20210171773 2. Bijlage 1 Ontwerp Omgevingsvisie Haarlem
Tekst van het document
109
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
Verdiepende uitspraken 01 Haarlem zet in op versterken van ecologisch netwerk
Het versterken van ecologische waarde in de stad doet Haarlem op verschillende manieren; via het versterken van de ecologische hotspots, het verbinden van deze gebieden via ecologische verbindingen en door natuurinclusief te ontwikkelen. Ecologische hotspots in de stad zijn de belangrijkste habitats voor flora en fauna. Het zijn de plekken in de stad met de meeste biodiversiteit. Ecologisch waardevolle gebieden in de stad versterken we door ecologisch groenbeheer en door deze in te richten met diverse beplanting (aquatische beplanting, oeverbeplanting, kruidenlaag, zoom- en mantelvegetatie, struikenlaag, boomlaag). Het is van belang om zoveel mogelijk gebiedseigen beplanting te kiezen, die past bij het type ondergrond en die ook klimaatadaptief is. De ecologisch en recreatief waardevolle gebieden verbinden we onderling beter met fiets- en wandelnetwerken en ecologische verbindingen. Tezamen zorgen ze voor een robuust recreatief en ecologisch netwerk. Bij ontwikkelprojecten is het streven dat deze natuurinclusief worden aangelegd. Dat wil zeggen dat er ruimte is voor inheemse flora en fauna. In de openbare ruimte kunnen dat groenstroken zijn van voldoende omvang en bij bouwprojecten kunnen bijvoorbeeld nestkasten in de gevel worden opgenomen.
02 Haarlem zet in op bewegen en recreëren
Aandachtspunten
•••• Ecologische waarden versterken in hotspots en slim combineren met andere opgaven (recreatie, energie opwekking, klimaatadaptatie).
•• Beplanting altijd kiezen op toekomstbestendigheid in het kader van klimaatverandering.
• Ecologische structuren laten aansluiten bij de diversiteit
van de ondergrond in de stad. De invulling van ecologische hotspots wordt mede bepaald door bodemeigenschappen en de waterhuishouding.
••
We onderzoeken hoe natuur op efficiënte wijze onderdeel kan uitmaken van alle ontwikkelingen.
••
Haarlem zet in op het beweegvriendelijk maken van de stad en het vrijmaken van ruimte om te recreëren. Hiervoor worden de drie grote stadslandschappen (Binnenduinrand, Spaarnelandschap en Stadsrandpark Oost) versterkt, de parken beweegvriendelijk ingericht en wordt het recreatief fiets- en wandelnetwerk versterkt. De drie grote stadslandschappen worden versterkt door nieuwe opgaven zorgvuldig in te passen en tegelijkertijd de recreatieve en ecologische kwaliteiten te versterken. De stadsparken vormen een belangrijke schakel in het recreatief systeem en sociaal weefsel van de stad. Het zijn al eeuwenlang dé plekken dichter bij huis waar Haarlemmers kunnen sporten, bewegen, verblijven, afkoelen of elkaar ontmoeten. Recreatiegebieden verbinden we onderling beter met fiets- en wandelnetwerken en ecologische verbindingen. Tezamen zorgen ze voor een robuust recreatief en ecologisch netwerk.
••• Tien-minuten netwerk koppelen aan recreatief/ ecologisch netwerk.
••• Verbindingen tussen landschappelijke dragers verbeteren. ••• De landschappelijke routes richting Nationaal Park
Zuid-Kennemerland, Waterleidingduinen en recreatieschap Spaarnwoude verbeteren.
••• Bereikbaarheid van de landschappelijke dragers vanuit de woongebieden versterken.
•••• Spaarne als doorgaande recreatieve structuur
versterken door wandel- en fietsroutes erlangs te versterken.
•••• Stadsrandpark als doorgaande recreatieve structuur
versterken door wandel- en fietsroutes erlangs te versterken.
Natuurwaarde van boerenland in buitengebied versterken.
•••• Sleutelgebied Dwars Door Schalkwijk.
Aandachtspunten
••• Sleutelgebied Integrale Vernieuwing Openbare Ruimte
•• Meer ruimte voor beweging in stadsparken, waarbij
Meerwijk (IVORIM).
cultuurhistorische waarden, ecologische waarden en gebruik als ontmoetingsplek worden gecombineerd. In de verschillende wijken is een andere behoefte met betrekking tot bewegingsruimte. De beweegvriendelijke inrichting wordt dus afgestemd op de behoefte van de gebruikers van het park.
••• Door goede inrichting van de ondergrond zorgen dat
de parken het hele jaar bruikbaar blijven voor de gewenste functies, bijvoorbeeld niet te droog voor vegetatie, maar ook niet te nat , zodat je niet meer in het gras kan zitten.
•• Versterken van de ecologische verbindingen tussen ecologische hotspots.
••• Versterken van de recreatieve verbindingen tussen de drie grote stadslandschappen.
••• In het stadsrandpark ruimte bieden aan nieuwe ruimte-
vragers die nodig zijn voor energietransitie en klimaatadaptie.
•••• Sleutelgebied Stadslandschappen, Stadsrandpark Oost als pilot.
•••• Sleutelgebied Dwars Door Schalkwijk.
••• Vergroenen en vernatten van het recreatieve en
ecologische netwerk. Met oog voor (grond)watereffecten in de omgeving.
•• Minder verharding in het recreatief en ecologisch netwerk; meer groen en blauw.
••• Recreatief netwerk aansluiten op stadsstraten.
110
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
111
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
03 Haarlem kiest voor het beperken van milieu- en gezondheidseffecten
Gezondheid en welbevinden in de stad worden beïnvloed door de milieukwaliteit. Hieronder rekenen we geluid, geur, straling, luchtkwaliteit en bodemkwaliteit. Voor deze milieukwaliteiten neemt Haarlem altijd minimaal de wettelijke normen als uitgangspunt. We streven naar permanente gezondheidswinst en het zo spoedig mogelijk voldoen aan de advieswaarden van de WHO met betrekking tot luchtkwaliteit. Aandachtspunten
•••• Bij het bouwen van woningen en andere gevoelige functies houden we rekening met de geluidsbelasting.
• Bij het bouwen van huizen, het aanleggen van speelplaatsen en andere gevoelige functies controleren we of de lucht- en bodemkwaliteit geen onacceptabele gezondheidsrisico’s opleveren.
• Grond die van elders wordt gehaald om in Haarlem te
gebruiken moet aansluiten bij de gemiddelde kwaliteit om de basiskwaliteit van de bodem – die momenteel geen belemmering vormt voor normaal gebruik – te behouden.
•••••• Sleutelgebied Spaarnedriehoek & Zuidstrook Waarderpolder.
112
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
113
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
9.5 Uitwerking: energietransitie in Haarlem Haarlem draagt bij aan een klimaatneutrale samenleving. Dit betekent dat we op termijn niet meer CO2 uitstoten dan de stad kan opnemen. Een belangrijk onderdeel hiervan is de wijze waarop we met energie omgaan omdat de meeste CO2-uitstoot afkomstig is van de verbranding van fossiele brandstoffen. De energietransitie zal voor Haarlem ingrijpende gevolgen hebben omdat we allemaal een steentje moeten bijdragen. De energiestrategie heeft ook een belangrijke regionale component, in de eerste plaats omdat we als Haarlem niet al onze eigen energie kunnen opwekken maar ook omdat de infrastructuur niet bij de grenzen van de stad stopt. Goede regionale samenwerking is daarom voor de energietransitie van groot belang. Belangrijke uitgangspunten bij de energietransitie zijn duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en het samen met de stad maken van keuzes. Deze komen overeen met de uitgangspunten die de Haarlemmers hebben meegegeven bij de transitievisie warmte. Ook houden we rekening met cultuurhistorische waarden, gezondheid en de ruimtelijke kwaliteit van de stad. Vanwege de fijnmazigheid van de opgave zien we een belangrijke rol voor collectieve initiatieven in de buurt of wijk. Als we het samen doen kan de energietransitie een belangrijke bijdrage leveren aan de sociale cohesie in de stad.
Om de energietransitie voor elkaar te krijgen zetten we in op het besparen en efficiënt benutten van energie, het duurzaam opwekken van energie en tot slot op het creëren
van ruimte voor de infrastructuur die nodig is om de stad van energie te voorzien. Het besparen van energie speelt een zeer belangrijke rol in de energietransitie. Dit doen we bijvoorbeeld door gebouwen goed te isoleren, door bomen te planten, te zorgen dat gebouwen in de zomer niet te veel last hebben van hittestress, in hogere dichtheid te gaan wonen en werken, waar mogelijk bij transformaties in de bebouwde omgeving zoveel mogelijk van de oorspronkelijke bebouwing te hergebruiken en op een andere manier te gaan reizen. Vervolgens zetten we in op het efficiënt benutten van energie, bijvoorbeeld door de warmtevraag die na isoleren overblijft uit duurzame bronnen te halen en schone elektriciteit zoveel mogelijk lokaal te produceren. Vanwege de hoge dichtheid van Haarlem zal de lokale winning en productie van duurzame energie ons energieverbruik in de toekomst slechts gedeeltelijk dekken. Waar mogelijk zullen we dit doen, maar we zullen ook goed moeten samenwerken met de regio en de rest van Nederland. Om dit alles te kunnen doen investeren we in een robuuste en betrouwbare infrastructuur die de juiste bronnen op het juiste moment aan de energiebehoefte van de stad koppelt door boven- en ondergrondse ruimte voor energieopslag en -transport te reserveren en creëren.
Deze infrastructuur is gebaseerd op bestaande netwerken en breiden we uit met warmtenetten met duurzame warmtebronnen, verzwaarde elektriciteitsnetten, extra laag-, midden-, en hoogspanningsstations en bodemenergiesystemen voor warmte- en koudeopslag (WKO).
01 Bestaand: gas- en elektriciteitsnetwerk
02 2045: versterkt elektriciteitsnetwerk, warmtenetten, diverse vormen van lokale warmteen elektriciteitsopwekking op eigen grondgebied. 114
Op deze kaart is de integrale visie op de energietransitie van Haarlem in beeld gebracht. De kaart maakt per buurt inzichtelijk welke aardgasvrije warmteoplossingen het meest voor de hand liggen. Dit betekent natuurlijk niet dat alle gebouwen in die buurt ook van die techniek gebruik zullen maken. De kaart laat ook zien wat de samenhang tussen de verschillend energiesystemen is. De energie transitie heeft niet alleen impact bovengronds maar ook ondergronds, het elektriciteitsnet werk moeten worden verzwaard en verschillende infrastructuur claimt onder gronds ruimte in de stad. De locatie van de warmtenetten is voorlopig en indicatief ingetekend en kan bij uitwerking nog verplaatsen als een andere locatie toch beter geschikt blijkt.
Legenda
01
02
Warmtenet (voorlopig) Warmtenet (indicatief) Warmtebron (voorlopig) Warmtebron (indicatief) Potentiële bron aquathermie Toekomstlandschap met o.a. energie-opwekking Energiestation (verdwijnt) Energiestation (blijft) Energiestation (breidt uit, voorlopig) Onderstation (nieuw, voorlopig) Warmtenetbuurt (MT, voor 2030, voorlopig) Warmtenetbuurt (MT, voor 2035, voorlopig) Warmtenetbuurt (MT, voor 2040, voorlopig) Elektrische warmtepomp-buurt (voorlopig) PVT-warmtepomp-buurt Hybride warmtepomp-buurt (voorlopig) Elektrische warmtepomp, ZonneWarmteNet of MT warmtenet (voorlopig) Beschermd stadsgezicht Energie-opwekking
115
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
Verdiepende uitspraken 01 Haarlem zet in op het besparen en efficiënt benutten van energie
Ons huidige energieverbruik hangt samen met de wijze waarop onze leefomgeving is georganiseerd. Om onze eigen klimaat doelstellingen te halen is het belangrijk te zorgen dat we minder energie verbruiken. We zetten daarom in op optimale besparing van energie en slimme opslag en distributie van aanwezige energie. Energie die je niet gebruikt hoef je immers niet op te wekken en we verliezen dan ook geen kostbare energie bij transport, opwekking en gebruik. Hiervoor zijn verschillende strategieën. Door onze gebouwen beter te isoleren hebben we minder energie nodig om ze te verwarmen en te koelen. Ook het aanplanten van meer groen heeft een verkoelend effect. Verder zorgt een hogere woon-, en werkdichtheid ervoor dat we minder grote afstanden hoeven af te leggen en dus minder brandstof verbruiken. Ook zetten we in op een zo laag mogelijk gebruik van energie. Zo hebben gestapelde en geschakelde gebouwen een lagere verwarmingsbehoefte dan vrijstaande gebouwen. In de Waarderpolder en bedrijventerrein Polanenpark in Haarlemmermeer staan datacenters. De warmte die bij deze datacenters vrijkomt, wordt indien mogelijk, in de toekomst benut voor het verwarmen van gebouwen. Dit geldt ook voor aanwezige warmte in het afvalwatersysteem en in het oppervlaktewater; in de zomer warmt de zon het water op. De hele ondergrond van de stad is geschikt voor de opslag van warmte en koude.
Om negatieve interferentie tussen de systemen onderling te voorkomen, worden interferentiegebieden aangewezen waarbij in kaart wordt gebracht waar warmteen koudebronnen mogen worden geplaatst. We willen bodem energiesystemen op private gronden en in collectiviteit zoveel mogelijk als open systeem bouwen. Dit is noodzakelijk om concurrentie op beschikbare ruimte met (ondergrondse) infra structuur te voorkomen. Collectieve warmteoplossingen dragen bij aan sociale cohesie en passen daarom goed bij Haarlem.
02 Haarlem zet in op duurzame energieproductie
•• Door compact te bouwen verminderen we huishoudelijk
energieverbruik. Het verkleint de kans dat warmte via het geveloppervlak ontsnapt. Ook verkleinen we de gemiddelde reisafstand en bijbehorend energieverbruik omdat wonen, werken en voorzieningen zich dichter bij elkaar bevinden.
•••• Bij verdichting worden plannen gemaakt om de extra
druk op bovengrondse en ondergrondse (openbare) ruimte in te passen.
••• Meer groen aanplanten in woon- en werkomgeving. De
ondergrondse effecten van groen, zoals risico voor bodemdaling en droogvallende fundering, worden hierin meegewogen.
•• Ruimte in de ondergrond reserveren en/of creëren voor groen. •
Als mogelijk benutten van de restwarmte van datacenters (en eventueel andere bedrijven) uit de Waarderpolder en Polanenpark via warmtenet.
•• Gebieds- of projectontwikkelingen nabij het Spaarne gebruik laten maken van thermische energie uit oppervlaktewater (aquathermie).
•• Gebieds- of projectontwikkelingen nabij de hoofdleiding gebruik laten maken van thermische energie uit afvalwater (riothermie), als dit kan zonder nadelige effecten op het functioneren van de riolering en RWZI.
• Gebieden aanwijzen voor het plaatsen van warmte- en
koudebronnen om negatieve interferentie tussen de systemen onderling te voorkomen. Hierbij wordt rekening gehouden met eventuele beïnvloeding van de omgeving door concurrerende systemen.
•••••• Aandachtspunten
•• Optimaal isoleren van het woningbestand met respect
Sleutelgebied Wijken met complexe stapeling van
opgaven.
••
Voor de productie van elektriciteit gaan we de daken optimaal gebruiken en benutten we de potentie van het landschap aan de oostkant van de stad. Bij energieopwekking op daken vinden we het belangrijk om zo goed mogelijk aan te sluiten op de bestaande (cultuurhistorische) waarden. In de toekomst zullen innovatieve technieken mogelijk zorgen dat energieopwekking volledig geïntegreerd kan worden in gebouwen. Voor het zover is, is het belangrijk nu al te beginnen met het toepassen van bestaande technieken. Bij vervanging zorgen toekomstige technieken voor een nog betere inpassing. Aan de oostkant van de stad ligt de Stelling van Amsterdam, een groot samenhangend landschap met UNESCO-status dat is aangelegd als waterkundig verdedigingswerk. Dit landschap heeft cultuurhistorische, ecologische, recreatieve en economische waarden die we met een samenhangende visie willen versterken. De geschiedenis van het landschap biedt aanknopingspunten voor ruimte voor energieproductie. Maar energieproductie moet ook integraal onderdeel worden van een landschap waarin ook recreatie, ecologie en waterberging samen komen en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het landschap worden versterkt.
Aandachtspunten
• Ruimte voor geothermielocaties; aanwijzen en reserveren
(warmteoverdrachtstation, warmtepompencentrale, piek- en back-upinstallatie.
• Bronnen aansluiten op het warmtenet. • Positionering geothermische bronnen afstemmen met buurgemeenten.
•••• Integraal ontwerp voor de oostrand van Haarlem
waarin energieopwekking een plaats krijgt. Schoteroog is een eerste onderzoekslocatie.
• Mogelijkheden en kansen vergroten voor zonnepanelen in het beschermd stadsgezicht.
• Meer aansturen op het benutten van grote daken voor zonne-energie.
•• Nieuwbouw optimaal benutten voor energieopwekking. •• (Tijdelijke) collectieve parkeervoorzieningen optimaal benutten voor energieopwekking.
• Onderzoeken mogelijkheid en wenselijkheid energieopwekking op Schouwbroekerplas.
• Onderzoeken mogelijkheid en wenselijkheid energieopwekking spoortracé.
•• Sleutelgebied Ramplaankwartier. •••••• Sleutelgebied Ontwikkelzones. •••• Sleutelgebied Stadslandschappen, Stadsrandpark Oost als pilot.
Sleutelgebied Ramplaankwartier.
voor eventuele cultuurhistorische waarden.
•••••• Sleutelgebied Ontwikkelzones.
••••• Reizen verminderen, veranderen en verschonen.
•••••• Sleutelgebied Spaarnedriehoek & Zuidstrook
116
Hoewel de boven- en ondergrondse ruimte in Haarlem beperkt is, zal die ruimte een bijdrage moeten leveren aan de productie van onze eigen energiebehoefte. Het gaat dan om het opwekken van elektriciteit uit zon en wind en het winnen van warmte uit de diepere aardlagen (geothermie). Geothermie is nodig om een deel van de gebouwen in Haarlem te voorzien van warmte. Toepassing van geothermie is afhankelijk van de samenstelling en vorm van diepe aardlagen. Als geologisch onderzoek aantoont dat geothermie voldoende potentie heeft, zoeken we rondom het stedelijk gebied, binnen de gemeentegrenzen, een aantal geschikte locaties voor de bouw van een warmteproductiestation.
Waarderpolder.
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
117
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
03 Haarlem biedt ruimte voor boven- en ondergrondse energie-infrastructuur.
De energietransitie legt een grote ruimtelijke claim op de ondergrond. Als Haarlem in 2040 van het aardgas af wil zijn moeten nieuwe warmtetechnieken zoals warmtenetten worden ingepast. Om het systeem betaalbaar te maken, maar ook omwille van efficiënt ruimtegebruik, betrouwbaarheid en sociale cohesie, willen we dit zoveel mogelijk doen met collectieve technieken: warmtenetten met duurzame warmtebronnen. Dergelijke netwerken vragen veel ruimte in de ondergrond en bovengronds en deze ruimtevraag zal toenemen naarmate in de loop van de tijd meer gebouwen van het aardgas gaan. Op plekken waar hiervoor op dit moment nog niet voldoende ruimte is, is het nodig deze ruimte tijdig te reserveren of te creëren. Ook neemt de claim op de ondergrond toe doordat elektriciteit een grotere rol gaat spelen in het (lokale) energiesysteem en de bijbehorende infrastructuur dus significant in omvang toeneemt. Dit komt deels door technologische ontwikkelingen zoals elektrisch rijden, dataverkeer en Internet of Things-toepassingen, deels doordat elektriciteit aardgas (gedeeltelijk) vervangt en deels doordat we lokaal ook steeds meer elektriciteit gaan opwekken. Dit alles betekent dat de infrastructuur voor distributie en opslagmogelijkheden van elektriciteit moeten worden uitgebreid. Dit gaat om de netwerken en conversiepunten (laag-, midden-, en hoogspanningsstations).
Haarlem heeft volgens de prognose van netwerkbeheerder Liander, afhankelijk van scenario’s voor het gebruik van elektriciteit bij de energietransitie, de mate van energiebesparing en de toename van elektrisch rijden, enkele tientallen tot honderden extra distributieruimten nodig. Dit gaat een enorme claim leggen op de openbare ruimte en vraagt om goede regie en planning van de ondergrond en de openbare ruimte. De toegenomen afhankelijkheid van energie maakt het noodzakelijk dat het systeem robuust is en dat bij uitval van (een deel van) het systeem een alternatief beschikbaar is. De grote ruimtelijke claims behorende bij de energietransitie vragen om goede regie en planning van de ondergrond en openbare ruimte. Zeker omdat er naast de energietransitie nog een aantal grote ruimtelijke claims liggen die om dezelfde ruimte concurreren, onder andere met betrekking tot klimaatadaptatie.
118
Aandachtspunten
• Warmtetransportleidingen aanleggen tussen locaties met
een grote collectieve warmtevraag en plekken waar significant warmte-aanbod is.
• Gefaseerde aanleg van warmtenetten. Dat kan op plekken
waar de ondergrond geschikt is, en ook de huizen geschikt zijn; de eis aan die huizen is dat ze voldoende geïsoleerd zijn.
• Tracé warmtenetten waar dat al bekend is, reserveren of creëren. • Ruimte in de ondergrond reserveren en/of creëren op de
locatie van een warmte transportleiding ten behoeve van een samenhangend warmtesysteem op termijn.
•• Ruimte voor distributieruimten van diverse omvang reserveren of creëren.
• Inzetten op lokale productie (bijvoorbeeld zonnepanelen op
daken) en opslag (bijvoorbeeld een batterijwand) van elektriciteit om belasting van het net te verminderen en meer zicht te bieden op eigen energieverbruik aan huishoudens en bedrijven.
•• Ruimte in de ondergrond voor aanvullende netwerken (ook glasvezel/5G, gescheiden riool, drainage, etc.) reserveren of creëren.
•• Regie voeren op ondergrondse ordening en anticiperend plannen op ondergrondse ruimte.
••• Distributieruimten in de openbare ruimte integraal ontwer-
•• Werken aan richtlijnen voor de
••• Verbinding zoeken met de rioolvervangingsopgave en de
•••••• Sleutelgebied Ontwikkelzones.
pen en combineren met andere ruimteclaims in de openbare ruimte. Bij integratie van transformatoren in gebouwen gezondheidsrisico’s voor kinderen vermijden.
klimaatuitvoeringsagenda om werk-met-werk te maken, en de ruimtereserveringen voor de verschillende opgaven op elkaar af te stemmen.
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
optimale inrichting van het straatprofiel met ruimte voor alle toekomstige ontwikkelingen.
••• Sleutelgebied Integrale
Vernieuwing Openbare Ruimte Meerwijk (IVORIM).
119
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
Op deze kaart is de visie op duurzame bereikbaarheid verbeeld. Gezonde en ruimte efficiënte mobiliteit staan hierbij centraal. Op de kaart zijn de OV-knooppunten, aantrekkelijke voetgangersgebieden en het fijnmazige fietsnetwerk in beeld gebracht. Autoverkeer wordt gebundeld rondom de stad. Op de kaart zijn indicatief locaties voor mobiliteitshubs aangeven. Het ruimte maken voor geclusterd parkeren en deelconcepten is onderdeel van de visie op duurzame mobiliteit. Op termijn zet Haarlem in op een goede lightrailverbinding naar Amsterdam Zuid en Schiphol.
9.6 Uitwerking: Duurzaam bereikbare stad Om de groeiende stad bereikbaar en in beweging te houden én om ruimte te maken voor het vergroenen van de stad zet Haarlem in op een mobiliteitstransitie. De mobiliteitstransitie kent drie stappen: het verminderen, het veranderen en verschonen van mobiliteit. We maken mogelijk dat het aantal reizen en de afstand ervan vermindert. Dit gaat samen met het feit dat we verdichten waardoor voorzieningen, sociale contacten en werkplekken meer dan nu dichter bij huis zijn. Dat leidt tot minder reisbewegingen in de stad. Ook is het belangrijk om te investeren in goede digitale connectiviteit zodat werken niet per se en altijd op de werkvloer hoeft. Ontwikkelingen zoals thuiswerken en meer focus op lokaliteit leveren een bijdrage aan deze stap. Veranderen betekent dat we voor de resterende reizen inzetten op ruimte-efficiënte en gezonde vormen van mobiliteit, zoals de voetganger, fietser, het openbaar vervoer en de combinatie hiervan. Hierbij hoort ook het inzetten op deelmobiliteit. Dit doen we door de infrastructuur voor deze vormen van mobiliteit te versterken
en condities te scheppen die veranderen mogelijk maken. Denk aan een tien-minuten netwerk in de stad voor actieve mobiliteit, het aanleggen van (deel)mobiliteitshubs en betere OV-bereikbaarheid. Verschonen betekent ook dat het resterende gemotoriseerde verkeer op hernieuwbare brandstoffen zal gaan rijden. Hiervoor scheppen we condities door het elektriciteitsnet te verzwaren zodat de benodigde infrastructuur in de vorm van onder andere laadpalen en oplaadpunten aangelegd kan worden. Door hier op in te zetten, werken we aan een beter bereikbare stad die de groei aankan, zuinig met energie omgaat en die ruimte heeft voor gezondheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit en ontmoeting. Ook op regionaal niveau zet Haarlem in op de mobiliteitstransitie. De ontwikkeling van OV-Knoop Nieuw Zuid en het agenderen van een (light)rail verbinding naar Amsterdam Zuid via Nieuw Zuid zijn hiervan onderdeel. Dit vraagt om een goede regionale samenwerking.
01 Bestaand: fijnmazig autonetwerk met trein- en buscorridors
02 2045: fijnmazig fietsnetwerk, versterkte OVcorridors en OV-knooppunten, auto gebundeld op de ring en minder dominant in de buurt
120
Legenda
P HUB
HUB
01
02
HOV busverbinding (voorlopig) Nieuwe HOV busverbinding (voorlopig) Nieuwe lightrailverbinding (voorlopig) Treinverbinding Ruimtereservering uitbreiding mobiliteitssysteem Fietsnetwerk (voorlopig) Regionale autoring (voorlopig) Autoverbinding (voorlopig) Wandelgebied Parkeergarage Stadsdeelhub (indicatief) Stadspoort (voorlopig) Distributiehub (indicatief) Regionale treinknoop Regionale busknoop HOV bushalte Sprinterstation
121
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
Verdiepende uitspraken 01 Haarlem kiest voor het slim en duurzaam organiseren van het mobiliteitssysteem
Om de beperkte ruimte in de groeiende stad op een slimme manier te benutten, kiezen we ervoor prioriteit te geven aan vormen van mobiliteit die, zowel rijdend als stilstaand, het meest ruimte-efficiënt en duurzaam zijn. Denk aan de voetganger, de fietser, de gebruiker van het OV en de deelautomobilist. Dit zijn ook de gezondste vormen van mobiliteit. Door de ruimte in de stad efficiënt te benutten, blijft Haarlem bereikbaar en is er ook ruimte voor de versterking van andere doelen, zoals de aantrekkelijke stad, groene stad, gezonde stad, klimaatadaptieve stad en metropolitane economie. Duurzame mobiliteit is mobiliteit die zowel bijdraagt aan de behoeften van de huidige generatie als aan die van toekomstige generaties. Het doel is een optimaal evenwicht tussen bereikbaarheid, economie, leefmilieu, gezondheid en klimaat. Dit wordt gedaan door in te zetten op een mobiliteitstransitie (meer gebruik van gezonde vormen van mobiliteit en minder van de auto) en door het verschonen van de mobiliteit (minder CO2-uitstoot van het gemotoriseerde verkeer).
Aandachtspunten
•••••• Dagelijkse voorzieningen dichter bij huis. Hiermee
beperken we de noodzaak tot lange(re) reisafstanden. Je kan je makkelijker te voet of met de fiets verplaatsen.
•••••• Nieuwe wijken autoluw ontwerpen. Een lagere
parkeernorm in combinatie met goede voorzieningen voor voetgangers en fietsers en een goede aansluiting op het OV-systeem.
•••••• In bestaande wijken de openbare ruimte terug
winnen op die van geparkeerde privéauto’s, zodat op plekken waar openbare ruimte hard nodig is, deze kan worden gebruikt voor andere doelen. Dit kan enerzijds door het aantrekkelijker maken van de alternatieven, zoals fietsen en OV en anderzijds door het minder aantrekkelijk maken van privé-autobezit (bijvoorbeeld door parkeerregulering in combinatie met het aanbieden van deelmobiliteit).
122
02 Haarlem kiest voor een aantrekkelijke, toegankelijke en veilige openbare ruimte voor actieve mobiliteit •••••• Parkeren op afstand. In stadsdelen waar op termijn
in de openbare ruimte geen plek meer is voor privéauto’s, wordt voor een deel hiervan gezocht naar alternatieve plekken op afstand. Aan de rand van de stad vormen P+R-terreinen of mobiliteitshubs in de toekomst een belangrijke schakel in het mobiliteitssysteem van Haarlem. In aanvulling daarop komen er stadsdeel/wijkhubs in combinatie met deelmobiliteit en centrale oplaadpunten voor elektrisch vervoer. De verkeersstromen van en naar de hubs creëren nieuwe bewegingen door de stad, die kansen bieden voor economische functies.
•••••• Stedelijke logistiek gericht op het verminderen van
goederenstromen in de stad: onder andere door het gebruik van overslagpunten buiten de binnenstad. De Waarderpolder is ideaal als overslaggebied voor distributie van goederen in de last mile. Wel moet ook hier aandacht blijven voor het efficiënt en zo intensief mogelijk benutten van de schaarse ruimte. Dit vraagt om meer verbindingen met de stad, zoals bijvoorbeeld fietsbruggen. Verder is ruimte nodig voor (tijdelijke) opslag van (bouw)materialen; dit is een regionale opgave.
••••• Fiets en voetganger krijgen prioriteit. In de stad
geven we prioriteit aan directe, aangename en comfortabele routes en goede faciliteiten voor voetgangers en fietsers (tien-minutennetwerk). Hierbij horen ook voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen, zowel bij woningen als bestemmingen.
•••• Een duidelijke wegenstructuur gebaseerd op 30 km/u.
Een lagere snelheid in de stad zorgt voor minder CO2-uitstoot, een aantrekkelijker en veiliger leefmilieu en minder reden om te kiezen voor de auto, omdat deze niet per definitie sneller is. Uitzondering hierop vormen de hoofdroutes van auto en HOV. Voor deze routes geldt een maximumsnelheid van 70-50 km/uur. Op deze routes worden extra maatregelen getroffen om de verkeersveiligheid van voetganger en fietser te waarborgen.
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
••••• Het bundelen van autoverkeer op hoofdroutes. Om
doorgaand verkeer door de stad te minimaliseren en sluipverkeer door de wijken te voorkomen, zorgen we voor een goede hoofd ontsluitingsstructuur.
Iedereen moet zich actief en op een prettige en veilige manier kunnen verplaatsen in de openbare ruimte. Dit geldt zowel voor jong en oud, als voor mensen met een mobiliteitsbeperking.
••• Faciliteren van de transitie naar zero emissie vervoer.
Bijvoorbeeld door te zorgen voor voldoende laadfaciliteiten. Deze maatregel hangt samen met de energietransitie, met name met de ombouw van het elektriciteitsnetwerk.
•••••• Sleutelgebied Ontwikkelzones.
Aandachtspunten
••••• Tien-minuten netwerk: dagelijkse en essentiële
voorzieningen zijn binnen tien minuten te bereiken op een veilige, toegankelijke en comfortabele manier, te voet of met de fiets. Nabijheid, veiligheid en snelheid (invullen ontbrekende en zwakke schakels).
•••• Een duidelijke wegenstructuur gebaseerd op 30 km/u.
Een lagere snelheid in de stad zorgt voor een aantrekkelijker en veiliger leefmilieu.
•••• Voetgangerszones aanleggen bij winkelgebieden, OV-knopen en rondom scholen.
•••• In het centrum gaat men zoveel mogelijk te voet. Op
verschillende plekken in en rondom het centrum worden overof opstappunten (zowel huidige als toekomstige) benoemd: parkeergarages, fietsenstallingen en (H)OV-haltes waar de stedelijke reiziger een centrumbezoeker (te voet) wordt.
•••••• Ontbrekende schakels en verbeteren tien-minuten netwerk, inclusief fietsring.
•••••• Sleutelgebied Ontwikkelzones. •••••• Sleutelgebied Wijken met complexe stapeling van opgaven.
123
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
V E R D I E P E N D E U I T W E R K I N G P E R I N T EG R A L E O P GAV E
03 Haarlem kiest voor goede verbindingen met de regio
Mobiliteit is bij uitstek een thema dat niet ophoudt bij de stadsgrenzen. Haarlem is kernstad van Zuid-Kennemerland en onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam. Deze regio’s functioneren gezamenlijk als een daily urban system waarbinnen veel heen en weer wordt gereisd. De regionale bereikbaarheid is daarom van groot belang voor Haarlemse inwoners, bedrijven en bezoekers. De regionale reiziger maakt vooral gebruik van de (e-)fiets, het OV of een combinatie daarvan, en als de bereikbaarheid op deze manier niet voldoende is, van de auto.
Aandachtspunten
••• Aanleggen van regionale doorfietsroutes richting Velsen, Hoofddorp, Schiphol en Amsterdam.
••••••
Aanleg nieuw OV-knooppunt Haarlem Nieuw Zuid (bij de Europaweg/Schipholweg). Het functioneren van deze knoop is van groot belang voor de mobiliteitstransitie als geheel.
••••• Knooppuntontwikkeling Station Haarlem, Haarlem
Nieuw Zuid en Oostpoort: goede en aantrekkelijke aansluiting op fiets- en voetgangersnetwerk.
••• Aan de noordkant van het spoor tussen Haarlem
Centraal en Amsterdam Centraal reserveren we op Haarlems grondgebied een strook van tien meter voor een toekomstige uitbreiding van het regionale mobiliteitssysteem.
•••••• Een fijnmazig, toegankelijk stedelijk OV-systeem gericht op de binnenstad en OV-knooppunten.
•••••• Volwaardige HOV/lightrailverbinding tussen
Haarlem en Schiphol(Noord)/Amsterdam-Zuid en tussen Haarlem-Hoofddorp.
•••••• Bundelen van autoverkeer op hoofdroutes. Het
regionale autoverkeer wordt gebundeld op een ring rondom de stad (N208-N205-A9 – nieuwe afrit ter hoogte van Velsen/ Velserboog – N208).
•••••• Sleutelgebied Verbeteren regionaal OV-netwerk, inclusief ketenmobiliteit.
•••••• Sleutelgebied Delftplein. •••••• Sleutelgebied Nieuw Zuid. ••••• Sleutelgebied Stationsgebied.
•••••• Betere fiets- en voetgangersverbindingen
met stations Heemstede-Aerdenhout, Bloemendaal en Santpoort-Zuid.
•••••• Herverdelen van de HOV-routes over de (binnen)
stad en andere delen van de stad beter aansluiten op het HOV-netwerk (onder andere in Haarlem Zuid West). Naast de twee bestaande binnenstadroutes via de Kinderhuisvest en de Gedempte Oude Gracht wordt ook gekeken naar de Gedempte Oostersingelgracht/Lange Herenvest en Amsterdamsevaart/Prins Bernhardlaan als alternatieve routes.
124
• Mengen en verdichten • Buurtgericht ontwikkelen • Vergroenen en vernatten • Bevorderen gezonde leefomgeving • Ruimte voor energie en regie op de ondergrond • Mobiliteitstransitie
125
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
10
Uitvoering
126
127
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
10.2 De stedelijk strategische uitwerking
10.1 Van visie naar uitvoering en sturing De omgevingsvisie is vanaf het moment van vaststellen bepalend voor wat we doen in de verschillende gebieden, programma’s, beleid en projecten. Denk aan de opgaven van de gebieden, ontwikkelzones, stadsbrede mobiliteitsopgaven en beleidsprogramma’s zoals duurzaamheid en klimaatadaptatie. De omgevingsvisie beschrijft en agendeert de opgaven die gerealiseerd moeten worden. Om tot die opgaven te komen zijn al veel integrale keuzes gemaakt en is gekeken waar koppelkansen en synergiën zijn te bereiken. En dan nog zal in de praktijk blijken dat niet alles tegelijkertijd kan en dat de gemeente het ook niet alleen kan. Bovendien kan niet alles overal. Om het maximale voor de stad te bereiken en om de ruimtelijk-inhoudelijk meest optimale oplossing te implementeren, moeten de Haarlemse opgaven binnen de context van de gebieden worden bezien. Ruimte in Haarlem is schaars en ditzelfde geldt ook voor de financiële middelen. Ook gaan ontwikkelingen in de maatschappij en de techniek soms snel. Dat vraagt steeds om integrale afwegingen, slimme oplossingen, prioriteren en het leidt per definitie tot het moeten maken van keuzes.
128
De uitvoeringsparagraaf beschrijft hoe we tot een stedelijk strategische uitwerking willen komen: wat op hoofdlijnen de uitgangspunten zijn om van het wat tot het hoe te komen en wat we daarin van anderen verwachten. Ook daarbij beginnen we niet op nul, want in de stad wordt door vele partijen al volop gewerkt aan een groot aantal van de gestelde opgaven. Om hieraan structuur en houvast te bieden, benoemen we allereerst de onderliggende uitgangspunten van die uitwerking: over hoe de omgevingsvisie te implementeren in beleid, gebieden, ontwikkeling, samenwerkingen en initiatieven. Dit geldt voor binnen de stad, maar ook voor de samenwerking tussen stad en regio. De strategische uitwerking is dan zowel voor de stad als onze positie in de regio. Ook beschrijven we de vervolgstappen om van visie tot plannen en verdere uitvoering te komen. Vervolgens beschrijven we hoe we gaan monitoren en sturen op beleid om op koers te blijven en om te kunnen bijsturen als ontwikkelingen en/of de bestuurlijke context hierom vraagt.
Het is verleidelijk te denken dat we er zijn met het vaststellen van de omgevingsvisie; dat de opgaven uit de omgevingsvisie ‘gewoon’ uitgevoerd worden. De omgevingsvisie, inclusief de daarbij horende afwegingen, moeten in projecten of zones worden opgepakt. Zonder nadere kaders vinden oplossingen en optimalisaties daar plaats, met het risico dat optimalisaties sec financieel worden gestuurd en oplossingen niet in samenhang een plek krijgen. Functies die financieel minder rendabel zijn, delven dan sneller het onderspit als er geen kaders zijn om mee te sturen. Zoals een bestemmingsplan of beleidskader. De omgevingsvisie geeft kaders om afwegingen te maken die integraal en op stads- en gebiedsniveau moeten worden geprioriteerd en gestuurd. Waar liggen welke opgaven en wat is de eerste vijf tot tien jaar op stads- en gebiedsniveau minimaal nodig om een gebalanceerde groei te realiseren zoals in de groeipotentie is opgenomen? De kans op betere ruimtelijke samenhang is groter wanneer op stedelijke vraagstukken ook stedelijke sturing plaatsvindt. Altijd in samenhang met de opgaven die op gebieds- en wijkniveau spelen.
Daarom volgt er logischerwijs op de omgevingsvisie een stedelijk strategische uitwerking. Deze uitwerking gaat over de handelswijze van de gemeente voor de komende vijf tot tien jaar op stedelijk niveau. Vanuit stedelijk perspectief worden er kaders gesteld voor het maken van afwegingen en prioriteiten met het bijbehorende instrumentarium. Dit moet passen binnen het handelingsperspectief voor de langere termijn. Ook worden er kaders geboden zodat er ruimte blijft om doelen bij te stellen. Er wordt een relatie gelegd tussen het korte en lange termijnperspectief, zodat we stapsgewijs kunnen toewerken naar het wenselijke eindbeeld. Met een stedelijk strategische uitwerking heeft het bestuur concrete handvatten voor het uitvoeren van de opgaven en ambities die zijn opgenomen in de omgevingsvisie. Denk aan het bestendigen van de duurzaamheids- en mobiliteitsambities, het zuinig gebruik van de openbare ruimte en de woningbouwopgave. Door vanuit stedelijk niveau af te dalen naar het perspectief van gebieden-, zones en locaties kunnen we een betere integrale afweging maken en worden op een gebalanceerde manier zoveel mogelijk kansen benut. Met de stedelijke strategie houden we de stadsbrede opgaven op de korte en lange termijn in beeld.
Daarnaast gaan we in op belangrijke uitgangspunten bij ontwikkelingen volgend uit de omgevingsvisie, geven we uitwerking aan de strategische uitvoeringsrichtingen en beschrijven we belangrijkste elementen van de financiering van de uitvoering. Dit alles moet bijdragen aan het realiseren van de opgaven en ambities.
129
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
Zeven strategische uitvoeringsrichtingen Er zijn zeven strategische uitvoeringsrichtingen die van belang zijn voor de uitwerking:
1. Een gebalanceerde en gefaseerde ontwikkeling van Haarlem
De opgaven en ambities uit de omgevingsvisie zijn divers, complex en soms ook concurrerend. Niet alles kan in een keer en niet alles draagt (in dezelfde mate) bij aan de opgaven. Daarom is prioriteren en faseren een belangrijk onderdeel van de stedelijke strategie. En als geldt dat een ontwikkeling niet leidt tot een substantiële bijdrage aan bijvoorbeeld betaalbare woningen, duurzaamheid en werkgelegenheid of de stedelijke kwaliteit, dan geeft de gemeente er minder prioriteit aan of werkt er liever niet aan me.
Zie tijdlijnkaarten op pagina 138
2. Lange termijn altijd in beeld
Nieuwe opgaven als de energietransitie, klimaatadaptatie en de mobiliteitstransitie vragen, mede door de impact en de technologische ontwikkelingen, om een uitwerking waarin de lange termijnvisie nadrukkelijk wordt meegenomen. Dat betekent nu al nadenken over de ruimtevraag van morgen en zorgen dat er in plannen plek blijft om nieuwe ontwikkelingen en eventuele nieuwe technieken in te passen. Daarbij is het goed te beseffen dat de ruimtelijke opgaven altijd voortbouwen op de kenmerken en kwaliteiten van de stad, de plek in de stad en de sociale context. Bestaande kwaliteiten, identiteiten en erfgoed vormen de basis voor nieuwe ontwikkelingen.
130
3. Investeringen dienen meerdere doelen
Investeren in de uitvoering is een proces van keuzes maken, want middelen en ruimte zijn schaars. Bij nieuwe initiatieven kijken we zowel naar de bovengrond als de ondergrond en maken bij de opgaven en belangen een integrale afweging. We geven voorkeur aan initiatieven die bijdragen aan meer stedelijke opgaven tegelijkertijd. De gemeente moet daarbij de kosten en investeringen inpassen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn of moet met samenwerkingspartners zorgen voor aanvullende financiële ruimte. De ambities voor de stad op het gebied van onder meer wonen, werken, sociaal en klimaat worden realistisch en uitvoerbaar als de bekostigingsopgaven tijdig en in samenhang worden geadresseerd. Functies die financieel minder rendabel zijn maar wel essentieel voor de stad worden integraal meegenomen bij ontwikkelingen.
4. Programma’s en integrale afweging
Ten opzichte van een aantal decennia terug, is stedelijke ontwikkeling veranderd. Een aantal grote opgaven, zoals de klimaatverandering de energietransitie en mobiliteitstransitie hebben zich prominent op de agenda geplaatst. Hierop moeten we tijdig anticiperen. De omvang van de daaraan gekoppelde vraagstukken, zijn soms nog niet eens helemaal in beeld. Wel kan de stad wat al bekend is, integreren in bestaande gebieds- en beheeropgaven en beleid. De omgevingsvisie wordt vertaald naar programma’s. De omgevingsvisie is al een integraal document. Het integraal afwegen van de diverse programma’s blijft echter ook een continu proces.
5. Samen werken aan en co-creëren in de stad
We werken bij de uitvoering altijd samen met partners in de stad en regio en met andere overheden. Dat laatste moet ook omdat de opgaven en afhankelijkheden zodanig groot zijn dat de stad er alleen niet uitkomt of dat ze de stad overstijgen en naar andere oplossingen moet worden gezocht. We versterken onze allianties met ontwikkelende partijen en haken proactief aan bij de MRA voor bijvoorbeeld de Greendeals, klimaat adaptatie en bereikbare steden. We maken gebruik van bestaande en nieuwe netwerkpartners. Per opgave, kan dit leiden tot wisselende coalities en allianties. Samenwerken betekent niet alleen bouwen aan netwerken. Het gaat ook over het samenbrengen van partners en partijen met een gedeeld belang, zodat mensen en middelen sneller aan een gezamenlijk doel kunnen werken. Om nieuwe kansen en mogelijkheden te kunnen verzilveren, moeten budgetten en uitvoeringsprogramma’s in een bepaalde mate adaptief zijn. Dit betekent bijvoorbeeld ook dat we goed aangesloten zij bij regionale ontwikkelingen en dat we effectief kunnen handelen op het moment dat zich financieringskansen voordoen. Ook zullen we steeds vaker samen met de bewoners, ondernemers en gebruikers van de stad plannen voor wijken en buurten in co-creatie uitwerken en afspraken maken over wat en hoe zal worden opgepakt en uitgevoerd. De toekomst van de stad is een gedeelde verantwoordelijkheid.
6. Altijd in dialoog met bewoners, stakeholders en gebruikers van de stad
De maatregelen die voortkomen uit de opgaven en ambities in de omgevingsvisie en de zorg voor een leefbare stad, kunnen impact hebben op de leefomgeving van bewoners en gebruikers. De nieuwe Omgevingswet geeft aan dat initiatiefnemers bij gebiedsontwikkeling en nieuwe initiatieven in een vroeg stadium in gesprek gaan met de direct betrokkenen en de stad. De initiatiefnemer moet zorgen dat alle belangen en
wensen in beeld zijn gebracht, voordat de gemeenteraad een besluit neemt. Daarbij is het belangrijk om ambities te koppelen en te kijken naar de kansen en mogelijkheden van de plek. De opgaven en ambities uit de omgevingsvisie en kunnen beter en sneller in gezamenlijk heid worden gerealiseerd. Er is een collectieve verantwoordelijkheid, waarin ieder zijn steentje moet bijdragen. Samenwerking tussen gemeente, bewoners, ondernemers en grondeigenaren is noodzakelijk voor succes. De gemeente heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het collectieve belang en de zorg dat het functioneren van de stad als geheel wordt gewaarborgd. Via gebiedsgericht werken wordt de integrale aanpak binnen een gebied en/of wijk geborgd en de verschillende belangen altijd in breed perspectief afgewogen.
7. We leren van onze projecten: inzet pilots om kennis en ervaring op te doen en mee te kunnen bewegen met wensen in de stad
Het in samenhang uitwerken van de nieuwe uitdagingen is leuk maar ook ingewikkeld. Met pilots willen we in de praktijk onderzoeken hoe om te gaan met bijvoorbeeld de nieuwe opgaven op het gebied van mobiliteit, klimaat en energie. Zo kan het tijdelijk invoeren van maatregelen, zoals het ruimte geven aan aanbieders van nieuwe mobiliteitsvormen, veel nuttige data genereren. Dit betekent dat we doelstellingen moeten formuleren, moeten monitoren, goede evaluatie criteria benoemen en soms ook een pilot moeten stoppen als deze onvoldoende bijdraagt aan de gestelde doelen. Ook bij ontwikkelprojecten vragen de vele verschillende opgaven om pilots op het gebied van bijvoorbeeld flexibel bouwen, dubbelgebruik van openbare ruimte of minder parkeerruimte. Te denken valt aan pilots in het kader van de mobiliteitstransitie, zoals bijvoorbeeld het vergroten van het aantal bewoners vergunningen in parkeergarages en het aanleggen van deelmobiliteit-hubs. Of pilots die gaan over nieuwe samenwerkingsvormen met de stad.
131
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
Tijdlijnkaarten 2021 • 2025
132
2025 • 2035
2035 • 2045
133
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
Elementen in de stedelijke strategie Bestaande en nieuwe programma’s
Stedelijk omgevingsprogramma & omgevingsplan
Omgevingsvisie
Thematische plannen Thematische programma’s Omgevings programma’s
Van omgevingsvisie naar uitvoering via programma’s en gebieden De volgende stap is om de omgevingsvisie verder uit te werken in verschillende programma’s, gericht op de uitvoering van de visie. Daarbij gaat het om thematische programma’s, gebiedsprogramma’s en zoneontwikkeling. Samen vormt dit het stedelijk omgevingsprogramma dat moet worden opgenomen in het omgevingsplan Haarlem.
134
Bestaande programma’s koppelen we daarmee aan de omgevingsvisie, naast het opstellen van een aantal nieuwe programma’s
Gebieds programma’s
Zone ontwikkeling
Het programma Klimaat en energie, programma Geluid, programma Wonen en Duurzame mobiliteit zijn voorbeelden van thematische programma’s die voortvloeien uit de omgevingsvisie en de Omgevingswet. Gekeken wordt of de lopende programma’s Duurzaamheid en Energietransitie kunnen worden opgenomen in programma’s van de omgevingswet. De programma’s worden geconcretiseerd in plannen, bijvoorbeeld een uitvoeringsplan energie neutrale stad. En omgevingsprogramma’s, bijvoorbeeld het oplossen van de stikstofdepositievraagstukken.
• Gebiedsprogramma’s • Gebiedsplannen (jaarlijks) • Pilot’s • Zonevisie’s (en uitvoeringsplannen) • Wijk-/buurtplannen
Naast deze thematische omgevingsprogramma’s stellen we ook programma’s op voor de sleutelgebieden uit de visie. We doen dit voor ten minste deze gebieden: • De stadsdelen (de uitgewerkte integrale ontwikkelopgave per stadsdeel) • De Spaarnedriehoek (Waarderpolder) (verbinden Waarderpolder met de stad, wonen en werken) • Stadsrandpark Oost (energielandschap, recreatie, biodiversiteit) • De wijken waar complexe opgaven samenkomen, zoals de Leidsebuurt en Transvaal (o.a. versterken sociale structuur, vergroenen, energietransitie)
Ontwikkelzones voor woningbouw
Daarnaast heeft Haarlem een aantal ontwikkelzones aangewezen waarbinnen de woningbouwplannen de komende jaren voor een groot deel moeten worden uitgevoerd. Voor deze zones zijn samenhangende ontwikkelvisies vastgesteld. Er wordt vol ingezet op ontwikkelzones met behulp van de woningbouwimpulsmiddelen. Naast de zones waar de focus ligt op woningnieuwbouw, zijn er ook gebieden/ wijken waar een aantal andere thema’s uit de omgevingsvisie samenkomt en waar integrale keuzes en prioriteiten moeten worden gemaakt.
Van programma’s en zones naar omgevingsplannen
Na het vaststellen van deze omgevingsvisie wordt in het vervolg van bestaande visies op gebieds- en zoneniveau gekeken hoe er aangesloten wordt op de omgevingsvisie en of aanpassingen nodig of wenselijk zijn. De kaders uit de gebiedsprogramma’s, thematische programma’s en zoneontwikkeling worden opgenomen in het omgevingsplan van Haarlem.
Doorwerking in projecten en bij initiatieven
De omgevingsvisie werkt via gebieds-, en thematische programma’s door in zoneontwikkeling en ruimtelijke projecten. Bij die doorwerking in projecten maken we op het moment van vaststelling van de omgevingsvisie onderscheid tussen lopende projecten met allerlei contractafspraken en nieuwe initiatieven uit de stad.
Lopende projecten
De omgevingsvisie kan aanleiding zijn om sommige lopende projecten te herijken of aan te passen of van extra urgentie te voorzien. Per project, bijvoorbeeld de ontwikkelingen bij de Knooppunten of zoneontwikkeling wordt gekeken of er aanleiding is voor scopewijzigingen. De omgevingsvisie agendeert een aantal ontwikkelingen en biedt daartoe nieuwe kaders. Daarnaast biedt de omgevingsvisie een toetsingskader om nieuwe initiatieven te beoordelen, zowel van de gemeente als van externe partijen.
Portfoliosturing bij nieuwe projecten en initiatieven
Door het instrument portfoliomanagement te introduceren, stuurt de gemeente op prioritering en andere indicatoren. Haarlem bouwt binnenstedelijk en wordt daardoor steeds compacter. Initiatieven die aan meerdere stedelijke opgaven tegelijk bijdragen, zoals groei en klimaatadaptatie, passen daarom beter bij de visie en krijgen (meer) prioriteit. Het initiatief krijgt na beoordeling een beknopt ontwikkelingskader mee waarin ook is gekeken naar eventuele raakvlakprojecten waaraan het gekoppeld kan worden. Dit kader is gebaseerd op de omgevingsvisie en geeft richting voor fysieke, sociale en economische ontwikkeling.
135
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
UITVOERING
10.3 Blijven sturen op en bijsturen van de omgevingsvisie Een omgevingsvisie is nooit af. Door samen aan de slag te gaan met de benoemde opgaven, veranderen deze in de tijd. Nieuwe inzichten en veranderingen in de maatschappij, de markt en/of onze eigen organisatie vragen om bijstelling van de opgaven en soms ook van onze rol.
eid s
10.3.1. Monitoring
Het efficiënt en doeltreffend realiseren van de opgaven vraagt om een continue integrale afweging. Vanuit de wens om te kunnen bewaken of en in hoeverre gestelde doelen worden bereikt en genomen maatregelen effectief zijn en de filosofie ‘meten is weten’, is een Haarlems monitoringsinstrument ontwikkeld in de vorm van een dashboard. Monitoring is het periodiek en systematisch verzamelen, ordenen, beheren en presenteren van gegevens, uitgaande van een duidelijke vastgestelde uitgangssituatie (nulmeting). Wat het dashboard onderscheidt van eenmalig onderzoek is dat hier regelmatig c.q. herhaaldelijk via eenzelfde meetmethode dezelfde gegevens worden ingewonnen.
on t
ng e li ikk
Te ru
pp
Bel
g lin
De omgevingsvisie is onderdeel van de Haarlemse beleidscyclus. De omgevingsvisie vormt een belangrijke stap in de beleidsontwikkeling en doet dit vanuit integraal perspectief. De richtinggevende uitspraken in de omgevingsvisie werken door in de andere kwadranten van de beleidscyclus (zie afbeelding). De ambities in de omgevingsvisie worden vertaald naar het beleid en geïmplementeerd in de uitvoering via thematische en gebiedsprogramma’s, zoneontwikkeling en projecten.
w
gk o
De gemeente heeft bij de uitvoering van de visie verschillende rollen. Van rechtmatige opdrachtgever en efficiënte dienstverlener tot flexibele samenwerkingspartner, aanjager en ondersteuner van maatschappelijke initiatieven of handhaver van het publiekrechtelijk belang. Om inzicht te hebben of ontwikkelingen op koers liggen, om goed te kunnen sturen en bijsturen als dat moet, is het belangrijk om enerzijds de voortgang van de uitvoering goed te monitoren en te leren van wat is uitgevoerd en om anderzijds periodiek de visie en uitvoering te herijken op basis van ontwikkelingen en verwachtingen.
Sturing via de beleidscyclus
Monitoring en evaluatie Algemene regels
Toezicht en handhaving
Omgevingsvergunning/ projectbesluit
Omgevingsvisie/ omgevingswaarden
rk we or
ing
g rin
Programmatische aanpak
o
U i t vo e
136
eid sd
Schema Beleidscyclus
Energietransitie
Sociaal weefsel
Ambitie einde termijn
10.3.2 Haarlems dashboard Omgevingsvisie
Om te kunnen meten of de in de Omgevingsvisie beschreven doelen op het niveau van de stad en gebied worden gehaald, is het Haarlemse Dashboard Omgevingsvisie ontwikkeld. Dit Haarlemse dashboard maakt aan de hand van zes thematische pijlers inzichtelijk in hoeverre de doelen behaald worden. Het zijn integrale pijlers die passen bij het doel van de omgevingsvisie om de opgaven integraal te benaderen. Daarnaast is er ook een pijler die betrekking heeft op de kosten die de uitvoering van de visie met zich meebrengt. Het Haarlemse dashboard Omgevingsvisie maakt zo op overzichtelijke wijze de gevolgen op hoofdlijnen zichtbaar. Het Haarlemse Dashboard Omgevingsvisie laat de effecten van de uitvoering van de visie zijn. Het laat zien waar de vorderingen naar verwachting verlopen, wat de consequenties zijn van eerder genomen beslissingen en hoe deze beslissingen passen binnen het grote kader. Het dashboard fungeert daarmee als een kompas om integraal tot goede afwegingen te komen.
Aantrekkelijke woon én werkstad
Gezonde stad voor mens en dier
Ambitie ‘mid term’
Bereikbare stad
Nulmeting
Kosten
Figuur 1: Visualisatie Dashboard Omgevingsvisie
Het dashboard is ook het hulpmiddel om de opgaven uit de Omgevingsvisie concreet te maken en inzichtelijk te maken waar aanpassingen nodig zijn. Hiermee zet Haarlem het instrument strategisch in, als onderdeel van het doorlopen van de beleidscyclus. Dat betekent dat informatie over de toestand van de leefomgeving in alle fasen van de beleidscyclus wordt ingezet en meegewogen. Het dashboard helpt om het gesprek over de realisatie van de Omgevingsvisie op het juiste niveau te voeren; niet op de details, maar op strategisch niveau. De thermometers zijn gebaseerd op een uitgebreide set indicatoren. Deze sluit ook aan op de indicatoren die in de OER zijn opgenomen. Aan de hand van deze indicatoren kan meer gedetailleerde informatie worden gepresenteerd om de stand van zaken nader te verklaren. Met het dashboard kan worden teruggekeken op de prestaties van de voorbije periode. Dit kan aanleiding vormen om op bepaalde onderwerpen bij te sturen. De kracht zit in de jaarlijkse herhaling. Elk jaar maak je een foto van de stand van zaken, die je vervolgens door de jaren heen kunt volgen. Dit helpt om vooruit te kijken en eventuele aanpassingen te doen. Daarmee is het Haarlemse Dashboard Omgevingsvisie een monitorings- én bijsturingsinstrument.
Be l
Programma’s
Klimaatbestendig
1 Op dit moment is de uitwerking van de indicatoren per pijler binnen het Team Omgevingswet nog ‘work in progress’. Hierdoor is het (nog) niet mogelijk om de score per thermometer, aan de hand van de achterliggende indicatoren, te automatiseren. Vooralsnog zal de score een interpretatie moeten zijn, gebaseerd op de achterliggende indicatoren. Het dashboard geeft geen informatie over het waarom en is daarmee geen evaluatie-instrument.
137
OMGEVINGSVISIE HAARLEM 2045
10.3.3 Pijlers Omgevingsvisie
10.3.4 Voorbereiden implementatie
We kiezen voor een programmatisch aanpak (het zogeheten ambitie-inspanningenmodel) om focus aan te brengen waar we ons op richten. De programma’s bevatten een concrete uitwerking van de doelen in de visie. De programmatische aanpak helpt bestuurlijke ambities te verbinden met concrete activiteiten.
• Het intern beleggen van het Haarlemse Dashboard Omgevingsvisie; • Specifieke deskundigheid organiseren en zorgen voor voldoende middelen én voldoende capaciteit • Het proces helder beschrijven • De monitoringssystematiek borgen in de plando-act-check-cyclus van de uitvoering.
De pijlers zijn tot stand gekomen op basis van gedeelde ambities, de trends – en ontwikkelingen analyse en interviews met experts. De omgevingsvisie bevat heldere doelen. In de uitvoering worden afspraken gemaakt hoe deze doelen te bereiken. Het dashboard helpt vervolgens om deze doelen concreet te maken en tot afspraken te komen. Daarbij is het noodzakelijk dat alle betrokkenen goed zicht hebben op elkaars beelden bij succes, hoe daarnaar wordt gekeken en wat het gedeelde referentiekader is.
Haarlem realiseert zich echter ook dat niet alle ambities ten volle kunnen worden ingepast. De stad heeft namelijk beperkte ruimte en beperkt budget. Hiertoe moeten in de komende jaren keuzes worden gemaakt in de opgaven waar Haarlem voor staat. Vanuit de gedeelde ambities en specifieke doelen, helpen de zeven pijlers om aan de hand van objectieve scores tot een goede integrale afweging te komen. Voor iedere pijler wordt een aantal indicatoren benoemd waarmee feitelijke informatie wordt verzameld over het wat, hoe en wanneer . De frequentie waarop de pijlers in het dashboard worden ververst hangt vanzelfsprekend samen met de frequentie waarop de indicatoren worden gemeten. Uitgegaan wordt van een frequentie van één keer per jaar.
138
Met dit Haarlems Dashboard Omgevingsvisie is een begin gemaakt voor de uitwerking van het monitoringsinstrument. De uitwerking is echter nog niet compleet. Daarvoor moeten in volgende fasen nog enkele aspecten worden uitgewerkt, zowel in de uitwerking van de voorgestelde effect- en prestatie indicatoren en vanzelfsprekend aansluitend op de definitieve Omgevingsvisie en haar governance. Haarlem kiest daarom voor:
Proces
Indicatoren
• De kwalitatieve doelen in de ‘ER’-vorm formuleren, zodanig dat deze evalueerbaar zijn; • De kwantitatieve doelen in de SMART-vorm formuleren, zodanig dat deze meetbaar zijn; • De indicatoren per pijler beschrijven, zodanig dat deze op een geautomatiseerde wijze tot één score geaggregeerd kunnen worden; • De benodigde indicatoren en de beoogde effecten en te leveren prestaties vastleggen.
Data
• Het proces van data inwinning verbeten • Het centraal organiseren van het verzamelen en beheren van de indicatoren • Een nulmeting uitvoeren, zodat er een referentie is voor met name de ‘ER’-doelen.
Colofon Dit is een uitgave van gemeente Haarlem Projectgroep Anja Brandenburg, Gonda Ruijterman, Jeroen Traudes, Joep Ursem, Karin Bodewes, Marijn Leijten, Martijn Dekker, Mick de Waart, Rolf Tjerkstra, Thomas Hartog, Tom van der Eng. Inputgroep Agnes Becker, Anco van der Veen, Christien Jordaan, Djoeke Kalis, Djorn Noordman, Eline Hin, Elske Tamminga, Elwin Leusink, Hellen Jennissen, Kees Jan Bandt, Marc Plantaz, Mariët Christiaans, Nelleke Manschot, Peter Tromp, Rik Schaap, Simea Knip. En met de bijdrage van vele anderen binnen de gemeentelijke organisatie Deze omgevingsvisie is tot stand gekomen in gesprek met inwoners, experts, wijkraden, buurgemeenten. De gemeente wil iedereen die heeft meegedacht over de omgevingsvisie hartelijk bedanken voor alle opmerkingen en ideeën. Contact Gemeente Haarlem Postbus 511 2003 PB Haarlem omgevingsvisie@haarlem.nl Redactie Anja Francissen Vormgeving Pudelskern, Dorothee Haneke Fotografie Michel Campfens Jurriaan Hoefsmit Bibi Veth Marisa Beretta Jur Engelchor Noord-Hollands Archief (p.17, 47) Parkmanagement Waarderpolder (p.119) Hans Guldenmond (p. 87, 125, 126) Rijksstudio/Rijksmuseum (p.38)