CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210240866 3. Bijlage B Onderzoeken ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing

commissie Ontwikkeling 2 september 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ontwerp-omgevingsvergunning Slachthuisbuurt-Zuidstrook, blok II (FR)21.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Mobiliteitsplan

Mobiliteitsplan LINK!

Ontwikkeling woningbouw LINK!, Haarlem HBB Ontwikkeling

Projectomschrijving

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

Opdrachtgever

HBB Ontwikkeling

Projectnummer

20.0044 / 21.0052

Datum

18 januari 2021

Status

Definitief

Auteur(s) Controle Projectleider/vrijgave

Kevin Berghuis / Erik Wietses EWI Erik Wietses

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

HBB Ontwikkeling

Inhoud

1.

Inleiding

3

2.

Ontwikkeling en locatie

4

2.1

Bouwprogramma

4

2.2

Parkeren

4

2.3

Kenmerken locatie

4

3.

Parkeerbalans

5

3.1

Uitgangspunt parkeernormen en AW%

5

3.2

Parkeervraag LINK!

6

3.3

Parkeer- en mobiliteitsaanbod

6

3.4

Parkeerbalans en organisatie

7

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

1.

HBB Ontwikkeling

Inleiding HBB is bezig met de ontwikkeling van 90 appartementen in de Slachthuisbuurt in Haarlem, onder de naam LINK!. De mobiliteitsbehoefte van de toekomstige bewoners en hun bezoekers moet op een goede manier worden gefaciliteerd. Toekomstbestendig en zodanig dat overlast in de omgeving wordt voorkomen. Met name het faciliteren van het autoverkeer speelt hierin een belangrijke rol. HBB ontwikkeling wil inzicht in de reële vraag naar parkeerplaatsen en in de manier waarop de parkeervraag het beste en meest effectief kan worden opgelost. HBB ontwikkeling heeft BonoTraffics gevraagd de parkeervraag en parkeeroplossingen in beeld te brengen. In voorliggende memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de kenmerken van betreffende ontwikkeling en de manier waarop de vraag naar parkeren kan worden gefaciliteerd (parkeerbalans).

3

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

2.

Ontwikkeling en locatie

2.1

Bouwprogramma

HBB Ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling (zie afbeelding 1) is gelegen in de Slachthuisbuurt in Haarlem in de oksel van de Prins Bernhardlaan en de Schipholweg en bestaat uit: -

65 woningen (ca. 54m2), middeldure huur

-

25 woningen (ca. 70m2), middeldure huur

Op projectniveau geldt een gemiddelde kale huur van € 850,- per maand (prijspeil 1/1/2018).

Afbeelding 1; Ontwikkeling LINK!

2.2

Parkeren Het plan bevat de realisatie van een parkeergarage en een aantal parkeerplaatsen in het openbare gebied. Het exacte aantal te realiseren plaatsen en het gebruik ervan is mede afhankelijk van de uitkomsten van deze studie.

2.3

Kenmerken locatie De locatie kenmerkt zich door een goede bereikbaarheid per auto, OV en fiets. Een OV halte bevindt zich op loopafstand en de fietsafstand richting station is 2,8 km (9 minuten). De afstand tot het centrum bedraagt 2,5 km (8 minuten fietsen). Het parkeren in de Slachthuisbuurt is niet gereguleerd. Dit betekent dat mensen hier zonder te betalen of zonder vergunning mogen parkeren. Het gemiddelde autobezit in het oosten van Haarlem is 0,9 per huishouden. De Slachthuisbuurt ligt iets onder dit gemiddelde met 0,8 auto per huishouden. De parkeerdruk in de directe omgeving van de ontwikkellocatie is in februari 2019 in beeld gebracht (parkeeronderzoek gemeente Haarlem). Op het drukste moment (nacht) is de bezettingsgraad in de naastgelegen Willem Arondeusstraat 80-90 %. Op de aangelegen Richard Holkade is dit 40-60%. Opgemerkt moet worden dat ten tijde van de tellingen op verschillende plekken in de directe omgeving bouwwerkzaamheden aan de gang waren (en nog zijn). De tellingen impliceren dat de openbare ruimte in de omgeving nog enige restcapaciteit herbergt.

4

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

HBB Ontwikkeling

3.

Parkeerbalans

3.1

Uitgangspunt parkeernormen en AW% De parkeervraag van de ontwikkelingen rondom de Willem Arondéusstraat is berekend aan de hand van de geldende gemeentelijke parkeernormen (beleidsregels parkeernormen 2015, actualisatie januari 2019). Met de actualisatie van de normen, na de tender, is de norm voor middeldure woningen aangepast van 1,4 naar 1,3 pp per woning. Naast de normen is gebruik gemaakt

van

landelijk

geldende

richtlijnen

betreffende

parkeerkencijfers

aanwezigheidspercentages (CROW-publicatie 381, najaar 2018). Hierbij is het “Stappenplan Parkeernormen bij Bouwproject” van de gemeente Haarlem gevolgd. In dit stappenplan is aangegeven onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de geldende normen, of alternatieven zoals deelauto’s mogen worden ingezet. In ieder geval moeten de gemaakte keuzes worden gemotiveerd in een mobiliteitsplan. Met voorliggend mobiliteitsplan wordt voldaan aan de gestelde eisen. In de nota parkeernormen van de gemeente Haarlem wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebieden zoals centrum, schil en rest bebouwde kom. De ontwikkellocatie valt in dit kader binnen het schilgebied. In tabel 1 is per woningtype de gemeentelijke parkeernorm aangegeven. Hierbij is zowel de totale norm per woning als de norm voor het aandeel bezoekers aangegeven. De woningen in deze ontwikkeling vallen in de categorie middelduur. Aandeel

Aandeel

bewoners

bezoekers

1,5 pp

1,2

0,3

Woning middelduur

1,3

1,0

0,3

Woning goedkoop

1,0

0,7

0,3

Woning sociale huur

0,9

0,6

0,3

Tiny houses

0,5

0,3

0,2

Functie Woning duur

Parkeernorm

Tabel 1: parkeernorm per categorie woning.

De gemeentelijke norm bestaat uit een norm voor de bewoners en een norm voor de bezoekers. Beide doelgroepen kennen een eigen dynamiek. In de nacht zijn (in theorie) alle bewoners thuis en is de parkeervraag van deze groep maximaal. De parkeervraag onder bezoekers is dan juist laag. In de avondperiode is de parkeervraag onder bezoekers juist relatief hoog terwijl niet alle bewoners dan thuis zijn. Dit gegeven betekent dat parkeerplaatsen deels dubbel kunnen worden gebruikt, zowel door bewoners als bezoekers. Om rekening te houden met dit effect worden aanwezigheidspercentages uit de CROWpublicatie 381 gehanteerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een bewoners –en bezoekersdeel. De aanwezigheidspercentages zijn in tabel 2 opgenomen. Voor deze ontwikkeling zijn de nacht en de werkdagvond maatgevend.

5

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

HBB Ontwikkeling

Werkdag

Werkdag

Werkdag

Werkdag

Koop-

Zaterdag

Zaterdag

Zondag-

-ochtend

-middag

-avond

-nacht

avond

-middag

-avond

middag

Bewoners

50%

50%

90%

100%

80%

60%

80%

70%

Bezoekers

10%

20%

80%*

0%

70%

60%

80%

70%

*De CROW geeft aan dat de maximale aanwezigheid van bezoekersparkeren (0,3 pp per woning) 80% bedraagt. Dit impliceert dat de maximale parkeervraag onder bezoekers niet 0,3 maar 0,24 bedraagt.

Tabel 2: Aanwezigheidspercentages woningen (bron: CROW-publicatie 381)

3.2

Parkeervraag LINK! In tabel 3 is de parkeervraag (de parkeerbehoefte) van de ontwikkeling LINK! weergegeven voor zowel de werkdagavond als de werkdagnacht. Parkeervraag

Werkdagavond

Werkdagnacht

Bewoners

81pp

90pp

Bezoekers

22pp

0pp

Tabel 3; Parkeervraag LINK! werkdagavond- en nacht

3.3

Parkeer- en mobiliteitsaanbod De parkeervraag van de ontwikkeling wordt deels ingevuld met parkeerplaatsen in de garage en in het openbaar gebied (binnen de plangrenzen), maar ook door de inzet van deelauto’s. Met de inzet van deelauto’s wordt de vraag naar (auto)mobiliteit op een alternatieve eigentijdse manier ingevuld. De inzet van deelauto’s betekent dat minder parkeerplaatsen nodig zijn dan het aantal dat de berekende parkeervraag (tabel 3) impliceert. De inzet van een deelauto (voor bewoners) heeft een netto reductie van 3 aan te leggen parkeerplaatsen tot gevolg (zie onderstaand kader). Inzet deelauto’s De inzet van (vaste) deelauto’s voor de bewoners betekent dat de totale parkeervraag lager wordt. Vuistregel van de gemeente Haarlem is dat 1 deelauto circa 25 gebruikers kent. Op basis hiervan kan, daar waar het gaat om een reductie op de parkeervraag, gerekend worden met de inzet van maximaal 1 deelauto per 25 woningen. Voor deze ontwikkeling zou de inzet van 3 deelauto’s mogelijk zijn. Elke deelauto vervangt 3-5 auto’s. In dit geval wordt gerekend met het gemiddelde van 4. Netto betekent dit dat de inzet van een deelauto een reductie op de parkeervraag betekent van 3pp (de deelauto moet ook een plek hebben).

Er zijn drie deelauto’s beschikbaar, die op vaste parkeerplekken in de garage staan. Uitgangspunt is dat de auto’s door de eigenaar van het gebouw worden geleaset bij een leasemaatschappij. Het leasebedrag wordt dan in een basisbijdrage door alle bewoners (d.w.z. woningen) in de servicekosten verdisconteerd. De rittenregistratie en reservering van de auto’s gebeurt via een app, die mede de toegang tot de auto’s verzorgt (toegangscode). Zo is de auto altijd te openen voor degene die de reservering gedaan heeft. Verrekening van gereden kilometers gebeurt maandelijks achteraf. Deze afhandeling wordt namens de gebouweigenaar verzorgd door de gebouwbeheerder. Deze werkwijze is door HBB Groep eerder vergelijkbaar toegepast bij het project STACK aan de Westelijke Randweg in Haarlem (oplevering 2017)”.

6

Mobiliteitsplan LINK! Haarlem

3.4

HBB Ontwikkeling

Parkeerbalans en organisatie Bewoners De parkeervraag onder bewoners van 90pp wordt ingevuld door de realisatie van 78 reguliere parkeerplaatsen voor bewoners en 3 plaatsen voor 3 deelauto’s. 81 parkeerplaatsen in totaal dus. Deze 81 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de garage onder de appartementen. De garage wordt alleen toegankelijk voor bewoners en niet voor bezoekers. De 78 reguliere plaatsen worden op basis van beschikbaarheid (via de woningverhuurder) verdeeld onder de bewoners door de uitgifte van toegangspasjes en vaste (genummerde) plaatsen. De beschikbaarheid van de deelauto’s voor de huurders wordt eveneens via de verhuurder van de woningen geregeld. Uitgangspunt is dat zowel de toegang tot de deelauto’s als tot de parkeerplaatsen (financieel) laagdrempelig is. Dit wordt in een vervolgfase nader uitgewerkt. Bezoekers De parkeervraag van de bezoekers van de woningen (max. 22pp) wordt gefaciliteerd in de openbare ruimte rondom het gebouw. In het eerste ontwerp voor de openbare ruimte zijn 20 parkeerplaatsen opgenomen. De gemeente zal de andere 2 benodigde parkeerplaatsen in het definitieve ontwerp meenemen. Het ontwerp is naar verwachting in 2021 gereed.

7

Fietsparkeren

Gelijkwaardigheid fietsparkeren Project: LINK! Haarlem Verzoek bij aanvraag 2020-08408 d.d. : 30.11.2020

Blad 1 van 2

Verzoek gelijkwaardigheid: Hierbij het verzoek om afwijking van de prestatie-eisen die het bouwbesluit stelt aan buitenbergingen, anders genoemd het verzoek om toepassen van gelijkwaardigheid. Voor de randvoorwaarden hebben wij ons gehouden aan de ‘Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018’. Wij realiseren een gemeenschappelijke fietsenberging voor het woongebouw met 90 appartementen. De collectieve fietsenberging wordt gecombineerd met een individuele binnenberging in de woningen met een minimale afmeting van 2,7 m2 gbo (excl opstelruimte installaties, eea conform artikel 6 van voornoemd beleid). De fietsplekken zullen worden genummerd en de toegewezen fietsplekken liggen bij elkaar. Er komt een aparte ruimte voor de stalling van scootmobiels met 10 elektrische aansluitpunten voor het opladen van de batterij. Voor de afmeting van de binnenberging in de woning en de locatie van de fietsenbergingen en scootmobiel-berging verwijzen wij naar de plattegronden van de architect (P - - 1 wijz A en P - - 2 wijz A). Aantal nodige fietsplekken: Woningen ca 54m2 gbo: Woningen ca 69 m2 gbo: Woningen ca 74 m2 gbo: Woningen ca 81 m2 gbo:

65 appartementen (3 stuks fiets parkeren per appartement) 23 appartementen (3 stuks fiets parkeren per appartement) 1 appartementen (3 stuks fiets parkeren per appartement) 1 appartementen (4 stuks fiets parkeren per appartement)

Totaal:

90 appartementen (271 stuks fietsparkeren)

De 271 plekken worden verdeeld over 3 collectieve fietsenbergingen. Twee zijn ca 120 m2 groot, en een derde is ca 98 m2. Hoe de collectieve fietsenbergingen exact worden ingericht moet nader worden uitgewerkt in overleg met de leverancier van de fietsenrekken. Wij zullen ons daarbij houden aan het gesteld in 4 lid 2 tot en met lid 6. Er is voldoende ruimte, omdat in het platte vlak (dus nog zonder hoge fietsplekken) er respectievelijk 106, 106 en 88 fietsen per berging kunnen worden gerealiseerd. In totaal in het platte vlak dus 300 plekken mogelijk. Dat betekent dat de 5% voor afwijkende maat (waaronder bakfietsen) en 15% voor het ‘buiten-model’ (minimale h-o-h 500mm) geen probleem zullen zijn. We overwegen om de bakfietsen te combineren met de ruimte voor de scootmobiels, omdat daar nog veel ruimte over is (ca 68m2 over). De fietsenbergingen op niveau -1 (deze verdieping is half verdiept t.o.v. maaiveld) zijn bereikbaar via een hellingbaan vanaf de openbare weg. De berging op niveau -2 is bereikbaar via de lift vanuit de entreehal aan de zijde van de Schipholweg of via de tweede hellingbaan in de garage. Er wordt voor fietsers een zone aangemerkt die daarvoor gebruikt kan worden (in verband met de helling < 22%).

Uitsnede hellingbaan uit tekening FR-04 wijz A (Fragment)

Naast de collectieve fietsenbergingen komt er een collectieve berging voor scootmobiels. Deze ruimt is ca 98 m2 meter groot. Dit voldoet ruimschoots aan de gestelde norm van 90/9 x 3m2 = 30m2. Er is hier ca 68 m2 ‘over’, die gebruikt zal worden voor de fietsen met afwijkende maat. Er komen 10 elektrische oplaadpunten. De berging voor scootmobiels is bereikbaar via de lift vanuit de entreehal aan de zijde van de Schipholweg. De fietsen met afwijkende maat kunnen met een deur vanuit de garage direct deze berging in.

Gelijkwaardigheid fietsparkeren Project: LINK! Haarlem Verzoek bij aanvraag 2020-08408 d.d. : 30.11.2020

Blad 2 van 2

Niveau -1 (-1650mm –maaiveld):

120 m2

98 m2

Niveau -2 (-4350mm –maaiveld):

120 m2

98 m2

ECO-quickscan

Natuurrapportage BREEAM-NL

Haarlem, Slachthuisbuurt

26 november 2020 lid Netwerk Groene Bureaus

projectnummer: 20117

Natuurrapportage BREEAM-NL

Haarlem, Slachthuisbuurt

Opdrachtgever

HBB Ontwikkeling BV

Contactpersoon

Mevrouw M. Uttien

Projectnummer

20117

Datum

26 november 2020

Auteur

A. Nieuwenhuis MSc

Goedgekeurd door

ing. D.A. Riemer

Wijze van citeren

Nieuwenhuis, A, Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2020.

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.

ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) | T (0316) 849390 | info@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl | KvK: 75203901

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING

1

1.1

Aanleiding

1

1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen 1.2.1 Ligging plangebied 1.2.2 Beoogde ingrepen 1.2.3 Bestemmingsplan

2 2 3 4

1.3

LEESWIJZER

6

2.

WETTELIJK KADER

7

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland

7 7 7

2.2 Soortbescherming 2.2.1 Beschermde soorten 2.2.2 Unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen

7 7 8

3.

TOETSING

9

3.1

Onderzoeksmethodiek

9

3.2 Beschermde gebieden 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming 3.2.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.3 Nationaal park en - landschap

9 9 11 12

3.3 Voorkomen van beschermde soorten 3.3.1 Vaatplanten 3.3.2 Grondgebonden zoogdieren 3.3.3 Vleermuizen 3.3.4 Vogels 3.3.5 Amfibieën 3.3.6 Reptielen 3.3.7 Vissen 3.3.8 Insecten (vlinders, libellen, kevers) en overige soortengroepen 3.3.9 Unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen

14 14 14 16 17 18 19 20 20 20

4.

CONCLUSIE QUICK SCAN

21

4.1

Gebiedsbescherming

21

4.2

Soortenbescherming

21

4.3

Consequenties

22

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

5.

BREEAM-NL

23

5.1

ECOLOGISCH WERKPROTOCOL

23

5.2 PLANTEN EN DIEREN ALS MEDEGEBRUIKER VAN HET PLANGEBIED 5.2.1 LE4 – 1e punt 5.2.2 Nadere toelichting invullen mogelijkheden LE4 – 1e punt 5.2.3 Nadere toelichting invullen mogelijkheden LE4 – 2 punten

24 24 25 31

5.3

ECOLOGISCH BEHEERPLAN

32

6.

TOETSING BREEAM-NL CREDITS LE1, LE3, LE3, LE4, LE6

33

6.1 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE1 6.1.1 Eisen 6.1.2 Beoordeling 6.1.3 Conclusie

33 33 33 33

6.2 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE3 6.2.1 Eisen 6.2.2 Beoordeling 6.2.3 Conclusie

34 34 34 35

6.3 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE4 6.3.1 Eisen 6.3.2 Beoordeling 6.3.3 Conclusie

35 35 36 37

6.4 LANDGEBRUIK EN ECOLOGIE LE6 6.4.1 Eisen 6.4.2 Beoordeling 6.4.3 Conclusie

38 38 38 38

Bijlagen Bijlage 1

Literatuurlijst

Bijlage 2

Wet natuurbescherming

Bijlage 3

Verklaring invulling BREEAM-NL credit LE4

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding In Haarlem (gemeente Haarlem, provincie Noord-Holland) is aan de Willem Arondéusstraat in de Slachthuisbuurt de bouw van een appartementencomplex beoogd. Dit gebouw zal voldoen aan het duurzaamheidskeurmerk BREEAM-NL 2014 versie 2.0. BREEAM-NL is een beoordelingsmethode om de duurzaamheidsprestatie van gebouwen te bepalen. De BREEAM-NL doelstelling voor het distributiecentrum betreft de kwalificatie ‘excellent’.

Ligging (rood omlijnd) en indrukken van het plangebied; deels extensief beheerd grasland met bomen, links vanuit het noordoosten genomen en rechts vanuit het zuiden (bron luchtfoto: Google).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

1

Aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan is gevraagd te beoordelen of deze activiteit effect heeft op de flora en fauna op en rond de locatie, wat gedaan kan worden om de effecten te verzachten en hoe het plangebied in de toekomst geschikt gemaakt kan worden voor planten en dieren als medegebruiker van het gebied. De voorliggende natuurrapportage vormt een eerste stap om aan te kunnen tonen hoe voldaan kan worden aan de beoordelingscriteria die gesteld worden op het gebied van ecologie in het kader van BREEAM-NL (LE1, LE3, LE4 en LE6). Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving. Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voorliggend onderzoek is een quick scan waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning uitspraken worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde planten en diersoorten en de te verwachten effecten op deze soorten. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Aansluitend is een beoordeling in het kader van BREEAM-NL geschreven. Dit samen met de quick scan vormt de natuurrapportage.

Deze rapportage beschrijft de effecten op de aanwezige flora en fauna en geeft inzicht in de doorwerking van de natuurwetgeving op deze locatie. Deze natuurrapportage is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.

1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen 1.2.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt in Haarlem, een stad ten westen van Amsterdam en de hoofdstad van NoordHolland. Ten zuiden van Haarlem ligt Hoofddorp en ten noorden ligt het Noordzeekanaal en IJmuiden. Het buitengebied ten westen van Haarlem wordt gekenmerkt door bos. Ten noordoosten ligt veenweidegebied en ten zuiden en zuidoosten strekken de bollenvelden zich uit. Het plangebied ligt in de Slachthuisbuurt, in het oosten van Haarlem ten noorden van de N205. De Slachthuisbuurt wordt aan de westzijde begrensd door het Spaarne en ten oosten door het Burgemeester Reinaldapark. Dit park loopt over in het buitengebied. Ten zuiden en noorden liggen

Weergave van de omgeving ten noorden van het plangebied, appartementencomplexen met een vijver aan de noordoostzijde (rechter foto) en de watergang met bedrijvencomplex ten noordwesten van het plangebied (links). Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

2

woonwijken. De Slachthuisbuurt is een vrij groene wijk met in alle straten bomen en openbaar groen. Ook loopt er een watergang langs de noordzijde van de wijk welke vertakt in zuidelijke richting en door de wijk heen langs het voormalige slachthuis stroomt. Het plangebied ligt in de zuidoosthoek van de Slachthuisbuurt, in de kruising van de N205 met de Prins Bernhardlaan. Het is een deels extensief beheerd perceel met een aantal bomen (Huntingdon-iep en zilveresdoorn). Ten noorden ligt een (nieuwe) plas die aansluit op de watergang die door de buurt loopt. Ten westen ligt het Burgemeester Reinaldapark en het buitengebied. Het plangebied wordt omgeven door woningen en appartementencomplexen met voornamelijk platte daken. Direct ten noordwesten van het plangebied ligt een groot bedrijvencomplex. 1.2.2 Beoogde ingrepen Binnen het plangebied is de bouw van een appartementencomplex beoogd met aan de westzijde ruimte voor groen. Het terrein wordt bouwrijp opgeleverd aan HBB Ontwikkeling BV.

Impressie van de beoogde ontwikkeling. Zicht op de noordoostgevel (bron: MAT25, verkregen op 3 oktober 2020).

Inmiddels is bekend geworden dat er acht bomen komen te vervallen, de Wabo vergunning activiteit kappen is hiervoor reeds verleend. Twee van deze bomen zijn reeds gekapt. Er dienen nog 6 bomen te worden gekapt, deze zijn niet meegenomen in de beoordeling en het veldbezoek omdat de verwachting was dat deze door de gemeente werden gekapt. Inmiddels is bekend geworden dat deze bomen, op verzoek van de gemeente, door de ontwikkelaar worden gekapt. De kap is voorzien in januari. Voorafgaand aan de kap wordt nog een ecologische beoordeling uitgevoerd door een ter zake kundig ecoloog.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

3

Het betreft de volgende bomen: 49823, 49824, 49835, 193348, 155385 en 49742. De bomen 49717 en 49747 zijn al gekapt t.b.v. de realisatie van het trafohuisje. In totaal vier maal Ulmus Hollandica Vegata en vier maal Acer Saccharinum.

Te kappen bomen

1.2.3 Bestemmingsplan In het bestemmingsplan van 29 november 2012 was de bestemming van het plangebied ‘Kantoor’. Met het wijzigingsplan Slachthuisbuurt, Zuidstrook Blok II van de gemeente Haarlem vastgesteld op 16 maart 2017 (zie ook de afbeelding op de volgende pagina) is de huidige bestemming veranderd naar ‘wonen’. De wijziging uit 2017 is tot stand gekomen doordat de gemeente in dit gebied de ontwikkeling van woningbouw mogelijk wilde maken. Ook het oude bestemmingsplan van 20 januari 2011 had een bestemming tot ‘Kantoor’ op het plangebied liggen.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

4

Plankaart met in geel aangeduid de bestemming 'Wonen' waarbinnen het plangebied is gelegen (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

In de toelichting op het wijzigingsplan staat in paragraaf 2.3 dat er reeds in 2008 een visie is opgesteld waarin staat aangegeven dat de Zuidstrook en daarmee ook het plangebied bestemd is voor bebouwing en ontwikkeling. Er bestond dus reeds sinds 2008 de intentie om het plangebied te bebouwen. Het plangebied is daarmee meer dan 10 jaar reeds beoogd voor bebouwing door de gemeente.

Uitsnede uit de toelichting op het wijzigingsplan Slachthuisbuurt Zuidstrook Blok II.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

5

1.3 LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt het wettelijk kader weergegeven van de Nederlandse natuurwet- en regelgeving. De toetsing aan de natuurwet- en regelgeving vindt plaats in hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk staan ook de resultaten van de veldverkenning (aanwezige natuurwaarden) en door middel van verspreidingsgegevens wordt de potentie van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Hoofdstuk 4 bestaat uit de conclusie in het kader van de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 5 wordt invulling gegeven aan de aanvullende criteria ten aanzien van de BREEAM-NL certificering, zoals het ecologisch werkprotocol en ‘planten en dieren als medegebruiker van het plangebied’. En als laatste vindt in hoofdstuk 6 de beoordeling plaats hoe voldaan kan worden aan de criteriaeisen.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

6

2.

WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

2.2 Soortbescherming 2.2.1 Beschermde soorten Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogelen Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

7

2.2.2 Unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen In de Europese Unie geldt een verbod (EU-exotenverordening 1143/2014) op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Dit verbod is opgenomen Wet natuurbescherming (artikel 3.19, 3.34 en 3.39) en de verboden soorten staan op de zogenaamde Unielijst. EU-lidstaten kunnen de Unielijst aanvullen met invasieve exoten die de nationale flora en fauna bedreigen. Het verbod geldt per 3 augustus 2016 en op 15 augustus 2019 zijn 19 nieuwe soorten toegevoegd aan de Unielijst. Enkele Aziatische duizendknopen, zoals de Japanse duizendknoop staan niet vermeld op de Unielijst. Toch worden de Aziatische duizendknopen gezien als nummer één onder de invasieve exoten. De verwachting is dat de Aziatische duizendknopen uiteindelijk worden toegevoegd aan de Unielijst of aan de nationale lijst van invasieve exoten. In Nederland zijn de Gedeputeerde Staten verantwoordelijk voor het beleid omtrent de uitvoering van maatregelen voor het uitroeien, beheersen en beheren van Unielijstsoorten. Veel Provincies nemen Aziatische duizendknopen ook op in hun beleid van Unielijstsoorten. Eigenaren zijn verantwoordelijk voor de aanwezigheid van Unielijstsoorten binnen hun bezit en dienen treffende maatregelen te nemen ter preventie, bestrijding of beheersing van Unielijstsoorten.

Aangezien eliminatie- en beheerplannen voor soorten op de Unielijst nog in ontwikkeling is, gaat deze quick scan alleen uit van een signalerende werking.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

8

3.

TOETSING

3.1 Onderzoeksmethodiek Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving (zie hoofdstuk 2). Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een veldverkenning, worden uitspraken gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Vervolgens zijn voor alle (mogelijke) aanwezige beschermde soorten de effecten en eventuele gevolgen voor de beoogde ingreep beschreven. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en op websites gepubliceerde verspreidingsgegevens van bijvoorbeeld Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (RAVON, Zoogdiervereniging, etc.). Deze bronnen vermelden betrouwbare soortgegevens op basis van uurhokken (5 bij 5 kilometer). Dit betekent dat het zeer globale gegevens betreft. Daarnaast is op 24 september 2020 de NDFF-database geraadpleegd waarbij met name gekeken is naar het voorkomen van beschermde soorten in, of binnen de invloedsfeer van, het plangebied. Op 25 september 2020 heeft er een veldverkenning plaatsgevonden.

Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van het plangebied en haar omgeving voor de verschillende soortengroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; zowel het tijdstip (buiten het groeiseizoen van planten en deels buiten het actieve seizoen van diverse diergroepen) als het eenmalige karakter zijn hiervoor niet toereikend.

3.2 Beschermde gebieden In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 2 en de aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde habitattypen, habitatsoorten en/of kernkwaliteiten. De beoogde activiteit kan hierop effecten hebben. 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming Het plangebied te Haarlem ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied ligt op ongeveer 3,4 km afstand en betreft het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (Habitatrichtlijngebied). De beoogde plannen hebben betrekking op een relatief kleine oppervlakte. Gezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied en de tussenliggende elementen (de stad Haarlem) is een relatie met de aangewezen soorten en habitats van de beschermde gebieden afwezig. Negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ zijn dan ook uit te sluiten (stikstofdepositie, zie onderstaand).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

9

Weergave van de ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van de omliggende Natura 2000gebieden (groene contouren) (bron: Natura2000.nl).

Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming (Wnb) van 1 januari 2017 zijn regels opgenomen voor de bescherming van natuur en landschap. In artikel 2.7, van de Wnb is vastgelegd wanneer een vergunning benodigd is in het kader van de Wnb. In een voortoets wordt bekeken of het plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere projecten) leidt tot een toename in de stikstofdepositie (het voorliggende document kan worden beschouwd als deze voortoets). Wanneer dit het geval is, kan de resulterende depositie mogelijk voor significante gevolgen zorgen op Natura 2000-gebieden. Is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie, dan zijn negatieve effecten uitgesloten en is de activiteit niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. In artikel 2.1 van de Regeling natuurbescherming is AERIUS Calculator aangewezen als het rekeninstrument waarmee stikstofdepositie moet worden berekend. Zodoende kan worden vastgesteld of door deze depositie, een project of bestemmingsplan een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000gebied. Voor dit project dient nog separaat een AERIUS-stikstofberekening uitgevoerd te worden om de effecten van de werkzaamheden op de stikstofdepositie in beschermde gebieden volledig in kaart te brengen.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

10

3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Hetzelfde gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied is ook aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dichterbij het plangebied (op 1,5 km) liggen meerdere gebieden die zijn aangewezen als NNN, maar niet als Natura 2000-gebied, waarvan NNN-gebied ‘De Liede’ op 1,5 km van het plangebied het dichtstbijzijnde is. De beoogde plannen hebben betrekking op een relatief kleine oppervlakte. Gezien de afstand tot het gebied ‘De Liede’ en het deels bebouwde karakter van de omgeving, ontbreekt een relatie met de NNN. Er zijn alleen lokaal effecten op flora en fauna te verwachten.

Weergave van de ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van de omliggende NNN (groene vlakken). (bron: maps.noord-holland.nl)

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

11

3.2.3 Nationaal park en - landschap Nederland heeft twintig nationale parken. In de parken zijn alle bijzonderheden van de Nederlandse natuur terug te vinden: duinen, bossen, heide, laagveen, getijdenwater, beekdalen en vennen. Het nationaal park Zuid-Kennemerland is het meest dichtbij gelegen Nationaal Park en ligt op meerdere kilometers afstand ten westen van Haarlem (bron: www.nationaalpark.nl).

Weergave van de ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van Nationale Parken (blauwe contour) (bron: nationaleparken.nl).

Daarnaast kent Nederland 20 nationale landschappen. De Stelling van Amsterdam (zie ook de afbeelding op de volgende pagina) ligt ten oosten van de stad Haarlem (bron: www.nationalelandschappen.nl). Het plangebied is niet gelegen in een nationaal park of - landschap.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

12

Weergave van de ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van het Nationaal Landschap 'Stelling van Amsterdam' (bronnen: nationalelandschappen.nl en stellingvanamsterdam.nl).

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

13

3.3 Voorkomen van beschermde soorten In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde activiteit kan biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. 3.3.1 Vaatplanten Het plangebied bestaat uit onverhard, deels extensief grasland met bomen: Huntingdon-iep (Ulmus x hollandica ‘Vegeta’) en Zilveresdoorn (Acer saccharinum ‘Laciniatum Wieri’) (bron: haarlem.nl). Van de vaatplaten die aanwezig zijn overheersen vooral verschillende grassoorten, heermoes (Equisetum arvense), duizendblad (Achillea millefolium), ridderzuring (Rumex obtusifolius), paardenbloem (Taraxacum officinale), scherpe boterbloem (Ranunculus acris) en brandnetel (Urtica dioica). De afwezigheid van beschermde soorten wordt bevestigd door de NDFF-database. Van een natuurlijk ecosysteem met plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor beschermde of zeldzame soorten is als zodanig geen sprake, waardoor bijzondere groeiplaatsen niet aanwezig zijn. Beschermde vaatplanten worden binnen het plangebied niet verwacht. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten (in bijvoorbeeld bermen en parken) zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft.

3.3.2 Grondgebonden zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-database en de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als woelrat (Arvicola terrestris), rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), veldmuis (Microtus arvalis), dwergmuis (Micromys minutus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), haas (Lepus europeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), egel (Erinaceus europeus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), dwergspitsmuis (Sorex minutus), huisspitsmuis (Crocidura russula), vos (Vulpes vulpes), en ree (Capreolus capreolus). Aangezien binnen het plangebied extensief beheerd grasland aanwezig is en de locatie aansluit aan grasvelden, een watergang met natuurlijke begroeiing op de oevers, een natuurlijk ingerichte vijver en een groene woonwijk, zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten als egel (Erinaceus europeus) en (spits)muizen niet uit te sluiten. Voor deze soorten kent de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.

Tevens komen in de omgeving de volgende nationaal beschermde soorten voor als eekhoorn (Sciurus vulgaris), boommarter (Martes martes), steenmarter (Martes foina), hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) en de internationaal beschermde soort noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola). Eekhoorn De eekhoorn is een echte boombewoner en leeft bij voorkeur in loof-, naald- of gemengd bos, maar komt ook voor in houtwallen, tuinen en parken. Ze komen ook voor in bebouwd gebied, mits er voldoende voedsel beschikbaar is. De voorkeur van de eekhoorn gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar), omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Ze bouwen hun nesten voornamelijk (hoog) in bomen, maar gebruiken soms

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

14

ook boomholten, oude kraaien- of eksternesten of grote nestkasten als nestplaats. De directe omgeving van het plangebied bevat geen geschikt netwerk aan bomen waar de eekhoorn gebruik van kan maken. Verblijfplaatsen of essentiële (onderdelen van) leefgebieden van de eekhoorn in het plangebied kunnen worden uitgesloten. Boom- en steenmarter De boommarter komt in de omgeving voor. In tegenstelling tot de eekhoorn beweegt deze boombewonende soort zich ook over de grond voort. De boommarter gebruikt voornamelijk boomholtes, roofvogelnesten, heksenbezem, brede takken, maar ook holen onder grond van konijn, vos of das als slaapplaats. Alleen in de zoogtijd (maart tot juni) en in de winter worden deze plaatsen (soms) langere tijd gebruikt. Indien er geen geschikte verblijfplaatsen in de omgeving aanwezig zijn, kan de boommarter ook in bebouwing in de directe omgeving van bos een verblijfplaats maken. De boommarter is actief in de schemering en gedurende de nacht en jaagt dan voornamelijk op vogels en zoogdieren in bomen en op de grond. Naast zoogdieren en vogels worden ook amfibieën, insecten en vruchten gegeten. Aangezien de bomen in het plangebied en in de directe omgeving geen geschikte holtes hebben en er geen bouwwerken in het plangebied aanwezig zijn, kunnen verblijfplaatsen van de boommarter in het plangebied worden uitgesloten.

Gezien het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen en het gebrek aan bomen in de omgeving kan een essentiële foerageerfunctie voor de boommarter in het plangebied ook worden uitgesloten. Ook de steenmarter komt in de omgeving voor. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied tal van schuilplaatsen, zoals in takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, op zolders en in kruipruimten; slechts een gering aantal hiervan wordt regelmatig gebruikt. In de zoogtijd van de jongen (maart t/m juni) worden schuilplaatsen wel permanent gebruikt. Vaak huist de steenmarter ook in ruimtes onder daken, een opening van 5 à 6 cm is daartoe voldoende. De soort klimt gemakkelijk, zowel in bomen als tegen gevels en muren. Het voedsel wordt gezocht langs lijnvormige elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen. Er zijn geen bouwwerken, struwelen of takkenhopen aanwezig in het plangebied en de aanwezige bomen hebben geen geschikte holtes. Verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied kunnen worden uitgesloten. Gezien de wijde omgeving meer dan geschikt is als habitat voor de steenmarter kan een essentiële foerageerfunctie voor de steenmarter in het plangebied ook worden uitgesloten. Kleine marterachtigen Hermelijnen leven vooral in kleinschalige en structuurrijke landschappen met veel natuurlijke elementen en overgangen.

Er is een duidelijke binding met vochtige/natte terrein en oppervlaktewater. Wezels leven in gevarieerd en structuurrijk terrein met afwisseling van bosschages, zoals ruig grasland en rietland bij water, op (boeren) erven en in groene delen van oudere steden en dorpen. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. De omvang van het leefgebied varieert van enkele (wezel) tot enkele honderden (bunzing) hectares, afhankelijk van het voedselaanbod. Aangezien de omgeving van het plangebied een sterk stedelijk karakter heeft zonder kleinschalig landschap of structuurrijk terrein, kan het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de hermelijn, wezel en bunzing worden uitgesloten.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

15

Noordse woelmuis De noordse woelmuis komt voor in hoge vegetaties bestaande uit grasachtige planten en de soort geeft de voorkeur aan rietland, moeras, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Noordse woelmuizen komen eveneens voor op extensief gebruikte graslanden. Aangezien de omgeving van het plangebied bebouwd of gecultiveerd (park) is, kan het voorkomen van de noordse woelmuis in het plangebied worden uitgesloten. De noordse woelmuis verkiest natuurlijkere habitats zoals aanwezig rond de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Samenvatting zoogdieren Binnen het plangebied (deels extensief beheerd grasland) zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten als egel (Erinaceus europeus) en (spits)muizen niet uit te sluiten. Voor deze soorten kent de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Andere nationaal of internationaal beschermde soorten worden op basis van beschikbare verspreidingsgegevens, aanwezige biotopen en binnenstedelijke ligging niet verwacht.

3.3.3 Vleermuizen Volgens de verspreidingsgegevens uit de NDFF-database en de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) komen in de omgeving van het plangebied baardvleermuis (Myotis mystacinus), watervleermuis (Myotis daubentonii), meervleermuis (Myotis dasycneme), franjestaart (Myotis nattereri), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), vale vleermuis (Myotis myotis) en kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) voor. Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn aan de hand van hun voorkeur voor verblijfplaats globaal onder te verdelen in twee groepen, gebouw- en boombewonende soorten. Ook zijn er soorten die beiden gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast maken verschillende vleermuizen onderscheid tussen zomer- en winterverblijven. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn het gehele jaar overwegend gebouwbewonende soorten, terwijl de rosse vleermuis overwegend in boomholtes verblijft. Ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, franjestraat, vale vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en kleine dwergvleermuis maken zowel gebruik van gebouwen als van bomen in de zomermaanden. Meervleermuis zit gedurende de zomermaanden overwegend in gebouwen.

In de winter zitten baardvleermuis, franjestraat, vale vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en meervleermuis graag in ondergrondse ruimten zoals: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. De ruige dwergvleermuis en de kleine dwergvleermuis zitten gedurende de wintermaanden zowel in ondergrondse ruimtes als in gebouwen en bomen. Bomen Binnen het plangebied, zoals bekend tijdens het veldbezoek, zijn bomen aanwezig met een diameter groter dan 30 cm. Tijdens het veldbezoek zijn deze bomen onderzocht op de aanwezigheid van (grotere) holtes. In geen van de bomen zijn (grotere) holtes waargenomen. Ook de spleten in de afgescheurde tak zijn niet van dusdanige grootte dat hier vleermuizen in zouden

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

16

kunnen wegkruipen. Vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in het plangebied zijn daarom uit te sluiten. Bebouwing Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig, waardoor vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uit te sluiten. Vliegroutes Vleermuizen maken vaak jarenlang gebruik van vaste aanvliegroutes tussen verblijfplaats en foerageergebied. Daarom kan het behoud van deze lijnelementen cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Aantasting van vliegroutes kan leiden tot indirecte aantasting van verblijfplaatsen. De groenstructuren in (de omgeving van) het plangebied kunnen een functie hebben als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien groenstructuren als gevolg van de werkzaamheden niet worden aangetast (kapwerkzaamheden hebben slechts betrekking op zes bomen en deze zijn geen essentieel onderdeel van een lijnstructuur) zijn er geen effecten te verwachten op vaste vliegroutes van vleermuizen. Foerageergebied Binnen het plangebied en de directe omgeving is voor de meeste van de genoemde soorten vleermuizen geschikt foerageergebied aanwezig. Aangezien er voldoende alternatieven zijn in de omgeving van het plangebied, hebben de werkzaamheden geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.

3.3.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn vogels waargenomen, zoals meerkoet (Fulica atra), wilde eend (Anas platyrhynchos), waterhoen (Gallinula chloropus), zilvermeeuw (Larus argentatus), zwarte kraai (Corvus corone), merel (Turdus merula) en kauw (Corvus monedula). Alle vogelsoorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is (actieve broedplaatsen). De meeste soorten broeden in de periode van half maart tot half juli. Echter, buiten deze periode kunnen ook broedende vogels worden aangetroffen. Deze zijn, onverminderd de periode wanneer het broedgeval is, beschermd. Jaarrond beschermde vogels De provincie Noord-Holland heeft het beleid van RVO, opgesteld onder de Flora- en faunawet, ten aanzien van jaarrond beschermde soorten overgenomen. Dat betekent dat van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen) het gehele jaar door beschermd zijn. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (steenuil (Athene noctua));

2.

Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (roek (Corvus frugilegus), gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus));

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

17

3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), ooievaar (Ciconia ciconia), kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo) en slechtvalk (Falco peregrinus));

4.

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), sperwer (Accipiter nisus), wespendief (Pernis apivorus), zwarte wouw (Milvus migrans) en ransuil (Asio otus)).

Tijdens de veldverkenning zijn de bomen onderzocht op de aanwezigheid van deze soorten. Hier zijn geen nesten van jaarrond beschermde soorten aangetroffen. Aangezien binnen het plangebied geen gebouwen aanwezig zijn, zijn nesten van bovengenoemde gebouwbewonende soorten ook uit te sluiten. Indien buiten het broedseizoen gestart wordt met de werkzaamheden zijn effecten op eventueel, op naastliggende percelen, broedende jaarrond beschermde vogels niet te verwachten. Niet jaarrond beschermde vogels Naast de voorstaande vier categorieën is er nog een vijfde categorie (beschermde) vogels. Deze vogels beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze vogels (en hun broedplaatsen) zijn in principe buiten het broedseizoen niet beschermd. Alleen als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen zijn deze soorten wel jaarrond beschermd. Binnen het plangebied is de aanwezigheid van broedplaatsen van vogels uit de vijfde categorie niet uit te sluiten. Aangezien in de omgeving voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig zijn voor deze categorie vogels zijn er geen omstandigheden aanwezig om deze vogels jaarrond te beschermen. Negatieve effecten op vogels uit de vijfde categorie worden dan ook niet verwacht indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (actieve broedplaatsen).

3.3.5 Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-database en de verspreidingsgegevens van RAVON komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo), bastaardkikker (Pelophylax klepton esculentus), meerkikker (Pelophylax ridibundus), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris). Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig. Aangezien algemene amfibieënsoorten zich waarschijnlijk in wateren in de nabije omgeving voortplanten, is het voorkomen van deze algemeen voorkomende amfibieën niet uit te sluiten. Waarschijnlijk is het voorkomen wel beperkt tot de bruine kikker en gewone pad. Deze soorten gaan na de metamorfose op het land naar voedsel zoeken. Hierbij kunnen ze grote afstanden afleggen. Aangezien bruine kikker en gewone pad op het land overwinteren, is het ook mogelijk dat er dieren in de winterperiode binnen het plangebied aanwezig zijn. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Daarnaast zijn er geen duidelijke schuilplaatsen zoals houtwallen en struweel aanwezig waar amfibieën zich in kunnen verstoppen of overwinteren, waardoor het voorkomen van de overige soorten zoals de kleine watersalamander niet waarschijnlijk is.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

18

Tevens komen in de omgeving de nationaal beschermde soort alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) voor en de internationaal beschermde soort rugstreeppad (Epidalea calamita). Alpenwatersalamander Het natuurlijke verspreidingsgebied van de alpenwatersalamander is beperkt tot Noord-Brabant, Limburg en het uiterste zuiden van Gelderland (omgeving Nijmegen) en enkele locaties in Utrecht en Drenthe. Alle overige waarnemingen en populaties in Nederland zijn geïntroduceerd en betreffen zo genoemde niet wilde populaties (populaties die niet beschermd worden door de Wet natuurbescherming). De herkomst van deze individuen of populaties is ook vaak onduidelijk (kunnen buitenlandse dieren betreffen en daarmee niet genetisch verbonden aan de in Nederland natuurlijk voorkomende populaties). De alpenwatersalamander is voor de voortplanting gebonden aan water, maar is hier niet kieskeurig in. Indien er geen waterplanten aanwezig zijn, worden ook afgevallen bladeren gebruikt voor de eiafzet. In de winter en de eerste drie levensjaren verblijft de alpenwatersalamander op het land. Hij heeft een voorkeur voor bebost gebied en houtwallen of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Het plangebied bevat geen water of andere geschikte elementen, zoals voorstaand genoemd, waar de alpenwatersalamander een verblijfplaats in zou kunnen hebben.

De directe omgeving voldoet ook niet aan de habitateisen van de alpenwatersalamander. Aanwezigheid van de alpenwatersalamander in het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad, een pioniersoort, gebruikt ondiepe, over het algemeen vegetatie loze, watertjes als voortplantingswater en goed doorgraafbare grond als landhabitat. Gecultiveerde tuinen en openbaar groen zijn niet geschikt voor deze soort. Op basis van de aanwezige biotopen (volledig begroeid perceel) is de rugstreeppad uit te sluiten binnen het plangebied. Geadviseerd wordt wel om deze omstandigheid te voorkomen tijdens het bouwrijp maken binnen het plangebied; de rugstreeppad kan gebieden, zoals braakliggende terreinen, in het voortplantingsseizoen in korte tijd ontdekken en bevolken. 3.3.6 Reptielen Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-database en de verspreidingsgegevens van RAVON (www.ravon.nl) komt in de omgeving van het plangebied de internationaal beschermde soort zandhagedis (Lacerta agilis) voor. De meeste reptielensoorten houden zich met name op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijv. heide en/of heischrale graslanden in combinatie met bossen en/of kleine landschapselementen).

Op basis van de binnen het plangebied aanwezige biotopen, extensief beheerd grasland (bermvegetatie) en intensief beheerd grasland, is het voorkomen van de zandhagedis of andere reptielen niet waarschijnlijk. Aangezien ook de omgeving niet de benodigde habitats bezit, kan het voorkomen van de zandhagedis in het plangebied worden uitgesloten.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

19

3.3.7 Vissen Binnen het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vissen kan worden uitgesloten. 3.3.8 Insecten (vlinders, libellen, kevers) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten (zowel nationaal als internationale beschermd) binnen deze groep zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen. Dergelijke biotopen komen niet in het plangebied (deels extensief beheerd grasland) voor. Overige strikt beschermde soorten als mollusken en weekdieren zijn ook niet te verwachten gezien de afwezigheid van geschikte biotopen in het plangebied. 3.3.9 Unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen Zoals toegelicht in paragraaf 2.2.2 heeft deze natuurrapportage een signaleringsfunctie voor unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen. Uit de NDFF-database blijken de Unielijstsoorten nijlgans (Alopochen aegyptiaca) en reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) voor te komen in de omgeving van het plangebied. Deze soorten komen met name voor bij grotere wateroppervlaktes met grasland eromheen (nijlgans) en langs wegen en op plaatsen die niet begraasd of bewerkt worden (reuzenberenklauw). Tijdens het veldbezoek zijn geen Unielijstsoorten en Aziatische duizendknopen in het plangebied zelf waargenomen.

Het plangebied bevat verder geen water en betreft een deels extensief beheerd grasland dat voor de nijlgans geen foerageermogelijkheden biedt. Het water net buiten het plangebied is niet groot en zal daarom slechts een enkele nijlgans op doortocht mogelijkheden bieden.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

20

4.

CONCLUSIE QUICK SCAN Het plangebied te Haarlem betreft een deels extensief beheerd perceel waarop de bouw van een appartementencomplex in het kader van BREEAM-NL beoogd.

4.1 Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben de beschermde gebieden. Het plangebied te Haarlem ligt niet in of binnen de invloedsfeer van een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming en/of NNN. Gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming is op deze locatie niet aan de orde. Stikstof Voor dit project dient een AERIUS-stikstofberekening uitgevoerd te worden om de effecten van de werkzaamheden op de stikstofdepositie in beschermde gebieden volledig in kaart te brengen.

4.2 Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten, zoals bruine kikker, gewone pad, egel en algemeen voorkomende (spits)muizen, zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Noord-Holland. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. De provincie Noord-Holland kent wel een meldingsplicht voor de vrijgestelde soorten. De zorgplicht (zie bijlage 2) blijft onverminderd van toepassing. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er geen nationaal of internationaal beschermde planten- en/of diersoorten verwacht. Nader onderzoek naar eventueel binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten is dan ook niet nodig. Zoals al eerder vermeld kunnen nesten van vogels worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

21

4.3 Consequenties Een tweetal algemene voorwaarden is vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing: •

In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan.

•

Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Daarnaast moeten dieren de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: •

Voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken;

•

Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;

•

De werkzaamheden starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen;

•

Het voorkomen van voor rugstreeppad geschikt biotoop tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied; de rugstreeppad kan gebieden, zoals bouwterreinen, in het voortplantingsseizoen in korte tijd (weekend) ontdekken en bevolken.

Natuurrapportage BREEAM-NL Haarlem, Slachthuisbuurt

22

5.

BREEAM-NL Eén van de onderdelen van het duurzaamheidskeurmerk BREEAM-NL betreft ecologie. Hierin ligt de focus op het huidige en toekomstige gebruik van het plangebied door planten en dieren. Om aan de criteria-eisen van BREEAM-NL te voldoen dient een initiatiefnemer zich niet alleen aan de wetgeving te houden, maar zal voor specifieke credits een extra inspanning geleverd moeten worden. Onderstaand worden aanbevelingen gedaan om aan de criteriaeisen van specifieke credits te kunnen voldoen.

5.1 ECOLOGISCH WERKPROTOCOL In het kader van LE3 ‘Aanwezige planten en dieren op de locatie van het bouwproject’ dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. Het protocol is locatiespecifiek en afgestemd op de werkzaamheden. Vervolgens dient dit protocol op de werkvloer geïmplementeerd te worden en zal een erkend ecoloog vast dienen te stellen dat er volgens dit protocol gewerkt wordt. Binnen het plangebied worden geen meer strikt beschermde soorten verwacht. Zodoende zal het ecologisch werkprotocol vooral gericht zijn op het naleven van de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (zie ook paragraaf 4.3). Het betreft de volgende maatregelen: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12271356/1