2 Bijlage 1 Eindrapport 213a onderzoek 2025 Inhuur derden
Tekst van het document
•
De inhuurdesk dient te beschikken over kennis van de markt en een persoonlijke en vraaggerichte aanpak richting (afdelings-)managers te ontwikkelen.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
•
23/40
Duidelijke centrale kaderstelling over inhuur. Wat mag wel binnen de gemeente Haarlem en wat niet? En welke tarieven zijn acceptabel? De kaders en inhuurdoelstellingen worden opgesteld door HR en vastgesteld door de directie. Managers blijven binnen de kaders.
•
Een duidelijk en vast inhuurproces, door HR op te stellen en te faciliteren.
•
Steun en commitment van de directie is noodzakelijk. Nadat het mandaat (stevig) is neergezet, zal de directie zich hieraan moeten committeren en afwijkingsverzoeken slechts onder bijzondere omstandigheden toestaan, mits dit verdedigbaar is binnen de wet- en regelgeving.
Daarnaast adviseren wij er (meer) rekening mee te houden dat de wettelijke bepalingen voor een arbeidsovereenkomst en overeenkomst van opdracht van ‘dwingendrechtelijke aard’ zijn. Dus volgt uit alle feiten en omstandigheden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst? Dan kan de gemeente niet (alsnog) zelf, of in overleg met de werkende, bepalen dat daarvan toch geen sprake is en aldus op basis van een afwijkingsverzoek de arbeidsrelatie op de voorgestelde wijze aangaan of verlengen. Een verzoek tot afwijken is in onze ogen dan ook alleen mogelijk in situaties waarin enige onduidelijkheid bestaat over de arbeidsrelatie en het op basis van de feiten en omstandigheden verdedigbaar is dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. In het kader van HT is het bovendien wenselijk dat de gemeente een risicomijdende houding aanneemt aangezien een uitgangspunt van HT is om compliant te zijn aan wet- en regelgeving. Het advies hebben we in de volgende punten concreet uitgewerkt.
Advies 1: managers zijn verantwoordelijk voor inhuur, kaderstelling en ondersteuning centraal De verantwoordelijkheid voor inhuur hoort laag in de organisatie te blijven. Managers zijn resultaatverantwoordelijk en daarmee ook verantwoordelijk voor inhuur. Daarbij zijn ze wel gebonden door het gemeentebrede beleid op inhuur. Verantwoordelijkheid is altijd ingekaderd. Door een betere ondersteuning en heldere kaderstelling kan beter dan nu voorkomen worden dat onaanvaardbare risico’s worden gelopen, zowel op doelmatigheid als rechtmatigheid. Het makkelijker afwikkelen van inhuur maakt het leven van managers bovendien aangenamer. Het mes kan aan twee kanten snijden.
Advies 2: neem doelstellingen over omvang en tarieven op in het beleid De beleidsmatige kaders zijn goed, maar op onderdelen nog niet volledig. Het knelt dat arbeidsvoorwaarden tussen inhuurkrachten en vast personeel te veel uiteenlopen. Het ontbreken van een kader over tarieven maakt sturing op doelmatigheid onmogelijk. We adviseren een kader te stellen aan maximale inhuurtarieven per salarisschaal voor de functie waarvoor mensen worden ingehuurd. De doelstelling over de omvang van de totale inhuur is vrijblijvend. De bandbreedte wordt op deze wijze niet gehaald. Ons advies is de doelstelling van 10% inhuur minder vrijblijvend te maken en in een ingroeipad van drie jaar toe te groeien naar de doelstelling.
Advies 3: richt een inhuurdesk in Andere gemeenten hebben goede ervaringen met inhuurdesks. Deze desk ondersteunt het inhuurproces van de gemeente. Alle inhuur wordt verplicht via de desk afgewerkt. De desk beheert de contracten en verzorgt de administratieve afwikkeling van inhuur. De desk bewaakt de centrale kaders en levert input voor centraal beleid. De optimale omvang van de inhuurdesk is, gegeven de omvang van de organisatie van de gemeente Haarlem, 3 tot 4 fte. In de inhuurdesk moeten twee functies komen: administratieve ondersteuning (1,5 tot 2 fte) en beleidsmedewerker/adviseur inhuur (2 fte). De administratieve ondersteuning verzorgt de administratie en contractuele afwikkeling van de inhuurcontracten en raamovereenkomsten. Zij zorgen ook voor actuele stuurinformatie. De beleidsmedewerkers/adviseurs bereiden centrale kaderstelling voor en adviseren managers over inhuurvraagstukken. Belangrijk is dat zij ook concreet helpen met het
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
24/40
invullen van inhuurvragen en het sluiten van inhuurcontracten/mantelovereenkomsten. Managers geven duidelijk aan behoefte te hebben ontzorgd te worden. Het draagvlak voor de inhuurdesk is ook grotendeels afhankelijk van het laten zien van toegevoegde waarde voor het primair proces. Wij geven verder als advies mee om te starten met een kwartiermakersfase van maximaal een jaar waarin de inhuurdesk opgebouwd wordt en incidenteel financieel gedekt wordt. Structurele dekking voor de kosten van formatie-uitbreiding kan na de kwartiermakersfase mogelijk (deels) gevonden worden in inkoopvoordeel of efficiencywinst. In de afweging met verdergaande modellen zoals het brokersysteem en de managed serviceprovider (zie paragraaf 3.1.1) adviseren wij om te kiezen voor een interne variant. In het Haarlemse managementmodel ligt de integrale verantwoordelijkheid bij de afdelingsmanagers en is er op de afdelingen een grote behoefte om zeggenschap te houden over de behoeftestelling en invulling van inhuurvragen. Het extern beleggen van de ondersteuning en verzorging van het inhuurproces zou hier naar ons oordeel een te grote stap zijn. Bovendien vraagt het werken met externe providers dat de organisatie verder op orde is dan nu het geval. Om die reden adviseren wij om te kiezen voor een interne variant.
Advies 4: zorg voor een goede ondersteuning met ICT-systemen Dit is essentieel om het inhuurproces te stroomlijnen. Een DAS is een basisvoorwaarde en ook archivering moet op orde zijn. De aansluiting op andere systemen die de gemeente gebruikt (bijvoorbeeld het HRM-pakket) moet gewaarborgd zijn.
Advies 5: sluit de geitensnelweg af De hoofdlijn moet zijn: we huren in binnen de kaders die gesteld zijn. Daarbuiten wordt niet ingehuurd. Een afwijkingsverzoek moet een hoge uitzondering zijn waarbij HR in de positie moet zijn om hier een bindend advies te geven. Het advies is dit in de werkprocedures op te nemen.
Advies 6: versterk de sturingsmogelijkheden van managers Op dit moment hebben managers al goed zicht op de budgetten, de benodigde arbeidscapaciteit en de gewenste verdeling tussen vast en flex/inhuur. HR ontwikkelt het strategisch personeelsbeleid, dat moet hieronder een stevig fundament vormen. De sturingsmogelijkheden van managers om te sturen op minder inhuur worden belemmerd door regelgeving op budgettair gebied en op arbeidsvoorwaarden. Waar de belemmeringen liggen, is duidelijk. De gemeente Haarlem heeft, naar wij hebben begrepen, al veel geïnvesteerd in een goede employer-branding. Dit is voorwaardelijk om als gemeente ook in staat te zijn goede krachten aan te trekken. Uit de gesprekken is gebleken dat er veel discussie is over de arbeidsvoorwaarden. Het kader wordt als te knellend ervaren. Binnen de kaders (functiewaarderingen, CAO, eigen arbeidsvoorwaarden van de gemeente Haarlem) zijn er wel mogelijkheden om maatwerk te bieden, bijvoorbeeld in arbeidsmarkttoelagen of afspraken over opleidingen. Wij adviseren om deze mogelijkheden in de HR-advisering aan managers actief mee te nemen. Budgettaire regels vormen ook een belemmering, en dan met name de regel dat structurele formatie altijd gedekt moet zijn door structurele middelen. Deze regel is vanuit financiële logica goed te begrijpen, maar leidt er toe dat bij langjarig incidenteel geld langdurig ingehuurd wordt.
Mogelijke oplossingen voor dit probleem zijn te vinden in het werken met interne flexpools, bijvoorbeeld voor project- en programmamedewerkers. Ook de budgettaire kaders kunnen heroverwogen worden, bijvoorbeeld door activiteiten en kosten eerder als structureel in de begroting op te nemen of door wél structurele formatie toe te staan als er meerjarig incidenteel geld is. Deze oplossingsrichtingen vallen buiten het kader van de onderzoeksvragen, maar zouden naar ons inzicht verder verkend kunnen worden.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
4.2
25/40
Veranderkundige aspecten
Het krijgen van sturing op inhuur vraagt naast structuuringrepen ook om invulling van enkele veranderkundige randvoorwaarden. Deze hebben we in de vorm van vijf adviezen hieronder opgeschreven.
Advies 7: kom tot een gezamenlijke visie in de top Welke koers er ook wordt ingezet op het gebied van inhuur, een stevige gezamenlijke en duurzame visie op dit thema binnen het leiderschap is een vereiste. In de huidige situatie is er in de top van de organisatie teveel verschil van inzicht en is de sturing ook niet congruent met het vastgestelde beleid. Zodra er in de top twijfel ontstaat over de gekozen koers, zal de onzekerheid in de organisatie toenemen en heeft de verandering een lagere kans van slagen. Ga als leiderschapsteam, inclusief de hoogste directie, met elkaar om tafel en leg de nieuwe koers vast. Spreek daarbij ook het commitment uit het beleid te handhaven. Bestuurlijke rugdekking moet hiervoor ook aanwezig zijn. Een strakkere sturing op afwegingen voor inhuur, kan er ook toe leiden concernbelangen leidend zijn ten opzichte van individuele projectbelangen, bijvoorbeeld doordat langer gezocht moet worden naar een projectleider of projectmedewerker. Dit kan als gevolg hebben dat er tijdelijke vertraging ontstaat in projecten die bestuurlijk zijn afgesproken. Voorkomen moet worden dat dit leidt tot oneigenlijke bestuurlijke druk om de kaders te negeren.
Advies 8: Leidinggevenden geven het voorbeeld Als de koers vaststaat, hebben leidinggevenden vervolgens een dubbelrol: zij moeten vooropgaan in de verandering én ze zijn zelf onderdeel van de verandering. Om het leiderschap goed voorop te laten gaan, helpt het als ze weten hoe ze gewenst gedrag stimuleren en hoe ze begrenzen op ongewenst gedrag. Het vraagt van hen voorbeeldgedrag en het tonen van kwetsbaarheid in het aanleren van nieuw gedrag. Dit geldt niet alleen voor een leidinggevende richting medewerkers, maar ook voor leidinggevenden zelf die verticaal met elkaar in verbinding staan.
Advies 9: Communiceer helder naar medewerkers Als de koers helder is en leidinggevenden zich hieraan verbonden hebben, kan aan medewerkers worden gecommuniceerd wat zij kunnen verwachten en wat er van hen wordt gevraagd. Wat betekent de nieuwe koers in hun dagelijks werk? Waarom is hiervoor gekozen? Wat levert het hen op en welk mogelijk verlies kunnen zij ervaren? Erken als leiderschapsteam dit mogelijke verlies, maar wees tegelijkertijd helder over de ingezette koers. Laat leidinggevenden de boodschap overbrengen en las tijd in voor een gesprek met medewerkers, waarin zij hun percepties kunnen delen.
Advies 10: Accepteer ongemak en gedoe Een organisatie in transitie maakt per definitie fouten en vergissingen. De oude routines zijn immers (deels) verdwenen en de nieuwe voelen nog onwennig. Daarom vraagt goed veranderen ook om samen ruimte te maken voor het leren van fouten en jezelf en elkaar te blijven verbeteren. Het is van belang dat dit leren wordt gefaciliteerd en georganiseerd en dat het gedoe en ongemak wordt geaccepteerd, terwijl er wordt vastgehouden aan de koers.
Advies 11: Investeer in (interne) organisatie Teams en afdelingen die toegang hebben tot goede ondersteuning, als organisatie stevig staan en goed leiderschap hebben, zijn weerbaarder en veerkrachtiger. Bij structurele tekorten blijft het terugvallen op inhuur het bestrijden van een symptoom, terwijl de oorzaak dieper ligt. Los structurele problemen op in teams en op afdelingen met goede begeleiding, het investeren in eigen medewerkers met opleidingsmogelijkheden en het ontwikkelen van loopbaanpaden. Zo bouw je
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
26/40
aan een stabiele organisatie die minder kwetsbaar is voor personele schommelingen en beter is voorbereid op toekomstige uitdagingen.
4.3
Fiscaal juridische aspecten
Om het eerdergenoemde ‘zzp risico’ (voldoende) te beheersen is het van groot belang voor de gemeente om voorafgaand aan en gedurende de inhuur een juiste arbeidsrechtelijke/fiscale beoordeling van de arbeidsrelatie te maken en risicobeperkende maatregelen in het inhuurproces op te nemen. Om te (kunnen) komen tot een situatie waarin de gemeente het ‘zzp vraagstuk’ voldoende beheerst, adviseren wij om in te zetten op de volgende twee pijlers, te weten:
Advies 12: maak een plan van aanpak voor lopende, al bestaande arbeidsrelaties met zzp’ers Voor bestaande, al lopende inhuur van zzp'ers (op 1-1-2025) is een beoordeling gemaakt en is per arbeidsrelatie met een zzp’er het mogelijke risico op schijnzelfstandigheid vastgesteld. Deze beoordeling heeft de gemeente uitgevoerd op basis van een eigen beoordelingskader gebaseerd op het Deliveroo arrest. Op basis van de uitkomst heeft de gemeente vastgesteld of de arbeidsrelatie ongewijzigd kan doorlopen of, bij een risico, dat er meer nodig is (denk aan het aanpassen van de opdracht en/of de werkwijze in de praktijk, indiensttreding bij de gemeente of een derde partij of indien nodig beëindiging van de opdracht). De gemeente zal in 2025 verder aan de slag moeten met de uitkomsten en opvolging daarvan zodat alle bestaande arbeidsrelaties met zzp’ers binnen afzienbare tijd passen binnen de huidige wet- en regelgeving. Wij bevelen aan hier een plan van aanpak met een strak tijdspad voor op te stellen, bij voorkeur gericht op 2025 zodat er per 2026 geen arbeidsrelaties meer zijn met een (hoog) risico op schijnzelfstandigheid.
Advies 13: toets actief nieuwe, toekomstige arbeidsrelaties met zzp’ers op basis van een vast kader/beleid Voor nieuwe arbeidsrelaties met zzp’ers zal de gemeente moeten werken aan een inhuurbeleid en proces waarin voldoende beheersmaatregelen zijn opgenomen zodat aangetoond kan worden dat er geen sprake is van schijnzelfstandigheid. Dit vereist in de praktijk toetsing van de arbeidsrelatie op verschillende momenten in het proces (voorafgaand aan de werkzaamheden, gedurende de werkzaamheden en bij een eventuele verlenging), kaders wanneer en onder welke voorwaarden extern word ingehuurd, inzicht in de populatie aan externe inhuur en het gebruik van een juiste (model)overeenkomst met een resultaatgerichte opdrachtomschrijving. Tot slot moet (periodiek) worden beoordeeld of het inhuurbeleid en -proces ook daadwerkelijk wordt nageleefd binnen de gemeente. Door uitvoering te geven aan deze twee pijlers, kan de gemeente Haarlem op relatief korte termijn voldoen aan de wet- en regelgeving en het risico op schijnzelfstandigheid minimaliseren. Pijler één richt zich daarbij op het inventariseren en vervolgens mitigeren van al bestaande risico’s en pijler twee op het voorkomen en beheersen van toekomstige risico’s. NB.
In verband met mogelijke wijzigingen op het gebied van wet- en regelgeving, adviseren wij de gemeente Haarlem om de ontwikkelingen in dit dossier nauwgezet te volgen en waar mogelijk bij het maken van keuzes al rekening te houden met toekomstige wijzigingen.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
27/40
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
28/40
HOOFDSTUK 5
Bijlagen Bijlage 1 Onderzoeksvragen De centrale vraagstelling van het onderzoek is: Op welke manier is de Haarlemse inhuur ingericht, waar loopt zij risico’s met de huidige inrichting en op welke wijze kan de organisatie van de gemeente Haarlem/Zandvoort externe inhuur inrichten zodat voldaan wordt aan de visie ten aanzien van externe inhuur en geldende wet- en regelgeving
De centrale vraagstelling van het onderzoek is: Op welke manier is de Haarlemse inhuur ingericht, waar loopt zij risico’s met de huidige inrichting en op welke wijze kan de organisatie van de gemeente Haarlem/Zandvoort externe inhuur inrichten zodat voldaan wordt aan de visie ten aanzien van externe inhuur en geldende wet- en regelgeving
De onderzoeksvragen worden beantwoord door middel van onderstaande detailvragen. Het beantwoorden van de centrale vraagstelling en onderzoeksvragen leidt tot een concrete aanbeveling voor een inrichtingsmodel. Huidige situatie
1. Hoe ziet de Haarlemse visie op inhuur eruit? De vraag hoe de Haarlemse visie/beleid op inhuur eruitziet kan worden beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen: 1a. Op welke wijze en in welke mate is visie/beleid beschreven? 1b. Heeft de gemeente heldere en centrale beleidsdoelen en uitgangspunten in het beleid geformuleerd? 1c. Zijn deze beleidsdoelen vertaald naar concrete prestatie-indicatoren? 1d. Op welke wijze en in welke mate wordt in de huidige visie aandacht besteed aan elementen als de krappe arbeidsmarkt en flexibele schil in relatie tot inhuur. 2. In hoeverre voldoet de visie aan wet- en regelgeving en de naleving ervan Deze vraag kan beantwoord worden door de volgend deelvragen te beantwoorden: 2a. Op welke wijze houdt de huidige visie/beleid rekening met wetgeving als DBA, Waadi en inlenersaansprakelijkheid? 2b. Welk risico loopt de gemeente bij ongewijzigde visie/beleid? 2c. Beschrijf welke risico’s de gemeente loopt t.a.v. DBA en kwantificeer de financiële risico’s. Sluit hierbij aan op de systematiek van de gemeente (nota Risicomanagement 2023). Maak gebruik van de inventarisatie die de gemeente zelf uitvoert op de DBA. 3. Hoe is de huidige procesgang, uitvoering en sturing op inhuur? Deze vraag kan beantwoord worden door de volgend deelvragen te beantwoorden:
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
29/40
3a. Beschrijf de interne formele procesgang of inrichting t.a.v. inhuur. 3b. Breng de huidige monitoring- en sturingsmogelijkheden in kaart. 4. Waarom is deze uitvoering wel/niet effectief mede gezien in het licht van de visie op inhuur en wet- & regelgeving Deze vraag kent een inventariserend en oordelend karakter en kan onderbouwd worden door de volgende deelvragen te betrekken: 4a. Stel vast welke (onderdelen van de) processen, uitvoering en sturing wel/niet effectief zijn 4b. Onderzoek de oorzaken indien onderdelen niet effectief zijn. Besteed hierbij aandacht aan elementen als verantwoordelijkheden en bevoegdheden, decentraal – centraal, cultuur-houdinggedrag etc. Toekomst gericht 5. Welke inrichtingsmodellen ondersteunen de visie van de gemeente Haarlem en Zandvoort en dragen bij aan het voldoen aan wet- en regelgeving (w.o. DBA) Deze vraag kan beantwoord worden door de volgende aspecten te betrekken: Mogelijke inrichtingsmodellen zijn: - Inhuurdesk - Dynamisch aankoopsysteem (DAS) - Broker - Management Service Provider (MSP) - (Total Talent Management) 5a.
Beschrijf per inrichtingsmodel hoe en in welke mate wordt voldaan aan de inhuurvisie, betrek daar ook de elementen als visie (en mogelijke hiaten, zie vraag 1d), beleidsdoelstellingen, uitgangspunten, prestatie indicatoren en wetgeving als DBA, Waadi en inlenersaansprakelijkheid NB onder inrichting wordt verstaan het geheel van visie, systemen, besturing , processen, monitoring & sturing en cultuurpatronen. 6. Welke kansen en risico’s biedt elk van de modellen? Houd bij de beantwoording van deze deelvraag rekeningen met volgende factoren: 6a. Beschrijf per inrichtingsmodel de kansen en risico’s in een totaal vergelijkend samenvattend overzicht 6b. Besteed in toelichting op de samenvatting bij het onderdeel kansen tenminste aandacht aan de volgende deelfactoren: - afname van management & administratieve last in de organisatie (concretiseren) - verbetering monitoring/stuurinformatie (w.o. actualiteit, beschikbaarheid en betrouwbaarheid) - mogelijk besparingspotentieel kosten inhuur (berekening/prognose i.r.t. huidige kosten) - mogelijk besparingspotentieel interne organisatie (berekening/prognose i.r.t. huidige kosten) - antwoord op krapte op arbeidsmarkt - voldoen aan wet- en regelgeving (DBA, Waadi, Wet arbeidsmarkt in balans en inlenersaansprakelijkheid, aanbestedingswet) 6c.
Besteed in de toelichting op de samenvatting bij het onderdeel risico’s tenminste aandacht aan de volgende deelfactoren: - Mate van leveringsonzekerheid vanwege krappe arbeidsmarkt en ‘war for talent’ - Afname van regie & invloed van gemeente op inhuurproces (afhankelijkheid) - Standaardisatie versus gevraagd maatwerk (specifieke behoefte afdelingen & organisatie
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
30/40
statuut) - Inschatting & beschrijving mogelijke weerstand tegen externe partij of outsourcing 7. Welk model biedt voor Haarlem meest optimale oplossing? Deze vraag kan beantwoord worden door de uitkomsten van vragen 5 en 6 te combineren en af te wegen en zo mogelijk aan te vullen met andere elementen. Het antwoord vormt de kern voor de aanbeveling van het onderzoek. Gevraagd wordt om de aanbevelingen zo te formuleren dat deze bruikbaar en inpasbaar zijn in een Programma van Eisen voor een aanbestedingstraject.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
31/40
Bijlage 2: Civiel- en fiscaalrechtelijk kader Bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met de werkende, gelden de bepalingen die zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW), deze bepalingen zijn van dwingend recht: Artikel 7:610 lid 1 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Art 7:400 BW geeft definitie van een overeenkomst van opdracht: ‘De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. De Wet op de loonbelasting 1964 sluit in artikel 2 lid 1 bij het begrip dienstbetrekking aan bij de arbeidsovereenkomst als hierboven bedoeld. Kortom voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.
Overigens rust de bewijslast op de inspecteur om aannemelijk te maken dat sprake is van een dienstbetrekking. Op basis van bovenstaande bepalingen volgt de volgorde van beoordeling: eerst wordt bepaald of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst dan kan sprake zijn van een overeenkomst van opdracht. Als geen sprake is van een echte arbeidsovereenkomst, dan kan fiscaal gezien in voorkomende situaties nog sprake zijn van een zogenoemde fictieve dienstbetrekking. Een fictieve dienstbetrekking kan zich voordoen wanneer de arbeidsrelatie die tussen de zzp’er en de opdrachtgever bestaat, niet als een traditionele ‘’echte’’ dienstbetrekking kwalificeert, maar toch enkele gelijkenissen vertoont waardoor de wetgever het van belang heeft geacht dergelijke arbeidsrelaties bij wijze van fictie aan te merken als ‘’fictieve dienstbetrekking’’. Indien sprake is van een fictieve dienstbetrekking dan betekent dat voor de loonheffingen dat dezelfde regels worden toegepast als bij een echte dienstbetrekking.
Relevante jurisprudentie De Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest (HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443) een toetsingskader gegeven om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hierin wordt ingegaan op de vraag welke elementen maken dat sprake is van een arbeidsovereenkomst of dat hier juist geen sprake van is. Het Deliveroo-arrest bevestigt het Groen/Schoevers-arrest (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495) en het Participatieplaats-arrest(HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). Het Deliveroo toetsingskader geeft aan dat om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf moet worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen (de uitlegfase, fase 1). De Haviltexmaatstaf houdt in dat het bij uitleg aankomt op de zin die partijen redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 ‘Haviltex’). Bij de uitlegfase dienen de partijbedoelingen te worden meegenomen.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
32/40
Na de uitlegfase volgt de kwalificatiefase (fase 2). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst (7:610 BW), moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. De Hoge Raad geeft in het ‘’Deliveroo toetsingskader’’ negen gezichtspunten die in onderlinge samenhang tenminste van belang kunnen zijn: 1.
De aard en duur van de werkzaamheden.
2.
De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald.
3.
De inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht.
4.
Het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren.
5.
De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding tot stand is gekomen.
6.
De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd.
7.
De hoogte van deze beloningen.
8.
De vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.
9.
De mate waarin degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur van waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
Deze gezichtspunten dienen vervolgens in onderlinge samenhang bekeken en gewogen te worden om tot een eindconclusie te komen, zoals ook in recente jurisprudentie door rechters wordt gedaan. Het toetsingskader van de Hoge Raad in het Deliveroo arrest geldt op dit moment als het te hanteren toetsingskader om een arbeidsverhouding te beoordelen. De Belastingdienst heeft op basis van dit arrest haar afwegingskader ontwikkeld3. Ook de gepubliceerde vragen bij de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken4 geven een beeld van hoe de Belastingdienst haar beoordeling uitvoert. Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie is ook het ‘’Uber arrest’’ van de Hoge Raad van 21-22025 (ECLI:NL:HR:2025:319) van belang. Hierin is kortgezegd geoordeeld dat (eventueel) ondernemerschap van de opdrachtnemer (element 9) als volwaardig element meegewogen dient te worden bij de beoordeling van een arbeidsrelatie.
Nabije toekomst, een nieuwe ‘Zzp Wet’? Op het moment van schrijven van dit memo (juni/juli 2025) werkt het Kabinet aan het Wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet VBAR). Ondanks de demissionaire status van het kabinet is dit Wetsvoorstel begin juli 2025 bij de Tweede Kamer ingediend met als doelstelling dit wetsvoorstel per 1 juli 2026 in werking te laten treden. De behandeling van het wetsvoorstel zal vermoedelijk pas na de Tweede Kamerverkiezingen van oktober 2025 plaatsvinden.
3 4
Toelichting beoordeling arbeidsrelaties Arbeidsrelaties - Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken | Publicatie | Rijksoverheid.nl
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
33/40
Het wetsvoorstel tracht de bestaande jurisprudentie te codificeren en duidelijk(er) vast te leggen wanneer een arbeidsrelatie is aan te merken als een arbeidsovereenkomst en wanneer als een zelfstandige. Dit wetsvoorstel bevat ook een rechtsvermoeden van werknemerschap. Als een werkende minder betaalt krijgt dan een bepaald uurtarief (€ 36 op basis van het jaar 2025) kan deze werkende een beroep doen op dit rechtsvermoeden en claimen werknemer te zijn. Het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een werknemer (arbeidsovereenkomst). Separaat aan dit wetsvoorstel werken een viertal politieke partijen aan een alternatief wetsvoorstel, de zogenoemde Zelfstandigenwet. De partijen die deze initiatiefwet indienen, VVD, D66, CDA en SGP trachten hiermee een einde te maken aan de huidige onrust rond de status van zzp’ers en (meer) duidelijkheid te creëren wanneer sprake is van een zelfstandige (geen werknemer). De internetconsultatie van dit wetsvoorstel is inmiddels gesloten. Voordat het wetsvoorstel kan worden ingediend bij de Tweede Kamer, zal deze nog voor advies naar de Raad van State worden gestuurd. Het is aan de Staten Generaal om desgewenst een keuze te maken tussen beide wetsvoorstellen. Ook is het goed mogelijk dat er nog wijzigingen in worden aangebracht gedurende de parlementaire behandeling.
Het is maar zeer de vraag in hoeverre het politiek gezien realistisch is dat er op korte termijn een Wetsvoorstel wordt aangenomen. Wij adviseren de gemeente Haarlem om de ontwikkelingen in dit dossier nauwgezet te volgen en waar mogelijk in haar keuzes rekening te houden met de ontwikkelingen. Het is aan de gemeente om in de toekomst haar interne beleid waar nodig aan te passen aan de ontwikkelingen. NB. Tot het moment waarop één van deze wetsvoorstellen (mogelijk) in werking treedt of er andere/nieuwe jurisprudentie wordt gewezen, gelden de huidige bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, nader uitgewerkt in onder meer het eerdergenoemde Deliveroo toetsingskader als te hanteren instrumentarium bij de beoordeling van een arbeidsrelatie.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
34/40
Bijlage 2: Fiscale gevolgen schijnzelfstandigheid Fiscaal risico werken met zelfstandigen (’Wet DBA’) In de praktijk zijn er verschillende manieren voor een gemeente om externe arbeidskrachten in te huren, bijvoorbeeld een uitzendkracht van een uitzendbureau, een gedetacheerde medewerker via een detacheringsbureau of het inhuren van een zelfstandige zonder personeel of freelancer (hierna: zzp’er). Ook kan de gemeente zelfstandig inhuren dan wel gebruik maken van een externe partij of een marktplaats. Bij het inhuren van externe arbeidskrachten zijn er naast bijvoorbeeld het aanbestedingsrecht ook risico’s en aandachtspunten te onderkennen op fiscaal gebied. In dit hoofdstuk richten wij ons op de fiscale risico’s bij inhuur van een zzp’er door een gemeente. Wanneer een gemeente een overeenkomst van opdracht met een zzp’er sluit voor een ‘reguliere’ functie, voor lange duur en voor relatief veel uren per week, waarbij de gemeente bovendien aanwijzingen kan geven hoe de opdracht moet worden uitgevoerd, dan bestaat het risico dat de Belastingdienst (achteraf) kan oordelen dat de zzp’er de werkzaamheden in dienstbetrekking heeft uitgevoerd. De overeenkomst wordt dan aangemerkt als een arbeidsovereenkomst in plaats van een overeenkomst van opdracht.
In dat geval loopt de gemeente naast civielrechtelijke risico’s, zoals het moeten toepassen van de Cao-gemeenten en de pensioenregeling bij het ABP alsmede zaken als loondoorbetaling bij ziekte, transitievergoeding en dergelijke, ook fiscale risico’s op het gebied van de loonheffingen.
Risico sinds het ‘handhavingsmoratorium’ per 2025 vervallen Sinds 1 januari 2025 kan de Belastingdienst in gevallen waarin deze oordeelt dat een zzp’er in dienstverband werkzaam is, weer een correctieverplichting (of naheffingsaanslag) opleggen aan de gemeente. In dat geval is de zzp’er geen opdrachtnemer maar fiscaal een werknemer, in die situatie spreken we hierna van de zzp-werknemer. Overigens bestaat uiteraard de mogelijkheid voor een gemeente om desgewenst in bezwaar en nadien beroep te gaan tegen een afdracht loonheffingen of een naheffingsaanslag. Voor het jaar 2025 geldt overigens naar aanleiding van de opheffing van het handhavingsmoratorium een zogenoemde zachte landing, wat betekent dat er in beginsel geen naheffingsaanslagen/correctieverplichtingen worden opgelegd over perioden vóór 2025. Let op. Het handhavingsmoratorium gold alleen voor de loonheffingen. Dit betekent onder andere dat civielrechtelijke risico’s bijvoorbeeld ten aanzien van pensioen en dergelijke verder terug kunnen gaan dan alleen 2025.
Correctieverplichting In het geval dat wordt vastgesteld dat een zzp’er (achteraf) werkzaam is in dienstbetrekking, dan kan hij/zij in de regel ook de gebruikelijke civielrechtelijke bepalingen claimen/afdwingen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden, ontslag, cao en pensioen etc. De zzp-werknemer heeft dan bijvoorbeeld ook recht op uitkeringen vanuit het sociale vangnet (WW, WAO/IVA/WGA en ZW). Hierbij is het van belang dat de polis-administratie bij UVW beschikt over alle relevante loongegevens, die via de aangifte loonheffingen worden aangeleverd. Vanwege het belang van de polis-administratie zal de Belastingdienst als uitgangspunt de gemeente dan ook verplichten de betalingen aan de zzp-werknemer via correcties in de aangifte loonheffingen met terugwerkende kracht te verwerken als een loonbetaling (correctieverplichting).
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
35/40
Daarbij spelen de volgende aandachtspunten: •
Tarief anonieme werknemer.
•
Verhalen van kosten op de zzp-werknemer.
Tarief anonieme werknemer Als de gemeente niet beschikt over een afschrift van een geldig ID-bewijs voor de datum van in diensttreden en de ‘Opgaaf gegevens voor de loonheffingen’ is voor de eerste loonbetaling niet in de loonadministratie opgenomen, dan is fiscaal in de basis sprake van een anonieme werknemer. Er is namelijk sprake van een anonieme werknemer als deze voordat het ‘loon’ wordt betaald geen naam, adres, woonplaats en BSN heeft verstrekt of als de identiteit niet is vastgesteld en een kopie ID-bewijs is opgenomen in de loonadministratie. Het anoniementarief geldt tot het moment waarop deze gegevens alsnog worden verstrekt. Als sprake is van een anonieme werknemer betekent dit dat de Belastingdienst een naheffingsaanslag of een correctieverplichting kan opleggen tegen het anoniementarief. Dat heeft tot gevolg: •
52% loonbelasting inhouden.
•
Geen toepassing van heffingskortingen . De heffingskorting voor de loonbelasting kan namelijk slechts worden toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan.
•
In geval van een anonieme werknemer, geldt voor de premies werknemersverzekeringen en Zvw geen maximum premieloon.
De gemeente kan dit veelal niet achteraf herstellen. Op het moment van aangaan van de overeenkomst van opdracht, heeft de gemeente in re regel namelijk geen wettelijke grondslag om een kopie van een ID-bewijs op te vragen. In het verleden werden organisaties in de gelegenheid gesteld om alsnog een kopie ID-bewijs op te vragen voordat de correctieberichten werden ingediend samen met de opgaaf gegevens voor de loonheffingen en het verzoek om de heffingskorting al dan niet toe te mogen passen. Mogelijk dat de Belastingdienst als daar sprake van is de gemeente hiertoe in uitzonderingsgevallen alsnog de gelegenheid toe biedt maar hierop bestaat geen garantie.
Verhalen van kosten op de zzp-werknemer Terzake van het verhalen van kosten op de zzp-werknemer moet er onderscheid gemaakt worden tussen de volgende kosten: 1.
Loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen).
2.
Premies werknemersverzekeringen en de werkgeversbijdrage Zvw.
3.
Boete(n).
Ad 1. Loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen); De gemeente is inhoudingsplichtig voor de loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen), maar de zzp-werknemer is degene die de uiteindelijke belastingplichtige is. Daarom dat het bedrag aan loonheffing altijd als een in te houden bedrag wordt verwerkt op een salarisstrook, zodat deze kosten voor rekening van de zzp-werknemer komen. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat de gemeente het nageheven bedrag aan loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen) moet verhalen op de zzp-werknemer. Doet de gemeente dat niet, dan gelden de zo te noemen bruteringsregels, en wordt het niet verhalen van
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
36/40
de loonheffing als een belast loonvoordeel gezien, waarover weer loonheffing verschuldigd is. Waardoor het bedrag van de na te heffen loonheffing kan oplopen tot een gebruteerd tarief van 108,3% (bij anoniementarief). De loonheffing is een voorheffing op de inkomstenbelasting. De gevolgen voor de gemeente en de zzp-werknemer als volgt vanuit het uitgangspunt dat een correctieverplichting wordt opgelegd (hoofdregel). Bij een correctieverplichting via de aangifte loonheffingen geldt als uitgangspunt dat de gemeente de loonheffing (als voorheffing op de inkomstenbelasting) moet verhalen, maar dat de zzpwerknemer dit bedrag als ingehouden loonheffing weer kan verrekenen bij diens aangifte inkomstenbelasting. Als de zzp-werknemer reeds aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan (en afgedragen) dan heeft de ‘eindheffing’ al (deels) plaatsgevonden en is er geen ruimte meer voor een (volledige) voorheffing in de loonheffing. De gemeente zal samen met de zzp-werknemer moeten (kunnen) aantonen welk bedrag al in de (inkomstenbelasting)heffing is betrokken. Wel zal de gemeente alsnog de volledige premies werknemersverzekeringen en Zvw moeten afdragen over het ‘loon’ aan de Belastingdienst. Ad 2. Premies werknemersverzekeringen en de werkgeversbijdrage Zvw De premies werknemersverzekeringen en de werkgeversbijdrage Zvw komen altijd voor rekening van de werkgever.
Dat betekent dat de gemeente deze kosten niet op de zzp-werknemer mag verhalen als de Belastingdienst oordeelt dat sprake is van een dienstbetrekking en een loonbetaling. Het verhalen van deze kosten op de zzp-werknemer is een zo te noemen nietige bepaling in een overeenkomst, deze zijn niet toegestaan. Om die reden zijn dergelijke verhaals-bepalingen ook niet (meer) opgenomen in de (in het verleden) goedgekeurde modelovereenkomsten van de Belastingdienst. Ad 3. Boete(n) De Belastingdienst legt bij een naheffing of een correctieverplichting als uitgangspunt een boete op wegens een te late betaling van de verschuldigde loonheffingen door de inhoudingsplichtige. Dit is de zo te noemen betaalverzuimboete en is de praktijk een relatief gering bedrag. Naast de betaalverzuimboete kan de Belastingdienst ook een boete opleggen van 25% indien sprake is van grove schuld, of zelfs 50% van de nageheven loonheffingen indien het aan opzet is te wijten dat de loonheffingen niet of te laat zijn betaald. Omdat de boete aan de inhoudingsplichtige wordt opgelegd is het maar zeer de vraag of het toegestaan is deze kosten te verhalen op de zzpwerknemer. Hiervoor gelden de civielrechtelijke bepalingen voor redelijkheid en billijkheid.
Overigens geldt er in 2025 naar aanleiding van de opheffing van het handhavingsmoratorium een zogenoemde zachte landing, wat betekent dat er in beginsel in 2025 geen verzuim- of vergrijpboetes worden opgelegd door de Belastingdienst.
Vereenvoudigd rekenvoorbeeld 2025 Een zzp’er werkt gedurende januari 2025 tot en met juni 2025 (6 maanden) voor gemeente X ter vervanging van een zieke medewerker. Gemiddeld genomen werkt de zzp’er 32 uur per week tegen een tarief van € 80 per uur. Betaling aan zzp = 32 uur * 26 weken
€
66.560
BTW 21%
€
13.978
Totaal betaald aan zzp-werknemer
€
80.538
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
37/40
Gevolgen loonheffingen indien sprake is van een anonieme zzp-werknemer De Belastingdienst merkt het uitbetaalde bedrag in beginsel aan als fiscaal genoten loon. Het btwbedrag op de factuur wordt niet als loon aangemerkt. Zonder nadere bepalingen of afspraken is het loon van de zzp-werknemer dan ook € 66.560. Omdat de gemeente in dit voorbeeld niet over een ID-bewijs beschikt voor aanvang van de werkzaamheden is formeel sprake van een anonieme werknemer. De te betalen naheffing (bestaande uit 52% loonbelasting) voor de loonheffing tegen anoniementarief (te verhalen op zzpwerknemer): € 34.611. Dit bedrag moet de gemeente afdragen aan de Belastingdienst en als uitgangspunt verhalen op de zzp-werknemer. Daarnaast is de gemeente premies werknemersverzekeringen en bijdrage Zvw verschuldigd. In dit voorbeeld gaan wij voor de gemeente uit van 17%. Voor deze zzp-werknemer is de gemeente 17% * € 66.560 = € 11.315 verschuldigd aan premies voor de werknemersverzekeringen en de bijdrage Zvw. De totale naheffing aan de gemeente bedraagt in dit voorbeeld dan: Naheffing loonheffing (verhalen op zzp-werknemer):
€
34.611
Premies werknemersverzekeringen en bijdrage Zvw:
€
11.315
Totale naheffing
€
45.926
Boete van 25% (niet in 2025)
€
0
€
45.926
Let op: in dit voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat de loonheffing ook daadwerkelijk op de zzpwerknemer wordt verhaald. Gebeurt dat niet, dan wordt het ‘voordeel’ gebruteerd tegen een tarief van 108,3% (bij anoniementarief) waardoor de kosten voor de gemeente fors hoger uitvallen.
Hoe zit het met de btw die in rekening is gebracht? De handhaving bij opdrachtgevers voor de loonheffingen, kan ook gevolgen hebben voor de fiscale positie van opdrachtnemers en opdrachtgevers op het gebied van de btw en voor de opdrachtnemers eveneens op het gebied van de inkomstenbelasting. Het btw-bedrag dat op de factuur staat vermeld, is achteraf gezien niet juist. Achteraf beschouwd heeft de zzp-werknemer ten onrechte facturen met btw gestuurd, immers, deze werkrelatie wordt met terugwerkende kracht aangemerkt als een dienstverband en niet als btw-belaste dienst. In publicaties vanuit de Belastingdienst5 is het (interne) advies gegeven aan controleambtenaren om terughoudend te zijn in het corrigeren van de btw-positie van de opdrachtgever en de zzpwerknemer in de tijdvakken vóór vaststelling van de dienstbetrekkingen voor de loonheffingen. Wel behoeft dit een individuele beoordeling waarbij interne afstemming binnen de Belastingdienst vereist is. Kortom, in (uitzonderings)situaties kan hiervan worden afgeweken. Voor de toekomst (nieuwe tijdvakken) mag er niet meer btw in rekening worden gebracht door de zzp-werknemer.
Als de btw voor het verleden toch moet worden gecorrigeerd, betekent dit dat: De zzp-werknemer de ten onrechte in rekening gebrachte btw op de facturen dient te crediteren (en diens eigen btw-aangiften moet suppleren) voor de betreffende periode waarin onterecht btw in rekening is gebracht;
5
Handhaving arbeidsrelaties – richtlijnen doorwerking IH en OB
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
38/40
De zzp-werknemer de eventueel in vooraftrek gebrachte btw ten aanzien van deze ten onrechte aangemerkte btw belaste dienst moet terugbetalen aan de Belastingdienst middels suppleties. Hierover kan belastingrente verschuldigd zijn. De gemeente de ontvangen creditfacturen in de administratie dient te verwerken, zodat de betaalde btw die in de administratie is verwerkt, wordt teruggedraaid en conform het relevante btw-regime gecorrigeerd (via suppleties). De zzp-werknemer dient het bedrag aan btw dat de gemeente heeft betaald, terug te betalen aan de gemeente. De totale vordering op de zzp-werknemer wordt dan: Te verhalen loonheffing:
€ 34.611
Ten onrechte in rekening gebrachte btw:
€ 13.978
Totaal
€ 48.589
Als het verhalen van alle genoemde bedragen op de zzp-werknemer mocht lukken, wat in de praktijk lang niet altijd het geval is, dan bedragen de kosten (in 2025) voor de gemeente in dit voorbeeld uiteindelijk € 11.315. Let op: in dit rekenvoorbeeld is geen rekening gehouden met mogelijke arbeidsrechtelijke gevolgen of andere administratieve- of juridische lasten, zoals pensioenpremies, aanzegtermijnen, na te betalen vakantiedagen, loondoorbetaling bij ziekte, transitievergoeding etc., alsook het recht op een eventuele WW-uitkering na afloop van een opdracht.
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
Bijlage 4 Antwoorden vragenlijst De antwoorden op de vragenlijst zijn als losse bijlage bij dit rapport opgenomen.
39/40
Onderzoek externe inhuur Haarlem / Zandvoort
40/40
WIJ ZIJN BERENSCHOT, GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG Nederland is continu in ontwikkeling. Maatschappelijk, economisch en organisatorisch verandert er veel. Al ruim 85 jaar volgen wij als adviesbureau deze ontwikkelingen op de voet en werken we aan een vooruitstrevende samenleving. De behoefte om iets fundamenteels te betekenen voor mens en maatschappij zit in onze genen. Met onze adviezen en oplossingen hebben we dan ook actief meegebouwd aan het Nederland van vandaag. Altijd op zoek naar duurzame vooruitgang. Alles wat we doen, is onderzocht, onderbouwd en vanuit meerdere invalshoeken bekeken. Zo komen we tot gefundeerde adviezen en slimme oplossingen. Die zijn op het eerste gezicht misschien niet altijd de meest voor de hand liggende. Juist deze eigenzinnigheid maakt ons uniek. Daarbij zijn we niet van symptoombestrijding. En gaan pas naar huis als het is opgelost.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG UTRECHT Postbus 8039, 3503 RA UTRECHT 030 2 916 916 www.berenschot.nl