CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210425435 2. Bijlage 1 Rapportage derde meeting onderzoek MO BW in de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer

commissie Samenleving 30 september 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: 3e Rapportage onderzoek naar ambulantisering en regionalisering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de regio IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer18.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dreigende huisuitzetting bewoner Housing First Jonas verblijft bijna twee jaar in een woning van Housing First in Haarlem. Zijn woning zou een week na het interview worden omgeklapt. Momenteel dreigt hij uit zijn woning te worden gezet vanwege woonfraude. Uit de besproken voorwaarden voor de woning begreep hij bij drie officiële waarschuwingen te worden uitgezet. Bij het overlijden van een naast familielid heeft hij een jonger familielid tijdelijk opgevangen in zijn woning. Deze heeft voor overlast gezorgd bij de buren, welke vervolgens de corporatie hebben ingeschakeld. Op dit moment dreigt de participant zijn woning te worden uitgezet op basis van inwonen van een extra persoon, dit wordt gezien als woonfraude. De corporatie en Housing First geven aan dat bij woonfraude direct op uitzetting wordt overgegaan en geen sprake is van drie officiële waarschuwingen. Momenteel wordt zijn Housing First begeleiding afgerond en wacht hij de rechtszaak af. Reclasseringsbegeleiding voert de regie op zijn traject. In de tussentijd heeft er een zorgconferentie plaatsgevonden om te zoeken naar vervolgmogelijkheden bij andere corporaties. In verband met eerdere woonfraude bij een andere corporatie biedt een laatste corporatie nog een mogelijkheid een woning aan te bieden op voorwaarde dat hij eerst bewijst begeleid zelfstandig te kunnen wonen elders.

In verband met wachtlijsten voor begeleid/beschut wonen is het onduidelijk waar hij in de tussentijd zal blijven. Hij hoort binnenkort meer over. Door Jonas aangehaalde verbeterpunten: ●

Er heeft geen gesprek plaatsgevonden met de politie, de woningbouw of met de buren om gezamenlijk te kijken naar een oplossing of tweede kans. Hij had gehoopt de mogelijkheid te krijgen om te leren van gemaakte fouten en hierbij begeleid te worden. Tevens geeft hij aan dat het fijn zou zijn als de buren overlast aan hem persoonlijk of aan Housing First hadden gemeld, zodat ze er iets aan hadden kunnen doen.

●

De participant geeft aan dat begeleiding meermaals heeft aangegeven dat het geen verstandige keuze is om iemand anders in de woning te laten verblijven. Hij had echter naar eigen zeggen behoefte gehad aan nog meer duidelijkheid over de consequenties. Directe communicatie tussen woningcorporatie, zorgaanbieder en Jonas had hierbij wellicht voor meer duidelijkheid over het voorval gezorgd.

●

Het gezamenlijk optrekken van corporatie en Housing First in het gerechtelijke traject wordt ervaren als pijnlijk voor het vertrouwen naar Housing First. Jonas geeft aan: Ook al krijg ik nu een woning wil ik niet

20

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

door met Housing First. ●

Richting het einde van zijn traject kreeg Jonas minder begeleiding (ongeveer één keer per twee weken een half uur). Hoewel het mogelijk onderdeel is van het toewerken naar zelfstandigheid, is het dermate afschalen van zorg vóór het kritische omklapmoment wellicht nog onverstandig.

In de rapportage van vorig jaar gaven betrokken woningcorporaties aan door overlast-incidenten een aantal slechte ervaringen te hebben met Housing First-huurders. Uit de ervaring van een van onze Housing-First participanten blijkt dat het soms ook lastig is om een goede start te maken als men een woning betreedt. Zo kreeg Aaron een woning via Housing First waar door een eerdere bewoner veel geluidsoverlast was veroorzaakt. Hij vertelt over zijn ontmoeting met de corporatie: Ja, we hebben een huis voor je. Maar er is één probleem, er is geluidsoverlast." Dat ging dus over de vorige bewoners [...] ik woon er nog niet eens en er is nu al gezeur over geluidsoverlast. Dat vond ik zelf wel een beetje jammer. Je wordt eigenlijk meteen in het diepe gegooid door [woningcorporatie]. Het was een heel zakelijk en kil gesprek. Aaron zegt het gevoel te hebben onder een vergrootglas te liggen bij zijn buren en de corporatie. Voor een goede en eerlijke start in de wijk is het belangrijk om met een schone lei te kunnen starten, in een woning zonder een dergelijke voorgeschiedenis.

21

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

3. Wonen in de wijk: een zachte landing en goede start De regio zet zich gezamenlijk in voor ‘een zachte landing en goede start in de wijk.’ Zorgaanbieders, gemeenten en zorg- en welzijnsinstellingen zorgen samen voor aanbod gericht op ontmoeting en ondersteuning in de wijk en tijdige signalering en interventie als het niet goed gaat. In dit hoofdstuk bespreken we de ervaringen van cliënten met aangeboden ondersteuning in de wijk. We bespreken de ervaringen met (continuïteit) van ondersteuning in de wijk, activatie en participatie en het tijdig signaleren van terugvalsignalen.

Belangrijkste punten uit dit hoofdstuk ●

Continuïteit van begeleiding bij uitstroom naar de wijk via zowel contingentregelingen als andere routes worden door de meerderheid van de participanten als positief ervaren. Wel worden er zorgen uitgesproken over de zelfredzaamheid van langdurig opgevangen medebewoners die uitstromen uit de MO-nachtopvang.

●

Ook de mogelijkheid om na het omklapmoment ondersteuning (kortdurig) te continueren wordt door een deel van de participanten als zeer prettig ervaren. Met name BW-participanten geven aan hier nog tijdelijk gebruik van te willen maken als stok achter de deur. MO-cliënten geven aan nog de mogelijkheid te ervaren begeleiding te contacteren bij vragen.

●

Participanten die het afgelopen jaar uitstroomden uit de MO hebben bijna allen contact gehad met een lokale wijkprofessional. Bij uitstromende BW-participanten vond deze ontmoeting niet of onvoldoende plaats. Voor hen blijft BW-begeleiding/FACT vaak nog langere tijd het centrale aanspreekpunt. Wel spreken met name BW-participanten de wens uit om alvorens uitstroom meer zicht te krijgen op initiatieven voor contact- en ontmoeting in de wijk.

●

Ook geeft een aantal participanten aan het fijn te vinden te zijn uitgestroomd in de omgeving van eerdere medebewoners van MO of BW. Bij plaatsing in de wijk lijkt daar soms rekening mee te worden behouden. Daarbij geven verschillende participanten aan een voorkeur te hebben voor ‘volkswijken’ omdat ze daar makkelijk aanspraak hebben en er onderling veel acceptatie is. Dit lijkt normaliserend te werken.

●

90% van de participanten heeft werk of andere zinvolle daginvulling. Structuur en daginvulling (ook in avonden en weekenden) worden benoemd als een belangrijke voorwaarde voor herstel, sociaal contact en stabiliteit. Door de maatregelen rondom COVID-19 valt veel georganiseerde dagstructuur weg. Voor sommige participanten vergroot dit gevoelens van eenzaamheid en kan dit een risico vormen om terug te vallen in oud gedrag/klachten. Desondanks blijken veel participanten weerbaar, en wordt er door zowel participanten als begeleiding gezocht naar alternatieve zinvolle daginvulling.

●

Ook cliënten vinden het belangrijk dat er tijdig wordt gesignaleerd als het minder goed gaat. Ze geven aan dat ze het niet altijd makkelijk vinden om aan de bel te trekken. Als voorwaarden om tijdig aan de bel te trekken noemen zij: een goede vertrouwensband met de begeleider, de tijd en ruimte om te leren om hulp te vragen, voldoende beschikbaarheid in weekenden en avonden en aandacht voor de impact van incidenten in hun sociale netwerk op hun eigen stabiliteit en gemoedstoestand.

22

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

3.1 Ondersteuning in de wijk Continuïteit van begeleiding na uitstroom Zeventien participanten stroomden de afgelopen drie jaar uit vanuit de maatschappelijke opvang (7) en beschermd wonen (10), zeven van hen stroomden het afgelopen jaar uit. Elf van deze participanten ontvangen op basis van een zorgbepaling bij het huurcontract één à twee jaar na uitstroom begeleiding van RIBW K/AM of Parnassia. Drie van de participanten, die zonder zorgbepaling uitstroomde via inschrijftijd bij WoningNet of een medische urgentie van de gemeente, ontvangen allen nog vrijwillig begeleiding vanuit het RIBW. Twee van hen ontvingen de afgelopen drie jaar ambulante ondersteuning van RIBW K/AM en het FACT. Eén derde heeft toestemming om nog zes maanden door te worden begeleid. Een andere participant die uitstroomde buiten de regio ontvangt vraaggerichte begeleiding aldaar. Zijn RIBW-begeleider deed een warme overdracht aan de lokale wijkprofessional. Het overgrote deel van de participanten dat begeleid wordt door RIBW K/AM of Parnassia na uitstroom uit MO/BW geeft aan blij te zijn om nog twee jaar ondersteuning te ontvangen bij de overgang naar een zelfstandige woning.

De meeste cliënten ontvangen, afhankelijk van hun ondersteuningsbehoefte en betrokkenheid van andere partijen zoals het FACT/Brijder, gemiddeld één keer in de week begeleiding, in de maanden na overgang is dit vaak wat meer en wordt dit langzaam afgebouwd. In het tweede jaar is dit voor de meeste participanten gemiddeld één keer in de twee weken. Met name BW-participanten geven aan dat de overgang van continue beschikbaarheid van begeleiding naar één keer in de week groot kan zijn. Zij benadrukken dat de mogelijkheid om tussentijds hun voormalige BW-voorziening te bezoeken (of bellen) een belangrijke bron van ondersteuning en sociale interactie kan zijn.

Zorgen over overlijden langdurig opgevangen medebewoners na uitstroom MO Tijdens interviews met onze participanten werd regelmatig het verhaal gedeeld dat er de afgelopen jaren een vijftal mensen in de regio zijn overleden kort nadat ze uitstroomden vanuit de MO naar een zelfstandige woning. Zo ook een van onze participanten. Een aantal van deze mensen was op leeftijd en allen ontvingen begeleiding na uitstroom. Participanten vermoeden dat voor hen de overgang naar het zelfstandig wonen te groot was. 10. Zo vertelt een van onze respondenten: Af en toe ook best wel raar, want er zijn ook mensen die al een aantal jaar in Haarlem wonen, die worden dan geplaatst in Heemskerk, Beverwijk, IJmuiden, Velserbroek omdat ze daar geboren zijn. Ik moet je eerlijk zeggen: dat waren ook een aantal oudere mensen, die gingen achter elkaar allemaal dood. De wat oudere mensen, die kwamen op eigen benen te staan, en nu staan ze nog alleen. [...] Voor die oudere mensen, die er al vier, vijf jaar zitten, bij het HVO wordt er toch voor je gezorgd, er wordt gewassen, er wordt gekookt. En dan sta je ineens op je eigen benen, ik denk dat ze vereenzaamden. Deze geruchten benadrukken dat het belangrijk is extra aandacht te besteden aan de transitie en het natraject van (oudere) mensen die langere tijd in de opvang hebben verbleven.

Onze onderzoekers hebben deze verhalen dit jaar beperkt nader onderzocht of gevalideerd bij gemeenten of zorgaanbieders in de regio, hier is tijdens de wederhoor ronde nog wel ruimte voor.

10

23

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Participanten geven aan dat begeleiding voornamelijk let op het persoonlijk welzijn, schoonhouden van de woning, voorkomen van overlast en helpen bij papierwerk. Met name het papierwerk en zelfstandig regelen van financiën wordt door zowel MO- als BW-participanten als spannend ervaren, gezien ze dat langere tijd niet zelfstandig hebben gedaan. 70% van hen ontvangt hierbij ondersteuning van een bewindvoerder of budgetcoach. Tweederde van hen geeft aan deze ondersteuning in de toekomst te willen aanhouden en bereid te zijn hiervoor te betalen. Een derde hoopt het op den duur zelf weer op te pakken. Als alle praktische zaken rondom het betreden en inrichten van een woning zijn geregeld, is volgens participanten hun belangrijkste functie ‘de stok achter de deur’. Zo vertelt Denise: Ja, voor mij een stok achter de deur. Als ik het even niet meer weet: als er iets gebeurt met die woning of met de verzekeringen of weet ik veel wat, dan kan ik daar nu nog van leren het aankomende jaar. Als ze het eenmaal uitgelegd hebt en er zou een situatie voorkomen, dan weet ik de volgende keer hoe ik dat moet doen. Hoewel een groot deel van de participanten aangeeft de begeleiding niet veel nodig te hebben en vaak weinig te vertellen heeft (met name MO-participanten), blijkt het een fijne achterwacht in gevallen dat het onverwacht wat minder goed gaat of er onvoorziene problemen ontstaan.

Een deel van hen zegt hierdoor te leren om tijdig aan de bel te trekken (zie ook kader over ‘vroegsignalering’ later in dit hoofdstuk). Ze benoemen dit als een belangrijk persoonlijk leerpunt om terugval te voorkomen. Ook vinden veel van hen het fijn dat ze de mogelijkheid hebben om begeleiding mee te vragen ter ondersteuning bij afspraken bij de gemeente, het UWV of de woningcorporatie. Volgens veel participanten heeft hun begeleider daarin een belangrijke ondersteunende rol bij het wegnemen van spanning en het duidelijk uitleggen van kwetsbaarheden. Continuïteit van behandeling na uitstroom: ondersteuning van het FACT-team Naast woonbegeleiding ontvangen vijf participanten (vier met een BW-achtergrond, één MO) ondersteuning van het lokale FACT-team. Verschillende participanten geven aan dat ze de afgelopen periode meer ondersteuning ontvingen en contact hadden met het FACT-team dan voorheen. Hoewel door de COVID19-maatregelen veel contact digitaal/telefonisch plaatsvond geven participanten aan de vergrote beschikbaarheid zeer prettig te vinden. Waar een aantal participanten vorig jaar aangaven dat het FACT-team in de avonduren slechter bereikbaar was, vertellen zij dit jaar dat dit is verbeterd. Een participant geeft aan het afgelopen jaar behandelingscontacten te hebben afgesloten.

Ze vertelt de mogelijkheid te hebben om nog een half jaar ingeschreven te staan om weer in contact te treden mocht het nodig zijn. Ze verwacht zelf niet dat het nodig is, maar geeft aan het fijn te vinden deze mogelijkheid te hebben. Begeleiding na afloop zorgbepaling: flexibele verlenging begeleiding en waakvlamcontact waardevol Voor veel participanten stopt de afgesproken zorgbepaling (vaak twee soms één jaar) van RIBW K/AM of Parnassia bij het omklapmoment. Op het moment van interviewen zijn twee van de elf participanten die huren onder voorwaarden inmiddels omgeklapt, 2 anderen zullen in de komende 2 maanden een huurcontract op eigen naam krijgen. Bij het omklapmoment overweegt elk van hen samen met de begeleidende partij en de corporatie in hoeverre hij/zij nog behoefte heeft aan ondersteuning. Voor een aantal cliënten (zowel MO als BW) voelt het omklapmoment ook als het juiste moment om begeleiding af te sluiten. Wel spreken zij uit dat dit een kwestie van maatwerk is en het fijn is de mogelijkheid te hebben om begeleiding nog een tijdje te laten doorlopen. De helft van onze omgeklapte participanten (beide met een BW-verleden) spreekt bij omklap de wens uit om begeleiding nog een half jaar of jaar te verlengen. Soms in gesprek met de zorgverlener, soms op eigen initiatief.

Zo vertelt Saskia die recentelijk haar huurcontract op eigen naam kreeg na een BW-traject: Ik heb er zelf om gevraagd, feitelijk heb ik het niet nodig [....] Ik hoef de begeleiding

24

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

niet meer te hebben maar ik vind het voor mij nog wel even prettig nu het echt allemaal op mijn naam staat. Ik vind het wel even prettig om nog even iemand te hebben de komende tijd om over mijn schouder mee te kijken gewoon. Ik ben natuurlijk lange tijd verslaafd geweest, ik ben toch altijd nog bang dat het terugkomt en dan vind ik het wel fijn als er nog wat mensen om me heen zijn. Meerdere participanten geven aan het fijn te vinden deze mogelijkheid te hebben. De twee MO-participanten voor wie de begeleiding (naar eigen wens) wel stopte na het omklapmoment geven beide aan de mogelijkheid te hebben om bij vragen oud ambulante begeleiders te kunnen benaderen. Met name in wijken waar RIBW K/AM verschillende mensen begeleidt, zien zij de mogelijkheid om even langs te komen om te vragen hoe het gaat. Dit wordt zeer op prijs gesteld door de participanten. Zo vertelt Ryan, die twee jaar geleden uitstroomde uit de maatschappelijke opvang en sinds april een woning op eigen naam heeft: Er worden heel veel mensen hier in de buurt geplaatst, ook in de groep waar ik toen mee zat [...] als ze af en toe in de buurt zijn komen ze gewoon even langs om te kijken [...] ik heb ze allebei op de app, en dat houden we ook zo. Dus we blijven af en toe nog contact houden om te kijken of het goed gaat.

Ook de andere participant geeft aan toezegging te hebben van haar oude begeleider om mee te gaan naar haar herkeuringsgesprek bij de ’sociale dienst’.

3.2 Participatie en integratie in de wijk Bekendheid met de wijkprofessional (Sociaal Wijkteam, Meerteam, Sociaal team en sociaal werkers in de wijk)11 Waar bij de meting van vorig jaar bleek dat de wijkprofessionals nog geringe bekendheid had, lijkt dat dit jaar te zijn toegenomen. Met name recent uitgestroomde cliënten geven aan contact te hebben gehad. Van de zeven personen die afgelopen jaar uitstroomden hebben er vijf kort na overgang een gesprek gehad met een lokale wijkprofessional over de mogelijkheden tot ondersteuning en ontmoeting in de wijk. Zo vertelt Ruud, die het afgelopen jaar vanuit de MO terug uitstroomde naar zijn gemeente van herkomst: Bij overgang naar de gemeente Hoofddorp heb ik het wijkteam kort ontmoet via Teams of Zoom. Het was kort maar krachtig. Er werd gevraagd of ik de buurt kende. Ik woon in de [onhoorbaar] buurt, ik ben hier getogen dus daar hoefde die jongeman me niet mee te helpen. En verder of er problematiek zou zijn, bij problemen kon ik hem bijvoorbeeld altijd bellen. Daar was het wijkteam eigenlijk voor. Opvallend is dat met name participanten die recentelijk uitstroomde uit de MO kennis hebben gemaakt met een wijkprofessional.

Bij uitstromers uit beschermd wonen lijkt dit nog niet of onvoldoende te worden gedaan: geen van de recent uitgestroomde BW-participanten heeft een gesprek gehad over de mogelijkheden tot ondersteuning en ontmoeting in de wijk. Mogelijk omdat voor hen BW-begeleiding in ieder geval tot het omklapmoment het eerste aanspreekpunt blijft. Wel wordt er door een aantal BW-cliënten daarom de wens uitgesproken om ook vóór uitstroom al meer te worden voorbereid op het vinden van aansluiting bij clubjes in de wijk, om zo de drempel te verlagen om er later zelfstandig naar toe te gaan. Waar sommige een groot netwerk en veel aanspraak hebben in de buurt, hebben anderen meer moeite met het vinden van aansluiting en het voeren van smalltalk met onbekenden. Daarom vertelt een participant:

11

Terwijl dit in Haarlem gaat om het Sociaal Wijkteam, spreekt men in de gemeente Haarlemmermeer van Meerteams en in de IJmond waar Heemskerk onderdeel uit van maakt van Sociale Teams. Heemstede werkt niet wijkgericht, omdat de schaalgrootte zich hier volgens de betreffende gemeente minder goed voor leent. In Heemstede spreekt men liever van de lokale professional (rapportage tweede meting).

25

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Geef mensen die uitstromen die bagage gewoon mee, van als er wat is dan kan je ook daar naartoe. [...] Er moet sowieso ongelooflijk veel meer aan voorlichting gedaan worden van wat kan je doen als je uitgestroomd bent [...] ga in de buurt kijken als je van biljarten houdt waar de dichtstbijzijnde biljartclub is, ik noem maar wat. Stimuleer dat, zodat je eigenlijk van tevoren al weet dat als je verhuisd bent wat je kan doen om jezelf ook een beetje bezig te houden. Het is voor mij een beetje lastig omdat ik die hobby's en een aantal activiteiten toch al had. Maar ik zie inderdaad dat mensen die uitstromen wel in een zwart gat komen, gewoon omdat ze niet weten waar ze naartoe moeten. Directer en tijdiger contact tussen BW-begeleiders en lokale wijkprofessionals zou kunnen helpen bij het vinden van activiteiten of ontmoetingsmogelijkheden in de buurt.

Vergroten van verbinding in het wijknetwerk voor een zachte landing van uitstromers MO/BW Ondanks grote bereidheid tot onderlinge samenwerking van wijkprofessionals kunnen personeelswisselingen en de hoeveelheid schotten efficiënte samenwerking in de weg staan. Het tijdig samenkomen, ook los van (veranderingen in) de indicatiestelling, kan helpen om voldoende op tijd duidelijk te hebben wat de hulpvraag zal zijn na uitstroom, om hiervoor een passende plek te vinden en het ondersteuningsnetwerk tijdig met elkaar in te richten. Bij het project ‘Thuis in Zuidoost’ in ‘s-Hertogenbosch 12 wordt gezien dat het (financieel) faciliteren van tijd voor ontmoeting tussen professionals in de wijk bijdraagt aan kortere lijnen en efficiëntere onderlinge samenwerking.

Veel participanten uit de MO/BW die één à twee jaar eerder uitstroomden hebben destijds de wijkprofessional niet leren kennen. Toch zijn een aantal van hen in het afgelopen jaar wel in contact geweest met een wijkprofessional of zijn ze op de hoogte van hun activiteiten. Met name in de kleinere gemeenten als Heemskerk en Velsen geven participanten aan via het lokale nieuws, flyers of door het brengen van een kleine attentie met de feestdagen (“een wijkprofessional kwam iets lekkers brengen met Pasen”) bekend te zijn met het ondersteuningsaanbod van de wijkprofessional. Ook wordt er soms binnen het netwerk van uitstromers onderling actief doorverwezen naar wijkprofessionals. Zo vertelt Henk, die zelf nu drie jaar zelfstandig woont na zeven jaar beschermd te hebben gewoond: Ik hoor wel eens dat mensen nog nooit hebben gehoord van het wijkteam en dat is zo ongelooflijk jammer want die mensen kunnen zo ongelooflijk veel voor je betekenen. [...] ik heb wat andere mensen die ook zelfstandig gingen wonen maar er wat meer moeite mee hadden als dat ik gehad heb ook doorgestuurd naar het wijkteam. Wat eigenlijk in het eerste jaar de begeleider bij mij deed dat deed het wijkteam voor hen. Kijken of het met je financiën goed gaat. Niet het beheer nemen maar kijken of het goed gaat, gewoon een stukje over de schouder meekijken.

En die derde die krijgt op dit moment nog hulp van het wijkteam maar die andere twee zijn er ongelooflijk tevreden over. Aansluiting in de wijk: ontmoetingsmogelijkheden, sociaal netwerk en eenzaamheid Een groot deel van onze MO- en BW-participanten stroomt uit binnen een reeds bekende omgeving. Velen van hen geven aan dit fijn te vinden en hierdoor de omgeving al (deels) te kennen. Ook geeft de helft van de participanten aan

12

Pilot Thuis in Zuidoost (TIZO), ‘s-Hertogenbosch: Thuis in Zuidoost - Verslagen - ZonMw

26

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

hierdoor ook al wat mensen te kennen in de omgeving en blijkt het een stuk makkelijker om zinvolle daginvulling te continueren na uitstroom. Daarnaast geeft het overgrote deel van de uitgestroomde participanten aan prettig contact te hebben met de (directe) buren. Een aantal bouwen zelfs goede vriendschappen op en gedurende de pandemie wordt er volgens veel participanten een beetje extra op elkaar gelet. Zo vertelt Anil die twee maanden terug uitstroomde naar een contingentwoning na BW-verblijf van vijf jaar: Ik heb goed contact met de buurvrouw die naast mij woont. Ik drink twee à drie keer per week een kop koffie met haar. Ze is heel aardig. Ze brengt af en toe een bloemetje of eten naar mij. De buurvrouw weet dat ik begeleiding heb en zij reageerde er goed op toen ik dit aan haar vertelde. Ook geeft een aantal participanten aan dat er rekening is gehouden met onderlinge sociale contacten uit de opvang bij het uitstromen naar een wijk. De gesproken participanten geven aan erg enthousiast te zijn over deze keuze en veel steun aan elkaar te hebben in de wijk: ze halen er toch wel de mensen tussenuit die echt bevriend zijn met elkaar, die proberen ze in de buurt bij elkaar te zetten. Ik kom zelf uit Haarlem-Noord en [naam vriend] ook, toen werden we in Schalkwijk geplaatst, daar ken je op dat moment nog niemand. Dus dat is goed, dat vind ik heel positief dat ze dat zo doen.

[...] Toen ik hier net woonde, een half jaartje, overleed de vader van [vriend]. Toen ging ik elke dag naar hem toe om hem te ondersteunen. En twee weken geleden was hij ziek, dan doe ik zijn boodschappen, andersom ook. Hoewel niet iedereen graag uitstroomt in de buurt van bekenden uit de MO of BW-voorziening, blijkt het voor een aantal mensen een fijne bron van contact om (in het begin) wat bekende gezichten in de buurt te hebben. Wat tevens opvalt is dat participanten regelmatig aangeven het fijn vinden om naar in eigen woorden “volksere buurten” (door ogen van beleidsmakers ook vaker bestempeld als kwetsbare buurten) zoals wijken in Schalkwijk en Haarlem Noord uit te stromen. Verschillende mensen geven aan hierdoor gemakkelijk aanspraak te hebben en zich geaccepteerd en “normaal” te voelen. Hoewel er regelmatig wordt gesproken over politiebezoeken in de wijk, lijkt er onderling veel acceptatie. Zo vertelt Mia, die afgelopen jaar uitstroomde uit de MO: ik zeg altijd: "mensen hun is achtergrond waarom ze het doen hè?" Het is geen smoes ervoor, maar soms hebben ze zoveel meegemaakt, dat ze gewoon niet weten wat ze ermee moeten. Zo zie ik het maar.

Zinvolle daginvulling: belang van structuur en ontmoeting ook in avonden en weekenden 90% van de participanten geeft aan een aanbod te hebben voor zinvolle daginvulling, vrijwilligerswerk (75%) of betaald werk (15%). De andere 10% geeft aan het rustig aan te doen in verband met intensieve behandelingen of opname, maar hoopt dit op een later moment weer op te pakken. Wel liggen veel dagbestedings- en vrijwilligersactiviteiten momenteel stil door COVID-19. Daarnaast zijn ook veel sport-, hobby- en ontmoetingsinitiatieven tijdelijk niet of minder toegankelijk. Verschillende participanten geven aan daarom momenteel minder om handen te hebben en een nieuwe dagstructuur te moeten vinden. Een aantal participanten merkt erg onrustig en ongeduldig te worden door de situatie. Het zoeken van alternatieve daginvullingen, ook in de avonden en weekenden, wordt van groot belang gevonden door participanten. Aanbod voor zinvolle daginvulling helpt bij de structuur en zorgt voor het aanhouden van dagelijkse/wekelijkse contacten. Het wegvallen van deze structuur zorgt dan ook bij sommigen voor terugval in oude patronen en eenzaamheid. Met name bij participanten met een klein netwerk en/of psychiatrische en verslavingsklachten kan dit zorgen voor kwetsbare situaties (zie ook kader van Freek onder 3.3. Vroegsignalering en opschaling zorg).

Toch blijkt de weerbaarheid van veel participanten groot en oriënteren verschillende participanten, al dan niet met begeleiding, zich op zinvolle activiteiten om te ondernemen in de tussentijd. Zo zijn er verschillende participanten die

27

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

zich hebben gemeld om honden uit te laten of boodschappen te doen voor anderen en zoeken een aantal naar dagbestedingsactiviteiten die bijvoorbeeld in de buitenlucht wel kunnen doorgaan.

3.3 Vroegsignalering en opschaling zorg Hoewel het veel van onze participanten tot op heden goed afgaat in hun zelfstandige woning in de wijk, gaat het soms ook minder goed. Op dergelijke momenten is het van groot belang dat dit tijdig gesignaleerd wordt en indien nodig de zorg kan worden opgeschaald. Participanten geven aan dat het niet altijd vanzelfsprekend is voor hen om aan de bel te trekken. Uit de verhalen van onze participanten komen verschillende aandachtspunten naar voren die kunnen worden gezien als voorwaarden voor cliënten om tijdig aan te geven als het minder goed gaat: Vertrouwensband met begeleider Naast continuïteit van begeleiding (en een mogelijk waakvlamcontact) wordt ook continuïteit van eenzelfde begeleider door sommigen als een belangrijke voorwaarde genoemd om tijdig te kunnen signaleren. Zoals eerder benoemd zorgt de grote wisseling van begeleiders bij sommige cliënten voor een verminderde vertrouwensband. Terwijl sommige participanten aangeven geen moeite te hebben om aan de bel te trekken, geven anderen aan dat de vertrouwensband hiervoor een cruciale voorwaarde is. Ook de huisarts/POH-GGZ worden door participanten benoemd als belangrijke laagdrempelige vertrouwenspersonen in tijden dat het minder gaat.

Leren om hulp te vragen Naast een vertrouwensband met begeleiding geeft een aantal participanten - met name met een MO-achtergrond - aan ook te hebben moeten leren om open te zijn over kwetsbaarheden en om hulp te vragen. Ze geven aan dat dit een leercurve is: uiteindelijk heb ik toch de sleutel gevonden in het praten over wat je dwars zit. Niet proberen zelf op te lossen. Natuurlijk, het blijft in me zitten om het eerst zelf te proberen op te lossen, maar dan om hulp vragen als het echt niet lukt doe ik nu steeds meer. Bereikbaarheid in avonden en weekenden Duidelijke afspraken over beschikbare contactpersonen/hulpverleners in weekenden en avonden zijn ook na uitstroom/omklap van groot belang. Zo blijkt ook uit onderzoek in andere regio’s. Het opstellen van een preventie-actieplan/ of crisiskaart en het regelmatig actualiseren van dergelijke plannen kan dit inzichtelijk maken voor cliënt en hulpverlener. Incidenten/onverwachte gebeurtenissen naasten Incidenten met familieleden/naasten kunnen een grote impact hebben op het welzijn van cliënten. Dit jaar werden dergelijke incidenten opvallend vaak aangehaald als risicofactor voor terugval: overlijden van een partner, opname van een broer zus of kind of dakloos raken van een ander familielid.

Aandacht voor gebeurtenissen in het sociale netwerk van de cliënt en de impact hiervan worden gewaardeerd, en vormen voor veel participanten een uitlaatklep. Het opschalen van

28

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

begeleidings-/behandelingscontact in dergelijke situaties werd als betrokken en prettig ervaren en werkte preventief om verdere escalatie te voorkomen. Veel van bovenstaande aandachtspunten zien we succesvol terugkomen in het voorbeeld van Freek, waar op een succesvolle wijze tijdig is opgeschaald om verdere escalatie/woning verlies te voorkomen.

Freek Nadat Freek een aantal jaar beschermd woonde in Hoofddorp, woont hij nu 2,5 jaar in een zelfstandige woning. Met vaste begeleiding van het RIBW K/AM wist hij tot voor kort dertien jaar clean te blijven en een gelukkig en stabiel leven te leiden. Recentelijk overleed zijn partner na een lang ziektebed. Door verdriet en rouw kreeg hij na dertien jaar een terugval in zijn verslaving. Door COVID-19 nam hij tijdelijk medicatie thuis in, in plaats van op het kantoor onder toezicht. Ook gaf hij aan door het wegvallen van zijn dagbesteding nog weinig sociale contacten te zien: ik voelde me ook hartstikke eenzaam. Ik zit hier ook al maanden thuis, in mijn eentje en kreeg bijna niemand op visite. Dat mag natuurlijk niet, dus je voelt je af en toe toch best wel eenzaam in dat huisje [...] Na de feestdagen is het misgegaan. Ik werd op een gegeven moment zo eenzaam en ik raakte psychisch helemaal van slag. Toen ging het mis. Gelukkig hebben ze gelijk actie ondernomen. Doordat hij wel regelmatig contact had met zijn RIBW K/AM-begeleider waarmee hij door de jaren heen een vertrouwelijke band heeft opgebouwd, kon de begeleiding snel worden opgeschaald. Vanaf dat moment is zowel zijn begeleider als de familie van zijn partner dagelijks langs geweest om te kijken hoe het met hem ging totdat hij opgenomen kon worden bij de Brijder-verslavingszorg.

Zijn budgetbeheerder zorgde voor het betalen van de huur en vaste lasten, waardoor hij zijn woning kon aanhouden. Zijn medicatie krijgt hij weer op het kantoor en zijn begeleiding komt wat vaker langs. Ook kijken ze samen naar tijdelijke andere werkzaamheden totdat zijn voormalige dagbesteding weer kan doorgaan. Tevens krijgt hij momenteel behandeling vanuit een rouwarts bij de Brijder, waarmee hij nu het overlijden van zijn partner probeert te verwerken. Momenteel staat Freek weer positief in het leven: Er is een muurtje van mensen om me heen gebouwd, zodat het niet zomaar weer mis kan gaan. Ik heb er ook helemaal geen behoefte meer aan, ik wil gewoon weer vooruitkijken, ik kijk uit naar het voorjaar.

29

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

4. Conclusie, discussie en aanbevelingen Wat is nodig in de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer voor de omslag naar zelfstandig en zo inclusief mogelijk wonen? De afgelopen jaren zijn er in de regio zowel op beleids- als uitvoerend niveau veel gremia ontwikkeld en afspraken gemaakt om verlaters van MO- en BW-voorzieningen een zachte landing en goede start in de wijk te geven. In de twee eerdere metingen van dit onderzoek is daar uitvoerig aandacht aan besteed. Dit jaar stellen we het perspectief van de eindgebruiker centraal en kijken we hoe zij het traject naar een eigen woning en landing in de wijk ervaren. Na de eerste twee metingen in 2018 en 2019 zijn dit jaar voor de derde meting tussen december 2020 en maart 2021 25 interviews afgenomen met cliënten met deze ervaringen. Op basis van de belangrijkste bevindingen zijn rondom de drie hoofdthema’s van de hoofdstukken vier aanbevelingen geformuleerd. omtrent: iedere cliënt een traject, zo zelfstandig en permanent mogelijke huisvesting biedt het beste uitgangspunt voor herstel, rekening houden met achterliggende problematiek en middelengebruik en als vierde, acceptatie en verdraagzaamheid in de kwetsbaardere wijk.

De inzichten vanuit het clientperspectief bieden aanknopingspunten voor het doorontwikkelen van het beleid rondom de ambulantisering en regionalisering van de maatschappelijke opvang en beschermd wonen in de regio. Wij doen daarom ook aanbevelingen, op basis van (ons) onderzoek in andere regio’s. 1.

Iedere client een traject

Conclusie. Zowel MO- als BW-cliënten stromen uit, vaak naar de plek van voorkeur/herkomst en ook wanneer dit niet in huurvoorwaarden staat, met (ook praktische) vervolgbegeleiding. Dat zijn mooie bevindingen. Beide groepen bemerken wel dat meer tijdigheid van een traject 13 (start bij instroom) en uitstroomplek de eigen zelfredzaamheid bevordert. Met name bij oudere participanten die lang in de grootschalige nachtopvang hebben verbleven speelt eenzaamheid en mogelijk de behoefte aan extra begeleiding bij de transitie naar de eigen woning. Aanbevelingen •

Tijdigheid van een traject is ook in lijn met het huidig Haarlems en landelijk streven maximaal drie maanden in de nacht- of noodopvang te verblijven

•

De transitie naar de eigen woning is ook wel beschreven als een ‘Critical Time’, waar specifieke interventies op kunnen worden ingezet 14.

Conclusie. Met name BW-participanten uiten de wens om voorafgaand aan uitstroom meer zicht te krijgen op initiatieven voor contact- en ontmoeting in de wijk, terwijl met name bij uitstromende BW-participanten de kennismaking met wijkprofessionals nog vaak onvoldoende of niet plaatsvindt. Aanbevelingen •

Door bij uitstroom vroegtijdig samenwerking te zoeken met wijkprofesssionals wordt zorg meer planbaar en tevens meer inzichtelijk voor de cliënt. Deze samenwerking kan ook positieve gevolgen hebben voor de op te

13 Door de gemeente is aangegeven dat tijdigheid van trajecten door extra instroom bij de aanvang van COVID-19 tijdelijk niet

realiseerbaar is geweest. 14 https://impuls-onderzoekscentrum.nl/wp-content/uploads/cti.pdf

30

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

bouwen expertise op ggz bij wijkprofessionals, en meer zicht op mogelijkheden lokaal, in de wijk vanuit gespecialiseerde aanbieders als BW. In ons onderzoek in de regio Den Bosch kwam naar voren dat samenwerking vanuit BW met wijkprofessionals

•

momenteel vaak pas plaatsvindt op het moment dat de indicatie afloopt of moet worden bijgesteld. Deze zorgpartijen gaven echter ook aan graag gedurende het zorgtraject een (aantal) keer samen te zitten met wijkprofessionals om te kijken welke doelen er worden gehaald en in beeld te krijgen wat de woon-zorg vraag zal zijn wanneer een indicatie afloopt. Financiële ruimte voor de verschillende partijen (met name Zvw-gefinancierd) voor consultatie, onderlinge

•

kennismaking en afstemming blijkt van groot belang om aansluiting tussen medisch en sociaal domein in de wijk te versterken en is ook belangrijk voor de overgang naar meer wijkgerichte ondersteuning. Dit helpt ook wanneer er afspraken moeten worden gemaakt over overdracht van (onderdelen van) behandeling naar begeleiding vanuit de Wmo.

Conclusie. Om tijdig zelf aan de bel te trekken als het niet goed gaat, wordt door cliënten ook de huisarts/POH-GGZ aangegeven als belangrijke laagdrempelige vertrouwenspersonen om tijdig te signaleren. Aanbevelingen Ook uit onze andere metingen blijkt dat de POH-GGZ een belangrijke partner kan zijn bij vroeg signalering, en

•

het is goed te weten of er inderdaad afspraken zijn over informatie uitwisseling. Voor meer innovatie op buurtniveau binnen de GGZ kan ook worden gekeken naar de website van het

•

Amsterdamse project ‘lekker in je vel’ waarin het doel is bewoners, patiënten en cliënten te verwijzen en begeleiden naar duurzaam gebruik van digitale ondersteuning voor eigen regie en zelfmanagement 15.

Conclusie: Cliënten blijken de mogelijkheid te hebben na het omklapmoment bij vragen oud ambulante begeleiders te kunnen benaderen. Met name in wijken waar RIBW K/AM verschillende mensen begeleidt, zien zij de mogelijkheid om even langs te komen om te vragen hoe het gaat. Dit wordt zeer op prijs gesteld door de participanten. Wij concluderen echter dat hoewel dit informele vangnet door eerdere begeleiders zeer op prijs wordt gesteld door onze participanten dit mogelijk kwetsbaar is. Aanbeveling: •

Uit eerdere metingen, ook in andere Nederlandse regio’s, blijkt dat een waakvlamcontact een cruciale factor kan zijn in het voorkomen van herhaalde dakloosheid. Het is daarom belangrijk afspraken over waakvlamcontact en financiering hiervan te formaliseren. Ook zou het moment nog vaker kunnen worden aangegrepen om ondersteuningsvragen te beleggen bij een wijkprofessional of langdurige betrokkenheid te vinden bij een vrijwilliger/ervaringsdeskundige.

•

Uit ons onderzoek naar herhaalde dakloosheid in Utrecht blijkt dat participanten overdracht naar een ander contactpersoon spannend vinden, maar uiteindelijk het merendeel deze overgang prima vindt. Uitzondering hierop vormen mensen met moeite om nieuwe mensen te vertrouwen of met een zorgmijdend karakter voor wie meer vraaggerichte ondersteuning niet laagdrempelig genoeg is. Voor hen zouden duidelijke afspraken

15 https://www.lekkerinjevel.amsterdam/

31

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

over laagdrempelig waakvlamcontact met een vertrouwde begeleider kunnen helpen om tijdig te signaleren wanneer het minder gaat, om zo herhaaldelijke dakloosheid of terugval te voorkomen. 2.

Zo zelfstandig en permanent mogelijke huisvesting biedt het beste uitgangspunt voor herstel

Conclusie: Stabiliteit in de huisvestingssituatie bevordert de kans op herstel. Dit blijkt uit ander onderzoek, en ook uit deze meting. Of dit nu gaat om uitstromende cliënten die een aanbod krijgen via ‘Housing First’, om MO-cliënten die de voorkeur geven aan kleinschaligere opvanglocaties met meer zelfstandigheid of BW-participanten die de WLZ-indicatie noemen als een aanleiding om niet meer te hoeven verhuizen. Het zo veel als mogelijk scheiden van wonen en zorg blijkt een belangrijke voorwaarde. Aanbeveling Voor de BW-cliënten met nu een WLZ-indicatie is het mogelijk interessant te onderzoeken welke

•

mogelijkheden er zijn om middels een eigen huurcontract zorgwoningen op eigen naam te zetten. Op deze wijze kan permanente huisvesting, naar Fins model, ook voor personen met een zwaardere zorgvraag in de nabijheid van zorg worden gerealiseerd. Wonen en zorg kan dan ook voor deze groep gescheiden worden/blijven.

Conclusie: Terwijl we zien dat het merendeel van de geïnterviewde participanten voorwaarden voor een contingent-, kanswoning of opstapregeling accepteert, valt ons op dat er in deze regio relatief veel extra standaard voorwaarden worden genoemd in de interviews: naast het accepteren van een begeleidingsovereenkomst en het voorkomen van overlast is het (indien nodig) accepteren van bewindvoering of budget coaching genoemd en ook het niet mogen laten inwonen van een derde gedurende de eerste 1 of 2 jaar. In de tweede meting, vorig jaar is ook het antecedentenonderzoek i.s.m. politie genoemd bij aanmelding voor ‘Housing First’. Aanbevelingen: In de discussie rond een landelijk validatietraject door het Trimbos-instituut voor de methodiek ‘Housing First’ 16

•

zijn dergelijke aanvullende voorwaarden bij de methodiek Housing First ook aan de orde. Door deelnemers aan dit traject is genoemd dat het hier om druk vanuit corporaties gaat. Op dit moment is er landelijk nog veel variatie in de methodiek ‘Housing First’, het lijkt goed om te kijken naar naleving van de modelgetrouwheid van de methodiek, daar hier de meeste effectiviteit van verwacht kan worden. Conclusie: In deze regio zien wij verschillende signalen over voorwaarden en regels vanuit zorgaanbieder en corporatie zorgen voor onwenselijke situaties waarin iemands woonsituatie op het spel komt te staan. Enerzijds zien wij dat de housing-first bewoner de idee heeft extra kansen te krijgen voordat deze wordt uitgezet, omdat het Housing First begeleiding is. Anderzijds lijkt het erop dat de woningcorporatie extra inzet lijkt te plegen op het in de gaten houden van een Housing First woning, waar bijvoorbeeld al eerder een Housing First bewoner minder succesvol heeft gehuurd. Aanbevelingen •

Het lijkt van belang dat ook de gemeente hier een rol in neemt. De gemeente zou kunnen inzetten op overeenkomsten waarbij zowel de rechtspositie van de huurder, als de risico’s voor de corporatie en zorgpartij gedekt worden. Gezamenlijk kan worden gekeken hoe de verschillende risico’s kunnen worden

16

https://housingfirstnederland.nl/wp-content/uploads/2021/01/DoejemeeHFNLonderzoek.pdf

32

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

gedekt in onderlinge procesafspraken en passende contracten. Hierbij is het van belang ook oplossingen paraat te hebben voor eventuele escalaties. In de regio Gooi en Vechtstreek is bijvoorbeeld een regionaal fonds opgesteld om financiële kosten in het geval van uitzettingen etc. te kunnen dekken. Dit kan helpen het draagvlak bij de verschillende partijen te vergroten. Ook is het een mogelijkheid in geval van ervaren overlast buren te laten melden bij het Housing First-

•

begeleidingsteam zodat zij dit kunnen bespreken met de desbetreffende client (en mogelijk andere bewoners van de portiek). Op deze manier kan veel direct worden afgehandeld (Evaluatie Discus Amsterdam, blz 84). Conclusie: Aan de andere kant bevinden zelfredzame daklozen zich nog vaak tussen wal en schip wanneer het gaat om het vinden van een woning in de regio. Dit maakt dat mensen om deze reden toch gebruik maken van de maatschappelijke opvang, met de mogelijke risico’s voor zelfredzaamheid. Voorwaarden voor contingent woningen zijn vaak niet passend waardoor zij zich genoodzaakt achten en bij gebrek aan alternatieven (en mogelijk door begeleiding geadviseerd worden) zich minder zelfredzaam opstellen om in aanmerking te komen. Preventieve ondersteuning bij de wijkprofessionals en de BCT bij het vinden van alternatieve huisvestings- en begeleidingsopties lijkt soms nog te ontbreken. Aanbeveling: •

Aansluiting van het aanbod van ‘onder de pannen’ bij de sociale wijkprofessionals zou hier goed bij passen.

3.

Rekening houden met achterliggende problematiek en middelengebruik

Conclusie: Het blijkt ook uit deze derde meting dat het in deze regio lastig is rekening te houden met middelengebruik. Terwijl enerzijds de gebruikersruimtes op de Wilhelminastraat voor veel onrust zorgen, blijkt anderzijds het perspectief op uitstroom en de snelheid van een traject voor personen met verslavingsproblematiek minder. Ook blijft het vinden van een doorstroomplek voor cliënten met complexe problematiek of een dubbeldiagnose in de regio lastig, en bleken door ons gesproken cliënten daarom te zijn aangewezen op een BW-plek buiten deze regio. Wij begrijpen uit interviews dat passend aanbod op (detox-)behandeling minder wordt in deze regio. Tenslotte blijkt uit ons onderzoek in deze en ook andere regio’s dat herhaalde dakloosheid vaak wordt veroorzaakt door een terugval in verslaving. Aanbeveling:

•

Blijf daarom als regio samen met de zorgverzekeraar onderzoeken of meer passend aanbod in deze zin mogelijk is voor de regio. Recent is in deze regio door een forensische werkgroep een analyse uitgevoerd voor de doelgroep met achterliggende problematiek (zoals GGZ, LVB en/of gedragsproblematiek) en de behoefte aan middelen vrije plekken en plekken waar gebruik (incidenteel) is toegestaan. Hieruit blijkt behoefte aan 45 plekken zonder middelengebruik, en 55 plekken met mogelijkheid tot (incidenteel) gebruik 17. Het nieuwe Spaarnevleugels biedt plekken voor de groep zonder middelengebruik 18. Uit ons onderzoek blijkt dat de behoefte aan voorzieningen voor personen waar (incidenteel) gebruik is toegestaan (‘harm reduction’) in deze regio blijft.

•

Gebruikersruimten golden eerder als een innovatief voorbeeld van ‘harm reduction’, het beperken van directe schade van drugsgebruik, doordat dit niet in meer de openbare ruimte gebeurde. Met het toenemen

17 Advies forensische woonvormen Kennemerland, Juli 2018 18

https://hvoquerido.nl/stadsdeel/hoofddorp/

33

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

van het aanbieden van (tijdelijke) huisvesting, ook aan personen met drugsgebruik, is de behoefte aan gebruikersruimten afgenomen. In de gemeente Amsterdam worden gebruikersruimten de laatste jaren daarom afgebouwd. 4. Acceptatie en verdraagzaamheid hoger in kwetsbaardere wijk Conclusie: In de tweede meting beschreven wij al dat in wijken waar meer kwetsbare burgers wonen de acceptatie voor uitstromende cliënten MO en BW hoger leek te liggen. Deze bevinding botste destijds al met het landelijke rapport van de vereniging van woningcorporaties Aedes, waarin een toename van kwetsbare mensen in de wijk in verband gebracht werd met overlast en het verlagen van de leefbaarheid (Leidelmeijer et al., 2020). In deze meting zien wij echter opnieuw een bevestiging van ons eerdere vermoeden. Terwijl een aantal participanten aangeeft het fijn te vinden te zijn uitgestroomd in de omgeving van eerdere medebewoners van MO of BW, geven verschillende participanten ook aan een voorkeur te hebben voor ‘volkswijken’ omdat ze daar makkelijk aanspraak hebben en er onderling veel acceptatie is. Dit lijkt normaliserend te werken.

Hoewel leefbaarheid en aandacht bij kwetsbaarheid in de wijk belangrijk blijven, laat het ook zien dat een groot deel van de uitstromers juist in meer kwetsbare wijken als Schalkwijk aansluiting vindt, zich meer geaccepteerd voelt en er ook onderling soms meer verdraagzaamheid is voor eventuele problematiek.

34

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Literatuurlijst ABF Research (2019) Lokale Monitor Wonen. Via: waarstaatjegemeente.nl. Advies forensische woonvormen Kennemerland, Juli 2018, door Fivoor, Exodus, RIBW K/AM, Leger des Heils, HVOQuerido, Reclassering Nederland en Fivoor Reclassering Bureau Berg (2018) Onderzoeksrapport MO Haarlem Centraal Bureau voor Statistiek (2019) Daklozen; persoonskenmerken. Via: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80799ned/table?dl=25055 Boeije, H. (2010) Analysis in Qualitative Research. London: Sage Press Centraal Bureau voor Statistiek (2019) Statline. Via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/ GGD (februari 2018) Jaarrapportage GGD Maatschappelijke Zorg 2017 Gemeente Haarlem (maart 2017) Woonvisie Haarlem 2017 - 2020: Doorbouwen aan een (t)huis! Gemeentes Haarlem, Zandvoort en ASZ (2016) Beleidsplan schulddienstverlening 2016 - 2019 Gemeente Haarlem (2018) Jaarrapportage uitvoering contingentregeling 2018, ontvangen 30-08- 2019. Gemeente Haarlem (2019) Afspraken ter voorkoming van (dreigende) uitzetting uit contingent woningen, ontvangen 30-08-2019 Gemeente Haarlem (2019) Informatienota Doordecentralisatie Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen 2019/109206, Besluit College d.d. 5 maart 2019. Gemeente Haarlem (2019) Uitvoeringsplan wonen met zorg, Gemeenteblad 29 april 2019.

Gemeente Haarlem en Pré Wonen (2019) Notitie, waarom de door-decentralisatie van beschermd wonen en opvang regionale samenwerking alleen maar belangrijker maakt, t.b.v. discussiedagen sociale huisvesting. Gemeente Haarlem (2020) Actieplan keten Maatschappelijke Opvang. Gemeente Haarlem (2020) Voortgangsrapportage en bijstelling Uitvoeringsprogramma Opvang, wonen en herstel. Gemeente Haarlemmermeer (juni 2017) Visie Wonen met Zorg 2030 Gemeente Haarlemmermeer (november 2017) Najaarsrapportage 2017 Gemeente Haarlemmermeer (mei 2018) Uitvoeringsplan Wonen met Zorg Gemeente Haarlemmermeer, Ymere, huurdersvereniging (december 2017) Prestatieafspraken 2018 Gemeente Haarlemmermeer, Ymere, huurdersvereniging (2018) Prestatieafspraken 2019 Gemeente Heemskerk (2015) Woonvisie 2020 Beverwijk en Heemskerk Gemeente Heemskerk (september 2018) Uitvoeringsprogramma Coalitieakkoord 2018 - 2022 Gemeente Heemstede (september 2014) Beleidsplan Sociaal Domein 2015 t/m 2018 Gemeente Heemstede (april 2018) Rapportage Sociaal Domein 2017 Gemeente Heemstede, Elan Wonen, Bewonersraad Elan Wonen, Pré Wonen, Bewonerskern Pré Zuid Kennemerland (2017) Prestatieafspraken 2018-2021

35

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Gemeente Heemstede (2017) Rapportage Sociaal Domein Heemstede, programma management sociaal domein september. Klaveren, v. S., Triest, v. N. Meijer, A. (2018). Weer thuis in de wijk, Platform 31. Leidelmeijer, K., Frissen, J. & Iersel, v. J. (2020). Veerkracht in het corporatiebezit. Aedes. Pré Wonen, Elan Wonen en Gemeente Haarlem (2019) Woningdelen voor reguliere en bijzondere woningzoekenden in Zuid- en Midden-Kennemerland, Velserbroek. Regio Zuid- Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer (2019) Opvang, wonen en herstel, Procesplan doordecentralisatie BW MO 2018-2021. Regio Zuid- Kennemerland en IJmond (2020) Pact voor uitstroom, Een gezamenlijke aanpak om verlaters van instellingen een passende woning en een goede start te geven in Zuid-Kennemerland en IJmond. Regio Zuid- Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer (2019) Stand van zaken veranderingen maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Informatie aan de raad doordecentralisatie. Regio IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer (december 2020) Handboek Maatschappelijke Opvang Regio Midden- en Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer (februari 2014) Regionaal Kompas 2015 - 2020, incl.

evaluatie kompas 2008 - 2014 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond (juli 2016) Geeft Thuis: Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 / 2020 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer (juni 2016) Beleidskader MO BW Vrouwenopvang 2017 2020 73 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer (maart 2017) Uitvoeringsprogramma Opvang, Wonen en Herstel RIBW KAM (2016) Bestuursverslag 2016 Trimbos Instituut (2013) Monitor Stedelijk Kompas

36

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Samenstelling onderzoeksteam

37

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

Bijlage 1. Samenvatting Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer Rapportage 2019 De Universiteit van Amsterdam volgt langlopend ambulantisering en regionalisering van Maatschappelijke Opvang (MO) en Beschermd Wonen (BW). Uit de tweede meting bleek dat in deze regio tussen 2018 en 2019 de aandacht is verschoven van visievorming naar een praktische vertaalslag: extra investeringen in regionaal overleg, samen met woon- en zorgpartners. In interviews ging het ook vaker over regionale samenwerking. De resultaten en aanbevelingen zijn in deze factsheet samengevat. De sociale basis: belangrijke rol bij ambulantisering ●

Cliënten ervaren het opbouwen van nieuwe contacten in de wijk zowel als waardevol en behulpzaam, als ook spannend en een lastige stap (o.a. schaamte en stigma). Zij geven ook aan veel steun te ontvangen van (oud)medebewoners van een voorziening.

●

Ambulante begeleiding bij de transitie vanuit een voorziening heeft ook een rol bij het opbouwen van nieuwe contacten. Bij uitgestroomde cliënten is de sociale wijkprofessional (bijv. vanuit wijkteam) ook in 2019 nog relatief onbekend.

●

Zorgaanbieders zien dat bij het stimuleren van de integratie in de buurt, acceptatie van buurtbewoners sterk verschilt tussen buurten. In wijken waar meer kwetsbare burgers wonen lijkt de acceptatie hoger te liggen.

●

Cliënten geven aan dat continuïteit van ondersteuning bijdraagt bij aan herstel en opbouw van een informeel netwerk.

●

Zorgaanbieders menen dat de rol van informele en formele componenten van de sociale basis bij herstel van cliënten mogelijk overschat wordt in de huidige beleidsplannen.

Ondersteuning bij uitstroom ● Cliënten benadrukken wederom dat voorbereiding op uitstroom, voldoende begeleiding, heldere afspraken en aansluiting op individuele behoeften belangrijk zijn voor succesvolle uitstroom. ● Werk en dagbesteding verloopt vanuit het cliëntenperspectief in 2019 positief, en draagt bij aan positieve uitstroom. ● Verschillende niet-gemeentelijke partijen uiten zorgen over de samenwerking binnen het veld, en benoemen dat de gemeente hier meer regie zou kunnen nemen. ● Aanbeveling: Gezamenlijke afstemming in inkoop met de preferente zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) in de regio, o.a. t.b.v. de inzet van FACT, Verslavings-FACT en bemoeizorg. ● Aanbeveling: Het in 2018 geïntroduceerde arrangementen model biedt voor- en nadelen. Op basis van casuïstiek en voorbeelden uit andere regio’s kan hierover verder in gesprek worden gegaan. Plaats voor bijzondere doelgroepen ●

Een aantal BW-cliënten geven aan meer vertrouwen te hebben in de begeleiding in de woonvoorziening, dan in begeleiding tijdens en na uitstroom. Cliënten uit de MO geven aan dat zij bij complexe, dubbele diagnose problematiek de kansen op succesvolle uitstroom zonder terugval kleiner achten.

●

Niet-gemeentelijke stakeholders bevestigen dat er nog onvoldoende een omslag naar ambulante woonbegeleiding is gemaakt. Daarnaast is er -zowel ambulant als klinisch- nog niet voldoende aanbod voor cliënten met een

38

Rapportage 2020-2021 Regio Zuid-Kennemerland, IJmond en de Haarlemmermeer

Universiteit van Amsterdam

dubbele diagnose (e.g. forensisch en specialistische verslavingszorg). Er wordt aangegeven dat daarom een deel niet (succesvol) uitstroomt en verblijft in minder passende tijdelijke voorzieningen. ●

Gemeentelijke participanten onderkennen de urgentie van het introduceren van alternatieve woonconcepten, zoals Skaeve Huse en Domus(Plus). De realisatie blijkt echter, o.a. vanwege weerstand uit de buurt, lastig.

●

Aanbeveling: verkennen van een informatietraject i.p.v. een inspraaktraject, waardoor buurtbewoners worden uitgenodigd zitting te nemen in een begeleidingscommissie en zo kennis te maken met nieuw bewoners en hun achtergrond. In Velsen is zo recent Skaeve Huse gerealiseerd.

Rol van woningcorporatie en wijk ●

Cliënten zouden graag zien dat, om huisuitzettingen te voorkomen, een opeenstapeling van problemen eerder wordt opgepakt en dat de juiste hulp zich meer zichtbaar opstelt in de wijk.

●

Dankzij aanvullende afspraken trekken ketenpartners bij dreigende ontruimingen steeds meer met elkaar op. Het voorkomen van huisuitzettingen middels vroegsignalering en bemoeizorg lijkt met name in de regiogemeenten succesvol te zijn.

●

Woningcorporaties geven aan dat toch uitgezette huurders niet altijd de benodigde hulp krijgen, zij zouden vanuit de sociale wijkprofessional begeleid en gemonitord moeten worden.

●

Woningcorporaties signaleren ook een toename in overlast: er worden meer meldingen gedaan en de meldingen zijn complexer om op te lossen. Mogelijke oplossing is het toevoegen van extra componenten aan specialistische verslavings- FACT teams (zoals advies zonder behandeling) en andere meer passende ambulante ondersteuning.

●

Ook kan gedacht worden aan het bevorderen van de uitstroom in wijken waar al meer draagkracht aanwezig is. Partners in deze regio zijn in deze duidelijk zoekende. Het is van belang dat ook gemeenten met een kleine sociale woningvoorraad bijdragen door bij te bouwen. Ook verdient de individuele match tussen de uitstromer en woonplek veel aandacht.

●

Landelijke bestaat er steeds meer druk vanuit corporaties om aanvullende instrumenten in te zetten bij ambulantisering. Deze trend en het in deze regio in gezamenlijkheid door partijen opgeworpen antecedentenonderzoek bij uitstroom Housing First zijn echter strijdig met de rechtspositie van de uitstromende cliënt als huurder.

●

Een ‘best practice’ uit deze regio is dat regionale samenwerking het mogelijk maakt dat huurders na uitzetting bij een andere coöperatie in de regio een tweede kans krijgen.

●

Meer betaalbare woningbouw in deze regio lijkt nodig, en het gebrek hieraan vormt een reële barrière voor ambulantisering.

●

Aanbeveling: De wachttijd op een woning bij uitstroom kan aanzienlijk verkort worden wanneer woningcorporaties en zorgaanbieders vraag en aanbod matchen

Samenwerken in de regio ●

Decentralisatie van BW biedt ook ruimte voor gemeenten om andere ideeën te ontwikkelen dan deze zoals verwoord in het huidige beleidskader voor de regio (2017-2020). Deze eerder door gemeentelijke participanten benoemde ‘onduidelijkheid’ wordt gaandeweg meer duidelijker nu regiogemeenten daadwerkelijk taken overnemen in de lokale omgeving.

●

Dit kan onder andere worden gezien in de toepassing van de kostendelersnorm waarvan de praktijk lokaal verschilt. Waar deze wordt toegepast kunnen dakloos geworden personen minder makkelijk aanspraak maken op het eigen netwerk

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12268296/2