CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20201150972 2. Bijlage 1 Toelichting concept ontwerpbestemmingsplan Spaarne Gasthuis Buurt

commissie Ontwikkeling 7 januari 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Ter inzage leggen ontwerpbestemmingsplan Spaarne Gasthuis, ontwerpbesluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder, ontwerpbeeldkwaliteitplan39.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

3.3.4.3 Relatie met het plangebied De Amerikaweg en de Europaweg vormen in deze stadsdelen een specifieke stedenbouwkundige ontwerpopgave. Als lijn zijn beide een belangrijke kwaliteit van deze stadsdelen: een volwassen groenstructuur van voldoende omvang. In gebieden met transformatie regie mogen ontwikkelingen van grotere woonbuurten zich onderscheiden van hun stedenbouwkundige context. Bij grootschalige transformatie wordt uitgegaan van behoud van bestaande groen- en waterstructuren die een positieve bijdrage leveren aan de openbare ruimte. Er zijn vrijheden in stratenpatroon, bouwbloktype of architectonische uitwerking binnen de aangegeven richting (zie paragraaf 4.7 Criteria voor ruimtelijke kwaliteit). Bij transformatie is duurzaamheid (waterhuishouding, materiaalkeuze etc.) een nieuwe opgave. Ingrijpende transformatieplannen moeten integraal uitgewerkt zijn in een ruimtelijke verkenning of gebiedsvisie, die na vaststelling als nader beoordelingskader geldt. Voor kleine ingrepen binnen bestaande buurten of eenheden (stroken, complexen, ensembles) blijft toetsing gericht op instandhouding van de bestaande kwaliteit. Daarvoor zijn in deel 2 van de NRK criteria opgenomen. Er is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld als gebiedsgerichte uitwerking van de gemeentelijke welstandsnota.

3.3.5 Wonen Haarlem is een geliefde stad om in te wonen. De vraag naar woningen in Haarlem blijft onverminderd hoog. Maar door deze populariteit is het niet gemakkelijk om in Haarlem een betaalbare woning te vinden die bij je past. De betaalbaarheid en de beschikbaarheid van vooral sociale huurwoningen staat onder druk. In de Woonvisie wordt ingezet een toename van sociale huurwoningen, zodat de wachttijd korter wordt. Dit is ook noodzakelijk omdat er veel ontwikkelingen zijn die vragen om een grotere voorraad. Denk aan ouderen die langer zelfstandig blijven wonen, aan statushouders, een groep nieuwe Haarlemmers die we ook een plek moeten geven. Maar denk ook aan de jonge woningzoekers en aan mensen die vanuit de maatschappelijke opvang komen en weer een eigen plek moeten vinden. De gemeente wil een inclusieve stad zijn, een stad voor iedereen! De gemeente zet de komende jaren in, tot en met 2025, op het toevoegen van 7.500 extra woningen, waarvan 1.900 sociale huurwoningen. Deze sociale huurwoningen wil de gemeente vooral aan de westkant van onze stad realiseren. Aan de oostkant komen naast sociale ook duurdere woningen ter bevordering van gemengde wijken in onze stad. Dit doen we met behoud van de voorzieningen en kwaliteiten die Haarlem zo sterk maken.

26

Bij nieuwbouw hebben we aandacht voor levensloopbestendig bouwen, flexibiliteit en duurzaamheid, bij voorkeur gasloze woningen. Stadsdeel Schalkwijk wijkt met zijn naoorlogse woningvoorraad sterk af van de overige stadsdelen van Haarlem. Bijna de helft van de woningen (46%) is gebouwd in de jaren ’60. Er is weinig differentiatie in woonmilieus, zowel in type als prijssegment. In dit stadsdeel is bijna 60% van de woningvoorraad in bezit van corporaties. Dit hoge percentage in combinatie met het type woning (portieketagewoningen en galerijflats), en bijbehorend woonmilieu maken het stadsdeel kwetsbaar. Tegelijkertijd zijn er in Schalkwijk volop kansen. De volgende aandachtspunten voor het wonen in Schalkwijk zijn de komende jaren van toepassing: •

• • • • •

Realisering van gemengde wijken met verschillende prijssegmenten. Bij nieuwe woningbouwontwikkelingen moet de verhouding 40% sociale huur, 40% middel dure huur en 20% koop zijn voor woningenbouwprojecten vanaf 30 woningen. Uitvoering geven van de herstructureringsprojecten gericht op differentiatie, kwaliteitsverbetering, leefbaarheid en aanpak van de openbare ruimte. Intensivering van bebouwing waar mogelijk met behoud van aanwezige ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in de wijken. Verbetering van imago door ruimte te bieden voor experimenteren en intensiveren van functies (bv zelfbouw/ kluswoningen). Uitvoering geven aan Langer Zelfstandig Thuis wonen. Doorgaan met de Duurzaamheidsaanpak.

Spaarne Gasthuis ziekenhuis terrein Op het terrein van het Spaarne Gasthuis ziekenhuisterrein komen 200 woningen, waarvan 80 woningen (40%) sociaal en daarvan 70% onder de aftoppingsgrens. De rest zijn middeldure koopappartementen in de vrije sector. Pre Wonen bouwt 50 kleine sociale huurappartementen. De wens is verder het woonmilieu aan te laten sluiten bij de ontwikkelingen in Schalkwijk Midden; een hoge dichtheid in een campusachtige groene setting waarbij ruimte is voor meerdere functies. Met het toevoegen van deze woningen wordt ook een grotere diversiteit beoogd in Schalkwijk. Doelgroepenverordening Haarlem Haarlem kent sinds 12 maart 2020 (datum inwerkingtreding) een doelgroepenverordening “doelgroepen woningbouw Haarlem 2020”. Daarin zijn de uitgangspunten uit de Haarlemse nota “instrumenten en kaders sociale huur en middensegment”, opgenomen in de doelgroepenverordening, voor de categorie sociale huur, middeldure huur en sociale koop een daarmee vastgelegd t.b.v. uitwerking in het bestemmingsplan. Bij de nadere uitwerking van het woonprogramma worden deze kaders in acht genomen. In het bestemmingsplan wordt de realisatie van 200 nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waarvan 40% sociaal. Met deze ontwikkeling wordt daarmee een substantiële bijdrage geleverd aan de ambitie vastgelegd in de Woonvisie.

3.3.6 Verkeer en vervoer Met het vaststellen van de Structuurvisie Openbare Ruimte Haarlem 2040: Groen en Bereikbaar (SOR) op 21 december 2017, is het Haarlems Verkeer en Vervoersplan (HVVP, 2003) vervallen. In de SOR is de ambitie voor Haarlem beschreven: een stad waar ruimte is om met elkaar te kunnen wonen, leven en verblijven. De SOR beschrijft de keuzes die Haarlem in de toekomst groen en bereikbaar houden.

27

Ten aanzien van het aspect verkeer liggen er specifieke opgaven voor het afwikkelen van verkeersstromen. Of het nu gaat om de groeiende fietsersstromen, de doorstroming van (hoogwaardig) openbaar vervoer (HOV), de afwikkeling van het regionale gemotoriseerde verkeer of om de bereikbaarheid van de binnenstad voor de toenemende stroom bezoekers, waaronder toeristen. Daarnaast moet de parkeerdruk in de wijken beheersbaar blijven om de bereikbaarheid te garanderen en de leefbaarheid te waarborgen. In het SOR zijn derhalve de volgende aandachtspunten benoemd: • • • • •

Groeiende fietsers- en voetgangersstromen accommoderen. Regionaal autoverkeer oost-west om de stad geleiden. Parkeerdruk binnenstad en omliggende wijken in goede banen leiden. Bereikbaarheid binnenstad garanderen. Metropolitane verbindingen verbeteren.

Voor het plangebied wordt vooral invulling gegeven aan het eerste en derde aandachtspunt. In paragraaf 4.7 wordt het aspect verkeer en vervoer voor het onderhavige plan nader uitgewerkt.

3.3.7 Water 3.3.7.1 Waterbeleid, waterwetgeving en waterregelgeving Vanaf 22 december 2009 is de Waterwet van kracht. Deze wet regelt het beheer van grond- en oppervlaktewater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op basis van deze wet is in december 2015 het Nationaal Waterplan 2016-2012 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan worden antwoorden geformuleerd op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer voor Nederland. De gemeente heeft de zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater. Voor nieuwbouw en herinrichting hanteert de gemeente het afval- en hemelwater gescheiden af te voeren. Voor nieuwbouw locaties wordt 100% van het hemelwater van particulier terrein geïnfiltreerd op eigen terrein of afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hierbij kan overwogen worden om voorzieningen voor waterberging en infiltratie te realiseren. Als een perceel direct grenst aan oppervlaktewater, dan schrijft de gemeente voor dat het hemelwater daar, bij voorkeur met enige vertraging, op wordt geloosd. Voor het grondwater geldt een ontwatering van minimaal 0,70 meter onder wegen en 0,90 meter onder vloerpeil van bebouwing.

3.3.7.2 Waterbeheerplan Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is oppervlaktewaterbeheerder. Het behoud en de bescherming van het totale watersysteem of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie is hierbij het vertrekpunt. In het Waterbeheerplan 2016-2021 geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna te noemen: Rijnland) zijn ambities aan en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn : • • • •

waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren; voldoende water: er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik; schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken; waterketen: het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. 28

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft het waterbeheer gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Dit geldt voor de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van zowel het grondwater als het oppervlaktewater. Het hoogheemraadschap van Rijnland hanteert hierbij de volgende richtlijnen: Kwantitatief is het eerste uitgangspunt dat de functiewijzigingen geen verstoringen veroorzaken in het watersysteem. Bij toenemende verharding in het plangebied moeten er maatregelen binnen het plangebied genomen worden om de negatieve effecten van deze ruimtelijke ontwikkeling op de waterhuishouding te voorkomen, waarbij de voorkeursvolgorde van infiltreren, bergen, afvoeren wordt toegepast. Als richtlijn voor compensatie hanteert het waterschap dat 15% van de toename van verharding gecompenseerd moet worden. Het tweede uitgangspunt is dat de klimaatontwikkeling geen verstoring veroorzaakt van het watersysteem. Nieuwe systemen dienen daarom met extreme buien te worden getoetst.

Kwalitatief is het uitgangspunt dat de functiewijziging niet mag leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt gestreefd om een gescheiden stelsel aan te leggen waarbij geen overloop van vervuild water naar de omgeving of het grondwater plaatsvindt. Overigens is het Hoogheemraadschap van Rijnland voor het aspect grondwater uitsluitend bevoegd gezag met betrekking tot het uitvoeren van grondwateronttrekkingen (bemalingen en bronnen). Uiteraard probeert Rijnland met de gemeente mee te denken en integraal te werken wat betreft het grondwaterbeheer.

3.3.7.3 Rijnlands Keur en Beleidsregels Rijnland dient haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder adequaat te kunnen uitvoeren. De “Keur” is een verordening van de waterbeheerder met juridisch bindende regels (gebod- en verbodsbepalingen). Zo zijn werken en werkzaamheden in en bij waterkeringen (dijken, kaden, duinen) en watergangen (sloten, vaarten, plassen) zonder of in afwijking van een vergunning op grond van de Keur niet toegestaan. Ook het aanbrengen van verhard oppervlak (bebouwing, bestrating) en het onttrekken van grondwater zijn in veel gevallen vergunningplichtig. In de “Beleidsregels” die bij de “Keur” horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt.

3.3.7.4 Integraal Waterplan Haarlem De gemeente Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben eind 2004 het Integraal Waterplan Haarlem vastgesteld. Dit plan is in 2014 geactualiseerd. Het doel van het waterplan is tweeledig: 1. Een toetsingskader bieden voor watergerelateerde projecten 2. Een plan van aanpak bieden om bestaande knelpunten in het watersysteem op te lossen en het watersysteem toekomstbestendig maken. Centrale doelstelling van het Integraal Waterplan is: de gemeente Haarlem en het hoogheemraadschap van Rijnland streven naar een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond, toekomstbestendig watersysteem, met een hoge belevingswaarde en relevante gebruiks- en natuurfuncties. 29

Het waterplan functioneert als strategisch kader voor gerelateerde beleidsvelden zoals het grondwater-, afvalwater-, en baggerbeleid. Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Het fijnmazige watersysteem van Haarlem is hierop berekend en het afstromend hemelwater wordt zo veel mogelijk ter plekke vastgehouden en geborgen alvorens te worden afgevoerd. Uitbreiding van het waternetwerk wordt gerealiseerd door: • • •

verbreden, opwaarderen en met elkaar in verbinding brengen van bestaande watergangen; graven van nieuwe watergangen en weer open graven van gedempte grachten; combineren van waterberging met natuur en agrarisch gebruik langs de groene randen van Haarlem, door flexibel peilbeheer en tijdelijke piekberging.

3.3.7.5 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Het GRP is een plan waarin op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken voor de vastgestelde planperiode en de langere termijn is weergegeven. Dit begint bij de maatschappelijke doelen van de gemeentelijke watertaken: • • •

het beschermen van de volksgezondheid; de kwaliteit van de leefomgeving beschermen en/of op orde houden door het voorkómen van wateroverlast, stank en waterkwaliteitsproblemen; het beschermen van het milieu; de bodem, grond- en oppervlaktewater door het beperken van emissies vanuit de riolering (onder andere via riooloverstorten).

Deze maatschappelijke doelen zijn door de wetgever omschreven in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Hiervoor zijn de volgende zorgtaken voor de gemeenten geformuleerd: • • •

zorgen voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater; zorgen voor inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert.

3.3.8 Duurzaamheid en energie 3.3.8.1 Inleiding Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd:

30

Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd. Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling door het college. Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het Omgevingsplan (OP) en worden de uitgangspunten juridisch geborgd. Randvoorwaarden en doeleinden (september 2019):

3.3.8.2 Energie en warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt met ingang van 1 januari 2020 de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENGeisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw.

De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit technisch of financieel niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma)

31

3.3.8.3 Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied.

3.3.8.4 Groen en ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (onder andere Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten door natuurinclusief te bouwen.

3.3.8.5 Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform Bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0 (Bouwbesluit 2018). Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten 0,8.

32

Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020).

Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde te zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden.

3.3.8.6 Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren.

Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc.

33

Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor patiënten, bezoekers en medewerkers van het ziekenhuis, maar ook voor bewoners van de woningen. Er moet sprake zijn van slimme, goed bereikbare en comfortabele locaties, waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit te vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen). Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW, publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving. In paragraaf 4.6 is nader uitgewerkt hoe de duurzaamheidsaspecten zijn geïntegreerd in de nadere planuitwerking.

34

Hoofdstuk 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Milieuzonering 4.1.1 Inleiding Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Het gebruik van milieuzonering biedt de mogelijkheid om gevoelige functies te vrijwaren van (zware) bedrijvigheid, maar biedt ook de mogelijkheid bepaalde bedrijvigheid te versterken. In de milieuzonering staat de typering van gebieden centraal. Bij het wel of niet toelaten van bepaalde bedrijvigheid in gebieden is gelet op onder andere de ligging van (potentiële) bedrijven ten opzichte van de omgeving, de mate van eventueel te verwachte hinder, zonering en het na te streven karakter van de buurt/wijk. Door middel van een passende bestemmings- en gebruiksregeling kan het bestemmingsplan een bijdrage leveren aan beperking van overlast binnen het plangebied, door niet passende bedrijvigheid of activiteiten zoveel mogelijk te weren, te reduceren, of door hinder beperkende maatregelen te treffen.

4.1.2 Gebiedstype Het grondgebied van Haarlem is in de nota Milieuzonering (2008) ingedeeld in gebieden of zones. Deze opdeling is bepaald door specifieke kenmerken van die gebieden (waaronder aanwezige functies, bebouwingsdichtheid, ligging ten opzichte van wegen en stations e.d.). Het plangebied valt volgens de milieuzoneringskaart in de gebiedstypering bedrijvigheid met als subcategorie voorzieningen. Op grond van het milieuzoneringsbeleid kunnen hier bedrijven tot maximaal categorie B worden toegestaan. De hoofdroutes zijn aangeduid als corridors. Hier is functiemenging van de categorie C in principe mogelijk. Voor categorie C bedrijven geldt in principe een indicatieve afstand van 50 meter. Echter het komt in een stad regelmatig voor dat op korte afstand al bestaande hindergevoelige functies aanwezig zijn. Categorie C kan dus niet direct toegestaan worden, maar dient situationeel afgewogen te worden. In dit bestemmingsplan worden, gelet op de gebiedsvisie, uitsluitend aan de medische voorzieningen, welzijnsinstellingen, woonzorgvoorzieningen, en zorginstellingen gerelateerde dienstverlening (waaronder zorggerelateerde dienstverlening) en aan deze voorzieningen en instellingen gerelateerde horeca, detailhandel en bedrijven toegelaten.

Alleen in ruimten die grenzen aan de aanduiding ‘gevellijn’ is in aanvulling op hoofdstuk 2 tevens niet aan de daar toegelaten voorzieningen en instellingen gerelateerde dienstverlening, -horeca, -detailhandel en bedrijven toegestaan. Die regeling is opgenomen met het oog op de gemeentelijke wens om levendigheid. De gemeente Haarlem kiest er voor om aan te sluiten bij het landelijke beleid met betrekking tot bedrijven en milieuzonering. Dat betreft de VNG richtlijn bedrijven en milieuzonering. Volgens deze richtlijn is een ziekenhuis enerzijds een hinderlijke functie. Bij een ziekenhuis geldt een hindercontour van 30 meter tussen het ziekenhuis en hindergevoelige functies, zoals wonen. In gemengd gebied, zoals hier het geval, kan een richtafstand van 10 meter worden aangehouden. De afstand tussen de nieuw toegevoegde bestemming Wonen en de bestemming Maatschappelijk is op alle plekken meer 35

dan 45 meter. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Anderzijds is een ziekenhuis zelf ook hindergevoelig. Het plangebied heeft op dit moment ook al een maatschappelijke bestemming. In de omgeving van het plangebied zijn geen hinderveroorzakende functies toegelaten die van invloed zijn op deze bestemmingsplanwijziging.

4.1.2 Conclusie De opgenomen regelingen in dit bestemmingsplan stuiten niet op belemmeringen die samenhangen met de milieuzonering. De regelingen sluiten aan op het gemeentelijk beleid. Gelet op het feit dat er sprake is van specifiek gedefinieerde zorggerelateerde functies is er voor gekozen om geen bedrijvenlijst op te nemen.

4.2 Bodem 4.2.1 Inleiding De gemeente heeft voor haar beheergebied een bodemkwaliteitskaart en gebied specifiek beleid vastgesteld (Nota bodembeheer 5-9-2013, BBV nr: STZ/MIL 2013/232071). Op grond van de Wet bodembescherming dient te worden getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies van wonen en een ziekenhuis in het bestemmingsplangebied. Voor het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en op de aan/afwezigheid van locaties verdacht van bodemverontreiniging en uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied.

4.2.2 Bodemkwaliteitszone Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Haarlemse bodemkwaliteitskaart vastgesteld (zie figuur 4.1). In de Haarlemse bodemkwaliteitskaart worden acht bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Zeven zones zijn op de kaart zichtbaar als geografische eenheden. Zone 8 heeft betrekking op openbare gebieden. Het bestaansrecht van deze zone bestaat in het feit dat ter plaatse van wegen een afwijkende kwaliteit wordt aangetoond dan de kwaliteit van het omliggende gebied. Het oppervlak van de bovengrond en ondergrond van deze zone verschillen van elkaar. Het bestemmingsplangebied (Spaarne Gasthuis buurt) is gelegen in de bodemkwaliteitszone 5. Daarnaast vallen de wegen en overig openbaar gebied in zone 8. In bodemkwaliteitszone 5 is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met lood, PAK en PCB. Plaatselijk komen lichte verontreinigingen voor met cadmium, koper, kwik, nikkel, zink, minerale olie, kobalt, barium en EOX. Gemiddeld is de ondergrond niet verontreinigd. In de ondergrond komen plaatselijk lichte verontreinigingen voor met koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK, minerale olie, PCB en EOX.

In bodemkwaliteitszone 8 (wegen en overig openbaar gebied) is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met kwik, lood, PAK en PCB. Plaatselijk komen matige verontreinigingen voor met lood en zink, lichte verontreinigingen met cadmium, koper, minerale olie, barium, kobalt en EOX.

36

Afbeelding 4.1 - Haarlemse bodemkwaliteitskaart

4.2.3 Onderzoek In voorbereiding op het bestemmingsplan zijn diverse bodemonderzoeken verricht. Er is onderzoek gedaan naar de milieu-hygiënische kwaliteit van de land- en waterbodem en de hergebruiksmogelijkheden (indicatief) van de eventueel vrijkomende materialen. Met het uitgevoerde land-, waterbodem- en verhardingsonderzoek is inzicht verkregen in de huidige milieu-hygiënische kwaliteit van het asfalt, het fundatiemateriaal, de grond, het grondwater en de waterbodem ter plaatse van beide vijvers en ter plaatse van het onbebouwde deel van het plangebied (BK Ingenieurs, Land-, waterbodem- en verhardingsonderzoek Spaarne Gasthuis locatie Haarlem-Zuid, 14 juni 2019; bijlage 2). Daarnaast zijn uitgevoerd: 37

•

•

•

een aanvullend vooronderzoek (BK Ingenieurs 14 juni 2019; bijlage 3), Het betreft een via briefrapportage aangeboden aanvullend vooronderzoek in aanvulling op het uitgevoerde land-, waterbodem- en verhardingsonderzoek. een aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (BK Ingenieurs, Aanvullend verkennend bodemonderzoek Spaarne Gasthuis locatie Haarlem-Zuid te Haarlem, 18 mei 2020; bijlage 4). Met dat onderzoek is inzicht verkregen in de mate van verontreiniging met formaldehyde en methanol ter plaatse van de eerder aangetoonde bodemverontreiniging en de mate van verontreiniging met PFAS. Tevens zijn de hergebruiksmogelijkheden op basis van PFAS op indicatieve wijze bepaald. een verkennend onderzoek naar het NW deel van het plangebied (BK Ingenieurs, Verkennend bodemonderzoek Boerhaavelaan 22 Haarlem, 27 maart 2019; bijlage 5). Met dit onderzoek is inzicht verkregen in de grond, het grondwater en de waterbodem in het Noordwestelijk deel van het plangebied.

Om inzicht te verkrijgen in de geschiktheid van de ondergrond binnen het plangebied voor de voorgenomen ontwikkelingen is daarnaast onderzoek gedaan naar de bodemopbouw (Sweco, onderzoek bodemopbouw ten behoeve van herontwikkeling Spaarne Gasthuis locatie Haarlem-zuid; geotechnische verkenning, 12 november 2019; bijlage 6). Het onderzoek is middels een geotechnische verkenning uitgevoerd, bestaande uit geotechnische veldonderzoeken (boringen en sonderingen) en een verkennende analyse ter beoordeling van het draagvermogen van de ondergrond en de (grond)waterhuishouding.

4.2.3 Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de beschikbare onderzoeksresultaten geen beperking opleveren voor de beoogde plannen. In het uitgevoerde land-, waterbodem- en verhardingsonderzoek en het aanvullende vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de beschikbare onderzoeksresultaten geen beperking opleveren ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling. De mogelijke bodemverontreiniging(en) betreft het gevolg van bedrijfsmatige activiteiten die of tijdens huidige voortzetting danwel op zijn laatst bij beëindiging hiervan moet worden verwijderd. Deze bodemverontreiniging(en) zullen derhalve naar verwachting niet meer aanwezig zijn op het moment dat met de daadwerkelijke realisatie wordt gestart. Op basis van de onderzoeksresultaten van het aanvullend bodemonderzoek is het aannemelijk dat ter plaatse van de formaldehydeproductie geen sprake is van een (sterke) bodemverontreiniging met formaldehyde en/of methanol. Het uitvoeren van vervolgonderzoek op dat aspect is niet nodig. Bij beëindiging van (delen van) de bedrijfsactiviteiten dient rekening te worden gehouden met het uitvoeren van een zogeheten eindsituatie bodemonderzoek naar de verdachte stoffen. Voorafgaand aan daadwerkelijke realisatie (van deelgebieden) dienen alsnog bodemonderzoeken uitgevoerd te worden.

Deze onderzoeken worden voorafgaand aan het roeren in de bodem (start bouw) uitgevoerd. Vanuit het onderzoek naar de bodemopbouw kan worden geconcludeerd dat de bodemopbouw geen belemmering vormt voor de voorgenomen plannen. De zettingsanalyse maakt duidelijk dat aan restzettingen zo nodig goed vorm gegeven kan worden, waarbij gewenste ophogingen zoveel als mogelijk beperkt zouden moeten worden. De bodemopbouw leent zich voor een fundering op palen, zoals geheide prefabbetonpalen, vibropalen, of trillingvrije systemen zoals avegaar of DPA palen. Op diepere niveaus zijn hogere 38

paaldraagvermogens mogelijk. De herinrichting van het plangebied biedt kansen voor meer groen in het gebied en is een kans om het gebied klimaatadaptief in te richten door opslag van neerslag op daken, groenstroken verlaagd aan te leggen als berging en door de bodem meer te gebruiken als opslagmedium voor neerslag.

4.3 Geluid 4.3.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Bij besluit van 8 september 2009 heeft BenW beleidsregels Hogere Waarden Geluidhinder vastgesteld (STZ/MIL Reg.nr. 2009/163223).

4.3.2 Onderzoek In het kader van de Wet geluidhinder is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting als gevolg van de zogenoemde zoneringsplichtige bronnen (BK Bouw- & milieuadvies, Akoestisch onderzoek Spaarne Gasthuis te Haarlem, 6 augustus 2019; bijlage 7). Omdat het plangebied niet is gelegen binnen de zone van geluidgezoneerde industrieterreinen heeft het onderzoek zich gericht op het geluid van het wegverkeer.

4.3.3 Conclusie Het onderzoek concludeert dat de berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Amerikaweg, Boerhaavelaan, Europaweg en Kennedeylaan voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde, maar wel aan de maximaal toelaatbare waarde. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de overige wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Ten behoeve van de verdere planuitwerking zal gemeente Haarlem ontheffing moeten verlenen in het kader van het Hogere waarde beleid (ontheffingsprocedure). In de rapportage zijn de volgende afwegingen opgenomen: • •

•

•

•

Geluidreducerende maatregelen in de vorm van het verlagen van de snelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur is niet voldoende doelmatig om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Het vervangen van het wegdektype dicht asfaltbeton (DAB) en fijngebezemd beton door het geluidreducerend asfalt ‘dunnen deklagen A’ is niet voldoende doelmatig om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De voorgenomen nieuwbouw is direct gelegen aan verschillende wegen. Uit stedelijk bouwkundig oogpunt zijn schermen niet wenselijk. Daarnaast is, op basis van de voorgenomen nieuwbouwhoogte, het toepassen van schermen niet (kosten) effectief. Tijdens de planvorming dient rekening te worden gehouden met de vastgestelde overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde en met het Hogere waarde beleid van de gemeente Haarlem. Door objecten als afscherming te gebruiken en de geluidgevoelige objecten slim te situeren kunnen de overschrijdingen mogelijk voorkomen worden om zo een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.

39

De ontheffing wordt voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan verleend. Daarbij wordt voldaan aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid. Daarin zijn voor het realiseren van woningen eisen opgenomen met betrekking tot het realiseren van een geluidluwe zijde en buitenruimte. Hiervoor zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan. Vervolgens dient in het kader van de Wabo - activiteit bouwen te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels en het binnenniveau voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Dit kan door middel van een onderzoek naar de geluidwering van de gevels.

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Inleiding Omdat de beoogde plannen door de realisatie van nieuwe woningen voor extra verkeer langs de wegen in de omgeving zorgen, zijn deze van invloed op de luchtkwaliteit langs die wegen. Om deze reden is onderzoek gedaan naar de gevolgen ten aanzien van luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. In de Europese Unie zijn daarom grenswaarden afgesproken waaraan de concentraties van een aantal stoffen vanaf bepaalde ingangsdata moeten voldoen. Die grenswaarden en regelgeving om ze tijdig te bereiken en te handhaven zijn in Nederland opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Indien een bestemmingsplan vastgesteld of gewijzigd wordt, dient vast te staan dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan die eisen (als gevolg van art. 5.16 lid 1 en 2). Die gevolgen worden bepaald door de verandering in gebruik en functies die door het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande (toegestane) functies. Maatgevend is de met de veranderingen samenhangende groei van het autoverkeer en de daardoor veroorzaakte uitstoot van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet milieubeheer onderscheidt in artikel 5.16. lid 1 een aantal situaties waarin een bestemmingsplan voldoet aan de regels voor de luchtkwaliteit.

Dit is onder meer het geval indien aannemelijk is dat de ontwikkelingen 'niet in betekenende mate' (NIBM) gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit (artikel 5.16 lid 1 onder c). Nadere criteria om te bepalen of er sprake is van NIBM zijn gegeven in een AmvB Niet In betekenende Mate en een gelijknamige Regeling NIBM. Daarin is bijvoorbeeld aangegeven dat van NIBM onder meer sprake is indien het bestemmingsplan een netto-uitbreiding met minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 BVO kantoren mogelijk maakt.

4.4.2 Onderzoek De plannen voor het Spaarne Gasthuis, locatie Haarlem Zuid zijn niet opgenomen in het NSL. Onderzocht is daarom of de plannen niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (Goudappel Coffeng, Onderzoek luchtkwaliteit Nieuwbouw Spaarne Gasthuis Haarlem Zuid, 21 mei 2019; bijlage 8). De planlocatie ligt niet direct nabij rijkswegen of provinciale wegen. Verder is er in de plannen rond de locatie niet direct sprake van een nieuwe zorgfunctie, omdat het ziekenhuis reeds aanwezig is. Veiligheidshalve zijn de concentraties rond de planlocatie toch beschouwd. Ten behoeve van de plannen is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Aan de hand van het verkeersmodel Noord-Holland zuid, versie 2.31, is de verkeersgeneratie van de plannen bepaald. Hieruit blijkt dat de plannen circa 965 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) genereren. Veiligheidshalve is gerekend met 1.000 mvt/etm. Hiervan is ongeveer 1% middelzwaar vrachtverkeer.

40

De toename van de concentraties voor luchtkwaliteit van het extra verkeer als gevolg van de plannen is beschouwd met de NIBM-tool. Het resultaat is dat de maximale bijdrage door het extra verkeer voor NO2 0,96 μg/m3 en voor PM10 0,16 μg/m3 bedraagt. De grens voor ‘niet in betekenende mate’ bedraagt 1,2 μg/m3. Uit de resultaten valt daarmee op te maken dat de plannen niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De concentratiebijdrage betreft een worst-case scenario. In de praktijk zal de bijdrage naar verwachting lager liggen. Er worden geen concentratietoenames van 1,2 μg/m3 verwacht. Daarmee vormt de luchtkwaliteit geen bezwaar voor de uitvoering van de plannen (Wet milieubeheer, artikel 5.16 lid 1 onder c) [4]. Aanvullend zijn nog de huidige concentraties rond het Spaarne Gasthuis, locatie Haarlem Zuid beschouwd. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens uit de Monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Tabel 4.1 geeft de concentraties op een maatgevend punt langs de Boerhaavelaan weer.

Tabel 4.1 - Concentraties stikstof en fijnstof Boerhaavelaan. Uit de resultaten valt op te maken dat in geen geval sprake is van normoverschrijdingen. De hiervoor beschouwde planbijdrage zal ook niet leiden tot overschrijdingen van de norm.

4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Inleiding Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor ‘niet bij de activiteit betrokken personen’. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat in basis daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico’s verbonden aan ‘risicovolle inrichtingen’, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen’ via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.

4.5.2 Onderzoek Er is in voorbereiding op het bestemmingsplan onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid (BK bouw- & milieuadvies, rapportage externe veiligheid Spaarne Gasthuis locatie Zuid, 21 september 2020; bijlage 9). Met dit onderzoek zijn de risico’s in kaart gebracht op het gebied van externe veiligheid veroorzaakt door transportroutes, inrichtingen en buisleidingen. In dit kader zijn ten aanzien van het plangebied de volgende onderdelen beoordeeld: • •

transport gevaarlijke stoffen over de weg/spoor; risicovolle inrichtingen; 41

•

transport gevaarlijke stoffen via een buisleiding.

4.5.3 Conclusie Uit het onderzoek en de beoordeling van de genoemde onderdelen is geconcludeerd dat externe veiligheid geen directe belemmering voor het plan vormen. Aandachtspunt is wel een gasleiding gelegen langs de oostelijk zijde van het plangebied, onder de Amerikaweg en het transport van gevaarlijke stoffen. Van de twee genoemde risicobronnen is de gasleiding de risicobron waarbij potentieel de meeste slachtoffers kunnen vallen bij een calamiteit. Door de gekozen nieuwe indeling van het plangebied, waarbij het beddenhuis in de noord-west hoek van het plangebied is voorzien, ligt deze buiten het invloedsgebied. Dit heeft een positieve invloed op het mogelijk aantal en soort slachtoffers bij een calamiteit van de gasleiding. Ook het plaatsen van een parkeergarage aan de kant van de Amerikaweg heeft hierin een positieve invloed. Het gebouw ligt wel binnen het invloedsgebied, maar personen verblijven hier maar kort, waardoor het totale aantal aanwezige personen laag is. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Amerikaweg en de Europaweg kan bij een calamiteit ook slachtoffers in het plangebied tot gevolg hebben. Omdat het aantal transporten beperkt is, dit zijn alleen transporten om het tankstation bij de Schouwbroekerbrueg te bevoorraden, is de kans hierop echter klein.

Om het mogelijke aantal slachtoffers bij een calamiteit van een van de genoemde risicobronnen verder te beperken heeft de Sector Risicobeheersing van de Brandweer Kennemerland in de vooroverlegreactie op het concept bestemmingsplan geadviseerd een aantal maatregelen toe te passen. Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstuk 6, waar de vooroverlegreacties aan de orde komen.

4.6 Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van het Spaarne Gasthuis. In oktober 2018 heeft het Spaarne Gasthuis reeds de Green Deal Zorg 2.0 ondertekend. Spaarne Gasthuis wil daarmee laten zien dat zij duurzaamheid belangrijk vindt en daarin ook effectieve stappen onderneemt. De nieuwbouw zal zonder meer gaan voldoen aan de BENG eisen (Bijna Energieneutrale Gebouw) die op 1 januari 2021 wordt ingevoerd. Onderzocht wordt of een BREEAM-NL very good certificering tot de mogelijkheden behoord. In ieder geval zijn het toepassen van duurzame en robuuste materialen, duurzame opwekking van energie en duurzame sloop van bestaande gebouwen uitgangspunt. Spaarne Gasthuis zal voor haar nieuwbouw een energieconcept toepassen dat zo mogelijk uitgaat van all electric, gebruik makend van elektrische warmtepompen, duurzame buffertechnieken zoals een warmte en koude opslag en een thermisch hoogwaardige gebouwschil. De mogelijkheden om aan te sluiten op een warmtenet worden onderzocht. Dit geldt ook voor de mogelijkheden om aan te sluiten op regionale initiatieven voor geothermie. Naast technische overwegingen zijn bedrijfseconomische overwegingen van belang voor het Spaarne Gasthuis. Voor de beide parkeergarages geldt energieneutraliteit als uitgangspunt, te bereiken door nader te bepalen maatregelen.

In de parkeergarages zullen oplaadpunten voor elektrische auto's worden voorzien, waarbij regels voor gebruik en veiligheid zullen worden gehanteerd. Het Spaarne Gasthuis zet nadrukkelijk in op het gebruik van openbaar vervoer en fietsen. Het Spaarne Gasthuis stimuleert beleidsmatig het gebruik van openbaar vervoer en fietsen en realiseert om deze redenen goedgeoutilleerde voorzieningen voor het stallen van fietsen door medewerkers en bezoekers nabij haar entree's, adequaat aangesloten op het openbare fietsnet van gemeente. Spaarne Gasthuis acht het van groot belang dat de bestaande openbaar vervoer lijnen ten minste worden gehandhaafd en waar mogelijk worden versterkt om haar beleid te kunnen uitdragen. 42

Ook de woningen gaan voldoen aan de BENG eisen. De woningen worden gasloos gerealiseerd.

4.7 Mobiliteit 4.7.1 Verkeer In de directe omgeving van het plangebied is sprake van een aantal bestaande wegen. De centrale inen uitgangen naar het ziekenhuis zijn vanaf de Boerhaavelaan. Een deel van de uitgang van het parkeerterrein komt uit op de Kennedylaan. In voorbereiding op het bestemmingsplan is door bureau Goudappel Coffeng een verkeersonderzoek verricht (Goudappel Coffeng, Nieuwbouw Spaarne Gasthuis, verkeersonderzoek, september 2020; bijlage 10). Dit onderzoek bevat een verkeerskundige onderbouwing van de (on)mogelijkheden van de toekomstige openbare weginfrastructuur rondom het plangebied. Het betreft berekeningen van verkeerscapaciteiten en -bewegingen rondom het plangebied. Ook wordt nader ingegaan op de ontsluiting van: • • • • •

de spoedeisende hulp (SEH) en de huisartsenpost (HAP) het logistieke hof de parkeergarage voor het personeel aan de oostkant van het plangebied de tijdelijke parkeergarage voor het personeel aan de zuidkant van het plangebied de bezoekersparkeergarage en het nieuwe entreeplein

In de rapportage wordt geconcludeerd dat de verkeerslogistiek rondom het ziekenhuis door de nieuwbouw van het Spaarne Gasthuis verandert. Voor de nieuwe ontsluitingen zijn verkeerskundige ontwerpen gemaakt en is de verkeersafwikkeling in beeld gebracht. Hierbij is rekening gehouden met ontwikkelingen in de omgeving, zoals de herinrichting van de Europaweg en Kennedylaan, uitbreiding van de kruispunten op de Amerikaweg en woningbouw ontwikkelingen in Schalkwijk voor de komende jaren. De verkeerseffecten zijn in beeld gebracht voor het prognosejaar 2030. Voor de verschillende ontsluitingen zijn de volgende conclusies te trekken: • • •

•

•

•

SEP/HAP: dit is te ontsluiten middels een eenvoudig voorrangskruispunt op de Boerhavelaan. Boerhaavegebouw: dit is te ontsluiten via een uitritconstructie op de Boerhaavelaan Logistiek hof: dit is te ontsluiten op de huidige situatie, ook in combinatie met het uitgaande verkeer vanuit de personeelsgarage. Verbetering ten opzichte van de huidige situatie is een linksafvak komend vanaf de Amerikaweg-Boerhaavelaan, waardoor het wachtende (vracht)verkeer het doorgaande verkeer op de Boerhaavelaan niet hindert. Personeelsgarage: voor het aankomende verkeer is deze te bereiken vanaf de Amerikaweg. Het uitgaande verkeer richting het noorden kan de garage verlaten via de ontsluiting van het logistieke hof op de Boerhaavelaan. Het verkeer richting het zuiden heeft een rechtstreekse aansluiting op de Amerikaweg. Tijdelijke personeelsgarage: Deze kan in de huidige situatie (Europaweg en Kennedylaan 2x2 en een verkeerslicht op het kruispunt) worden ontsloten op de Kennedylaan. In de toekomstige situatie dient het uitrijden rechtstreeks op de Europaweg plaats te vinden, omdat anders de rotonde Europaweg – Kennedylaan te zwaar wordt belast. Hier is rekening mee gehouden in het ontwerp van de parkeergarage Entreeplein: Het entreeplein is middels een rechts-in-rechts-uit constructie ontsloten op de Europaweg.

Voor verkeer vanuit het noorden wordt een keerlus gerealiseerd om het ziekenhuis eenvoudig te kunnen bereiken.

43

Het bestemmingsplan is zo ingericht dat deze niet in de weg staat aan het realiseren van deze ontsluitingen.

4.7.2 Parkeren Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar de parkeerbehoefte in het plangebied (ptg advies, onderbouwing parkeerplaatsen, 7 september 2020; bijlage 11). Het Spaarne Gasthuis beschikt op de locatie Haarlem Zuid momenteel over de volgende aantallen parkeerplaatsen (zie tabel).

parkeervelden

#

personeel bezoekers Boerhaavegebouw / dialyse logistiek hof / ambulancegebied totaal Tabel 4.2 Parkeren plangebied (huidige situatie)

539 502 44 20 1.105

Uit de registraties blijkt het bezettingspercentage in normale weken op maandag tot en met vrijdag tussen 08.00 – 18.00 uur gemiddeld aanzienlijk is, met pieken richting de 80% a 90%. Ten behoeve van het plangebied is behoefte aan het volgende aantal parkeerplaatsen.

# parkeerplekken

zorgfuncties

woningen

totaal

1.105

0

1.105

beleidsregels gemeente Haarlem

150

228

378

bouwmaatstaven

925

n.v.t.

925

1.100

228

1.303

huidige parkeercapaciteit

totaal parkeerbehoefte

Tabel 4.3 Parkeren plangebied (parkeerbehoefte) De 1100 parkeerplaatsen voor het ziekenhuis worden gerealiseerd op de volgende locaties: • • • • • • •

circa 450 in de parkeergarage bezoekers zijde Europaweg circa 500 in de parkeergarage personeel zijde Amerikaweg circa 75 in de halfverdiepte parkeergarage SEH / HAP zijde Boerhaavelaan circa 40 parkeerplaatsen annex het Boerhaavegebouw t.b.v. het Boerhaavegebouw circa 10 parkeerplaatsen op en annex het logistieke hof voor kort parkeren leveranciers etc. van het ziekenhuis en de apotheek circa 20 parkeerplaatsen op het entreeplein voor kiss and ride, invaliden en kort parkeren voor taxi's (publieke ingang ziekenhuis) circa 5 parkeerplaatsen annex het Zuiderpoortgebouw voor kort parkeren van leveranciers etc. van de functies gehuisvest in het Zuiderpoort gebouw.

De parkeerplaatsen voor de woningen sociaal, op basis van vigerend beleid zijn dat 72 plaatsen, worden deels gerealiseerd in de parkeergarage voor bezoekers en deels met langsparkeren aan de Europaweg. 44

De parkeerplaatsen voor de woningen midden/duur (156 plaatsen) worden gerealiseerd in een ondergrondse parkeervoorzieningen onder de midden/duur woningen. Daarin wordt voorzien. Het aspect parkeren levert dan ook geen belemmering op voor het plan. Bij toetsing van de aanvragen omgevingsvergunning wordt getoetst aan de in dit bestemmingsplan opgenomen regels over parkeren (de regels uit het parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 zijn in dit bestemmingsplan geïntegreerd).

4.8 Waterparagraaf 4.8.1 Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in en zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

4.8.2 De waterbeheerder in het plangebied Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en het onttrekken van (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

4.8.3 Beschrijving watersysteem 4.8.3.1 Afvalwater Het afvalwater wordt apart van het hemelwater ingezameld en met een vuilwaterriool afgevoerd naar het gemeentelijk rioolstelsel. Afval water wordt dus apart aangeboden op het gemeentelijk stelsel. De locaties van de aansluitingen op het gemengde stelsel worden in nadere uitwerking en in overleg met de gemeente Haarlem vastgesteld.

4.8.3.2 Hemelwater In de toekomstige situatie wordt hemelwater geheel afgekoppeld van het gemeentelijk stelsel. Door het aanleggen van groenvoorzieningen in de vorm van wadi’s en vergroten van de vijver worden voorzieningen gerealiseerd om water te bergen, infiltreren en af te voeren. De wens is om zoveel mogelijk het hemelwater oppervlakkig naar deze voorzieningen af te voeren. Indien nodig, bijvoorbeeld vanwege lange transportafstanden of kleine maaiveldhoogteverschillen, worden HWA leidingen ontworpen. Hiernaast wordt een gedeelte van de binnenplaatsen bedekt met groene daken zodat hemelwater lokaal vastgehouden wordt. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om hemelwater vast te houden. Hierdoor wordt het omliggende oppervlaktewater minder belast en meer water vast gehouden voor vegetatie binnen het plangebied.

4.8.3.3 Oppervlaktewater In het plangebied is een vijver aanwezig. Het waterpeil van deze vijver is NAP -0,61 m. Dit oppervlaktewater is aangemerkt als overig oppervlaktewaterlichaam en is onderdeel van het boezemsysteem van Rijnland. Uit overleg met het Rijnland is gebleken dat deze bestaande vijver onderdeel moet blijven van het boezemsysteem en dat deze mee moet fluctueren met de waterstanden in het boezem. Naast deze bestaande vijver worden ook nieuwe bovenstroomse wadi’s 45

en vijver gegraven. Het streven is om deze nieuwe wadi’s en vijvers welke bovenstrooms liggen de mogelijkheid te geven om water vertraagd af te voeren op de bestaande vijver.

4.8.3.4 Grondwater Na herinrichting van het plangebied dient alle nieuwbouw te voldoen aan de gewenste ontwatering voor zowel wegen (0,70 m -mv) als gebouwen (0,90 m – vp). In de toekomstige situatie worden een aantal gebieden opgehoogd. Uit het grondwatermodel van Haarlem blijkt dat de ontworpen maaiveldhoogten en vloerpeilen voldoen aan de minimaal gewenste ontwatering van 0,7 m minusmaaiveld onder wegen. Hiernaast wordt er in het plangebied een kelder voor logistiek in oostwest richting gerealiseerd. Onder het ziekenhuisgebouw wordt ook een kelder gerealiseerd. Deze ondergrondse constructies dienen waterdicht te worden gerealiseerd. Deze ondergrondse voorzieningen kunnen mogelijk nadelige effecten hebben op de grondwaterstromen en daarbij de gewenste ontwateringswens. In de nadere uitwerking dient onderzocht te worden of aanvullende maatregelen nodig zijn om nadelige effecten te compenseren. Bij de verdere uitwerking van de maaiveldhoogten en vloerpeilen wordt de ontwatering opnieuw getoetst. Indien nodig worden maatregelen zoals drainageleidingen opgenomen in de uitwerking.

4.8.3.5 Inrichting maaiveld Omdat het ziekenhuis een vitale gemeenschappelijk functie heeft wordt bij het bepalen van de vloerpeilen en maaiveldhoogtes rekening gehouden met extreme neerslagsituaties waarbij mogelijk tijdelijk water-op-straat ontstaat. Gedurende deze situaties mag het hemelwater niet afstromen richting de voorzieningen van het ziekenhuis. Om het systeem klimaatrobuust te maken worden de vloerpeilen boven de aanliggende straatpeilen ontworpen. De kans dat hemelwater naar het ziekenhuis stroomt, wordt hiermee weggenomen.

4.8.3.6 Waterkwaliteit Het plangebied heeft een maatschappelijke functie. Er zijn woningen en een ziekenhuis gepland. Hierdoor kan er vanuit worden gegaan dat geen vervuiling van het hemelwater optreedt tijdens de afvoer op de vijver en uiteindelijk de Amerikavaart. Aandachtspunt hierbij is dat geen uitlogende materialen worden toegepast. Tevens is het mogelijk om met de nieuw aan te leggen vijver en wadi’s hemelwater te filteren voordat het daadwerkelijk in het boezemsysteem komt. Dit kan met bijvoorbeeld helofytenfilters.

4.8.3.7 Verhoudingen oppervlak plangebied Bij de herinrichting van het terrein verandert de verhouding verhard/onverhard oppervlak. Afbeelding 4.2 bevat een overzicht van de verhouding verhard oppervlakte versus groen en water. Links is dat gevisualiseerd voor de huidige situatie (78% verhard, 22% groen en water). Rechts is dat gevisualiseerd voor de toekomstige situatie (naar huidig inzicht 52% verhard, 48% groen en water). Hieruit blijkt de herinrichting het aandeel verharding aanzienlijk kleiner wordt. Dit is een positieve ontwikkeling voor de benodigde hemelwaterafvoer vanuit het gebied. De omgeving wordt niet extra belast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12275675/1