CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210240866 3. Bijlage B Onderzoeken ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing

commissie Ontwikkeling 2 september 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning Slachthuisbuurt-Zuidstrook, blok II (FR)21.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het beperken van werkverlichting (buiten) tijdens de avonduren in het voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren. Dit kan bijvoorbeeld door lage en/of gebundelde, naar beneden gerichte verlichting toe te passen;

•

Voortijdig maaien (niet klepelen) van het plangebied zodat dieren wegtrekken (indien de vegetatie niet voldoende kort is; < 10 cm);

•

De kap van de bomen door de projectontwikkelaar in opdracht van de gemeente (voor het bouwrijp opleveren van het terrein) valt onder de zorgplicht. De kap dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voorafgaand aan de kap wordt nog een ecologische beoordeling uitgevoerd door een ter zake kundig ecoloog;

•

De werkzaamheden dienen buiten het winterslaapseizoen en het voortplantingsseizoen te worden opgestart. Zo kunnen eventueel aanwezige dieren uit eigen beweging het plangebied verlaten.

Tijdens de bouw zal vestiging van beschermde (pionier) soorten dienen te voorkomen. Het betreffen de volgende maatregelen: •

Voorkomen van vestiging van de rugstreeppad. Dit dient actief te gebeuren door te zorgen dat er geen geulen of kuilen ontstaan waar water in kan blijven staan (bijvoorbeeld met behulp van rijplaten) of er geen bergen vergraafbare grond aanwezig is in de herfst en winter (in combinatie met voortplantingsplaatsen). Indien dit wel het geval is kunnen deze elementen bijvoorbeeld worden afgezet met een amfibieënscherm.

•

Indien er een gronddepot wordt aangelegd dienen de zijden flauw (talud 1:2 of flauwer) afgewerkt te worden om vestiging van oeverzwaluw te voorkomen. Oeverzwaluw nestelt in zandige of lemige steilwanden waarin ze nestgangen uitgraven. Een voldoende flauwe helling is dus noodzakelijk.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

23

5.2 PLANTEN EN DIEREN ALS MEDEGEBRUIKER VAN HET PLANGEBIED In het kader van LE4 ‘Planten en dieren als medegebruiker van het plangebied’ worden hieronder aanbevelingen gedaan ten aanzien van het duurzaam medegebruik van het nieuw te bouwen appartementencomplex en de buitenruimte langs de westgevel door inheemse plant- en diersoorten. De potentie van het plangebied betreft soorten die zijn aangepast aan veenweidegebied en een bebouwde omgeving. Voor de soortgroepen planten, vleermuizen, vogels, grondgebonden zoogdieren en insecten zijn voorstellen voor LE4 gedaan. 5.2.1 LE4 – 1e punt Voor het behalen van 1 punt voor LE4 zijn verschillende (minimale) combinaties van de onderstaande maatregelen mogelijk. Eerst worden de opties genoemd en daarna volgende de mogelijke combinaties van deze opties voor het verkrijgen van 1 punt voor LE4. Het creëren van alleen nestgelegenheid voor vogels of alleen mogelijkheden voor vleermuizen is niet voldoende. Een insectenhotel (3c) moet altijd gecombineerd worden met inheemse beplanting of een vegetatiedak.

Vleermuizen 1a Verblijfplaatsen – vleermuisvriendelijke gevels/geveldelen geschikt voor meerdere soorten 1b Verblijfplaatsen – diverse vleermuiskasten (4 kraamkasten en 8 kleine kasten, 1 winterverblijf en 4 kasten met ruimte voor vrij-hangende soorten) Vogels 2a Nestgelegenheid – gierzwaluwkasten (30) 2b Nestgelegenheid – huismuskasten (20) 2c Nestgelegenheid – slechtvalkkast (1) 2d Nestgelegenheid – huiszwaluwkommetjes (15) 2e Nestgelegenheid – schelpeneilandjes op het dak (2) 2f Nestgelegenheid – algemene broedvogels (20) Overige soorten en inrichting buitenruimte 3a Inrichting buitenruimte – inheemse beplanting 3b Inrichting buitenruimte – vegetatiedak/groene muur 3c Verblijfplaats voor insecten – insectenhotel (in combinatie met 3a en/of 3b) 3d Verblijfplaats voor zoogdieren – egel (2 stuks; in combinatie met 3a) Voor het behalen van 1 punt voor LE4 dient voldoende inspanning te worden geleverd voor medegebruik voor soorten. Deze inspanning bestaat uit tenminste 5 van de bovengenoemde opties. Van die 5 opties is er 1 een optie voor vleermuizen (1a of 1b). De overige 4 opties worden verdeeld over pakketten 2 en 3 waarbij er tenminste één optie van elk pakket wordt geselecteerd. Er mogen dus wel 3 opties uit pakket 3 worden geïmplementeerd maar geen 4, behalve als er meer dan het minimum van 5 opties wordt gerealiseerd.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

24

5.2.2 Nadere toelichting invullen mogelijkheden LE4 – 1e punt Vleermuizen Verblijfplaatsen – vleermuisvriendelijke gevels/geveldelen (1a) Er komen een aantal soorten vleermuizen in de omgeving van Haarlem voor, waarvan diverse gebouwbewonend zijn. Door het aanbrengen van een diversiteit aan verblijfplaatsen kunnen voor meerdere soorten een verblijfplaats worden aangeboden. Gezien de steeds warmere zomers is het ook aan te raden de voorzieningen op alle geveldelen aan te brengen, ook op de noordzijde. Ook het aanbrengen van voorzieningen op een hoek is mogelijk, zodat dieren over een grotere ruimte kunnen verplaatsen naar het gewenste klimaat. Onderstaand enkele mogelijkheden om het gebouw geschikt te maken voor vleermuizen: •

Toegankelijk maken van een luchtspouw (minimaal 2,5 cm breed) met toegankelijke open stootvoegen van minimaal 2 cm en maximaal 2,5 cm breed (niet voorzien van bijenbekjes) en tenminste 4 cm hoog. De isolatielaag kan ook geschikt gemaakt worden voor vleermuizen om aan te hangen. Onderstaand enkele voorbeelden om toegang tot de spouw te creeren;

•

Ruime dakrand met mogelijkheden voor vleermuizen om achter te kruipen;

•

Liftschacht en/of trappenhuis beperkt of niet voorzien van isolatie. Indien de luchtspouw toegankelijk is met open stootvoegen kan deze ruimte ook worden gebruikt als winterverblijfplaats door de afgifte van warmte.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

25

Verblijfplaatsen – vleermuiskasten (1b) Indien het niet wenselijk is openingen in het gebouw geschikt te maken voor vleermuizen, kan ook worden gekozen voor het toepassen van kasten. Er dienen ten minste 4 grote kraamkasten, 8 kleine kasten, 1 winterverblijf en 4 kasten met ruimte voor vrij-hangende soorten geplaatst te worden.

Bovenstaand voorbeelden van maatwerk vleermuiskasten op de gevel. Dit zijn zogenoemde kraamkasten. Onder de Batblock, een ruime kast met voor vleermuizen die in spleten of holtes verblijven en kan ook dienst doen als kraam of winterverblijf (bron: veldshop.nl).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

26

Vogels Nestgelegenheid – gierzwaluwkasten (2a) Gierzwaluwen zijn voor nestgelegenheid afhankelijk van menselijke bebouwing. De omliggende bebouwing is niet tot zeer beperkt geschikt voor gierzwaluwen om in te broeden. Voor gierzwaluwen kunnen nestkasten op de noord- of oostgevel gehangen of ingebouwd worden. Gezien de hoogte van het gebouw zal dit een aantrekkelijke nestlocatie vormen. Gierzwaluwen zijn koloniebroeders, het is daarom van belang dat er meerdere kasten vlak bij elkaar worden ingebouwd. Er dienen tenminste 30 gierzwaluwkasten geplaatst te worden in clusters van 5 – 10 kasten verdeeld over de gevels.

Voorbeelden van gierzwaluwkasten. Links een maatwerk kast aan de gevel zodanig ontworpen dat deze vanaf maaiveld weinig zichtbaar is en geen afbreuk doet aan het ontwerp, rechts inbouwkasten.

Nestgelegenheid – huismuskasten (2b) Huismus is, net als de gierzwaluw, afhankelijk van menselijke bebouwing. Door kasten voor de huismus in de zuid- of westgevel in te bouwen of aan de gevel te hangen worden nieuwe nestlocaties gecreëerd voor de huismus. Er dienen tenminste 20 huismuskasten geplaatst te worden. De kasten moeten op tenminste 50 centimeter van elkaar geplaatst worden.

Voorbeeld van huismuskasten met verschillende invliegopeningen. Links opbouw (Vivara) en rechtsinbouwkast (Schwegler).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

27

Nestgelegenheid – slechtvalkkast (2c) Op het dak kan (indien constructief mogelijk) een slechtvalkkast geplaatst worden. Zoals in paragraaf 3.3.4. aangegeven komt de slechtvalk voor in de omgeving van het plangebied. Er is een bekend broedpaar op de Alticom-toren in de Waarderpolder, op iets meer dan 2 km van het plangebied. Uit de gegevens van de NDFF zijn er redelijk wat waarnemingen in de buurt van het plangebied. Een slechtvalkkast biedt gelegenheid voor nakomelingen om een eigen territorium te stichten. Voorbeeld van een slechtvalkkast.

Nestgelegenheid – huiszwaluwkommetjes (2d) Er kunnen nestkommen onder de balkons geplaatst worden of onder de bogen. Geadviseerd wordt wel hier een plankje onder te plaatsen om de uitwerpselen op te vangen en deze jaarlijks te reinigen. Er dienen tenminste 15 nestkommen geplaatst te worden in cluster van minimaal 3 - 5 nestkommen. Nestgelegenheid – schelpen of grind eilandjes op het dak (2e) Op het dak kan nestgelegenheid voor vogels worden gecreëerd; met name voor de scholekster. Dit kan door schelpen of grind eilandjes op het dak aan te brengen voorzien van wat beschutting (tegen regen en zon), bijvoorbeeld enkele gresbuizen (doorsnede . In bakken van 2 bij 2 meter (ca. 10 cm hoog) wordt een laag schelpen of grind (ca. 10 cm) aangebracht; schelpen zijn relatief licht van gewicht, waterdoorlatend en geven door de kleurschakering dekking aan de jongen. Er dienen zeker 10 bakken aangebracht te worden om enige kans van slagen te hebben (voorstel 2 groepen van 5 bakken; waarvan tenminste 1 groep in of nabij het vegetatiedak indien dat gerealiseerd wordt). Rechts een plat dak afgewerkt met grind met op de voorgrond een nest van scholekster, bron: scholeksterophetdak.nl

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

28

Nestgelegenheid - algemene broedvogels (2f) Er kunnen verspreid over de gevel nestkasten worden opgehangen voor algemene broedvogels. Zeker in combinatie met inheemse beplanting kan dit een mooie toevoeging zijn aan de uitstraling van het gebouw. Er dienen op tenminste 20 verschillende locaties vogelhuisjes opgehangen te worden. Voorbeelden van nestkasten voor algemene broedvogels (het betreffen hier deels esthetische keuzes).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

29

Overige soorten en inrichting buitenruimte Inrichting buitenruimte – inheemse beplanting (3a) Om een bijdrage te kunnen leveren aan LE4 is meer groene ruimte nodig. Er kan ruimte gecreëerd worden voor een locatie waar opgaande beplanting aangeplant kan worden in de vorm van heesters/struweel. Struweel (een vegetatie van struiken van 1 tot 5 meter hoog) geeft beschutting aan vogels. Ook wordt het voor andere planten mogelijk om zich te vestigen in de beschutting van de heesters/struweel. Indien er (gedeelten) aangeplant worden met lagere vegetatie, zou hier ook een insectenhotel gesitueerd kunnen worden. Indien de beplanting niet op een vlak terrein gerealiseerd kan worden kan ook gedacht worden aan vegetatie langs de muren. Hier zijn inmiddels verschillende typen oplossingen voor. Een combinatie met 3b is natuurlijk ook mogelijk. Voor de keuze van beplanting kan worden gekozen voor inheemse bloeiende en besdragende soorten, of cultivars daarvan. Voor de bloeiende soorten is het van belang dat deze enkel of dubbel zijn: gevulde bloemen leveren geen of beperkt voedsel voor insecten.

Weergave van de buitenruimte aan de westzijde. Hier zijn mogelijkheden voor het creëren van (inheemse) vegetatie met insectenhotel.

Inrichting buitenruimte – vegetatiedak (3b) Het dak kan geschikt gemaakt worden voor onder andere insecten en kleine vogels door het toepassen van een vegetatiedak (in verband met de eisen vanuit BREEAM moet dit aansluiten op de lokale potentie; veen/weidevegetatie). Vanwege de verwachte blootstelling aan wind (locatie en hoogte) is echter niet zeker of deze beplanting op deze locatie zonder meer toepasbaar is. Er zou ook hier een insectenhotel geplaatst kunnen worden (zie 3c). Eventueel is een insectenhotel in een andere vorm (dood hout, steenstapels, etc.) ook een mogelijkheid.

Voorbeelden van vegetatiedaken. Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

30

Verblijfplaatsen voor insecten – insectenhotel (3c) Een insectenhotel biedt een schuil- en overwinteringsplek voor allerhande nuttige insecten (vlinders, solitaire bijen, etc.). Als er gekozen wordt voor een insectenhotel is het aan te raden inheemse nectarplanten aan te planten nabij het insectenhotel. Een hotel van 2 m2 heeft baat bij een areaal van 200 m2 aan nectarplanten. Een insectenhotel met meerdere typen verblijfplaatsen heeft de voorkeur. Het hotel dient op het zuiden georiënteerd te zijn.

Voorbeelden van insectenhotels. Het hotel links heeft ook ruimte voor egels (midden onderin).

Een insectenhotel kan ook nog op andere manieren gerealiseerd worden, zoals door het toepassen van bijvoorbeeld hout- en steenstapels. Ook zijn er inmiddels insectenstenen die je in de gevel in kunt metselen. Dit is geheel afhankelijk van de uitstraling en herkenbaarheid die gewenst is en de locatie. Op het dak is een verticaal en mooi vormgegeven insectenhotel minder interessant, daar niemand het ziet en de verticale stand slechts nadelig kan zijn voor de insecten doordat het hotel zo veel wind vangt. Verblijfplaatsen voor zoogdieren – egel (3d) Egels kennen verschillende soorten verblijfplaatsen. Ze verblijven onder andere onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels, in composthopen, tegen een schutting aan, in een schuur of bijgebouw of in een takkenhoop. Er kunnen dan ook verblijfplaatsen gecreëerd worden op aardoppervlakniveau voor de egel in de gevels van het gebouw of in de (indien aanwezig) aangebouwde plantenbakken. De egel overwinterd vaak onder takkenhopen en in holletjes. Gezien de vele reeds bestaande oplossingen voor in tuinen, zou een holte in een geveldeel prima kunnen functioneren. Waarschijnlijk heeft een holte in een plantenbak de voorkeur, aangezien het in de winter verwarmen van het complex mogelijk de overwinteringscyclus doorbreekt. Een egelverblijf zou ook geïntegreerd kunnen worden in een eventueel te plaatsen insectenhotel.

Aangezien het voor de egel noodzakelijk is beschutting en voedsel in de omgeving van zijn verblijfplaats te hebben, dient een verblijfplaats voor een egel gecombineerd te worden met optie 3a om hierin te voorzien. 5.2.3 Nadere toelichting invullen mogelijkheden LE4 – 2 punten Voor LE 4 kunnen in totaal 2 punten worden gehaald. Een 2e punt kan worden gehaald indien naast de voorgaande genoemde maatregelen ook een bijdrage wordt geleverd voor natuur op regionale schaal. Gezien de beperkte omvang van het project en de stedelijke ligging is een 2e punt niet realistisch.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

31

5.3 ECOLOGISCH BEHEERPLAN In het kader van LE6 ‘Duurzaam medegebruik van planten en dieren op de lange termijn’ dient een ecologisch beheerplan opgesteld te worden voor een periode van zes jaar. In dit beheerplan dient ook een monitoring- en evaluatieplan opgenomen te worden. Het beheerplan wordt opgesteld aan de hand van de gekozen aanbevelingen (paragraaf 5.2) die een plek krijgen binnen het plangebied. Dit is vooralsnog geen wens voor de creditering van het appartementencomplex.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

32

6.

TOETSING BREEAM-NL CREDITS LE1, LE3, LE3, LE4, LE6 De onderstaande toetsing aan BREEAM-NL is gebaseerd op BREAAM-NL 2014, beoordelingsrichtlijn nieuwbouw, versie 2.0, februari 2017 (BRL 2014 v2.0) en het interpretatiedocument update: 18 mei 2017.

6.1 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE1 In deze paragraaf is de bewijslast voor Landgebruik & Ecologie (LE) credit 1 opgenomen. Er kunnen voor deze credit maximaal vijf punten worden behaald. 6.1.1 Eisen Punten kunnen alleen worden behaald indien het bouwproject valt buiten de begrenzing van de EHS en/of een Natura 2000-gebied en/of een nationaal park. Voor de puntentoekenning geldt de categorie uit de onderstaande tabel die van toepassing is op het project.

6.1.2 Beoordeling Op basis van paragraaf 3.2 en 4.1 blijkt dat de locatie buiten de begrenzing van de EHS en het Natura 2000-gebied valt. Tevens valt de locatie buiten een nationaal landschap. Zoals ook blijkt uit de beschrijving in paragraaf 1.2 is het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom en is dat al meer dan 10 jaar het geval. Het te bebouwen plangebied valt in de categorie H. 6.1.3 Conclusie Op basis van de beoordeling kan voor deze credit vier punten worden behaald.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

33

6.2 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE3 In deze paragraaf is de bewijslast voor Landgebruik & Ecologie (LE) credit 3 opgenomen. Er kan voor deze credit maximaal één punt worden behaald. 6.2.1 Eisen Een erkend ecoloog dient vóór aanvang van de bouwactiviteiten een natuurrapportage op te stellen. Daarnaast houdt een erkend ecoloog toezicht tijdens (specifieke) bouwactiviteiten, om te garanderen dat tijdens de bouw rekening wordt gehouden met aanwezige plant- en diersoorten. Er dient voldaan te worden aan alle onderstaande eisen. 1.

Vóór aanvang van de bouwactiviteiten/het bouwrijp maken, stelt een erkend ecoloog een natuurrapportage op waarin de bouwlocatie wordt beschreven op basis van een bureauonderzoek en veldbezoek en indien noodzakelijk een inventarisatie in het veld. Dit betekent het volgende: a)

de aanwezige plant- en diersoorten zijn geïnventariseerd;

b)

het potentieel voor plant- en diersoorten van de locatie in beeld is gebracht, waarbij dit potentieel is gerelateerd aan de omgeving (regionale ligging) van de bouwlocatie. Dit betekent concreet dat bijvoorbeeld een bouwlocatie nabij de duinen, potentieel van waarde kan zijn voor plant- en/of diersoorten van duinsystemen;

c)

een ecologisch werkprotocol onderdeel is van de natuurrapportage, waarin wordt aangegeven hoe de aannemer het project kan realiseren met minimale of geen schade aan de flora en fauna. Hierbij is het uitgangspunt om het bouwproject wel te realiseren, maar met minimale verstoring aan de flora en fauna;

d)

de hoofdaannemer informeert en traint de bouwvakkers hoe het ecologisch werkprotocol geïmplementeerd dient te worden;

e)

er wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen uit de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet, Boswet en het Provinciaal compensatiebeginsel. Dit wordt door de erkend ecoloog bevestigd;

f)

aan alle EU-regelgeving, gerelateerd aan het beschermen en verbeteren van de ecologie, is of zal worden voldaan tijdens het ontwerp en het bouwproces.

2.

Een erkend ecoloog heeft gedurende het bouwproces vastgesteld dat volgens het werkprotocol en (de specifieke voorwaarden van) een eventueel afgegeven ontheffing gewerkt wordt en stelt hierover na oplevering een verklaring op.

6.2.2 Beoordeling Beoordeling eisen 1.a) en 1.b) Op basis van de ecologische quick scan (zie ook hoofdstuk 3 en paragraaf 4.2) blijkt welke planten diersoorten (kunnen) voorkomen binnen de bouwlocatie. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 25 september 2020. De onderhandelingen met de gemeente over de buitenruimte rond het appartementencomplex zijn nog gaande (persoonlijke mededeling van de opdrachtgever op 3 oktober 2020). De werkzaamheden waren ten tijde van het veldbezoek dan ook nog niet gestart.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

34

Beoordeling eis 1.c) Op basis van de ecologische quick scan (zie ook paragraaf 4.3 en 5.1) blijkt dat een werkprotocol zich op deze locatie vooral zal richten op de zorgplicht, aangezien er geen zogenaamde ‘meer strikt beschermde soorten’ worden verwacht. Beoordeling eis 1.d) De hoofdaannemer dient de bouwvakkers te informeren en te trainen hoe het ecologisch werkprotocol geïmplementeerd moet worden. Beoordeling eis 1.e) Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de beoogde ingrepen geen effecten hebben op beschermde soorten en gebieden. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen uit de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet (sinds 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming). De Boswet (eveneens sinds 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming) en het Provinciaal compensatiebeginsel zijn in deze situatie niet van toepassing. Beoordeling eis 1.f) Alle EU-regelgeving zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn, CITES ed. is opgenomen in de Nederlandse wetgeving; de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De uitgevoerde ecologische quick scan voldoet aan de eisen van deze natuurwetgeving. Beoordeling eis 2. Ten tijde van de (bouw)werkzaamheden zal, conform de beschrijving in het ecologisch werkprotocol en op momenten dat hiervan sprake is, een ecoloog voor advies en controle beschikbaar zijn.

6.2.3 Conclusie Op basis van de beoordeling kan naar verwachting voor deze credit één punt worden behaald. Daarvoor moet het ecologisch werkprotocol zoals opgenomen in paragraaf 5.1 worden uitgevoerd, toegelicht in het veld door de ecoloog aan de hoofduitvoerder en door de hoofdaannemer aan de bouwvakkers wordt toegelicht. Daarnaast moet er een ecoloog betrokken zijn bij de (bouw)werkzaamheden.

6.3 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE4 In deze paragraaf wordt de bewijslast voor Landgebruik & Ecologie (LE) credit 4 opgenomen. Er kunnen voor deze credit maximaal twee punten worden behaald. 6.3.1 Eisen Eén punt kan worden gehaald wanneer maatregelen worden uitgevoerd waardoor soorten van Tabel 2 en/of 3 (van de Algemene Maatregel van Bestuur) van de Flora- en faunawet (sinds 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming) en/of de Rode Lijst duurzaam van het gebouw of van de open ruimte rond het gebouw gebruik kunnen maken.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

35

Een tweede punt kan worden gehaald indien in aanvulling op de bovenstaande maatregelen, eveneens maatregelen worden uitgevoerd die van betekenis kunnen zijn voor bijzondere of zeldzame natuur(waarden) op regionale schaal. Voor het eerste punt dient voldaan te worden aan de onderstaande eisen. 1.

In de natuurrapportage wordt het potentieel voor plant- en diersoorten van de locatie in beeld gebracht, waarbij dit potentieel is gerelateerd aan de omgeving (regionale ligging) van de bouwlocatie.

2.

In de natuurrapportage moet eveneens een paragraaf opgenomen zijn, waarin aanbevelingen staan om het duurzame medegebruik van plant- en diersoorten te stimuleren. Dit wordt gerealiseerd door voor plant- en diersoorten de geschikte omstandigheden te creëren, oftewel een geschikte habitat te creëren.

3.

Een erkend ecoloog bevestigt na voltooiing van het bouwproject (in de natuurrapportage) dat maatregelen zijn genomen waardoor soorten van de Tabel 2 en/of 3 (van de Algemene Maatregel van Bestuur) van de Flora- en faunawet en/of de Rode Lijst duurzaam van het gebouw of van de open ruimte rond het gebouw gebruik kunnen maken. Omdat het gaat om een voorspelling van toekomstig duurzaam gebruik, dient onderbouwd te worden waarom de maatregelen naar verwachting succesvol zullen zijn. De ecoloog zal op basis van expert judgement oordelen of voldoende is ondernomen, en relateert dit aan het ecologische potentieel van de locatie. Let op: de betrokken ecoloog zal dus moeten inschatten of een punt verdiend wordt aan de hand van de door de opdrachtgever/ontwikkelaar gedane inspanning. Deze inspanning dient onder andere gerelateerd te worden aan het ecologische potentieel van de locatie (opgesteld in de natuurrapportage ten behoeve van LE3). Hiervoor wordt gekozen omdat harde en kwantitatieve eisen moeilijk zijn op te stellen in de ecologie.

Voor het tweede punt dient aanvullend voldaan te worden aan de onderstaande eisen. 4.

Het eerste punt is gehaald.

5.

Er zijn voor mimimaal drie soorten en/of soortgroepen met verschillende biotoop-eisen maatregelen genomen.

6.

Maatregelen worden uitgevoerd die van betekenis kunnen zijn voor bijzondere of zeldzame natuur(waarden) op regionale schaal. Dit betekent bijvoorbeeld het realiseren van een ecologische verbindingszone en het bijdragen aan doelstellingen voor nabijgelegen Natura 2000- of EHS-gebieden. Voor het behalen van deze credit is maatwerk nodig op lokaal niveau, en de inschatting dient door een onafhankelijk en erkend ecoloog gemaakt te worden.

7.

De erkende ecoloog zal na voltooiing van het bouwproject op basis van expert judgement oordelen en verklaren (in de natuurrapportage) of voldoende maatregelen getroffen zijn, en relateert dit aan het ecologische potentieel van de locatie.

6.3.2 Beoordeling Beoordeling eis 1 Op basis van de inventarisatie natuurwaarden (hoofdstuk 3 en 4) is in beeld gebracht welke planten diersoorten binnen het plangebied en de omgeving kunnen voorkomen.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

36

Beoordeling eis 2 Deze rapportage is opgesteld door Annelies Nieuwenhuis en Dimphina Riemer, beide werkzaam als ecoloog bij ecologische adviesbureau ECOquickscan. ECOquickscan is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (zie ook www.netwerkgroenebureaus.nl/brancheorganisatie/ledenlijst). In paragraaf 5.2 is het potentieel beschreven van te treffen ingrepen om het medegebruik van het plangebied voor planten en dieren te bevorderen. In bijlage 3 is de verklaring opgenomen welke maatregelen worden getroffen. De te treffen maatregelen worden, in overleg met HBB Ontwikkeling BV, verder uitgewerkt door een ecoloog. Beoordeling eis 3 Na voltooiing van de bouwwerkzaamheden moet uitspraak gedaan worden of voldoende ingrepen zijn genomen waardoor soorten duurzaam van het gebouw of van de open ruimte rond het gebouw gebruik kunnen maken. Beoordeling eis 4 tot en met 7 Maatregelen op regionale schaal worden niet getroffen. 6.3.3 Conclusie Op basis van de beoordeling kan voor deze credit één punt worden behaald. Daarvoor dienen meerdere maatregelen voor duurzaam medegebruik van de locatie voor planten of dieren uitgevoerd te worden. Het uiteindelijk toekennen van dit punt wordt bepaald na voltooiing van de werkzaamheden. Geadviseerd wordt ten tijde van het ontwerpproces en de uitvoering de voorgenomen maatregelen tussentijds op de bouwlocatie door ECOquickscan te laten toetsen.

Maatregelen voor duurzaam medegebruik van plant- en diersoorten zijn vaak zeer specialistisch. Daarnaast kunnen de maatregelen ook gevolgen hebben voor het ontwerp van het gebouw en de buitenruimte. Het is aan te bevelen een overleg te plannen met de architect/bouwkundige, landschapsarchitect/ontwerper, opdrachtgever en ecoloog. Om te controleren of de maatregelen ten behoeve van het duurzaam medegebruik correct zijn uitgevoerd is een controle noodzakelijk tijdens de bouw en na voltooiing van het project door een ecoloog te worden getoetst.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

37

6.4 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE6 In deze paragraaf wordt de bewijslast voor Landgebruik & Ecologie (LE) credit 6 opgenomen. Er kan voor deze credit maximaal één punt worden behaald. 6.4.1 Eisen Indien de opdrachtgever/ontwikkelaar het medegebruik van de in LE3 en LE4 beoogde planten en dieren verder stimuleert door de uitvoer van degelijk beheer op de lange termijn. Er dient voldaan te worden aan de onderstaande eisen. 1.

Er is minstens 1 punt behaald bij LE4.

2.

De opdrachtgever/ontwikkelaar dient aan de toekomstige gebruiker(s) van het gebouw een door een erkend ecoloog geschreven (of goedgekeurd) beheerplan met een looptijd van zes jaar van het gebouw en de open ruimte over te dragen. Dit beheerplan dient: •

realistisch en uitvoerbaar te zijn;

•

helderheid te geven over wie voor welk beheer verantwoordelijk is (huurder, gebruiker, koper, derde partij) en er is een Ecology Champion aangewezen (een persoon die de kar trekt om het beheerplan te waarborgen);

•

een monitoring- en evaluatieplan te bevatten, zodat de effectiviteit van het beheerplan én de inrichtingsmaatregelen kunnen worden getoetst.

3.

Het beheerplan dient aantoonbaar te worden geïmplementeerd.

6.4.2 Beoordeling Er is gekozen om geen invulling te geven aan LE6. 6.4.3 Conclusie Er worden geen punten geambieerd voor deze credit.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

38

BIJLAGE 1 Literatuurlijst Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden, 2016. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill. Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion natuur, Utrecht, 2011. Meijden, R. van der, Heukels’ flora van Nederland, 23e druk, uitgeverij Wolters Noordhof, Groningen, 2005. Ministerie van LNV, Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, 2009.

Websites: www.ravon.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vleermuis.net https://maps.noord-holland.nl www.ndff.nl (uitvoerportaal) www.verspreidingsatlas.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.nationaalpark.nl www.nationalelandschappen.nl www.stellingvanamsterdam.nl www.natura2000.nl https://kaart.haarlem.nl/app/map/38

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

BIJLAGE 2 Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming is hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bepalend. Indien gebiedsbescherming aan de orde is, zijn er verschillende stappen in onderzoek te onderscheiden; Voortoets en afhankelijk van de conclusie in de Voortoets een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling. Bij een Voortoets komen de volgende onderdelen aan bod: •

Beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het geval van een wijziging van bedrijfsactiviteiten het in beeld brengen van de bestaande situatie en gewijzigde bedrijfsactiviteiten;

•

Welke milieueffecten deze (bedrijfs)activiteiten hebben op de omgeving;

•

Welke van de soorten en habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden, schade ondervinden;

•

Welke (bedrijfsmatige) activiteiten kunnen leiden tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling: Indien uit de Voortoets blijkt dat een ruimtelijke ingreep geen negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied dan is het onderzoek gereed. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, maar zeker niet significant negatief dan moet een Verstorings- en Verslechteringstoets worden opgesteld. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft en mogelijk ook een significant negatief effect dan moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling is de basis voor de aanvraag van een vergunning. Wet natuurbescherming – soortenbescherming Voor soortbescherming is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, verdragen van Bern en Bonn) en nationaal beschermde soorten. Er zijn verbodsbepalingen opgenomen, bepalingen voor algemene vrijstelling en projectspecifieke ontheffingen en de belangen die aangetoond dienen te worden om een ontheffing te verkrijgen.

Verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden, te vangen of opzettelijk te storen (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort). Ook is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen of eieren te rapen en deze eieren onder zich te hebben.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Het is verboden in het wild levende dieren (waaronder diverse vogelsoorten) van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen of voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Ook is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen, of vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Ook is het verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Naast de bovenstaand beschreven verboden kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. In artikel 1.11 is opgenomen dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat schadelijke handelingen achterwege blijven, dan wel noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die schadelijke gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt worden. Procedurele consequenties Voor ruimtelijke ingrepen is het van belang te toetsen of er allereerst sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten is het bijvoorbeeld van belang te beoordelen of een verstoring van wezenlijke invloed is. Voor de nationaal beschermde soorten zijn er per provincie lijsten opgesteld met soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Over het algemeen zijn dit de meer algemeen voorkomende soorten zoals het konijn of de vos.

Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 3. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van beschermde soorten, is ontheffing ex. artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 van de Wet natuurbescherming nodig van Gedeputeerde Staten. Het uitvoeren van een ruimtelijke ingreep, indien er sprake is van een overtreding van één van de bovenstaand beschreven verbodsbepalingen, kan door middel van een goedgekeurde gedragscode of een verkregen ontheffing. Een gedragscode geldt voor zowel de internationaal beschermde soorten als de nationaal beschermde soorten.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

In een gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd. Voor een ontheffing zijn procedurele consequenties afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Er zijn drie soorten verbodsbepalingen en gekoppeld aan deze bepalingen zijn er ook drie verschillende beschermingsregimes: •

Soorten van de Vogelrichtlijn;

•

Soorten van de Habitatrichtlijn, verdrag van Bern en/of Bonn;

•

Nationaal beschermde soorten.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet als eerste een belang worden aangetoond op grond waarvan een ontheffing kan worden verkregen voor het overtreden van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een belang worden aangetoond zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn. Voor ruimtelijke ingrepen zijn dat: •

Volksgezondheid of openbare veiligheid;

•

Veiligheid van het luchtverkeer;

•

Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

Ter bescherming van flora of fauna.

Voor Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: •

Bescherming van de wilde flora of fauna, of instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

•

Volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

Voor nationaal beschermde soorten: •

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

Bijlage 3 Verklaring invulling BREEAM-NL credit LE4

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

Onderzoek stikstofdepositie

MEMO _____________________________________________________________________________________ ______ Aan

:

M.J.C. (Maaike) Uttien, HBB Groep

Van

:

T.J. (Tijmen) de Baare, Mees Ruimte & Milieu

Project :

LINK, Willem Aronddeustraat, Haarlem

Betreft

:

Toelichting AERIUS-berekeningen

Datum

:

28 juli 2020

Inleiding In uw opdracht heeft Mees Ruimte & Milieu onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden ten gevolge van de beoogde nieuwbouw ter plaatse van Willem Arondéustraat (ongenumerd) in de Slachthuisbuurt Zuidstrook te Haarlem. In het kader van de Wet natuurbescherming moet worden uitgesloten dat (significant) negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Daartoe wordt een stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUS-calculator. De stikstofdepositieberekening heeft tot doel de NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) emissies te berekenen en de toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden inzichtelijk te maken. Op basis van de berekende NOx en NH3 emissies die een project, andere handeling of planologische mogelijkheden van een plan uitstoot dient met een verspreidingsmodel de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitat en leefgebieden in Natura 2000-gebieden te worden berekend.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS calculator. In dit programma is informatie beschikbaar over de actuele stikstofdepositie en kritische depositiewaarde (kdw) van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden. Situatie plangebied Het projectgebied is gelegen aan de Willem Arondéusstraat (ongenummerd) te Haarlem. Ten zuiden van de locatie is de N205 (Schipholweg) gelegen en ten oosten loopt de Prins Bernhardlaan. De locatie kent op grond van het wijzigingsplan Slachthuisbuurt Zuidstrook Blok II, welke is vastgesteld op 16 maart 2017) de enkelbestemming ‘wonen’. Het voornemen bestaan om ter plaatse 90 kleine c.q. middelgrote huurtwoningen te realiseren met een dubbellaagse parkeerkelder. Deze parkeerkelder biedt ruimte aan 81 autoparkeerplaatsen. De feitlijke situatie betreft braakliggende grond.

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Pagina | 1

AERIUS-berekeningen In dit onderzoek zijn de NOx en NH3 emissies gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase in kaart gebracht. Voor het realiseren van de woningen met daarbij behorende parkeerkelder, zullen ter plaatse mobiele werktuigen worden ingezet. Vrachtwagens zullen het benodigde materiaal aan- en afvoeren. Daarnaast zullen er nog vervoersbewegingen plaatsvinden van licht en middelzwaar verkeer, zoals werkbusjes voor personeel op de bouwplaats. Voor al deze bronnen wordt de NOx uitstoot berekend. De emissies tijdens de gebruiksfase worden bepaald door emissies als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de te realiseren woningen. Berekening 1: Aanlegfase De berekening van de aanlegfase is opgenomen in de AERIUS-berekening met kenmerk RT3e5QaCAXer. Naar verwachting worden uitsluitend mobiele werktuigen in categorie R en Q ingezet. In onderstaande tabel zijn de nadere specificaties van deze werktuigen opgenomen. Inzet materieel Stage IV, 130 - 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q Stage IV, 75 - 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R

De verwachting is dat de aanlegfase in totaal twee en een half jaar (130 weken) in beslag neemt. De totale inzet van materieel is om deze reden in het model verdeeld over twee en een half jaar. De inzet van mobiele werktuigen is verwerkt in onderstaande tabel en in de bijhorende AERIUS-berekening gerangschikt als emissiebron 2. Werktuig

Brandstof

Vermogen (in kW)

Gebruiksduur (totaal aantal uur over twee jaar)

Gemiddelde gebruiksduur per jaar (in uur)

Bouwjaar werktuig

Klasse technologie

Damwandstelling (drukken + trekken) Heistelling Mobiele kraan Bronbemaling/ pomp

Diesel

200

400

160

2015

Q

Diesel Diesel Elektrisch

200 150

200 60 2.360

80 24 944

2015 2015 2015

Q Q

-

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Pagina | 2

Graafmachine (groot) Graafmachine (klein)

Diesel

112

232

93

2015

R

Diesel

112

232

93

2015

R

Trilplaat

Diesel

55

32

13

2015

onbekend

Mobiele kraan

Diesel

150

225

90

2015

Q

Vicario

Elektrisch

320

128

2015

-

Betonpomp

Diesel

10

84

34

2015

onbekend

Vlinderen keldervloeren Torenkraan

Diesel

10

16

7

2015

onbekend

2.680

1.072

2015

-

Manitou/ Vorkheftruk Dekvloerenpomp

Diesel

100

360

104

2015

R

Diesel

75

48

19

2015

R

-

Elektrisch

-

Naast het bouwmaterieel wordt ervan uitgegaan dat over de gehele aanlegfase per week gemiddeld 30 werkbusjes of personenauto’s (categorie licht) van en naar de locatie rijden. Voor licht vrachtverkeer (categorie middelzwaar) worden gemiddeld 2 voertuigen per week verwacht en qua zwaar vrachtverkeer (categorie zwaar) worden over de gehele fase gemiddeld 9 voertuigen per week. De motorvoertuigbewegingen verplaatsen zich vanaf de projectlocatie, via respectievelijk de Hannie Schaftstraat – Pladellastraat – Arnulfstraat – Merovingenstraat in de richting van de Schipholweg (N205). Gezien de beperkte toevoeging van het aantal motorvoertuigbewegingen, in combinatie met de bestaande intensiteit van de Schipholweg, gaan de extra motorvoertuigbewegingen vrijwel direct op in de reguliere verkeer. De motorvoertuigbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbron 1. De berekening van de aanlegfase levert geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar. Berekening 2: Gebruiksfase De berekening van de gebruiksfase is opgenomen in de AERIUS-berekening met kenmerk RdeXrNkRcL1Z. In de gebruiksfase is sprake van 90 kleine tot middelgrote huurwoningen met een bijhorende verkeersaantrekkende werking. De gebouwen worden gasloos aangesloten, derhalve is er geen emissiebron voor gasgebruik opgenomen. De verkeersaantrekkende werking voor de toekomstige ontwikkeling is gebaseerd op kengetallen van het CROW.

In het geval van 90 kleine/ middelgrote huurappartementen in de categorie “huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) in de rest bebouwde kom van de gemeente Haarlem is sprake van een verkeersgeneratie van maximaal 360 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verwachting is dat het totaal aantal verkeersbewegingen zich verdeeld in de richting van de Schipholweg, via de Hannie Schaftstraat, Arnulfstraat en Merovingenstraat. Gezien de beperkte toevoeging van het aantal motorvoertuigbewegingen en de bestaande intensiteit van de N205), welke gelegen is tussen de 30.000 tot 50.000, gaan de extra motorvoertuigbewegingen vrijwel direct op in de reguliere verkeer.

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Pagina | 3

De berekening van de gebruiksfase levert geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie De AERIUS-calculator geeft als uitkomst van de berekeningen dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j te verwachten zijn. Gezien deze uitkomsten zijn geen (significant) negatieve effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Pagina | 4

Verkennend bodemonderzoek

BK Ingenieurs B.V. Zadelmakerstraat 150 1991 JE Velserbroek 088 321 25 20 info@bkingenieurs.nl www.bkingenieurs.nl

Verkennend bodemonderzoek Willem Arondéusstraat te Haarlem

Opdrachtgever:

Hbb Groep mevrouw M.J.C. Uttien Nijverheidsweg 41 2102 LK Heemstede

Projectnummer:

203343

Versienummer:

1.0

Plaats, datum:

Velserbroek, 8 juli 2020

Auteur:

S.W.M. van Haaster MSc.

Paraaf:

Controleur:

C.M. de Heij MSc.

Paraaf:

BANK NL12ABNA0580551261 KVK 34082755 BTW NL801876497B01

BK ingenieurs pagina 2 van 15

Inhoudsopgave

pagina

1 2

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................ 3 Vooronderzoek .............................................................................................................................................................................................. 4 2.1 Historische en actuele gegevens van de onderzoekslocatie............................................................................................ 4 2.2 Voorgaand bodemonderzoek ....................................................................................................................................................... 5 2.3 Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ................................................................................................................. 5 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie ........................................................................................................................ 5 2.5 Onderzoekshypothesen en -strategieën ..................................................................................................................................

5 3 Uitgevoerd onderzoek ................................................................................................................................................................................ 7 3.1 Kwaliteitsborging ................................................................................................................................................................................ 7 3.2 Uitgevoerd onderzoek...................................................................................................................................................................... 7 4 Resultaten onderzoek ................................................................................................................................................................................. 9 4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ...................................................................................................................... 9 4.2 Normering ............................................................................................................................................................................................. 9 4.3 Toetsingsresultaten ........................................................................................................................................................................

10 4.4 Resultaten bodemonderzoek ..................................................................................................................................................... 13 5 Samenvatting/conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................................................14 5.1 Samenvatting/conclusies ............................................................................................................................................................. 14 5.2 Aanbevelingen .................................................................................................................................................................................. 14

Bijlagen 1

Tekeningen 1.1 Topografische ligging 1.2 Overzichtstekening 1.3 Locatiefoto’s 2 Boorprofielen 3 Analyserapporten 3.1 Analyserapport grond 3.2 Analyserapporten grondwater 3.3 Analyserapporten asbest 3.4 Disclaimer Synlab met toelichting op voetnoten 4 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabellen 4.1 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabellen grond 4.2 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabel grondwater 5 Toetsingskader PFAS 6 Verklarende woordenlijst 7 Verklaring onafhankelijkheid conform eisen Bbk en BRL SIKB 2000

Willem Arondéusstraat te Haarlem verkennend bodemonderzoek | 203343 | 8 juli 2020

BK ingenieurs pagina 3 van 15

1

Inleiding

In opdracht van Hbb Groep heeft BK Ingenieurs B.V. (BK) in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Willem Arondéusstraat te Haarlem. Aanleiding De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een appartementencomplex met dubbele parkeerkelder. De maximale ontgravingsdiepte betreft 4,5 m -mv. Doel onderzoek Het doel van het onderzoek is meerledig: • het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit op de locatie tot 5,0 m -mv (inclusief asbest, PFAS en lozingsparameters); • het verkrijgen van een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden van de vrijkomende grond; • het bepalen van de voorlopige veiligheidsklassen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen en protocollen als weergegeven in tabel 1. tabel 1: normen en protocollen Type onderzoek

Norm/protocol

Uitvoering conform/niet conform

Vooronderzoek Verkennend bodemonderzoek Verkennend asbest-in-grondonderzoek

NEN 5725 (2017) NEN 5740+A1 (2016) NEN 5707+C2 (2017)

Conform Conform Conform

Beperking van het bodem- en asbestonderzoek • Bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. • Hoewel het veldonderzoek met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is verricht, blijft asbestonderzoek van de bodem, zoals ieder milieutechnisch onderzoek, een steekproef. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat vooral asbestverontreinigingen zeer heterogeen verdeeld kunnen zijn. Bij asbestverontreinigingen is de kans een verontreinigingskern te missen daarom groter dan bij mobiele chemische verontreinigingen. Indeling van de rapportage Deze rapportage bestaat uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het vooronderzoek beschreven. Het uitgevoerde onderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het veldwerk, de analyses en de toetsing aan de normering. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek worden weergegeven in hoofdstuk 5.

Willem Arondéusstraat te Haarlem verkennend bodemonderzoek | 203343 | 8 juli 2020

BK ingenieurs pagina 4 van 15

2

Vooronderzoek

Het vooronderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van het opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De gegevens van het vooronderzoek zijn verkregen door informatie van de opdrachtgever (mevrouw M.J.C. Uttien). Daarnaast zijn gegevens geïnterpreteerd van kaart.haarlem.nl, Cyclomedia, www.topotijdreis.nl, topografische- en geohydrologische kaarten en de Bodemkwaliteitskaart van Gemeente Haarlem. Ten slotte is een terreinverkenning uitgevoerd.

2.1

Historische en actuele gegevens van de onderzoekslocatie

De algemene gegevens van de onderzoekslocatie staan vermeld in tabel 2. De topografische ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1.1. Een overzichtstekening van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 1.2. Deze tekening is alleen geschikt voor maatvoering van bodemonderzoek. In bijlage 1.3 is een foto-overzicht van de locatie opgenomen. tabel 2: gegevens onderzoekslocatie Locatie Kadastrale aanduiding Oppervlakte Afbakening geografisch gebied (onderzoekslocatie)

Willem Arondéusstraat (tegenover nr. 2-6) in Haarlem Gemeente Haarlemmermeer, sectie Q en nummer 2602 (gedeeltelijk) 1.619 m² De afbakening van de onderzoekslocatie staat aangegeven op de situatietekening in bijlage 1.2. Voor de onderzoeksdiepte is 5,0 m -mv aangehouden (0,5 m onder voorgenomen maximale ontgravingsdiepte).

In tabel 3 staan de historische, huidige en toekomstige gegevens over de locatie vermeld. tabel 3: historische, huidige en toekomstige bodemgebruik onderzoekslocatie Historisch Gebruik locatie

De locatie is tot 1960 in agrarisch gebruik geweest. In 1960 is de omliggende woonwijk gebouwd en sindsdien is de locatie in gebruik als openbaar groen. Voor zover bekend is de locatie nooit bebouwd geweest.

Voormalige bodembedreigende Voor zover bekend niet aanwezig activiteiten Aanwezigheid asbest Op de locatie zijn geen gegevens over de voormalige aanwezigheid van asbest bekend. Op de locatie is geen sprake van een bronlocatie voor een verontreiniging met PFAS, zoals Verwachting PFAS industriële complexen waar de synthese van PFAS plaatsvindt, brandweeroefenterreinen, vliegvelden en/of stortplaatsen. Huidig

Terreinverkenning

Gebruik locatie Bebouwing Terreinverharding Bodembedreigende activiteiten Asbest aanwezig Geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig

De terreinverkenning is, voorafgaand aan het veldwerk, op 19 juni 2020 uitgevoerd door de heer Van Duijn. De situatie komt overeen met wat op basis van het vooronderzoek werd verwacht. Verder zijn er bij de terreinverkenning geen bijzonderheden geconstateerd die duiden op een bodemverontreiniging en hebben geleid tot een wijziging van de onderzoeksopzet. De locatie is in gebruik als openbaar groen De locatie is onbebouwd Het maaiveld is onverhard Niet aanwezig Nee Nee

Toekomstig Gebruik locatie Bodembedreigende activiteiten

Wonen met dubbele parkeerkelder (tot 4,5 m -mv) Geen

Willem Arondéusstraat te Haarlem verkennend bodemonderzoek | 203343 | 8 juli 2020

BK ingenieurs pagina 5 van 15

2.2

Voorgaand bodemonderzoek

Ter plaatse van (en in de omgeving van) de locatie is in 2007 bodemonderzoek uitgevoerd. De gegevens zijn opgenomen in tabel 4. tabel 4: bodemonderzoek onderzoekslocatie Adres

Onderzoek (soort, kenmerk, datum, bureau)

Bijzonderheden/conclusie

Slachthuisbuurt, zuidstrook

Verkennend bodemonderzoek, 1707483, 30 november 2007

Ongeveer vier boringen zijn ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie uitgevoerd. De grond en het grondwater zijn maximaal licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Onderzoek naar asbest en PFAS heeft niet plaatsgevonden.

2.3

Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit

Op de Bodemkwaliteitskaart (BKK) opgesteld door Gemeente Haarlem is de locatie gelegen in zone 3. Dit betekent dat zowel de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) als de ondergrond (0,5 - 2,0 m -mv) gemiddeld voldoen aan bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’.

2.4

Regionale bodemopbouw en geohydrologie

Voor de bodemgegevens en de geohydrologische informatie is gebruikgemaakt van de grondwaterkaart van Nederland opgesteld door de Dienst Grondwaterverkenning TNO) en het Hydrogeologisch Model REGIS II van TNONITG. Hieronder zijn in tabel 5 de regionale gegevens (tot circa 10 m -mv) samengevat. tabel 5: regionale bodemopbouw Diepte (m -mv) 0 – > 10

Geohydrologische eenheid

Lithologie

Slecht doorlatende (holocene) deklaag

Afwisselende lagen: - zand, lokaal schelphoudend; - zandig klei; - veen, lokaal kleiig.

Het grondwater in het watervoerende pakket stroomt in oostelijke richting. De grondwaterstroming van het ondiepe freatische grondwater wordt sterk beïnvloed door omgevingsfactoren zoals de ligging van sloten, drainage, bemalingen, onttrekkingen, dempingen, en dergelijke. De locatie is volgens de Provinciale milieuverordening (Pmv) en bodembeleid van de gemeente niet gelegen in een grondwater- en/of bodembeschermingsgebied.

2.5

Onderzoekshypothesen en -strategieën

Algemene kwaliteit Op basis van de gegevens van het vooronderzoek wordt de volgende hypothese gehanteerd: ‘geen verdenkingen op de aanwezigheid van verontreinigingen die afwijken op de verwachting van de Bodemkwaliteitskaart’. Voor de locatie is gekozen voor de strategie ‘onverdachte locatie, niet lijnvormig’ (ONV-NL). In verband met de voorziene ontgraving tot 4,5 m -mv (ten behoeve van de aanleg van de parkeerkelder) zijn de diepe boringen doorgezet tot 5,0 m -mv. PFAS Op 29 november 2019 is het geactualiseerde ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van kracht geworden. Hierin is aangegeven dat als er sprake is van grondafvoer, acceptatie of toepassen van grond onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS noodzakelijk kan zijn.

Willem Arondéusstraat te Haarlem verkennend bodemonderzoek | 203343 | 8 juli 2020

BK ingenieurs pagina 6 van 15

In dit onderzoek is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS uitgevoerd. Hiertoe zijn alle (meng)monsters aanvullend geanalyseerd op het PFAS 30-verbindingenpakket conform het tijdelijke handelingskader. Asbest Op basis van het vooronderzoek is de hypothese ‘locatie onverdacht op het voorkomen van een asbestverontreiniging in de bodem’. De onderzoeksstrategie van het verkennend onderzoek asbest in grond voldoet aan de NEN 5707, strategie 'kleinschalige onverdachte locatie'. Lozingsparameters In verband met de voorziene bemaling en lozing van afvalwater, is het grondwater aanvullend geanalyseerd op de lozingsparameters ijzer en zwevende stof.

Willem Arondéusstraat te Haarlem verkennend bodemonderzoek | 203343 | 8 juli 2020

BK ingenieurs pagina 7 van 15

3

Uitgevoerd onderzoek

3.1

Kwaliteitsborging

De werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met het Besluit bodemkwaliteit. BK Ingenieurs B.V. is gecertificeerd en erkend voor het uitvoeren van veldwerk op basis van de beoordelingsrichtlijn (BRL) SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ en onderliggende protocollen 2001, 2002 en 2018. BK Ingenieurs B.V. is hiervoor in het bezit van het procescertificaat VB-075. Voor het veldwerk en de bemonstering voor het PFAS-onderzoek zijn de voorschriften gehanteerd conform het bemonsteringsprotocol PFAS (versie 1.2 van 2 oktober 2017), deze is opgenomen in het handelingskader PFAS (Expertisecentrum PFAS, 978-90-815703-0-5, van 25 juni 2018). De veldwerkzaamheden zijn aangenomen door vestiging Velserbroek en uitgevoerd op 19 juni 2020 door personeel van vestiging Velserbroek/Udenhout. die voor de betreffende protocollen bij RWS Leefomgeving / Bodem+ geregistreerd staan onder de erkenning van BK Ingenieurs B.V. In bijlage 7 staan de namen van alle bij het project betrokken veldwerkers vermeld, inclusief het protocol en de verklaring dat zij hun veldwerkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever hebben uitgevoerd. De werkzaamheden waarop deze rapportage betrekking heeft, zijn conform de BRL SIKB 2000 getoetst op partijdigheid.

Er is geen sprake van persoonlijk of zakelijk recht op de bodem, grond of bagger op de veldwerklocatie bij de uitvoerder van het veldwerk van voorliggend milieuhygiënisch bodemonderzoek.

3.2

Uitgevoerd onderzoek

De uitgevoerde werkzaamheden worden hier beschreven. De verschillende onderzoeken zijn daar waar mogelijk gecombineerd uitgevoerd. Algemene kwaliteit grond In totaal zijn elf boringen uitgevoerd, waarvan zeven tot 0,5 m -mv, één tot 3,0 m -mv en drie tot 5,0 m -mv. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verdeeld. De boring tot 3,0 m -mv is afgewerkt met een peilbuis. Op basis van ligging, diepte en bodemopbouw zijn zes mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op het NEN 5740 grondpakket. Voor de samenstelling van de grondmengmonsters wordt verwezen naar tabel 7 (resultaten). De samenstelling van het NEN 5740 grondpakket is beschreven in bijlage 6. PFAS in grond De zes mengmonsters ten behoeve van de algemene kwaliteit zijn aanvullend geanalyseerd op PFAS (30 verbindingen). Asbest in grond Waar het maaiveld niet begroeid was, is dit visueel geïnspecteerd op aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. De contactzone (0,0 - 0,5 m -mv) is onderzocht door handmatig elf proefgaten met minimale afmetingen van 0,3 x 0,3 m te graven. De uitkomende grond van de gaten is gezeefd over 20 mm. De fractie >20 mm is visueel geïnspecteerd op aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Van de fijne fractie zijn twee mengmonsters samengesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12271356/1