CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Financiële verkenning warmteprogramma Haarlem 2027-2030

commissie Beheer 13 mei 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Informatienota financiën warmteprogramma10.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Financiële verkenning warmteprogramma Haarlem 2027 – 2030 Rapportage ter verkenning van de financiële implicaties en mogelijkheden voor de uitvoering van het warmteprogramma 2027 t/m 2030

1 maart 2026 Malou van Kempen ECDW, ism Financiën en Concern Control

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

3

1.1

Rollen van de gemeente Haarlem

5

2.

Financiële componenten in het warmteprogramma

5

3.

Kosten voor de gemeente in individuele en klein-collectieve buurten 6

4.

Kosten voor de gemeente in collectieve gebieden

7

4.1

(Z)LT warmtenetten in ontwikkelgebieden

8

4.2

MT-warmtenetten in de bestaande bouw

8

4.3

Scenario's en ondersteuning

10

4.4

Financiële impact voor de gemeente; eerste uitvoeringsfase (5.000 woningen) 11

4.5

Meerjarige beeld 2027-2030 (o.b.v. scenario 3)

17

5.

Doorkijk tweede uitvoeringsfase (38.000 WEQ, 2030 - 2040)

17

6.

Dekking kosten voor de gemeente (CDOKE)

18

7.

Conclusies kosten en dekking

21

8.

Risico’s en onzekerheden

21

9.

Vervolg

23

1. Inleiding De gemeente Haarlem werkt aan de uitvoering van het recent vastgestelde warmteprogramma waarin zij de ambitie heeft uitgesproken om samen met bedrijven, bewoners en partners te werken aan de meest geschikte oplossingen om in 2040 onze huizen en gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Voor 2026 – 2030 heeft het college de ambitie uitgesproken om in 9 gebieden (inclusief Meerwijk) aan de slag te gaan met een collectief warmtenet, en in 10 buurten aan de slag te gaan met individuele en kleinschalige collectieve oplossingen. De keuze voor deze 19 buurten is gebaseerd op een integrale programmering waarin de gemeente zorgt voor een integrale afstemming tussen de programmering van groot onderhoud openbare ruimte en de programmering warmtetransitie, en er afstemming plaatsvindt qua programmering met Liander en de woningcorporaties. Hierdoor kunnen partijen zoveel mogelijk gelijktijdig optrekken; in collectieve buurten wordt de ontwikkeling van warmtenetten gekoppeld aan werkzaamheden in de openbare ruimte zoals rioolvervanging om werk met werk te maken. In de individuele en kleinschalig collectieve buurten sluit de selectie aan bij de uitvoeringsplanning van Liander en de afstemming met woningcorporaties over het moment waarop hun bezit voldoende is geïsoleerd voor een overstap op volledig elektrische warmteopties.

Daarnaast wordt in de Waarderpolder door Polderwarmte gewerkt aan een warmtenet. In bijlage 1 wordt toegelicht in welke buurten de gemeente zal starten met het opstellen van een Wijk Warmteplan (WWP), hoe de verschillende kostensoorten in de warmtetransitie zich op verschillende momenten in het proces voordoen en welke buurten naar verwachting als eerste het punt bereiken waarop een investeringsbesluit (FID) nodig is. In bijlage 2 staat een begrippenlijst met een uitleg geeft over alle (financiële) gebruikte termen. Door de financiële implicaties inzichtelijk te maken voor een periode van 4 jaar (2027 t/m 2030) wordt bewust in stappen geprogrammeerd en worden in scenario’s de mogelijkheden verkend voor aanvullende investeringen in de eerste jaren, nu de landelijke randvoorwaarden nog niet voldoende op orde zijn. Dit past bij de koplopersrol die de gemeente Haarlem in de warmtetransitie inneemt. Tegelijkertijd wordt, samen met andere koplopergemeenten, intensief richting het Rijk gelobbyd voor structurele aanvullende middelen. De vierjaarlijkse financieringsperiode de flexibiliteit biedt om keuzes tijdig aan te passen of bij te sturen. De financiële impact voor de gemeente om uitvoering te geven aan deze eerste buurten hangt samen met beleidskeuzes.

Deze nota heeft als doel de keuzemogelijkheden en de op hoofdlijnen bijbehorende financiële implicaties voor de gemeente in kaart te brengen. De financiële consequenties voor de gemeente voor de eerste uitvoeringfase van het warmteprogramma (2026 – 2030) komen terug op twee plekken: de extra kosten voor 2026 die nodig zijn om de uitvoering van het warmteprogramma op te starten zijn opgenomen in de Voortgangsrapportage, de kosten voor 2027 t/m 2030 worden in deze informatienota beschreven in de vorm van verschillende scenario's.

De informatie uit deze nota is relevant omdat het warmteprogramma de komende jaren in steeds meer buurten tot uitvoering komt en hierbij belangrijke financiële keuzes en afhankelijkheden een rol spelen. De financiële consequenties van het warmteprogramma zijn grofweg onder te verdelen in vier categorieën: de gemeentelijke organisatiekosten, voorbereidende kosten, de kosten voor het inzetten van financiële instrumenten ten behoeve van de betaalbaarheid en de kosten die de gemeente maakt vanuit haar aandeelhoudersrol. 1. Gemeentelijke organisatiekosten: van circa € 25 miljoen. Deze kunnen grotendeels worden gedekt door financiering vanuit het Rijk namelijk de CDOKE basis & CDOKE planfinanciering. De gemeentelijke organisatiekosten zijn voor alle scenario’s gelijk, bestaande uit circa € 15 miljoen voor collectieve buurten en circa € 10 miljoen voor individuele buurten; 2. Voorbereidende kosten: van circa € 5,1 miljoen. Het maken van ruimte in de ondergrond vormt een belangrijke voorbereidende stap om toekomstige warmtenetten mogelijk te maken en tijdig aan te sluiten bij integrale gebiedsontwikkelingen. Hiervoor worden de kosten op circa € 1,1 miljoen geraamd. Daarnaast is geothermie een belangrijke voorziene warmtebron, waarvoor in deze periode circa € 4 miljoen aan 3D‑seismisch onderzoek is voorzien om de haalbaarheid verder te brengen.

Deze kosten zijn in alle scenario's gelijk; 3. Kosten voor inzet financiële instrumenten ten behoeve van de betaalbaarheid: van maximaal € 18,5 miljoen. Deze kosten bestaan uit het afdekken van het vollooprisico en/of het geven van subsidie. Het inzetten van deze instrumenten brengt kosten met zich mee en heeft een financiële consequentie met doorwerking op de gemeentelijke begroting. In tegenstelling tot de andere drie kostensoorten, die in alle scenario’s gelijk blijven, verschilt deze kostensoort per scenario: van circa € 2,1 - 4,1 miljoen voor het afdekken van het vollooprisico (scenario 2) tot circa € 14,5 miljoen voor het verstrekken van subsidies (scenario 3); 4. Kosten vanuit aandeelhoudersrol: van € 13,3 miljoen (excl. rentelasten). De verwachte benodigde kapitaalstorting vanuit de aandeelhoudersrol voor aanloop-, ontwikkel- en investeringskosten is voor de eerste 4 jaar circa € 13,3 miljoen (excl. rentelasten ad. circa € 0,9 miljoen). Deze kosten zijn in alle scenario’s gelijk. Binnen de aandeelhoudersrol ontstaan op termijn financiële baten in de vorm van rendement op het geïnvesteerde kapitaal en mogelijke dividenduitkeringen. Het feit dat we nog maar aan het begin van een transitieperiode staan brengt veel onzekerheden met zich mee.

De gepresenteerde cijfers zijn het resultaat van de onderliggende aannames, de inschatting van effecten van bepaalde instrumenten en de bandbreedte van de gebruikte kengetallen. In deze fase werken we daarom met bandbreedtes op basis van de huidige inzichten. Om deze bandbreedte meer soliditeit te geven zijn er verschillende externe analyses uitgevoerd (Fakton, Royal Haskoning) en zijn meerdere gemeenten (Warmtestad Groningen, Den Haag en Eindhoven) geraadpleegd over hun ervaring met en expertise over de financiën van

de warmtetransitie. Het Warmtebedrijf Haarlem (WBHa) heeft meegelezen op de financiële onderbouwing. WBHa onderschrijft in grote lijnen de gehanteerde aannames met een kanttekening bij de CAPEX-begroting (zie 5.4., sub g). Met deze achtergrond geeft de nota een eerste financieel beeld op hoofdlijnen. Ook wordt duidelijk dat (aanvullende) ondersteuning vanuit het Rijk onmisbaar is om de warmtetransitie financieel haalbaar en uitvoerbaar te maken. Disclaimer: het financieel beeld betreft een schatting

1.1 Rollen van de gemeente Haarlem Gemeente in haar beleidsrol De gemeente heeft bij het aardgasvrij maken van alle gebouwen een regisserende en kaderstellende rol van de rijksoverheid gekregen, verder ‘de beleidsrol’ in deze nota. In haar beleidsrol stelt de gemeente de ambitie en creëert de randvoorwaarden voor de warmtetransitie in de hele stad, zowel in gebieden waar een collectieve als een individuele warmtevoorziening wordt voorzien. Dit betreft onder meer de planvorming, het voeren van regie op gebiedsprocessen, het organiseren van participatie en communicatie, de juiste randvoorwaarden creëren en het inzetten van beleidsinstrumenten om de betaalbaarheid en haalbaarheid te vergroten. Een belangrijk deel van de te maken kosten betreffen de gemeentelijke organisatiekosten. Daarnaast zullen er soms kosten moeten worden gemaakt om de ambitieuze doelstellingen te behalen die beleidsmatig zijn vastgesteld. Deze kosten kunnen niet altijd vanuit de aandeelhoudersrol (zie 2.2.) gefinancierd worden maar zijn nodig vanuit de beleidsrol. Bijvoorbeeld voorbereidende werkzaamheden waaronder het maken van ruimte in de ondergrond en het doen van onderzoek naar geothermie, en de inzet van financiële instrumenten om de warmtetransitie te versnellen en betaalbaarder te maken. Dit zijn incidentele lasten waarbij niet voorzien wordt dat ze (op termijn) terugverdiend worden.

Gemeente in haar aandeelhoudersrol Naast de beleidsrol die de gemeente heeft is de gemeente Haarlem ook 50% aandeelhouder in het gemeentelijke warmtebedrijf Warmtebedrijf Haarlem (WBHa). Dit warmtebedrijf is verantwoordelijk voor de ontwikkeling, aanleg en exploitatie van de warmtenetten. Het merendeel van de investeringen in infrastructuur, bronnen en aansluitingen landt bij het warmtebedrijf en wordt gefinancierd via een combinatie van vreemd vermogen en eigen vermogen. In de rol als aandeelhouder brengt de gemeente eigen vermogen in ten behoeve van de oprichting, ontwikkeling en groei van het warmtebedrijf. Tegelijkertijd brengt het aandeelhouderschap financiële risico’s met zich mee, bijvoorbeeld bij tegenvallende resultaten of vertraging in de uitrol.

2. Financiële componenten in het warmteprogramma De financiële impact van het warmteprogramma bestaat voor de gemeente uit verschillende onderdelen: 1) de kosten die worden voorzien voor de individuele/ kleine collectieve buurten en 2) de kosten die worden voorzien voor de buurten waar een collectieve warmteoplossing (warmtenet) wordt voorzien. In de tweede categorie kan nog onderscheid worden gemaakt tussen Midden-Temperatuur (MT) warmtenetten geschikt voor de bestaande bouw, en (zeer) lage temperatuur (ZLT) warmtenetten in nieuwbouw. In alle gevallen zijn er kosten gemoeid bij het invullen van de beleidsrol, alleen bij de collectieve warmtevoorzieningen zijn er ook kosten voor de gemeente als aandeelhouder in het warmtebedrijf. In alle gevallen zijn er naast kosten voor de gemeente ook kosten voor de gebouweigenaar. De opbouw van de kosten voor de gebouweigenaar verschilt per oplossing. Bij individuele oplossingen moeten de grootste investeringen vooraf en “achter de voordeur” worden gedaan door de gebouweigenaar in isolatie en installatie; bij collectieve oplossingen worden er ook kosten vooraf gemaakt door de gebouweigenaar voor de Bijdrage Aansluit Kosten (BAK, een eenmalige bijdrage die een gebouweigenaar betaalt aan het warmtebedrijf om een aansluiting op het warmtenet mogelijk te maken), inpandige aanpassingen en in mindere mate isolatie.

Daarnaast zullen alle bewoners over moeten stappen naar elektrisch koken wat kosten met zich meebrengt. Nieuwbouw wordt per definitie aardgasvrij ontwikkeld en daarbij is alleen de BAK van toepassing. De kosten voor de gebouweigenaar in bestaande bouw die volgen uit benodigde inpandige aanpassingen en isolatie worden in deze nota niet inzichtelijk gemaakt omdat ze zeer verschillen per gebouwtype en omdat deze nota zich richt op de kosten voor de gemeente. De kosten voor benodigde inpandige aanpassingen en isolatie worden gedragen door de gebouweigenaar (particuliere eigenaar, commerciële verhuurder of woningcorporatie), en niet de huurder.

3. Kosten voor de gemeente in individuele en klein-collectieve buurten Gemeentelijke kosten in buurten waar wordt ingezet op warmtepompen en kleinschalige oplossingen zijn met name voor regie en samenwerking met en ondersteuningsmiddelen voor bewoners. Denk hierbij aan jaarlijkse (veelal personele) lasten voor de gemeentelijke rol als regisseur en ondersteuner, voor o.a. het opstellen van de vormvrije maar verplichte wijk warmte plannen (opstellen, participatie, communicatie), het analyseren van haalbaarheid en betaalbaarheid per buurt. Daarnaast zijn er kosten voor de buurtgerichte aanpak met ontzorging van bewoners en ondernemers, voor bewonersactivering en ondersteuning via o.a. energieloket, energiecoaches, informatieavonden en voor extra ondersteuning van doelgroepen zoals VvE-begeleiding. Daarnaast biedt de gemeente een duurzaamheidslening om investeringen voor gebouweigenaren toegankelijker te maken. Deze gebiedsgerichte aanpak vergt additionele capaciteit.

De financiële impact voor de gemeente in de in kaart gebrachte uitvoeringsfase (2027 t/m 2030) aan additionele capaciteit voor individuele gebieden bestaat grofweg uit € 10 miljoen. Hiervan is circa € 8,9 miljoen gemeentelijke personele capaciteit voor het opstellen van wijk warmte plannen (WWP) en de uitvoering ervan in totaal 7 gebieden. De inschatting van benodigde capaciteit per cluster van 2,0 FTE voor het opstellen van een WWP en 3,5 FTE voor de uitvoering ervan volgt uit het onderzoek naar de benodigde uitvoeringskosten voor een gemeente van het klimaatakkoord (bron: onderzoek AEF). Daarnaast is in dit bedrag capaciteit opgenomen voor de programmaorganisatie. De resterende circa € 1 miljoen zijn kosten voor communicatie, participatie en het ondersteunende aanbod aan bewoners. Tabel 1 laat deze kosten zien. Deze kosten zijn begrotingslasten voor de gemeente. CDOKE‑middelen (basisfinanciering en planfinanciering) zijn een belangrijke bron van dekking. In hoofdstuk 6 wordt verder uitgewerkt hoe de dekking van de kosten voor de gemeente is opgebouwd. Indien gewenst kan de gemeente er in de toekomst voor kiezen om, aanvullend op rijksmaatregelen, subsidies en regelingen te treffen voor gebouweigenaren in individuele gebieden en specifiek extra ondersteuning te bieden voor huishoudens met een smalle beurs.

In deze informatienota zijn dergelijke regelingen niet opgenomen, omdat voor veel woningtypen de overstap naar een warmtepomp met de huidige Rijksregelingen al aantrekkelijk is en aanvullende gemeentelijke subsidies momenteel niet gebiedsgericht kunnen worden toegepast, waardoor zij ook zouden gelden in buurten waar collectieve warmte maatschappelijk de voorkeur heeft. Extra stimulering van individuele oplossingen is bovendien alleen verantwoord als het elektranet dit toelaat en individuele technieken daar technisch passend zijn. Zodra de voorwaarden uit de nieuwe wetgeving over betaalbaarheid bekend zijn, kan het college keuzemogelijkheden voorleggen om de betaalbaarheid in individuele buurten te stimuleren. Bij het opstellen van de wijkwarmteplannen wordt per buurt verder uitgewerkt welke ondersteuning mogelijk en nodig is, waarbij kwetsbare huishoudens altijd prioriteit en extra aandacht zullen krijgen. Beleidsrol (in duizenden €)

Balans Begrotings effect effect

Individuele en klein-collectieve gebieden a1 Gemeentelijke organisatiekosten Totaal

Risico effect

9.960 0

0 9.960

Tabel 1: overzicht kosten individuele gebieden

4. Kosten voor de gemeente in collectieve gebieden De realisatie van warmtenetten brengt kosten met zich mee maar op de lange termijn ook baten. Naast maatschappelijke baten, zoals CO₂‑reductie en een verbeterde energievoorziening, kunnen er voor de gemeente als aandeelhouder ook financiële

baten ontstaan in de vorm van rendement op het geïnvesteerde kapitaal en mogelijke dividenduitkeringen. Dit hoofdstuk geeft een beeld van de kosten voor de gemeente vanuit de beleidsrol, en vanuit de aandeelhoudersrol voor MT-warmtenetten in de bestaande bouw. De genoemde cijfers zijn gebaseerd op een gunstige businesscase van Haarlem Noord die is geëxtrapoleerd naar de beoogde collectieve gebieden, tezamen het gehele warmtekavel. De reden dat deze business case gebruikt is, is omdat hij openbaar was (in tegenstelling tot andere business cases die vertrouwelijk waren) en de gegevens ervan direct beschikbaar waren. Disclaimers erbij waren dat vastgoedtypologie in Haarlem Noord relatief is gunstig voor collectieve warmte (veel appartementen), relatief hoog woningcorporatie bezit en relatief gunstige ondergrond. Maar de gebruikte business case is als voldoende bruikbaar beoordeeld om deze eerste ordegrootte analyse te maken. Omdat er landelijk nog weinig ervaring is met warmtenetten in de bestaande bouw en publieke warmtebedrijven, steunen de ramingen in belangrijke mate op aannames en schattingen. Het is aannemelijk dat de uiteindelijke kosten en het percentage aansluitingen per project, ook wel de volloop genoemd, zullen afwijken. Deze nota beoogt daarom uitsluitend een orde‑van‑grootte‑indicatie te geven en geen gedetailleerde of volledig accurate kosteninschatting.

Er wordt nagedacht over het treffen van een reservering voor onvoorziene zaken, niet zozeer alleen om onverwachte kosten op te vangen, maar om de benodigde flexibiliteit te creëren om snel te kunnen handelen. Richting de raad biedt zo’n reservering extra ruimte om tijdig besluiten te nemen zonder telkens aanvullende middelen te hoeven vrijmaken. Tegelijkertijd zorgt deze ruimte binnen de businesscase ervoor dat kansen of noodzakelijke aanpassingen direct kunnen worden opgepakt, waardoor wendbaarheid en voortgang gewaarborgd blijven.

4.1 (Z)LT warmtenetten in ontwikkelgebieden In ontwikkelgebieden blijkt de realisatie van (zeer‑)lage‑temperatuur‑warmtenetten (ZLT) financieel haalbaar zonder inzet van rijksinstrumenten. Omdat er voor deze projecten geen rijkssubsidies beschikbaar zijn, moet het warmtebedrijf aantoonbaar kunnen werken met een sluitende businesscase, waarbij slechts eigen vermogen van beide aandeelhouders hoeft te worden ingebracht. Ten tijde van het schrijven van deze informatienota is het aantal woningequivalenten (WEQ) dat in ontwikkelgebieden gerealiseerd zal worden tot en met 2030 en daarmee de benodigde inleg eigen vermogen vanuit de aandeelhouders nog onduidelijk. Deze is daarom buiten beschouwing gelaten in het financiële overzicht.

4.2 MT-warmtenetten in de bestaande bouw De financiële impact van de kosten bij MT-warmtenetten in de bestaande bouw bestaat uit verschillende componenten. De personele kosten die gemaakt moeten worden vanuit de beleidsrol van de gemeente zijn vergelijkbaar met die in individuele gebieden (zie uitleg onder a. gemeentelijke organisatiekosten). Echter, gezien de rol

van de gemeente als aandeelhouder in het gemeentelijk warmtebedrijf, zijn er ook andere financiële onderdelen die uiteenlopen van kosten en investeringen tot risico’s en garanties. Niet alle bedragen hebben hetzelfde karakter of dezelfde doorwerking op de gemeentelijke begroting. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: • Begrotingslasten: jaarlijkse lasten die drukken op de gemeentelijke begroting, zoals organisatiekosten (zie 1.1. voor meer detail) en eventuele kapitaallasten. • Stortingen van de aandeelhouder: Stortingen van de gemeente als aandeelhouder kunnen bestaan uit aandelenstortingen of agiostortingen. Een aandelenstorting vergroot het vermogen van de aandeelhouder, terwijl een agiostorting geen extra aandelen oplevert en het aandeelhoudersvermogen daardoor niet toeneemt. De agiostorting vergroot daarentegen wel het eigen vermogen van het warmtebedrijf. • Risico’s en garanties: potentiële verplichtingen voor de gemeente die alleen tot uitgaven leiden als bepaalde risico’s zich daadwerkelijk voordoen. Beoogd wordt de financiële risico's te duiden en in te schatten wat de kans is van het voordoen van het risico. Om een beeld te creëren van de financiële implicaties van de warmtetransitie voor de gemeente, is uitgegaan van de onderstaande gegevens.

Omvang van de aansluitingen - 5.000 WEQ: de gemeente gaat tot 2030 in 9 collectieve buurten aan de slag gaat met het maken van WWPs. Het warmtebedrijf komt bij drie van die buurten tot een final investment decision (FID): het moment waarop een warmtebedrijf een definitief besluit neemt om te investeren in een warmtenet. Dit besluit volgt op het onderzoeken van de technische en financiële haalbaarheid van het project door het warmtebedrijf, en de beleidsmatige voorbereidingen vanuit de gemeente in haar beleidsrol. Gezien de doorlooptijden van deze voorbereidende processen tot de FID is de inschatting dat het warmtebedrijf binnen de periode 2027 t/m 2030 in drie gebieden van een totaal aan 5.000 WEQ tot dit punt komt (zie bijlage 1 voor verdere uitleg). Deze 5.000 WEQ zijn daarmee het uitgangspunt voor het in kaart brengen van de financiële impact tot en met 2030. Daarnaast wordt een indicatieve doorkijk gegeven naar de verdere opschaling richting het gehele warmtekavel van ongeveer 43.000 WEQ tot 2040. - Aansluitpercentage van 70%: er wordt in deze nota uitgegaan van dat de inzet van de aanwijsbevoegdheid resulteert in een aansluitpercentage van 70%. De aanwijsbevoegdheid geeft gemeenten de juridische mogelijkheid om een gebied formeel aan te wijzen waar de overstap naar een duurzaam warmtesysteem wordt voorbereid en waar uiteindelijk de gasaansluiting kan worden beëindigd.

Daardoor stijgen naar verwachting de aansluitpercentages, omdat duidelijk is dat levering van gas in dat gebied op termijn stopt. Tarieven & subsidies - Gerekend met ACM-max tarieven: om een beeld te krijgen van de financiële implicaties is gerekend met de tarieven die door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) als maximale tarieven zijn vastgesteld. Dit zijn niet

-

-

noodzakelijkerwijs de tarieven die WBHa voornemens is te hanteren in Haarlem maar dit is ook niet uitgesloten. De tarieven moeten simpelweg nog bepaald worden door WBHa. Dit hangt o.a. samen met de Rekenregels vanuit het Rijk en de voorwaarden die zullen worden gesteld aan betaalbaarheid en het tarievenstelsel binnen één kavel. Deze wetgeving is nog in wording en de volledige inwerkingtreding ervan wordt momenteel verwacht op 1 januari 2027. Bij gebrek aan deze tarieven is voor deze informatienota gerekend met de ACM-max tarieven. De uitzondering hierop is Meerwijk, waar de tarieven wel bekend zijn en waar lagere tarieven kunnen worden gehanteerd omdat dit de eerste buurt in Haarlem is waar wordt overgegaan tot realisatie en er rijkssubsidie is aangetrokken. Gebouweigenaren betalen een Bijdrage Aansluit Kosten (BAK), een eenmalige bijdrage aan het warmtebedrijf om een aansluiting op het warmtenet mogelijk te maken. Daarnaast hebben gebouweigenaren ook andere eenmalige kosten waar rekening mee moet worden gehouden bij aansluiting op een MT-warmtenet zoals noodzakelijke inpandige aanpassingen, de overstap naar elektrisch koken en – waar relevant – investeringen in isolatiemaatregelen.

Meegenomen Rijkssubsidies: in alle bedragen is al uitgegaan van een aantal momenteel bestaande (maar nog niet toereikende) Rijkssubsidies: voor MTwarmtenetten is de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS subsidie) meegenomen welke 30% van de subsidiabele investeringskosten dekt en ook de SDE++ subsidie voor de bron is verwerkt. Daarnaast is uitgegaan van een bedrag van € 3.800 rijkssubsidie per WEQ. Voor particuliere gebouweigenaren is dit de ISDE-subsidie, voor corporatiewoningen de SAHsubsidie. Ondanks dat de SAH-subsidie momenteel onzeker is, gaat deze berekening ervanuit dat deze regeling wordt voortgezet of vervangen door een soortgelijke regeling.

Financiering warmtebedrijf en kapitaalinbreng van de aandeelhouder De financieringsstructuur van het warmtebedrijf bestaat uit 80% vreemd vermogen en 20% eigen vermogen. De gemeente is voor 50% aandeelhouder in WBHa en draagt daarmee de helft van het eigen vermogen.

4.3 Scenario's en ondersteuning Er zijn drie scenario’s uitgewerkt die laten zien wat de hoogte van de BAK per WEQ door een gebouweigenaar zou moeten zijn om voor het warmtebedrijf tot een sluitende business case te komen. Hoewel de term BAK hier is gebruikt om de scenario’s met elkaar te kunnen vergelijken, is het geen reële verwachting dat gebouweigenaren dit volledige bedrag kunnen of willen opbrengen bij aansluiting op een MT-warmtenet. De omvang van de BAK in scenario 1 maakt duidelijk dat er nog meer landelijke ondersteuning nodig is. Daarnaast kan de gemeente ervoor kiezen om door inzet van financiële instrumenten bij te dragen om het gat te dichten. Het eerst voorgestelde instrument is de vollooprisicodekking: bij dit instrument vangt de gemeente (een deel van) het risico op dat een warmtenet minder aansluitingen krijgt dan vooraf verwacht en daarmee kan het warmtebedrijf een lagere BAK aanbieden

aan gebouweigenaren. Het andere financiële instrument dat de gemeente in kan zetten is subsidie, dit instrument is in het derde scenario toegevoegd. Met een subsidie aan de gebouweigenaar kan de BAK verder naar beneden worden gebracht. In onderstaande scenario's is gekozen voor een subsidie van € 6.900 maar er kan natuurlijk ook gekozen worden om een lagere subsidie te verlenen en daarmee de kosten van dit financiële instrument te verlagen. Een voorbeeld hiervan is uitgewerkt in hoofdstuk 4.4. e subsidie. • Scenario 1, minimale inzet gemeente: inzet van de aanwijsbevoegdheid en

geen inzet van financiële instrumenten door de gemeente resulteert in een BAK van € 11.000 per WEQ. In dit scenario volgt warmtetransitie in Haarlem vooral landelijke ontwikkelingen, wat kan leiden tot vertraging maar mogelijk meer financiële zekerheid vanuit het Rijk. • Scenario 2, midden variant inzet gemeente: inzet van de aanwijsbevoegdheid

en inzet van de vollooprisicodekking door de gemeente resulteert in een BAK van € 8.900 per WEQ. Dit scenario zet in op het bevorderen van versnelling door het verkleinen van het vollooprisico. Dit biedt het warmtebedrijf meer investeringszekerheid en vergroot daarmee de kans op tempo, al blijft daadwerkelijke versnelling afhankelijk van de bereidheid van gebouweigenaren om aan te sluiten op het warmtenet tegen de aangegeven BAK. • Scenario 3, maximale inzet gemeente: inzet aanwijsbevoegdheid, inzet

financiële instrumenten door de gemeente, waaronder de gemeentelijke subsidies om BAK verder omlaag te brengen voor gebouweigenaar resulteert in een BAK van € 2.000 per WEQ. Door in dit scenario aanvullend op bovenstaande in te zetten op subsidie voor de eindgebruiker zet de gemeente in op betaalbaarheid voor gebouweigenaren. Betaalbaarheid en snelheid versterken elkaar — hoe betaalbaarder een aanbod, hoe sneller bewoners kunnen instappen. Daarmee dempt het inzetten van een subsidie het effect van het vollooprisico. Met dit scenario blijft de gemeente Haarlem inzetten op een koploperspositie. Alle scenario's gaan uit van de inzet van de aanwijsbevoegdheid zoals opgenomen in de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) en aangekondigd in het Warmteprogramma (2026/10392). De inzet van deze aanwijsbevoegdheid is in alle gevallen nodig aangezien deze het warmtebedrijf meer zekerheid geeft en ook als voorwaarde wordt gesteld bij verschillende rijksregelingen waaronder het garantiefonds. De aanwijsbevoegdheid kan alleen worden ingezet als voldaan wordt aan bepaalde waarborgen waaronder het waarborgen van de haalbaarheid en betaalbaarheid.

4.4 Financiële impact voor de gemeente; eerste uitvoeringsfase (5.000 woningen) Onderstaande tabel (bedragen x €1.000) geeft een indicatief overzicht van de middelen die gemoeid zijn met de verschillende rollen van de gemeente in de eerste

uitvoeringsfase in collectieve buurten met MT warmtenetten. De bedragen zijn indicatief en bedoeld om de orde van grootte en samenhang inzichtelijk te maken. In tabel 3 wordt een meerjarenbeeld geschetst.

Beleidsrol (in duizenden €)

Balans effect

Begroting s effect

Risico effect

Aandeelhoudersrol (in duizenden €)

Balans effect

Begroting s effect

Scenario 1 Inzetten aanwijsbevoegdheid BAK: €11.000

Gemeentelijke organisatiekosten b Ruimte maken in de ondergrond Onderzoekskosten tbv c geothermie

14.930

a1

Totaal

f

1.100

g Agiostorting Rentelasten h

4.000

0

20.030

Aanloopkosten WBHa

0

Totaal (in alle scenario's gelijk)

1.060 12.200 914

13.260

Scenario 2 + Vollooprisico afdekken BAK: €8.900

Kosten scenario 1 d

20.030

+ Vollooprisico afdekken

**

2.050

2.050

Totaal

0

22.080

2.050

22.080

2.050

Scenario 3 + Subsidie van €6.900 (tot CV kosten) BAK: €2.000

Kosten scenario 2 e

+ Subsidie*** Totaal

14.500 0

36.580

2.050

* dit betreft alleen de gemeentelijke organisatiekosten voor de collectieve buurten ** zie ad d. *** De kosten zullen deels in 2030 vallen, deels in 2031 (e.v.)

Tabel 2: kosten collectieve gebieden MT warmtenet in 3 scenario's, 5000 WEQ FID, 2027 t/m 2030

a. Gemeentelijke organisatiekosten De gemeentelijke beleidsrol vergt naast capaciteit in de individuele gebieden (hoofdstuk 3, tabel 1) ook additionele capaciteit in de collectieve gebieden. De kosten zijn personele lasten voor de gemeentelijke rol als regisseur en ondersteuner, voor o.a. het opstellen van wijk warmte plannen (opstellen, participatie, communicatie), het analyseren van haalbaarheid en betaalbaarheid per buurt en de samenwerking met het warmtebedrijf. De gemeente toetst vanuit haar beleidsrol ook verschillende documenten van het warmtebedrijf en is verantwoordelijk voor vergunningverlening. Op basis van het onderzoek van AEF naar de benodigde uitvoeringskosten voor een gemeente van het klimaatakkoord wordt de benodigde capaciteit in collectieve gebieden geschat op 2,7 FTE per gebied per jaar voor een periode van 2 jaar voor het opstellen van een WWP, en 2,4 FTE voor de uitvoerende fase. Daarnaast is er ook personele capaciteit benodigd voor de programmaorganisatie. Het totaal komt circa € 14,9 miljoen opgebouwd uit op circa € 13,0 miljoen voor capaciteit en € 1,9 miljoen voor communicatie en participatie. Voor de personele kosten is gerekend met een gemiddelde van loonsommen van een schaal 11 functie. Tussen 2027 en 2030 gaat de gemeente in 9 collectieve gebieden aan de slag.

Het meerjarige beeld (tabel 3) laat zien dat de loonkosten oplopen – nadat een WWP is afgerond voor een buurt gaat het de uitvoering is, maar tegelijkertijd starten elke jaar ook nieuwe buurten op. b. Ruimte maken in de ondergrond Een belangrijk uitgangspunt van het Warmteprogramma 2026-2030 is het principe van integraal programmeren en ‘werk-met-werk maken’. Dit veronderstelt dat de

914

aanleg van een warmtenet wordt gecombineerd met andere wijkverbeteringen zoals grote projecten in de openbare ruimte zoals klimaatadaptatie (groen) en rioolvervanging. Vanaf 2029 is het steven om dit zo veel als mogelijk toe te passen. Echter, er zijn verschillende projecten in de openbare ruimte die op (zeer) korte termijn in uitvoering gaan en waarbij het nog onhaalbaar is gelijktijdig een warmtenet aan te leggen. In deze gevallen is het echter essentieel om al wel ruimte te maken in de ondergrond. In de eerste uitvoeringsperiode zal de gemeente deze kosten op zich nemen om onzekerheid te reduceren en als maatschappelijke bijdrage vanuit de gemeente. De kosten zullen naar verwachting niet geactiveerd kunnen worden, en betreffen daarom een incidentele last. De kosten bedragen in totaal € 1,1 miljoen. Uitgangspunt is dat kosten voor het maken van ruimte in de ondergrond onderdeel zijn van de totale kosten voor het warmtenet en daarmee in de toekomst gedekt worden door het warmtebedrijf. De berekening van de kosten voor het maken van ruimte in de ondergrond is gebaseerd op een SSK- raming (Standaard Systematiek Kostenramingen) voor één project (Koninginneweg – Noorder Emmakade, KNEK), waarbij de prijs van € 185 per m2 is geëxtrapoleerd naar buurten en straten waar ook ruimte gereserveerd moet worden in de ondergrond.

Deze berekening geeft slechts een grof beeld van de ordegrootte van het totaalbedrag, elk project zal een eigen SSK-raming behoeven voor het inzichtelijk maken van daadwerkelijke kosten welke kunnen verschillen in moeilijkheid van de straten, stijgende ontwerp- en bouwkosten en inflatie. c. Geothermie 3d seismisch onderzoek In de bronnenstrategie bij het Warmteprogramma 2026 – 2030 is geothermie geïdentificeerd als een belangrijke en kansrijke bron. Aangezien een geothermieproject een lang ontwikkeltraject kent (gemiddeld 6 tot 10 jaar), is het cruciaal dat we in deze tijdsperiode 2027 - 2030 investeren in seismisch onderzoek om het traject tijdig op gang te brengen. Voor het 3D‑seismisch onderzoek ten behoeve van geothermie worden de kosten geraamd op circa € 5 miljoen, gebaseerd op de door EBN opgestelde kosteninschatting uit 2021 (circa € 4 miljoen, gecorrigeerd naar huidig prijspeil). Omdat EBN sinds 2023 verplicht deelneemt aan aardwarmteprojecten, wordt uitgegaan van een conservatieve 20% bijdrage van EBN, waardoor een gemeentelijke financieringsopgave van circa € 4 miljoen resteert. Gezien het risico van het onderzoek — uit het seismisch onderzoek kan namelijk ook blijken dat geothermie niet haalbaar is — ligt dekking door de gemeente voor de hand, aangezien dergelijke investeringen te risicovol zijn voor een startend warmtebedrijf.

Cofinancieringsmogelijkheden onder andere vanuit andere overheden worden onderzocht, maar dergelijke financieringsbronnen zijn vooralsnog niet voorzien en dus niet meegenomen in deze verkenning. d. Vollooprisico afdekken Warmtebedrijven rekenen doorgaans met een minimale volloop van 70% om een sluitende businesscase en een passend BAK aanbod te kunnen bieden. Pas bij het behalen van deze grens kan een warmtebedrijf besluiten tot FID en realisatie. In scenario 2 en 3 neemt de gemeente een deel van het risico over door voor particuliere woningeigenaren het vollooprisico tussen 55% en 70% af te dekken. Door

het risico tussen 55% en 70% af te dekken, kan het warmtebedrijf rekenen met 70% volloop en de daarbij behorende BAK aanbieden. Dit leidt uiteindelijk tot lagere kosten voor eindgebruikers. De gemeente dekt alleen de BAK component af, niet de gemiste exploitatie-inkomsten, zodat het warmtebedrijf gestimuleerd blijft om alsnog 70% aansluiting te realiseren. Het afdekken van dit risico vanaf 55% is beredeneerd vanuit het feit dat de huidige praktijk laat zien dat particulieren woningeigenaren lastiger zijn te overtuigen om aan te sluiten en daarom een voorziening moet worden getroffen om het risico voor deze doelgroep af te dichten. In de huidige praktijk wordt echter nog geen gebruik gemaakt van de aanwijsbevoegdheid aangezien deze pas na inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw, verwachte inwerkingtreding 1 januari 2027) kan worden toegepast. 55% als ondergrens is zodat de meerderheid van de particuliere woningeigenaren wel interesse heeft om aan te sluiten. Voor corporatiewoningen blijft 70% uitgangspunt vanwege het lagere risico en de samenwerking met de corporaties zoals we die in Meerwijk hebben opgebouwd. Het inzetten van dit instrument brengt voor de gemeente een risico van maximaal circa € 4,1 miljoen met zich mee voor de periode t/m 2030 (indien het risico zich in 100% van de gevallen voordoet).

De verwachting is echter dat dit zich niet volledig zal voordoen; in de risicoparagraaf van de programmabegroting wordt voorlopig uitgegaan van een kans van 50%. Derhalve is het risico in de tabel voor 50%, € 2,05 miljoen, meegenomen. Indien het risico zich manifesteert, betreft dit een incidentele last met een effect op de gemeentelijke begroting. Indien besloten wordt om het instrument ‘vollooprisico afdekking’ in te zetten, dan wordt verwacht dat dit in de opstartfase tot kosten leidt voor de gemeente. Deze financiële verkenning geeft inzicht in de kosten en risico's voor 4 jaar (2026 t/m 2030), de eerste periode waarin inwoners mogelijk terughoudend(er) zullen zijn om aan te sluiten en een dergelijk instrument dus extra waardevol is. Wanneer warmtenetten gangbaarder worden, is de verwachting dat het risico zich minder frequent voordoet en kan de inzet van het instrument ook worden heroverwogen. Derhalve kan er over nagedacht worden om voor de eerste jaren een voorziening te treffen (gezien de verwachting dat het risico zich voor zal gaan doen, dan wordt hier alvast rekening mee gehouden in de gemeentelijke begroting). e. Subsidie Een directe subsidie aan gebouweigenaren verlaagt de investeringskosten voor bewoners door een deel van de kosten voor aansluiting te vergoeden.

In scenario 3 is gerekend met een subsidie vanuit de gemeente van € 6.900 voor het verlagen van de BAK naar een bedrag van € 2.000. Het terugbrengen van de BAK naar € 2.000 wordt in meerdere gemeenten gehanteerd, aangezien dit vergelijkbaar is met de aanschaf en installatie van een nieuwe cv-ketel, een voor bewoners bekende en geaccepteerde kostenpost als het gaat om hun warmtevoorziening. Bij inzet van het financiële instrument voor het afdekken van het vollooprisico in scenario 2 bedragen de aansluitkosten € 8.900. Om deze aansluitkosten te verlagen tot € 2.000, is een subsidie van € 6.900 per WEQ nodig. In de periode 2027–2030

werkt het warmtebedrijf toe naar het nemen van een FID voor 5.000 WEQ. Ondanks dat het moment van het uitgeven van de subsidie aan de gebouweigenaar grotendeels voorbij 2030 zal vallen is er in deze nota wel gerekend met de 5.000 WEQ om een beeld te krijgen van de ordegrootte benodigde subsidie voor dit tijdvak. Alleen daadwerkelijk aangesloten woningen ontvangen subsidie. Ervan uitgaande dat er 70% aansluitingen gerealiseerd wordt, waarvan 60% woningeigenaren zijn, resulteert dit in subsidies voor 2.100 particuliere woningeigenaren (totaal: € 14,5 miljoen). Het moment dat deze subsidie uitgekeerd zullen worden zal dus op z'n vroegst deels in 2030 plaatsvinden maar voornamelijk in 2031 en daarna, op het moment dat het warmtenet gerealiseerd is. In scenario 3 is uitgegaan van een subsidie door de gemeente om de BAK te verlagen naar € 2.000, hetgeen resulteert in een forse last voor de gemeente. Uiteraard kan er ook gekozen worden voor het subsidiëren tot een ander bedrag dan €2.000. Als wordt gerekend met de maximale ACM-bijdrage voor een nieuwe warmteaansluiting van € 5.296,30, een uitgangspunt dat de gemeente Amsterdam hanteert, dan worden de kosten voor het verlenen van subsidies verlaagd van € 14,5 miljoen naar circa € 7,6 miljoen.

Aangezien de gepresenteerde getallen niet uniek zijn, en de business case voor MTwarmtenetten in de bestaande bouw momenteel lastig rond te rekenen is, wordt er een lobby gevoerd vanuit de VNG, G4 en andere consortia voor aanvullende maatregelen vanuit het Rijk om MT-warmtenetten haalbaarder te maken. f. Aanloopkosten WBHa In de eerste fase zijn er aanloopkosten voor het oprichten van het warmtebedrijf, zoals advies- en accountantskosten, juridische ondersteuning, communicatie kosten en de inrichting van de organisatie. Het betreft voornamelijk personele capaciteit en advieskosten. Deze kosten keren niet terug in de businesscase en vragen een aparte kapitaalinbreng van de aandeelhouders. De verwachte aanloopkosten betreffen in totaal zo'n € 2 miljoen, de aandeelhouders brengen dit 50/50 in, waardoor de gemeente Haarlem een bijdrage van €1 miljoen aan aanloopkosten levert. g. Agiostorting De benodigde vermogensinbreng van de aandeelhouders wordt bepaald op basis van de verwachte ontwikkelkosten en kapitaaluitgaven. Deze kosten financiert het warmtebedrijf met 80% vreemd vermogen (leningen) en 20% kapitaalstortingen van aandeelhouders. Gezien de aandelenverhouding is hierbij het uitgangspunt gehanteerd dat beide aandeelhouders hun deel gelijk (50/50) inbrengen.

De ontwikkelkosten (DEVEX) betreffen de voorbereidingskosten voor projectontwikkeling vóór de daadwerkelijke investeringen. Ze zijn geraamd op in totaal € 1,6 miljoen o.b.v. de inschatting van het Warmtebedrijf (€ 0,8 miljoen voor de gemeente als aandeelhouder) en omvatten ontwerp- en ontwikkelwerkzaamheden. In de periode t/m 2030 wordt ervan uitgegaan dat deze kosten volledig gefinancierd worden door kapitaalstortingen vanuit de aandeelhouders. Na 2030 is de verwachting dat dit 80% vreemd vermogen en 20% kapitaalstortingen betreft. Er is geen ‘gouden

regel’ voor de verhouding vreemd en eigen vermogen. Echter wordt 80%-20% gezien als een gangbare ratio. De kapitaaluitgaven (CAPEX) zijn de grote investeringen in bronnen, infrastructuur en huisaansluitingen. De CAPEX per woningequivalent (WEQ) is indicatief bepaald door de businesscase van Haarlem Noord door te rekenen naar het volledige warmtekavel. De uitkomsten zijn een globale indicatie en geen exacte raming. Ten opzichte van de CAPEX in het warmteprogramma is in deze informatienota een kostenstijging van 20% opgenomen. De gemiddelde investeringskosten bedragen hierdoor €22.800 per aansluiting. Deze verhoging volgt uit een second opinion van Royal Haskoning, waarin wordt geconcludeerd dat eerdere CAPEX-ramingen aan de lage kant waren. Dit is onder andere doordat de berekeningen gestoeld zijn op een positieve business case van Haarlem Noord welke is geëxtrapoleerd naar het hele kavel. Daarnaast ziet de gemeente Haarlem in de praktijk dat de kosten voor werkzaamheden in de openbare ruimte fors zijn gestegen. WBHa heeft de CAPEX beoordeeld en geeft aan dat de opgenomen +20% kostenopslag een verbetering is, maar dat de uiteindelijke investeringskosten waarschijnlijk hoger uitvallen. Volgens WBHa liggen de huidige CAPEX‑inschattingen aan de onderkant van de bandbreedte.

Op basis van deze investeringsinschattingen is voor de startfase van het warmtenet een aanvullende kapitaalstorting noodzakelijk. Dit leidt tot een berekende agiostorting van €11,4 miljoen vanuit de gemeente als aandeelhouder. In combinatie met de reeds voorziene ontwikkelkosten van € 0,8 miljoen voor de gemeente Haarlem komt de totale benodigde agiostorting daarmee uit op € 12,2 miljoen. h. Rentelasten Per saldo is er binnen de gemeente sprake van een schuldstand, waardoor er rentekosten gemoeid zijn bij het verstrekken van middelen. Hierbij wordt gerekend met een rentepercentage van rond de 3,5% (projectfinanciering). Voor periode 20272030 zijn de rentelasten cumulatief meegenomen op basis van de geraamde kapitaalstortingen van de aandeelhouder. Het bedrag aan rentelasten telt op tot jaarlijks € 0,5 miljoen in 2030; cumulatief betekent dat een rentelast van € 0,9 miljoen voor 2027-2030. Samenvattend, de tabel 2 laat zien dat een belangrijk deel van de gemeentelijke inzet bestaat de kosten voor gemeentelijke capaciteit en uit investeringen op de balans in de rol van aandeelhouder. De inzet van financiële instrumenten leidt daarnaast tot tijdelijke of risicodragende verplichtingen, waarvan de daadwerkelijke uitgaven afhankelijk zijn van het verloop van de aansluitingen.

Wat de tabel niet laat zien is dat de investeringen op de balans in de rol van aandeelhouder op de lange termijn ook voor baten zullen zorgen in de vorm van dividend. Garantstelling voor vreemd vermogen Voor de financiering van de aanleg en uitbreiding van warmtenetten maakt het warmtebedrijf gebruik van vreemd vermogen. In de opstartfase is het gebruikelijk dat financiers aanvullende zekerheden vragen, omdat de kasstromen nog beperkt zijn en de resultaten sterk afhankelijk zijn van het gerealiseerde aansluitpercentage. Dit kan

ertoe leiden dat de gemeente als aandeelhouder (deels) garant staat voor de aangegane leningen van het warmtebedrijf. Zo’n garantstelling vormt een potentiële verplichting voor de gemeente, die pas tot uitgaven leidt wanneer het warmtebedrijf niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen. Het afgeven van garanties heeft gevolgen voor de risicopositie en het weerstandsvermogen van de gemeente. De omvang van de garantievraag hangt samen met het gekozen scenario: inzet van instrumenten en hogere vollooppercentages verkleinen over het algemeen de behoefte aan aanvullende zekerheden. Daarnaast zijn er ook rijksinstrumenten in ontwikkeling in dit kader zoals de Garantieregeling Warmtenetten. Het Rijk dekt het kredietrisico van banken af, wat veel zekerheid geeft en daardoor de vermogenskosten van warmtebedrijven verlaagt en hen in staat stelt om meer vreemd vermogen aan te trekken. Aangezien deze regeling, en de bijbehorende voorwaarden en plafond, nog in ontwikkeling zijn, is het onzeker of en wanneer het warmtebedrijf gebruik zal kunnen maken van de regeling. Als dit wel het geval is, zou het Rijk de rol van de gemeente kunnen overnemen wat betreft garantstelling voor het aantrekken van vreemd vermogen.

4.5 Meerjarige beeld 2027-2030 (o.b.v. scenario 3) Onderstaand wordt een meerjarig overzicht van de kosten in collectieve buurten gepresenteerd, gebaseerd op de tabel 2. Omdat niet alle kosten direct zullen optreden, geeft dit overzicht de spreiding weer over de jaren 2027–2030. Er is gekozen voor scenario 3, zodat het meest complete en gedetailleerde meerjarenbeeld wordt getoond. Beleidsrol

2027

2028

2029

2030

Opmerking

(in duizenden €) Begrotingseffect Gemeentelijke organisatiekosten (collectief) Ruimte maken in de ondergrond

1.815

Onderzoekskosten tbv geothermie

2.000

2.885

4.500

500

600

5.730

2.000

Risico afdekken

2.050

Mogelijk risico effect €2.050

Subsidies

7.250

Loopt door in 2031 (€7.250)

15.030

9.300

Totaal begrotingseffect

Aandeelhoudersrol

3.815

2027

5.385

2028

5.100

2029

2030

(in duizenden €) Balans effect Aanloopkosten WHBa

250

270

270

270

agiostorting

450

3.200

3.550

5.000

700

3.470

3.820

5.270

25

146

280

464

25

146

280

464

Totaal balans effect Begrotingseffect Rentelasten Totaal begrotingseffect Bedragen staan in prijspeil 2026

Tabel 3: meerjarenbeeld collectief gebied MT-warmtenetten o.b.v. scenario 3

Opmerking

5. Doorkijk tweede uitvoeringsfase (38.000 WEQ, 2030 - 2040) Na 2030 is voorzien in een verdere invulling van het aantal aansluitingen tot circa 43.000 WEQ in 2040. De financiële cijfers voor deze periode zijn wederom gebaseerd op extrapolatie van de businesscase van Haarlem Noord. De tabel toont de kosten voor MT-warmtenetten in het gehele warmtekavel. Beleidsrol (in duizenden €)

Balans effect

Begroting s effect

Risico effect

Aandeelhoudersrol (in duizenden €)

Balans effect

Begroting s effect

Scenario 1 Inzetten aanwijsbevoegdheid

a

Gemeentelijke organisatiekosten (collectief) Totaal

113.468

0

113.468

g 0

h Rentelasten** Totaal (in alle scenario's gelijk)

90.200 3.157 90.200

+ Vollooprisico afdekken

Kosten scenario 1

113.468 *

15.250

15.250

0

128.718

15.250

128.718

15.250

Scenario 3 + Subsidie (tot CV kosten)

Kosten scenario 2 e

+ Subsidie Totaal

3.157

**Betreffen de maximale rentelasten per jaar bij een agiostorting van € 90 miljoen

Scenario 2

d Vollooprisico afdekken Totaal

Agiostorting

pm 0

128.718

15.250

* zie ad d.

Tabel 4: doorkijk 2030-2040 collectieve buurten MT-warmtenetten

De doorkijk laat zien dat de gemeentelijke inzet in de rol van aandeelhouder in de tijd toeneemt, terwijl de inzet van instrumenten en organisatiekosten afhankelijk blijft van beleidskeuzes en tempo. De agiostorting zal afhankelijk zijn van de fasering en tempo van het warmtebedrijf.

6. Dekking kosten voor de gemeente (CDOKE) Voor de financiering van de energie- en warmtetransitie en de bredere duurzaamheidsdoelstellingen zijn zowel structurele begrotingsmiddelen als tijdelijke CDOKE‑middelen beschikbaar (Capaciteit Decentrale Overheden Klimaat- en Energiebeleid). Vanuit het Rijk zijn deze middelen bestemd voor om de capaciteit te versterken voor het uitvoeren van klimaat- en energiebeleid en de energie- en klimaattransitie. Onder klimaat- en energiebeleid valt beleid dat bijdraagt aan het behalen van de doelen uit de Klimaatwet. Deze doelen zijn voor gemeente Haarlem vertaald in de Haarlemse Routekaart Duurzaamheid. Tot en met 2030 verwacht de gemeente CDOKE-basisfinanciering vanuit het Rijk te ontvangen. Jaarlijks ontvangt

de gemeente circa € 5,3 miljoen. In het nieuwe regeerakkoord zijn voor de periode 2031 tot 2040 middelen gereserveerd (vergelijkbaar bedrag) voor de gemeente, maar de bevestiging hiervan moet in de meicirculaire nog komen. Gemeente Haarlem heeft daarnaast CDOKE-planfinanciering aangevraagd en ontvangen voor 9 buurten waar zij concreet aan de slag gaat. Dit is een extra uitkering voor specifieke buurten of gebieden waar de gemeente concreet aan de slag gaat met het aardgasvrij maken van gebouwen. Voor deze buurten ontvangt de gemeente jaarlijks circa € 3,2 miljoen. De afgelopen jaren is de CDOKE basisfinanciering en – planfinanciering niet uitgenut en is er een restsaldo op de balans (totaal circa € 5,8 miljoen). Let op: voor de CDOKE-middelen geldt dat er een onderscheid bestaat tussen basisen planfinanciering voor wat betreft terugbetalingsplicht. Voor de CDOKE basisfinanciering geldt geen terugbetalingsplicht wanneer middelen niet binnen een bepaalde termijn worden besteed; deze uitkering wordt via het gemeentefonds verstrekt en kent geen vervaltermijn. Voor de CDOKE planfinanciering geldt dit wel: deze middelen moeten binnen de gestelde periode worden ingezet voor apparaatskosten in de aangewezen buurten. Niet aangewende planfinanciering moet worden terugbetaald aan het Rijk.

Om dit risico te mitigeren is rekening gehouden met een mogelijke terugbetaling van circa 25% van de jaarlijkse CDOKEplanfinanciering (ongeveer € 0,8 miljoen per jaar). Ook voor het opvangen van schommelingen in de inzet van capaciteit kan worden overwogen om een reserve voor klimaat- en energietransitie in te stellen, zodat de inzet van middelen over meerdere jaren gelijkmatiger kan worden verdeeld. De CDOKE-middelen worden, naast de bestaande stadsbrede energietransitie aanpakken (isoleren, aardgasvrij) ingezet voor de capaciteit die bijdraagt aan gemeentebrede duurzaamheidsopgaven, gerelateerd aan de Haarlemse routekaart duurzaamheid. Denk hierbij aan de ontwikkeling van de Haarlemse Duurzaamheidsbegroting en Routekaart Duurzaamheid, het verduurzamen van de eigen organisatie, de uitvoering van het Actieprogramma circulaire economie, duurzame mobiliteit. Ook ondersteunende functies, waaronder juridisch en financieel advies, worden hieruit gefinancierd. Vanaf 2027 worden de middelen ook ingezet voor het Duurzaamheids Experience Center. Op jaarbasis wordt er naast begroot budget voor de energietransitie van € 2,4 miljoen, € 4,5 miljoen ingezet vanuit de CDOKE-middelen voor de overige duurzaamheidsdoelstellingen. CDOKE middelen en budget (in duizenden €)

2027

CDOKE basisfinanciering

5.332

Restant CDOKE basisfinanciering

2.675

CDOKE planfinanciering

2028

2029

2030

TOTAAL

5.332

5.332

5.332

21.328

3.173

3.173

3.173

3.173

12.692

Restant CDOKE planfinanciering

3.173

-820*

-820*

-820*

713

Begroot budget

2.390

2.390

2.390

2.390

2.675

Totaal beschikbaar budget Reeds ingezet budget

9.560 46.968

6.669

6.869

6.869

Totaal Restant CDOKE middelen

* Deze post is opgenomen vanwege de bestaande onzekerheid bij de planfinanciering.

6.869

27.276 19.692

Tabel 5: beschikbare middelen (CDOKE en begroting)

Aanvullende bezetting voor het warmteprogramma en dekking Het warmteprogramma vraagt, zoals in deze financiële verkenning beschreven, om aanvullende formatie voor het gebiedsgericht verder brengen van de energietransitie in de collectieve en individuele buurten. De benodigde extra bezetting bedraagt circa € 21,9 miljoen. Het benodigde communicatie en participatiebudget bedragen circa € 3 miljoen, waarmee de totale gemeentelijke organisatiekosten voor 2027 tot en met 2030 op circa € 24,9 miljoen komen. De incidentele voorbereidingskosten (voor ruimte maken in de ondergrond en geothermie) bedragen circa € 5,1 miljoen. Warmteprogramma - capaciteit en materieel

2027

2028

2029

2030

1.220

2.375

2.375

3.990

9.960

Gemeentelijke organisatiekosten collectieve buurten

1.815

2.885

4.500

5.730

14.930

Totale capaciteit en materieel WWP

3.035

5.260

6.875

9.720

24.890

500

600

(in duizenden €) Gemeentelijke organisatiekosten individuele en klein collectieve buurten

Ruimte maken in de ondergrond

TOTAAL

1.100

Onderzoekskosten Geothermie

2.000

2.000

4.000

Voorbereidende kosten (incidenteel)

2.000

2.500

600

0

5.100

Totaal

5.035

7.760

7.475

9.720

29.990

Tabel 6: scenario 1: benodigde middelen uitvoering Warmteprogramma 2027 – 2030 beleidsrol

Naast de organisatiekosten en voorbereidende kosten is er sprake van andersoortige kosten, zoals de kosten voor het afdekken van het vollooprisico, de kosten voor subsidiekosten en de rentelasten vanuit de aandeelhoudersrol (zie tabel 2). Het relatief gunstige beeld dat CDOKE middelen een groot deel van de gemeentelijke kosten kunnen dekken in de periode 2027–2030 ontstaat vooral doordat in eerdere jaren minder CDOKE‑middelen zijn besteed dan beschikbaar waren. Deze onderbesteding is toegevoegd aan de balans, waardoor tijdelijk extra financiële ruimte ontstaat, welke ingezet kan worden in de jaren 2027-2030. Vanaf 2029/2030 wordt echter een duidelijk kantelpunt zichtbaar: de benodigde inzet voor het warmteprogramma neemt dan substantieel toe. Hierdoor stijgt de totale behoefte aan middelen vanuit de CDOKE‑basisfinanciering. Om deze oplopende kosten te dekken, worden middelen uit het opgebouwde budget op de balans ingezet, die vervolgens in deze periode nagenoeg volledig wordt opgebruikt. Samengevat: Voor de organisatiekosten voortkomend uit het warmteprogramma, kan er € 5,2 miljoen niet gedekt worden vanuit CDOKE middelen (in de jaren 2027 – 2030). Daarnaast is er € 5,1 miljoen benodigd voor de voorbereidingskosten (om ruimte te maken in de ondergrond en onderzoekskosten Geothermie). Ook hier is geen dekking voor en deze kosten kunnen niet worden gedekt uit CDOKE financiering.

Zie onderstaande tabel voor de uitsplitsing per jaarschijf.

Ongedekte kosten warmteprogramma (in duizenden €) Ongedekte capaciteitskosten a.g.v. warmteprogramma

2027

2028

2029

2030 TOTAAL

1.150

1.350

1.350

1.350

500

600

Voorbereidingskosten: ruimte maken in de ondergrond Voorbereidingskosten: onderzoekskosten Geothermie

2.000

2.000

Totaal

3.150

3.850

5.200 1.100 4.000

1.950

1.350

10.300

Tabel 7: Claims nog niet gedekt in scenario 1 vanuit beleidsrol

Om deze kosten te dekken zijn er een aantal mogelijkheden. Er wordt continu gekeken kunnen naar aanvullende externe baten. Er zou vervolgens of geprioriteerd kunnen in de inzet van de CDOKEmiddelen en/of toegekende begrotingsmiddelen. Indien dit niet toereikend is, zal besloten kunnen worden om de additionele kosten te dekken vanuit de algemene middelen.

7. Conclusies kosten en dekking Deze financiële verkenning biedt een eerste financieel beeld van de (on)gedekte kosten van het warmteprogramma voor de periode 2027–2030. De uitvoering van het warmteprogramma vergt zowel vanuit de beleidsrol van de gemeente als vanuit haar aandeelhoudersrol middelen. Niet voor alle benodigde middelen is dekking. Tabel 8 geeft een overzicht van de totale kosten onderverdeeld in de kosten met dekking en de kosten zonder dekking. Hieruit blijkt dat in het minimale scenario, een totaal van circa € 11,2 miljoen nog dekking behoeft. In scenario 2 telt dat bedrag op tot circa € 13,3 miljoen en in scenario 3 is dat € 27,8 miljoen. Hierin zijn de kosten voor scenario 2 en 3 optioneel en afhankelijk van keuzes. 2027-2030 (in duizenden €)

Kosten met dekking

Aandeelhoudersrol: benodigde kapitaalstorting Gemeentelijke organisatiekosten (collectieve en individuele buurten) Voorbereidingskosten: ruimte maken i/d ondergrond & onderzoek geothermie Totaal scenario 1 Scenario 2: Inzet financieel instrument - vollooprisico afdekking Totaal scenario 2 Scenario 3: inzet financieel instrument - subsidies Totaal scenario 3

19.690

19.690

Kosten zonder dekking 914

Totaal

Opmerking

914

5.200

24.89 0

5.100

5.100

Cumulatieve rentelasten voor aantrekken agiostorting € 13,26 miljoen Dekking ad € 20 miljoen vanuit CDOKE middelen, resterende kosten zijn niet gedekt. Lopen door in 2031 e.v. Incidentele kosten

11.214 2.050

19.690

Aanname: 50% van het risico doet zich voor

14.50 0 47.45 4

Er kan ook worden gekozen voor lagere subsidie

13.264 14.500

19.690

2.050

27.764

Tabel 8: overzicht kosten met en zonder dekking

8. Risico’s en onzekerheden De financiële haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het warmteprogramma zijn afhankelijk van verschillende externe factoren en onzekerheden. Voor de periode

2027–2030 is hieronder een overzicht opgenomen van de vier meest bepalende risicocategorieën voor tempo, kosten en uitvoerbaarheid.

Realisatierisico’s (tempo en volloop) De haalbaarheid van warmtenetten hangt sterk af van het tempo en de volloop. Het maken van tempo is niet alleen van belang in het kader van beleidsambities maar ook in het kader van het beperken van risico's: hoe langer de voorbereiding duurt, hoe groter de kans dat bewoners al kiezen voor individuele oplossingen, waardoor de volloop daalt. Ondanks de inzet van de aanwijsbevoegdheid blijft het onzeker hoeveel gebouweigenaren daadwerkelijk aansluiten. Het landelijke imago van warmtenetten is wisselend, waardoor bewoners soms terughoudend zijn. Haarlem heeft daarom baat bij een eerste succesvolle, betaalbare realisatie om vertrouwen op te bouwen en als praktijkvoorbeeld te dienen voor volgende buurten. Kosten‑ en marktontwikkelingen De uitvoering van warmtenetten in Haarlem vindt plaats in een complexe stedelijke omgeving. Haarlem is zowel ondergronds als bovengronds dichtbebouwd, met een volle kabel‑ en leidingenstructuur, beperkte ruimte en historisch kwetsbare straten en profielen. Dit vergroot de kans op meerwerk, planningstegenvallers en hogere investeringskosten. Daarnaast blijven arbeids-, materiaal- en financieringskosten volatiel, waardoor DEVEX- en CAPEX‑ramingen kunnen stijgen ten opzichte van de huidige aannames.

Deze onzekerheden werken direct door in de businesscase van warmtenetten: hogere kosten kunnen leiden tot een grotere kapitaalbehoefte bij het warmtebedrijf, een hogere BAK of aanvullende financiële inzet door de gemeente. Ook vertraging door technische of ruimtelijke tegenvallers kan het uitvoeringstempo drukken en daarmee de totale kosten verhogen. Aan de andere kant is de verwachting dat er op termijn ook schaalvoordelen te behalen zijn: landelijk zijn de grote netbeheerders bezig met deelname in lokale en regionale warmtebedrijven. Grote bedrijven, zoals HVC, Alliander en Stedin, verschuiven hun aandacht naar grootschalige collectieve warmte. Naar verwachting leidt deze opschaling naar standaardisatie van processen en materialen met bijkomende kostenverlagingen. Mogelijk vallen daardoor de DEVEX en CAPEX lager uit dan berekend. Onzekerheid over wet- en regelgeving en rijksregelingen De wet- en regelgeving rondom warmtenetten is op het moment van schrijven niet volledig uitgewerkt. De uitwerking van de WGIW en de nieuwe rekenregels voor tarieven en betaalbaarheid zijn bepalend voor o.a. de berekeningen voor de BAK en de tarievenstructuur. Omdat de wet pas in 2027 in werking treedt, bestaat onzekerheid over de exacte randvoorwaarden voor zowel gemeente als warmtebedrijf.

Daarnaast zijn veel rijksregelingen (ISDE, SAH, SDE++, WIS) die momenteel essentieel en in veel gevallen niet eens toereikend zijn, niet structureel of nog onderwerp van wijziging. Voor woningen in de bestaande bouw is zonder substantiële (Rijks)bijdrage geen sluitende businesscase te realiseren. Het voortbestaan en de hoogte van deze subsidies is daarmee een risico voor de betaalbaarheid. Het nieuwe kabinet zegt in haar regeerakkoord ‘Aan de slag’ dat ze

vol blijft inzetten op warmtenetten maar er lijken (nog) geen aanvullende financiële middelen hiervoor uitgetrokken. Juridische risico’s (staatssteun en garantstellingen) In algemene zin geldt dat de financiële middelen die de gemeente - ongeacht vanuit welke rol (beleid of aandeelhouder) - beschikbaar stelt aan ondernemingen (dus niet particulieren) voor de verwezenlijking van de genoemde scenario's, steeds moeten worden getoetst op de staatssteunrechtelijke toelaatbaarheid. Dit zal dus o.a. aan de orde zijn voor het afdekken van het vollooprisico, de aanloopkosten, de agiostorting en de bijbehorende rentelasten alsook voor de garantstelling voor vreemd vermogen. De verdere inrichting hiervan is afhankelijk van een vervolg en zal dus later nader worden onderzocht. Steeds zal de juridische houdbaarheid moeten worden bepaald aan de hand van de verschillende routes om de financiële middelen staatssteunproof beschikbaar te stellen. Het aanwijzen van de dienstverlening van het warmtebedrijf als DAEB (Dienst van algemeen economisch belang) is een mogelijke staatssteunroute die op dit moment verder wordt verkend. Een en ander is afhankelijk van de benodigde financiële middelen en de voorwaarden die het DAEB-Vrijstellingsbesluit stellen voor toepassing van deze route.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16871813/1