2 Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Rootz
Tekst van het document
Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De tijdelijke achteruitgang van foerageermogelijkheden is vanwege de grootte van het plangebied zeer beperkt en kan opgevangen worden omdat vleermuizen kunnen uitwijken naar vergelijkbaar en beter foerageergebied in de omgeving. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Als daarnaast gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan, worden bij uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.
"Rootz" (vastgesteld)
44
4.13.3 Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Wel moet bij de bouwactiviteiten rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht en moet er in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ontheffing worden aangevraagd voor de verblijvende vleermuizen.
4.14
Stikstof
4.14.1 Inleiding In het kader van de natuurwetgeving moeten de effecten van het plan op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient te worden nagegaan of ten gevolge van het plan significante negatieve effecten optreden in: 1. stikstofgevoelige habitattypen en/of 2. stikstofgevoelige leefgebieden. 4.14.2 Onderzoek Door Sweco is Onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Voor de toetsing van de effecten zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator (2022). De berekening is opgesteld conform het document ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2022.1’ van BIJ12 (versie 2, april 2023). In het onderzoek is een berekening gemaakt van de stikstofuitstoot en -depositie als gevolg van de planontwikkeling ROOTZ in Haarlem. Daarbij zijn zowel de gebruiksfase als de aanlegfase beschouwd. Er is in de aanlegfase van de planontwikkeling geen toename berekend van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn daarmee in de aanlegfase op voorhand uit te sluiten. Ook in de gebruiksfase van de planontwikkeling is geen toename berekend van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten.
Als conservatieve aanname is daarbij een cumulatie tussen het laatste jaar van de aanlegfase en de gebruiksfase beschouwd. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn daarmee ook in de gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Voor de planontwikkeling is geen Wnb-vergunning benodigd voor het onderdeel stikstofdepositie, op basis van de gehanteerde uitgangspunten in deze notitie. Daarmee is aangetoond dat het plan uitvoerbaar is in relatie tot stiktstofdepositie. 4.14.3 Conclusie Het onderdeel stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.15
Vliegverkeer
Vanaf 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) van kracht. Dit besluit wijst rond het luchthavengebied een beperkingengebied aan. Binnen dat gebied gelden regels voor beperkingen van bestemming en gebruik van grond. Het gaat om beperkingen voor bebouwing, hoogte en het realiseren van vogelaantrekkende bestemmingen, vogelaantrekkend gebruik, windturbines en lasers. Uit het LIB vloeit voort dat op de planlocatie geen objecten zijn toegestaan die hoger zijn dan 60m NAP. Dat is niet het geval. Daarnaast worden geen vogelaantrekkende functies mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB.
"Rootz" (vastgesteld)
45
4.16
Bezonning
4.16.1 Inleiding Er bestaan geen wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning voor bebouwing. Gemeenten zijn bij de onderbouwing of er ten aanzien van dit aspect sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’ vrij om dit in te vullen. In de gemeente Haarlem wordt gebruik gemaakt van de door TNO ontwikkelde (lichte norm), die minimaal twee uur zon per dag (niet aansluitend vereist) in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft. Deze veel gebezigde methode is in de rechtspraak algemeen aanvaard. De volledige formulering van de ‘lichte norm’ luidt als volgt: ‘er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober’. 19 februari en 21 oktober zijn de data waarop de schaduwwerking het grootst is. 4.16.2 Bezonningsstudie Als onderdeel van het stedenbouwkundig plan en de aanpassing daarvan van 22 juni is een bezonningsstudie uitgevoerd (pagina 2 van de aanvulling van het stedenbouwkundig plan (zie Bijlage 2). Het stedenbouwkundig plan is zoveel mogelijk ontworpen om woningen, verblijfsplekken en daken zon en daglicht te laten krijgen. De bezonningsstudie wijst uit dat gedurende de hele dag vrij grote delen van het maaiveld ruimschoots bezond zijn.
Er wordt binnen en rondom het plangebied voldaan aan de bezonningsnormen.
4.17
Windhinder
4.17.1 Inleiding De notitie 'Hoogbouwprincipes – Kansen voor hoogbouw in Haarlem' stelt dat windhindereffecten voor de omgeving onderzocht moet worden. Er is geen formele, landelijk vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar, wel zijn er grote gemeenten met richtlijnen op dat gebied. Deze dienen met name voor bouwplannen met hoogbouw of hoogteaccenten. 4.17.2 Onderzoek Door Peutz is een Studie windhinder uitgevoerd. In de stedenbouwkundige opzet is door getrapte volumes en de positionering van windgevoelige activiteiten rekening gehouden met het te verwachten windklimaat. Door de afschermende werking van de randbebouwing zal het binnenterrein naar verwachting een goed windklimaat hebben. Voor windgevoelige functies, zoals gebouwentrees, wordt het criterium 'slenteren' gehanteerd. Voor de gevels op de begane grond is het windklimaat overwegend goed. Ter plaatse van enkele gebouwhoeken en delen van gevels een matig windklimaat vastgesteld. Het advies is de entrees te plaatsen op een locatie waar een goed windklimaat is vastgesteld. Tijdens de ontwerpfase zal er vroegtijdig een windtunnel danwel CFD berekening uitgevoerd worden zodat de uitkomsten daarvan meegenomen kunnen worden.
Bij windbelaste zones binnen het plangebied kan lokaal, bijvoorbeeld ter plaatse van entrees, een beter windklimaat gerealiseerd worden door bijvoorbeeld luifels en windschermen toe te passen of entrees terug te leggen in een nis. 4.17.3 Conclusie Grote delen van het plangebied voldoen aan een goed windklimaat. Ter plaatse van de in de studie benoemde aandachtsgebieden worden bij de nadere uitwerking van de bouwplannen maatregelen genomen ten behoeve van een beter windklimaat.
"Rootz" (vastgesteld)
46
4.18
Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen
Om de bedrijfszekerheid en de continuïteit van het transport door kabels en leidingen te garanderen, krijgen grote kabels en leidingen in bestemmingsplannen een planologische bescherming door middel van een dubbelbestemming. Binnen die dubbelbestemming mag niet zonder toestemming worden gebouwd of gegraven, waarmee de belangen van de kabel- en leidingbeheerders én van de eindafnemers worden beschermd. Binnen het plangebied ROOTZ zijn geen grote kabels aanwezig. Wel ligt er geheel in het oostelijk deel een bestaande hogedruk gasleiding. Dit plandeel heeft in het bestemmingsplan een verkeersbestemming en valt niet binnen het te ontwikkelen terrein.
4.19
Mer-beoordeling
De ontwikkeling ROOTZ is op basis van Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-beoordelingsplichtig (categorie D11.2 uit bijlage D Besluit-m.e.r.). Dit houdt in dat het bevoegd gezag (in dit geval het college de gemeente Haarlem) op basis van een m.e.r.-beoordeling (aanmeldingsnotitie) besluit of er wel of geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag moet daarbij bepalen of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu". In dat kader is er in 2023 een Aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. Uit de Aanmeldnotitie komt het volgende beeld naar voren. In het plangebied zal een stedelijke herontwikkeling gaan plaatsvinden. De hoeveelheid bebouwing zal toenemen, onder andere met woningen, en het gebied zal een nog meer stedelijk karakter krijgen. Echter neemt de hoeveelheid verharding af, wordt er veel groen toegevoegd en wordt het plangebied grotendeels autovrij. De nieuwe ontwikkeling zal een verkeersaantrekkende werking hebben. De verkeerskundige gevolgen zijn echter goed oplosbaar met aanpassingen in de ontsluiting van het plangebied en aan enkele kruispunten. De verkeersaantrekkende werking heeft ook gevolgen voor de geluidhinder in de directe omgeving en op de nieuwe woningen.
De geluidbelastingen blijven echter onder de maximaal toelaatbare waarden en het is mogelijk om onder voorwaarden (goede stedenbouwkundige invulling met geluidluwe gevels) hogere waarden toegewezen te krijgen. De luchtkwaliteit in het gebied blijft ruim onder de normen voor zowel stikstof als fijnstof. Verder draagt het herontwikkelingsplan niet in betekenende mate bij aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit. Met betrekking tot externe veiligheid is de conclusie dat er geen directe belemmering is voor het herontwikkelingsplan. Wel is het invloedsgebied van de gastransportleiding langs de Amerikaweg een aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling en de bouw. Water en bodemkwaliteit vormen eveneens geen belemmering voor de herontwikkelplannen. Er wordt geen impact verwacht op de natuurlijke habitat (Natura 2000, NNN-gebieden en flora en fauna). Uit de uitgevoerde Quick Scan ecologisch onderzoek bleek, dat nog een vleermuisonderzoek moet worden uitgevoerd, omdat deze zeker in het gebied en de gebouwen worden verwacht. Dat onderzoek wordt uitgevoerd in 2022. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologisch onderzoek, blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.
De eindconclusie van deze m.e.r.-beoordeling is, dat: de invulling van de herontwikkeling onder de drempelwaarden van de categorie 11.2 uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage blijft en dat het project geen wezenlijke verandering qua omvang in het plangebied veroorzaakt; het herontwikkelingsproject voor een groot deel een vervanging is van huidige functies binnen het plangebied; de omstandigheid van de locatie, namelijk een stedelijk gebied met hoge dichtheid, niet verandert ten opzichte van de huidige situatie, en; de impact op de omgeving van het plangebied zeer beperkt is (enige verkeerstoename en deels hogere geluidbelastingen). Dit maakt dat er niet van uit kan worden gegaan dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu "Rootz" (vastgesteld)
47 zullen optreden. Er is daarom geen sprake is van de noodzaak tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER. Op grond van het Besluit m.e.r. wordt voorgesteld de conclusie van deze m.e.r.-beoordeling door het bevoegd gezag, te weten burgemeester en wethouders van Haarlem, over te nemen en in een collegebesluit vast te leggen. Het opstarten van een m.e.r.-beoordelings- of m.e.r.-procedure is niet aan de orde. Op basis van deze ontwikkeling heeft het college besloten dat geen milieueffectrapportage nodig is, daar op basis van de aanmeldingsnotitie geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het milieu heeft.
"Rootz" (vastgesteld)
48
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Inleiding
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe dienen alle bestemmingsplannen te voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2
Juridische planopzet
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Denk hierbij aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling, de monitoring van beleid en de handhaving. De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (hierna SVBP) maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw, de verbeelding van het bestemmingsplan en de regels. De regels van het bestemmingsplan vallen conform het SVBP in 4 hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1: inleidende regels Hoofdstuk 2: bestemmingsregels Hoofdstuk 3: algemene regels. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels. 5.2.1
Hoofdstuk1: Inleidende regels
Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2: Wijze van meten "Rootz" (vastgesteld)
49
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen zijn op grond van de SVBP dwingend voorgeschreven. 5.2.2
Hoofdstuk2: Bestemmingsregels
Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak. Lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. De verbeelding van een bestemming bestaat dus nooit uit een lijn of een punt. De bestemmingen worden gescheiden door bestemmingsgrenzen. 5.2.2.1 Bestemmingen De volgende bestemmingen zijn aan de gronden in het plangebied toegekend. Artikel 3: Gemengd - 1 Deze bestemming heeft betrekking op gebouw F. In dit gebouw is een combinatie van gebruiksfuncties toegestaan waaronder wonen, bedrijven, kantoren en gebouwde parkeervoorzieningen. Van deze functies zijn bedrijven en kantoren alleen toegestaan op de begane grond. Het maximaal toegestane oppervlak voor bedrijven is vastgelegd op 50 m2. De bouwregels zijn opgenomen in de 'Algemene bouwregels' (artikel 10). Artikel 4: Groen In de bestaande situatie is het plangebied grotendeels bebouwd en verhard.
In de nieuwe situatie concentreerd de bebouwing zich langs de randen van het plangbied en ontstaat er tussen de bebouwing ruimte voor een groene inrichting en het bijplanten van veel bomen. De bestemming groen past bij deze groene ambitie. Ter plaatse van de 'specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1 en 2' zijn ondergrondse parkeergarages toegestaan. Rondom de bouwvlakken van de bestemming 'Wonen' zijn stroken met de 'specifieke bouwaanduiding balkon' waarbinnen de overkragende balkons zijn toegstaan. Het gebruik als terras, verharding en buitenruimte ten behoeve van de functies die zijn toegestaan in de bestemmingen 'Gemengd - 1' en 'Wonen' Binnen het groene gebied is een bospaviljoen voorzien. Dit is een bouwwerk dat kan worden gebruikt ten behoeve van presentaties, exposities, workshops en andere daarmee vergelijkbare bijeenkomsten. Artikel 5: Verkeer De bestaande wegen rondom het plangebied (Europaweg, Kennedylaan en Amerikaweg) en de nieuw te maken corridor hebben de bestemming 'Verkeer'. Artikel 6: Wonen De hoofdbestemming is 'Wonen'. Het grootste deel van de woningen wordt gerealiseerd in de vorm van gestapelde appartementen. Naast het woonprogramma is er ook ruimte voor onder meer maatschappelijke voorzieningen, horeca, bedrijven, kantoorruimte, detailhandel en parkeervoorzieningen.
De niet-woonfuncties concentreren zich op de begane grond en lager gelegen verdiepingen. Een uitzondering hierop geldt voor kantoren en bedrijven die ook zijn toegestaan op de dakterrassen op de bovenste bouwlaag. Daar waar de ruimte binnen een gebouw op de begane grond expliciet is bedoeld voor niet-woonfuncties is door middel van aanduidingen ('wonen - uitgesloten - 1 en 2') op de verbeelding aangeven dat de "Rootz" (vastgesteld)
50 woonfunctie niet is toegestaan op de begane grond. De maximale afmetingen per niet-woonfunctie zijn per functie vastgelegd in de regels. De bouwregels zijn vastgelegd in de Algemene bouwregels (artikel 8).
5.3
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Artikel 7: Anti-dubbeltelregel Met deze regel wordt voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt. Bijvoorbeeld in het geval (onderdelen van) bouwpercelen - al dan niet tijdelijk - van eigenaren wisselen. De regeling is met name van belang met het oog op nieuwbouw. Door verwerving van een extra (bouw)perceel of een gedeelte daarvan, kunnen de gronden niet meegenomen worden met de berekening van de bouwmogelijkheden van het nieuwe perceel als de nieuw verworven gronden reeds meegenomen zijn bij de berekening van een eerdere omgevingsvergunning. Het is dus niet toegestaan gronden twee keer in te zetten om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te verkrijgen. Dit artikel geeft algemene regels met betrekking tot ongewenst gebruik van gronden die in alle gevallen opgeld doen, tenzij dit in de specifieke gebruiksregels expliciet alsnog wordt toegestaan. Artikel 8: Algemene bouwregels De bebouwing die is toegestaan binnen de bestemmingen 'Gemend - 1'' en 'Wonen' wordt in dit artikel geregeld. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. De maximaal toegestane hoogte per gebouw of deel van een gebouw staan door middel van hoogteaanduidingen op de verbeelding weergegeven. Het totale brutovloeroppevlak binnen het plangebied mag ten hoogste 70.000 m2 bedragen. Ondergrondse bouwlagen tellen hierbij niet mee).
Artikel 9: Algemene gebruiksregels Een aantal ongewenste functies worden in dit artikel expliciet verboden. Het gaat daarbij om prostitutie en de opslag van voorwerpen, goederen etc. Artikel 10: Algemene afwijkingsregels Starheid van bestemmingsregels mag niet de oorzaak zijn van gekunstelde oplossingen, waarmee de kwalitatieve doelstelling van het bestemmingsplan niet gediend is. Door middel van dit artikel is enige mate van flexibiliteit mogelijk. Zo kan er een afwijking plaatsvinden voor de in het plan aangegeven maten tot ten hoogste 10%. Het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid gebeurt altijd met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, zodat belanghebbenden de mogelijkheid tot bezwaar/beroep hebben wanneer op grond van dit artikel van het plan wordt afgeweken. Artikel 11: Overige regels Parkeren Lid 11.1.1 'Aanbrengen ruimte voor parkeren, laden en lossen' legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels. Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen.
Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Lid 11.1.3 geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt lid 11.1.4 dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van "Rootz" (vastgesteld)
51 de aanvraag om een omgevingsvergunning. Voorwaardelijke verplichting geluid Lid 11.2 heeft betrekking op de voorwaardelijke verplichting met betrekking tot geluid. Woningen dienen te worden voorzien van een geluidluwe zijde. Bij woningen waarbij de geluidbelasting groter is dan 53 dB geldt de eis dat ten minste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde ligt. In een besluit hogere waarden kan worden afgezien van de gestelde eisen.
5.4
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Artikel 12: Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bestaande situaties (gebruik en/of bebouwing) die op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan niet passen binnen het nieuwe plan. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing die in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig waren ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Ook bouwwerken die basis van een geldige omgevingsvergunning nog gebouwd mogen worden, worden onder het overgangsrecht geschaard. Het overgangsrecht is nadrukkelijk niet bedoeld voor bouwwerken die een gebruik kennen dat onrechtmatig is op het moment van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds gehandhaafd worden. Ook bouwwerken die op peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Artikel 13: Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.
"Rootz" (vastgesteld)
52
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan ook een exploitatieplan moet vaststellen als het kostenverhaal bij ontwikkelingen niet is verzekerd. Het bestemmingsplan ROOTZ maakt nieuwe bouwplannen mogelijk als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Daarom is het opstellen van een exploitatieplan noodzakelijk, tenzij de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd is. De Gemeente en de ontwikkelende partijen zijn op 30-03-2023 een Anterieure Overeenkomst overeengekomen waarin ingegaan wordt op het kostenverhaal. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling anderszins verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Wettelijk vooroverleg
Het voorontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegestuurd aan de zogenaamde vooroverlegpartners. De volgende organisaties hebben een vooroverlegreactie ingediend: Brandweer Kennemerland Hoogheemraadschap van Rijnland Gasunie Hieronder wordt de inhoud van de vooroverlegreacties beschreven en van een reactie voorzien. Brandweer Kennemerland De Brandweer heeft in twee instaties een reactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. Het advies van de Brandweer heeft betrekking op het Besluit externe veiligheid transport (Bevt), en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vanwege de aanwezige hogedruk gasleiding en het vervoer van gevaarlijke stoffen (brandbare vloeistoffen en LPG) over de Europaweg en Amerikaweg. In eerste instantie ontbrak de risicobron 'transport gevaarlijke stoffen' in het onderzoek externe veiligheid. Ook heeft de de Brandweer advies gegeven over het vergroten van zelfredzaamheid en de inzet van hulpdiensten bij het realiseren en in gebruik nemen van de ontwikkeling. Reactie gemeente Naar aanleiding van het advies zijn beide risicobronnen verwerkt in het aangepaste onderzoek externe veiligheid en is een aanzet gemaakt voor de verantwoording van het groepsrisico. Ook de toelichting (paragraaf 4.6) is op dit onderdeel aangepast. De aanpassingen zijn voorgelegd aan de Brandweeer en akkoord bevonden.
Hoogheemraadschap van Rijnland Bij de herontwikkeling van het gebied zal het verhard oppervlak afnemen. Het Hoogheemraadschap verzoekt om in de waterparagraaf het oppervlak van het bestaande verhard oppervlak te vermelden, zodat duidelijk is wat de afname van de verharding is. Naast de buffercapaciteit op de daken zijn er greppels en wadi's die het overtollig water van de daken en de verharding zullen opvangen. In de corridor zijn diverse greppels en komt op de pleinruimte een verlaagd deel wat bij nood als berging kan dienen. Via een duiker in de Antillenweg, die onder de Amerikaweg loopt, kan het water dat niet gebufferd kan worden weglopen naar de Amerikavaart. Het Hoogheemraadschap wijst er op dat er nog geen zicht is op de haalbaarheid en het functioneren van buffercapaciteit op de daken en het plein. Verzocht wordt om in de waterparagraaf inzicht te geven hoe dit wordt gerealiseerd. Bovendien kan een alternatieve waterberging zorgen voor een extra belasting op het watersysteem wanneer deze alternatieve waterberging wordt geleegd. Het voldoet in ieder geval aan de zorgplicht, wanneer deze niet wordt geleegd in het oppervlaktewatersysteem vlak voor of tijdens een "Rootz" (vastgesteld)
53 neerslaggebeurtenis. In de verdere uitwerking zal er 7.500 m2 ondergrondse parkeergarage gerealiseerd worden, waardoor er meer ruimte ontstaat voor wadi's en greppels. Indien er voor de realisatie van de parkeergarages, woningen, kelders en overige werkzaamheden een grondwateronttrekking en/of lozing van grondwater noodzakelijk is, wijst het Hoogheemraadschap er op dat dit onderdeel van het plan mogelijk vergunningplichtig is in het kader van de Keur. Verzocht wordt om in de toelichting inzicht te geven over de locatie van parkeergarages en de grondwatersituatie. Voor de water gerelateerde aspecten zijn met name de Keur (Waterwet) van Rijnland 2020 en bijbehorende uitvoeringsregels van toepassing. Reactie gemeente De waterparagraaf zoals opgenomen in paragraaf 4.9.3 is overeenkomstig de opmerkingen aangepast. Een deel van de opmerkingen zijn meer relevant voor de uitwerking van de plannen dan voor het bestemmingsplan. Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met het advies van het Hoogheemraadschap. Gasunie Binnen het plangebied ligt een 40 bar hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie. Binnen het plan wordt hier echter geen melding van gemaakt.
Gasunie verzoekt dit alsnog te doen door de leiding op te nemen op de verbeelding middels een dubbelbestemming 'Leiding-Gas' welke een breedte heeft van 4 meter ter weerszijde van de leiding, en de aanwezigheid van de leiding tot uiting te brengen in de planregels. Reactie gemeente De verbeelding die is toegezonden in het kader van het wettelijk vooroverleg zag nog toe op een ruimer plangebied waarbinnen inderdaad de gasleiding was gelegen. Inmiddels is het plangebied aangepast waarbij de gasleiding buiten het plangebied ligt. 6.2.2
Zienswijzen
Na verwerking van vooroverlegreacties wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Het college stemt in met het ontwerp bestemmingsplan en geeft een reactie op het vooroverleg. Na publicatie wordt het ontwerp bestemmingsplan vervolgens 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder zijn of haar zienswijze tegen de voorgenomen vaststelling van het bestemmingsplan kenbaar maken. Het ontwerp bestemmingsplan ROOTZ heeft ter inzage gelegen van PM tot en met PM. In de Nota van beantwoording zijn alle zienswijzen geanonimiseerd samengevat. Het eerste deel van de nota bevat een lijst van de indieners van zienswijzen, het inhoudelijke commentaar op het ontwerpbesluit (zie kolom “zienswijze”) en het gemeentelijke antwoord op dit commentaar (zie kolom “antwoord”). Vervolgens wordt in de kolom “aanpassing” aangegeven of het commentaar heeft geresulteerd in aanpassing van toelichting, verbeelding en/of planregels. Het tweede deel van de nota betreft ambtshalve wijzigingen van het college op het ontwerpbesluit die aan de raad worden voorgesteld.
"Rootz" (vastgesteld)
54
6.3
Handhaving
Met dit bestemmingsplan beoogt de gemeenteraad een voor de burgers duidelijk en herkenbaar ruimtelijk beleid te formuleren. Op grond daarvan mag dan ook verwacht worden dat het college van burgemeester en wethouders handhavend optreedt als iemand de regels van het bestemmingsplan niet naleeft. Immers, de ruimtelijke kwaliteit van het gebied loopt gevaar als men in strijd met het bestemmingsplan een bouwwerk bouwt of als men in strijd met het bestemmingsplan gronden of bouwwerken gebruikt. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en de veiligheid. Daarom wordt hier het beleid inzake de handhaving uiteengezet en aangegeven hoe de handhaving van de bestemmingsplanregels wordt opgepakt. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er een beginselplicht om handhavend op te treden. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met de handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als er concreet zicht op legalisatie bestaat.
Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De gemeente Haarlem voldoet aan deze beginselplicht door daadkrachtig en consequent op te treden. Eens in de vier jaar stelt de gemeente Haarlem een integraal handhavingsbeleid vast waarin de projecten staan aangegeven die worden opgepakt. De opzet is dat de afdeling Handhaving Bebouwde Omgeving niet alle illegale situaties tegelijk aanpakt, maar wel een werkbaar aantal zaken, hetgeen een uitstralend effect zal hebben. Nieuw vastgestelde bestemmingsplannen lenen zich bij uitstek voor deze projectmatige aanpak. Uiteraard wordt bij calamiteiten altijd opgetreden. Handhaving van de regels van bestemmingsplannen vindt in de gemeente Haarlem plaats langs bestuursrechtelijke weg. Rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers staan hierbij voorop. Daarbij is ook communicatie belangrijk. Hier kan bovendien een preventieve werking van uitgaan. De gemeente brengt met name de relatie met de na te streven beleidsdoelstellingen onder de aandacht, zodat voor iedere inwoner, eigenaar en ondernemer duidelijk mag zijn hoe en wanneer het college handhaaft.
Ook voor dit plangebied zal de handhaving van de kaders van het bestemmingsplan tevens plaatsvinden na het verstrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteiten 'bouwen', 'het uitvoeren van een werk' en 'het gebruiken van gronden en bouwwerken'. Want niet alleen handelingen zonder vergunning zijn onderwerp van handhaving, maar ook handelingen in afwijking van een omgevingsvergunning vormen een overtreding. Het gemeentelijk toezicht tijdens de vergunningplichtige activiteiten is gewaarborgd doordat inspecteurs in Haarlem volgens het Landelijk Toezichtprotocol werken. Deze inspecteurs classificeren projecten volgens het protocol, waarmee zij de noodzakelijke frequentie en het niveau van de controles tijdens de bouw bepalen. De rapportage van deze controles slaan zij digitaal op. Aldus draagt het college zorg voor de handhaving van de bestemmingsplanregels.
"Rootz" (vastgesteld)