CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage a: Bestemmingsplan Deliterrein - Schoterkwartier

commissie Ontwikkeling 6 april 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.40 uur Vaststellen bestemmingsplan Deliterrein - Schoterkwartier fase (FR)26.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.12 Windhinder Omdat het bestemmingsplan bebouwing hoger dan 30 meter mogelijk maakt is door onderzoeksbureau Actieflow een SFD-studie windhinder en windgevaar uitgevoerd conform de norm NEN 8100:2006 'windhinder en windgevaar in de gebouvormgeving' uitgevoerd. De resultaten uit dat onderzoek dienden door het nemen van maatregelen verbeterd te worden. In december 2021 is het eerdere onderzoek geactualiseerd, waarbij de situatie opnieuw (na het toepassen van maatregelen) is beoordeeld (zie Bijlage 14). 4.12.1

Onderzoek Het doel van het onderzoek was het in kaart brengen van windhinder en windgevaar rondom de nieuwbouw. Hierbij is zowel de openbare buitenruimte rond het gebouw als de private ruimte (zoals balkons) onderzocht. Resultaten openbare buitenruimte Uit het onderzoek is gebleken, dat het windklimaat rondom het project varieert van klasse A (geschikt om langdurig te zitten) tot klasse D (acceptabel om door te lopen). De wind condities op het Papoeaplein zijn relatief kalm en daarmee voor alle voetgangersactiviteiten geschikt. Het windklimaat in de Siantarstraat en de Transvaalstraat is, met uitzondering van de noordoostelijke en zuidoostelijke hoeken van de nieuwbouw, geschikt voor elke activiteit. Hier is het klimaat niet geschikt om langdurig te zitten.

66

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Afbeelding 4.11: windhinder zonder (links) en met toepassing van extra maatregelen (rechts)

Het meest windrijke gebied bevindt zich aan de Spaarndamseweg, waar het voornamelijk geschikt is om te slenteren. Er is echter ook een gebied gesignaleerd, waar het alleen comfortabel is om door te lopen. Mitigerende maatregelen dienen genomen te worden voor deze D-klasse zone in het geval de verwachting wordt, dat er hier geslenterd of langdurig gezeten wordt. Dat is hier niet het geval. Het gaat hier om een verkeersroute voor auto's, fiets/scooters en voetgangers (doorlopen). Het gebied heeft geen straatmeubilair dat uitnodigt om te verblijven.

Afbeelding 4.12 : Windcomfort beoordeling per activiteit (zonder en met het treffen van extra maatregelen)

Ten opzichte van eerdere studie (zonder toepassing van extra maatregelen) is op voetgangersniveau het windklimaat nagenoeg onveranderd. Er is enkel een lichte verbetering te zien in het windcomfort op de Spaarndamseweg. In beide situaties is er geen kans op windgevaar waargenomen op de openbare 67

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

buitenruimte. Resultaten private buitenruimte Het klimaat op de privaten ruimten diende verbeterd te worden om een comfortabeler klimaat te realiseren. Er zijn daarom schermen geplaatst aan de zuidewestelijke en zuidelijke zijden van enkele balkons om dit te realiseren.

Afbeelding 4.13: Windcomfort private tuinen/terrassen (zonder en met maatregelen)

Het windklimaat op de private tuinen/terrassen blijft na plaatsing van de schermen overwegend kalm, gekenmerkt door windhinderklasse A. In de nieuwe situatie is er in een tuin, ten zuidwesten van de toren, een kleine toename in windhinder te zien als gevolg van meer wind dat via de gesloten balustraden naar beneden stroomt. De grootte van de C-klasse gebieden valt echt er binnen de gestelde norm. Op de terrassen/tuinen is geen kans op windgevaar waargenomen. Het windklimaat op de balkons van de woontoren is voor alle verdiepingen verbeterd na plaatsing van de windschermen. Voor verdiepingen 3 t/m 8 gold in 68

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

de oude situatie nog veelal windklassen B en C. In de nieuwe situatie zijn er enkel op de balkons van verdiepingen 5,6,7 en 15 kleine zones met klasse B te zien.

Afbeelding 4.14: Windcomfort private balkons woontoren, zonder (links) en met maatregelen (rechts)

Op een balkon op de 16e etage zijn nog steeds kleine zones te zien waar klasse C geldt. Hier kan men niet comforatbel langdurig zitten, wel kan men hier comfortabel korstondig zitten of staan. De grootte van de zones valt binnen de gestelde norm. In beide situaties is er op de balkons geen kans op windgevaar waargenomen.

4.12.2

Conclusie Uit de CFD-studie is gebleken dat er over het algemeen sprake is van een redelijk goed windcomfort in de openbare en private buitenruimten van en rond de nieuwbouw. Alleen langs het water zijn er windhinderklasse C en een klein stukje D vastgesteld. Er is geen sprake van windgevaar. Dit onderwerp vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.13 Bezonning In mei 2020 heeft Prevent Adviesbureau een bezonningsstudie uitgevoerd, waarbij de effecten op de bezonning ook getoetst werden aan de lichte & strenge TNO-norm (zie Bijlage 15). TNO-norm Er bestaan geen wettelijke normen en eisen met betrekking tot de bezonning. Wel bestaan de normen van TNO: een 'lichte' norm, die minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een 'strenge' norm, die drie uur zon per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft. In de studie zijn de lichte TNO-norm en strenge TNO-norm 69

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

onderzocht. Onderzoek

Afbeelding 4.15: nieuwbouw en bebouwing in de omgeving

Uit de studie is het volgende gebleken: Gebouw 1 t/m 3 De schaduwwerking van het plan op gebouw 1 t/m 3 betreft het effect op de oostgevel van het gebouw. De bestaande situatie, het bestemmingsplan en het nieuwe ontwerp hebben nihil invloed op de bezonning, en voldoet aan de lichte en strenge TNO-normen. Gebouw 4 De schaduwwerking van het plan op gebouw 4 betreft het effect op de oostgevel van het gebouw. Deze gevel heeft in de winterperiode, maximaal 3 uur directe bezonning op de gevel in de huidige situatie. Dit is voldoende om de 'strenge' eisen te behalen. Het nieuwe ontwerp en het bestemmingsplan hebben invloed op de bezonning op deze gevel. Het bestemmingsplan zou op 2 momenten niet meer voldoen aan de strenge TNO-normen, namelijk op 21 januari en op 21 november. Het nieuwe ontwerp voldoet niet op 21 januari, doordat er 1 zonuur minder mogelijk is op deze datum, waardoor er 2 mogelijke bezonningsuren zijn. Deze voldoet niet aan de strenge TNO-norm, maar wel aan de lichte TNO-norm Gebouw 5 t/m 7 De schaduwwerking van het plan op gebouw 3 betreft het effect op de zuid- en oostgevel van het gebouw. Gebleken is ook dat deze gevel veel eigen schaduw en schaduw van omliggende panden ontvangt (zie resultaten hoofdstuk 4 van het rapport). Gebouw 7 heeft op 21 januari geen mogelijke bezonningsuren en voldoet daarom niet aan de TNO-norm. Deze laten wij buiten beschouwing in de 70

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

conclusie, omdat dit plan hier geen invloed op kan hebben. Het bestemmingsplan en het nieuwe ontwerp hebben invloed op de bezonning, echter vallen deze ruim binnen de TNO-normen. Conclusie De optredende effecten op de bezonning op de omliggende woningen van het nieuwe ontwerp kunnen worden getoetst aan de hand van de lichte en strenge TNO-normen voor bezonning. Er wordt overal voldaan aan de 'lichte' TNO-norm. Er wordt niet overal voldaan aan de strenge norm. In principe wordt alleen bij gebouw 4 overschreden op één moment in het jaar, waarbij er al weinig bezonningsuren mogelijk zijn in de huidige situatie. Rekening houdend met het feit dat de onderzochte gebouwen zijn gelegen in een stedelijke omgeving, kan in alle redelijkheid een groter gewicht worden toegekend aan de belangen die zijn gemoeid met de uitvoering van het plan dan aan de beperkte afname van bezonning die daaruit voortvloeit voor deze woningen.

4.14 Groenparagraaf 4.14.1

Inleiding De groenparagraaf biedt inzicht in de kwaliteit en de kwantiteit van het aanwezige groen binnen het plangebied. Deze paragraaf beschrijft niet alleen duidelijk welke effecten dit bestemmingsplan heeft op het aanwezige groen, maar gaat ook in op de kansen voor en de bescherming van groen.

4.14.2

Beleid De hoofdgroenstructuur ligt vast in het Structuurplan Haarlem 2020 en de Structuurvisie openbare ruimte 2040 (figuur 3.2). Doelstelling is zowel versterking van groen met ecologische waarde als van groen met stedelijke waarde. Dit wordt bereikt door het in stand houden en versterken van de bestaande groene gebieden en lijnen. Uitgangspunt is de versterking van de beleving van groen in Haarlem. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk appartementengebouwen aanwezig, waardoor er weinig groen in de vorm van tuinen in de direct nabijheid aanwezig zijn. Het Bomenbeleidsplan 2009-2019 geeft de visie van de gemeente Haarlem op bomen en schept samenhang in de uitvoering van het bomenbeleid. Uitgangspunt voor de bomenstructuur is de verdere uitbouw en verbetering van het Haarlemse bomenbestand. De gemeente Haarlem beschikt verder over een Haarlemse Monumentale Bomenlijst (2009). Vanwege de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend voor deze bomen. De Bomenverordening beschermt monumentale bomen. Een bestemmingsplan kan ook bescherming bieden aan de groeiplaats van alle monumentale bomen in de openbare ruimte die (deels) binnen het plangebied van een bestemmingsplan liggen.

Op die manier zijn niet alleen de monumentale bomen beschermd op basis van de Bomenverordening, maar op basis van het bestemmingsplan ook de ruimtes die de monumentale bomen 71

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

nodig hebben om te kunnen groeien. Binnen het plangebied van dit bestemmingplan bevinden zich geen monumentale bomen.

Afbeelding 4.16: Hoofdbomenstructuur (Bron: Structuurvisie openbare ruimte Haarlem 2040).

72

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

4.14.3

Beschrijving groen in het plangebied In 1908 kwam er een gasfabriek op het Deliterrein, waar zich het onderhavige plangebied bevindt. In latere jaren vestigden zich hier ook een houthandel en een Shell verlaaddepot. Er bevond zich geen groen op de locatie sinds het begin van de vorige eeuw. Na de sloop van de bedrijfsbebouwing is in 2006 begon met de sanering van het terrein. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en ligt braak of wordt als bouwterrein gebruikt voor opslag. Er heeft recentelijk bodemsanering plaatsgevonden. Er bevindt zich geen groen in het plangebied.

Afbeelding 4.17: huidige situatie plangebied

4.14.4

Effect ontwikkeling op het groen De onderbouwing van de groenparagraaf zal deels worden toegelicht aan de hand van de herziene versie van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (2017). De groene scheg wordt openbaar toegankelijk gebied en krijgt een groene inrichting. De Indische buurt en Transvaalbuurt, zijn beide erg volgebouwd en hebben weinig openbare groene ruimte. Woningen zijn erg straatgericht. De scheg zal binnen het plangebied daarom dienen als drager. Door het toepassen van een ruim sortiment aan verschillende soorten, zal er een ruime variëteit aan beplanting ontstaan. Als uitzondering op de rest van de wijk, zullen de woningen hier niet straatgericht zijn, maar juist gericht zijn op een groene buitenruimte. Door in het ontwerp van de buitenruimte mee te gaan in de lijnvormige structuur van de bebouwingsrand, ontstaat er een breed uitlopende scheg, die ervoor zorgt dat er een verblijfsplek ontstaat in deze straat. Deze locatie zal als schakel dienen binnen de bestaande groenstructuren binnen de stad Haarlem (groenstructuurplan gemeente Haarlem, 2020). Door een grote variëteit van verschillende soorten binnen de scheg toe te passen, zal de biodiversiteit en ecologie worden versterkt in het gebied. Soorten die bloei en/of vruchten geven zullen hiervoor zorgen en zullen o.a. verschillende dieren aantrekken, zoals bijen, vlinders en vogels.

De scheg zal hiermee een waardevolle plek worden, als 'steppingstone' tussen andere ecologische gebieden in de stad.

73

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Binnen de scheg zal de wateropgave een belangrijke rol gaan spelen. Een groot deel zal dienen als wadi/bergingsvijver. De keur (2020) van het Hoogheemgeraadschap van Rijnland wilt dat de scheg kan zorgen voor de volledige compensatie van het verhard oppervlak, dat heeft gelegen op locatie. De wadi/bergingsvijver biedt volgens Nelen en Schuurmans (2021) de beste optie voor de watercompensatie op deze locatie. Door het toepassen van een bergingsvijver zal de opvang van water het dichts in de buurt komen bij de gevraagde eis. Naast de groenblauwe functies van de scheg, zal er ruimte worden gemaakt voor een speelvoorziening, zoals genoemd in het SPvE(2017). Door deze speelgelegenheid te combineren met de wadi/bergingsvijver, worden twee belangrijke punten met elkaar gecombineerd. Wat van belang is op deze locatie i.v.m. de beperkte aanwezige ruimte. De identiteit van de plek zal worden bepaald in het ontwerp van de openbare ruimte met historische verwijzingen in samenhang met de bebouwing. Dit wordt bereikt door de beplanting van de scheg af te stemmen met de bebouwingshoogte. Door voornamelijk in het centrale as van de scheg de hoogte in te gaan, zal er menselijke schaal blijven bestaan en bewoners zullen binnen geen last hebben van overmatige schaduwvorming van bomen in hun woning.

Historische verwijzingen zullen met name gelinkt worden aan de architectuur, omdat deze in het verleden een opvallend beeld hebben gevormd in de wijk door zijn rijke industrieverleden. Beplanting is in de industriehistorie van het gebied niet terug te vinden en dus zal er een eigentijds beeld van beplanting worden bereikt. Ten slotte zal er met de toepassing van het ontwerp rekening worden gehouden met een goed te handhaven en te onderhouden plek. Dit zal worden gedaan door een natuurlijke situatie na te bootsen in de scheg. Hierdoor zal het aantal onderhoudsmomenten kunnen worden beperkt tot een minimum. Kijkend naar de handhaving is er binnen het plan gekozen voor een omsluiting door middel van een haag bij de speeltuin. Hierdoor is de veiligheid van kinderen makkelijk te handhaven. Onveilige situaties met overstekende kinderen, zullen hierdoor worden voorkomen.

74

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Afbeelding 4.18: Afwisseling van verschillende vormen groen in de wadi

Afbeelding 4.19: Speeltuin en spelen in de wadi

Binnen de scheg wordt een oppervlakte van 602 m2 toegevoegd aan groen. Hierbij is de minimaal toe te passen aantal bomen 10. Dit wordt geadviseerd, om de beoogde hoeveelheid aan wateropname te kunnen bereiken en om de ecologie in het gebied te verhogen. Naast de groene scheg, wordt ook aan de noord- en zuidrand van de parkeervoorziening groen aangelegd. Deze groeninvulling zal bestaan uit lage beplanting in de vorm van groenblijvende struiken. In totaal gaat het om 214 m2. 4.14.5

Conclusie Dit bestemmingsplan zorgt in de verbetering en uitbreiding van het groen in Haarlem. Een voormalig industrieterrein wordt vervangen door woningbouw met groenvoorzieningen met bomen in de openbare ruimte.

75

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

4.15 Natuurwaarden 4.15.1

Inleiding Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn regelen vanuit Europa de bescherming van soorten en gebieden. Deze richtlijnen hebben als doel de bescherming van soorten en hun natuurlijke leefgebieden. In Nederland verloopt de bescherming van natuurwaarden via twee sporen: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit ligt vast in de Wet natuurbescherming. Deze wet voorziet in vereenvoudige regels ter bescherming van de natuur en in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies.

4.15.2

Wet natuurbescherming Algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming bepaalt dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat een soort in een gunstige staat van voortbestaan moet blijven. Bij menselijk handelen, beheerwerk, nieuwbouw en planologische ontwikkelingen moet iedereen, naar redelijkheid, mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren voorkomen en er in elk geval rekening mee houden. Voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is een ontheffing echter niet vereist op grond van de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming wijst op basis van de hiervoor genoemde Europese richtlijnen zogenaamde Natura 2000-gebieden aan. Deze gebieden vormen samen één Europees netwerk van natuurgebieden. Naast de Natura 2000-gebieden zijn er nog andere vormen van gebiedsbescherming. Een aantal terreinen in Nederland is namelijk aangewezen als onderdeel van het natuurnetwerk Nederland (NNN), als bijzonder nationaal landschap, of bijzonder provinciaal natuurgebied dan wel landschap, en de nationale parken. De impact voor een concreet terrein van één van deze vormen van beschermde status kan per situatie anders zijn.

Voor dit bestemmingsplan is nagegaan of er vanuit het bestemmingsplangebied externe invloeden mogelijk zijn op de beschermde waarden van een natuurfunctie. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermingsgebied en ligt er ook niet in de buurt. Gevolgen voor beschermde gebieden zijn daarom niet aannemelijk. In subparagraaf 4.15.3 wordt hier nader op ingegaan. Soortenbescherming Ook de soortenbescherming in Nederland ligt wettelijk vast in de Wet 76

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

natuurbescherming. Het doel is het beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in. Dit zijn het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en het beschermingsregime andere soorten. Voor alle regimes geldt dat de beschermde soorten niet verstoord mogen worden. Sommige soorten genieten een striktere bescherming dan andere soorten. Als uit de voorgenomen ingreep blijkt dat verstoring aan de orde is, dan is het aanvragen van een ontheffing bij het bevoegd gezag noodzakelijk. Het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn gaat over alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Deze soorten mogen niet worden gedood of gevangen, of opzettelijk worden verstoord als dit verstoring van de instandhoudingsstaat wezenlijk beïnvloedt. Ook de eieren, nesten en rustplaatsen van deze soorten genieten bescherming. Het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn betreft de (vogel)soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn. Ook onder dit beschermingsregime is het verboden om de betreffende dieren in hun natuurlijke verspreidingsgebied te doden of te vangen of opzettelijk te storen.

Ook dit regime beschermt eieren, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en daarnaast beschermt het plantensoorten op diverse aspecten. Het beschermingsregime andere soorten gaat over soorten als genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van bepaalde soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De minister stelt daarnaast van een aantal soortengroepen “rode lijsten” vast van zeldzame en van afnemende soorten. Met de soorten op deze lijsten moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden om te zorgen voor de instandhouding daarvan. Een ontheffing is echter niet noodzakelijk. Voor het plangebied geldt dat er wijzigingen aan de bestaande situatie worden doorgevoerd als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan. Nadelige effecten voor plant- en diersoorten zin daardoor niet op voorhand uitgesloten. Een quick scan onderzoek naar ecologie is noodzakelijk. 4.15.3

Onderzoek ecologie en stikstofdepositie In januari 2020 is door onderzoeksbureau Els & Linde een ecologische quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 16). Beschermde soorten Uit de resultaten van de quick scan is gebleken dat de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen op de planlocatie is uit te sluiten. Voor de werkzaamheden is een aanvullend onderzoek naar deze soorten niet noodzakelijk. Op de planlocatie is er mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de bomen en struiken op en de directe omgeving. Ook de bebouwing in de directe omgeving bied nestmogelijkheden voor algemene 77

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

broedvogels. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen starten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Op 17 maart 2022 is door onderzoeksbureau SAB een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (zie Bijlage 17). Hieruit is gebleken dat er geen negatief effect van het project is op de stikstofdepositie. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland zijn niet te verwachten. Er is geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig of een verklaring van geen bedenkingen voor het voornemen. Er is geen aanvullend onderzoek nodig. 4.15.4

Conclusie Natuurwaarden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.16 Vliegverkeer Vanaf 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) van kracht, welke nadien enkele malen is gewijzigd (voor het laatst op 1 januari 2018). Dit besluit wijst rond het luchthavengebied een beperkingengebied aan. Binnen dat gebied gelden regels voor beperkingen van bestemming en gebruik van grond. Het gaat om beperkingen voor bebouwing, hoogte en het realiseren van vogelaantrekkende bestemmingen, vogelaantrekkend gebruik, windturbines en lasers. Deze paragraaf gaat in op deze beperkingen en eventuele gevolgen voor dit bestemmingsplan. 4.16.1

Bebouwing en gebruik Binnen het plangebied gelden geen beperkingen voor bebouwing en het gebruik daarvan als bedoeld in artikel 2.2.1 tot en met 2.2.1.e van het LIB voor het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting door het luchthavenverkeer. Het plangebied ligt namelijk niet in een aan- en uitvliegroute van het vliegverkeer en daarnaast op een te grote afstand van de luchthaven.

4.16.2

Hoogte Voor het hele plangebied gelden wel hoogtebeperkingen op basis van de artikelen 2.2.2 en 2.2.2a van het LIB. De hoogtebeperkingen zorgen ervoor dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De maximaal toegestane hoogte op grond van artikel 2.2.2 bedraagt 100 meter NAP ter plaatse van het plangebied. Op grond van artikel 2.2.2a geldt daarnaast nog een specifieke toetshoogte van 75 meter NAP waarboven zonder advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen objecten zijn toegestaan ter bescherming van het functioneren van radarapparatuur. Ook voor bomen en struiken geldt dat die de veiligheid van het luchtverkeer niet mogen verstoren. Zodra een boom of struik hoger is dan de maximaal toegestane hoogte zoals bepaald in het LIB, kan de ILT bepalen dat deze hinder 78

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

veroorzaakt voor het vliegverkeer of luchtverkeersapparatuur en adviseren om maatregelen te nemen om de hinder weg te nemen. Voor het bestemmingsplan hebben de hoogtebeperkingen gezien de gehanteerde maximale hoogten geen gevolgen. 4.16.3

Vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik In het hele plangebied is het niet toegestaan om vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik mogelijk te maken volgens het LIB. Dit voorkomt concentraties vogels in de nabijheid van de luchthaven die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Onder vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik wordt verstaan: industrie in de voedselsector met extramurale opslag of overslag; viskwekerijen met extramurale bassins; opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; natuurreservaten en vogelreservaten; moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare. Dit bestemmingsplan maakt geen vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik mogelijk.

4.16.4

Windturbines en lasers Rondom de luchthaven Schiphol wijst het LIB een toetszone aan waarin extra beperkingen voor windturbines en vaste laserinstallaties gelden. Deze regels moeten hinder voor landend en startend vliegverkeer voorkomen en een goede werking van de luchtverkeersapparatuur waarborgen. Windturbines kunnen hierop namelijk van extra invloed zijn door onder andere hun hoogte en de aanwezigheid van bewegende delen. Het gebruik van laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit op de grond en in de directe omgeving van Schiphol kan de vliegveiligheid ook beïnvloeden. Voor nieuwe windturbines geldt een maximaal toegestane tiphoogte van 35 meter of bij plaatsing van een dakturbine op een gebouw een maximale tiphoogte van de turbine van 5 meter waarbij de hoogte van het gebouw inclusief de tiphoogte van de turbine de 35 meter niet mag overschrijden. Uiteraard blijven daarnaast de eerder genoemde hoogtebeperkingen gelden. Afwijking van één van de hoogtebeperkingen is niet toegestaan tenzij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart is verkregen. Ook voor nieuwe laserinstallaties met een bepaalde lichtintensiteit binnen de toetszone is een dergelijke verklaring van geen bezwaar nodig.

Voor het bestemmingsplan hebben de extra beperkingen geen gevolgen omdat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voldoen aan de gestelde beperkingen.

4.16.5

Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB.

79

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

4.17 Waterparagraaf 4.17.1

Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders willen in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken worden bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. In het plangebied is het hoogheemraadschap van Rijnland de waterbeheerder. Het beleid ten aanzien van water van de diverse overheidslagen is weergegeven in hoofdstuk 3. Voor de water gerelateerde aspecten zijn de Keur van Rijnland 2015 alsmede de bijbehorende uitvoeringsregels van toepassing. Het bestemmingsplan Deliterrein - Schoterkwartier fase 2 is een op ontwikkeling gericht plan. Het Deliterrein was voor de sloop van de oorspronkelijke bebouwing volledig verhard, maar omdat het terrein al vele jaren onbebouwd is wordt het door het hoogheemraadschap ook als zodanig beoordeeld. Dat betekent dat er compensatie van de toename aan verharding aan de orde is. Volgens de Keur dient dat 15% van de toename van verharding te zijn. Dit hoeft niet binnen het plangebied opgelost te worden, maar wel binnen het peilvak, waarin het plan zich bevindt.

Mocht dit om een of andere reden niet lukken, kan er ook gecompenseerd worden met behulp van de Berging Rekening Courant (BRC), een saldo per vierkante meter te compenseren oppervlak. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een alternatieve waterberging aan te leggen in plaats van de genoemde compensatie. De randvoorwaarden hiervoor zijn beschreven in regel 27, artikel 2 van de uitvoeringsregels van Rijnland.

80

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

4.17.2

Beschrijving watersysteem Waterberging Het ontwerp voor fase 2 bestaat uit een gebouw. Aan de westzijde zijn eengezinswoningen en aan de oostzijde is hoogbouw gepland. In het midden is er ruimte om te parkeren waarbij de parkeerruimte deels overkluisd is met balkons. Ten westen van de bebouwing is een groen gedeelte gepland. Dit kan verdiept aangelegd worden als een waterbergende wadi. De daken en de balkons kunnen mogelijk waterbergend uitgevoerd worden. Daarnaast zou de binnenplaats infiltrerend uitgevoerd kunnen worden. De oplossingsrichting voor waterberging is een combinatie van deze opties.

Afbeelding 4.21: Ontwerp Schoterkwartier fase 2 vanuit waterhuishoudkundig perspectief

Uitgaande van de huidige situatie en dat dit volledig onverhard is, levert de onderstaande balans op.

81

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Tabel 4.2 : Vergelijking verhard en onverhard oppervlak tussen huidige situatie en het nieuwe ontwerp en bijbehorende opgaven.

Dit houdt in dat er volgens de regels van het waterschap (die overeenkomen met de regels van de gemeente) 1.049 m2 geschikt gemaakt dient te worden voor het graven van oppervlaktewater binnen het peilgebied. Een ander alternatief kan zijn om het te graven oppervlak open water uit te kopen via de BRC. Verder is er een waterbergingsopgave in m3 op basis van de 70 mm die de gemeente Haarlem stelt in de Richtlijn Duurzaam Bouwen. Voor deze ontwikkeling komt dit neer op 490 m3 waterberging. Op basis van de Keur is dat 385 m3. Een oplossing in de vorm van nieuw open water is binnen het plangebied onmogelijk en dient op een andere manier of elders gerealiseerd te worden. Er zijn oplossingsrichtingen aangedragen voor het bergen van hemelwater. Bureau Nelen & Schuurmans heeft de 3 kansrijke oplossingen doorgerekend en vergeleken met de afgeleide bergingseis uit de Keur en de Richtlijn Duurzaam Bouwen (zie Bijlage 18). Het gaat hierbij om volgende: 1. Waterberging. Dit is praktisch een verdieping die in de groenstrook aangelegd wordt gecombineerd met speelelementen. 2. Lage daken benutten voor waterberging in de vorm van een groen dak. 3. lnfiltrerende verharding onder parkeerplaatsen gecombineerd met infiltratiekratten voor tijdelijke berging en vertraagde afvoer.

Voor de schematische tekeningen en uitleg wordt hier verwezen naar de bijlagen, behorend bij het rapport van Nelen & Schuurmans. In totaal kan er een berging van 171 m3 behaald worden met de hiervoor genoemde oplossingen, waarbij de waterberging in de Groene Scheg veruit de grootste bijdrage levert. De groene waterberging en de groene polderdaken leveren daarnaast ook een bijdrage aan de beleving en biodiversiteit en het groen vermindert de hittestress in de stad. In de berekening is uitgegaan van een grotendeels onverharde initiëele situatie. Dit is de situatie na sloop. Echter, bij het ontwerp is uitgegaan van de situatie voor de sloop waarbij het terrein nagenoeg voor 100% verhard was. De genoemde opties dragen sterk bij aan de klimaatrobuustheid van het ontwerp en het gebied. Dit is een verbetering ten opzichte van de situatie voor de sloop. 82

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Aanbevolen wordt om de waterberging en het Polderdak verder technisch te onderzoeken om dit plan klimaatrobuust te maken. Deze twee opties voegen niet alleen berging, maar groen, biodiversiteit en koeling toe. Optie 3 (infiltrerende verharding) wordt aanbevolen, indien dit relatief eenvoudig technisch ingepast kan worden. Daarnaast moet hier altijd een combinatie worden toegevoegd met berging (in kratten of iets dergelijks ) en vertraagde afvoer. De optie '1. Waterberging in de Groene Scheg' is aantrekkelijk vanwege de hoogteligging en al aanwezig infrastructuur. De leiding in de Transvaalstraat moet echter wel gecontroleerd worden op de capaciteit bij een extreme bui inclusief de aangekoppelde waterberging. Ook moet hier een afweging warden gemaakt of het aansluiten van een pomp nodig is om de vijver geheel droog te krijgen. Ondergrondse bebouwing Er wordt niet voorzien in ondergrondse bebouwing, zodat er geen effect op grondwaterstromen verwacht kan worden. Advies hoogheemraadschap Na bestudering van het voorontwerpbestemmingsplan en met name de water gerelateerde aspecten, staat Rijnland positief tegenover de planontwikkeling. (zie verder 6.2.1).

4.18 Ladder voor duurzame verstedelijking Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een aantal eisen aan de toelichting bij het bestemmingsplan bij het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit moet voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling borgen dat er sprake is van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Doel is om bij de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken te zorgen voor een zorgvuldig of duurzaam gebruik van ruimte, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat daarom een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Het plangebied is onderdeel van bestaand stedelijk gebied en voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Daarom dient te worden getoetst of dit bestemmingsplan voor wat betreft behoefte aan de ladder voor duurzame verstedelijking voldoet.

83

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

4.18.1

Woningbehoefte De handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking geeft aan dat hantering van de ladder beoogt dat er voldoende behoefte bestaat binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De behoefte bij een woonplan wordt bepaald door de confrontatie van de lange termijn prognose van de vraag naar woningen, met het woningaanbod in de bestaande plancapaciteit om in die vraag te voorzien. Naast kwantitatieve aspecten, kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Bij woningen kan daarbij vooral worden gedacht aan specifieke woontypen, wooncategorieën en woonmilieus. In Nederland zal de onderlinge samenhang tussen regio's in de toekomst vooral gezocht worden in het vormen van een netwerk van steden en regio's met elk een eigen identiteit en goede bereikbaarheid. Dit is noodzakelijk om tegengewicht te bieden aan de concurrerende internationale regio's. De samenwerking in de metropoolregio in Amsterdam (waar Haarlem ook toe behoort) is hiervoor een voorbeeld, waarbij niet gezocht wordt naar onderlinge concurrentie, maar naar elkaar aanvullende identiteiten. Deze samenhang vertaalt zichzelf ook naar de woningmarkt. Amsterdam en de daaromheen liggende gemeenten zijn communicerende vaten: het aantal verhuisbewegingen tussen Amsterdam en de omliggende gemeenten is enorm.

Vooral Haarlem is populair bij bewoners van Amsterdam die de stad verlaten maar toch graag in een stedelijke omgeving willen blijven wonen. De druk op de Haarlemse woningmarkt is dan ook hoog. De schaarste op de woningmarkt doet zich alom voelen. In Haarlem zijn diverse plannen in uitvoering en in voorbereiding om de vraag naar woningen op te lossen (de zogenaamde planvoorraad) en tevens te voorzien in een woningvoorraad die aansluit bij de vraag vanuit de markt. De provincie Noord-Holland monitort de woningbouwontwikkeling en de woningbehoefte per regio, om inzicht te krijgen in de Noord-Hollandse woningbouwproductie. In het Woonakkoord Zuid-Kennemerland/IJmond 2021-2025 is voor de periode 2016 t/m 2020 uitgegaan van 8.150 woningen in de regio Zuid-Kennemerland/IJmond. Het regionaal gewenste bouwprogramma voor de gemeente Haarlem bedraagt 4.1 woningen in de periode 2019-2025 en 8.000 woningen tot 2030. Op de langere termijn tot 2040 gaat het om een toename van het woningbehoefte in Haarlom met 13.000 woningen. Het actuele tekort is groot en leidt tot verder stijgende koopprijzen en verder oplopende wachttijden voor een sociale huurwoning. De binnenstedelijk locaties Haarlem zijn aangewezen als sleutelgebied in de Metropoolregio Amsterdam. De projectlocatie maakt hier deel van uit. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is een (inter-)nationaal gewilde plek om te wonen en werken.

De vraag naar woningen is en blijft groot. In de prognose uit 2019 werd voorzien dat de MRA tot 2040 circa 250.000 extra woningen nodig heeft om de groeiende bevolking onderdak te bieden. Het plangebied van het bestemmingsplan bevindt zich in bestaand stedelijk gebied en maakt de transformatie van een braakliggend grond naar woningbouw mogelijk. De beoogde 108 woningen zullen derhalve bijdragen aan 84

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

het oplossen van het tekort aan plancapaciteit in de periode 2020-2025.

4.19 MER-beoordeling In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Door enkele veranderingen in de wettelijke bepalingen met betrekking tot milieueffectrapportages (Besluit m.e.r.) kan sinds enkele jaren niet meer worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde voor m.e.r.(-beoordeling) ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Voor elke vergunningsaanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moeten de volgende procedurestappen doorlopen worden: door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit; het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen bekend worden gemaakt; het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag. 4.19.1

Vormvrije mer-beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. Het plan blijft ver onder de drempel van 2.000 woningen. Er worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht, zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In het kader van dit bestemmingsplan zijn alle relevante milieueffecten onderzocht en is vervolgens ook een aanmeldnotie m.e.r. opgesteld (zie Bijlage 19). Hieruit is gebleken dat er geen sprake zal zijn van het uitvoeren van een m.e.r.

85

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

86

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Hoofdstuk 5

JURIDISCHEASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels (hoofdzakelijk bestemmingsregels) die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

5.1

Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verder uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een verdere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.

Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en ook de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2

Juridische planopzet Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, het monitoren van beleid en de handhaving. De regels van het bestemmingsplan vallen op grond van de SVBP2012 in 4 hoofdstukken uiteen. 87

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen schrijft de regeling SVBP2012 dwingend voor. 5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3Groen De groene scheg met bijbehorende speelvoorziening en wadi op het plein is bestemd als 'Groen'. De kleinere stukken groen uit het inrichtingsplan zijn opgenomen in de bestemming 'Verkeer' om zo meer flexibiliteit bij de inrichting van de openbare ruimte te behouden. Artikel 4 Tuin - 2 De op de verbeelding voor 'Tuin - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing. Deze bestemming komt vooral voor in tuinen aan de achterkant van gebouwen, de zogeheten erven.

Op deze gronden mogen onder voorwaarden bijgebouwen worden gebouwd. De bebouwde oppervlakte is gemaximeerd tot 7 m2. Dit in het belang van de woonkwaliteit in de vorm van voldoende openheid. De hoogte van een bijgebouwen bedraagt 3 meter. Artikel 5 Verkeer De in het plangebied voorkomende wegen, met bijbehorende bomen en groenvoorzieningen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden en alle andere bijbehorende voorzieningen zijn ondergebracht in de verzamelbestemming 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn groen-, water- en speelvoorzieningen toegestaan evenals bouwwerken voor de verkeers- en verblijfsfunctie, waaronder nutsvoorzieningen, abri's, (ondergrondse) afval- en 88

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

recyclecontainers en (ondergrondse) bergbezinkbassins, verkeers- en lichtmasten, reclameborden en bouwwerken geen gebouw zijnde zoals fietsenrekken. Binnen de bestemming 'Verkeer' moet ruimte gelaten worden om zonodig veranderingen te kunnen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte, afgestemd op wijzigende behoeften. Gedacht kan worden aan ruimte voor diverse verkeerstechnische aanpassingen (zoals veiligere inrichtingen). Artikel 6 Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' zijn beroepsmatige activiteiten aan huis toegestaan onder de voorwaarde dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan het wonen en niet meer ruimte in beslag nemen dan 35 procent van het bruto vloeroppervlak van een woning met een maximum van 50 m2. Aan huis verbonden dienstverlenende beroepen kunnen bijvoorbeeld zijn: kleine adviesbureaus, kleine financiële instellingen, pedicures en praktijkruimten voor de zogenaamde vrije beroepen zoals arts, tandarts en notaris. Verder is gastouderopvang en bed & breakfast toegestaan. 5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is vooral van belang met het oog op nieuwbouw.

Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden al meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Artikel Algemene bouwregels In dit artikel zijn de regels voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken gedetailleerd vastgelegd. Omdat het plangebied binnen het beschermd stadsgezicht ligt zijn de daarop van toepassing zijnde regels ook bij dat artikel ondergebracht. Deze regels gelden naast de in de dubbelbestemmingen genoemde specifieke bouwregels. Er zijn algemene bouwregels opgenomen voor het bouwvlak, de voorgevelrooilijn en de maximum bouwhoogte. Ook gelden er bouwregels voor balkons en collectoren. Artikel Algemene gebruiksregels De bepaling in dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen gelden. Ook komen aanvullende 89

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

specifieke gebruiksregels voor binnen een aantal bestemmingen. Artikel Algemene afwijkingsregels Het bestemmingsplan als bindende verordening is opgebouwd uit objectief vastgelegde ruimtelijke begrenzingen. De mogelijkheden en onmogelijkheden voor het bouwen en het gebruik zijn nauwkeurig vastgelegd. Die ruimtelijke en functionele begrenzing is een afgeleide van de basisgegevens van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), stedenbouwkundige afwegingen en het bestaande gebruik. In de praktijk kunnen afwijkingen voorkomen. Ook kan, bij nieuwe ontwikkelingen, veranderde wetgeving of voortschrijdend inzicht, toch behoefte zijn aan een andere maatvoering oif een andere functie van bouwwerken. Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%. Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken.

Artikel Overige regels Dit artikel legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de 'Beleidsregels parkeernormen Haarlem 2015' van de gemeente Haarlem. De parkeernormen liggen niet vast in het bestemmingsplan maar in gemeentelijke beleidsregels. Het voordeel daarvan is dat het niet nodig is om het bestemmingsplan te wijzigen wanneer er behoefte is aan het wijzigen van de parkeernormen. Het wijzigen van de 'Beleidsregels parkeernormen Haarlem 2015' volstaat daarvoor. Die gemeentelijke beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor het parkeren van auto's en het laden of lossen van goederen. Ook gaan de beleidsregels in op de mogelijkheden om af te wijken van de geldende parkeernormen. Als er een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend voor een ontwikkeling waardoor de parkeerbehoefte wijzigt, zal getoetst worden aan de 'Beleidsregels parkeernormen Haarlem 2015' zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan.

Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar al aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Ook bouwwerken die op

90

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van al strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.

5.3

Hoofdopzet verbeelding

5.3.1 Opbouw verbeelding De verbeelding is opgebouwd uit verschillende elementen. Dit zijn: de bestemmingen; de dubbelbestemmingen; aanduidingen. Hieronder wordt verder uitgelegd wat deze elementen inhouden. De bestemmingen De verbeelding wordt door de gemeente Haarlem opgesteld en later in voorliggende toelichting verwerkt. De dubbelbestemmingen De verbeelding wordt door de gemeente Haarlem opgesteld en later in voorliggende toelichting verwerkt. Aanduidingen Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming verder of specifieker te regelen. In dit bestemmingsplan zijn de volgende aanduidingen op grond van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) opgenomen: 1. bouwvlakken; 2. functieaanduidingen; 3. bouwaanduidingen; 4. maatvoeringen. 1. Bouwvlakken Bouwvlakken zijn een noodzakelijk onderdeel van de verbeelding. Bouwvlakken bestaan uit dikke zwarte lijnen, die aangeven waarbinnen hoofdbebouwing is toegestaan. Bouwvlakken bepalen vaak ook de voorgevelrooilijn van gebouwen of clusters van gebouwen, waardoor ze een belangrijk element vormen bij de bescherming van een bepaald straatbeeld. Ook de achtergevelrooilijn wordt vaak al bepaald met een deel van de bouwvlaklijn. Hier geldt toch vaak een vergunningsvrije bouwmogelijkheid, waar er hier minder sprake is van een 91

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

beschermend karakter in vergelijking met de voorgevelzijde. 2.Functieaanduidingen Functieaanduidingen zijn er in vele soorten en maten. De benaming van de diverse functieaanduidingen is vastgelegd in de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Ze zijn als een vlak op de verbeelding opgenomen. Een functieaanduiding wordt op de verbeelding opgenomen als er binnen een bepaalde bestemming maatwerk moet worden geleverd voor het gebruik. Het is daarbij gewoonlijk niet wenselijk of mogelijk om die functie in algemene zin in de planregels op te nemen, maar het is juist gewenst om het als uitzonderingssituatie vast te leggen. Het kan hierbij gaan om een verdere specificatie van het gebruik, een uitdrukkelijke verruiming daarvan of juist een beperking. 3. Bouwaanduidingen Bouwaanduidingen geven specifieke bouwmogelijkheden aan. Ze zijn als een vlak op de verbeelding opgenomen. De benaming van de diverse bouwaanduidingen zijn vastgelegd in de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Een bouwaanduiding wordt op de verbeelding opgenomen als er binnen een bepaalde bestemming maatwerk moet worden geleverd voor de bouwmogelijkheden. Het is daarbij gewoonlijk niet wenselijk of mogelijk om die bebouwing in algemene zin in de planregels op te nemen, maar het is juist gewenst om het als uitzonderingssituatie vast te leggen. 4.

Maatvoeringsaanduidingen Maatvoeringsaanduidingen hebben betrekking op: afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel voor het bouwen als voor het gebruik.

92

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

UITVOERBAARHEID

Economische uitvoerbaarheid In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan ook een exploitatieplan moet vaststellen als het kostenverhaal bij ontwikkelingen niet is verzekerd. Het bestemmingsplan maakt een nieuw bouwplan mogelijk als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De gemeente en ontwikkelaar AM hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal voldoende is gewaarborgd. Er is daardoor dus geen plicht tot het vaststellen van een exploitatieplan. Het bestemmingsplan voorziet in stedenbouwkundige veranderingen in het plangebied. De ontwikkeling en invulling van het plangebied vindt - uiteraard binnen de randvoorwaarden die de gemeente in dit plan stelt - plaats voor risico van de marktpartij.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Wettelijk vooroverleg Overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het conceptontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instantie: Omgevingsdienst IJmond akkoord per mail van 5 juni 2020 Veiligheidsregio Kennemerland akkoord per mail van 12 juni 2020 Hoogheemraadschap akkoord met het verzoek tot aanpassing van een aantal ondergeschikte zaken. Hieronder volgt een antwoord op de gemaakte opmerkingen van Rijnland. De ingezonden reacties zijn samengevat. Reactie Plantoelichting: In paragraaf 3.3.2 wordt de Keur 2015 vermeld welke inmiddels is vervangen door Keur 2020.

Antwoord Aangepast

93

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

In de tekst van paragraaf 4.9.1 pagina Dit betreft een privaatrechtelijke afspraak 51 Klimaat adaptatie staan nog enkele die los staat van de verplichtingen die zinnen, die verduidelijking vragen of in voortvloeien uit de regelgeving van het tegenspraak zijn met de waterparagraaf Hoogheemraadschap. Het is aan de op pagina 80 en de bijlage 17 memo, gemeente zelf om toestemming te zoals: - "Tussen gemeente en verlenen voor het gebruikmaken van het ontwikkelaar is overeengekomen dat de saldo van de BRC. ontwikkelaar geen rekening hoeft te houden met watercompensatie." Dit blijkt niet overeen te komen met het vigerende beleid van het hoogheemraadschap omdat er sprake is van verhardingstoename met een omvang waarvoor de uitvoeringsregels gelden. Overigens is in de Memo Schoterkwartier Haarlem fase 2 d.d. 15 februari 2022 wel opgenomen dat compensatie kan plaatsvinden met behulp van de Berging Rekening Courant en dat de mogelijkheid bestaat om een alternatieve waterberging aan te leggen. Voor het gebruikmaken van het saldo van de BRC is nog een instemming nodig. - "Voorzieningen in de grond dienen De leeflaag is voldoende hoog om een zoveel mogelijk voorkomen te worden. " wadi aan te kunnen leggen.

De vraag die daarbij opkomt is; Waar of hoe diep kan alternatieve waterberging wel gerealiseerd worden als voorzieningen in de grond voorkomen moeten worden? -"Het ontwerp is zodanig opgezet dat er Wij zijn bekend met het huidge beleid geen dakvlakken geschikt zijn van Rijnland om ruimtes die niet voor waterberging." Wij nemen aan dat openbaar toegankelijk zijn, niet mee te eventuele waterberging op daken niet rekenen als alternatieve waterberging. meegerekend worden in de alternatieve waterberging. Het staat overigens los van de functionaliteit voor klimaatadaptatie /hittestress.

94

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

In paragraaf 4.14.4 pagina 74 is vermeld Dank voor de suggestie. "De keur (2020) van het Hoogheemgeraadschap van Rijnland wil dat de scheg kan zorgen voor de volledige compensatie van het verhard oppervlak, dat heeft gelegen op locatie. De zin is niet helder geformuleerd en kan bijvoorbeeld worden vervangen door: De scheg kan bijdragen aan de benodigde compensatie voor de toename van het verhard oppervlak volgens de keur (2020) van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In de waterparagraaf 4.171 op pagina 80 Wij geven dit door aan de intiatiefnemer. tot 84 is ook verwezen naar de keur 2015 welke kan worden vervangen door de keur en uitvoeringsregels 2020. Wij hebben geconstateerd dat in de toelichting wordt verwezen naar de Keur en uitvoeringsregels, bijvoorbeeld voor alternatieve waterberging. Zoals wordt vermeld loopt het overleg voor de watervergunning aanvraag nog. Graag zien wij de memo van Bureau Neelen & Schuurmans daarop aangepast zodat de procedure van een vergunningaanvraagprocedure opnieuw en voortvarend kan worden doorlopen. Conclusie: De reactie geeft aanleiding tot het aanpassen van de toelichting

95

bestemmingsplan "Deliterrein - Schoterkwartier fase 2" (vastgesteld)

6.3

Handhaving Met dit bestemmingsplan beoogt de gemeenteraad een voor de burgers duidelijk en herkenbaar ruimtelijk beleid te formuleren. Op grond daarvan mag dan ook verwacht worden dat het college van burgemeester en wethouders handhavend optreedt als iemand de regels van het bestemmingsplan niet naleeft. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied loopt namelijk gevaar als men in strijd met het bestemmingsplan een bouwwerk bouwt of als men in strijd met het bestemmingsplan gronden of bouwwerken gebruikt. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en de veiligheid. Daarom wordt hier het beleid over de handhaving uiteengezet en aangegeven hoe de handhaving van de bestemmingsplanregels wordt opgepakt. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er een beginselplicht om handhavend op te treden. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met de handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als er concreet zicht op legalisatie bestaat.

Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De gemeente Haarlem voldoet aan deze beginselplicht door daadkrachtig en consequent op te treden. Eens in de vier jaar stelt de gemeente Haarlem een integraal handhavingsbeleid vast waarin de projecten staan aangegeven die worden opgepakt. De opzet is dat de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving niet alle illegale situaties tegelijk aanpakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, wat een uitstralend effect zal hebben. Nieuw vastgestelde bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor deze projectmatige aanpak. Uiteraard wordt bij calamiteiten altijd opgetreden. Handhaving van de regels van bestemmingsplannen vindt in de gemeente Haarlem plaats langs bestuursrechtelijke weg. Rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers staan hierbij voorop. Daarbij is ook communicatie belangrijk. Hier kan bovendien een preventieve werking van uitgaan. De gemeente brengt vooral de relatie met de na te streven beleidsdoelstellingen onder de aandacht, zodat voor iedere inwoner, eigenaar en ondernemer duidelijk mag zijn hoe en wanneer het college handhaaft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12602468/2