20201137516 2. Bijlage 1 Bestemmingsplan Nieuw Boerhaave - toelichting & planregels
Tekst van het document
De realisatie van circa 30 sociale huurwoningen (met zorg) draagt bij aan de 400 te realiseren sociale huurwoningen binnen Schalkwijk. De realisatie van circa 42 middeldure huurwoningen voorziet in de behoefte van een toevoeging van 10.000 woningen tot en met 2025. De in totaal circa 250 te realiseren zorgwoningen zullen bijdragen aan de in totaal 670 huishoudens binnen het stadsdeel die naar een geschikte woonruimte voor mensen met een zorgbehoefte dienen te verhuizen. Zowel in de kwalitatieve als de kwantitatieve behoefte wordt voorzien. Op kwalitatief niveau wordt invulling gegeven aan de types woningen waar behoefte aan is, in dit geval zorgwoningen, sociale huurwoningen en de woningen in het middeldure huursegment. Op kwantitatief niveau wordt bijgedragen aan het behalen van de respectievelijk 670 zorgwoningen en 10.000 woningen in totaal voor het jaar 2025. De doelgroepenverordening is toegepast in het bestemmingsplan “Nieuw Boerhaave” door sociale huur en middeldure huur expliciet op te nemen in de planregels. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Woonvisie Haarlem 2017-2020 Doorbouwen aan een (t)huis', het Coalitieprogramma 'Duurzaam doen 2018-2022' en de 'Nota Kaders en instrumenten sociale huur en middensegment'.
34
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
3.5.4.1.1 Langer zelfstandig wonen De decentralisatie van een deel van zorgtaken uit de AWBZ met ingang van 1 januari 2015 is een feit. De transitie van budgetten en verantwoordelijkheden naar de gemeente is gerealiseerd. De werkelijke transformatie moet echter nog plaatsvinden. Daarin is niet alleen sprake van een budgetverschuiving of systeemverandering, maar ook van een cultuuromslag, die alle partijen (inwoners, organisaties, professionals, de overheid) moeten gaan maken. De hervorming van de langdurige zorg leidt ertoe dat mensen langer zelfstandig thuis blijven wonen of weer zelfstandig gaan wonen. Landelijk zal het aantal 75-plussers naar verwachting stijgen van 1,2 miljoen in 2010 tot 2,6 miljoen in 2040. In 2014 waren er 260.000 ouderen met dementie. De verwachting is dat het aantal mensen dat deze ziekte krijgt, of geconfronteerd wordt met andere ouderdomsbeperkingen, sterk zal toenemen. Van hen zal het grootste deel zelfstandig blijven wonen, al dan niet met ondersteuning. Voor ouderen die al in een instelling verblijven, geldt dat zij, ook met een lage ZZP, intramuraal kunnen blijven wonen. De regio Zuid-Kennemerland en in mindere mate IJmond vergrijst sterker dan de rest van Nederland.
Met betrekking tot het ‘Langer Zelfstandig Wonen’ ligt hier de grootste gezamenlijke opgave voor inwoners, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties, woningverhuurders en marktpartijen. De belangrijkste componenten bij het langer zelfstandig wonen zijn wonen, woonomgeving en ondersteuning/zorg. Voor het concept wonen zijn beschikbaarheid, bestaande voorraad en nieuwbouw van belang. Voor het verbeteren van de woonomgeving wordt ingezet op de fysieke toegankelijkheid, sociale veiligheid en cohesie, en voorzieningen en dienstverlening. Daarnaast is er ter ondersteuning informele zorg en vrijwillige inzet, een basisinfrastructuur, toeleiding en signalering, en aansluiting Wmo en verzekerde zorg benodigd. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in zowel 'Beschermd Wonen' waar 24 uur per dag zorg aanwezig is, als 'Verzorgd Wonen' waar een hoge mate van zelfstandigheid heerst, maar zorg wel opgeroepen kan worden. De 250 te realiseren (zorg)woningen sluiten aan op de toekomstige toenemende behoefte aan zorg onder senioren. 3.5.5 Maatschappelijk In het Structuurplan Haarlem 2020 zijn gebieden aangewezen die in potentie geschikt of kansrijk zijn om (nieuwe) sociaal-maatschappelijke voorzieningen te vestigen of te clusteren.
Haarlem Maatschappelijk op de Kaart (2010) geeft inzicht in de ontwikkeling van aanbod en spreiding van de sociaal maatschappelijke voorzieningen. Ook geeft het een handvat voor de ontwikkeling of bijstelling van het eigen gemeentelijk accommodatiebeleid, met aanbevelingen voor nieuwe vormen van gecombineerd gebruik of andere keuzen voor locaties en gebruik op het gebied van welzijn, onderwijs, zorg, cultuur en sport. Vanuit diverse invalshoeken worden die met elkaar verbonden en wordt een richting gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. Daarmee wordt een koppeling tot stand gebracht tussen sociaal en fysiek.
35
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Concrete keuzen moeten worden uitgewerkt in gebiedsvisies. De visie is een instrument om op meer planmatige wijze maatschappelijke voorzieningen plek te geven in de stad en professionele partijen (vaak uitvoerder) te verleiden en te committeren om er invulling aan te geven. Voor het bevorderen van duurzaamheid is meervoudig ruimtegebruik uitgangspunt. Zo is er is niet alleen maar sprake van een bouwopgave met uitbreidingsbehoefte. Kansen liggen er om de voorzieningenstructuur anders te organiseren waarbij de inzet van multifunctionele accommodaties een belangrijke rol speelt. Relatie tot ontwikkeling Aandachtswijk Schalkwijk kent een hoge te verwachten vergrijzingsgolf. Om mensen de kans te geven zolang mogelijk in hun buurt te blijven wonen, is in deze wijken (extra) aandacht nodig voor extra zorgvoorzieningen, OV-bereikbaarheid en voldoende ouderenwoningen. Er zijn nieuwe woningen nodig voor ouderen en gehandicapten als gevolg van extramuralisering. Daarnaast zal mensen die nu nog thuis wonen de kans gegeven worden daar te blijven wonen - of op zijn minst in de eigen buurt te blijven – door voorwaarden te scheppen voor OV-bereikbaarheid, welzijns- en zorgvoorzieningen in de nabijheid te bouwen en voldoende bouw van woningen op maat (aanpasbaar aan ouder worden). Aandacht is nodig voor vraag naar verschillende niveaus in woonzorgkwaliteit.
Samengevat dient in de toekomst te worden voorzien in: volledig zelfstandig wonen, wonen gekoppeld aan (beperkt) welzijnsvoorzieningen en –services, wonen met een (intensieve) zorgtaak, wonen in een zorginstelling. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij bovenstaande segmenten en wordt vormgegegven als 'Beschermd Wonen', 'Tijdelijk te Gast', 'Verzorgd wonen sociaal segment' en 'Verzorgd wonen middensegment'. Aan het toekomstbestendig maken van de maatschappelijke voorzieningen met betrekking tot de vergrijzing wordt middels de voorgenomen ontwikkeling voldaan. 3.5.6 Verkeer en vervoer Met het vaststellen van de Structuurvisie Openbare Ruimte Haarlem 2040: Groen en Bereikbaar (SOR) op 21 december 2017, is het Haarlems Verkeer en Vervoersplan (HVVP, 2003) vervallen. In de SOR is de ambitie voor Haarlem beschreven: een stad waar ruimte is om met elkaar te kunnen wonen, leven en verblijven. De SOR beschrijft de keuzes die Haarlem in de toekomst groen en bereikbaar houden. Ten aanzien van het aspect verkeer liggen er specifieke opgaven voor het afwikkelen van verkeersstromen. Of het nu gaat om de groeiende fietsersstromen, de doorstroming van (hoogwaardig) openbaar vervoer (HOV), de afwikkeling van het regionale gemotoriseerde verkeer of om de bereikbaarheid van de binnenstad voor de toenemende stroom bezoekers, waaronder toeristen.
Daarnaast moet de parkeerdruk in de wijken beheersbaar blijven om de bereikbaarheid te garanderen en de leefbaarheid te waarborgen. In het SOR zijn derhalve de volgende aandachtspunten benoemd: Groeiende fietsers- en voetgangersstromen accommoderen. 36
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Regionaal autoverkeer oost- west om de stad geleiden. Parkeerdruk binnenstad en omliggende wijken in goede banen leiden. Bereikbaarheid binnenstad garanderen. Metropolitane verbindingen verbeteren. In paragraaf 4.13 zal het aspect verkeer en vervoer voor het onderhavige plan nader uitgewerkt worden. 3.5.7 Water Integraal Waterplan Haarlem De gemeente Haarlem en het hoogheemraadschap van Rijnland hebben eind 2004 het Integraal Waterplan (IWP) Haarlem vastgesteld. Dit plan is in 2014 geactualiseerd. Centrale doelstelling van het IWP is het ontwikkelen en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem. Het plan functioneert als strategisch kader voor gerelateerde beleidsvelden zoals het grondwater-, afvalwater-, en baggerbeleid. Om ervoor te zorgen dat het Haarlemse waternetwerk bestand is tegen klimaatsverandering (hoger zeeniveau, toename van de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag), inklinking van de bodem, en verstedelijking (toename verhard oppervlak) is ruimte voor oppervlaktewater nodig. Ruimte voor extra oppervlaktewater kan worden gevonden door het verbreden van bestaande watergangen, het graven van nieuwe watergangen en het weer open leggen van gedempte grachten.
Doelstelling voor het oppervlaktewater is het creëren van een veilig watersysteem met voldoende afwaterend en bergend vermogen, een adequate doorstroming en maximale benutting van gebiedseigen water. Uit het IWP blijkt dat zich binnen het plangebied geen watergangen bevinden die verbeterd moeten worden. Tot in ieder geval 2050 zijn er ook geen nieuw aan te leggen watergangen in het gebied gepland. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Programma (VGRP) is een beleidsmatig en strategisch plan waarin het verbreed rioleringsbeheer (inclusief grondwaterbeheer) en de visie op riolering (en grondwater) voor de langere termijn worden beschreven. Met het VGRP beschikt de gemeente over een instrument om systematisch inzicht te krijgen in de te beheren en onderhouden rioleringsobjecten en de wijze waarop de gemeente invulling geeft aan de wettelijke (milieu)eisen. Door het opstellen van het VGRP wordt het verbreed rioleringsbeleid inzichtelijk en toetsbaar. De nadruk in het VGRP 2014-2017 ligt op onderzoek. Hierdoor kunnen in het opvolgende VGRP (2018 en verder) onderbouwde keuzes gemaakt worden voor de noodzakelijke investeringen, om zo te kunnen blijven voldoen aan de gemeentelijke zorgplicht. Relatie tot ontwikkeling Paragraaf 4.15 beschrijft hoe in het plangebied met de waterhuishouding wordt omgegaan.
37
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
3.5.8 Groen De groenstructuur van Haarlem is vastgelegd binnen het Groen Structuurplan 2020. Met haar landschappelijke structuur is Haarlem een langgerekte stad; zeven kilometer bij maximaal vier kilometer. Het grootste deel van de stad bestaat uit compact gebouwde wijken. Het groen in Haarlem ligt hierdoor vooral langs de west- en oostrand van de stad. Met deze opbouw is in Haarlem het landschap altijd dichtbij. Dit handelsmerk van Haarlem, de compacte stad in een groene omgeving, is een belangrijk uitgangspunt voor het groenstructuurplan. De groene stadsranden en de grote groengebieden (parken, begraafplaatsen, een aantal sportvelden en volkstuinen) behoren tot de hoofdgroenstructuur. De hoofdgroenstructuur is vastgesteld in het Structuurplan 2020 en is beschermd. De ambities voor het groen tot 2020 zijn: 1. het versterken van de hoofdgroenstructuur, 2. het verbeteren van de kwaliteit van het huidige stedelijk groen, 3. het realiseren van goede recreatieve verbindingen naar het groen buiten de stad, maar ook tussen de grote groengebieden in de stad zelf en 4. het bieden van een richtlijn voor de hoeveelheid groen. In dit groenstructuurplan staat waar in de stad de kansen liggen om de ambities te realiseren.
Binnen elke typologie in Haarlem zijn voorbeelden waar de kwantiteit en kwaliteit van de groenstructuur goed is: centrumgebieden: Binnenstad verdichte buurten zonder voortuin: Slachthuisbuurt verdichte buurten met voortuin: Dietsveld/ Houtvaartkwartier gemengde buurten met royale aanleg: Koninginnebuurt/ Bos en Vaart tuindorpen: Overdelft villawijken: Den Hout kleinschalige strokenbouw: Sinnevelt grootschalige strokenbouw: Boerhaavewijk woonerven: Meerwijk Meer specifiek is in stadsdeel Schalkwijk sprake van voldoende groen, maar het aanwezige groen, is van matige kwaliteit. Hier ligt de prioriteit in het verbeteren van het groen. De oplossing van de geconstateerde knelpunten in de buurten wordt gezocht in: het groen dat er is (vooral in groenarme buurten) ook bij nieuwe ontwikkelingen te behouden of zelfs uit te breiden aan de hand van de groenambitie (zie verder). de kwaliteit van het bestaand buurtgroen te verbeteren en daarmee de leefbaarheid van de buurt. het groen buiten de stad of in de omgeving toegankelijk te maken door het verbeteren van de recreatieve routes. Met compact groen in de vorm van stoepgroen, gevelbegroeiing en daktuinen is een stenige omgeving te vergroenen. Plantsoenen, bredere profelen en/of het aanleggen van (kleine) groengebieden waar gespeeld kan worden, zorgen ook voor meer groen in de buurt. Maar er zijn vooral creatieve oplossingen nodig 38
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
omdat zowel woningbouw, groen en verkeer aanspraak maken op dezelfde schaarse (openbare) ruimte. Meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld in de vorm van daktuinen het aanleggen van dak- en geveltuinen is een mogelijkheid om in de compacte stad de milieu- en belevingskwaliteit te bevorderen. Deze daktuinen kunnen (deels) opengesteld worden voor het publiek waardoor er aanvullende (semi) openbare ruimte ontstaat.
Afbeelding 3.2: Hoofdbomenstructuur Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in stadsdeel Schalkwijk. Op en rondom de locatie is in de huidige situatie voldoende groen aanwezig. Er wordt derhalve met de voorgenomen ontwikkeling ingezet op het behouden van het bestaande groen. De in de toelichting als paragraaf 4.10 opgenomen groenparagraaf gaat uitgebreider in op het aspect groen. 39
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
3.5.9 Ecologie Het ecologisch beleidsplan uit 2013 heeft als doel het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de richtlijnen uit het beleid verankeren in planprocessen en beheer- en onderhoudsprogramma's. Duurzaamheid, biodiversiteit en participatie zijn onderwerpen die een belangrijke rol spelen bij de invulling en uitvoering hiervan. Het ecologisch beleid bevat een afwegingskader bij projecten en andere ingrepen dat weergeeft waar men op moet letten bij projecten. Hierdoor is er minder kans op vertraging. Ook wordt ingezet op het verbeteren van beheer en inrichting van de locaties met ecologische potentie. Dit kan alleen als beheer en inrichting zoveel mogelijk gebaseerd zijn op ecologische principes. Binnen Haarlem zijn verschillende gebieden aangegeven als ecologische hotspots of als ecologische potentiegebieden. Deze laatste zijn waardevolle groene gebieden die zich door de juiste inrichting en beheer tot hotspots kunnen ontwikkelen. Geen van deze gebieden bevinden zich in het plangebied. Daarnaast omvat het beleidsplan ook het ecologisch actieplan van de gemeente Haarlem met daarin de ambities voor de periode van 2013-2022 voor onder andere het afkoppelen van regenwater en het toepassen van gevelgroen. Bij nieuwe relevante ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied wordt het ecologisch beleidsplan Haarlem betrokken.
Relatie tot ontwikkeling De in de toelichting als paragraaf 4.12 opgenomen natuurwaardenparagraaf gaat uitgebreid in op het aspect ecologie. 3.5.10
Archeologie Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het behoud van het eigen bodemarchief. Het rijke bodemarchief van Haarlem maakt het niet alleen noodzakelijk, maar ook zeer wenselijk om een gemeentelijk archeologiebeleid te voeren. Het gemeentelijke beleid voor de archeologische monumentenzorg richt zich er in de eerste plaats op waardevolle archeologische vindplaatsen te behouden in de bodem (in situ). De uitgangspunten voor gemeentelijke beslissingen in Haarlem liggen vast in een beleidsnota archeologie. De archeologische verwachtingen die voor het Haarlemse grondgebied gelden zijn vertaald naar de Archeologische Beleidskaart Haarlem (ABH). De kaart geeft aan in welke gebieden bodemverstorende activiteiten van een bepaalde omvang vergunningplichtig zijn. Dit is aangegeven in de vorm van verschillende categorieën. Voor elk van deze categorieën heeft de gemeente bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) opstellen van een waardestellend archeologisch rapport, het zogenaamde regime. De regimes gelden voor bodemroerende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van plannen waarvoor in elk geval één van de volgende vergunningen vereist is: een reguliere omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen; 40
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk binnen beschermd stadsgezicht. Het bestemmingsplan kent aan de gebieden die zijn weergegeven op de ABH de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toe. De planregels definiëren de relevante begrippen en bepalen welke archeologische voorwaarden aan een omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Bij uitvoering van het gemeentelijke beleid moet ook rekening gehouden worden met beschermingsmaatregelen vanuit het Rijk. Paragraaf 4.7 gaat uitgebreid in op het aspect archeologie. Relatie tot ontwikkeling De in de toelichting als paragraaf 4.7 opgenomen archeologisch paragraaf gaat uitgebreid in op het aspect archeologie. 3.5.11
Duurzaamheid en energie Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen. De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd.
Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (College BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het omgevingsplan en worden de uitgangspunten juridisch geborgd.
41
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Als meetinstrument wordt de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR) gehanteerd. Met het rekeninstrument kunnen projecteigenaren zelf een alternatief maatregelenpakket samenstellen. GPR Gebouw zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. Randvoorwaarden en doeleinden: Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2021 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030.
Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019) Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma)
42
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m2 moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken.
Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor
43
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018) Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt bij aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8 Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen Bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft.
Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020) Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte
44
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren.
Relatie tot ontwikkeling De in de toelichting als paragraaf 4.9 opgenomen duurzaamheid en energieparagraaf gaat uitgebreid in op het aspect duurzaamheid.
45
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
46
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 4.1
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.1 Inleiding De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. 4.1.2 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van circa 250 (zorg)woningen met bijbehorende (zorg)voorzieningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, wel worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.
In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Zowel in paragraaf 3.2 Provinciaal beleid als paragraaf 3.3 Regionaal beleid en 47
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
paragraaf 3.5 Gemeentelijk beleid is reeds de behoefte aan zorgwoningen in verschillende segmenten aan bod gekomen. Zowel op het niveau van de Provincie als de regio is behoefte aan meer zorgwoningen door de toenemende vergrijzing. Het gemeentelijk beleid heeft deze behoefte gespecificeerd voor Haarlem, waarbij zowel in detail wordt getreden over Schalkwijk als Boerhaavewijk. In paragraaf 3.5.4.1 wordt de behoefte aangetoond aan zowel woningen binnen het zorgsegment, sociale huursegment en middeldure huursgement, waarmee wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking binnen het kwalitatieve en kwantitatieve aspect. De behoefte aan de bij de (zorg)woningen behorende voorzieningen is eveneens in de voorgaande paragrafen aangetoond. Daar komt bij dat de te realiseren voorzieningen met name gericht zijn op de toekomstige bewoners en een wijkondersteunende functie hebben. 4.1.3 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is met succes doorlopen.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
4.2.1 Inleiding Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
48
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Afbeelding 4.1: richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden uit de VNG-handreiking zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg 4.2.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied is aan te merken als het omgevingstype gemengd gebied.
Aan de westzijde van het plangebied is het Spaarne Gasthuis gelegen en aan de oostzijde van het plangebied is de Boerhaavewijk gelegen waar sprake is van een matige functiemenging. Binnen het plangebied zelf vindt daarnaast ook functiemenging plaats, daar woningen gecombineerd worden met diverse maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Toets aan omliggende bedrijven en woningen Binnen het plangebied wordt zowel een woonfunctie als een niet-woonfunctie mogelijk gemaakt ('Maatschappelijk' en 'Gemengd'). Een woonfunctie levert geen (milieu)hinder op voor omliggende woningen. Derhalve wordt enkel aan de richtafstand voor de niet-woonfuncties binnen het plangebied getoetst ten opzichte van de omliggende woningen aan de oostzijde (Boerhaavewijk) en zuidzijde (Damiate locatie). De afstand van de niet-woonfuncties binnen het plangebied tot dichtstbijzijnde woningen bedraagt respectievelijk 48 meter en 38 meter. De niet-woonfuncties binnen het plangebied zijn functies die maximaal onder milieucategorie 2 vallen en binnen gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. 49
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Het dichtstbijzijnde bedrijf in de omgeving is het Spaarne Gasthuis (ziekenhuis). De woningen in het plangebied zijn op ruim 80 meter afstand van het Spaarne Gasthuis gelegen, deze afstand is ruim voldoende daar het ziekenhuis valt onder milieucategorie 2 (SBI-2008 code 8610). Voor bedrijven met milieucategorie 2 dient een richtafstand van 10 meter binnen gemengd gebied aangehouden te worden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Overige bedrijvigheid is op grotere afstand gelegen dan het Spaarne Gasthuis. Deze bedrijvigheid heeft overigens ook geen hogere milieucategorie dan milieucategorie 2, waardoor ook aan de richtafstand ten opzichte van de overige bedrijvigheid ruimschoots wordt voldoen. De niet-woonfuncties binnen het plangebied vormen tevens geen belemmering voor de omliggende bedrijvigheid. De richtafstanden gelden namelijk niet voor bedrijvigheid onderling. Toets aan bedrijven en milieuzonering binnen het plangebied Binnen het plangebied is sprake van functiemenging. De niet-woonfuncties 'Gemengd' en 'Maatschappelijk' worden op korte afstand van de woonfunctie gerealiseerd. De te realiseren niet-woonfuncties binnen het plangebied zijn functies die maximaal in categorie B vallen (vergelijkbaar met categorie 2 behorende bij de richtafstanden). De woningen in het plangebied zijn bouwkundig afgescheiden van de niet-woonfuncties.
Derhalve is er geen sprake van (milieu)hinder voor de toekomstige woningen in het plangebied. Volledigheidshalve is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluiduitstraling van het kinderdagverblijf en de brasserie op de woningen binnen het plangebied. Deze onderzoeken zijn in respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2 van deze toelichting opgenomen. De resultaten uit de onderzoeken worden hieronder besproken. Geluiduitstraling kinderdagverblijf Een kinderdagverblijf met buitenruimte veroorzaakt geluid naar de omliggende woningen. Op de geluidssituatie vanwege de genoemde inrichtingen zijn de geluidsvoorschriften volgens het Activiteitenbesluit van toepassing. Voor twee planvarianten is beoordeeld in hoeverre bij de omliggende woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan deze voorschriften. De planvarianten behelsen de volgende. In variant 2 is de bebouwing aan de Boerhaavelaan en in het 'Hart van Jacob' circa één bouwlaag hoger dan in variant 1. Uit het onderzoek volgt dat met een berekende langtijdgemiddelde geluidsniveau van ten hoogste 50 dB(A) vanwege het kinderdagverblijf voldaan wordt aan de voorschriften conform het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidsniveau vanwege het kinderdagverblijf bedraagt ten hoogste 74 dB(A), dit is hoger dan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit.
Omdat met een minimale gevelisolatie conform het Bouwbesluit wel aan een binnenniveau van 55 dB(A) uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan, kan het maximale geluidsniveau van ten hoogste 74 dB(A) als acceptabel worden geacht.
50
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Vanwege eventuele dichtslaande autoportieren ter plaatse van de oostgevel van het kinderdagverblijf bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste 81 dB(A) ter plaatse van de kopgevels van gebouw 04, 05 en 07. Het maximale geluidsniveau op de voor- en achtergevels van de gebouwen bedraagt ten hoogste 77 dB(A). Dit is hoger dan het acceptabele geluidsniveau van ten hoogste 75 dB(A). Om aan een binnenniveau van 55 dB(A) te voldoen, dient de gevelisolatie van de kopgevels en de voor- en achtergevels respectievelijk tenminste 26 en 22 dB(A) te bedragen. Indien de gevelisolatie van de kopgevels aan de westzijde van gebouw 05 en 07 tenminste 23 dB(A) bedraagt, zal vanwege het kinderdagverblijf in beide varianten sprake zijn van een 'goed woon- en leefklimaat'. Van een dergelijke gevelisolatie is sprake in onderhavig plan. Het voorgaande geldt voor beide varianten. Opgemerkt moet worden dat de nummering van gebouw 06 en 07 in het nieuwe bestemmingsplan afwijkt van de nummering in dit rapport. Gebouw 06 in het rapport is gebouw 07 in het bestemmingsplan en andersom. Geluiduitstraling brasserie Een brasserie met terras veroorzaakt geluid naar omliggende woningen. Op de geluidssituatie vanwege de genoemde inrichting zijn de geluidsvoorschriften volgens het Activiteitenbesluit en de richtwaarden conform de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van toepassing.
Beoordeeld is in hoeverre bij de omliggende woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan deze voorschriften en richtwaarden. Uit de rekenresultaten blijkt dat vanwege het stemgeluid de geluidsvoorschriften en richtwaarden conform het Activiteitenbesluit en VNG-publicatie wordt overschreden. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 52 dB(A) en het maximale geluidsniveau ten hoogste 74 dB(A). Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat vanwege het stemgeluid de geluidsniveaus nog acceptabel zijn en dat met voldoende gevelisolatie aan de noordgevel van gebouw 06 er sprake zal zijn van een 'goed woon- en leefklimaat' en een 'goede ruimtelijke ordening'. Van een dergelijke gevelisolatie is sprake in onderhavig plan. Vanwege de geluidsniveaus van de hele inrichting worden de grens- en richtwaarden conform het Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie fors overschreden. Hierdoor is er bij realisatie van een overdekt verwarmd terras met muziekgeluid geen sprake van een 'goed woon- en leefklimaat' in de woningen en een 'goede ruimtelijke ordening'. Een overdekt verwarmd terras is wel mogelijk, indien de bronsterkte van het muziekgeluid niet bijdraagt in de totale akoestische situatie of wanneer er geen muziekgeluid aanwezig is.
Het maximaal toegestane muziekmuziekgeluid in deze situatie is dusdanig laag, dat geconcludeerd kan worden dat het niet mogelijk is ter plaatse van het terras een muziekgeluidniveau ten gehore te brengen dat ervaren wordt als achtergrondmuziek en tevens niet hoorbaar ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen. Daarnaast dient ook zonder muziek geluid voldoende gevelisolatie aanwezig te zijn. Dan is er sprake van 51
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
een 'goed woon- en leefklimaat' in de woningen en een 'goede ruimtelijke ordening'. Opgemerkt moet worden dat de nummering van gebouw 06 en 07 in het nieuwe bestemmingsplan afwijkt van de nummering in dit rapport. Gebouw 06 in het rapport is gebouw 07 in het bestemmingsplan en andersom. 4.2.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.3
Bodemparagraaf
4.3.1 Inleiding Op grond van de Wet bodembescherming wordt getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies in het bestemmingsplangebied. Voor het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en op de aan/afwezigheid van locaties verdacht van bodemverontreiniging en uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied. 4.3.2 Onderzoek In het bestemmingsplangebied zijn een drietal rapportages met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend: 1. Verkennend bodemonderzoek Locatie Verpleeghuis Boerhave int Haarlem door B.K. Ingenieurs en milieuadviesbureau, kenmerk M93.234, d.d. 3 januari 1994. 2. Verkennend bodemonderzoek Boerhaave Verpleeghuis en reactiveringscentrum Louis Pasteurstraat 9 te Haarlem, door Tjaden Milieu, kenmerk M 96.103/PG, d.d. 9 mei 1996. 3. Verkennend bodemonderzoek Louis Pasteurstraat 9 te Haarlem, door Lycens, kenmerk 2019-0217, d.d. 27 juni 2019. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Het verkennend bodemonderzoek van Lycens d.d. 27 juni 2019 is dekkend uitgevoerd over het gehele plangebied, de voorgaande onderzoeken betreffen delen van het gebied in verband met aanvragen van bouwvergunningen. Uit het laatste onderzoek blijkt dat in de bovengrond van het zuidelijk deel van de locatie een gehalte kwik gelijk aan de achtergrondwaarde is aangetoond.
Op basis van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en de veldwaarnemingen is geen directe verklaring te geven voor het verhoogde gehalte aan kwik in de bovengrond. In de kolengruishoudende bovengrond van boring 6 is een gehalte lood gelijk aan de achtergrondwaarde aangetoond. Het gehalte aan lood is te relateren aan de bijmengingen met kolengruis. In de overige bovengrond- en ondergrondmengmonster zijn geen stoffen boven de achtergrondwaarde aangetoond. Het gemeten gehalte aan kwik is gelijk aan de achtergrondwaarde en vormt geen belemmering voor de geplande herinrichting van de locatie. Het
52
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast blijkt uit de analyseresultaten dat het grondwater uit peilbuis 2 een licht verhoogde concentratie aan barium bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. In de overige peilbuizen zijn geen stoffen in verhoogde concentraties gemeten. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering voor de geplande herinrichting van de locatie. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.3.3 Conclusie Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor geplande herontwikkeling van de locatie. Het aspect bodem staat derhalve de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding Voor het beschouwen van de externe veiligheid zijn het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen), het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) en het Bevt (Besluit transportroutes externe veiligheid) relevant. In deze AMvB's staat beleid waarmee de risico's rondom risicobronnen tot maatschappelijk aanvaardbare proporties kunnen worden beperkt. Risicobronnen kunnen inrichtingen zijn (bedrijven waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen zoals ammoniak, chloor of LPG) of transportassen, zoals buisleidingen of wegen waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De meest effectieve manier om de risico's te beperken is het ruimtelijk scheiden van risicobron en risico-ontvanger. Concreet betekent dit hoe groter de afstand, hoe minder risico. De grens van het invloedsgebied wordt vaak bepaald door de 1% letaliteit-afstand (maar soms ook door een kleinere afstand). Dit is de afstand tussen risicobron en ontvanger, waarbij nog 1% van de ontvangers als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, komt te overlijden. Het invloedsgebied is een belangrijk begrip om te beoordelen of externe veiligheid voor een plangebied een te beschouwen aspect is. 4.4.2 Onderzoek Met behulp van de risicokaart Nederland is onderzocht of het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een Bevi-inrichting, transportroute gevaalrijke stoffen of buisleiding.
Afbeelding 4.2 laat zien dat een buisleiding aan de westkant van het plangebied loopt, langs de Amerikaweg. Dit betreft de leiding W-532-01.
53
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart Nederland (bron: www.risicokaart.nl) Afbeelding 4.3 laat zien dat het invloedsgebied van deze buisleiding voor het overgrote deel over de planlocatie heen ligt.
54
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Afbeelding 4.3: ligging plangebied (oranje kader) en leiding W-532-01 (zwarte lijn) met het invloedsgebied Vanwege de ligging van de planlocatie binnnen het invloedsgebied van de buisleiding is door AVIV een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. De resultaten worden hieronder verkort weergegeven. Uit het onderzoek volgt dat geen sprake is van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het groepsrisico is berekend voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de ontwikkelingen. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. 4.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
55
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.5
Geluid
4.5.1 Inleiding In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. 4.5.2 Onderzoek In het kader van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de N205 Schipholweg, Boerhaavelaan, Amerikaweg, Kennedylaan/Floris van Adrichemlaan en de 30 km/uur weg Louis Pasteurstraat. De rapportage van 18 juni 2020 is bijgevoegd in bijlage 5 van deze toelichting.
Resultaten akoestisch onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn twee planvarianten onderzocht ten behoeven van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. In variant 2 is de bebouwing aan de Boerhaavelaan en in het 'Hart van Jacob' circa één bouwlaag hoger dan in variant 1. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door het geluid afkomstig van de Amerikaweg en de Boerhaavelaan. De geluidsbelasting bedraagt vanwege de Amerikaweg ten hoogste 56 dB en vanwege de Boerhaavelaan ten hoogste 57 dB inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh. De ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB wordt daarmee niet overschreden. Conform het geluidsbeleid dient bij overschrijden van de voorkeursgrenswaarde de woning over tenminste één geluidsluwe gevel te beschikken. Tevens dient de buitenruimte aan deze zijde gesitueerd te worden. Op woningniveau wordt niet aan deze eis voldaan. Op gebouwniveau wordt wel aan de eis voldaan. Aan de 56
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
zijde ter plaatse van de binnenplaats wordt tevens aan de voorwaarde voldaan. Aan deze zijde zijn de dakterrassen gesitueerd en kunnen op de binnenplaats buitenruimten worden gerealiseerd waar de bewoners geluidsluw kunnen verblijven. Een ontheffing van de voorkeurswaarde dient te worden aangevraagd bij de gemeente voor de geluidbelasting ten hoogste 56 dB vanwege de Amerikaweg en 57 dB vanwege de Boerhaavelaan. Deze hogere waarden zijn van toepassing voor beide planvarianten. 4.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Inleiding De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. In de Europese Unie zijn daarom grenswaarden afgesproken waaraan de concentraties van een aantal stoffen vanaf bepaalde ingangsdata moeten voldoen. Die grenswaarden en regelgeving om ze tijdig te bereiken en te handhaven zijn in Nederland opgenomen in de Wet milieubeheer, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Indien een bestemmingsplan vastgesteld of gewijzigd wordt, dient vast te staan dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit voldoen aan die eisen (als gevolg van art. 5.16 lid 1 en 2). Die gevolgen worden bepaald door de verandering in gebruik en functies die door het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande (toegestane) functies. Maatgevend is de met de veranderingen samenhangende groei van het autoverkeer en de daardoor veroorzaakte uitstoot van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet milieubeheer onderscheidt in artikel 5.16. lid 1 een aantal situaties waarin een bestemmingsplan voldoet aan de regels voor de luchtkwaliteit. Dit is ondermeer het geval indien aannemelijk is dat de ontwikkelingen 'niet in betekenende mate' (NIBM) gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit (artikel 5.16 lid 1 onder c).
Nadere criteria om te bepalen of er sprake is van NIBM zijn gegeven in een AmvB Niet In betekenende Mate en een gelijknamige Regeling NIBM. Daarin is bijvoorbeeld aangegeven dat van NIBM ondermeer sprake is indien het bestemmingsplan een netto-uitbreiding met minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 BVO kantoren mogelijk maakt. 4.6.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van diverse functies. Om die reden kan niet zondermeer gesteld worden dat sprake is van een ontwikkeling die 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Derhalve is voor de beoordeling of de beoogde ontwikkeling in 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, gebruik gemaakt van de NIBM-tool.
57
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
Afbeelding 4.4: NIBM-tool Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer (circa 771 extra voertuigbewegingen, zie paragraaf 4.13) niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentraties voor een bepaald jaar zijn ter plaatse van een projectgebied. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van een planlocatie. De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 17 juni 2020) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 21,8 µg/m3, van fijnstof PM10 19,7 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 11,2 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing van de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3. De maximale bijdrage van het extra verkeer is niet van zodanige omvang dat de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide de grenswaarden overschrijden. 4.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
58
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
4.7
Archeologie
4.7.1 Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem.
Die trefkans is aangegeven in vier categorieën. De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis. Verwachtingswaarde plangebied Op basis van het vigerende bestemmingsplan "Schalkwijk - Midden" heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Bij bouwwerken en/of bodemingrepen is daarom archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk wanneer deze in omvang groter dan 2.500 m2 zijn en dieper reiken dan 30 cm-Mv.
De zone van waarde uit het bestemmingsplan is gebaseerd op de 59
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
archeologische beleidskaart van de gemeente. Op deze kaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Voor die gebieden gelden volgens het bestemmingsplan een vrijstelling van archeologisch onderzoek tot 2.500 m2 en minder dan 30 cm -Mv, zodat de voorgenomen initiatieven in dit gebied eerst met behulp van archeologisch onderzoek dienen te worden onderbouwd.
Afbeelding 4.5: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Haarlem 4.7.2 Onderzoek Transect heeft in de periode juni - november 2019 een archeologisch vooronderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Deze rapportages zijn in respectievelijk bijlage 6 en bijlage 7 van deze toelichting opgenomen. De resultaten worden hieronder verkort weergegeven. Vooronderzoek Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied in een met getijdeafzettingen overstroomde strandvlakte gelegen heeft. Deze strandvlakte is vermoedelijk reeds in het Neolithicum gevormd, waarna er via muien en/of getijdegeulen zeeklei is afgezet. Deze zeeklei ligt direct op het strandzand, waarmee het gebied juist als drassig kan worden beschouwd. De klei vormt hier namelijk een aanwijzing dat deze zone onder invloed van getijde regelmatig onder water liep. Dit leidde tot drassige omstandigheden, die niet geschikt geweest zijn voor bewoning. Hiertoe zijn lokale duinen, zoals ten noorden van het plangebied, meer geschikt. Binnen het plangebied is echter geen duinzand aangetroffen. Vanwege het ontbreken van bewoonbare niveaus is de archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum naar beneden 60
bestemmingsplan "Nieuw Boerhaave" (vastgesteld)
(laag) bij te stellen. Na het sluiten van de kust trad met name vanaf de Bronstijd trad in het gebied sterke vernatting op, waarna de laagtes en uiteindelijk ook de hoger gelegen delen van de strandwal en duinzanden begraven zijn geraakt onder het veen. In het veen zijn geen veraarde niveaus aangetroffen, die van archeologische waarde zijn. Het plangebied is na het sluiten van de kust altijd nat en drassig geweest. Ook de top van het veen heeft een lage archeologische verwachting. Deze is verstoord geraakt toen het terrein is opgehoogd en de huidige bebouwing is aangelegd. Aan de basis van de ophoging, op het veen, is op enkele plekken nog een restant van het oorspronkelijk toemaakdek, dat in de Nieuwe tijd is ontstaan (opgebracht). Dit wijst uitsluitend op de mogelijke aanwezigheid van sporen van landgebruik en greppels: nederzettingsterreinen uit deze periode zijn op grond van het bureauonderzoek niet te verwachten. Samengevat is de archeologische verwachting voor resten uit de periode Bronstijd-Nieuwe tijd laag te noemen. Inventariserend veldonderzoek Op basis van de resultaten van het veldonderzoek bestaat er in archeologisch opzicht geen bezwaar tegen de voorgenomen sloop en bouw van een nieuw zorgcomplex in het plangebied. Er geldt immers een lage archeologische verwachting.