellen Verordening op de Adviescommissie Omgevingskwaliteit 2022 (FR)14.041 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Kunnen we alvast een zaak aanmaken bij een vooroverleg en daar een vergunningverlener aanhaken? Of op z’n minst een soort coördinator aanwijzen.” “Er moet [bij een vergunningaanvraag] een goede annotatie liggen [vanuit de afdeling erfgoed] waar de ARK kennis van kan nemen. Als je dat helder hebt, denk ik dat je al heel veel winst geboekt hebt. Een helder verhaal met een vaste opzet. We moeten dus afspreken: waar moet een annotatie aan voldoen, welke onderdelen staan daar in, hoe leg je een kant en klaar product neer. Dat kan je bij de ARK toelichten.” “Hoe de voorbereiding voor vooroverleggen richting ARK gaat lopen is nog wat onduidelijk. Voor de stedenbouwkundigen zou een lijst moeten komen met nodige informatie, maar dat is voor hen veel meer werk dan nu. De commissie heeft aangegeven dat degene die met een herhalingsplan komt een inhoudelijke reactie op het eerdere moet advies geven. Dat biedt al helderheid. Belangrijk voor de toekomst is: wie doet de plantoelichting van deze vooroverleggen richting de commissie.”

Over de adviesvraag en de rol van de commissie in het collegiaal overleg wordt verschillend gedacht. Vanuit erfgoed wordt aangegeven dat het vooroverleg vooral over principiële vragen zou moeten gaan. Vanuit stedenbouw en landschap is de regel dat vooroverleg met de ARK pas kan plaatsvinden als het eigen advies duidelijk is. “Ik denk dat collegiaal advies in het vooroverleg een tweede rol van de ARK is die, als je het goed inricht, de kwaliteit van het ambtelijk advies kan verbeteren. (…) Bij collegiaal advies zou het volgens mij moeten gaan over principiële kwesties. Dat zou je met de ARK heel prettig kunnen doen, met een lid of klein comité. Daar zou je vormen voor kunnen vinden. Dan adviseer je elkaar, dan vraag je de ARK: help mij om hier een goed advies te kunnen maken. Als je in een voortraject zit is het heel waardevol om zoveel mogelijk input te halen om tot een goed advies te komen. (…) Omdat het nog niet geagendeerd is of geen besluit is genomen gaat het pratend en overleggend. De initiatiefnemer hoeft daar ook niet bij te zijn. Ik zie het als collegiaal advies, dat je achter de schermen met elkaar afstemt. (…) Op het moment dat het een vergunningaanvraag is, gaat het echt anders. Dan is het belangrijk dat VTH aan zet is.” “De regel is, en dat is belangrijk, dat wij als OMB zeggen: u mag niet naar de ARK als wij niet akkoord zijn.

Dat is een vrij stringente maatregel.”

21

3.3.7 Samenstelling commissie De open vraag ‘uit welke disciplines moet de toekomstige ARK bestaan is bij 11 geïnterviewden aan de orde geweest. De antwoorden zijn samengevat in onderstaande tabel. Disciplines in de toekomstige ARK (n=11) deskundigheid aantal keer genoemd architect 11 restauratie-architect 9 cultuurhistorie/beschermd gezicht 9 stedenbouw 8 landschap/buitenruimte/groen 4 duurzaamheid 4 stadspsycholoog /stadssocioloog 1 aanvullende expertise zonodig inschakelen 3

De geïnterviewde ontwerpers benadrukken dat ontwerpers een belangrijke rol hebben in de commissie. Het gaat om ervaring, ontwerpers die dit zelf ook al 20 jaar doen, die weten waar ze het over hebben. Een ‘echte’ landschapsarchitect wordt genoemd ter aanvulling op de stedenbouwkundige. Dat heeft ook te maken met duurzaamheid: de rol van groen, landschap en water in de stad. Met betrekking tot burgerleden zien alle geïnterviewden haken en ogen. Vooral de willekeur speelt een rol: wie wordt dat burgerlid dan? Representatief wordt het niet. Voor je het weet gaan belangen een rol spelen. De commissie is er met name voor professionaliteit en onafhankelijkheid. Als participatie nodig is, kun je dat op een andere manier moet organiseren. Draagvlak krijgt de commissie door een geloofwaardig advies, waarbij de commissie inderdaad wel moet weten wat er speelt in een buurt. Drie geïnterviewden vinden het idee van een burgerlid na enige twijfel toch het overwegen waard.

3.3.8 Competenties De open vraag ‘welke competenties moeten de leden van de toekomstige ARK hebben is bij 11 geïnterviewden aan de orde geweest. De antwoorden zijn samengevat in onderstaande tabel.

22

Competenties in de toekomstige ARK (n=11) deskundigheid aantal keer genoemd expertise, kunnen zien wat de vraag is en de context, 7 tekeningen lezen en beoordelen open houding, niet vooringenomen, empathie voor mensen die aan tafel zitten mensen moeten zich gehoord voelen 7 (verbinden) als team een eenheid vormen, één taal spreken, dominantie voorkomen, vermogen om een gewogen oordeel te 6 formuleren, ook je mond kunnen houden weet hoe je dingen moet overbrengen, duidelijk advies 5 geven, mensen moeten het begrijpen betrokkenheid bij de stad, weten wat er speelt, antenne, 4 gedrevenheid kritisch zijn, even tegenduwen met bepaald gezag, lef hebben om te zeggen: zo gaan wij er niet positief over 3 adviseren vertrekken vanuit het plan en beoordelen vanuit de kaders, en niet vanuit eigen mening, dienstbaar aan het plan en het proces, niet op de stoel van de architect gaan zitten patstelling voorkomen, niet blijven doorgaan maar oplossingsgericht, hoe dan wel? Breed werken maar niet zonder grenzen, het moet ook een keer klaar zijn vertrouwen met ambt apparaat opbouwen en vasthouden oplossingsgerichtheid uit de bouwpraktijk, veel praktijkervaring, ervaring met advisering in andere steden weten in welke rol ze aan tafel zitten, waar ze wel en waar ze niet iets over kunen zeggen feeling voor politieke belangen, een beetje onderhandelen en polderen

3

2 2 2 1 1

Er wordt op gewezen dat diversiteit (gender, leeftijd, etniciteit) binnen de commissie zeer wenselijk is. “Het is ook verbinden. Dat je in staat bent te verbinden met mensen. Je krijgt als commissie heel veel verschillende mensen over de vloer. Dan heb je het nodige inlevingsvermogen nodig. Een opdrachtgever is een heel ander persoon dan een architect of gemeenteambtenaar. Diversiteit (gender, leeftijd, etniciteit) binnen de commissie lijkt me zeer wenselijk.”

De rol van de voorzitter wordt benadrukt. De voorzitter hoeft niet persé neutraal te zijn, hij of zij kan ook een eigen discipline inbrengen. Wat de voorzitter vooral moet kunnen is balans houden tussen structuur en orde aan de ene kant, en empathie aan de andere kant. Hij of zij moet voorkomen dat de leden elkaar tegenspreken en altijd het oordeel eenduidig naar buiten brengen. En erop toezien dat het helder op papier komt te staan.

3.3.9 Participatie en draagvlak Iedereen vindt dat bewoners moeten worden geraadpleegd over het kwaliteitsbeleid voor hun wijk. Maar participatie moet gescheiden blijven van de advisering, zo stellen de meeste geïnterviewden. Participatie gebeurt vanuit het eigen belang. Maatschappelijke participatie over de vraag of een initiatief gewenst is en een doel dient dat iedereen graag ziet, wordt gewaardeerd. Maar in de fase van uitwerking en vergunningverlening moet de gemeente integraal beoordelen of het voldoet aan allerlei beleid en regels en of het ook het grote

23

maatschappelijke belang dient. Daarbij laat de gemeente zich onafhankelijk adviseren door experts. “Als overheid moet je het particuliere belang kennen en wegen, maar het particuliere belang gaat niet vóór een maatschappelijke doelstelling. Je moet als overheid de langere termijn bezien, niet altijd het directe belang van mensen die nu in deze stad wonen maar het belang van de mensen over honderd jaar. “

Een andere vraag is hoe er maatschappelijk draagvlak wordt gecreëerd voor de kwaliteitsadvisering in het algemeen. De leden van de oude ARK vonden de commissie te weinig zichtbaar in Haarlem, maar het is er nooit van gekomen daar iets mee te doen. Het benoemen van een burgerlid in de commissie zou ook kunnen bijdragen aan maatschappelijk draagvlak, maar daar zijn veel haken en ogen aan verbonden (zie verder onder samenstelling commissie). “De ARK was naar mijn mening de afgelopen jaren te weinig zichtbaar in Haarlem. Je komt in de pers als er problemen zijn, maar niet als het gaat om het begeleiden van geslaagde projecten die belangrijk zijn voor de stad. De commissie gaat te weinig het gesprek aan, burgers weten te weinig waar de ARK mee bezig is. Er zijn veel projecten die in openbaarheid mogen worden besproken maar er is niemand die langskomt. Dat is een gemis. Je zou op de Grote Markt moeten gaan zitten, zodat mensen in het voorbijgaan een discussie kunnen meemaken. Of een open dag, een open bijeenkomst in het ABC of zoiets. (…) Maar je moet meer zichtbaarheid en draagvlak creëren, anders voedt het de achterdocht. Het is belangrijk dat je draagvlak hebt voor je werk. Dat je kunt uitleggen waarom het werk van de ARK belangrijk is voor de stad en hoe het in elkaar zit.” “Het is heel belangrijk hoe die participatie geregeld wordt.

Niet alleen maar op projecten maar ook over wat je met welstand in zijn algemeenheid wilt. Dat zijn twee verschillende dingen. (…) Wat ik een heel belangrijk advies vind, misschien wel het belangrijkste, is dat je de burgers van een wijk of buurt waarin je dit soort dingen wil veranderen, consulteert en hun advies zeer serieus neemt zo niet bindend laat zijn. Het gaat over hun woning en hun onroerend goed. Dat is misschien wel het meest belangrijke advies.”

4.

Invalshoeken voor de nieuwe ARK

4.1

Verkenning van verschillende invalshoeken Een verkenning van verschillende invalshoeken voor de advisering geeft meer zicht op de mogelijkheden voor de toekomst van de ARK Haarlem. De vraag hierbij is waar, wanneer en onder welke condities de ARK wel, of juist niet, meerwaarde heeft voor de stad. De verkenning is opgesteld in nauwe samenwerking met een team ambtenaren van OMB en VTH en het gemandateerde commissielid van de interim-ARK. In een brainstorm werd gekozen voor drie invalshoeken: 1) de dagelijkse veranderingen van de stad, 2) de beschermde gebieden en gebouwen, en 3) de grote ontwikkelingen. Deze invalshoeken vormen geen keuzemenu maar moeten naast elkaar worden gezien. Bij elke invalshoek is een vloeiende overgang tussen de collegiale, beleidsgerichte advisering (bijvoorbeeld over beleidskaders, masterplannen, beeldkwaliteitsplannen, ontwikkelvisies, ruimtelijke programma’s van eisen) naar de advisering over activiteiten (opgavegericht, ontwerpgericht of beoordelingsgericht) van belang. De collegiale, beleidsgerichte advisering gaat vooraf aan de

24

formele schriftelijke advisering aan het college over vergunningaanvragen. Het belang van deze collegiale advisering wordt in Haarlem al decennialang onderkend en is sinds 2002 expliciet vastgelegd in de toenmalige "Verordening op de Adviescommissie Welstand en Monumenten". Deze vorm van advisering roept op dit moment echter ook spanning op. Moet het gestuurd worden vanuit samenwerking, betrokkenheid en een brede belangenafweging (bijvoorbeeld volkshuisvesting, economie, draagvlak in de buurt) of vanuit de onafhankelijke deskundigheid op enige afstand? De invalshoeken zijn hieronder uitgewerkt in een korte verhaallijn, waarbij we ingaan op de aard van de ingrepen, de beleidskaders en processen, de relatie met andere werkprocessen in de gemeente, de samenstelling van de ARK (of een subcommissie voor de bewuste invalshoek). Tot slot wordt de meerwaarde van de advisering voor deze invalshoek besproken.

4.2

De dagelijkse veranderingen van de stad Ingrepen Deze invalshoek verkent de meerwaarde van de ARK voor de ruimtelijke kwaliteit van de vele dagelijkse ingrepen overal in de stad. Denk aan nieuwbouw of verandering van kleine appartementsgebouwen, dakopbouwen of aanbouwen aan woningen, reclame-uitingen, straatmeubilair, etc. Het gaat hier vooral om relatief kleine ingrepen die in de loop der tijd het aanzien van een gebouw, straat of buurt aanzienlijk kunnen veranderen. Bij deze invalshoek is draagvlak voor de ruimtelijke kwaliteit in de buurten van groot belang. Het gaat om de gezamenlijke leefomgeving en de kwaliteit die de mensen belangrijk vinden. Gebiedsgericht beleid is noodzakelijk: wat in de ene buurt geen afbreuk doet aan de kwaliteit, doet dat op een andere plek wel. Beleidskaders Goede, eenvoudige beleidskaders voor de kleine ingrepen zijn essentieel. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van de ‘regelpyramide’

Duidelijk moet zijn dat iedereen op grond van de Omgevingswet een zorgplicht heeft voor goede omgevingskwaliteit. Ook moet aangegeven worden binnen welke gebieden een ingreep op basis van algemene regels (zonder vergunning) kan worden uitgevoerd. Waar dat niet kan moeten de regels voor binnenplanse vergunningen en de randvoorwaarden voor buitenplanse vergunningen duidelijk zijn. Processen Voor binnenplanse vergunningen kan in principe een ambtelijke toets aan de beleidskaders volstaan. Deze ambtelijke toets valt niet onder de verantwoordelijkheid van de ARK. Als de

25

planbeoordelaar twijfelt, kan hij of zij het plan via de secretaris van de ARK aan de (gemandateerde van de) ARK voorleggen. Op dat moment wordt de ARK verantwoordelijk voor het advies. Voor buitenplanse vergunningen en nieuw in te zetten trends zou altijd advies aan de ARK gevraagd moeten worden. In zo’n geval is er immers geen gedetailleerd beleidskader en moet worden beoordeeld of het plan bijdraagt aan ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dit kan voor ruimtelijke kwaliteit bijvoorbeeld worden uitgewerkt met Gouden Regels. De adviezen van de ARK zullen hier vooral een trendsettend zijn. Zodra een trend is gezet, kan deze worden toegevoegd aan de regels voor binnenplanse vergunningen en actualisering van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Relatie met andere werkprocessen in de gemeente Het gaat hier om plannen die niet via stedenbouw of erfgoed binnen komen. Belangrijk is de mogelijkheid van een vooroverleg voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning, om te peilen of de ARK zich kan vinden in het ontwerp. Voor deze verzoeken is op dit moment geen proces. In de buitenplanse situaties moet de ARK zo vroeg mogelijk ingeschakeld worden. Dat betekent dat opgavegericht en ontwerpgericht vooroverleg over een vergunningaanvraag mogelijk moet zijn.

Een mogelijkheid om stroperigheid en lange adviseringstijd te voorkomen, is om kleine plannen te behandelen in een gezamenlijke zitting van de afdelingen Omgevingsbeleid, Erfgoed en Vergunningen. Voor plannen die niet ambtelijk getoetst kunnen worden, kan dan ook de gemandateerde van de ARK aanschuiven en een onafhankelijk advies namens de ARK geven. Samenstelling ARK Het accent bij de advisering over deze ingrepen ligt op de architectuur. De samenstelling van de (sub)commissie voor deze ingrepen is bijvoorbeeld: twee architecten, een stedenbouwkundige/openbare ruimte specialist en een specialist op het gebied van erfgoed (dat kan een architectuurhistoricus zijn, maar ook een bouwhistoricus of een restauratiearchitect). Een of meerdere leden kunnen worden gemandateerd voor bepaalde taken. Meerwaarde De meerwaarde van de ARK zit hier vooral in een gedetailleerd advies over de architectuur, in samenhang met de context waarin ook erfgoed, stedenbouw en openbare ruimte van groot belang zijn. Architectuur is hierbij méér dan esthetiek of beeldkwaliteit, het gaat ook om bruikbaarheid en duurzaamheid van bouwwerken. De ARK kan hier in direct overleg met initiatiefnemers veel kwaliteit toevoegen, zowel voor de stad als voor de gebruikers van een pand of een gebied. De ARK kan ook een bijdrage leveren aan het draagvlak onder burgers.

4.3 De beschermde gebieden en gebouwen Ingrepen Deze invalshoek verkent de meerwaarde van de ARK voor behoud en ontwikkeling van het cultureel erfgoed van de stad. Het gaat hierbij zowel om beleidsgerichte advisering aan de afdeling erfgoed als om de beoordelingsgerichte advisering bij een vergunningaanvraag die eerder door de afdeling erfgoed is begeleid. Het advies is bij voorkeur integraal op het hoogste schaalniveau

26

(stedelijk/landschappelijke weefsel, openbare ruimte, groen, water) tot gedetailleerd op het laagste schaalniveau (bijvoorbeeld het herstellen en vervangen van voegwerk van een monument). De laatste check (zo mogelijk door een gemandateerde) is nodig om te zien of alles volgens de afspraken is uitgevoerd. Deze advisering zou heel goed gebiedsgericht kunnen worden uitgevoerd met een subcommissie voor de beschermde gezichten en monumenten. Ook hier is draagvlak in de buurten belangrijk, maar het publieke belang van het cultureel erfgoed en de noodzakelijke deskundigheid om daarmee om te gaan, telt zwaar. Beleidskaders Voor de kleine ingrepen: zie hierboven. Voor de beschermde gezichten werd in de interviews gewezen op de noodzaak van extra aandacht voor de koers, de waardestellingen en de randvoorwaarden bij nieuwbouw. In de beschermde gezichten is in ieder geval kwaliteitsbeleid nodig voor vergunningvrije ingrepen, kleine ingrepen, grote ingrepen, aanpassingen en herinrichtingen van de openbare ruimte. Processen Duidelijkheid is nodig over de vraag welke plannen op welk moment aan de ARK worden voorgelegd. Voor erfgoedplannen is het collegiale vooroverleg belangrijk, maar in die fase is de rolverdeling en verantwoordelijkheid nog niet altijd duidelijk.

Voorgesteld wordt om in ieder geval tijdig collegiaal advies te vragen over ingrepen aan beschermde monumenten, Orde 2 plannen en in beschermde stadsgezichten. De adviesvraag moet steeds helder zijn. In het algemeen kan de adviesvraag voor verschillende plannen vastgelegd worden in een protocol. Dit kan door de betreffende ambtenaar worden aangevuld met een specifieke adviesvraag. De overdracht van de afdeling erfgoed naar de afdeling vergunningen behoeft aandacht. De afspraak tussen de afdelingen is nu dat adviezen binnen twee weken na het aanmaken van een deelzaak in Squit worden gegeven. Dit duurt echter vaak langer. De planbeoordelaar beheert de deelzaken, maar gezien de drukte is het niet altijd mogelijk hier consequent in te handelen. Als adviezen langer op zich laten wachten hebben andere afdelingen minder tijd voor hun adviezen omdat de fatale beslistermijn snel in het zicht komt bij opvolgende adviezen. Relatie met andere werkprocessen in de gemeente Er is nog geen duidelijkheid over de manier waarop ‘erfgoed’ aan de Stadstafel wordt vertegenwoordigd. Samenstelling ARK Het accent bij de advisering over deze ingrepen ligt op behoud, herstel en ontwikkeling van monumenten en cultureel erfgoed in brede zin.

De samenstelling van de (sub)commissie voor deze plannen kan bijvoorbeeld zijn: een architectuurhistoricus, een restauratiearchitect met directe ervaring in de praktijk, een architect, een stedenbouwkundige/openbare ruimte specialist. Een of meerdere leden kunnen worden gemandateerd voor bepaalde taken. Meerwaarde De meerwaarde van de ARK zit hier vooral onafhankelijk collegiaal meedenken tijdens de begeleiding van plannen door de vakgroep erfgoed en afdeling beheer en beleid openbare ruimte, gekoppeld aan een beoordeling tijdens de vergunningsfase. De ARK heeft toegevoegde waarde als ze op enige afstand meekijkt in het ‘middendeel’ van het proces, als de verantwoordelijke

27

ambtenaar er diep in zit. De ARK kijkt dan vooral vanuit de context, en kan erfgoedaspecten combineren met stedenbouw, openbare ruimte en architectonische kwaliteit. De check op het eind is nodig maar kan nooit op zichzelf staan bij deze plannen.

4.4 De grote ontwikkelingen Ingrepen Deze invalshoek verkent de meerwaarde van advisering door de ARK bij de grote nieuwe ontwikkelingen in de stad, bijvoorbeeld de ontwikkelzones. Het gaat hierbij zowel om beleidsgerichte advisering aan de afdelingen omgevingsbeleid en beheer en beleid openbare ruimte, als ook om de beoordelingsgerichte advisering bij een vergunningaanvraag die eerder door deze afdeling(en) is begeleid. Die laatste check (zo mogelijk gemandateerd) is nodig om te zien of alles volgens de afspraken is uitgevoerd. Beleidskaders De beleidskaders voor deze ontwikkelingen worden door de vakafdelingen gemaakt. De ARK kan daarover adviseren, vooral vanuit de vraag of ze consistent zijn met bestaande kwaliteitsbeleid en of ze voldoende houvast bieden bij de uitwerking en beoordeling van projecten. Het beleidskader voor de openbare ruimte vraagt aandacht. Processen In de Definitiefase van het HRPP stelt de ambtelijke dienst de kaders op die door de raad worden vastgesteld. Voorafgaande aan de vaststelling vindt inspraak plaats.

Op dat moment worden de conceptkaders ook besproken in de ARK: zijn de kaders duidelijk, kan de ARK er bouwplannen en inrichtingsplannen mee beoordelen en zijn er eventueel collegiale aandachtspunten die de ARK wil meegeven? Tijdens de Ontwerpfase komen dan de bouwplannen en inrichtingsplannen behorend bij de ontwikkeling ter beoordeling langs in de ARK. De overdracht vanuit het vooroverleg naar het vergunningproces is erg belangrijk. Er moeten geen zaken/processen dubbel worden gedaan. Continuïteit is belangrijk maar de ‘tijd’ wordt hier tegelijk ook een valkuil genoemd. Besluitvormingsprocessen duren lang. Deelgebieden worden met verschillende snelheden ontwikkeld en uitgevoerd, waardoor de samenhang verloren dreigt te gaan. Vastgestelde visies zijn soms al achterhaald op het moment van uitvoering. En de adviescommissie kan in die tijd al twee of drie keer van samenstelling veranderd zijn. Relatie met andere werkprocessen in de gemeente Bij sommige grote ontwikkelingen is er sprake van een supervisor. De supervisor wordt door de gemeente ingezet op grote, complexe en langdurige ontwikkelingen met als doel de continuïteit, samenhang en kennis gedurende de looptijd van de ontwikkeling te garanderen. De supervisor verzorgt de begeleiding tijdens de uitwerking van de diverse deelprojecten.

Daarmee draagt de supervisor bij aan de verlichting van werkdruk in de ambtelijke organisatie. De precieze afstemming en overdracht van de werkzaamheden van de supervisor naar de ARK wordt nog uitgewerkt in het profiel Haarlemse supervisor. Gepleit wordt voor eenduidigheid in de relatie van de ARK met de verschillende supervisoren, met betrekking tot de verantwoordelijkheden en de afstemming en overdracht van de werkzaamheden.

28

Samenstelling ARK Het accent bij de advisering over deze ingrepen ligt op de relatie tussen landschap, openbare ruimte, stedenbouw, duurzaamheid en cultureel erfgoed in brede zin, met de uiteindelijke architectuur. De samenstelling van de (sub)commissie voor deze plannen kan bijvoorbeeld zijn: een architectuurhistoricus, een architect, een stedenbouwkundige, een landschapsarchitect en een duurzaamheidsspecialist. Een of meerdere leden kunnen worden gemandateerd voor bepaalde taken. Meerwaarde De meerwaarde van de ARK zit hier vooral in de strategische blik en het onafhankelijk collegiaal meedenken tijdens de begeleiding van plannen door de stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en projectleiders, gekoppeld aan een beoordeling tijdens de vergunningfase uit het HRPP. De ARK heeft toegevoegde waarde als sparringpartner en bewaakt ook de continuïteit in (langdurige) ontwikkelingsprocessen. Ook hier geldt: een check op het eind is nodig maar kan nooit op zichzelf staan bij deze plannen.

5.

Aanbevelingen De bevindingen maken duidelijk dat de toekomst van de ARK van veel meer zaken afhangt dan van de invulling van de ARK zelf. Daarom hebben de meeste aanbevelingen betrekking op de inbedding van de ARK in een gemeentelijk kwaliteitsbeleid. Het creeëren van een heldere governance structuur voor ruimtelijke kwaliteit is een belangrijke opgave voor de gemeente.

5.1 Maatschappelijke doelen en kwaliteitsambities De eerste aanbeveling is het organiseren van een dialoog over de maatschappelijke doelen en de kwaliteitsambities die ten grondslag liggen aan het adviesstelsel. Uiteraard is inbreng van ‘de stad’ hierbij onmisbaar, bijvoorbeeld door maatschappelijke organisaties met raakvlakken aan omgevingskwaliteit te betrekken. Deze dialoog hangt nauw samen met de vraag hoe de zorgplicht voor goede omgevingskwaliteit wordt uitgewerkt in de Omgevingsvisie. De Gouden Regels uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit kunnen hierbij ook worden ingezet, zijn ze nog actueel? De behoefte aan een stabiele koers op niveau van de stad als geheel is groot. De uitwerking van kwaliteitsambities is niet alleen een zaak van woorden maar ook, vooral misschien wel, van beelden. Er is aandacht gevraagd voor het stadsontwerp. Vanuit het stadsontwerp wordt de ontwerpregie over projecten gevoerd. Vanuit het stadsontwerp wordt omgevingskwaliteit of ruimtelijke kwaliteit ingevuld. Het is van groot belang expliciet te zijn over de interpretatie van ‘de kwaliteit van de stad’. Wordt kwaliteit smal, breed of integraal opgevat? • • •

Smal: vanuit het object, gericht op de architectuur, de monumenten. Breed: vanuit de context, gericht op weefsel, structuur en samenhang, ruimtelijke schaalniveaus. Integraal: vanuit de fysieke leefomgeving als geheel, gericht op samenbrengen van gezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit, op het samengaan van natuur en cultuur.

29

Over het algemeen geldt: hoe vroeger in het planvormingsproces, hoe integraler de kwaliteit kan of zelfs moet zijn. Integratie kan vooral plaatsvinden op het niveau van de doelstellingen en opgaven. De vraag is ook steeds: wie is de eigenaar van een kwaliteitsambitie? Dat moet op niveau van de stad duidelijk zijn. Welke personen zijn aanspreekbaar en hoe en op welk niveau worden de kwaliteitsambities geïntegreerd?

5.2 Regie van de kwaliteitsregie De tweede aanbeveling is het instellen van blijvende ‘regie van de kwaliteitsregie’ op een voldoende hoog niveau in de organisatie. Een klein ambtelijk team zou bijvoorbeeld de verantwoordelijkheden moeten stroomlijnen, en het functioneren van de betrokkenen (op dit aspect) moeten monitoren. Loopt alles naar wens, waar liggen knelpunten, is het duidelijk voor iedereen? Het opstellen van een overzicht van de gewenste betrokkenen bij de kwaliteitsadvisering en hun verantwoordelijkheden is zeer gewenst. Dat vraagt om keuzes: wie adviseert wanneer, waarover? Als de gewenste rollen en verantwoordelijkheden duidelijk zijn, kunnen deze worden gekoppeld aan de processen. Dan ontstaat een samenhangend adviesstelsel. Het zou goed zijn om dit stelsel ook echt in beeld te brengen met een (iconische) schets die inzichtelijk maakt op welke momenten en via welke lijnen de kwaliteitsadvisering een rol speelt. Hierbij moet waarschijnlijk onderscheid worden gemaakt naar gebied (bijvoorbeeld: beschermde gezichten, ontwikkelzones, overige gebieden) en naar aard van de initiatieven (bijvoorbeeld: groot ontwikkelproject, middelgrote projecten, kleine ingrepen). De advisering over openbare ruimte projecten is een punt van aandacht. Hier is de gemeente zelf opdrachtgever en speelt meestal geen vergunningprocedure.

Hier zou collegiale kwaliteitsadvisering misschien nog wel meer op zijn plek zijn dan bij projecten van private partijen. Aanbevolen wordt om te onderzoeken of en hoe dit mogelijk gemaakt kan worden.

5.3 Kaderen van de kwaliteitsregie De derde aanbeveling is het in kaart brengen en zo nodig actualiseren van het kwaliteitsbeleid. Kwaliteit is geen vaststaand gegeven, het is verbonden met waardering en perceptie. Het vraagt kennis van de bestaande waarden en afspraken over de omgang daarmee, zoals bijvoorbeeld gegeven in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Voor het opstellen van het omgevingsplan is overzicht nodig. Wat kan de gemeente vastleggen met algemene regels? Wat zijn vanuit het kwaliteitsbeleid de doelregels voor ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’? Hoe worden beoordelingsregels geformuleerd en welke beleidsregels horen daarbij? Tijdens de interviews is nadrukkelijk gepleit voor meer aandacht voor het erfgoedbeleid: zowel voor waardestellingen en het ontwikkelen van gebiedsgericht beleid voor het samengaan van oud en nieuw in de beschermde gezichten, als voor het ontwikkelen van algemene regels voor veel voorkomende kleinere ingrepen in de beschermde gezichten.

30

5.4 De toekomst van de ARK Onder de ambtenaren is veel draagvlak voor continuering van een onafhankelijke commissie van ervaren ontwerpers en andere deskundigen met een brede taakomschrijving. Het ligt voor de hand dat de toekomstige ARK de wettelijke status krijgt van gemeentelijke adviescommissie, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. Omdat de wettelijke grondslagen van de huidige ARK vervallen (de betreffende artikelen in de Woningwet en de Erfgoedwet) moet de gemeente een nieuwe verordening vaststellen op basis van de Omgevingswet. De VNG heeft daarvoor een modelverordening opgesteld. De invulling hangt samen met de maatschappelijke doelen en kwaliteitsambities van de gemeente, de inrichting van een samenhangend adviesstelsel, de proceslijnen en de inhoudelijke kaders voor de kwaliteitsregie. Hoewel het onmogelijk is om nu al precies te zeggen hoe de commissie ingericht zou moeten worden, kan vanuit het onderzoek wel een aantal uitgangspunten worden meegegeven: • De huidige Verordening op de ARK is op de meeste punten nog verrassend actueel. Hoewel een nieuwe verordening nodig is, kan de huidige verordening als richtlijn dienen. • De commissie moet in ieder geval een taak krijgen in de advisering over de dagelijkse veranderingen van de stad, de beschermde gebieden en gebouwen, en de grote ontwikkelingen.

Deze invalshoeken vragen een eigen aanpak, een eigen accent in commissiesamenstelling en duidelijkheid over de verantwoordelijkheden. Een oplossing kan zijn om met verschillende gemandateerde subcommissies te werken. De overkoepelende plenaire commissie zou dan een strategische adviesfunctie kunnen krijgen. • De meeste geïnterviewden vinden de naam Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit een goede naam. Dat geeft aan dat het breder is dan het visuele aspect en de objectgerichte benadering, en houdt tegelijk ruimtelijke kwaliteit wel herkenbaar in het grotere geheel van omgevingskwaliteit. Extra inbreng op het gebied van kwaliteitsambities van de omgevingsvisie (wellicht: landschap, openbare ruimte, groen en de ruimtelijke aspecten van duurzaamheidsingrepen) is het overwegen waard. • De commissie moet vakkundig geleid worden en regelmatig op haar functioneren worden beoordeeld, zowel per lid als in het geheel. • Bij de benoeming van commissieleden spelen niet alleen vakkundigheid en ontwerpkracht een rol. Er zijn veel intermenselijke competenties genoemd. Ook aandacht voor een gemengde samenstelling qua gender en kleur is van belang. • De ambtelijke voor- en nazorg van commissievergaderingen is uitermate belangrijk.

De behandeling van de plannen in de ARK kan worden geoptimaliseerd door een gestroomlijnde organisatie en voorbereiding van de plannen binnen de gemeente en door een duidelijke vraagstelling en helder opgestelde kaders.

31

Colofon Onderzoek en tekst: José van Campen woord en plaats in opdracht van de gemeente Haarlem Maart 2021

32

Bijlage 1: Overzicht van geïnterviewden In volgorde van opkomst: • • • • • • • • • • • • • •

Ronald Algra, secretaris ARK Debby Alferink, senior planbeoordelaar specialist, secretaris en (gemandateerd) lid interim ARK Ton van Buggenum, teammanager bureau vergunningverlening Willen Hein Schenk, stadsarchitect Arjen den Breejen, VTH, plantoelichter ARK Maartje Taverne, afdeling OMB/erfgoed Hugo Rots, afdeling OMB/stedenbouwkundige Hugo Alefs, afdeling OMB/erfgoed Roald van Splunter, afdeling OMB/landschapsarchitect Marjoleine van Schaik, afdeling OMB/erfgoed Sara Stroux, lid oude ARK Stefan Gall, lid oude ARK Jaap Gräber, lid oude ARK Marcel van Winsen, lid oude ARK

33

Bijlage 2: De vragen voor de interviews A: Het Haarlemse adviesstelsel in het algemeen

1. Wat is uw visie op het toekomstige adviesstelsel voor Haarlem. Welke inhoudelijke en/of procedurele en/of organisatorische uitgangspunten zou de gemeente moeten hanteren? 2. Welke adviesrollen (zie afbeelding op pagina 6 van de Handreiking) zouden in dit toekomstige stelsel moeten worden onderscheiden en hoe en door wie worden die ingevuld? 3. Hoe verhoudt de advisering door deskundigen zich tot maatschappelijke participatie? B: De rol van de toekomstige gemeentelijke adviescommissie

1. Inhoud: waarover adviseert deze commissie? Hoe ‘breed’ is het advies en over welk type plannen gaat het? 2. Samenstelling: welke disciplines, burgerlid, ambtelijk lid/leden? 3. Samenwerking met gemeentelijk apparaat: op welk moment zou de commissie moeten adviseren en hoe zou de taakverdeling tussen de commissie en de afdelingen OMB en VTH idealiter worden ingevuld? Wat zou de positie en rol van de commissie moeten zijn in relatie tot de Stadstafel (en de fasen en producten van het Haarlems Ruimtelijk Plan Proces)? 4. Dienstverlening: hoe zou het contact tussen de commissie en initiatiefnemers, zoals vergunningaanvragers, architecten, belanghebbenden etc. idealiter moeten verlopen? 5. Welke competenties en skills zijn nodig om de advisering deskundig, efficiënt en effectief te laten zijn? 6. Wat zou een goede naam zijn voor de toekomstige adviescommissie? C: Tot slot

1. Heeft u andere onderwerpen, vragen of opmerkingen die in het onderzoek aan de orde moeten komen, en zo ja, welke en waarom?

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12282391/1