2 Bijlage A Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Tekst van het document
Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden Aangeboden door de ‘Coalition of the Willing’ | Oktober 2024
Inhoudsopgave 1. Inleiding
5
2. Duurzaamheid: definitie en raamwerk
7
3. Waarom eigenlijk een duurzaamheidsverantwoording?
9
4. Uitgangspunten duurzaamheidsrapportage/-verantwoording
12
5. Kernset Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording
15
6. Hoe te starten met duurzaamheidsrapportage
30
7. Voorbeelden vanuit de praktijk
32
Bijlagen Bijlage 1: Verdieping: Monitoringsinstrumenten Brede Welvaart
34
Bijlage 2: Duurzame beleidsdoelstellingen op mondiaal niveau – SDG’s
35
Bijlage 3: Duurzame beleidsdoelstellingen op Europees niveau
36
Bijlage 4: Toelichting thema’s kernset en aanvullende sets
37
Bijlage 5: Data definities
41
Bijlage 6: Kernset en aanvullende sets inclusief SDG’s
47
Bijlage 7: Kernset en aanvullende set gekoppeld aan de Green Deal 51
2
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Begrippenlijst Onderstaand wordt een overzicht gepresenteerd van gebruikte afkortingen in dit document. Ministerie van BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Commissie BADO Commissie Bedrijfsvoering en Auditing Decentrale Overheden Commissie BBV Commissie Besluit begroting en verantwoording CBS Centraal Bureau voor de Statistiek CotW Coalition of the Willing CSRD Corporate Sustainability Reporting Directive EPSR European Pillar of Social Rights ESG Environment, Social en Governance ESRS European Sustainability Reporting Standards SDG Sustainable Development Goals
3
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Oplegger Handreiking Duurzaamheidsrapportage voor decentrale overheden Het doel van de Handreiking Duurzaamheidsrapportage is om decentrale overheden te helpen bij het opstellen van een duurzaamheidsrapportage. Het geeft richtlijnen en praktische tips over hoe zij hun duurzaamheidsprestaties kunnen meten, rapporteren en verbeteren. Het doel is om meer transparantie te creëren over de duurzaamheidsprestaties van decentrale overheden en om deze prestaties te verbeteren door middel van benchmarking en het delen van best practices. Dit kan bijdragen aan het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen van de overheid (rijks en decentraal) en het vergroten van het bewustzijn over duurzaamheid bij burgers en bedrijven. De Handreiking sluit aan bij nationale en internationale ontwikkelingen, meetmethodieken en indicatoren rondom duurzaamheidsrapportages. Qua systematiek en thema’s volgt de Handreiking de lijn van de Europees geharmoniseerde Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). CSRD start met een dubbele materialiteitsanalyse. De ene kant is de impactmaterialiteit die je als organisatie op de buitenwereld hebt en de andere kant is de financiële materialiteit en gaat over de financiële gevolgen op jouw organisatie t.a.v. ESGgerelateerde risico’s.
De duurzaamheidsverslaggeving dient zich te richten op de onderwerpen die het meest materieel zijn voor de organisatie en de stakeholders. Dit wordt aangevuld op basis van proportionaliteit, waarbij gedoeld wordt op de redelijke verhouding tussen en doel en de ingezette middelen. Deze dubbele materialiteitsanalyse zal na het aanbieden van de Handreiking worden uitgevoerd op sectoraal niveau (gemeenten, provincies, waterschappen) en als aanhangsel worden toegevoegd. Hierin zal ook een stappenplan worden opgenomen waarlangs organisaties aanvullend op de sectorale materialiteitsuitkomsten een eigen analyse kunnen uitvoeren. De duurzaamheidsrapportage en -verantwoording richt zich op zowel (1) het gehele areaal van de gemeente, provincie en waterschap (inclusief inwoners) als (2) de eigen bedrijfsvoering van de organisatie. Naast de maatstaven en duurzaamheidsdoelen van de eigen organisatie, wordt ook gekeken naar de samenhang hiervan met bredere beleidsdoelstellingen zoals de SDG Agenda en Europees duurzaamheidsbeleid (in het bijzonder de European Green Deal). De ESG-rapportage standaard schrijft echter geen specifieke doelen voor en biedt daarmee een apolitiek, toekomstbestendig raamwerk dat flexibel in kan spelen op nieuwe/verschillende doelen en beleidsdoelstellingen.
Bij de in deze Handreiking opgenomen (eerste) set van duurzaamheidsindicatoren wordt ook aansluiting gezocht met al bestaande regionale indicatorensets zoals die van de Regionale Brede Welvaart en de Regionale Klimaatmonitor. Deze aansluiting dient echter nog verder te worden uitgewerkt teneinde de duurzaamheidsrapportage zoveel mogelijk af te stemmen op zowel specifieke beleidsthema’s als Brede Welvaart. De Handreiking duurzaamheidsverslaggeving decentrale overheden is bedoeld voor medewerkers van decentrale overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen, die verantwoordelijk zijn voor de duurzaamheidsverslaggeving van hun organisatie. Daarnaast kan de Handreiking ook nuttig zijn voor andere belanghebbenden, zoals burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven, die inzicht willen krijgen in de mogelijke opzet van duurzaamheidsrapportages van de decentrale overheid. Deze Handreiking wordt aangeboden aan Commissie BADO, Commissie BBV en het ministerie van BZK. Het uiteindelijke doel is om ervoor te zorgen dat de wijze van duurzaamheidsverantwoording bij decentrale overheden op een uniforme en efficiënte wijze gebeurt. De CotW ziet dit als een stapsgewijs proces waarin draagvlak essentieel is.
De betrokkenheid en input van de Commissie BADO en BBV en het ministerie van BZK, als stelselverantwoordelijke van de decentrale overheid, heeft meerwaarde in het vervolgtraject waarin de onderwerpen zoals het breed kenbaar maken van de Handreiking, de doorontwikkeling en uitbreiding van de indicatoren-set, de organisatie van de datavoorziening en het op termijn nadenken over de vorm van assurance aan bod zullen komen.
4
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en achtergrond Decentrale overheden spelen een belangrijke rol bij het realiseren van duurzaamheid in de samenleving. De duurzaamheidsrapportage is een belangrijk instrument voor het in kaart brengen van de duurzaamheidsprestaties van deze overheden. Het verslag biedt inzicht in de impact van beleidskeuzes en activiteiten op het gebied van leefomgeving, samenleving en bestuur. Het draagt bij aan het verantwoordingsproces richting burgers en belanghebbenden en biedt handvatten voor verdere verbetering en innovatie. Een goede duurzaamheidsrapportage is transparant, betrouwbaar en relevant voor belanghebbenden. Samenwerking op het gebied van duurzaamheid, tussen decentrale overheden en burgers en bedrijven, is van het grootste belang. Dit begint bij een goede informatievoorziening over welk beleid decentrale overheden voeren en hoe de voortgang hierop verloopt. Dit creëert de noodzakelijke betrokkenheid om samen duurzame doelen te bereiken. Het meten van voortgang zorgt ook voor een beter begrip van de impact op milieu en samenleving van beleidskeuzes. Wat werkt wel en wat niet. Door hun prestaties te meten en te rapporteren, kunnen partijen hun beleid en strategieën aanpassen om duurzamer te worden en om hun doelen sneller te bereiken. Beschikbaarheid van data is relevant.
Daarom is bij het tot stand komen van deze Handreiking samengewerkt met het CBS. Er wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de definities van het CBS en bij reeds bestaande databronnen. Het doel van de Handreiking Duurzaamheidsverslaggeving is om decentrale overheden te helpen bij het opstellen van een duurzaamheidsverslag. Het geeft richtlijnen en praktische tips over hoe zij hun duurzaamheidsprestaties kunnen meten, rapporteren en verbeteren. Het doel is om meer transparantie te creëren over de duurzaamheidsprestaties van decentrale overheden en om deze prestaties te verbeteren door middel van benchmarking en het delen van best practices. Dit kan bijdragen aan het behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen van de overheid en het vergroten van het bewustzijn over duurzaamheid bij burgers en bedrijven.
1.2 Totstandkoming Deze Handreiking is een initiatief vanuit de ‘Coalition of the Willing’. Deze coalitie bestaat uit: • • • • • • •
Gemeente Etten-Leur Gemeente Haarlem Gemeente Leiden Gemeente Maastricht Gemeente Middelburg Gemeente Utrecht Provincie Utrecht
• • • • • •
Waterschap de Dommel Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier IPO VNG BNG NWB Bank
• • • • • • •
CBS De Vrije Universiteit Amsterdam Ministerie van BZK BDO Deloitte PwC Publieke Sector Accountants
Bovenstaande organisaties hebben de (denk)krachten gebundeld en hebben in gezamenlijkheid de voorliggende Handreiking opgesteld, met een kernset aan indicatoren welke gebruikt kunnen worden voor de duurzaamheidsrapportage.
5
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Leeswijzer; opbouw van de handreiking Het doel van de handreiking is tweeledig. De Handreiking beschrijft enerzijds de kaders en uitgangspunten die zijn gehanteerd ten tijde van het opstellen van voorliggende Handreiking. Als onderdeel hiervan wordt in hoofdstuk twee de definitie van duurzaamheid beschreven, waarna de reeds beschikbare raamwerken worden gepresenteerd. In hoofdstuk drie wordt er aandacht gegeven aan waarom decentrale overheden over duurzaamheid (zouden) rapporteren. Vervolgens worden de uitgangspunten van de handreiking in hoofdstuk 4 beschreven. Hoofdstuk 5 begint met de criteria van de indicatoren, waarna in paragraaf 5.2 de opbouw van de kernset wordt toegelicht. De koppeling met de CSRD en ESRS’en wordt geduid, zodat het voor de gebruiker helder is op welke wijze de kernset tot stand is gekomen. Naast toelichting op en verantwoording over de gemaakt keuzes gedurende het proces van het opstellen van de handreiking, heeft de handreiking nog een ander doel: de Handreiking beoogd decentrale overheden te ondersteunen bij het opstellen van de duurzaamheidsrapportage. Vanaf paragraaf 5.2 wordt de handreiking praktijkgerichter. In hoofdstuk 5.3 worden de kernset en de aanvullende sets met indicatoren gepresenteerd. Hoofdstuk 6 bevat een stappenplan hoe de organisatie kan beginnen met duurzaamheidsrapportage.
Tot slot worden in hoofdstuk 7 praktijkvoorbeelden beschreven, welke als inspiratie kunnen dienen. Direct van start met duurzaamheidsrapportage? Begin dan bij hoofdstuk 6, het stappenplan ‘hoe te starten met duurzaamheidsrapportage’. Lees vervolgens de voorbeelden in hoofdstuk 7, waarna de kernset in hoofdstuk 5 kan worden gevonden.
6
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
2. Duurzaamheid: definitie en raamwerk In dit hoofdstuk wordt de definitie van duurzaamheid, welke gehanteerd wordt binnen de Handreiking, gepresenteerd. Vervolgens worden de reeds bestaande raamwerken toegelicht, waarna toegelicht wordt welk raamwerk voor deze Handreiking gehanteerd zal worden.
2.1 Definitie van duurzaamheid In deze Handreiking sluiten wij aan bij de definitie van duurzaamheid van het CBS: Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die tegemoetkomt aan de levensbehoeften van de huidige generatie, zonder die van de toekomstige generaties tekort te doen. Het gaat hierbij om economische, sociale en leefomgevingsbehoeften. Voorbeelden zijn een schoon milieu, biodiversiteit in de natuur, een gezonde bevolking, goed werkende sociale netwerken en maatschappelijk vertrouwen. Deze definitie is de internationaal erkende definitie, die terug gaat tot het VN rapport ‘Our Common Future’ van The Word Commission on Environment and Developmentet uit 1987.
2.2 Bestaande raamwerken duurzaamheid De Handreiking sluit aan bij nationale en internationale ontwikkelingen, meetmethodieken en indicatoren rondom duurzaamheid. Landelijk zijn er diverse raamwerken in ontwikkeling welke gebruikt kunnen worden om de duurzaamheidsrapportage en -verantwoording te structureren voor decentrale overheden, zoals ESG, de Sustainable Development Goals (SDG’s) en Brede Welvaart. Tot op zekere hoogte behandelen deze verschillende frameworks dezelfde thema’s maar volgens een andere indeling. De mogelijkheid bestaat dus om, tot op zekere hoogte, een overzicht te maken waarin alle frameworks samen komen. Onderstaand worden de drie meest bekende raamwerken nader toegelicht.
ESG: Environmental, Social en Governance ESG kan worden gezien als een raamwerk voor duurzaamheidsrapportage dat een methode biedt om de duurzame ontwikkeling van bedrijven te beoordelen (Hoang, 2022). Het werd oorspronkelijk ontwikkeld als een methode, die investeerders helpt om de duurzaamheid van een bedrijf op de lange termijn te evalueren. De drie pijlers definiëren normen die organisaties kunnen gebruiken om hun impact op maatschappij en milieu te meten: 1. de milieupijler omvat criteria zoals de CO2-footprint van een bedrijf, het gebruik van hernieuwbare energie en de afvalbeheerpraktijken; 2. de sociale pijler omvat criteria zoals de behandeling van werknemers, het diversiteits- en inclusiebeleid en de betrokkenheid bij de gemeenschap; en 3. de governancepijler omvat criteria zoals de diversiteit van het bestuur, de beloning van bestuurders en de rechten van aandeelhouders. Een evenwichtigere rapportage is gewenst langs de drie lijnen van ESG. Er is nog geen standaard ESG-kader voor de publieke sector beschikbaar, alleen een breed gedeelde consensus over de onderwerpen die eronder vallen en een EU geharmoniseerd en verplicht ESG-kader voor de marktsector (c.q. de CSRD). De toegevoegde waarde van het ESG-CSRD kader is dat het inzicht biedt in zowel de eigen duurzaamheidsdoelen en performance van organisaties, als in de samenhang daarvan met maatschappelijke opgaven c.q.
beleidsdoelstellingen die regionaal van belang zijn. Dit laatste betekent dat SDG’s en brede EU-beleidsparaplu’s zoals de European Green Deal geïntegreerd kunnen worden in het ESG-CSRD kader.
Brede Welvaart Al decennia lang bepaalt economische groei de staat van een land, regio en gemeente: groeit de economie dan gaat het goed. In de afgelopen jaren is echter steeds meer aandacht voor een alternatieve kijk op wat de gezondheid en voorspoed (in één woord welvaart) van een regio bepaalt. In Nederland is het gesprek over deze herdefinitie gecentreerd rondom het begrip Brede Welvaart. Brede Welvaart is ‘de kwaliteit van het leven hier en nu, rekening houdend met de mate waarin die invloed heeft op de kwaliteit van leven van toekomstige generaties en mensen ergens anders in de wereld’. Om de mate van Brede Welvaart te meten is het wenselijk om niet alleen naar zaken als BBP en winst te kijken maar ook naar sociale, ecologische en economische indicatoren.
7
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Brede Welvaart kan door overheden gebruikt worden als denkkader, met als doel Brede Welvaart integraal onderdeel van de besluitvorming te maken. Het denkkader Brede Welvaart kan lokale overheden helpen om het gesprek aan te gaan over Brede Welvaart en dit te concretiseren. Om (het denkkader van) Brede Welvaart verder te concretiseren, is het identificeren van indicatoren bij Brede Welvaart relevant. Dit is echter lastig door het brede en complexe concept van Brede Welvaart. Hiervoor zijn al enkele monitoringsinstrumenten ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is de Regionale Monitor Brede Welvaart CBS, Brede Welvaartsindicator (BWI) van de Rabobank en Universiteit Utrecht. In bijlage 1 wordt een verdieping in deze monitoringsinstrumenten gepresenteerd.
Sustainable Development Goals De zeventien SDG’s (Sustainable Development Goals) vormen samen een antwoord op de vraag ‘welke toekomst willen we’ en ‘waar moeten we aan werken’ als we zo’n toekomst wensen (SDG Nederland, 2024). De SDG’s zijn daarmee een aspiratie voor de toekomst, variërend van het uitbannen van armoede tot het beschermen van het milieu. Het zijn de opvolgers van de Millenium Goals. Strikt genomen zijn de SDG’s geen raamwerk maar een beleidsagenda die loopt tot 2030. Wel bieden de SDG’s de mogelijkheid om de eigen activiteiten te categoriseren aan de hand van deze doelen om op die manier inzicht te bieden op welke gebieden (en in hoeverre) een organisatie een bijdrage levert aan deze wereldwijd geformuleerde doelen. In de praktijk zien we dat veel organisaties de SDG’s hebben omarmd waardoor het goed is deze hier toch te benoemen. Daarnaast hebben de koepels in 2022 een ‘Voluntary Subnational Review’ uitgevoerd, waarin is gekeken naar de voortgang op de duurzame ontwikkelingsdoelen. Echter, omdat de doelen op mondiale schaal geformuleerd zijn (en veel subdoelen in een ontwikkeld land als Nederland relatief goed geregeld zijn), zijn de SDG’s voor decentrale overheden een te grof instrument om mee te meten en te sturen en zijn meer geschikt als onderdeel van de ESG systematiek.
2.3 Verantwoording keuze voor ESG Van de beschreven frameworks biedt vooral het ESG-framework, naar onze mening, een evenwichtig rapportagekader; dus langs de lijnen Environment, Social en Governance. Om deze reden wordt er in deze Handreiking voor gekozen om ESG als raamwerk te hanteren, waarbij stapsgewijs invulling gegeven kan worden aan de drie lijnen E, S en G. De keus om ESG als framework te hanteren sluit aan bij de activiteiten van het CBS, waar momenteel een Green Deal Dashboard wordt ontwikkeld op landelijk niveau en verder wordt nagedacht over regionale gegevensvoorziening van de Green Deal.
Passend bij rol en takenpakket openbaar bestuur Gemeenten, Provincies en Waterschappen hebben van oudsher een dienstbaar en maatschappelijk takenpakket. (Vrijwel) Alle thema’s die op de bestuurstafels van deze decentrale overheden terecht komt vallen in te delen in E (klimaat en milieu) en S (sociaal en economisch). Inspanningen op het gebied van riolering, watermanagement, openbare ruimte, natuurbeheer zijn altijd al taken van het openbaar bestuur geweest. Recentelijk zijn hier ook thema’s bijgekomen als isolatie, biodiversiteit, opwekking van energie en het voorkomen van hittestress. Wat de S betreft liggen de inspanningen op het gebied van het Sociaal Domein maar ook de rol die decentrale overheden spelen in het beschikbaar maken van vitale infrastructuur en het toegang bieden tot kwalitatief goed onderwijs. De G (goverance, bestuur) neemt een bijzondere plaats in op basis van de staatrechtelijke uitgangpunten waar het bestuur van een overheid aan moet voldoen en vindt zijn verankering in de grondwet. Governance gaat er ook over hoe de eigen organisatie ingericht is, bijvoorbeeld man-vrouw verhouding in het bestuur of personeelbestand, aanwezigheid van een klokkenluidersprotocol, diversiteitscharter etc. ESG is dus niet een nieuw iets. Thema’s als sociale cohesie en bestuurlijke integriteit worden naadloos naast ‘modernere’ thema’s als milieu gelegd.
ESG is een bij onze tijd passend framework om te beschrijven welke acties decentrale overheden nemen binnen hun traditionele takenpakket en met welk resultaat. Dit ongeacht de politieke voorkeuren van een bestuur. De keuze voor ESG betekent niet dat ontwikkelingen omtrent Brede Welvaart niet binnen de scope vallen. Echter, Brede Welvaart is vooralsnog niet voldoende ontwikkeld om op te kunnen sturen. Aangezien ESG daar een beter handvat voor biedt wordt gekozen voor hetgeen waar men in de praktijk nu het meeste baat bij heeft, met als stip op de horizon ook de bredere welzijnsindicatoren en de link met Brede Welvaart te borgen.
8
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
3. Waarom eigenlijk een duurzaamheidsverantwoording? In dit hoofdstuk wordt ingegaan op redenen voor decentrale overheden om te starten met duurzaamheidsverantwoording. Ten eerste zijn er zowel internationale als nationale beleidsdoelstellingen geformuleerd op diverse duurzaamheidsthema’s. Daarnaast heeft de invoering van de CSRD een indirecte doorwerking op decentrale overheden. Tot slot, ondanks het ontbreken van directe wetgeving voor decentrale overheden is de verwachting dat vanuit de maatschappij de vraagt komt aan decentrale overheden om inzicht te geven in duurzaamheidsthema’s.
3.1 Internationale en Nationale Doelstellingen Het is van belang om toe te werken naar een verantwoorde impact van de maatschappij op haar omgeving. Hiertoe zijn er op mondiaal niveau afspraken gemaakt en doelstellingen gedefinieerd, zoals, onder andere, de SDG’s, de klimaatovereenkomst van Parijs, en de Kunming biodiversiteits-overeenkomst. Op Europees niveau, en daarmee ook voor de EU landen afzonderlijk, zijn er afspraken gemaakt in de vorm van brede EUbeleidsparaplu’s, te weten de European Green Deal (gericht op Environment van ESG) en de European Pillar of Social Rights (gericht op Social van ESG).
3.1.1 Mondiale beleidsdoelstellingen SDG’s: De SDG’s zijn 17 wereldwijd erkende doelen opgesteld door de Verenigde Naties (VN) voor een einde aan armoede, ongelijkheid, onrecht en klimaatverandering in 2030. Deze 17 doelen zijn opgedeeld in 169 meer specifieke subdoelen waar alle landen ter wereld naar zouden moeten streven. Alle 193 landen die lid zijn van de VN hebben de doelen in 2015 aangenomen. Voor Nederland monitort het CBS jaarlijks de voortgang (Centraal Bureau voor de Statistiek). Er zijn voor decentrale overheden veel aanknopingspunten om hun duurzaamheidsverantwoording te duiden. De VNG faciliteert en ondersteunt een netwerk van gemeenten die zich inzetten voor de SDG’s genaamd Gemeente4GlobalGoals (Global Goals Voor Gemeenten | VNG). In bijlage 2 worden de SDG’s gepresenteerd. Klimaatmitigatie: De Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 richt zich op het beperken van de temperatuurstijging op aarde tot aanzienlijk minder dan 2°C, en om inspanningen te leveren voor een beperking tot 1,5°C. In Nederland is dit vervolgens vertaald in het Klimaatakkoord, waarbij werd afgesproken om de broeikasgasuitstoot in 2030 te verminderen met 49% t.o.v. 1990 en in 2050 klimaatneutraal te zijn1. VNG heeft namens (een meerderheid van) de gemeenten eind 2019 ingestemd met het Klimaatakkoord.
De Nederlandse overheid heeft inmiddels2, in lijn met de EU, het tussentijdse klimaatdoel bijgesteld naar 55% minder broeikasgasemissies in 2030 t.o.v. 1990. Ook de Unie van Waterschappen is een van de ondertekenaars van het Klimaatakkoord. De waterschappen hebben daarnaast eind 2022 de sectorale strategische visie “Op weg naar Klimaatneutraliteit” vastgesteld. De visie bindt in beginsel alleen de waterschappen zelf en bestaat uit de volgende pijlers: Waterschappen kennen hun klimaatvoetafdruk en streven naar klimaatneutraliteit in 2035, Waterschappen zijn energieneutraal in 2025, Waterschappen benutten de transitie naar een circulaire economie als integraal onderdeel van hun klimaatbeleid, en Waterschappen dragen in de regio bij aan klimaatneutraliteit vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en benutten meekoppelkansen voor andere opgaven. In het Interbestuurlijk ProgrammaProgramma (IBP) is (ook) afgesproken om in 2025 energieneutraal te zijn als tussenstap naar klimaatneutraliteit.
1 2
9
In 2025 vindt een eerste evaluatie van het Klimaatakkoord plaats. Ten tijde van het Klimaatakkoord was de aangescherpte doelstelling van 55% reductie al in de maak in Brussel, en gemeenten zijn dan ook in het Klimaatakkoord al gevraagd na te denken over aanvullende maatregelen voor de aangescherpte doelstelling.
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Biodiversiteit: Op de UN Biodiversiteitsconferentie van Kunming/Montreal in 2022 is afgesproken om biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen in 2030. Onderdeel van de afspraak is het herstellen van 30% van de ecosystemen. Het Nature Positive Initiative3 richt zich op het stoppen van biodiversiteitsverlies in 2030 (ook wel ‘netto positief’) en op volledig herstel in 2050. Ook is afgesproken dat ieder land een Nationale Biodiversiteit Strategie en Actie Plan (NBSAP) ontwikkelt. Hierin geeft ieder land aan hoe zij invulling zal geven aan de doelen van de Kunming/Montreal afspraken. In Nederland heeft het ministerie van LVVN de taak gekregen om dit NBSAP op te stellen; zij zijn hier op dit moment mee bezig. Ook is er in Nederland een particulier initiatief, waar ook veel overheden bij aangesloten zijn, genaamd het Deltaplan Biodiversiteitsherstel4 dat zich richt op 5% groenblauwe dooradering in 2030 en 10% in 2050 van het agrarisch gebied. Voor de gebouwde omgeving richt het plan zich op 50% ecologisch beheerd gebied in 2030.
3.1.2 Europese beleidsdoelstellingen European Green Deal: De Europese Green Deal is een pakket beleidsinitiatieven dat de EU moet helpen met de groene transitie, met als einddoel klimaatneutraliteit in 2050. De Green Deal ondersteunt de omvorming van de EU tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne en concurrerende economie. European Pillar of Social Rights: De ‘European Pillar of Social Rights (EPSR) is een initiatief van de Europese Commissie dat in november 2017 werd gelanceerd om sociale rechten in Europa te bevorderen en te versterken. Het is een verzameling van 20 principes en rechten die niet wettelijk bindend zijn. Het doel van deze principes is om de sociale dimensie van de EU te versterken en tegelijkertijd de kwaliteit van de werk- en leefomstandigheden in de deelnemende lidstaten te verbeteren. De EPSR moedigt lidstaten aan om hun sociale en arbeidsnormen en wetten aan te passen aan een inclusieve en rechtvaardige samenleving. In bijlage 3 worden de Europese Green Deal doelen en Europen Pillar of Social Rights gepresenteerd.
3.2 Wetgeving CSRD voor Bedrijven Een andere internationale afspraak op het gebied van duurzaamheidsverantwoording is de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). De CSRD is een Europese richtlijn die verplicht is voor grote ondernemingen. De richtlijn heeft als doel om bedrijven te verplichten transparanter te zijn over hun impact op duurzaamheid en maatschappij, en om inzichtelijk te maken welke risico’s zij zelf lopen op dit vlak. De CSRD is aangenomen door het Europees Parlement en is sinds januari 2023 in werking. De CSRD verplicht ondernemingen om informatie openbaar te maken over hun beleid en prestaties op het gebied van duurzaamheid en de impact op de maatschappij en het milieu. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan duurzaamheidsverantwoording is vastgelegd in de ESRS (European Sustainability Reporting Standards). Deze informatie zal moeten worden opgenomen in het jaarverslag van het bedrijf en zal moeten voldoen aan bepaalde standaarden en richtlijnen. Mogelijk dat organisaties op den duur zullen moeten voldoen aan de accountantscontrole, dit is echter niet het doel van deze handreiking. De richtlijn beoogt bij te dragen aan een meer duurzame economie en aan het bereiken van de doelstellingen van de Europese Green Deal en de VN Duurzame Ontwikkelingsdoelen.
Door de CSRD te gebruiken kunnen bedrijven de impact van hun activiteiten op de maatschappij en het milieu inzichtelijk maken én kenbaar maken welke risico’s zij lopen als gevolg van ecologische en sociale ontwikkelingen. Hierdoor zijn ze beter in staat om duurzaamheidsdoelen te stellen en daarover te verantwoorden. Decentrale overheden zijn niet verplicht om onder de CSRD (of onder andere duurzaamheidswetgeving) te rapporteren. Wel biedt de CSRD de decentrale overheden belangrijke informatie om te bepalen welke bedrijven het beste passen bij hun eigen duurzaamheidsdoelen en om te beoordelen welke bedrijven voldoen aan de eisen voor aanbestedingen en subsidies. Daarnaast hebben decentrale overheden ook een rol in de waardeketen van CSRD-plichtige ondernemingen. Deze ketenpartners zijn op bepaalde punten afhankelijk van informatie van decentrale overheden. 3 4
10
Het betreft een netwerk van 27 maatschappelijke- en natuurorganisaties, zie: https://www.naturepositive.org/ . Een netwerk van natuurorganisaties, boeren, burgers, kennisinstellingen, overheden en bedrijven. Zie ook: https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
In het bijzonder geldt dit voor de financiële instellingen waar decentrale overheden een groot deel van hun financiering vandaan krijgen. Deze instellingen zijn zonder uitzondering CSRD-plichtig en dienen volgens een vast framework (ESRS) te rapporteren over allerhande informatiepunten afhankelijk van welke thema’s voor hen van materieel belang zijn. De EU Taxonomy (European Commission, 2023), een classificatiesysteem voor duurzame economische activiteiten, wordt toegepast binnen de CSRD. Transparante informatievoorziening vanuit decentrale overheden helpt hiermee deze partijen te voldoen aan wet- en regelgeving en op hun beurt de maatschappelijke transparantie te tonen die ook voor financiële instellingen steeds belangrijker is. In het bijzonder geldt dit voor de wijze waarop banken zich financieren. De obligatiebeleggers (nationaal en internationaal) waar deze banken hun geld vandaan halen zijn ook in toenemende mate op zoek naar transparantie en aantoonbaarheid over de duurzaamheid van hun investeringen. Er is een brede verwachting vanuit de financieringsmarkt dat bij gebrek aan transparantie en verantwoording in de gehele keten (institutionele belegger, bank, decentrale overheid) de kosten van financiering zullen toenemen. Ook voor decentrale overheden geldt op langere termijn een gezond financieel eigenbelang.
3.3 Overwegingen bij ontbrekende wetgeving In een maatschappij waarin schaarste aan middelen en capaciteit in toenemende mate dwingen tot het maken van keuzes, neemt het belang toe om je als organisatie te verantwoorden over gemaakte keuzes. De impact die decentrale overheden, via democratische vertegenwoordiging, kunnen maken met hun beleid op het gebied van klimaat, milieu en maatschappij zorgt ervoor dat de verantwoordelijkheid om over gemaakte keuzes te verantwoorden toeneemt. De wereld verandert snel met nieuwe kansen en risico’s en de maatschappij vraagt daarbij van decentrale overheden dat zij verantwoordelijkheid nemen. De verantwoording over gemaakte politieke keuzes ligt bij het bestuur. Hoewel decentrale overheden ook nu reeds verantwoording afleggen over gemaakte keuzes door middel van begroting, jaarstukken en andere (financiële-) documenten is deze verantwoording hoofdzakelijk gericht op het toelichten van gerealiseerde prestaties op de door hen zelf als belangrijk veronderstelde doelen. Maatschappelijke verantwoording over duurzaamheid vormt een aanvulling op de eerdergenoemde politieke verantwoording, en richt zich op de impact die decentrale organisaties kunnen maken en niet zozeer op de gemaakte (politieke) beleidskeuzes.
Dat betekent dat duurzaamheids-verantwoording ook gaat over de impact die je als decentrale overheid hebt op de domeinen waar geen actief beleid is gevoerd maar waar actief beleid mogelijk wel een significant effect zou kunnen hebben gehad op klimaat, milieu en/of maatschappij. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het maken van keuzes inherent is wanneer sprake is van beperkt beschikbare middelen of een beschikbare capaciteit. Daarbij kunnen de prioriteiten die door decentrale overheden zijn gesteld verschillen. De rapportage over duurzaamheidsthema’s kan het politieke en maatschappelijke debat dienen en als zodanig bijdragen aan maatschappelijke prioriteitstellingen.
11
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
4. Uitgangspunten duurzaamheids rapportage/-verantwoording Deze Handreiking is zich bewust van het belang om tot een evenwichtige duurzaamheids-verantwoording te komen, waarbij klimaat en milieu, sociale en economische aspecten en governance in gelijke mate tot uitdrukking komen. Geconstateerd wordt dat het komen tot een volledig en volwaardige duurzaamheidsverantwoording gecompliceerd is en tijd vraagt om vorm te geven. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van de Handreiking uiteengezet.
Scope van verantwoording Decentrale overheden begeven zich in een complex speelveld waarin zij enerzijds actief bijdragen aan duurzame ontwikkelingen door het verduurzamen van eigen activiteiten (het intern perspectief) en tegelijkertijd een regulerende en faciliterende rol vervullen die in de breedte van de maatschappij impact heeft (het extern perspectief). De Handreiking richt zit op zowel het interne perspectief als het externe perspectief.
Het Intern Perspectief: Verduurzaming van eigen bedrijfsvoering Decentrale overheden staan voor de uitdaging om hun eigen gebouwen en activiteiten te verduurzamen. Dit omvat een breed scala aan initiatieven, zoals het verbeteren van de energie-efficiëntie van gemeentelijke gebouwen, het inzetten op hernieuwbare energiebronnen, en het implementeren van groen inkoopbeleid. De rapportage over deze initiatieven is in de basis weinig gecompliceerd, waardoor prestaties eenvoudig transparant en meetbaar zijn te maken. Decentrale overheden kunnen hiermee de eigen voorbeeldfunctie concretiseren. Decentrale overheden geven hiermee niet alleen een weerspiegeling van de verbondenheid met het duurzaamheidsthema, maar ook een duidelijk signaal naar inwoners, bedrijven en instellingen.
Het Extern Invloedsgebied: Beleid: vergunningen, subsidies en lokale reguleringen Naast de verantwoordelijkheid voor eigen operaties, hebben decentrale overheden een unieke positie waarin zij kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van een gehele regio of gemeente. Zij doen dit onder meer door het verstrekken van vergunningen, het opstellen van regelgeving en het uitgeven van subsidies. Bij het verstrekken van bouw- en milieuvergunningen, bijvoorbeeld, hebben lokale autoriteiten de mogelijkheid om duurzaamheidscriteria op te nemen en ontwikkelingen te sturen richting meer duurzame uitkomsten. De beoogde duurzaamheidsverantwoording is zowel gericht op het interne als externe perspectief, waarbij het interne perspectief gericht is op de eigen bedrijfsvoering, en het extern perspectief het beleid betreft.
Haalbaarheid (focus aanbrengen) Voor de implementatie van duurzaamheidsverantwoording is gekozen om gebruik te maken van een groeimodel. Enerzijds omdat beoogd wordt om de duurzaamheidsverantwoording haalbaar te houden, maar des te meer omdat duurzaamheid zelf ook een groeiproces is. Het meten van voortgang op klimaat- en milieudoelstellingen, zoals CO₂, is in zekere mate gestandaardiseerd en objectief meetbaar. Daarnaast is de informatiebehoefte op dit vlak ook het meest acuut. Aan de andere kant zijn thema’s zoals circulariteit en klimaatbestendigheid nog lastiger meetbaar. Ook het meten van sociale aspecten en governance aspecten (bestuurlijke integriteit) zijn gecompliceerd, waardoor het ontwikkelen van effectieve meetinstrumenten meer tijd vraagt en nu nog veelal op eigen (niet gestandaardiseerde) data berust. Beoogd wordt om de set van indicatoren stapsgewijs uit te breiden. In eerste instantie dient het voor decentrale overheden behapbaar te zijn om te starten met duurzaamheidsrapportage, waarbij focus op de belangrijkste thema’s van belang is. Stapsgewijs dient de set uitgebreid te worden met andere relevante thema’s.
12
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Het belang van uniformering Een uniforme aanpak voor duurzaamheidsverantwoording is essentieel om de inspanningen en resultaten van decentrale overheden vergelijkbaar te maken. Zonder uniformiteit in de verantwoording, is het uitdagend om de voortgang van duurzaamheidsdoelstellingen op landelijk en lokaal niveau te beoordelen en te vergelijken. Naast de belemmering om decentrale overheden te vergelijken is uniformering gewenst om nationale en Europese duurzaamheidsdoelen te monitoren maar ook om bijvoorbeeld banken te voorzien van gewenste duurzaamheidsinformatie. De huidige situatie, waarin geen verplichtend kader bestaat voor duurzaamheidsrapportages door decentrale overheden, geeft een extra uitdaging en vraagt om intrinsieke motivatie om te komen tot een eenduidig verantwoordingskader. Door als een neutrale partij te fungeren, zal het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) definities opstellen voor de indicatoren, opdat inzichtelijk is waarover exact gerapporteerd dient te worden door decentrale overheden. Het CBS, met zijn expertise en autoriteit op het gebied van dataverzameling en -analyse, is in een uitstekende positie om de standaardisatie te ondersteunen en daarmee de decentrale overheden te ondersteunen in hun rapportageprocessen. Beoogd wordt namelijk om zo veel mogelijk aan te sluiten bij landelijke en internationale databronnen.
Het voordeel van aansluiten bij openbaar toegankelijke databronnen is dat er zo aangesloten kan worden bij (inter)nationale afspraken en statistische informatie. Voorbeelden van dergelijke databronnen zijn: het CBS (o.a. Green Deal Dashboard), de klimaat-effectatlas, en de klimaatmonitor van het Rijk en van de Waterschappen. Benadrukt dient te worden dat het onwenselijk is dat iedere gemeente, ieder waterschap en/of iedere provincie jaarlijks indicatoren dient te berekenen. Dit zal namelijk foutgevoelig zijn en te veel capaciteit vragen. Zoals eerder gesteld: het is onvermijdelijk dat decentrale overheden zelf een deel van de data moeten verzamelen en/of berekeningen moeten maken. Nog niet alle benodigde data zal al beschikbaar zijn vanuit bestaande databronnen; gemeenten zullen ook deels eigen data moeten verzamelen. Tenslotte verdient het aanbeveling om een centrale database op te zetten en te beheren waar alle duurzaamheidsgegevens van decentrale overheden samenkomen waardoor vergelijkbaarheid en het samenstellen van rapportages mogelijk is. Als vervolgstap op de Handreiking wordt daarom aanbevolen dat het CBS en de koepels (IPO, VNG, UvW) met een gemeenschappelijk plan van aanpak komen voor de datavoorziening, de organisatie ervan en de voorwaarden.
Voorkomen onevenwichtig beeld De doorontwikkeling in duurzaamheidsverantwoording is zoals hiervoor toegelicht een praktische en strategische De doorontwikkeling in duurzaamheidsverantwoording is zoals hiervoor toegelicht een praktische en strategische keuze. Tegelijkertijd kan hierdoor het risico ontstaan van een onevenwichtig beeld wanneer de verantwoording zich enkel concentreert op milieu- en klimaat aspecten, terwijl andere, even belangrijke, gebieden vooralsnog onderbelicht blijven. Dit kan het beeld geven dat milieu en klimaat de enige prioriteit zijn of een hogere rangorde kennen dan bijv. de sociale aspecten. De schrijvers van dit stuk willen nadrukkelijk aangeven dat dit niet het geval is. In de vervolgstappen zal deze Handreiking zeker verrijkt worden met de andere thema’s van ESG. Het staat decentrale overheden vrij om uiteraard ook nu reeds naar eigen inzicht aanvullende aspecten te belichten in hun duurzaamheidsverantwoording vooruitlopend op het geschetste (in-) groei model. Zeker wanneer de focus van het bestuur meer op sociale aspecten ligt dan op klimaat en milieudoelstellingen, kan dit wenselijk zijn. Dit zorgt voor transparantie, bevordert vertrouwen en onderstreept het belang van een integrale aanpak voor een duurzamere toekomst.
13
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Financiële Materialiteit
Relevant (materialiteit) De vraag naar duurzaamheidsverslaggeving verhoogt in zekere mate het aantal onderwerpen waarover decentrale overheden kunnen verantwoorden. Waar voor financiële verslaggeving een overzichtelijke set van onderwerpen bestaat (vermogen en resultaat) kan duurzaamheids verslaggeving een breed scala van onderwerpen omvatten. De CSRD geeft een opsomming van onderwerpen die in dat kader relevant kunnen zijn. In 5.2 wordt hier nader op ingegaan.
Outside-In
Impact Materialiteit Inside-Out
De eerste stap is om te bepalen welke duurzaamheidsonderwerpen het meest relevant zijn voor de gemeente of provincie en waterschappen en haar stakeholders. Een handvat om dit te bepalen is een zogenaamde ‘dubbele materialiteitsanalyse’. Dubbel verwijst naar het feit dat bedrijven die rapporteren over duurzaamheid de relevantie van een duurzaamheidskwestie vanuit twee perspectieven moeten bekijken. Enerzijds hebben organisaties invloed op mens en milieu, anderzijds hebben duurzaamheid gerelateerde ontwikkelingen impact op de organisatie. De organisatie identificeert de belangrijkste duurzaamheidskwesties die relevant zijn voor hun stakeholders, zoals burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden. Daarnaast identificeert de organisatie de belangrijkste duurzaamheidskwesties die relevant zijn voor hun eigen bedrijfsvoering en strategie, zoals het verminderen van de CO2-uitstoot, het bevorderen van de circulaire economie, het verbeteren van de luchtkwaliteit en het bevorderen van duurzame mobiliteit. Door beide aspecten in kaart te brengen en hierover te rapporteren, kan de decentrale overheid verantwoording afleggen over de impact van haar activiteiten op de samenleving en het milieu, en tegelijkertijd laten zien hoe duurzaamheid is geïntegreerd in haar eigen beleid en strategie.
Dit kan helpen om het vertrouwen van burgers en andere belanghebbenden te winnen en om samenwerking te bevorderen om duurzame doelen, c.q. beleidsdoelstellingen te bereiken. In hoofdstuk 5 wordt een stappenplan hiervoor gepresenteerd. Bij het selecteren van indicatoren dient men zich bewust te zijn van de mate van beïnvloedbaarheid door de gemeente, het waterschap en/of de provincie. Hierbij dient overigens wel de maakbaarheid van de maatschappij in acht te worden genomen; het blijven slechts indicatoren waarbij er een verondersteld causaal verband is tussen gemeentelijk, waterschaps- en provinciaal beleid en het effect op de indicatoren.
14
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
5. Kernset Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording In dit hoofdstuk worden de criteria geformuleerd, waaraan de indicatoren in de kernset ten behoeve van duurzaamheidsrapportage dienen te voldoen. Daarna wordt de opbouw van de kernset toegelicht. Vervolgens wordt de kernset gepresenteerd, met daarna aanvullend drie indicatorensets en wel specifiek voor gemeenten, provincies en waterschappen. De thema’s opgenomen in de kernset worden vervolgens toegelicht. Tot slot wordt er een vergelijking gemaakt tussen de kernset en de Green Deal doelen en de SDG’s.
5.1 Criteria indicatoren De indicatoren, welke opgenomen worden in de kernset voor duurzaamheidsrapportage en -verantwoordingen, dienen te voldoen aan vooraf vastgestelde criteria. Namelijk: • De indicator dient specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, en tijdgebonden (SMART) te zijn. • De indicator dient materieel te zijn voor decentrale overheden • Het meten en verantwoorden van de indicator dient proportioneel te zijn. • De indicator dient tijdig beschikbaar te zijn. Mocht een relevante indicator niet tijdig beschikbaar zijn, dan is een voorwaarde hiervoor dat deze centraal wordt ontwikkeld opdat deze wel tijdig beschikbaar komt. • De indicator dient beschikbaar te zijn voor alle decentrale overheden, dit bevordert de onderlinge vergelijkbaarheid. • Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds landelijk beschikbare indicatoren, en anderzijds zelf uit te rekenen indicatoren.
5.2 Opbouw van de kernset De kernset is gebaseerd op de CSRD. Zoals eerder benoemd is de CSRD de richtlijn die bepaalde ondernemingen verplicht te rapporteren over duurzaamheid in een duurzaamheidsverslag. Centraal in de CSRD staan de ESRS’en. De ESRS’en zijn gedetailleerde duurzaamheidsrapportage standaarden, welke voorschrijven hoe gerapporteerd dient te worden. De structuur van de ESRS’en wordt gevolgd. Sector-Agnostische Standaarden
Cross cutting standaarden
SECTOR-SPECIFIEKE STANDAARDEN (komen later)
Standaarden per thema Milieu
Sociaal
ESRS 1 Algemene vereisten
ESRS E1 Klimaatverandering
ESRS S1 Eigen werknemers
ESRS 2 Algemene toelichtingen
ESRS E2 Vervuiling
ESRS S2 Arbeiders in de waardeketen
ESRS E3 Water en mariene hulpbronnen
ESRS S3 Invloed op gemeenschappen
ESRS E4 Biodiversiteit & ecosystemen
ESRS S4 Klanten en eindgebruikers
Governance ESRS G1 Business conduct
ESRS E5 Materiaalgebruik en circulaire economie
Bron: CRSD overzicht ESRS’en (PricewaterhouseCoopers, z.d.)
15
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
SECTOR-PROPORTIONELE STANDAARDEN (komen later)
Algemene vereisten ESRS 1 ESRS 1, de Algemene vereisten, beschrijft in zes subonderdelen de verschillende aspecten van duurzaamheidsrapportage. 1. Categorieën van ESRS Voor de duurzaamheidsrapportage van decentrale overheden wordt de ESRS’en structuur zoals opgenomen in de CSRD als uitgangspunt gehanteerd. De wijze van invulling geven aan deze ESRS’en vanuit de context van decentrale overheden wordt onderstaand onder ‘ESG ESRS’en’ nader toegelicht. 2. Kwalitatieve kenmerken van informatie Er dient gereflecteerd te worden op de relevantie, getrouwe weergave, vergelijkbaarheid, controleerbaarheid, begrijpelijkheid van de informatie. • Relevantie: er is gekozen voor indicatoren die vanuit het perspectief van de decentrale overheden relevant zijn voor hun stakeholders, waaronder burgers, bedrijven en maatschappelijke organisatie. De dubbele materialiteitsbepaling (punt 3) geeft richting. • Getrouwe weergave: gekozen is voor indicatoren die op hoog-over niveau trends inzichtelijk maken. • Vergelijkbaarheid: gekozen is voor indicatoren die beschikbaar zijn voor de decentrale overheden, waardoor onderling benchmarken mogelijk is. • Controleerbaarheid: Zoals in de uitgangspunten beschreven is er gekozen voor informatie die veelal landelijk beschikbaar is, voor ieder toegankelijk uit bestaande databronnen. Gestreefd wordt naar het voorkomen van het maken van eigen berekeningen.
• Begrijpelijkheid: door te starten met een behapbaar aantal indicatoren wordt focus aangebracht. Dit bevordert de begrijpelijkheid voor zowel de decentrale overheden, als de lezer van de duurzaamheidsrapportage. Wanneer mogelijk wordt doorontwikkeld en op den duur uitgebreid. 3. Dubbele materialiteit als basis voor duurzaamheidsrapportage Volgens de CSRD is het uitvoeren van de dubbele materialiteitsanalyse een verplicht onderdeel voor rapporterende organisaties. Het traject om tot de Handreiking en de kernset te komen, heeft een ander proces gelopen dan beschreven staat in richtlijn van de CSRD. Er is ten tijde van het aanbieden van de Handreiking nog geen dubbele materialiteitsanalyse uitgevoerd. Dit komt omdat het startpunt van het vormgeven van de duurzaamheidsrapportage voor decentrale overheden anders is ten opzichte van organisaties die moeten voldoen aan de CSRD. Er is namelijk gestart vanuit vrijwillige inzet en betrokkenheid bij het onderwerp ‘duurzaamheidsrapportage’, op deze manier is een diverse groep betrokkenen en belanghebbenden gevormd, die vervolgens ieder vanuit hun eigen perspectief gereflecteerd hebben op de duurzaamheidsthema’s vanuit de CSRD. Zodat uiteindelijk een kernset is gevormd die vanuit het gezamenlijk gedragen beeld dat relevant wordt beschouwd voor decentrale overheden.
Dit betekent echter niet dat de dubbele materialiteitsanalyse als irrelevant wordt beschouwd; daarom is besloten om de dubbele materialiteitsanalyse alsnog uit te voeren op sectorniveau. De kernset is op diverse onderwerpen nog in ontwikkeling, zo ook op dit onderdeel. Vanuit de dubbele materialiteitsanalyse zullen mogelijk additionele onderwerpen en indicatoren komen die een plek dienen te krijgen in de kernset. Deze zullen dan tegen die tijd worden toegevoegd. Daarnaast wordt vastgehouden aan de kernset die reeds gepresenteerd wordt in 5.3, omdat deze indicatoren en thema’s vanuit de praktijk zijn aangedragen als relevant. Kortom, de huidige kernset zal worden uitgebreid met de resultaten van de nog uit te voeren dubbele materialiteitsanalyse op sectoraal niveau. De verwachting is dat de dubbele materialiteitsanalyse op sectorniveau voor een groot deel de thema’s af zal dekken die relevant zijn voor decentrale overheden. Echter zullen er altijd specifieke thema’s zijn waar een betreffende gemeente, provincie of waterschap activiteiten op onderneemt. Daarom wordt aangeraden aan de specifieke organisaties om een eigen dubbele materialiteitsanalyse uit te voeren en de resultaten hiervan op te nemen in de duurzaamheidsrapportage. De dubbele materialiteitsanalyse uitgevoerd op sectorniveau kan als leidraad gebruikt worden voor deze eigen dubbele materialiteitsanalyse.
16
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Stappen dubbele materialiteitsanalyse Vanuit de CSRD zijn er zeven stappen te volgen om tot een dubbele materialiteitsanalyse te komen (PricewaterhouseCoopers, z.d.-b) Deze zullen in de komende periode worden uitgevoerd. I Identificeer belanghebbenden en betrek hen bij de analyse – Denk hierbij aan primaire gebruikers, getroffen stakeholders en stille stakeholders (bijv. de natuur). II Stel een lijst op van mogelijk relevante duurzaamheidszaken/-thema’s – stel de waardecreatie van de eigen organisatie vast en geef inzicht in de keten Een waardecreatiemodel bestaat over het algemeen uit: • invoer (input): Hierbij kan gedacht worden aan: financiële middelen, menselijke middelen, informatie en data, infrastructuur, weg- en regelgeving • Proces (activiteiten en beleidsvoering): Hierbij kan gedacht worden aan: beleid maken en uitvoeren, dienstverlening, burgerparticipatie, samenwerking en partnerschappen, toezicht en handhaving • Uitvoer (output): Hierbij kan gedacht worden aan: infrastructuur en voorzieningen, dienstverlening, veiligheid en handhaving, informatievoorziening • Uitkomst (outcome): Hierbij kan gedacht worden aan: kwaliteit van leven, economische ontwikkeling, duurzaamheid, sociale cohesie, burgerserviceniveau • Impact: Hierbij kan gedacht worden aan: langetermijnontwikkeling, klimaat en milieu, sociale gelijkheid, publiek vertrouwen Dit waardecreatiemodel kan worden
weergegeven als een diagram waarin de bovenstaande componenten met pijlen aan elkaar zijn verbonden om de stroom van input naar impact te laten zien. III Definieer impacts, risico’s en kansen IV Beoordeel de impacts V Beoordeel de financiële kansen en risico’s VI Stel het materialiteitsoverzicht op VII Bepaal de strategisch implicaties; 4. Voorbereiding en presentatie van duurzaamheidsinformatie Er is over het algemeen gekozen voor indicatoren die herleidbaar zijn vanuit een toegankelijke databron; hierdoor is vergelijken tussen organisaties onderling en over de jaren heen mogelijk. Daarnaast is er aandacht voor het zo tijdig mogelijk presenteren van data. Indien databronnen verouderd zijn, wordt ingezet op het verkrijgen van recentere data. In bijlage 5 worden de definities en bronnen van de indicatoren gepresenteerd. 5. De link met andere delen van de bedrijfsrapportage Aangezien de indicatoren inzicht geven in diverse facetten van de ondernomen activiteiten van gemeenten, provincies en waterschappen, is op inhoud een link te leggen met de begrotingen en jaarverslagen van de betreffende organisaties. Wanneer dit specifiek het geval is, dient de organisatie dit te vermelden.
Algemene toelichtingen ESRS 2 De kernset en de aanvullende sets voor gemeenten, provincies en waterschappen is in een werkgroep tot stand gekomen waarbinnen diverse decentrale overheden vertegenwoordigd waren. Daarnaast sloten consultants/ accountants, het CBS en de Vrije Universiteit Amsterdam aan. Het doel van deze vrijwillige werkgroep was het bundelen van de (denk)kracht om tot een duurzaamheidsrapportage/-verantwoording te komen voor alle decentrale overheden. Om deze reden is een Handreiking opgesteld, zodat het starten met het rapporteren over duurzaamheid toegankelijk wordt gemaakt. Gekozen is om aan te sluiten bij hetgeen landelijk reeds beschikbaar is. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van landelijk beschikbare data, in enkele gevallen dient de organisatie eigen data te gebruiken. De data-definities geven de rapporterende organisatie handvaten.
17
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Maatstaven, doelen en beleidsdoelstellingen Naast de set van indicatoren (onderdeel van de maatstaven) vormen doelen en beleidsdoelstellingen belangrijke onderdelen van de duurzaamheidsrapportage, conform de logica, opzet en vereisten van de CSRD. Bij de doelen gaat het om duurzaamheidsdoelen van de rapporterende eenheid zelf, terwijl de beleidsdoelstellingen verwijzen naar de ‘policy goals’ op nationaal, Europees en mondiaal niveau. De rapportage dient plaats te vinden in meetbare, resultaatgerichte en termijn-gebonden doelen voor materiële duurzaamheidsthema’s die de betrokken decentrale overheid voor het beoordelen van de gemaakte voortgang heeft bepaald (zie materialiteitsanalyse op sectorniveau). In lijn met de CSRD beveelt de Handreiking aan om voor ieder eigen doel op ESG terrein de volgende punten in de rapportage op te nemen: • de reikwijdte, periode, nulmeting, voortgang, methodologieën, databronnen, betrokkenheid van stakeholders bij doelvaststelling; • een beschrijving van de relatie en afstemming van de doelen met nationale, EU- of internationale beleidsdoelstellingen; • hoe de doelen rekening houden met de ruimere context van duurzame ontwikkeling en/of de lokale situatie waar impacts optreden.
Indien de rapporterende eenheid voor een materaliteitsrelevant thema geen specifiek eigen doel heeft geformuleerd, wordt aanbevolen om in de rapportage aan te geven wat de impact, risico en kansen zijn van specifieke maatregelen/acties en hoe de voortgang is op desbetreffende beleidsdoelstelling. Naast de eigen beschrijving van de doelen maken deze ook deel uit van de rapportage over elk van de duurzaamheidsthema’s. Zo omvat bijvoorbeeld het thema Klimaatverandering (E-1) naast indicatoren over energieverbruik en scope 1, 2 en 3 emissies ook rapportage-eisen op het gebied van doelen en beleid, transitieplan, maatregelen en middelen, en financiële effecten van fysieke impacts (van klimaatverandering), transitierisico’s en klimaatkansen. Ter ondersteuning van de decentrale overheden in hun opstelling van duurzaamheidsrapportages zijn in de Handreiking naast de set van indicatoren ook overzichten opgenomen van nationaal geldende Europese beleidsdoelstellingen op het gebied van Environment en Social. Het gaat daarbij in het bijzonder om de wettelijk verplichte European Green Deal doelen en de European Pillar of Social Rights. Voor wat betreft de mondiale beleidsdoelstellingen is een overzicht opgenomen van de SDGs. Naast deze beleidskaders is ook een koppelingslijst samengesteld, waarin per indicator wordt aangegeven aan welke beleidsdoelstellingen deze gerelateerd is.
Deze koppelingslijst kan behulpzaam zijn bij het opstellen van de thematische rapportageonderdelen.
ESG ESRS’en De thema’s van de ESRS’en voor Environment, de Social en de Governance zijn als basis genomen in de ontwikkeling van de kernset voor decentrale overheden. Dit wordt onderstaand per onderdeel nader toegelicht. Vervolgens is gekeken naar wat momenteel reeds beschikbaar is aan informatie en welke informatie relevant is om over te rapporteren door decentrale overheden. Daarbij wordt erkend dat niet alle informatie al voorhanden is, bijvoorbeeld omdat er nog geen meetinstrumenten/-methodieken voor zijn. Hiervoor wordt een ontwikkelopgave opgenomen. Hierin verschilt de aanpak van de kernset voor decentrale overheden van de CSRD: met de kernset wordt beoogd laagdrempelig de stap te zetten richting verantwoording over ESG informatie, met het doel dit op langere termijn uit te breiden. Beschikbaarheid van de data en een goed beeld of iets gemeten kan worden is cruciaal. De CSRD verplicht organisaties vanaf het begin te rapporteren over alles wat van belang is voor de organisatie, waarbij er minder aandacht is voor data-beschikbaarheid. Het is echter op den duur de bedoeling dat de kernset een volledig beeld geeft, net zoals de CSRD. Onderstaand wordt voor Environment, Social, Governance en de aanvullende kernset toegelicht wat de achterliggende gedachte is en wat de overwegingen zijn.
18
| Handreiking Duurzaamheidsrapportage en -verantwoording voor decentrale overheden
Environment Voor Environment zijn er vijf ESRS standaarden opgesteld, namelijk: klimaatverandering, verontreiniging, water en mariene hulpbronnen, biodiversiteit en ecosystemen, en materiaalgebruik en circulaire economie. Ieder van deze thema’s is relevant voor de decentrale overheden. Merkbaar is dat de thema’s onder Environment tot op zekere hoogte goed te meten zijn; er zijn beschikbare meetmethodieken en -instrumenten voorhanden waar op kan worden aangesloten. Hierbij kan gedacht worden aan de energietransitie, waarbij o.a. gasverbruik en CO₂ uitstoot passende indicatoren zijn, waarover consensus bestaat hoe deze te meten, en waarvoor databronnen beschikbaar zijn. Niet voor alle thema’s onder Environment zijn echter meetinstrumenten beschikbaar; overigens is er over het algemeen wel reeds een beeld over wat ongeveer gemeten dient te worden. Dit geldt bijvoorbeeld o.a. voor circulariteit en biodiversiteit. Er is een gedragen beeld dat er voor deze thema’s inzicht dient te komen in respectievelijk materiaal/-afvalstromen, en zaken als hitte, water en droogte. Landelijk wordt gewerkt aan meetinstrumentarium hiervoor. In de kernset zal hier op den duur op worden aangesloten, vandaar dat er een ontwikkelopgave is opgenomen. De derde ESRS, water en mariene hulpbronnen, komt niet terug in de kernset.
Deze is echter wel vertegenwoordigd in de aanvullende set voor Waterschappen, omdat Waterschappen verantwoordelijkheden hebben en activiteiten ondernemen die passen bij dit thema. Social Voor Social zijn vier ESRS standaarden opgesteld, namelijk: eigen personeel, werknemers in de waardeketen, getroffen gemeenschappen, en consumenten en eindgebruikers. In de kernset worden alleen de laatst genoemde twee ESRS’en (getroffen gemeenschappen en consumenten en eindgebruikers) opgenomen onder Social. De reden hiervoor is als volgt: zoals eerder vermeld zijn publieke banken onderhevig aan de CSRD, en zullen zij dus hun impact op de ESRS’en moeten rapporteren. De publieke banken zullen hiervoor informatie nodig hebben van decentrale overheden, en dan specifiek de impact van de eigen organisatie van de decentrale overheden. De eerste twee ESRS’en van social (eigen personeel en werknemers in de waardeketen) hebben hier raakvlakken mee. De informatie die de publieke banken nodig hebben vanuit de decentrale overheden, zijn in de kernset ondergebracht onder een separaat thema, namelijk ‘eigen organisatie’, welke separaat gepresenteerd is onderaan de kernset. Hier zullen dan ook de twee ESRS’en over het eigen personeel en de werknemers in de waardeketen een plek krijgen. De overige twee ESRS’en (getroffen gemeenschappen, en consumenten en eindgebruikers) staan wel onder Social opgenomen.
Voor getroffen gemeenschappen zullen de decentrale overheden, indien relevant, kwalitatief moeten beschrijven of er preventie en/of herstel acties zijn. Vanuit de context van overheden gekeken, zal dit veelal gaan over de samenleving. Vandaar dat de naam van deze ESRS is aangepast naar ‘getroffen gemeenschappen en samenleving’. Ook de vierde ESRS, consumenten en eindgebruikers, is aangepast, zodat deze beter past bij de context van decentrale overheden. Deze ESRS wordt ‘inwoners’ genoemd. Voor decentrale overheden staan de inwoners centraal, in tegenstelling tot ondernemingen waar consumenten en eindgebruikers centraal staan. Wat betreft inhoud wijzigt de ESRS niet, ESRS gaat namelijk over persoonlijke veiligheid, privacy en sociale inclusie, wat ook relevant is voor decentrale overheden. Onder de vierde ESRS ‘Inwoners’ is naast indicatoren over privacy en klachten, een tweetal indicatoren toegevoegd vanuit het raamwerk Brede Welvaart van het CBS. Eerder werd gesteld dat ondanks dat wordt gestart met het raamwerk ESG, de stip op de horizon het borgen van de link met Brede Welvaart en het integreren van de brede welzijnsindicatoren is. Vanuit het perspectief van decentrale overheden is de verantwoordelijkheid voor de woonomgeving van de inwoners en het vertrouwen wat zij hebben in de decentrale overheid een belangrijk punt.