CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 PveL Korte Verspronckweg

commissie Ontwikkeling 4 juni 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:50 uur Vaststellen en zienswijze Programma van Eisen voor de Leefomgeving Korte Verspronckweg en het openen van de grondexploitatie Korte Verspronckweg (FR)26.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

36

Korte Verspronckweg | PvEL | 

37

4.6 Ontmoeten en ontdekken Aan de rand van de permacultuur tuin ligt het pergolaplein. De vloer van de bestaande bebouwing en een deel van de liggers worden behouden. Er worden openingen in de vloer gemaakt voor nieuwe tuinen. Tegen de bestaande liggers groeit verticaal groen. De plint van het aanliggende gebouw is geactiveerd met commercieel of maatschappelijk programma. Tussen de groenvakken is ruimte voor een terras van een horecagelegenheid of buurthuis. Het pergolaplein gaat over naar de dieper liggende tuin middels een trap, waar gras en bomen tussendoor groeien. De trap komt uit in het voedselbos. Bomen die verwijderd worden kunnen binnen het project voor diverse doelen hergebruikt worden zoals bankjes en speelobjecten

Uitgangspunten landschap

1

2

3

4

5

6

• De functies in de plint van het gebouw aan het pergolaplein heeft een open karakter met een sterke relatie tussen plein en begane grond. • De bestaande liggerconstructie is begroeid met klimplanten. • Meubels en speelelementen in het gebied zijn indien mogelijk in hout uitgevoerd.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

38

1

6

2

3

5

4

De nummering op deze pagina refereert naar de referenties van pagina 10

Zoom plankaart 3/4

Korte Verspronckweg | PvEL | 

39

4.6.1 Doorsnede BB'

B

B'

Korte Verspronckweg | PvEL | 

40

Korte Verspronckweg | PvEL | 

41

4.7 Recreatie en natuureducatie De permacultuur tuin is de centrale ontmoetingsplek voor de bewoners van het plangebied en omliggende buurten. Er is hier ruimte voor stadslandbouw volgens de permacultuur-principes met een plek voor buurtinitiatieven waar vrijwilligers, bewoners en scholieren de tuin onderhouden. Ten zuiden van het fietspad staat een kas met opslagruimte. Ten oosten van de tuin staat de Vrije school, deze onderwijsvorm hecht veel waarde aan een groene leeromgeving. Op het schoolplein is ruimte voor behoud van bestaande bomen en een deel van het schoolplein wordt ingericht als een speelbos, wat ook buiten schooluren gebruikt kan worden voor sport (bootcamp) en natuurlijk spelen.

1

2

3

4

5

6

Uitgangspunten landschap • Erfafscheiding wordt uitgevoerd door middel van beplanting (haag, struweel, et cetera). • De kas staat grotendeels in het groen. • Fietsparkeren voor de school wordt opgelost op het schoolterrein. • Het schoolterrein wordt ingericht met elementen die natuurvriendelijk spelen stimuleren. • Verwijderde bomen kunnen worden hergebruikt voor speelaanleidingen in het speelbos of ergens anders op het terrein. • In het speelbos zijn de elementen natuurlijk en kunnen door verschillende doelgroepen gebruikt worden. • Naast het speelbos is ruimte voor een trapveldje.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

42

1

2

4

3

5 6

De nummering op deze pagina refereert naar de referenties van pagina 14

Zoom plankaart 4/4

Korte Verspronckweg | PvEL | 

43

4.8 Spelen en bewegen In het plangebied is vanzelfsprekend aandacht voor spelen en bewegen. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld zitbankjes, omgevallen bomen, slingerpaden, maar ook de variatie in het landschapsontwerp nodigt uit om het landschap informeel te gebruiken voor bewegen en spelen. In schetsontwerp is bij de school een speelplek opgenomen voor de doelgroep van 4-12 jaar. Deze plek kan ook buiten schooltijden gebruikt worden. Daarnaast is er voor alle andere doelgroepen zoals; 0-4 jaar, 12-18 jaar of ouderen aandacht voor voldoende beweegaanleidigen en speel- en/of verblijfsplekken. Voor nu is er voldoende mogelijkheid om in de groene buitenrand of in de permacultuurtuin ruimte voor spelen en bewegen te vinden. De zoekgebieden zijn gesitueerd in het verlengde van de open ruimtes tussen de gebouwen. Op die manier is er meer overzicht op de speelplekken en liggen de gebieden ook niet direct naast woningen op de begane grond.

Legenda Speelplek bij de school voor kinderen van 4-12 jaar Zoekgebied voor spelen en bewegen

Korte Verspronckweg | PvEL | 

44

4.9 Groenbeheer Uitgaande van de visie op dit gebied is het een wens om een groot deel van het plangebied in te richten als collectieve ruimte waar de nieuwe bewoners bij het beheer en de inrichting een grote rol krijgen. Samen nadenken over en werken aan de woonomgeving versterkt sociale cohesie, maakt de wijk zelfredzaam en sluit aan bij de ambities voor duurzaamheid en gezondheid. De collectieve ruimte biedt plek voor groen, spelen en gezamenlijke activiteiten en draagt bij aan een levendige, verbonden buurt. Een beheersplan wordt in samenwerking met de gemeente verder uitgewerkt waarin afspraken over gebruik, onderhoud en betrokkenheid worden vastgelegd. Het beheer van de bomen blijft de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Legenda Eigendom gemeente, beheer Rijnland Privaat eigendom Eigendom en beheer gemeente Eigendom gemeente, beheer permacultuurtuin Eigendom gemeente, beheer door derden middels beheerovereenkosmten

Korte Verspronckweg | PvEL | 

45

4.10 Opgave verhogen maaiveld Binnen het plangebied is een hoogteverschil van 1,55m tot -1,12m t.o.v. NAP. Binnen het lagergelegen deel van het plangebied ligt de permacultuur tuin. De vrijwilligers van de stichting bevestigen dat er wateroverlast is en dat de bodem ook dichtslaat. Op basis van puntmetingen van het Dinoloket, blijkt dat de bodem wisselende samenstelling heeft op verschillende punten. Door Buro Regen en Water is een onderzoek gedaan naar de effecten van het ophogen van het maaiveld binnen het plangebied. Hier zijn een aantal scenario's opgenomen die inzicht geven in de verschillende kansen en maatregelen. Samenvattend blijkt uit dit onderzoek dat ophoging een doeltreffende maatregel is om wateroverlast in de het gebied te beperken. Op de tekening is aangegeven waar globaal ophoging binnen het plangebied gewenst is. In de vervolgfase wordt voor met name de ophoging van de permacultuurtuin onderzocht of dit bijdraagt aan een klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling of dat er andere maatregelen gewenst zijn om dit te bereiken.

Kaart van de plekken waar in te toekomst ophoging van het maaiveld gewenst is

Korte Verspronckweg | PvEL | 

46

4.11 Onderzoeksgebieden Een deel van de opgaven is nog niet uitgewerkt in het schetsontwerp van de openbare ruimte. 1

1. De buitenruimte bij de parkeerhub kan gebruikt worden door de voorzieningen in de plint 2. Vanwege de hoge grondwaterstand en aansluiting op bestaande gebouwen is het gewenst om delen van het maaiveld van het plangebied op te hogen. Dit zijn onder andere gebieden bij de entree van het gebied en de Permacultuurtuin. Dit maakt het gebied in de toekomst robuuster. 3. Naast een technische uitwerking van de twee bruggen en de fietstunnel is voor de aansluiting op de Spoorwegstraat nader onderzoek gewenst. De wens is om deze fietsroute in dezelfde as te leggen als de weg, om de zichtlijn en de sociale veiligheid te waarborgen. Op dit moment wordt onderzocht op welke wijze dit te realiseren is. 4. De entree voor fietsers/ voetgangers en de entree voor automobilisten wordt nader uitgewerkt.

2

2

3

Onderzoekgebeiden

Korte Verspronckweg | PvEL | 

47

4.12 Relatie tussen gebouw en landschap Deze kaart toont een overzicht van de overgangszones van privé naar publiek voor de verschillende woongebouwen. In het plangebied zijn verschillende woongebouwen aanwezig; met een actieve plint, een gallerij ontsluiting en met een centrale kern. In de uitwerking wordt rekening gehouden met de mogelijkheid de bestaande constructie te behouden. Deze woningen vormen een uitzondering in de overgangstypen. In deze fase is nog niet met zekerheid te zeggen dat de bebouwing ook op deze manier wordt ontwikkeld.

A2 B1

Voor de uitwerking van de overgangszones reageert het landschap op de architectuur. In de uitwerking van de overgangszones staat altijd beschreven welke uitgangspunten zijn gebruikt vanuit de architectuur en vanuit het landschap.

B1

A1

A3

B1

B1

A3 A3

B1

B1

A3 A3 B1

Overzichtskaart overgangszones

Korte Verspronckweg | PvEL | 

48

4.12.1 A1. Plantenpottenplaats

A1

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

49

4.12.2 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Indien mogelijk, deels behoud van bestaande bebouwing met basement met fietsparkeren • Hoogteverschil tussen woonlevel en maaiveld is 1,2m aan de voorzijde en 1,4m aan de achterzijde • Ontsluiting van het plateau via een toegankelijke hellingbaan en trappen Landschappelijke principes • De “straat” bestaat uit een toegankelijke gedeelde ruimte (fiets, voetganger, nooddiensten) aan de ene zijde en een voetgangerspad aan de andere zijde met in het midden een verdiepte groenstrook met kruidenvegetatie en derde orde bomen • Boven het fietsparkeren ontstaat een verhoogd plein, dat als collectieve ontmoetingsplek wordt gebruikt • Op het collectieve plein is ruimte voor picknicktafels, plantenbakken en -potten • Een bijzondere materialisering markeert een delftse stoep als overgangszone naar de woning, bewoners kunen hier eigen potten neerzetten

Referentie overgangszone (of delftse stoep)

Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie over de manier waarop het gebouw in het landschap staat

Korte Verspronckweg | PvEL | 

50

4.12.3 A2. Leefstraat met zitrand

A2

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

51

4.12.4 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Langwerpig bouwvolume met galerij ontsluiting • Aan de korte zijden van het gebouw zitten ramen • Setbacks in het bouwvolume met ruimte voor een groen terras • Woningen hebben een hoger woonlevel aan de “straatkant” en sluiten aan de achterzijde aan op het maaiveld • Via de centrale entree (of via de openbare ruimte) kunnen alle woningen bereikt worden volgens de richtlijnen bereikbaarheid en toegankelijkheid Landschappelijke principes • De “straat” bestaat uit een toegankelijke gedeelde ruimte (fiets, voetganger, nooddiensten) aan de ene zijde en een voetgangerspad aan de andere zijde met in het midden een verdiepte groenstrook met kruidenvegetatie en derde orde bomen • Langs de voorzijde van het bouwblok ligt een verhoogde zitrand, die het mogelijk maakt om vanuit de woning naar het maaiveld te stappen Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie overgangszone: verhoogde zitrand

Referentie middenzone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

52

4.12.5 A3. Groene gallerij

A3 A3 A3 A3 A3

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

53

4.12.6 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Langwerpig bouwvolume met galerij ontsluiting • Setbacks in het bouwvolume met ruimte voor een groen terras • Brandtrap als extern element, die landt in het landschap

Landschappelijke principes • Fietsparkeren voor bezoekers op halfverharding • Gevelgroen maakt een zachte overgang van landschap naar gebouw • Voordeuren op de begane grond hebben direct contact met de tuin

Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie overgangszone

Referentie over de manier waarop het gebouw in het landschap staat

Korte Verspronckweg | PvEL | 

54

4.12.7 B1. Aan het landschap

B1 B1

B1 B1 B1

B1 B1

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

55

4.12.8 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Indien mogelijk, deels behoud van bestaande bebouwing, inclusief basement met fietsparkeren • Hoogteverschil tussen woonlevel en maaiveld is 1,2m aan de voorzijde en 1,4m aan de achterzijde • Buitenruimtes worden ontworpen volgens richtlijnen in het Masterplan ZijlwegWest; balkons steken niet meer dan 1,6m meter uit de gevellijn. Landschappelijke principes • Bewoners hebben vanaf het eerste woonlevel direct toegang tot het landschap via een trap vanaf hun privéterras • Er wordt geen verhard pad aangelegd naar de trappen, deze verbinding is informeel en gaat door het groen. Door middel van maaibeheer wordt de toegankelijkheid gegarandeerd • Onder de verhoogde terrassen groeit struweel • Tussen de woning en het publieke struinpad zijn groepjes heesters en meerstammige bomen geplaatst

Referentie overgangszone

Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie over de manier waarop het gebouw in het landschap staat

Korte Verspronckweg | PvEL | 

56

4.12.9 B1. Aan het landschap

B1 B1

B1 B1 B1

B1 B1

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

57

4.12.10 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Langwerpig bouwvolume • Setbacks in het bouwvolume met ruimte voor een groen terras • Privéruimtes geörienteerd naar de groene rand van het plangebied

Landschappelijke principes • Privéterrassen op het maaiveld hebben een omzoming van struweel en vaste planten als zachte overgangszone van privé naar publiek • De privéterrassen zijn vrij toegankelijk zonder hoogteverschil

Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie buitenruimte aan de groene gordell

Referentie buitenruimte aan de groene gordell

Korte Verspronckweg | PvEL | 

58

4.12.11 B1. Aan het landschap

B1 B1

B1 B1 B1

B1 B1

Voorbeelduitwerking overgangszone

Korte Verspronckweg | PvEL | 

59

4.12.12 Principes overgangszone Uitgangspunten architectuur • Alzijdig bouwblok • Ontsluiting van de woningen via een centrale kern • Setbacks in het bouwvolume met ruimte voor een groen terras • Privéruimtes steken niet uit buiten de gevellijn

Landschappelijke principes • Ontsluiting van de woningen via een centrale kern met een entree aan de publieke, centrale route • Privéterrassen op het maaiveld liggen binnen de gevellijn en hebben direct toegang tot het landschap • De overgangszone van privé naar publiek wordt geconcentreerd langs het pad met hogere vegetatie als zachte overgangszone van privé naar publiek

Diagrammatische doorsnede overgangszone

Referentie privéruimte binnen de gevellijn

Referentie vegetatie naast een pad in de groene rand

Korte Verspronckweg | PvEL | 

60

4.13 Context wateropgave Het plangebied is bijna volledig omgeven door water, aan de westzijde ligt de Delft, een vaarroute die in verbinding staat met het centrum van Haarlem. Aan de oostzijde en zuidzijde ligt een smalle sloot, die het plangebied scheidt van het talud met treinspoor. De sloot heeft een lage kwaliteit. Binnen het plangebied is een hoogteverschil van 1,55m tot -1,12m t.o.v. NAP. Binnen het lagergelegen deel van het plangebied ligt de permacultuur tuin.

>0,0m t.o.v. NAP

Voor de bouw van de basisschool en de aanleg van het fietspad zal ophoging van het maaiveld noodzakelijk zijn.

<0,0m t.o.v. NAP

Kaart van de huidige situatie met hoogtelijnen op basis van een terreininmeting

Korte Verspronckweg | PvEL | 

61

4.14 Wateropgave De minimale eisen voor de wateropgave staan beschreven in het Masterplan Zijlweg-West. De tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak in de huidige situatie en het schetsontwerp. De getallen voor de oppervlaktes kunnen afwijken van het uiteindelijke ontwerp. De wens is om niet méér verharding te realiseren dan in de huidige situatie. Het schetsontwerp beperkt zich tot de ingrepen in de openbare ruimte. In het concept waterplan worden ontwerpprincipes beschreven, niet gekwantificeerd. In een vervolgfase wordt de ruimtelijke impact van de wateropgave inzichtelijk gemaakt.

Huidige situatie

Nieuwe situatie

Legenda Onverhard Water Verhard Bebouwd Brug

Korte Verspronckweg | PvEL | 

62

4.15 Pilot waterpositief ontwikkelen* De ontwikkellocatie dient als pilot voor waterpositief ontwikkelen. Het doel van de pilot is om binnen het plangebied het verschil tussen de watertoevoer en -afvoer te verkleinen, de zogeheten 'waterbalans' te herstellen. Er is onderzoek gedaan naar een haalbaarheidsonderzoek voor drie routes, waarin bouwstenen voor waterberging, waterbesparing en hergebruik van water worden benoemd met een oplopend ambitieniveau. De gekozen route wordt vertaald naar een opgave voor de openbare ruimte en een opgave voor de bebouwing. Waterpositieve maatregelen dragen bij aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefbaarheid voor de mens. Voorbeelden van waterpositieve ingrepen zijn het toepassen van retentiedaken, het inpassen van wadi's en retentievijvers, hergebruik van regenwater voor het bewateren van openbaar groen, de toepassing van installaties in de bebouwing voor hergebruik van grijs water. Waterpositief ontwikkelen gaat verder dan de meetbare waarden van watergebruik, de technische en ruimtelijke ingrepen vallen samen met sociale en maatschappelijke initiatieven die bewustzijn vergroten rondom waterverbruik. Het ontwerp speelt in op de bewustwording van bewoners en bezoekers. De waterstromen worden beleefbaar gemaakt door open gootjes en wadi's.

Duurzaam watergebruik wordt gestimuleerd door collectieve initiatieven zoals natuureducatie en zelfbeheer van groen.

* In een vervolgfase wordt de ruimtelijke impact van de wateropgave inzichtelijk gemaakt.

Visuele weergave van de waterpositieve ontwikkeling

Korte Verspronckweg | PvEL | 

63

Robuust groenblauw landschap

Verharding minimaliseren

Vasthouden, filteren en vertraagd afvoeren*

•

De Delft blijft intact.

•

•

•

Het water oost- en westzijde krijgt waar mogelijk een zachte oever van ten minste 1:3.

Door het plangebied loopt één centrale route waarmee alle gebouwen worden ontsloten, daarmee wordt de verharding beperkt.

Het hemelwater wordt bovengronds opgevangen en afgevoerd. In de verharding liggen open gootjes.

•

Nieuw aangelegde verharding in de centrale route bestaat uit elementenverharding.

•

•

De struinpaden zullen aangelegd worden in halfverharding of elementenverharding.

Het groen dat in de verharding ligt (omsloten door verharding) ligt lager dan de verharding en kan gebruikt worden als regentuin.

•

Watergangen exclusief de Delft hebben een zachte oever en kunnen in geval van extreme regen als buffer dienen.

•

Hemelwater wordt vastehouden op daken (indien mogelijk in technische uitvoering).

•

In extreem weer kunnen wadi's en daken overstromen naar retentievijvers.

• Indien mogelijk worden de daken voorzien van een waterbergingsinstallatie.

•

Eventuele standplaatsen en routes voor nooden hulpdiensten die buiten de centrale route vallen, worden in grasbeton (of gelijkwaardig) uitgevoerd.

* In een vervolgfase wordt de ruimtelijke impact van de wateropgave inzichtelijk gemaakt.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

64

4.16 Ecologie Het plangebied ligt naast een ecologische verbindingszone van het Natuur Netwerk Haarlem en is een belangrijke schakel in de oost-west verbinding. Deze ligging biedt kansen voor ecologie dankzij een rand van water met volwassen bomen. Het ontwerpprincipe is het groenblauwe karakter behouden en versterken. Het gradiënt van droog naar natte grond wordt versterkt door zachte oevers. De aanplant van inheemse soorten in de regentuinen en de combinatie van waterretentie en groendak vergroot de biodiversiteit van de plek. De permacultuur tuin en het voedselbos vormt een bron van natuureducatie voor bewoners. Bewoners worden betrokken bij de activiteiten van de permacultuurtuin. Bij natuurinclusief ontwikkelen wordt er gekeken daar de vijf v's: verblijfplaats en voortplanting, voedsel, veiligheid en verbinding. Voor het plangebied zijn drie kansrijke doelsoorten gekozen: de bruine kikker, de bunzing en de bosuil.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

65

• Verblijfsplaats en voortplanting: Bruine kikkers leven buiten het voortplantingsseizoen op het land. Hij heeft een voorkeur voor vochtige begroeide gebieden zoals bossen, parken, weilanden en ruigtes. Een deel van de populatie overwintert op land, een deel in het water en kiest daarvoor kleine geïsoleerde en lijnvormige wateren. • Voedsel: De bruine kikker eet vooral ongewervelde insecten, zoals slakken, kevers en insectenlarven. De larven van de bruine kikker voeden zich met plantaardig materiaal en gaan geleidelijk meer dierlijk voedsel eten. • Veiligheid: De bruine kikker schuilt onder struikgewas, bladeren of in een vochtige bodem. • Verbinding: Groenblauwe verbindingen lopen vanaf het plangebied naar buitenstedelijke weides en bossen.

• Verblijfsplaats en voortplanting: de bunzing komt voor in watterrijke, halfopen landschappen met voldoende schuilplekken. Ook dorpen en buitenwijken van steden kunnen geschikt leefgebied vormen. • Voedsel: De bunzing is een omnivoor, maar jaagt vooral op kleine zoogdieren, vogels en hun eieren, reptielen, amfibiën, vissen en insecten. Af en toe eten ze ook bessen of ander fruit. • Veiligheid: de bunzing maakt gebruik van bestaande schuilplaatsen, zoals holen van konijn, mol, vos of das. De bunzing schuilt ook onder steenhopen of in holle bomen. Het behouden van takkenhopen en holle bomen zorgt voor voldoende beschutting • Verbinding: De grootte van de leefomgeving hangt af van de voedselvoorziening. Faunapassages bij wegen faciliteert de verplaatsing van (jonge) bunzings.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

• Verblijfsplaats en voortplanting: het leefgebied van de bosuil kenmerkt zich als open loofbos, gemengd bos, parken of groene woonwijken. De bosuil gedijt het beste in rustige parken met grote, oude bomen met voldoende roest (rust)- en broedplaatsen. • Voedsel: De prooikeuze van de bosuil is gevarieerd, van kleine zoogdieren en vogels tot het formaat jonge konijnen en duiven. De bosuil voedt zich ook met kevers, regenwormen, padden en kikkers. • Veiligheid: de nesten van bosuilen zijn kwetsbaar voor roofdieren. Nestkasten kunnen helpen bij het beschermen van het nageslacht. • Verbinding: de bosuil verblijft het hele jaar in hun territorium, de jongen worden vanaf de herfst afgestoten en vestigen zich binnen 50km van hun geboortenest.

66

4.17 Boombalans* De aanwezige bomen in het plangebied zijn ingemeten en beoordeeld met een cijfer van 1-6. Dit cijfer is bepaald door rekening te houden met verschillende factoren zoals: boomkroonvolume, conditie, toekomstverwachting en beheerbaarheid. Het geeft de waarde van een boom weer op basis van de ecosysteem diensten dat het kan leveren. Voor de twee laagste cijfers geldt het advies om te kappen. Het kappen van bomen vraagt om goede argumentatie: 1. Voor de bereikbaarheid van het gebied voor bewoners en nooddiensten zijn nieuwe verbindingen noodzakelijk. In het masterplan Zijlweg-West zijn nieuwe verbindingen aangewezen. Hier worden bomen gekapt om de toegankelijkheid van de routes te garanderen. 2. Voor een autoluwe woonwijk wordt een parkeergarage gerealiseerd. Om een efficiënte parkeerhub te maken met een blinde gevel naar het spoortalud, is de kap van een aantal bomen aan de zuidzijde noodzakelijk. 3. Voor het bouwen van de nieuwe school, de ontsluiting van de school en woongebouwen is een doorgaande voet- en fietsverbinding ingetekend. Voor de aanleg van de school en dit pad is het kappen van bomen noodzakelijk.

Boominmeting huidige situatie

Voorstel kap*

Boomcijfer 1 - Boom met een perfecte ecologische waarde Boomcijfer 2 - Boom met een goede ecologische waarde Boomcijfer 3 - Boom met een nog onbekende of neutrale ecologische waard Boomcijfer 4 - Boom heeft een matige ecologische waarde Boomcijfer 5 - Boom heeft een lage ecologische waarde Boomcijfer 6 - Boom is dood of in zeer slechte conditie

* In een vervolgfase wordt op basis van een Bomen Effect Analyse (BEA) en een voorlopig landschapsontwerp de definitieve boombalans opgesteld.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

67

Voorstel boombehoud*

Voorstel nieuwe bomen*

Overzicht bomen nieuwe situatie*

Eisen •

•

De eisen rondom bestaande bomen en nieuwe bomen zijn beschreven in het Masterplan ZijlwegWest.

Boombalans Bomen behouden Bomen kappen Nieuwe bomen

De boombalans mag lager uitvallen dan in het schetsontwerp, maar het verschil moet ten minste 0 zijn.

Totaal huidige situatie Totaal nieuwe situatie Verschil Totaal nieuwe situatie

Aantal 290 68 101 358 391 33 459

* In een vervolgfase wordt op basis van een Bomen Effect Analyse (BEA) en een voorlopig landschapsontwerp de definitieve boombalans opgesteld.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

68

5. Randvoorwaarden, eisen en wensen 5.1 Inleiding In het Masterplan Ontwikkelzone Zijlweg-West zijn voor de gehele ontwikkelzone de beleidskaders en ontwerpuitgangspunten voor alle fysieke ontwikkelingen vertaald naar randvoorwaarden, eisen en wensen. Deze overkoepelende kaders zijn vastgelegd en blijven onverminderd van toepassing op het projectgebied van de Korte Verspronckweg. Daarnaast zijn er nog randvoorwaarden, eisen en wensen die specifiek van toepassing zijn voor de fysieke ontwikkelingen binnen het gebied van de Korte Verspronckweg. Deze vloeien voort uit de unieke context, opzet, visie en het hier te realiseren programma. In dit hoofdstuk worden daarom de beleidskaders uit hoofdstuk 2 en de ontwerpuitgangspunten uit hoofdstuk 3 en 4 vertaald naar deze aanvullende randvoorwaarden, eisen en wensen. Conform de geest van de Omgevingswet worden deze aanvullende kaders integraal en samen met beleidskaders van het Masterplan vooraf voorgelegd aan initiatiefnemer en ontwerper, zodat duidelijk is waar de gemeente plannen aan toetst.

5.1.1 Leeswijzer

De aanvullende kaders in dit hoofdstuk volgen de opzet uit het Masterplan en zijn onderverdeeld in de volgende thema’s:

• • • • • • • • • •

Omgevingswet en -visie Stedenbouwkundige hoofdopzet Programma Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten Milieu- en omgevingsaspecten Mobiliteit Openbare ruimte Privaat Maaiveld Gebouwen Slotbepalingen

Op allerlei vlakken zit overlap in bovenstaande thema’s. Een onderwerp als duurzaamheid of toegankelijkheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de inrichting van de openbare ruimte, maar ook op de gebouwontwerpen en op mobiliteit. Daarom moet dit hoofdstuk altijd helemaal doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één onderwerp. Paragraaf 6.5 geeft het overzicht van de ontwerpproducten en onderzoeken die per fase van het Haarlems ruimtelijk planproces (HRPP) aangeleverd moeten worden. Dit om efficiënt tot een goedgekeurd ontwerp en omgevingsplan en -vergunning te komen. Let op: dit hoofdstuk behandelt alleen de hoofdlijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan voor een bouwlocatie. Bij de vergunningsaanvraag dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of er ook voldaan wordt aan de

Korte Verspronckweg | PvEL | 

kaders die niet in dit hoofdstuk benoemd worden. Ook dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn als de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Een vergunningsaanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving.

5.1.2 Uitleg Randvoorwaarden, eisen en wensen In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen.

• Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschapsverordening van Rijnland) waaraan de gemeente zich moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden. • Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeernormen) en het stedenbouwkundig ontwerp (o.a. kwaliteitseisen aan maaiveld- en gebouwontwerpen). Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of wanneer het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen. • Wensen zijn ambities van de gemeente waar het project bij voorkeur aan voldoet maar die niet afdwingbaar zijn. De gemeente zal de ontwikkelende partijen vragen invulling te geven

69

aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.

5.2 Omgevingswet- en visie Fysieke ontwikkelingen in het projectgebied moeten voldoen aan de Omgevingswet en moeten invulling geven aan de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie.

5.2.1 Omgevingswet

De rijksoverheid wil met de Omgevingswet bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Randvoorwaarden 1. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. 2. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. 3. Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waarop de ontwikkeling van invloed kan zijn.

5.2.2 Omgevingsvisie

Voor de herontwikkeling van het projectgebied Korte Verspronckweg, zijn de zes strategische keuzes uit de Omgevingsvisie vertaald naar zes ruimtelijkprogrammatische uitgangspunten. In hoofdstuk 2 is uitgelegd wat deze keuzes betekenen voor de ontwikkeling. De gebouwontwerpen moeten hier samen met de herinrichting van de openbare ruimte invulling aan geven. Eis 1. De ontwerpen voor de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte dragen naar rato bij aan de realisatie van de zes ruimtelijkprogrammatische uitgangspunten voor het projectgebied Korte Verspronckweg. Deze zijn in paragraaf 2.3 uiteengezet.

5.3 Stedenbouwkundige hoofdopzet Het stedenbouwkundig schetsontwerp zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 laat op hoofdlijnen zien hoe het plangebied wordt heringericht en waar het beoogde programma wordt gepositioneerd. Ontwikkelingen binnen het exploitatiegebied van dit plan moeten voldoen aan dit ruimtelijk ontwerp. Dit betekent dat een initiatief ruimtelijk minimaal van dezelfde stedenbouwkundige kwaliteit moet zijn als het betreffende ontwerp. Programmatisch dient het initiatief te voorzien in het meegeven programma zoals in paragraaf 2.4 is aangegeven. De plankaart op pagina 18 geeft op hoofdlijnen de kaders waar de ontwikkeling aan moet voldoen weer.

plan (DO SP) waarin het te ontwikkelen programma, rooilijnen, et cetera, worden vastgelegd. Eisen 1. Een ontwikkelende partij dient ruimtelijk en programmatisch het stedenbouwkundig schetsontwerp, zoals uiteengezet in hoofdstuk 3, te volgen qua rooilijnen, massaopbouw, programmatische invulling en de overige gestelde aspecten. 2. Het stedenbouwkundig schetsontwerp zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 wordt na vaststelling van dit PvEL verder uitgewerkt in een DO SP. 3. Afwijken van de opzet van het stedenbouwkundig schetsontwerp is mogelijk als dit volgens het Q-team en het projectteam Korte Verspronckweg niet tot een te grote ruimtelijk-programmatische verslechtering van de beoogde kwaliteit leidt. Hierbij wordt onder andere, maar niet uitsluitend, gelet op bezonning, windhinder, ontwikkelbaarheid omliggende bouwblokken en voorgeschreven programmamix.

5.4 Programma Deze paragraaf geeft de kaders voor het voorzieningen- en woonprogramma in het plangebied, onderverdeeld in: 1. Programma algemeen 2. Woonprogramma 3. Commercieel programma 4. Culturele en sociaalmaatschappelijke voorzieningen

Na vaststelling van dit PvEL wordt het schetsontwerp verder uitgewerkt tot een definitief stedenbouwkundig

Korte Verspronckweg | PvEL | 

70

5.4.1 Programma algemeen

Eisen 1. De nieuwe woonwijk Korte Verspronckweg kent een goede functiemix van wonen, werken, maatschappelijke- en onderwijsvoorzieningen. De ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van voldoende passende commerciële, buurtgebonden, sociaal maatschappelijke voorzieningen die voorzien in de behoeften van bestaande en nieuwe bewoners in dit deel van Haarlem. 2. Ontwikkelprogramma: a. 195-220 woningen waarvan 50% sociale huur woningen, 12,5% - 30% midden segmentwoningen en 20% - 37,5% vrije sectorwoningen. b. Parkeerhub voor het parkeren van bewoners en bezoekers c. 500 m2 commerciele voorzieningen d. 400m2 - 800 m2 culturele en, sociaalmaatschappelijk voorzieningen e. Basisschool met kinderopvang en gymzaal f. Permacultuurtuin g. Een spoortunnel voor de fietsers en voetgangers Wens 1. De noodzaak tot de aanleg van een fietsers- en voetgangersbrug voor de toegang van nooden hulpdiensten tot het plangebied vervalt, omdat deze toegang nu aan de entree van Korte Verspronckweg is beoogd.

5.4.2 Omgevingsvisie

Eisen 1. De woningbouw op de Korte Versponckweg richt zich qua doelgroepen op kleine huishoudens, lage- en middeninkomens en bijzondere doelgroepen/woonvormen conform het

Volkshuisvestingsprogramma 2026-2030. 2. De nieuw op te leveren woningen voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de geactualiseerde Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering. Deze vereisten (spelregels) behelzen o.a. prijsgrenzen en indexering, onderverdeling prijssegmenten , minimale oppervlakte, doelgroepen, toewijzing, huurverhoging, exploitatieperiode, zelfbewoning, antispeculatie en toegankelijkheid. Voor koopwoningen in het vrije segment geldt een zelfbewoningsplicht en een antispeculatiebeding. 3. Voor de locatie Korte Verspronckweg geldt een afwijkende verdeling van het woningbouwprogramma. Het programma zal bestaan uit 50% sociale huurwoningen, 12,5% - 30% middensegment woningen ( huur/koop) en 20% 37,5% vrije sector woningen. 4. Hierbij geldt een inspanningsverplichting van 30% voor de realisatie van middensegmentwoningen. 5. Er komt een collectieve woonvorm conform het door de raad ingediende initiatiefvoorstel ‘Samen Beter Wonen’ (op 29 juni 2023 aangenomen door de raad) en het Amendement ‘Samen Beter Wonen, ook aan de Korte Verspronckweg’ (op 27 maart 2025 aangenomen door de raad). 6. Er wordt een collectieve woonvorm gerealiseerd voor 30-40 wooneenheden in de vorm van een wooncoöperatie. Een wooncoöperatie is een initiatief van bewoners die samen hun woonomgeving vormgeven, zowel bij de oprichting als het beheer.

Ze nemen gezamenlijke beslissingen over ontwerp, omgeving, onderhoud en toewijzing. Wooncoöperaties dienen ook maatschappelijke doelen zoals betaalbaar wonen, zorg voor elkaar en de leefbaarheid in de buurt. Collectieve buiten- en binnenruimtes

Korte Verspronckweg | PvEL | 

zijn hiervoor belangrijke aspecten, waarbij condities worden geschapen voor vorming van gemeenschapsgevoel. Onderzoeksbureau Ravenkop heeft een onderzoek gedaan naar de (on)mogelijkheden voor het faciliteren van wooncooperaties op de Korte Verspronckweg en in het rapport “Wooncooperaties in ontwikkeling in Haarlem” van juni 2025 aanbevelingen gedaan. Vier aanbevelingen gelden daarbij als randvoorwaarden: 1) aanjagen van gemeenschap, 2) inzetten op betaalbare koop en huur, 3) kwalitatieve randvoorwaarden in tender opnemen en deze doorslaggevend maken qua punten en 4) mogelijkheden voor specifieke doelgroepen verkennen. Wens 1. Er is ruimte gewenst voor diverse vormen van gemengd wonen/huisvesting van bijzondere doelgroepen conform het Actieprogramma Wonen en Zorg. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan betaalbare sociale huur voor kleine huishoudens die uitstromen vanuit maatschappelijk opvang en beschermd wonen.

5.4.3 Commercieel programma

Eisen 1. Op de begane grond van de parkeerhub is 500 m2 bvo ruimte voor commerciële voorzieningen die een meerwaarde hebben voor de buurt. Op de begane grond van de parkeerhub wordt ook voorzien in een pakketmuur, zodat pakketbezorgers niet de autoluwe plangebied ingaan. Wens 1. Het is de wens om het huidige tuincentrum

71

Primavera aan de Korte Verspronckweg 5 terug te laten komen. De haalbaarheid hiervan wordt onderzocht.

5.4.4 Culturele en maatschappelijke voorzieningen

Eisen 1. In het plangebied is ruimte gereserveerd voor 400m2 tot 800 m2 maatschappelijke voorzieningen. 2. Het gaat om voorzieningen die een meerwaarde hebben voor de buurt en haar bewoners, met elkaar samenwerken en die ruimtes met elkaar delen. 3. Voor deze voorzieningen geldt een maatschappelijke huurprijs 4. Voor de selectie van de voorziening zal er een prijsvraag uitgeschreven worden waar Haarlemse culturele en maatschappelijke voorzieningen aan deel kunnen nemen, als ook alle voorzieningen die nu op de Korte Verspronckweg gehuisvest zijn.

5.5 Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de aanvullende kaders waar de ontwikkeling van de Korte Verspronckweg op de volgende aspecten aan moeten voldoen: • Natuurinclusiviteit en biodiversiteit • Bomen • Water en klimaatadaptatie • Energie • Circulariteit • Bodemenergie

5.5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit

Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en

klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). De ontwikkellocatie is versteend/ verhard, maar kent ook natuurwaarden in de nabije omgeving met de ecologische verbindingzone NNH Oost west door Haarlem. Doelstelling voor de Korte Verspronckweg is het vergroten van de biodiversiteit en het behouden en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Dit wordt bereikt door de groenstructuren te verbeteren, ecologische verbindingen te versterken en de bebouwing natuurinclusief te ontwikkelen. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quickscan ecologie plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Hierbij hoort ook een inventarisatie van invasieve exoten. 3. Bij werkzaamheden die van invloed zijn op flora en fauna wordt gewerkt volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. Eisen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Brons’: a) Voor het project worden hoogwaardige habitats gerealiseerd of behouden voor ten minste 3 soortencategorieën *, waaronder in ieder geval een habitat voor gebouwbewonende soorten.

b) Per soortcategorie wordt aangeven welke maatregelen worden genomen voor realisatie of behoud van een hoogwaardige habitat, waarbij

Korte Verspronckweg | PvEL | 

wordt ingegaan op de samenhang tussen de 5 V’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden, variatie en verbinding. c) Het horizontale (en verticale) oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht met minimaal 30% biodivers en hoogwaardig groen op buurtniveau. 2. De te nemen maatregelen moet voldoen aan het volgende: a) Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen, Inheems, autochtoon en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten en of deze te versterken. b) Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling, dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn. c) Ten minste 80% van de beplanting in natuurnetwerk Haarlem, in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems. 3. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: a) Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. b) Op deskundige wijze worden uitgevoerd. c) In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. 4. Elk bouwblok moet in ieder geval onderdeel zijn van de hoogwaardig habitat voor gebouwbewonende soorten 5. Daken worden als natuurdaken uitgevoerd. Voor de eisen met betrekking tot pakketdikten, zie de paragraaf 5.10.7. 6.

Gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, verblijfplaatsen, etc.) * De soortencategorieën zijn onderverdeeld in 5 hoofdgroepen: gebouwbewonend, boombewonend, struweel-gebonden, bloemrijk grasland-gebonden,

72

aan water en oevers gebonden. (zie bijlage 14) Op deze manier is er geborgd dat op de juiste locatie de juiste maatregelen worden genomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het stellen van eisen voor de ontwikkeling van bouwblokken. Eisen openbare ruimte 1. De hoofdbomenstructuur wordt versterkt. 2. Groenstructuren worden zo veel mogelijk op elkaar aangesloten. 3. De groenblauwe structuren worden versterkt (met nestkasten niet-gebouwbewonende soorten, vergroenen bermen, hagen, planten, ecologische wadi’s, natuurvriendelijke oevers, groeiplaatsen bomen verbeteren etc.). 4. Realiseren en/of versterken ecologische verbindingen (faunapassages etc.). 5. Groenvakken worden zonder barrières op het maaiveld aangelegd. 6. Gazon wordt zo min mogelijk aangebracht, maar bij toepassing van gazon wordt het gebruik van woekerende grassoorten vermeden. 7. Verontreiniging en verrijking van grond wordt voorkomen en aanvullende grond zoveel mogelijk gebiedseigen (humusarm). 8. Langs de natuurverbindingen worden hoektrapjes voor amfibieën geplaatst in de putten. 9. Ten minste 80% van de beplanting in Natuur Netwerk Haarlem (NNH), in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems. 10. Binnen het Natuurnetwerk Haarlem wordt gekozen voor nachtdiervriendelijke verlichting. Wensen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het convenant Toekomstbestendig Bouwen op niveau ‘Zilver/ Goud’:

a) Hoogwaardige habitat voor meer soortencategorieën dan geëist bij niveau ‘Brons’. b) Op maaiveldniveau wordt het horizontale (en verticale) oppervlak in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht. Meer dan 30% van de openbare ruimte heeft een groene invulling. Deze invulling bestaat uit biodivers en hoogwaardig groen en is ingericht aan de hand van de eisen van de aanwezige soortcategorieën. 2. Speelplekken worden gecombineerd met groen.

5.5.2 Bomen

In het projectgebied staan veel bomen. Van deze bomen zijn de kroondiameter, levensverwachting en verplantbaarheid in kaart gebracht (Bomen in projecten Kwaliteitbeoordeling Korte Verspronckweg Haarlem d.d. 6-6-2025 door de Boominspecteurs). Op basis van deze kaart blijkt dat het plan effect heeft op bomen. In totaal zijn er 371 bomen in het gebied, waarvan er 364 daadwerkelijk aanwezig zijn. Van deze bomen zijn er 18 ouder dan 50 jaar. Een aantal bomen kan worden verplaatst; Na vaststelling van het PvEL zal bij de uitwerking van het schetsontwerp naar een definitief stedenbouwkundig plan het behoud van zoveel mogelijk gezonde bomen nader worden onderzocht. Concreet betekent dit dat de definitieve positionering van de nieuwe gebouwen (de rooilijnen) nauwkeurig wordt afgestemd op de kronen van de omliggende bomen. Ook bij het ontwerp van de openbare ruimte zullen wandel- en fietspaden en rijwegen voor autoverkeer zorgvuldig worden afgestemd op de boomkronen.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

Dit neemt niet weg dat voor de realisatie van de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte meerdere bomen verwijderd moeten worden. Voordat deze gekapt worden, zal eerst nader onderzocht worden of ze binnen het plangebied verplaatst kunnen worden. Voor bestaande en nieuwe bomen gelden verschillende eisen. Bestaande bomen Randvoorwaarden voor bomen en groen 1. Bomenverordening: Te kappen bomen worden één-op-één vervangen (herplantplicht). 2. Ruimte in profielen: Zorg voor voldoende maat in het profiel van bestaande wegen (zoals Planetenlaan en Sportweg) én voor nieuwe boomstructuren. 3. Soortkeuze: Minimaal 50% van de bomen in de openbare ruimte moet inheems zijn. 4. Plantafstanden en groeiplaatsinrichting:Afstanden, soortkeuze, boven- en ondergrondse groeiplaats en inrichting conform HIOR en Keur. 5. Behoud van waardevolle bomen: Bij de planvorming moet ruimtereservering worden meegenomen voor het behoud van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren en groengebieden met ecologische waarde. Hierbij wordt rekening gehouden met het eindbeeld van de boom. Eis 1. Na vaststelling van het PvEL zal bij de uitwerking van het schetsontwerp naar een definitief stedenbouwkundig plan het behoud van zoveel mogelijk gezonde bomen nader worden onderzocht

73

Wens 1. De compensatie voor te kappen bomen wordt berekend op basis van de baten van bomen via een iTree-berekening. Daarbij geldt dat 50% van de verloren baten direct wordt gecompenseerd en dat binnen 10 jaar 100% van de verloren baten is teruggewonnen. Nieuwe bomen Naast de bestaande bomen die verplaatst kunnen worden (wordt uitgewezen door nader onderzoek), zullen ook nieuwe bomen in het plangebied geplant worden. Dit wordt uitgewerkt in het ontwerp openbare ruimte. Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie HIORparagraaf 7.2.4. Eisen 1. In Haarlem komen zes groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden (bomen in open grasberm en plantvakken, bomen in verharding, bomen in parkeervoorziening – belaste verharding –, bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting, bomen in een wadi, bomen op civieltechnische constructie – parkeerdek o.i.d.). Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie paragraaf 7.2.4 van het HIOR.

5.5.3 Water en klimaatadaptatie

De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. Ontwikkellocaties in de zone moeten in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst.

Randvoorwaarden 1. De ontwikkeling moet voldoen aan artikel 6.75 van de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland. Deze stelt dat de ruimtelijke ontwikkeling Korte Verspronckweg zodanig is ontworpen en ingericht dat risico’s op het gebied van wateroverlast, overstroming, hitte, droogte (watertekort en verzilting), natuurinclusiviteit en biodiversiteit en ecologische en chemische waterkwaliteit worden voorkomen dan wel beperkt door passende maatregelen. De ontwikkeling voldoet aan de vereisten die zijn uitgewerkt in paragraaf 3.1 van het Basisveiligheidsniveau Klimaatbestendige Nieuwbouw. Op het moment van plantoetsing en vergunningaanvraag moet het plan voldoen aan de regels uit de Waterschapsverordening van Rijnland. Vooruitlopend op de nieuwe regelgeving van Rijnland die naar verwachting 1 januari 2027 ingaat, moet er worden aangetoond dat het gebied waarin de ontwikkeling ligt een bui van 120mm in een etmaal kan bergen. Eisen 1. Volgens het Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot wateroverlast: a) Hevige neerslag (1/100 jaar, 70mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. b) Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. 2.

Volgens het Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte: a) De ontwikkeling vindt plaats volgens een grondwaterneutraal ontwerp. Hiervoor moet worden onderzocht wat de effecten zijn op de

Korte Verspronckweg | PvEL | 

mogelijk aanwezige grondwaterstromen. Dit vereist een geohydrologisch onderzoek, dat aantoont dat de ontwikkeling grondwaterneutraal is. b) De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. c) De inrichting van de locatie is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. d) Er dienen maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 3. Volgens het Plan Stedelijk Water en de Omgevingsverordening van de Provincie NoordHolland moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: a) Er is tenminste 40% schaduw voor langzaamverkeerroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer. b) Koele plekken (minimaal 200m²) zijn op loopafstand (maximaal 300m) aanwezig. c) Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het plangebied en gebouwen zelf te verminderen.

d) Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimtes in de directe omgeving. e) Vitale en kwetsbare functies blijven beschikbaar bij hitte. Drinkwaterleidingen liggen zoveel

74

mogelijk in de schaduw waardoor opwarming van de leidingen zoveel mogelijk wordt voorkomen. 4. Volgens de Hemelwaterverordening gelden de volgende kaders: Een hemelwaterberging: a) Heeft een minimale capaciteit van 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak. b) Loost maximaal 3 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak per uur op een openbaar riool met een maximum van 3 m3 per uur per perceel. c) Heeft 24 uur n afloop van een neerslaggebeurtenis weer ten minste 25 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar. d) Heeft 60 uur na afloop van een neerslaggebeurtenis weer ten minste 70 liter per m2 bebouwd oppervlak en (half)verhard perceeloppervlak beschikbaar. e) Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. 5. Volgens het Convenant Toekomstbestendig Bouwen, niveau Goud, dient afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte ingezet te worden op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers.

Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen. Welke eisen gelden voor het plangebied is dus

afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden in de Klimaateffectatlas.

aan een klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling of dat andere maatregelen gewenst zijn om dit te bereiken

Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte bestaat inhoudelijke overlap en/of samenhang. In overleg met Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase van Haarlems ruimtelijk planproces (HRPP) aangeleverd te worden: 6. Waterhuishoudingsplan a) Voor de ontwikkeling moet een waterhuishoudingsplan worden opgesteld dat zal worden getoetst door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit waterhuishoudingsplan zal de basis zijn voor vergunningverlening door het Hoogheemraadschap. Daarbij gelden de regels uit de waterschapsverordening op het moment van aanvraag van de vergunningen. In geval van peilwijziging voert het Hoogheemraadschap een wijziging door in het Peilbesluit. b) Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatform Klimaatadaptatie. 7. Ophogen a) Uit onderzoek blijkt dat ophoging een doeltreffende maatregel is om wateroverlast in het gebied te beperken. Op de tekening op pagina 46 is aangegeven waar globaal ophoging binnen het plangebied gewenst is. In de vervolgfase wordt onderzocht of ophoging van het gebied en met name de permacultuurtuin bijdraagt

Wensen / Ambities De ontwikkeling bij de Korte Verspronckweg is een waterpositieve gebiedsontwikkeling. We willen water een centraal onderdeel maken van het gebied. Hieruit volgen de volgende ambities en aanbevelingen: 1. Maak van water een speelplek: Ontwerp het schoolplein en eventueel de school zo dat kinderen er veilig kunnen spelen - en leren met water. Laat zien hoe regenwater wordt opgevangen en hoe kinderen spelenderwijs ontdekken hoe de natuur werkt. Hier zijn wellicht subsidies voor beschikbaar. 2. Laat water zien: Laat regenwater niet direct in de grond verdwijnen. We zoeken een ontwerp waarbij je het water door de openbare ruimte ziet stromen naar waterberging. Dit ziet er niet alleen mooi uit, maar zorgt ook voor verkoeling op hete dagen. 3. Geef de natuur de ruimte aan de waterkant: Voeg extra oppervlaktewater toe aan boezem binnen de ontwikkeling met natuurvriendelijke oevers. Dit is goed voor de planten en dieren in de buurt en zorgt voor een mooiere overgang naar het polderwater (de boezem). 4. Probeer om al het regenwater in de wijk zelf vast te houden in de grond, het groen of in speciale buffers. 5. Sproeien met regenwater: Zorg dat we in droge zomers zo min mogelijk kostbaar drinkwater hoeven te gebruiken om het gras en de planten in de ontwikkeling (en de tuinen) te sproeien. Gebruik hiervoor zoveel mogelijk opgeslagen regenwater. 6.

Kies voor groen boven techniek: Gebruik planten, bomen en gezonde grond om waterproblemen op te lossen in plaats van beton en dure machines.

Korte Verspronckweg | PvEL | 

75

Dit is goedkoper in onderhoud en beter voor het milieu. 7. Om te voldoen aan de beleidsdoelstelling uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing en Water- en bodem sturend geldt als leidende ambitie een gemiddeld drinkwatergebruik van maximaal 100 liter per persoon per dag. Het gebiedsontwerp is hierop gericht door (drink) water zichtbaar te maken, laagtechnische maatregelen binnen en buiten de woning toe te passen en bewoners inzicht te bieden in hun drinkwatergebruik. PWN faciliteert dit inzicht door de installatie van slimme watermeters. 8. Daarnaast is het wenselijk om bovenstaande ambitie verder te verbreden. Door in te zetten op een drinkwatergebruik lager dan 100 liter per persoon per dag. In dat kader wordt een inspanning gevraagd om een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden voor het bufferen en benutten van regenwater of grijswater voor huishoudwater. Eerder uitgevoerd onderzoek hiernaar is op aanvraag beschikbaar. 9. Bij de toepassing van eventuele grijs‑ of hemelwatersystemen staat de borging van de volksgezondheid voorop. Voor een veilige aanleg van dergelijke systemen dienen de relevante NENnormen en uitgangspunten uit in het plan van aanpak van zowel de gebiedsontwikkelaar als uitvoerende aannemer verwerkt te worden. 10.

Daarnaast geldt bij alle materiaal‑ en systeemkeuzes dat nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de effecten op de milieuprestatie van de woningen (MPG) 11. Inzetten van educatie en voorlichting: eventueel in samenwerking met de school in het gebied, om bij te dragen aan het verminderen van de lozing van vervuilende stoffen door huishoudens in de

riolering, waardoor uiteindelijk de goede kwaliteit van drinkwaterbronnen behouden blijft. 12. Toekomstbestendig bouwen: Laat zien dat de wijk niet alleen nu werkt, maar ook over 30 jaar nog droge voeten houdt bij een wolkbreuk en koel blijft tijdens een hittegolf. Plannen die verder gaan dan de standaard regels krijgen een hogere waardering.

5.5.4 Energie

We zetten in op passieve bouw, duurzame energieopwekking en lokale warmte met als doel (ten minste) nul op de meter. Passieve bouw biedt een comfortabele binnenomgeving met minimale energiekosten en een lage CO2-voetafdruk. We eisen niveau brons, maar streven naar niveau ‘Zilver’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen te halen. Met zilver is de druk op het elektriciteitsnet aanzienlijk lager wat past binnen de wens om netbewust te bouwen. Randvoorwaarden 1. Bij grondgebonden woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling <= 55 kWh/m3/jaar ( BENG 1), aandeel primair fossiele energie < = 30 kWh/m2/jaar ( BENG 2) 3n aandeel hernieuwde energie <= 50% ( BENG 3) 2. Bij gestapelde woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling <=65kWh/m2/jaar ( BENG 1), aandeel primail fossiele energie <=50 kWh/m2/jar (BENG 2) en aandeel hernieuwbare energie >=40% ( BENG 3) Eisen 1. We hanteren niveau ‘Brons’ uit het convenant Toekomstbestendig Bouwen. Dat betekent voor: a. Energiebehoefte (BENG 1): < 55 kWh/m2/jaar

Korte Verspronckweg | PvEL | 

voor grondgebonden woningen en < 65 kWh/m2/ jaar voor gestapelde bouw. b. Primair-fossiele energie (BENG 2): < 0 kWh/m2/ jaar voor grondgebonden woningen en < 35 kWh/ m2/jaar voor gestapelde bouw. c. Minimaal aandeel hernieuwbare energie (BENG 3): > 100% voor grondgebonden woningen en > 60% voor gestapelde bouw. 2. De toepassing van conventionele koelof verwarmingsinstallaties, zoals luchtwaterwarmtepompen, elektrische boilers, conventionele koelmachines en gasverbranders, zijn in principe niet toegestaan. 3. Verwarming en koeling van alle functies in de gebouwen wordt geleverd door bodemenergie (als hoofdcomponent). 4. Duurzame energieopwekking wordt in samenhang met groen, natuur en waterberging uitgewerkt en geïntegreerd in het architectonisch ontwerp. 5. Het installatieplan is onderdeel van het goed te keuren VO en DO van de gebouwen door de Gemeente Haarlem. 6. Ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, warmte/ koudehubs e.d. worden niet in de openbare ruimte, maar op privaat terrein en uit het zicht geplaatst. 7. Voorziening voor laadinfra (elektrische voertuigen). Wensen 1. Er liggen kansen voor een Slim Energienet (Smart GRID) i.c.m. energieopslag waarmee energie wordt bespaard, opgeslagen, netcongestie wordt tegengegaan en energie slim wordt ingezet voor duurzame installaties en laden van elektrische vervoersmiddelen. 2.

Niveau ‘Zilver’ uit het convenant Toekomstbestendig Bouwen. a. Energiebehoefte (BENG 1): < 52,5/60 kWh/m²/

76

jaar voor grondgebonden/gestapelde woningen. b. Primair-fossiele energie (BENG 2): < 17,5 kWh/ m²/jaar voor gestapelde woningen. c. Minimaal aandeel hernieuwbare energie (BENG 3): > 125/80% voor grondgebonden/gestapelde woningen. 3. Netbewuste gebouwen. Denk hierbij ook aan toepassing van batterijen, en overige manieren van peakshaving. 4. Gebruikersdashboard voor realtime energieinzicht voor bewoners/eindgebruikers. 5. Opties en ondersteuning eventuele deelname eindgebruikers aan een energie coöperatie/ buurtbatterij. 6. Toepassing van bijvoorbeeld buffervaten voor buffering van warm water. 7. Aansluitvoorziening aanwezig voor bidirectioneel laden (V2G) elektrische voertuigen.

5.5.5 Circulariteit

Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Een circulaire economie draagt bij aan een duurzamere toekomst door het verminderen van de ecologische voetafdruk en het beschermen van natuurlijke hulpbronnen. Met het Actieprogramma Circulaire Economie kiest Haarlem voor het niveau ‘Zilver’ bij circulair bouwen uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score) is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Daarnaast zet Haarlem in op biobased bouwen. Randvoorwaarden 1. MPG-score van 0,8 €/m²/bvo (invoering MPG 0,5 per 1 juli 2025 uitgesteld).

Eisen 1. MPG-score van 0,5 €/m²/bvo (invoering MPG 0,5 per 1 juli 2025 uitgesteld). 2. Gebouwen worden gebouwd in houtbouw conform de eisen uit het convenant Houtbouw MRA, tenzij wordt onderbouwd dat dit niet constructief en/ of financieel niet haalbaar is. [Deze eis wordt nader uitgewerkt nadat de resultaten van lopend onderzoek bekend zijn]. 3. Bij de beoordeling van het ontwerp wordt de toepassing van circulaire materialen meegenomen. a. Massapercentage van de grondstoffen dat is hergebruikt (non-virgin) en/of hernieuwbaar (biobased) bedraagt ≥ 45% voor grondgebonden en ≥ 40% voor gestapelde woningen. b. Het materiaalgebonden budget van grondgebonden/gestapelde woningen is 126/139 kg CO2-eq/m² BVO (conform Rekenprotocol Paris Proof Embodied Carbon). c. Het percentage losmaakbaarheid (conform meetmethodiek Circular Buildings 2.0) voor grondgebonden/gestapelde woningen is ≥ 75/70. 4. Gebouwen worden opgenomen in materialenpaspoort (Madaster) en er wordt een demontageplan opgesteld. Dit om in de toekomst de materialen te kunnen hergebruiken. 5. Adaptief en demontabel bouwen: scheiden van drager en inbouw en droge verbindingen/prefab zodat het gebouw flexibel en toekomstbestendig is en de indeling desgewenst aangepast kan worden, tenzij wordt onderbouwd dat dit niet constructief en/of financieel niet haalbaar is 6.

Op indicator materiaal gebonden CO2-opslag dient voor grondgebonden gestapelde woningen gerapporteerd te worden. 7. Het scheiden van afval wordt zo makkelijk

Korte Verspronckweg | PvEL | 

mogelijk gemaakt/gefaciliteerd, zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wensen 1. MPG-score van < 0,35 €/m²/bvo wordt behaald. 2. Toepassing van zichtbare circulaire materialen in de gevel en houtbouw in de constructie van gebouwen. 3. Massapercentage van de grondstoffen dat is hergebruikt (non-virgin) en/of hernieuwbaar (biobased) bedraagt ≥ 55% voor grondgebonden en ≥ 50% voor gestapelde woningen. 4. Gerecyclede materialen uit de regio (< 250 km radius). 5. Volledig losmaakbare gebouwen (index voor grondgebonden woningen ≥ 90% en voor gestapelde woningen ≥ 85%).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16978181/1