2 Bijlage 1 Skaeve Huse - Vergierdeweg - Toelichting
Tekst van het document
De stadsparken hebben een eigen karakteristiek en parken en grote groengebieden verdienen aantrekkelijke en herkenbare entrees. Ook is het aangewezen als 'ecologisch waardevolle plek'. Deze worden beschermd en behouden. Belangrijke bestaande ecologische elementen en structuren, zoals bermen en watergangen, maar ook sommige gebouwen, worden in stand gehouden ter wille van planten en dieren. Verlichting werkt verstorend voor de fauna. Dat is een reden om op deze plekken steeds een afweging te maken of verlichting wordt geplaatst. Bij de flora sluit de begroeiing altijd aan op de plaatselijke omstandigheden, zoals grondsoort, waterstand, voedselrijkdom en verkeerssituatie. Vooral zonnige plekken waar bloemrijke kruiden groeien, zijn zeer waardevol voor de ecologie in de stad. Voorliggende ontwikkeling wordt groen ingepast waarbij er oog is voor de toe te passen flora. Deze hebben uiteindelijk ook invloed op de fauna die er door wordt aangetrokken. De vergroening van het plangebied weegt op tegen de toevoeging van de bebouwing. In paragraaf 4.10 wordt verder ingegaan op de natuuronderzoeken die worden uitgevoerd. De huidige stand van zaken is dat er tot op heden nog geen beschermde soorten zijn geconstateerd. In december 2023 wordt nog een controle van boomholtes uitgevoerd in verband met winterverblijfplaatsen voor vleermuizen. PM 35
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
3.4.3 Ruimtelijke kwaliteit In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) wordt een integrale stadsbrede visie gegeven op ruimtelijke kwaliteit die voor ieder nieuw ruimtelijk plan de basis vormt. Met de visie wil Haarlem kernachtig uitdragen waar haar kracht en haar ambitie ligt. De relatie tussen duurzaamheid, in de zin van toekomstbestendigheid en de kwaliteit van de leefomgeving, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk thema van de visie. Er zijn tien gouden regels geformuleerd die een prioriteit voor ruimtelijke ontwikkeling in Haarlem uitspreken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2012) bestaat uit twee delen. Het eerste deel is de Visie op Ruimtelijke Kwaliteit. Deel twee is het Beoordelingskader voor Ruimtelijke Kwaliteit. De in deel 2 opgenomen criteria hebben betrekking op alle vergunningplichtige plannen. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'De geconsolideerde stad'. De geconsolideerde stad omvat de gebieden in Haarlem waar, net als in de beschermde stad, niet zo snel iets zal veranderen aan de stedelijke structuur. Het gaat wat betreft de ruimtelijke kwaliteit letterlijk om de hoofdlijnen. In de Beoordelingskaders Ruimtelijke Kwaliteit geldt voor dit gebied een 'consolidatieregie’, gericht op het behoud van het onderscheidende karakter van de buurten en - daarbinnen - vrijheid voor individuele invullingen.
Plannen en ontwikkelingen moeten zich voegen naar de stedenbouwkundige context: naar het stratenpatroon, het bouwbloktype en de bestaande massa- en gevelopbouw. Er is vrijheid mogelijk in architectonische expressie en materialisering op pandniveau. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling verbetert de ruimtelijke kwaliteit voor wat betreft de boerderij en het ensemble. In de groene rand van Haarlem worden de skaeve huse toegevoegd. Door de groene inpassing en kleine omvang van de gebouwen is er sprake van een inpassing die past in de context. 3.4.4 Wonen 3.4.4.1 Woonvisie 2021-2025 In de Woonvisie Haarlem 2021 - 2025 'Samen Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis' geeft richting aan het woonbeleid op de lange termijn tot 2030 en handvatten voor de uitvoering ervan in de periode 2021-2025. Belangrijkste doel is een toegankelijke, diverse en inclusieve stad te zijn die een duurzaam (t)huis biedt aan een breed scala van doelgroepen. De komst van voldoende (betaalbare) woningen is hierbij een randvoorwaarde. De bouwambitie tot 2030 ligt hoog. Gelet op de resterende opgave van de ambitie 2016 tot en met 2025 (7.200 woningen 2020-2025), de actualisatie van de raming van de aanvullende woningbehoefte (8.000 woningen 2019-2030) en de beschikbare plancapaciteit waarvoor visies zijn vastgesteld, wordt de ambitie voor de periode 2020-2030 vastgesteld op 8.000-10.000 woningen.
De ambitie is dat er 3.200 tot 4.000 sociale huurwoningen bij komen. Doorstroming moet worden gestimuleerd door naast het bouwen van middeldure woningen
36
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
ook voorrang te geven aan doorstromers vanuit sociale huurwoningen. Haarlem wil een inclusieve stad zijn, een stad voor iedereen. Voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen is extra aandacht. Door de gemeente en partners worden woonvormen ontwikkeld voor Haarlemmers die uit de maatschappelijke opvang of een beschermde woonvorm komen. Op het gebied van duurzaamheid wordt gestreefd naar het voorkomen van hittestress en wateroverlast. Planspecifiek De voorliggende ontwikkeling met aandacht voor sociaal-maatschappelijke functies in combinatie met een bijzondere maatschappelijke woonvorm is in lijn met de Woonvisie 2021-2025. 3.4.5 Maatschappelijk 3.4.5.1 Kader opvang, wonen en herstel Op basis van een intensief en interactief visievormingstraject in de eerste helft van 2016 in samenwerking met vele tientallen vertegenwoordigers van zorginstellingen, gemeenten, cliëntenorganisaties en woningcorporaties het beleidskader 'Opvang, wonen & herstel' opgesteld. Het is opgesteld voor drie belangrijke, nauw met elkaar samenhangende beleidsterreinen: maatschappelijke opvang; beschermd wonen en vrouwenopvang.
De hoofdopgave luidt: Voor alle cliënten maatschappelijke opvang, beschermd wonen en vrouwenopvang willen we werken aan zo gewoon mogelijk wonen met herstelondersteuning gericht op inclusie, volwaardig burgerschap, participatie, zelfredzaamheid en informele steun in de lokale omgeving. In de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer waren in 2015 circa 1.600 inwoners die onvoldoende in staat waren om op eigen kracht zelfstandig te wonen en in andere noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien. Voor hen is er een ondersteuningsaanbod beschikbaar vanuit de maatschappelijke opvang, beschermd wonen en vrouwenopvang. Voor een deel van deze kwetsbare inwoners volstaat ondersteuning door middel van kortdurende opvang. Voor een ander deel is langer durende opvang, beschermd wonen of begeleid wonen in de vrouwenopvang noodzakelijk, meestal in de vorm van ‘intramuraal wonen’. De visie betreft niet alleen kwetsbare inwoners die nu gebruik maken van intramurale voorzieningen van maatschappelijke opvang, beschermd wonen en de vrouwenopvang. De visie betreft ook inwoners die weliswaar over eigen huisvesting beschikken, maar door allerlei problemen het risico lopen maatschappelijk uit te vallen. Met andere woorden: het gaat ook om preventie en het voorkomen van verhuizingen naar een intramurale voorziening.
Doorgaans is er sprake van meervoudige problematiek (ook wel multiproblematiek genoemd). Samenhangend met het niet zelfstandig kunnen wonen is er doorgaans meer aan de hand, zoals een psychische kwetsbaarheid, een licht verstandelijke beperking, verslaving, schulden, huiselijk geweld, werkloosheid, eenzaamheid of contacten met justitie. Al deze kwetsbare mede-inwoners behoeven een vorm van ondersteuning in het 37
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
werken aan herstel: een leven met meer stabiliteit en kwaliteit. Er is bij twee groepen cliënten sprake van langdurige zorgafhankelijkheid. In de eerste plaats zijn er in de regio zeer kwetsbare cliënten met multiproblematiek waardoor ondersteuning in een 24-uurs setting nodig is. Naar schatting gaat het om 10 tot 20% van de gehele doelgroep beschermd wonen. Een tweede groep bestaat uit langdurig zorgafhankelijken, cliënten die eigenlijk moeilijk te ondersteunen zijn in de reguliere 24-uursvoorzieningen, veelal door verslavingsgerelateerde problematiek. Deze cliënten moeten de zekerheid hebben dat ze veilig en stabiel kunnen blijven wonen in een 24-uurssetting. Ook voor hen is een thuis-gevoel en maatschappelijke participatie naar vermogen belangrijk. Planspecifiek Het voorliggende initiatief realiseert een maatschappelijke woonvoorziening voor cliënten met een psychische kwetsbaarheid die niet zelfstandig kunnen wonen in een reguliere woonbuurt. Door de cliënten een woonomgeving te bieden buiten de reguliere woobuurten kan voor hen een woonsituatie met meer stabiliteit en leefkwaliteit worden geboden. Het draagt bij aan de doelen die zijn gesteld in het beleidskader. 3.4.6 Duurzaamheid en energie Het Haarlems beleid ten aanzien van Duurzaamheid kent eisen en wensen.
De Richtlijn Duurzaam Bouwen Haarlem (in ontwikkeling) vat dit beleid samen in concrete 'randvoorwaarden' en 'doeleinden' voor het bouwen. Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Wanneer nieuw beleid wordt gemaakt of wordt aangescherpt wordt dat in de richtlijn toegevoegd. Bij elk project kan bepaald worden of er doeleinden zijn die als aanvullende randvoorwaarden gesteld worden. Bij elke stap van het ontwikkelproces wordt het pakket aan duurzaamheidsmaatregelen scherper geformuleerd: Initiatieffase: In de eerste fase worden de duurzaamheidskansen en -risico's van de locatie gesignaleerd en verwoord in de startnotitie. Het ambitieniveau ten aanzien van duurzaamheid wordt (zo specifiek mogelijk) vastgesteld. Er wordt beoordeeld of/welke doeleinden toegevoegd kunnen worden aan de randvoorwaarden. Definitiefase: Het pakket aan randvoorwaarden wordt op haalbaarheid onderzocht en opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Door vaststelling in de Raad van dit stuk worden de randvoorwaarden bestendigd. Daarnaast kan het vastgelegd worden in afspraken als: samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst.
Ontwerpfase: De randvoorwaarden worden verwerkt in het ontwerp door de ontwikkelende partij in een Stedenbouwkundig Plan (SP) en Inrichtingsplan IP). De gemeente toetst het resultaat aan het eind van deze fase, vóór bestuurlijke vaststelling (college van BenW). Voorbereidingsfase: In het geval van een omgevingsplan kunnen de eisen vertaald worden in beleidsregels van het Omgevingsplan (OP) en worden de 38
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
uitgangspunten juridisch geborgd. Randvoorwaarden en doeleinden: Energie en Warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Gemeente heeft de 'routekaart naar aardgasvrij 2040' vastgesteld. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG ). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde: checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw.
De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019). Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen. (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma). Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen 39
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets. Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m² moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag.
Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a. Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform Bouwbesluit 2021. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 0,8. (Bouwbesluit 2021) Doeleinde: Duurzame GWW 40
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0) Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020).
Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde te zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Het college van B en W heeft op 24 augustus 2021 nieuw Mobiliteitsbeleid vastgesteld. Hiermee wil Haarlem een aantrekkelijke, gezonde en goed bereikbare stad blijven, terwijl de stad groeit. Dat betekent onder andere: De fiets en de voetganger krijgen voortaan prioriteit. Een snelheid van 30km uur wordt de norm in Haarlem en bij alle nieuwe wegontwerpen, wordt voortaan eerst gekeken naar de ruimte voor de fietser en de voetganger. Het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) wordt evenwichtiger over de stad verdeeld en het autoverkeer wordt zoveel mogelijk gebundeld op de hoofdroutes. In heel Haarlem wordt tussen nu en 2030 gefaseerd gereguleerd parkeren ingevoerd. Het streven is dat in 2030 het merendeel van de korte afstanden binnen Haarlem per fiets of te voet afgelegd worden en dat meer dan de helft van de verplaatsingen vanuit of naar Haarlem met het openbaar vervoer (OV) of de fiets plaatsvinden. Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing 41
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of -stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde: Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren.
Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen). Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW, publicatie 381, 2018). Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving.
Planspecifiek In paragraaf 4.7 is nader toegelicht hoe duurzaamheid onderdeel is van 42
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
voorliggende ontwikkeling.
43
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
44
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Hoofdstuk 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten en de resultaten van de verschillende milieuonderzoeken. Daarbij komen aspecten aan de orde zoals geluid, lucht- en bodemkwaliteit, natuurwaarden en externe veiligheid. Het gaat hier om zaken die kunnen leiden tot ruimtelijke beperkingen in het plangebied.
4.1
Bedrijven en milieuzonering
4.1.1 Inleiding Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Tabel: richtafstanden bedrijven en milieuzonering
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat 45
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. 4.1.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied is aan te merken als het omgevingstype gemengd gebied. Er zijn weinig woningen aanwezig en vooral andere functies, zoals een maatschappelijke-, agrarische- en sportfuncties. Er worden in voorliggend geval gevoelige bestemmingen gerealiseerd in de vorm van bijzondere woonvormen. Ook wordt er een sociaal-maatschappelijke functie toegevoegd aan de boerderij Noord Akendam. Crematorium en begraafplaats In de nabijheid van de noordelijke maatschappelijke bestemming en het crematorium worden de woningen gerealiseerd. Een begraafplaats heeft een milieucategorie 1 en daarom is de richtafstand 0 meter. Hieraan wordt voldaan. Een crematorium is een bedrijvigheid met een milieucategorie 3.2, met een richtafstand van (gereduceerd) 50 meter. Deze afstand wordt bepaald door het geuraspect. Ondanks dat crematoria logischerwijs geen geur uitstoten is voor dit aspect vooral het uitstootkanaal van de verbrandingsoven relevant.
Wanneer de afstand wordt gemeten tussen dit kanaal en de voorliggende bestemming waar de skaeve huse worden mogelijk gemaakt, is deze afstand groter dan 50 meter. Op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan is een milieuzone opgenomen waarmee voldoende afstand tot het uitstootkanaal wordt aangehouden. Voor geluid geldt een gereduceerde afstand van 10 meter. Hieraan wordt volledig voldaan. Desalniettemin is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het crematorium (inclusief parkeerterrein) op de skaeve huse en de invloed van de skaeve huse op de bedrijfsvoering van het crematorium. In het kader van eventuele overlast is in het onderzoek ook bepaald wat het effect is van een geluidsscherm. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Invloed crematorium op skaeve huse Zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (38 dB(A)) als het maximale geluidsniveau (62 db(A)) van het crematorium ter plaatse van de nieuwe woningen van het plan voldoet aan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie. Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is voor deze situatie niet nodig. Vanuit het oogpunt van geluid van het crematorium is sprake van goede ruimtelijke ordening. Invloed skaeve huse op crematorium In het onderzoek wordt rekening gehouden met het gebruik van een akoestische gitaar gedurende de gehele dagperiode.
Daarnaast wordt rekening gehouden
46
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
met spreken van bewoners en schreeuwen van bewoners. De piekniveaus veroorzaakt door schreeuwen (47 db(A)) blijven beneden de richtwaarden van stap 2 van de VNG-publicatie, zonder toepassing van een geluidsscherm. Het gemiddelde geluidsniveau op de gevels van het crematorium (45 db(A)) voldoen ook aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG-publicatie. Ter plaatse van het parkeerterrein is de berekende geluidsbelasting maximaal 52 db(A) en wordt de richtwaarde van stap 3 van de VNG-publicatie van 50 db(A) overschreden. Dit is volledig toe te schrijven aan het gebruik van een akoestische gitaar. Wanneer wordt uitgegaan van alleen het stemgeluid van de bewoners, is de maximale geluidsbelasting 32 dB(A) en wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarden. Vervolgens is berekend wat het effect is van een geluidsscherm van 2 meter hoog. Hieruit blijkt dat met een dergelijk geluidsscherm het geluidsniveau op het parkeerterrein voldoet aan stap 3 van de VNG-publicatie. Invloed skaeve huse op woning in de boerderij Ter plaatse van de woning in de bestaande boerderij is de te verwachten geluidsbelasting (langtijdgemiddelde) 48 dB(A). Daarmee wordt de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie overschreden maar wordt wel voldaan aan de richtwaarde van stap 3. Het maximale geluidsniveau (50 dB(A))blijft ruim beneden de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie.
Toepassing van het geluidsscherm zorgt ervoor dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau behoorlijk omlaag gaat naar 41 dB(A) en het maximale geluidsniveau naar 44 dB(A). Conclusie Als gevolg van toepassing van een akoestische gitaar gedurende de gehele dagperiode wordt het langtijdgemiddelde niveau ter plaatse van de parkeerplaats van het crematorium overschreden. Het plaatsen van een geluidsscherm biedt hiervoor een significant gunstig effect en wordt een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd zowel bij het crematorium als de woningen binnen het plangebied. Sociaal-maatschappelijke functie De sociaal-maatschappelijke functie die wordt toegevoegd aan de boerderij zal een bijeenkomstfunctie behelsen die vergelijkbaar is met een kantine. De richtafstand voor een kantine bedraagt 0 meter (gereduceerd). De afstand tussen de sociaal maatschappelijke functie en de skaeve huse is daarmee voldoende. De bestaande woning binnen de boerderij is daarmee ook verenigbaar met de nieuwe functie. Er zal voorts worden gezorgd voor voldoende bouwtechnische maatregelen om een goed woon- en leefklimaat te borgen.
47
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.1.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.2
Bodemparagraaf
4.2.1 Inleiding Op grond van de Wet bodembescherming wordt getoetst of de aanwezige bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de beoogde functies in het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplangebied wordt beoordeeld op basis van de bodemkwaliteitskaart en wordt beoordeeld op de aan/afwezigheid van locaties verdacht die verdacht worden van bodemverontreiniging. Ook worden eerder uitgevoerde onderzoeken in het bestemmingsplangebied beoordeeld. 4.2.2 Onderzoek In 2010 en 2011 zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor de locatie van de Skaeve Huse. De onderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 2 en Bijlage 3 bij de toelichting. De onderzoeken zijn uitgevoerd ten behoeve van de toenmalige sauna die zou worden gerealiseerd op de voorliggende planlocatie. Uit de onderzoeken komt naar voren dat er in de toplaag van de bodem lichte verontreinigingen met barium, koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB zijn geconstateerd. Deze zijn te relateren aan in het verleden opgebracht ophoogmateriaal en lichte bijmengingen met puin. Het grondwater is licht verontreinigd met o.a. nikkel, zink en xylenen. Geconcludeerd kan worden dat ten eerste de bodemonderzoeken nog bruikbaar zijn omdat er aan de situatie binnen het plangebied ten opzichte van het moment van uitvoering van de onderzoeken niets is gewijzigd en er geen mobiele verontreinigingen zijn geconstateerd.
Daarnaast kan worden geconcludeerd dat de bodem geschikt kan worden geacht voor het beoogde gebruik. Er zijn slechts lichte verontreinigingen geconstateerd. 4.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
48
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.3
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over risicobronnen (bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken of transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd) en risico-ontvangers (personen of objecten die risico lopen). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij risicovolle inrichtingen en leidingen gelden wettelijke afstanden, voor vervoer van gevaarlijke stoffen is dat voorlopig nog niet het geval. Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op iemand die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan weergegeven worden met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt meestal begrensd door de 1% letaliteitsgrens. Dit is de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
4.3.1 Onderzoek Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van bedrijf dat met gevaarlijke stoffen werkt of een (spoor)weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel is er onder de Vergierdeweg een buisleiding aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Door AVIV is een notitie opgesteld waarin wordt ingegaan op het risico van deze buisleiding op het plangebied. Deze notitie is bijgevoegd als Bijlage 4. Uit de notitie blijkt dat de nabijgelegen aardgasleiding een diameter heeft van 6 inch en een ontwerpdruk van 40 bar. Deze combinatie levert een standaard invloedsgebied op van 70 meter. De skaeve huse bevinden zich op een grotere afstand dan 70 meter. Een verdere beschouwing van het aspect externe veiligheid kan buiten beschouwing blijven omdat het bestemmingsplan geen invloed heeft op het groepsrisico. 4.3.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
49
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.4
Geluid
4.4.1 Inleiding In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Vervolgens kan worden bepaald of er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de geluidsgevoelige gebouwen. 4.4.2 Onderzoek De skaeve huse zijn nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die binnen de geluidszone liggen van de Vondelweg en de Slaperdijkweg. Hierom is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5. In dit onderzoek is ook de Vergierdeweg betrokken. Dit is een 30 km/u weg en daarom niet wettelijk gezoneerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het geluid afkomstig van deze weg wel onderzocht.
Uit de resultaten volgt dat de maximale geluidsbelasting van de Vondelweg 35 dB bedraagt. De maximale geluidsbelasting als gevolg van de Slaperdijkweg bedraagt 34 dB. Dit is ruim lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en daarom is een hogere waardebesluit niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de totale geluidsbelasting van alle wegen inclusief de Vergierdeweg beoordeeld. De ongecorrigeerde maximale geluidsbelasting bedraagt 43 dB. Hiermee is de geluidsbelasting te classificeren als 'goed' volgens de methode Miedema (t/m 51 dB is 'goed'). Voldaan wordt aan zowel de wettelijk norm als aan de grenswaarde van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is voor dit plan niet nodig. Vanuit het oogpunt van geluid van wegverkeer kunnen de nieuwe wooneenheden van het plan zonder verdere voorzieningen worden gerealiseerd.
50
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.4.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Inleiding In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 4.5.2 Onderzoek Om te bepalen of een ontwikkeling in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is de NIBM-tool ontwikkeld. Zoals in paragraaf 2.7 is verwoord, genereert voorliggend plan zeer weinig verkeer. Dit komt omdat de bewoners van de skaeve huse geen auto bezitten. Hierna is de NIBM-tool ingevuld met een zwaar overschatte hoeveelheid verkeersbewegingen per dag (500), waarmee wordt aangetoond dat voorliggend project NIBM is.
51
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Afbeelding: ingevulde NIBM-tool
4.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.6
Archeologie
4.6.1 Inleiding In 1992 ondertekende onder andere Nederland het Verdrag van Valletta. Het doel van dit verdrag is het beschermen van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag is verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Erfgoedwet. De gemeente is op basis van artikel 38a van die wet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten van de Wamz zijn: het behoud van archeologische waarden in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beheert de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze kaart bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria en ingedeeld in diverse categorieën archeologische waarden. In aanvulling op de AMK is er de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). De IKAW geeft voor heel Nederland, inclusief de bodems van grote wateren, de kans aan op het aantreffen van archeologische resten bij werkzaamheden in de bodem.
Die trefkans is aangegeven in vier categorieën.
52
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan, als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem. Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis. Verwachtingswaarde plangebied Op grond van de archeologische beleidskaart van Haarlem ligt het volledige plangebied in een verwachtingsgebied van categorie 2. Dit betekent dat er ten minste bureauonderzoek (ABO) nodig is bij bodemroeringen die over een grotere oppervlakte plaatsvinden dan 50 m2 en die dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld.
Omdat deze grenswaarden bij voorliggende ontwikkeling kunnen worden overschreden, is een ABO nodig. 4.6.2 Onderzoek Door RAAP is in 2018 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd bestaande uit een ABO en een inventariserend veldonderzoek. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen verricht. Op deze wijze is een goed beeld verkregen van het opsporen van de meeste in dit gebied aanwezige nederzettingsterreinen uit de periode IJzertijd t/m de Late Middeleeuwen. Uit het onderzoek volgt dat in de bouwvoor, het stuifzand, het Hollandveen en de getijdenafzettingen geen archeologisch waardevolle resten zijn te verwachten. De top van het strandzand kon niet in voldoende mate worden onderzocht. Deze laag bevindt zich vanaf 4,05 m onder maaiveld. Omdat de skaeve huse worden geplaatst op de grond zal verstoring van eventueel aanwezige archeologische resten in de strandzandlaag niet plaatsvinden. De bebouwing van de boerderij wordt niet uitgebreid. Verstoring van archeologische resten als gevolg van voorliggende ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Om eventueel aanwezige resten in de toekomst te beschermen is de bestaande archeologische dubbelbestemming overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
53
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.6.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.7
Duurzaamheid en energie In paragraaf 3.4.6 is reeds ingegaan op welke zaken voor dit aspect relevant zijn en waar bij ontwikkelingen op gelet moet worden. De ontwikkeling is toekomstbestendig en dus klimaatrobuust. Dat betekent dat de gebouwen en het terrein bestand zijn tegen hevige neerslag, langdurige droogte en hitte en dat het energieverbruik per saldo niet tot uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen leidt. De wens bestaat om de nieuw te bouwen Skaeve Huse demontabel uit te voeren en overeenkomstig het convenant Greendeal Houtbouw van de MRA uit te voeren in biobased materialen.
4.8
Groenparagraaf Het voorliggende plangebied bestaat in de bestaande situatie voornamelijk uit groen: grasland met bomen. In het schetsplan en functioneel programma van eisen wordt een analyse gemaakt van het huidige aanwezige groen en bomen. Daarnaast zijn er ambities, randvoorwaarden en eisen opgenomen voor de nieuwe groene inrichting. Voor iedere boom die gekapt wordt wordt een nieuwe teruggeplant middels een compensatieplan. In een uitgevoerde quick scan ecologie (Bijlage 7) is tevens een inventarisatie opgenomen van de aanwezige bomen en de staat ervan in het plangebied. Deze biedt basis voor het compensatieplan. Uitgangspunt is dat wordt onderzocht of bomen verplantbaar zijn. Er komt meer groen terug in de nieuwe situatie waardoor de beeldkwaliteit sterk wordt verbeterd en de ecologische waarde toeneemt door het aanplanten van inheemse soorten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied ondanks het toevoegen van bebouwing vanuit het oogpunt van groen wordt verbeterd.
4.9
Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen Er bevinden zich geen kabels en leidingen in het plangebied waarvoor een specifieke regeling nodig is. In dit licht zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
4.10 Natuurwaarden Inleiding Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten.
54
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Er is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN).
NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. 4.10.1
Beleid Het ecologisch beleidsplan Haarlem 2013-2030 beschrijft hoe de gemeente, in samenhang met het realiseren van de duurzaamheiddoelstelling en het bevorderen van groen participatie, de soortenrijkdom versterkt en zorgt voor een hogere ecologische waarde in de stad. Het doel is het kwalitatief verbeteren en verhogen van de ecologische waarden en de leefbaarheid. Bij een herontwikkeling moet worden bepaald of het project kansen biedt voor het ontwikkelen van nieuwe ecologische waarden en structuren. Zoals eerder is gesteld is het uitgangspunt van voorliggend plan dat er meer groen wordt teruggebracht dat er in de bestaande situatie aanwezig is. Dit verhoogd tevens de ecologische waarde door een verantwoorde inpassing van soorten bomen.
55
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.10.2
Soortenbescherming In 2022 is een quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd om te bepalen of er ecologische waarden in het plangebied aanwezig waren. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7. Inmiddels is een gedeelte van de bebouwing binnen het plangebied gesloopt. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Het plangebied is beoordeeld op vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vaatplanten, vogels, amfibieën en reptielen, vissen en overige beschermde soorten zoals libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden. Uit de quick scan komt naar voren dat er vervolgonderzoek nodig is naar de volgende soorten omdat deze niet kunnen worden uitgesloten: 1. Algemene broedvogels en weidevogels (controle nestlocaties) 2. Bunzing, boommarter, hermelijn, steenmarter en wezel (verblijfplaatsen) 3. Gierzwaluw (nesten) 4. Huismus (nesten en functioneel leefgebied) 5. Kerkuil (nesten) 6. Rugstreeppad (voortplantingsbiotoop) 7. Vogels met jaarrond beschermde nesten (nesten) 8. Vleermuizen: a. zomer- en kraamverblijfplaatsen b. massawinterverblijfplaatsen c. paarverblijfplaatsen en zwemplaatsen d. winterverblijfplaatsen (boomholtes en zolders) Op dit moment wordt het vervolgonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zullen worden verwerkt in deze toelichting. PM
4.10.3
Gebiedsbescherming In de quick scan ecologie is ook aandacht besteed aan de beschermde gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn dusdanig ver gelegen dat directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door licht en geluid zijn uitgesloten. Het projectgebied grenst direct aan NNN-gebied. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen NNN-gebied. NNN-gebied kent geen externe werking en omdat er geen sprake is van oppervlakteverlies is er geen negatief effect. Het plangebied en het NNN-gebied maken beide onderdeel uit van weidevogelgebied. Het weidevogelgebied is onderdeel van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Zie paragraaf 3.2.2. Om te beoordelen wat de effecten zijn op eventueel aanwezige weidevogels is onderzoek uitgevoerd. PM
56
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.10.3.1 Stikstofdepositie Om te bepalen of er bij de ontwikkeling van voorliggend plan sprake is van een toename aan stikstofdepositie die de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar overschrijdt is een stikstofnotitie opgesteld aan de hand van berekeningen met de AERIUS-calculator. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 8. Er is uitgegaan van uitgangspunten die worst case zijn. Gerekend is namelijk met een café/bar/cafetaria van 250 m2 voor de verkeersbewegingen ten behoeve van de sociaal-maatschappelijke functie en met 4 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Een café van 250 m2 heeft een groter verkeersaantrekkende werking dan de functie die hier beoogd wordt. Uit de resultaten volgt dat er geen verhoging van de stikstofdepositie plaatsvindt, hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. 4.10.4
Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen buiten de door de gemeenteraad van Haarlem vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden zijn van toepassing. Indien tijdens de werkzaamheden houtopstanden van meer dan 10 are of bomenrijen van meer dan 20 bomen worden gekapt is een kapmelding bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland verplicht. Voor deze bomen geldt een herplantplicht. Hieraan kunnen specifieke eisen worden gesteld. Gezien het uitgangspunt dat voor iedere te kappen boom minimaal een boom wordt teruggeplant vormt dit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.10.5
Conclusie Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan worden vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen verwacht.
4.11 Vliegverkeer 4.11.1
Inleiding Met ingang van 1 februari 2003 is het zogenoemde Luchthavenindelingbesluit (LIB) van kracht. In het LIB, onderdeel van de gewijzigde Wet Luchtvaart (ofwel de "Schipholwet"), is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogel aantrekkende bestemmingen en vogel aantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. 57
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Ook zijn er beperkingengebieden opgenomen voor het gebruik van gebouwen opgenomen. Dit zijn de LIB-zones. Er zijn 5 zones: LIB 1 tot en met 5. Deze zones beperken het gebruik voor (beperkt) kwetsbare objecten, geluidgevoelige gebouwen en kent een afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid. 4.11.2
Onderzoek Het voorliggende plangebied ligt niet in een van de LIB-zones of zones voor beperking van vogelaantrekkende bestemmingen. Daarnaast blijft de eenlags bouwhoogte van de skaeve huse ruim onder de maatgevende toetshoogtes.
4.11.3
Conclusie Het aspect vliegverkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.12 Waterparagraaf 4.12.1
Inleiding Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. Waterbeheerders worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij het proces van ruimtelijke planvorming. De Watertoets is hiervoor het wettelijk geregelde procesinstrument, zie www.dewatertoets.nl. De resultaten van het doorlopen van dit proces van afstemming zijn weergegeven in deze waterparagraaf. Deze paragraaf benoemt de waterbeheerder, beschrijft het relevante beleid en het huidige watersysteem en gaat in op de effecten daarop van ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
4.12.2
Waterbeheerder Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
4.12.3
Beleid
4.12.3.1 Rijksbeleid 4.12.3.1.1 Nationaal Water Programma 2022 - 2027 Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreinigingen en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om infrastructuur zoals waterkeringen, bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie.
58
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. In het NWP stelt het kabinet drie hoofdambities voor 2050 en verder: I. Een veilige en klimaatbestendige delta. II. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. III. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Het kabinet heeft de afgelopen jaren het waterbeleid en de uitvoering daarvan verder versterkt en het NWP bouwt hier voor de periode 2022-2027 op verder. Belangrijke relevante onderdelen van dit NWP zijn: Werken aan klimaatadaptatie en zoetwaterbeschikbaarheid met stresstesten en adaptatiestrategieën, de impulsregeling klimaatadaptatie en het maatregelpakket zoetwater, een voorkeursvolgorde voor waterbeheer, de strategie klimaatbestendige zoetwatervoorziening hoofdwatersysteem en actief grondwatervoorraadbeheer. Voortzetting van het beleid voor waterveiligheid en de uitvoering daarvan via onder andere het Hoogwaterbeschermingsprogramma en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging en het verstromingsrisicobeheerplan.
Water en bodem als leidend principe bij ruimtelijke planvorming. Een nationale watersysteemverkenning waarin lopende analyses op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening, ruimtelijke adaptatie, waterkwaliteit en scheepvaart in samenhang worden bezien, met als doel om voor het nationale watersysteem als geheel integraal afgewogen, lange termijn besluiten voor te bereiden. 4.12.3.2 Provinciaal beleid 4.12.3.2.1 Watervisie 2021 Met de Watervisie 2021 zoals vastgesteld op 16 november 2015 geeft de provincie Noord-Holland vervolg aan het Provinciaal Waterplan 2010-2015. De Watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). De Watervisie is een strategisch beleidsdocument voor de periode 2016-2012 en beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040. De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast.
59
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.12.3.3 Beleid waterbeheerder 4.12.3.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2028 De Waterwet en straks de Omgevingswet vereisen dat waterschappen elke 6 jaar de aanpak van hun watertaken vastleggen in een waterbeheerprogramma. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. Als waterexpert ziet Hoogheemraadschap van Rijnland mogelijkheden zijn kerntaken te koppelen aan 5 maatschappelijke opgaves: I. bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; II. tegengaan van bodemdaling; III. versterking van de biodiversiteit; IV. energieneutraal werken; V. Nederland circulair in 2050 Rijnland gaat zich de komende jaren inzetten op het gebied van: I.
Waterveiligheid: de primaire en regionale waterkeringen voldoen aan de norm. II. Voldoende water: peilbeheer wordt uitgevoerd volgens peilbesluiten, die weer passen bij de functies en kenmerken van een gebied. III. Schoon water: schone meren en plassen die voldoen aan de ecologische normen uit de KRW en het versterken van de biodiversiteit. IV. Waterketen: de Rijnlandse AWZI's voldoen in groeiende mate aan het maatwerkbesluit. V. Rijnland duurzaam: Rijnland zet samen met de omgeving in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten. VI. Rijnland klimaatadaptief: Alle gebieden zijn in 2050 klimaatbestendig ingericht en het waterbewustzijn wordt versterkt. 4.12.3.3.2 Keur en beleidsregels Rijnland Rijnland dient haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder adequaat te kunnen uitvoeren. De “Keur” is een verordening van de waterbeheerder met juridisch bindende regels (gebod- en verbodsbepalingen). Zo zijn werken en werkzaamheden in en bij waterkeringen (dijken, kaden, duinen) en watergangen (sloten, vaarten, plassen) zonder of in afwijking van een vergunning op grond van de Keur niet toegestaan. Ook het aanbrengen van verhard oppervlak (bebouwing, bestrating) en het onttrekken van grondwater zijn in veel gevallen vergunningsplichtig.
In de “Beleidsregels” die bij de “Keur” horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De “Keur en Beleidsregels” van Rijnland zijn te vinden op www.rijnland.net.
60
bestemmingsplan "Skaeve Huse - Vergierdeweg" (ontwerp)
4.12.3.3.3 Beleid riolering en afvalwaterzuivering Rijnland Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hierbij geldt de volgende toelichting. 'Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouw ontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij een de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij vooropstaat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater. Ten behoeve van afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden het uitgangspunt. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat'. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen.