20210375480 2. Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Relatie tot ontwikkeling Archeologie In opdracht van Stichting Elan Wonen heeft RAAP in april 2018 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied (fase 1 en 2) aan de J.J. Hamelinkstraat in Haarlem, gemeente Haarlem. De samenvatting van dit onderzoek wordt hieronder integraal weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen om op deze locatie de bestaande bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren. Het onderzoek is nodig in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning, aangezien naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten bij toekomstige graafwerkzaamheden in het gebied zullen worden verstoord. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is derhalve verplicht conform het vigerend gemeentelijk beleid. Zoals op basis van het bureauonderzoek reeds verwacht werd, bestaat de opbouw van het plangebied uit een opeenvolging van opgebracht zand op een bouwvoor op Hollandveen. Het Hollandveen is gevormd op strandwalzand, dat is afgezet in een actief kustmilieu en dat in een enkel geval is afgedekt door een dunne laag getijdenafzettingen. De graafwerkzaamheden reiken tot 1,5 m –Mv (ca. 1,0 m –NAP).
Het enige niveau dat binnen deze bodemingrepen valt, is het recent opgebrachte pakket. Door de graafwerkzaamheden zullen dus geen archeologische resten bedreigd worden. Daarnaast zal de nieuwbouw onderheid worden. Aangezien in het plangebied geen strandwal is aangetroffen en het Hollandveen niet bewoonbaar is geweest zal hierbij geen archeologisch niveau worden verstoord. De kans dat er door de geplande werkzaamheden archeologische resten worden verstoord wordt op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen zeer klein geacht.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 26
Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Cultuurhistorie De projectlocatie is niet gelegen binnen beschermd stadsgezicht en is tevens niet aangewezen als een monument.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 27
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Wonen’ ,’Tuin’ en ‘Verkeer’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Gemengd’, ‘Kantoor’ en ‘Detailhandel’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van gemengd gebied, waardoor de richtafstand met één categorie naar beneden mag worden gebracht. Doordat onderhavig project de vervangende nieuwbouw van woningen betreft kan gesteld worden dat er geen sprake is van (extra) beperking in de milieugebruiksruimte van omliggende bedrijven. Daarnaast passen een supermarkt (SBI 2008: 4722, 4723) en een kantoorgebouw (SBI 2008: 941, 942) goed binnen een gemengd gebied. De milieucategorie van beide functies bedraagt 1, waardoor in een gemengd gebied een richtafstand van 0 meter gehanteerd dient te worden.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling In het Bodembeleidskader Haarlem (Gemeente Haarlem, Stadszaken, afdeling Milieu, bureau Bodem, 14 augustus 2014) wordt aangegeven dat bij het opstellen en wijzigen van ruimtelijke plannen een bodemparagraaf moet worden opgenomen die gegevens bevat over bodemopbouw, bodemkwaliteit, bodemen grondwaterbeschermingsgebieden, archeologie en ontgrondingen. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau APS Milieu. De rapportage d.d. mei 2019 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Historisch bodemonderzoek mei 2019, APS Milieu Bodemopbouw De bodem op de locatie bestaat tot 2 à 2,5 m-mv uit zand; plaatselijk wordt vanaf 2 m-mv veen aangetroffen. Bodemkwaliteit Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van (historische) verdachte activiteiten. Op basis van de bodemkwaliteitskaart en in 2007 uitgevoerd bodemonderzoek ter plaatse van een gedeelte van de locatie worden, veelal lichte, verontreinigingen met PAK, PCB, minerale olie en/of zware metalen verwacht.
Gezien het bouwjaar van de huidige bebouwing (1955) en de aanwezigheid van antropogene bijmengingen kan de locatie als ‘asbestverdacht’ worden aangemerkt. Ten behoeve van sloop/nieuwbouw en grondverzet wordt een verkennend bodemonderzoeken conform de NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 28
Bodem- en grondwaterbeschermingsgebieden Het plangebied ligt niet in een bodem- en/of grondwaterbeschermingsgebied. Archeologie Het plangebied betreft geen terrein van archeologische waarde en/of een archeologisch monument. Ontgrondingen Hiervan is in de gemeente Haarlem geen sprake. Ten behoeve van de sloop/nieuwbouw is tevens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, gecombineerd met een onderzoek naar asbest in grond. Ook deze onderzoeken zijn door APS Milieu uitgevoerd. De rapportage van d.d. juni 2019 is terug te vinden in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Verkennend bodemonderzoek juni 2019, APS Milieu Het verkennend bodemonderzoek behelst de gehele J.J. Hamelinkstraat, waarbij APS Milieu een tweedeling heeft aangebracht: ten noorden van de J.J. Hamelinkstraat en ten zuiden van de J.J. Hamelinkstraat. Het plangebied bevindt zich voornamelijk ten noorden van de J.J. Hamelinkstraat, maar ook voor een klein gedeelte ten zuiden, namelijk een deel van het ‘middeldeel-west’ en ‘middeldeel-oost’. Ten noorden van de J.J. Hamelinkstraat De bovengrond ter plaatse van het trottoir (MM01, traject 0,05-0,55 m-mv) waarin bijmengingen in de vorm van baksteen zijn aangetroffen, is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.
De bovengrond achter en naast de bebouwing, nummers 103-131, (MM02, traject 0-0,55 m-mv), waarin bijmengingen in de vorm van baksteen, beton en metselpuin zijn aangetroffen, is licht verontreinigd met lood en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘wonen’.
De bovengrond achter de bebouwing nummers 47-101 (MM03, traject 0-0,55 m-mv) waarin bijmengingen in de vorm van baksteen, metselpuin en grind zijn aangetroffen, is licht verontreinigd met PCB, minerale olie, kobalt, zink, lood en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘niet toepasbaar’.
De ondergrond van het oostelijk deel (MM04, traject 0,5-1,3 m-mv) is licht verontreinigd met PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.
De ondergrond van het westelijk deel (MM05, traject 0,55-1,5 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’
Het grondwater uit peilbuis 07 is licht verontreinigd met barium.
Ten zuiden van de J.J. Hamelinkstraat De bovengrond van het middendeel-oost (MM07, traject 0-0,5 m-mv) waarin bijmengingen in de vorm van baksteen en metselpuin zijn aangetroffen, is licht verontreinigd met kwik en lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.
De ondergrond van het middendeel-oost (MM08, traject 0,5-1,6 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 29
De bovengrond van het middendeel-west (MM09, traject 0-0,5 m-mv) waarin bijmengingen in de vorm van baksteen en aardewerk zijn aangetroffen, is licht verontreinigd met PCB, kwik, lood en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘wonen’.
De ondergrond van het westelijk middendeel-west (MM11, traject 0,5-1,5 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.
Het grondwater uit peilbuis 31 is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Asbest Er is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de opgeboorde grond aangetroffen. In de veldmengmonsters VMMA t/m VMMF (deellocaties ten noorden en ten zuiden van de J.J. Hamelinkstraat, trajecten circa 0-0,5 m-mv) is asbest niet detecteerbaar. Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de grond en het grondwater plaatselijk enkele lichte verontreinigingen bevatten. Asbest is visueel en analytisch niet aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat er milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn voor sloop en nieuwbouw. In 2020 is het plangebied gewijzigd. De riolering dient op enkele plaatsen verlegd te worden, waardoor de bodem geroerd zal worden buiten het onderzoeksgebied van de voorgaande onderzoeken uit 2019. In dit kader is door APS Milieu een aanvullend bodemonderzoek inclusief een asfaltonderzoek uitgevoerd. De rapportage van d.d. september 2020 is terug te vinden in de bijlagen. Aanvullend bodemonderzoek inclusief asfaltonderzoek september 2020, APS Milieu Grond De onderzochte grond ter plaatse van de J.J. Hamelinkstraat, nabij Schipholweg 5 en onder het asfalt (trajecten tussen 0,05 en 1,05 m-mv) is niet verontreinigd of bevat enkele lichte verontreinigingen; Wat betreft hergebruik wordt de onderzochte grond ter plaatse van de J.J.
Hamelinkstraat en nabij Schipholweg 5 indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’; De grond onder het asfalt wordt wat betreft hergebruik indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. Wat betreft PFAS is de grond (0,1-0,6 m-mv, meest verdachte laag) niet verontreinigd en toepasbaar (landbouw/natuur, wonen en industrie). Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Milieuhygiënisch zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen (riolerings-)werkzaamheden. Asfalt
Het asfalt ter plaatse van westelijk deel van de strook asfalt is teervrij (<75 mg/kg PAK). Onder het asfalt van het westelijk deel van de strook asfalt is een funderingslaag aanwezig van repac met een dikte van 0,23 tot 0,44 m; Het asfalt ter plaatse van het oostelijk deel van de strook asfalt bevat teerhoudende lagen (A01A en A02A) of is geheel teerhoudend (A01). Onder het asfalt van het oostelijk deel is geen funderingsmateriaal, anders dan zand met bijmengingen in de vorm van baksteen, aanwezig; Het vrijkomende teerhoudende asfalt dient als chemisch afval afgevoerd te worden naar een erkende inzamelaar/verwerker; Het vrijkomende teervrije asfalt kan afgegeven worden aan een erkende inzamelaar/verwerker of worden hergebruikt onder de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 30
DUURZAAMHEID Algemeen Doelstelling is Haarlem Klimaat neutraal in 2030. Duurzame ontwikkeling is één van de speerpunten van gemeentelijk beleid. De praktijkrichtlijn Duurzame Stedenbouw geeft de uitwerking aan de uitgangspunten van het milieuprogramma. Het instrument GPR gebouw wordt toegepast in Haarlem. GPR meet duurzaamheid op vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. In de materiaalkeuze voor de nieuwbouwwoningen wordt veel bereikt worden door te kiezen voor duurzame materialen. Mogelijkheden zijn het toepassen van hout met het FSC-keurmerk, maar ook materialen welke goed recyclebaar zijn (cradle to cradle) of in het onderhoud een lage milieubelasting hebben. Hierbij kan gedacht worden aan kunststof geveldelen van gerecycled kunststof.
Relatie tot ontwikkeling De 26 grondgebonden woningen krijgen geen gasaansluiting (all-electric). Ook door de gasloze woningen wordt een bijdrage geleverd aan de gemeentelijke duurzaamheidsambitie. Er wordt gewerkt met een collectief systeem. Daarnaast worden de woningen voorzien van zonnepanelen. De voorgenomen ontwikkeling sluit hiermee aan op de doelstelling Haarlem Klimaat neutraal in 2030. Om energie op te wekken wordt een WKO installatie geplaatst. Deze wordt, conform het gemeentelijk beleid, inpandig opgelost in blok 8. Daarnaast is er een bomenbalans opgemaakt, waarbij de herplantplicht van belang is. In het gehele gebied Slachthuisbuurt Zuidstrook blok 6 t/m 8 e.o. worden 44 nieuwe bomen teruggeplaatst. Ook worden er op het binnenterrein waterdoorlatende tegels in de parkeervakken aangelegd. Daarnaast worden er wadi’s aangelegd binnen het plangebied, zodat de waterberging verbeterd wordt. Bloemrijk gras, vaste planten en bomen worden rondom de wadi’s aangebracht. Deze aanbrenging van groen wordt doorgezet in de invulling van geveltuinen en plantenbakken, maar ook in de vorm van boomperken. Door de toevoeging van waterbergende functies en veel groen word het plangebied dan ook een klimaatadaptief gebied.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Haarlem.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 31
Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt binnen een risicocontour van een in de nabijheid gelegen inrichting en/of transportroute. Het voorgenomen initiatief zelf is geen risicovolle activiteit. Bij het opstellen van het vigerende bestemmingsplan “Slachthuisbuurt Zuidstrook” is door AVIV Adviseurs externe veiligheid en risicoanalyses reeds een onderzoek uitgevoerd naar het plaatsgebonden- en het groepsrisico, omdat destijds sprake was van een sterke verdichting van het plangebied (d.d. 11 december 2009, project 091647). Omdat de voorgenomen ontwikkeling geen woningen toevoegt, maar enkel de woningen vanuit stedenbouwkundig oogpunt herpositioneerd, wordt aangesloten bij de conclusies van het onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het vigerende bestemmingsplan. De conclusies van dit onderzoek luidden als volgt:
De aanwezige aardgasleiding en het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (Prins Bernhardlaan en Schipholweg) leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Er treden hierdoor geen ruimtelijke beperkingen op. Het groepsrisico als gevolg van de aardgastransportleiding neemt in de nieuwe situatie nauwelijks toe en blijft zodanig klein in relatie tot de oriëntatiewaarde, dat dit acceptabel geacht kan worden. Het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de Schipholweg neemt in beperkte mate toe, maar blijft ook onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde.
In de huidige situatie – ten tijde van het uitgevoerde onderzoek – is sprake van beneden- en bovenwoningen en dus twee huishoudens per gehele woning. De vervangende nieuwbouw voorziet enkel in de realisatie van grondgebonden woningen, waardoor het aantal huishoudens op de locatie afneemt. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en de aardgastransportleiding niet toeneemt. Ditzelfde geldt voor het plaatsgebonden risico.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 32
Figuur 11. Uitsnede risicokaart, plangebied groen omlijnd (bron: www.nederland.risicokaart.nl).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 33
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit vervangende nieuwbouw en behelst daardoor een gevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Zowel de huidige als de toekomstige woningen zijn gelegen aan de J.J. Hamelinkstraat. De J.J. Hamelinkstraat is een 30 km/u weg. De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen die liggen aan 30 km/u wegen, omdat voor die wegen geen zones gelden. Deze wegen veroorzaken meestal geen geluidsbelastingen boven de voorkeurswaarde. Desondanks is wel een akoestische afweging nodig in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn de woningen binnen de invloedzone van de wegen Schipholweg, Schalkwijkerstraat, Merovingenstraat, Prins Bernhardlaan, Europaweg en Amerikaweg gelegen. In het geldende bestemmingsplan “Slachthuisbuurt Zuidstrook” is door Tauw een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de woningen op de projectlocatie aangemerkt als bouwblok 4 en 5. De geluidsbelasting ter plaatse van deze woningen is weergegeven in onderstaande afbeelding: Tabel 2. Geluidsbelasting onderzoek Tauw. Bron: geldend bestemmingssplan ‘Slachthuisbuurt Zuidstrook’.
Onderzoek Tauw Bouwblok 4 ondervindt alleen een relevante geluidsbelasting (hoger dan de voorkeursgrenswaarde) ten gevolge van de Schipholweg. De geluidsbelasting ten gevolge van de Schipholweg bedraagt op de westgevel maximaal 52 dB. De geluidsbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Voor de Schipholweg dient ontheffing te worden aangevraagd. Het bouwblok heeft drie gevels die geluidsluw zijn. Bouwblok 5 ondervindt alleen een relevante geluidsbelasting (hoger dan de voorkeursgrenswaarde) ten gevolge van de Schipholweg. De geluidsbelasting ten gevolge van de Schipholweg bedraagt op de zuidgevel maximaal 49 dB. De geluidsbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Voor de Schipholweg dient ontheffing te worden aangevraagd. Het bouwblok heeft drie gevels die geluidsluw zijn. De te realiseren woningen worden daarnaast afgeschermd door de nieuw te realiseren hoge gesloten bouwblokken langs de Schipholweg, waardoor er vanuit het aspect geluid geen belemmering is voor de realisatie van de woningen op deze positie. Daarbij dient opgemerkt te worden dat woningbouw op deze locatie reeds aanwezig is en dat het slechts gaat om een afwijking in de verkavelingstructuur.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 34
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 26 grondgebonden vervangende nieuwbouwwoningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.10) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 12. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 24 november 2020).
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 35
daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 23 november 2020). Tabel 3. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl). Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 15675954 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
22,6
19,9
11,4
2030
13,4
17,5
9,3
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 36
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van deze ontwikkeling is door Groenadvies Amsterdam bv uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten voor het gehele projectgebied (fase 1 en 2). Uit de quickscan bleek dat nader onderzoek nodig was naar het voorkomen van vleermuizen, huismussen, spreeuwen en gierzwaluwen in het projectgebied. Dit onderzoek is in de periode april tot en met september 2018 uitgevoerd. Het nader onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen en de resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Huismus
In het projectgebied broeden minimaal elf paartjes huismussen. Deze zijn voor het broeden gebonden aan de eengezinswoningen. Hun leefgebied is echter een stuk groter. Ze maken intensief gebruik van de tuinen tussen de J.J. Hamelinkstraat en de Gouwstraat en van de groene ruimte tussen de woningen en de flats. Met name de heestervakken zijn daar van belang als schuilgelegenheid en als plek om een zandbad te nemen. Het gebied is duidelijk van belang voor deze soort. Het is daarom noodzakelijk om tijdig mitigerende en compenserende maatregelen te treffen. Zowel sloop als renovatie leiden namelijk tot het verloren gaan van nestellocaties. Tevens kan de kwaliteit van het leefgebied achteruitgaan als het groen rond de bebouwing verdwijnt. Het is vanwege de aanwezigheid van deze nesten noodzakelijk een ontheffing of verklaring van geen bezwaar aan te vragen voordat gestart kan worden met de geplande werkzaamheden.
Gierzwaluw
Er broeden in de te slopen/verbouwen flats en woningen géén gierzwaluwen.
Vleermuizen
Rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn beide éénmaal waargenomen. Deze hebben geen verblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. De gewone dwergvleermuis heeft meerdere verblijfplaatsen in het gebied. Het betreft meerdere (4 à 7) paarverblijfplaatsen met elk slechts kleine aantallen dieren (hoogstwaarschijnlijk telkens één exemplaar). Er zijn geen kraamkolonies of zomer- en winterverblijven aangetoond. De dieren die gebruik maken van de paarverblijven verblijven waarschijnlijk in de nok op de kopse gevels van de desbetreffende woningenblokken en flats. Gezien de nu voorliggende plannen van sloop en nieuwbouw, gaan al deze verblijfplaatsen verloren. Hiervoor is het noodzakelijk tijdig mitigerende en compenserende maatregelen te treffen en daarvoor een ontheffing aan te vragen.
Ontheffing Als gevolg van de resultaten van de ecologische quickscan is op 26 maart 2019 een aanvraag voor een ontheffing ingediend bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN). De volgende ontheffingen op verbodsbepalingen voor werkzaamheden zijn aangevraagd en door de OD NHN goedgekeurd:
Artikel 3.1 lid 2 van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en rustplaatsen van de huismus;
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 37
Artikel 3.5 lid 2 van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van exemplaren van de gewone dwergvleermuis; Artikel 3.5 lid 4 van de Wnb, voor zover het betreft het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van exemplaren van de gewone dwergvleermuis.
De verlening van deze ontheffing gaat gepaard met de benodigde voorschriften die door initiatiefnemer zullen worden gewaarborgd. De ontheffing geldt tot en met 30 juni 2024. Geen ontheffing is verleend voor de verbodsbepaling: Artikel 3.1 lid 4 van de Wnb, voor zover het betreft het opzettelijk verstoren van exemplaren van de huismus. De OD NHN acht de verstoring niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de huismus (Artikel 3.1 lid 5), waardoor. Het verbod uit artikel 3.1 lid 4 wordt met de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet door initiatiefnemer overtreden, waardoor een ontheffing niet benodigd is. Gebiedsbescherming Het plangebied is op circa 2,6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Kennemerland-Zuid” gelegen. Nu de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit sloop van de bestaande woningen en de realisatie van vervangende nieuwbouw, waarbij het aantal woningen gelijk blijft is de verwachting dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op de aanwezige flora en fauna in het Natura 2000-gebied. Figuur 13. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied rood omcirkeld. Bron: Atlas Leefomgeving.
Door Cauberg Huygen is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om de effecten van de sloop-, aanlegen gebruiksfase in beeld te brengen. De rapportage van d.d. 30 maart 2020 is terug te vinden in de bijlagen. Uit de berekeningen blijkt dat in alle drie de fases geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 38
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto De gemeente Haarlem heeft op 17 mei 2018 het paraplubestemmingsplan “Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke “Beleidsregels Parkeernormen 2015 Haarlem”. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen. In opdracht van Stichting Elan Wonen heeft BonoTraffics bv op basis van het (stedenbouwkundige) ontwerp en het functionele programma voor het totaalplan (fase 1 en 2) voor woningbouw aan de J.J. Hamelinkstraat in Haarlem een parkeerbalans opgesteld betreffende bouwblok VIa, VII, VIII en grondgebonden woningen. De samenvatting van dit onderzoek voor wat betreft de grondgebonden woningen (fase 1) wordt hieronder integraal weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. Onderzoek Bono Traffics Binnen het totaalplan is zowel in de bouwblokken als in de openbare ruimte parkeervoorziening gepland.
Voor de grondgebonden woningen is het uitgangspunt dat de bewoners in de bouwblokken parkeren en de bezoekers in de openbare ruimte. In de nota parkeernormen wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden zoals centrum, schil en rest bebouwde kom. Het projectgebied valt in dit kader binnen het schilgebied. In onderstaande tabel is de parkeernorm aangegeven. Tabel 4. Parkeernorm ‘woning duur’ en ‘woning middelduur’. Bron: BonoTraffics bv.
Dubbelgebruik van parkeerplaatsen is berekend aan de hand van de aanwezigheidspercentages uit de CROW-publicatie 381.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 39
Tabel 5. Aanwezigheidspercentages grondgebonden woningen. Bron: CROW-publicatie 381 en BonoTraffics bv.
Aan de hand van de aanwezigheidspercentages, het aantal wooneenheden en de geldende gemeentelijke parkeernormen heeft BonoTraffics bv per woonblok de parkeervraag op de verschillende momenten berekend. De werkdagavond, nacht en zaterdagavond zijn de maatgevende perioden. In de onderstaande tabel is de berekende parkeervraag voor alle woningen weergegeven. Hieruit blijkt dat er een positieve balans is en er dus voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Tabel 6. Parkeerbalans gehele J.J. Hamelinkstraat. Bron Bono Traffics bv.
De parkeervraag van bewoners van de grondgebonden woningen (werkdagavond) betreft 28 parkeerplaatsen. Deze 28 parkeerplaatsen worden toegewezen binnen de bouwblokken en mee verkocht met de woningen. De bezoekers van de parkeren in de openbare ruimte. Het aanbod van parkeerplaatsen is hier voldoende. Conclusie De parkeervraag van het beoogde programma in het plangebied (fase 1 en 2) kan op alle momenten worden opgevangen binnen de in het plangebied beschikbare parkeercapaciteit. Voor de bewoners van de grondgebonden woningen is voldoende parkeergelegenheid in de bouwblokken. Deze worden tevens mee verkocht met de woningen. De bezoekers van de woningen (bouwblokken en grondgebonden woningen) in het gebied kunnen op alle momenten hun auto kwijt in het openbare gebied. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: hoofdgroep wonen – schil centrum – zeer sterk stedelijk – koop, huis, tussen/hoek. Per woning in de bovengenoemde categorie bedraagt de verkeersgeneratie minimaal 5,4 verkeersbewegingen per werkdagetmaal en maximaal 6,2 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling daarom minimaal 140,4 verkeersbewegingen per werkdagetmaal en maximaal 161,2 verkeersbewegingen per werkdag etmaal.
Ontsluiting Het plangebied zelf is autoluw, waardoor er enkel voetgangers en fietsers zijn toegestaan. Ten westen van het plangebied is de J.J. Hamelinkstraat nog te bereiken vanaf de Schalkwijkerstraat, welke afbuigt naar de Schipholweg via een nieuw aan te leggen weg. Dit wordt éénrichtingsverkeer. Ten oosten van het plangebied is de J.J. Hamelinkstraat te bereiken via de Graafschapstraat, welke uitkomt op de Merovingenstraat in het
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 40
oosten en op de Schipholweg in het Zuiden. De situatie is weergegeven in de onderstaande figuur. Figuur 14. Kaart inrichting openbare ruimte. Bron: ORKA.
De Schipholweg is een provinciale weg, namelijk de N205. Via deze provinciale weg is in westelijke richting de N208 te bereiken en in westelijke oostelijke richting de N232 te bereiken. In oostelijke richting is tevens de Rijksweg A9 te bereiken.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de projectlocatie. Waterbeleid, waterwetgeving en waterregelgeving Sinds 22 december 2009 is de nieuwe Waterwet van kracht. Deze nieuwe Waterwet regelt het beheer van grond- en oppervlaktewater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op basis van deze wet is in december 2009 het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het Nationaal Waterplan worden antwoorden geformuleerd op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer voor Nederland. Waterbeheerplan Rijnland In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna te noemen:
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 41
Rijnland) zijn ambities aan en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De vier hoofddoelen zijn [1] waterveiligheid, [2] voldoende water, [3] schoon en gezond water en [4] waterketen . Bij het doel waterveiligheid wordt gestreefd naar het beschermen tegen overstromingen, gevolgbeperking en het voorbereiden op eventuele calamiteiten. Bij voldoende water wordt gestreefd naar juiste waterpeilen, instandhouding van het watersysteem, voorkomen van wateroverlast en voldoende zoetwater. Bij schoon en gezond water wordt gestreefd naar het verminderen van watervervuiling, ecologisch beheer en onderhoud, het realiseren van schone meren, plassen en natuurgebieden en schone en veilige zwemwaterlocaties. Bij het doel waterketen wordt gestreefd naar het op een doelmatige wijze verwerken van afvalwater en het verduurzamen van de verwerking van afvalwater en het optimaal hergebruiken van afvalwater. Rijnlands Keur en Beleidsregels Rijnland dient haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder adequaat te kunnen uitvoeren. De “Keur” is een verordening van de waterbeheerder met juridisch bindende regels (gebod- en verbodsbepalingen). Zo zijn werken en werkzaamheden in en bij waterkeringen (dijken, kaden, duinen) en watergangen (sloten, vaarten, plassen) zonder of in afwijking van een vergunning op grond van de Keur niet toegestaan.
Ook het aanbrengen van verhard oppervlak (bebouwing, bestrating) en het onttrekken van grondwater zijn in veel gevallen vergunningsplichtig. Rijnland's beleid Riolering en afvalwaterzuivering Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hierbij geldt de volgende toelichting. ‘Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouw ontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater. Als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat’. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken.
Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Integraal Waterplan Haarlem De gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben eind 2004 het Integraal Waterplan Haarlem vastgesteld. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem. Het plan functioneert als strategisch kader voor gerelateerde beleidsvelden zoals het grondwater-, afvalwater-, en baggerbeleid. Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten.
Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 42
vermogen, een adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Als streefbeeld heeft de gemeente voor ogen een verbeterd waternetwerk dat uitgebreid is met nieuw water. Gemeentelijk Rioleringsplan Het GRP is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (incl. financiën) en de visie op riolering voor de langere termijn worden beschreven. Met het GRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het GRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. Er zijn vier doelstellingen voor het GRP van toepassing, te weten:
het doelmatig inzamelen van het afvalwater en het hemelwater. het transporteren van het rioolwater naar een geschikt lozingspunt. Het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast. Het beperken van vervuiling door overstorten middels aanleg van randvoorzieningen (o.a. BBB's) en afkoppelen.
Compensatieregeling Een algemene regel met betrekking tot de waterkwantiteit is het compenseren van een eventuele toename van verharding (wegen, gebouwen). Indien verharding in een gebied toeneemt zullen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden om waterbezwaar als gevolg van de toegenomen verharding te voorkomen. Gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland stellen als richtlijn dat - indien er gebouwd wordt en hierbij meer dan 500 m2 onverhard oppervlak omgezet wordt naar verhard oppervlak minimaal 15 procent van de toename aan verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van oppervlaktewater. Het uiteindelijk te compenseren oppervlak hangt af van overige maatregelen die de waterhuishouding in een gebied ten goede kunnen komen, zoals het vertraagd afvoeren van hemelwater. Voorbeelden zijn grasdaken en ontkoppeling van het rioolstelsel, waarbij het ontkoppelde water in de bodem geïnfiltreerd wordt. Tevens onderschrijft het Waterplan de noodzaak op het vlak van baggeren, afkoppelen, saneren overstorten, inrichten natuurvriendelijke oevers, en afkoppelen schone verharding, en het creëren van extra open water ter compensatie van toegenomen verharding. Toetsing Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen.
Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit De projectlocatie is vrijwel volledig verhard, waardoor de compensatieregeling vanuit de gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap Rijnland ten aanzien van verhard oppervlak niet van toepassing is. Daarnaast zijn de woningen reeds toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling zorgt er enkel voor dat de woningen anders worden gesitueerd, wat niet resulteert in een toename in de verharding. Om water zoveel mogelijk vast te houden worden er verschillende maatregelen getroffen. Zo worden er op het binnenterrein waterdoorlatende tegels in de parkeervakken aangelegd. In het openbaar gebied worden wadi’s en veel groen aangelegd. De realisatie van de grondgebonden woningen maakt onderdeel uit van een grotere ontwikkeling van Elan en overige ontwikkelaars. In dit kader wordt wel het totale projectgebied bekeken en wordt een oplossing gezocht voor het compenseren van de verharding van het totale ontwikkelgebied.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 43
Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich niet binnen een regionale kering of oppervlakte water. Tevens is op de legger ‘Kunstwerken’ zichtbaar dat het plangebied niet binnen een kunstwerk ligt. Riolering Gezien sprake is van nieuwbouw wordt conform het gemeentelijk rioleringsplan het afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van sloop en nieuwbouw van woningen. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Het betreft de sloop van de huidige bebouwing, waarvoor in de plaats vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd. De nieuwbouw wordt enkel een aantal meter verplaatst. Tevens neemt het aantal huishoudens af, doordat tweelaags appartementen worden vervangen door grondgebonden woningen. Derhalve zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Daarnaast wordt het gebied autoluw ingericht. Ook worden de woningen een stuk duurzamer dan de huidige woningen zijn, waardoor er ook minder nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. Derhalve kan naar aard en omvang en mede gelet op het feit dat geen negatieve gevolgen voor het milieu plaatsvinden, niet gesproken worden van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 44
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de J.J. Hamelinkstraat is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Haarlem en de initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Op basis van de ingekomen zienwijzen neemt de gemeenteraad een definitief besluit. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 45
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel de huidige bebouwing aan de J.J. Hamelinkstraat te slopen en daarvoor in de plaats vervangende nieuwbouw te realiseren. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. De uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan milieu- en omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving en hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 46
BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6 7 8
Visualisatie strijdigheid plan (Fazo Architecten, 2021) Verkennend bodemonderzoek + asbest (APS Milieu, 2019) Aanvullend bodemonderzoek inclusief asfaltonderzoek (APS Milieu, 2020) Parkeeronderzoek (Bono Traffics bv, 2020) Ecologisch onderzoek (Groenadvies Amsterdam bv, 2018) Ontheffing soorten (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, 2019) Stikstofdepositieberekening (Cauberg Huygen, 2020) Voorlopig Ontwerp openbare ruimte Slachthuisbuurt Zuidstrook blok 6 t/m 8 e.o. (ORKA, 2020)
Mees Ruimte & Milieu | 19042.02
Pagina | 47