2 Bijlage 1 Afbouwhandreiking VIR
Tekst van het document
|
Andere werkwijzen
volwassenen die in complexe of risicovolle situaties verkeren, voor minderjarige kinderen zorgen en of deze kinderen bij hen veilig opgroeien. De kindcheck is onderdeel van stap 1 van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.
Betrokken sectoren Het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling gebeurt door alle professionals in de sectoren gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en justitie. Iedere sector heeft een eigen handelingskader.
Hoe worden risico’s met elkaar verbonden? In het stappenplan van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is voorzien in overleg met een collega (stap 2) en het in gesprek gaan met de betrokkene, zoals een jeugdige (stap 3). Het in gesprek gaan met de jeugdige is in de meeste situaties belangrijk, omdat het de jeugdige de kans geeft om te worden gehoord en laat weten dat hij of zij serieus wordt genomen. De jeugdige kan meedenken over oplossingsrichtingen en informatie delen over bijvoorbeeld andere professionals die betrokken zijn of een rol kunnen hebben in de oplossing. Na overleg met en toestemming van de jeugdige en/of de ouders kan contact opgenomen worden met deze andere professionals. In sommige situaties, zoals bijvoorbeeld bij eergerelateerd geweld, kan het beter zijn om niet direct in gesprek te gaan, maar om eerst met een deskundige te overleggen. Wanneer een melding bij Veilig Thuis plaatsvindt (bij stap 5) beoordeelt deze organisatie eerst of de melding doorgestuurd kan worden naar een lokale hulpverlener. Als dat niet mogelijk is gaat Veilig Thuis zelf in gesprek met het gezin. Daarbij wordt nauw samengewerkt met al betrokken professionals. Overigens kan in stap 2 van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ook met Veilig Thuis worden gesproken om advies te vragen; dat kan volledig anoniem.
Andere werkwijzen |
29
Kansrijke start Het actieprogramma Kansrijke Start wil bereiken dat aanstaande ouders een weloverwogen keuze kunnen maken om een kind te krijgen, gezond zwanger worden, dat kinderen zo gezond mogelijk geboren worden en dat ouders voldoende steun en mogelijkheden hebben om hun kind gezond en kansrijk op te laten groeien. In een lokale coalitie Kansrijke Start maken betrokken professionals uit het medisch en sociaal domein afspraken over hoe zij samenwerken tijdens de eerste 1000 dagen, zodat (aanstaande) ouders tijdig de juiste zorg en ondersteuning krijgen. Inmiddels zijn alle gemeenten bezig met het bouwen of verder versterken van de lokale ketenaanpak Kansrijke Start, via lokale en/of regionale coalities Kansrijke Start.
Lokale ketenaanpak De basis van kansrijke start is dat elke gemeente een lokale ketenaanpak Kansrijke start heeft (zie Gezond en Actief Leven Akkoord). De ketenaanpak bestaat uit goede samenwerkingsafspraken tussen het medische, sociale en informele domein om te komen tot een doorlopende lijn van ondersteuning voor (aankomende) gezinnen in een kwetsbare situatie gedurende de eerste 1000 dagen van kinderen. Het gaat om vroegtijdig signaleren van gezinnen in een kwetsbare situatie vanuit de geboortezorg of de GGZ-zorg (verzekeraars) en het sociaal domein (gemeenten), het zo nodig inzetten van een prenataal huisbezoek door de jeugdgezondheidszorg (gemeenten) en het inzetten van de juiste hulp en ondersteuning (interventies) vanuit de jeugdgezondheids-zorg en het sociaal domein.
Zie ook: Actieprogramma Kansrijke Start Handreiking Kansrijke Start Bouwstenen en succesfactoren
30
|
Andere werkwijzen
Het signaleren van risico’s Met deze werkwijze kunnen risico’s voor jonge kinderen al vroeg, zelfs al voor de geboorte, worden gesignaleerd. Het programma richt zich op de eerste 1000 dagen van het kind, gerekend vanaf de conceptie. Stress, rook, slechte voeding, mishandeling of andere risicofactoren in de eerste 1000 dagen van het kind hebben veel impact op de gezondheid en ontwikkeling van het kind en beïnvloeden daarmee een gezonde, veilige en kansrijke start. Bij de risicofactoren kan gedacht worden aan risico’s op het gebied van gezondheid, financiën, armoede, veiligheid en wonen. Het gaat daarmee om medische, sociale én economische factoren.
Betrokken professionals Het signaleren van kwetsbare gezinnen gebeurt door alle professionals die met (toekomstige) ouders werken. Gedacht kan worden aan verloskundigen, gynaecologen, kraamzorg, huisartsen, de jeugd gezondheidszorg waaronder het consultatiebureau, de lokale teams, de kinderopvang, het welzijnswerk, de ggz en de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Het ‘vinden’ van de juiste doelgroepen gebeurt lokaal door het verzamelen van informatie. Informatiebronnen zijn bijvoorbeeld beleid en visies, cijfers, welke overleggen met welke partners er zijn, wat de kwaliteit van de relaties is en welke relevante samenwerkingsverbanden er zijn. De informatie wordt bij elkaar gelegd zodat een beeld kan worden verkregen bij welke doelgroep(en) en in welke wijken/gebieden de meeste problemen spelen. Aan de hand daarvan kan worden bekeken wat de belangrijkste opgaven, kansen en mogelijkheden zijn.
Hoe worden risicosignalen met elkaar verbonden? Eén van de onderdelen van het programma Kansrijke start is het vroegtijdig signaleren van risico-zwangerschappen. De melding dat sprake is van een kwetsbare zwangerschap kan door de professional met toestemming van de moeder worden gedaan bij de jeugdgezondheidszorg of het lokale team. Vanuit de jeugdgezondheidszorg kan deze ouder(s) een prenataal huisbezoek aangeboden krijgen, om te bepalen welke hulp of zorg nodig is in het gezin.
Samenwerken met de mensen waar het om gaat Eén van de succesfactoren van een Kansrijke Start is om samen te werken met de mensen waar het om gaat, zodat de interventies die worden ingezet aansluiten bij de behoeften van de gezinnen.
Gemeenten en jeugdgezondheidszorg Centraal bij Kansrijke start staat het bouwen van lokale coalities. Gemeenten hebben daarin een belangrijke voortrekkersrol. In zowel het Gezond en Actief Leven Akkoord als in het Integraal Zorgakkoord is afgesproken dat per 1 januari 2024 alle gemeenten een lokale coalitie hebben gevormd. Daarnaast is de jeugd gezondheidszorg een belangrijke schakel in het verbinden en versterken van de jeugdpreventieketen, omdat zij preventieve zorg bieden aan vrijwel elke jeugdige tussen 0-18 jaar.
Regionale samenwerking Ook op regionaal niveau biedt Kansrijke start mogelijkheden om samen te werken. In een regionale coalitie of door samenwerkingsafspraken wordt de regionale situatie in kaart gebracht, op basis waarvan kan worden bepaald voor welke vraagstukken regionale samenwerking nodig is.
Zie ook: Praktijkvoorbeeld regionale coalitie Zuid-Holland-Zuid Praktijkvoorbeeld regionale coalitie Friesland
Andere werkwijzen |
31
Samenwerkingspartijen
32
|
Samenwerkingspartijen
Algemene informatie Er zijn verschillende plekken waar professionals werken met jeugdigen en gezinnen en waar eerste signalen worden opgevangen over risico’s. Denk aan scholen, de huisarts, de kinderopvang, of de straat. Professionals die veel met jeugdigen werken, zijn vaak de eersten die veranderingen in hun gedrag of houding zien. Mogelijk schuilt er achter deze verandering een hulpvraag. Hoe eerder de hulp bij deze jeugdigen wordt geboden, hoe efficiënter de hulp vaak is. Om die reden is het belangrijk dat de signalen die vroegtijdig worden opgevangen met elkaar worden verbonden en er snelle opvolging is als dat nodig is. Er ligt een kans voor professionals die onderdeel zijn van lokale teams (sociale wijkteams, gebiedsteams, et cetera) om deze signalen met elkaar te verbinden, door nauwe onderlinge contacten te onderhouden met de op deze plekken aanwezige professionals. In verschillende gemeenten wordt op deze manier al gewerkt aan vroegsignalering (zie kader). Deze handreiking geeft informatie over hoe dit voor de verschillende samenwerkingspartijen in z’n werk kan gaan. Per samenwerkingspartij geeft de handreiking informatie over wat deze partij kenmerkt en wat aandachtspunten zijn om in te zetten op vroegsignalering en het bieden van de juiste hulp.
Vroegsignalering betekent het vroegtijdig herkennen van signalen die wijzen op mogelijke problemen in de ontwikkeling of het welzijn van een kind. Door deze vroege herkenning kunnen passende interventies en ondersteuningen sneller worden ingezet, wat kan helpen om ernstigere problemen te voorkomen.
Scholen Vanaf 4 jaar mogen kinderen naar school. Jeugdigen tussen de 5 en 16 jaar zijn leerplichtig. Dit betekent dat deze jeugdige een groot deel van hun dag doorbrengen op het primair en voortgezet onderwijs. Daarvoor zijn zij vaak te vinden op de kinderopvang. Bovendien studeren veel jeugdigen door, waardoor zij ook nog op latere leeftijd op bijvoorbeeld het mbo te vinden zijn. Op scholen is er doorgaans ondersteuning en zorg aanwezig om scholieren te helpen die vastlopen op school of tegen andere problemen aanlopen. Dit kan belegd zijn bij leraren die hier een deel van de tijd voor beschikbaar zijn, of bij een intern begeleider (IB’er). Op grotere scholen is er vaak ook een zorgteam. Deze kan bestaan uit verschillende personen, zoals bijvoorbeeld een zorgcoördinator, orthopedagoog of vertegenwoordiger van de GGD of leerplichtambtenaar Dit team bespreekt vanuit een brede blik individuele gevallen, en zorgt ervoor dat op tijd de juiste hulp wordt geboden. Zij houden zich bezig met specifieke leerproblemen, maar soms gaat het ook over bredere persoonlijke problematiek of om problemen thuis. Wanneer er zorgen of vermoedens zijn over fysiek, psychisch of seksueel geweld en verwaarlozing, zijn scholen verplicht om de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken.
Om op tijd problemen van jeugdigen te herkennen, zorgen sommige gemeenten er voor dat een medewerker van het lokale team (parttime) aanwezig is op de verschillende scholen. Sommige gemeenten zorgen bijvoorbeeld dat er altijd een medewerker van het lokale team aanwezig is, terwijl andere gemeenten inzetten op een aantal uur per week (bijvoorbeeld vier uur per week op de basisscholen en zes uur per week op voortgezet onderwijsscholen). De inzet is ook sterk afhankelijk van de grootte van de school. De medewerker van het lokale team maakt dan vaak onderdeel uit van het zorgteam. Deze aanwezigheid van lokale teams kan bijdragen aan vroegsignalering en afstemming omdat de medewerkers van het lokale team goed de weg weten in de omgeving, en daardoor weten welke partij de juiste zorg kan bieden. Een duidelijk signaal is bijvoorbeeld regelmatig of langdurig verzuim (zie ook MAZL en hieronder). Daarnaast helpt het ook dat leraren en de medewerkers van het lokale team elkaar kennen en dat de medewerkers van het lokale team herkenbaar zijn voor de leerlingen door middel van hun aanwezigheid. Ook is het informeren van ouders belangrijk, zodat zij weten waar ze terecht kunnen met zorgen, omdat ouders niet vaak op school zijn en aanwezigheid van het lokale team daarmee niet toereikend is.
Zo kan er voor worden gekozen om in de jaarlijkse schoolgids een foto van de medewerkers van het lokale team te Samenwerkingspartijen |
33
plaatsen, met contactgegevens en uitleg van de functie, zodat er een duidelijk gezicht bij de aanpak is. Dit maakt dat leerlingen of ouders weten dat deze ondersteuning bestaat, verlaagt de drempel en maakt duidelijk wanneer de spreekuren zijn. Het is om die reden ook belangrijk dat de medewerker van het lokale team een herkenbare vindbare plek op school heeft, zoals een eigen kantoortje. Zo kan de leerling zelf hulp opzoeken. Soms is het ook nodig om een leerling even uit het klaslokaal te halen.
Privacy Een belangrijk aandachtspunt bij deze en andere werkwijzen zijn de randvoorwaarden bij het uitwisselen van gegevens. De school mag met een medewerker van de gemeente over een jeugdige praten, als de jeugdigen en/of de ouders hierover zijn geïnformeerd en expliciet toestemming hebben gegeven.
Voordat kinderen naar school gaan, kunnen zij naar de dagopvang (kindercentrum of gastouder) gaan. Zodra zij naar de basisschool gaan zijn er (buiten de schooltijden) meerdere mogelijkheden van kinderopvang: zoals buitenschoolse (BSO), tussenschoolse (TSO) en voorschoolse opvang (via een kindercentrum of een gastouder). Professionals kunnen ook op deze plekken risico’s bij jeugdigen en gezinnen signaleren. Het is van belang dat deze professionals weten wat zij moeten doen in welke situatie en dat er lijntjes bestaan met de jeugdgezond heidszorg en met de (sociale) wijkteams van gemeenten.
Afspraken met de school Een ander aandachtspunt is het maken van afspraken tussen een lokaal team/gemeente en school. Niet alles in de samenwerking is direct vanzelfsprekend, zoals hoe de samenwerking wordt vormgegeven, of de medewerker van het lokale team onderdeel wordt van het zorgteam, et cetera. Om er voor te zorgen dat er een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden is, dient in ieder geval nagedacht te worden over de volgende punten: • Hoe zijn de rollen en verantwoordelijkheden verdeeld tussen gemeente, lokaal team en school? • Wie financiert de aanwezigheid van de medewerker van het lokale team? • Wie betaalt voor het gebruik van een ruimte op school? • Hoe wordt de samenwerking vormgegeven? • Hoe is de privacy van de jeugdigen en/of ouders geborgd? Hoe wordt geborgd dat er alleen over een jeugdige wordt gesproken en informatie uitgewisseld, als er een grondslag is? Met betrekking tot die samenwerking is het voor de medewerker van het lokale team belangrijk om het volgende te weten: • Hoe komen de signalen over jeugdigen bij de medewerker van het lokale team terecht? Gebeurt dit middels aanmeldformulieren, of wordt (afwijkend) verzuim standaard gemeld? • Wie informeert de ouders, zodat zij op de hoogte zijn en eventueel kunnen aansluiten bij een overleg? • Wie vraagt advies aan of informeert Veilig Thuis wanneer dit nodig is? Door rekening te houden met deze
aandachtspunten, is het mogelijk om een effectieve bijdrage te leveren aan vroegsignalering middels aanwezigheid. Dit draagt bij aan het bieden van betere zorg en het voorkomen van grotere problemen.
Gemeente Enschede hanteert een werkwijze waarbij medewerkers van de wijkteams ingezet worden op de scholen, en waarbij zij aansluiten op bestaande structuren zoals een zorgoverleg, om zo bij te dragen aan vroegsignalering en het bieden van de juiste hulp. Zij geven aan dat de afspraken per scholen wel verschillen, omdat iedere school weer anders is. Zo is bijvoorbeeld de grootte van de school bepalend voor de tijdsinzet vanuit de wijkteammedewerker, en zijn er per school andere afspraken over hoe signalen binnenkomen. Ook vindt er een paar keer per jaar een overleg plaats tussen de schoolwijkcoaches.
34
|
Samenwerkingspartijen
Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) Een duidelijk signaal dat het minder goed gaat met kinderen is wanneer zij regelmatig of langdurig verzuimen. Hiervoor bestaat de MAZL methodiek [ MAZL Handboek ]. MAZL is een methodiek van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor ‘de aanpak van ziekteverzuim bij scholieren in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het MBO. Bij MAZL is sprake van vroegsignalering, omdat bij meerdere keren ziekteverzuim een gesprek met de leerling en/ of de ouders wordt gestart. De MAZL-aanpak wordt gestart wanneer is voldaan aan de volgende criteria óf wanneer de school zich zorgen maakt: • In het primair onderwijs 5 ziekmeldingen per jaar of er 10 schooldagen ziekteverzuim. • In het voortgezet 12 weken ziekteverzuim of wanneer een ziekmelding langer dan 6 • schooldagen duurt. • In het MBO bepaalt de school de criteria. Deze worden vermeld in de schoolgids. De werkwijze bestaat uit acht stappen, meer informatie ‘Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL)’.
Huisartsen Een andere plek waar jeugdigen vanaf vroege leeftijd komen is de huisarts. De huisarts heeft vaak een goed beeld van een kind, omdat ze met regelmaat langskomen met (kleine) zorg- en gezondheidsvragen. De huisarts bouwt hierdoor een goede relatie op, waardoor er ook zicht kan ontstaan op eventuele afwijkingen in het gedrag of de zorgvraag. Binnen de kaders van een consult is het voor huisartsen echter moeilijk om te achterhalen welke hulpvragen er (nog meer) spelen bij de jeugdige en binnen een gezin en is het moeilijk om de hulpverlenings geschiedenis met jeugdige en/of ouders te bespreken. De ruimte ontbreekt om na te gaan of er al andere risico’s zijn gesignaleerd bij het gezin en om af te stemmen met andere hulpverleners die (mogelijk) al betrokken zijn bij de jeugdige en/of ouders. Bij sommige huisartsen is wel een praktijkondersteuner jeugd (POH-jeugd) aanwezig. De POH-Jeugd ondersteunt de huisarts, en biedt psycho-educatie, ondersteunende gesprekken en opvoedondersteuning. Zij kunnen cliënten verwijzen naar specialistische jeugd-ggz, het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) of lokale teams. Het is mogelijk dat de huisarts geen POH-jeugd in de praktijk heeft, of dat de huisarts en POH-jeugd beide te druk zijn of om een andere reden niet voldoende aan vroegsignalering toekomen.
Een optie is dan om een medewerker van het lokale team aanwezig te laten zijn (op bepaalde tijden) in de praktijk van de huisarts. Dit kan in verschillende vormen; medewerkers van het lokale team kunnen een eigen kantoortje hebben, waar de huisarts de jeugdige en/of de ouders eventueel naar toe kan sturen, en waar inloopspreekuren gehouden worden. Ook kan de huisarts een wekelijks overleg inplannen om met de medewerker van het lokale team eventuele zorgen over jeugdigen te bespreken. Dat gebeurt uiteraard anoniem, en als het wel nodig is om persoonsgegevens te delen na uitdrukkelijke toestemming van de jeugdige en/of de ouders, (zie pagina Informatie-uitwisseling en privacy). Dit kan van toegevoegde waarde zijn, omdat de medewerkers van het lokale team goed zicht hebben op de lokale sociale kaart, en daardoor weten welke partij de juiste hulp kan leveren als dat nodig is (zie pagina rol lokale teams). Ook is het mogelijk dat er directe zorgen of vermoedens zijn over fysiek, psychisch of seksueel geweld en verwaarlozing, in dat geval doorloopt de huisarts de stappen van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.
Samenwerkingspartijen |
35
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft praktijkkennis over de samenwerking tussen huisarts en lokaal team in beeld gebracht. Ook de POH-jeugd speelt een belangrijke rol in deze publicatie. Het document schetst duidelijk de taken van een jeugdprofessional bij de huisarts; zoals • Vraagverheldering (triage en screening) • Laagdrempelige advisering bieden • De huisarts ondersteunen met informatie en advies Het maakt niet uit of deze jeugdprofessional nu een medewerker van het lokale team is, of een POH-jeugd. Ook schetst het document de meerwaarde van deze aanpak voor alle doelgroepen (kind en ouders, de huisarts zelf en de gemeente) en gaat het in op geleerde lessen uit de praktijk. Deze werkwijze draagt bij aan vroegsignalering en het bieden van de juiste zorg.
Privacy De huisarts kan geen informatie delen met de medewerker van het lokale team als er geen toestemming is van de jeugdige en/of de ouders. Die toestemming is zowel nodig als grondslag voor de gegevensverwerking als voor de doorbreking van het beroepsgeheim. Datzelfde geldt voor de medewerker van het lokale team; hij kan geen informatie van de huisarts ontvangen dan wel teruggeven aan de huisarts zonder toestemming van de jeugdige en/of de ouders. Het belangrijkste is om de jeugdige en/of de ouders te blijven betrekken, hen te informeren en toestemming te vragen voor het eventueel delen van informatie.
Werkdruk Gemeenten waar al op deze manier wordt gewerkt, geven aan dat de huisartsen gedurende de dag volledig volgepland zijn, waardoor er geen tijd is om met de medewerker van het lokale team te overleggen. Een oplossing die in een gemeente is gekozen is om het overleg in de avonduren te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld tussen 18.00 en 19.00 uur. Overdag kan de medewerker van het lokale team een eigen inloopspreekuur houden op de praktijk. Ook geven gemeenten die positieve ervaringen met deze werkwijze hebben aan dat de financiering van de medewerker van het lokale team vanuit de gemeente zelf dient te komen, en dat dit een kracht is waardoor veel huisartsen ‘ja’ zeggen op de samenwerking.
36
|
Samenwerkingspartijen
Jeugdgezondheidszorg De jeugdgezondheidszorg betreft de zorg die aan alle (aanstaande) ouders/opvoeders en kinderen wordt aangeboden, ook wanneer er geen hulpvraag is. De JGZ kent verschillende namen en fysieke locaties; zo zijn er Centra voor Jeugd en gezin (CJG’s), Ouder- en Kindcentra, het consultatiebureau in het Gezondheids centrum, een GGD- of Thuiszorggebouw. Elke school (basis-, speciaal of voortgezet onderwijs) werkt samen met de JGZ, bijvoorbeeld door middel van aanwezigheid van een eigen JGZ-team met een jeugdarts, jeugdverpleegkundige en JGZ-assistente. De aard van deze zorg is preventief, doordat ouders en hun kind worden uitgenodigd om vragen over opvoeding en opgroeien te bespreken, waardoor in een vroeg stadium eventuele problemen kunnen worden gesignaleerd. Gezond en veilig opgroeien is überhaupt het doel van de jeugdgezondheidszorg. De JGZ is al betrokken bij kinderen vanaf de zwangerschap (bijv. omdat ouders gedurende de zwangerschap ook al bij het consultatiebureau kunnen komen). Ook zonder hulpvraag komt de JGZ in contact met jeugdigen en/of hun ouders, waardoor een kans ontstaat om in een vroeg stadium opkomende hulpvragen en risico’s te signaleren. Dit maakt het een belangrijke vindplaats.
De JGZ heeft een werkwijze om actief multiprobleemgezinnen te benaderen (werkt ‘outreachend’) en doet dat door bijvoorbeeld op de scholen, huisartsen of kinderdagverblijven aanwezig te zijn (of regelmatig contact te hebben). Ook bestaan er vaak korte lijntjes tussen de jeugdgezondheidszorg en de lokale teams. Het is belangrijk om deze korte lijnen, ook in de aanloop naar de afschaffing van de Verwijsindex, te onderhouden en mogelijk zelfs te intensiveren. Een belangrijk aandachtspunt is dat persoonsgegevens pas na toestemming van de jeugdige en/of de ouders worden gedeeld, (zie pagina Informatie-uitwisseling en privacy).
Er bestaat een handleiding ‘Outreachend werken in de Jeugdgezondheidszorg’, specifiek gericht op uitvoerders, stafmedewerkers en managers. De handleiding geeft handvatten bij het organiseren van bemoeizorg in de JGZ. Het gaat o.a. in op werkzame factoren, zoals een actieve, informele benadering, een gezinsgerichte aanpak en het bieden van praktische ondersteunen. Ook bevat de handleiding een stappenplan, namelijk: • Onderzoeken van het signaal; • Contact leggen; • Contact maken; • Gezinsplan maken; • Overdragen en afsluiten; • Monitoren; Daarnaast gaat de handleiding in op casussen die een goed beeld geven hoe bepaalde situaties kunnen worden aangepakt. Alle aspecten van outreachend werken worden behandeld, tot en met de implementatie ervan. Ook bij deze werkwijze is het bewaken van privacy van belang (zie privacy).
Kansrijke start Om specifiek zwangere vrouwen en jonge ouders tijdig van hulp te voorzien, is een landelijk actieprogramma Kansrijke start ingezet. Daarbij wordt aangesloten bij organisaties die werken met zwangere en jonge ouders, zodat kwetsbare gezinnen al vroeg ondersteuning kunnen krijgen en problemen bij het kind voorkomen kunnen worden. In lokale coalities werken professionals samen, waardoor zij elkaar beter weten te vinden en naar elkaar door kunnen verwijzen. [voor meer informatie klik verder]
Samenwerkingspartijen |
37
Politie en justitie Afhankelijk van de situatie, kan een jeugdige in aanraking komen met de politie, bureau Halt, of de jeugdreclassering. Ieder van deze partijen heeft een andere rol. Bureau Halt richt zich op de doelgroep van jeugdigen die voor het eerst in aanraking komen met de politie. Een van de belangrijkste taken van bureau Halt is dan ook signaleren of extra zorg wenselijk of nodig is. Bij veel politie-eenheden zijn jeugdagenten aanwezig. Dit zijn agenten die zich (soms parttime) bezighouden met het leggen van de verbinding tussen jeugdigen en de politie. Zij leggen contact met jeugdigen op straat, maar gaan ook naar winkelcentra, buurthuizen, verenigingen en clubs. Sommige politie-eenheden hebben een jeugdinterventieteam voor jeugdigen tot en met 18 jaar (en soms tot 23 jaar). Deze teams bestaan uit een (jeugd- of wijk)agent en een maatschappelijk werker en/of jongerenwerker. Politie en Halt staan in nauw contact met het zorg- en sociaal domein wanneer dat nodig is. De jeugdreclassering bevindt zich meer aan de achterkant van de justitiële keten. Als jeugdigen te maken hebben met jeugdreclassering, is er meestal al het nodige voor gevallen (inclusief een veroordeling) en is er vaak al sprake (geweest) van hulpverlening.
Toch kunnen ook juist jeugdreclasseerders (nieuwe) signalen oppikken over de jeugdige en het gezin van situaties die nog niet bekend waren en over andere jeugdigen en gezinnen in het netwerk van de jeugdige. In het geval dat er signalen worden opgepikt over huiselijk geweld of kindermishandeling, bestaat de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Contact tussen politie en justitie en de zorg- en het sociaal domein vindt ook plaats via multidisciplinaire overleggen (MDO’s), zoals een zorg- en veiligheidstafel of een casusoverleg bij het Zorg- en Veiligheidshuis. Meerdere partijen vanuit het veiligheids- en sociaal domein zitten bij elkaar om individuele casussen te bespreken. De invulling van een MDO, en welke professionals daarbij aanwezig zijn, verschilt sterk per gemeente. Een mogelijkheid kan zijn om de jeugdige en/of de ouders mee te nemen naar dit soort overleggen.
Privacy Het uitgangspunt is om casussen tijdens het MDO geanonimiseerd te bespreken. Daarbij geldt als uitgangspunt dat anonimiseren meer is dan alleen de naam vervangen, omdat door het noemen van gegevens en bijzondere persoonsgegevens zoals gezondheidsgegevens uit een casus in kleinere gemeenten te herleiden is naar een persoon. Voorts is het belangrijk om tijdens MDO’s te verifiëren of iedereen dezelfde werkwijze rondom het delen van persoonsgegevens hanteert, zodat duidelijkheid bestaat wanneer een casus nietgeanonimiseerd wordt besproken en de jeugdige en/of ouders om toestemming wordt gevraagd. Vaak maakt een MDO gebruik van een privacyprotocol.
Bureau Halt is een partij die bij vele ‘vroegsignaleringsoverleggen’ over jeugdigen aanwezig is. Zo’n overleg heeft vaak een naam zoals ‘Zorgoverleg Risicojongeren’, of ‘Vroegsignaleringsoverleg Risico-jongeren’. In deze overleggen wordt er opgesomd wie er betrokken zijn, en kan aan de hand daarvan worden bepaald wie de regie oppakt. Bureau Halt heeft zelf een signaleringsfunctie. De doelgroep van Halt zijn jeugdigen tussen de 12 en 18 jaar, die een licht strafbaar feit plegen. Zij voeren met deze jeugdigen en/of ouders een telefonisch gesprek om een startgesprek in te plannen. In dit startgesprek besteden ze tijd aan hun signaleringsinstrument, waarbij ze een uitvraag doen over hoe het gaat op school, wat de jeugdige doet in zijn/haar vrije tijd, middelengebruik, geweld thuis en andere zaken. Zo proberen ze zicht te krijgen op eventuele achterliggende problematiek, en kunnen ze eventueel doorverwijzen. Ook brengt Halt de hulpverlening in kaart, zowel uit het verleden als nu. Ze vragen welke hulpverlening betrokken is en of dit voldoende is. Door dit signaleringsinstrument in te zetten, haalt Halt laagdrempelig veel informatie op, die ze later (met toestemming van de jeugdige en/of de ouders/ voogd] kunnen delen in ‘vroegsignaleringsoverleggen’, om zo te werken aan passende hulp.
38
|
Samenwerkingspartijen
Bijlage 1: Wat is de Verwijsindex?
Bijlagen
|
39
De Verwijsindex is een landelijk elektronisch informatiesysteem waarin professionals (vroegtijdig) een jeugdige (tot 23 jaar) kunnen signaleren, wanneer er een vermoeden is dat bij een jeugdige sprake is van bepaalde risico’s om gezond en veilig op te groeien. Het doel van de Verwijsindex is dat de jeugdige de zorg, hulp of bijsturing krijgt die hij nodig heeft om zich te ontwikkelen tot volwassene, en wel op een zo vroeg mogelijk moment. De Verwijsindex brengt hiervoor professionals met elkaar in contact. Vroegsignalering betekent dus het vroegtijdig herkennen van signalen die wijzen op mogelijke problemen in de ontwikkeling of het welzijn van een kind. Door deze vroege herkenning kunnen passende interventies en ondersteuningen sneller worden ingezet, wat kan helpen om ernstigere problemen te voorkomen. De wetgeving over de Verwijsindex is op 1 augustus 2010 door middel van de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg in werking getreden. Sinds 1 januari 2015 is de Verwijsindex geregeld in paragraaf 7.1 van de Jeugdwet. De wettelijke regeling van de Verwijsindex geeft gemeenten een regierol. Bij die regierol hoort dat gemeenten zich inspannen om organisaties en professionals te motiveren om samen te werken.
Daarom heeft de wetgever besloten om te werken met samenwerkingsafspraken: ieder college van burgemeester en wethouders (hierna: college) is wettelijk verplicht om het gebruik van de landelijke Verwijsindex te bevorderen en moet daartoe afspraken maken met de organisaties en professionals die binnen de gemeente werkzaam zijn. Gemeenten mogen de afspraken inhoudelijk zelf vorm geven naar de lokale situatie. De samenwerkingsafspraken worden in de praktijk door partijen geformaliseerd in een convenant. Partijen die eenmaal aangesloten zijn bij een convenant, hebben zich daarmee verplicht Tot implementatie van de Verwijsindex en het bevorderen van het gebruik daarvan binnen de eigen organisatie. Omdat gemeenten deze samenwerkingsafspraken regionaal vormgeven, zijn ‘convenantgebieden’ ontstaan. Deze convenantgebieden zijn aangesloten op een regionaal signaleringssysteem (ook wel regionale verwijsindex of regionaal signaleringssysteem genoemd) via een (ICT-)leverancier. De leverancier verzorgt de koppeling aan de landelijke Verwijsindex. Het beheer van de landelijke Verwijsindex is neergelegd bij het CIBG. Een groot aantal instanties en functionarissen valt onder de werking van de Verwijsindex.
Hier is voor gekozen vanuit de gedachte dat een breed palet aan professionals betrokkenheid heeft bij jeugdigen en het doel van de regeling – betere zorg aan jeugdigen door vroegtijdige afstemming en samenwerking – alleen mogelijk is wanneer al die professionals gebruik kunnen maken van de Verwijsindex. De Verwijsindex kan gebruikt worden in zeven domeinen: jeugdhulp; jeugdgezondheidszorg; gezondheidszorg; onderwijs; maatschappelijke ondersteuning; werk en inkomen; en politie en justitie. Het gaat onder meer om aanbieders van jeugdhulp, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering (de ‘gecertificeerde instellingen’), instanties voor verslavingszorg en gehandicaptenzorg, aanbieders van geestelijke gezondheidszorg, ziekenhuizen voor zover het spoedeisende hulp betreft, huisartsen, scholen, leerplichtambtenaren, regionale eenheden van het landelijke politiekorps, Halt-bureaus, de regionale locaties van de raad voor de kinderbescherming, Veilig Thuis en gemeenten voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over, de bepaling van en het inzetten van een voorziening. Instanties wijzen binnen de eigen organisatie de professionals aan die bevoegd zijn om een signaal af te geven. Als een professional die bevoegd is om een signaal af te geven zich zorgen maakt over een jeugdige, dan kan hij de jeugdige signaleren in de Verwijsindex.
Mocht een andere professional die bevoegd is om een signaal af te geven zich eveneens zorgen maken en de jeugdige signaleren in de Verwijsindex, dan ontstaat in de Verwijsindex een ‘match’. Vanuit de Verwijsindex wordt vervolgens een e-mailnotificatie verstuurd aan elk van de betrokken professionals. De professionals hebben dan wetenschap van de betrokkenheid van andere professionals bij de jeugdige zonder de precieze achtergrond van het signaal te kennen, en – na het raadplegen van de match in de Verwijsindex – kunnen zij contact leggen om informatie uit te wisselen. De achterliggende gedachte is dat door onderlinge afstemming en samenwerking betere zorg aan een jeugdige verleend kan worden. De Verwijsindex is daarnaast ingericht om een signaal af te geven bij de verhuizing van een jeugdige, opdat de jeugdige niet uit het zicht van de betrokken professional(s) verdwijnt. De Verwijsindex kent sinds 2015 ook een gezinsfunctionaliteit. Het gaat om een functionaliteit die een matchbericht afgeeft wanneer twee of meer jeugdigen met dezelfde ouder gesignaleerd zijn (artikel 7.1.2.3, eerste lid, aanhef en onder e van de Jeugdwet). De gezinsfunctionaliteit werd toegevoegd omdat vanuit de praktijk bij herhaling de behoefte geuit was aan een instrument waarmee professionals minder gefragmenteerd en meer georiënteerd op het gezin zouden kunnen werken. 40
|
Bijlagen
Bijlage 2: Waarom wordt de Verwijsindex afgeschatft?
Bijlagen
|
41
De staatssecretaris heeft in 2022 naar aanleiding van een ingediende motie van Kamerleden Westerveld en Peters besloten om de Verwijsindex als wettelijke verplichting uit de Jeugdwet te schrappen, en aanvullend daarop bestaande werkwijzen in kaart te brengen die bijdragen aan de doelstellingen van de Verwijsindex, namelijk vroegtijdige en onderlinge afstemming van professionals, zodat een jeugdige de hulp, zorg of bijsturing krijgt die nodig is. De oorspronkelijke doelstellingen van de Verwijsindex worden nog steeds onderschreven. De staatssecretaris geeft aan: “Met de inzichten uit eerdere evaluatieonderzoeken en het recente onderzoek ‘de VIR in beeld’ is echter geen zicht verkregen in de mate waarin daadwerkelijk hulp, zorg en bijsturing de jeugdigen bereikt. Daarnaast is er een groot verschil in het draagvlak voor de Verwijsindex.
Met deze bevindingen en de diverse gesprekken die zijn gevoerd met gemeenten, professionals en cliëntenorganisaties heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat het draagvlak onvoldoende is om te komen tot de beoogde landelijke dekking die nodig is om deze doelstellingen te kunnen waarmaken.” In de tweede wetsevaluatie van de Wet verwijsindex risicojongeren werd geconstateerd dat de gegevens verwerkingen die plaatsvinden in de Verwijsindex niet langer te rechtvaardigen zijn, omdat het gebruik op landelijk niveau achterblijft en omdat onbekend is of de afstemming tussen professionals is toe te schrijven aan het instrument Verwijsindex of (mede) wordt veroorzaakt door andere samenwerkingsvormen in de regio. Daarmee staat niet vast dat het doel van de Verwijsindex – het bewerkstelligen van vroegtijdige en onderlinge afstemming zodat tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kan worden verleend – met een landelijke Verwijsindex wordt bereikt. Het bewaren van persoonsgegevens in een landelijk systeem is dan een te zwaar middel. Huidige situatie
Zolang de Verwijsindex er is, kunnen er signalen worden afgegeven en matchberichten ontvangen worden. Op dit moment is nog niet bekend wanneer de wetswijziging van kracht wordt. Alle bepalingen over de Verwijsindex worden uit paragraaf 7.1 van de Jeugdwet geschrapt. Er is vanaf dat moment geen grondslag meer voor het verwerken van persoonsgegevens in de Verwijsindex. Dat geldt voor zowel de landelijke Verwijsindex als voor de regionale verwijsindexen. In de tussentijd blijven gemeenten hun wettelijke taken betreffende de Verwijsindex uitvoeren. Dit betreft: • Zorgen dat het mogelijk is om signalen aan de Verwijsindex af te geven, door het in stand houden van een regionaal signaleringssysteem. • In een convenant afspraken maken over welke professionals een signaal mogen afgeven in de Verwijsindex en hoe professionals hiermee moeten omgaan. • Regionaal het gebruik van de Verwijsindex bevorderen. Consequenties afschaffen Verwijsindex
Na afschaffing van de Verwijsindex worden alle gegevens uit de systemen verwijderd, kan de data niet meer geraadpleegd worden en komen er (dus) geen matchberichten meer. Ook het signaleringssysteem zelf wordt beëindigd. Voor de landelijke Verwijsindex voert het CIBG deze werkzaamheden uit. Voor de regionale Verwijsindexen is dit de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zij zullen, in overleg met de ict-leverancier, zorgen voor verwijdering van (alle gegevens uit) de systemen. Veldpartijen zijn door het ministerie van VWS uitgenodigd om een mogelijk alternatief voor de Verwijsindex voor te stellen binnen de wettelijke kaders.
42
|
Bijlagen
Bijlage 3: Wanneer wordt de Verwijsindex afgeschaft?
Bijlagen
|
43
Om een beeld te geven van het proces in tijd, is een globaal tijdspad opgesteld tot aan de indiening bij de Tweede en Eerste Kamer. Daarbij moet gelijk genoemd worden dat dit tijdspad slechts een indicatie is.
44
|
Bijlagen
Internetconsultatie
Er wordt in het voorjaar van 2025 toegewerkt naar de formele internetconsultatie. Dit is het moment waarop gemeenten en anderen het wetsvoorstel kunnen inzien en feedback mogen geven op het wetsvoorstel. De internetconsultatie duurt gemiddeld zes weken en zal naar verwachting voor de zomer gepubliceerd worden. Parallel aan deze consultatie wordt een advies gevraagd aan de Autoriteit Persoonsgegevens en het Adviescollege toetsing regeldruk, die beide formeel twee maanden hebben voor het indienen van hun advies.
Aanpassingen verwerken
Het ministerie van VWS heeft vervolgens gemiddeld één maand nodig om alle feedback te verwerken.
Voorportaal, Onderraad en Ministerraad
Het wetsvoorstel wordt vervolgens voorgelegd aan het ambtelijk voorportaal, de onderraad en de Ministerraad. Dit proces duurt gemiddeld één maand.
Advies Raad van State
Bij goedkeuring van de Ministerraad gaat het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State. De maximale termijn voor reactie van de Raad van State betreft drie maanden.
Nader rapport
De Regering reageert op het advies van de Raad van State met een zogenaamd nader rapport. Dit duurt gemiddeld twee maanden, afhankelijk van de uitkomst. Als het advies negatief is moet het nader rapport in de Ministerraad worden besproken voordat het wetsvoorstel kan worden ingediend bij de Tweede Kamer.
Indiening Tweede Kamer
Als het nader rapport is opgesteld kan het wetsvoorstel worden ingediend bij de Tweede Kamer. Dit proces duurt gemiddeld een maand.
Behandeling Tweede Kamer en Eerste Kamer
Over het inplannen van de behandeling van het wetsvoorstel gaan de Tweede en Eerste Kamer zelf. Het ministerie van VWS heeft hier geen invloed op.
Bijlage 4: Wie kunnen er signalen afgeven in de Verwijsindex?
Bijlagen
|
45
De Verwijsindex wordt gebruikt in zeven domeinen: • Jeugdhulp • Jeugdgezondheidszorg • Gezondheidszorg • Onderwijs • Maatschappelijke ondersteuning • Werk en inkomen • Politie en justitie Per domein zijn organisaties aangewezen die de Verwijsindex mogen gebruiken. Het gaat onder meer om: • Aanbieders van jeugdhulp, • Gecertificeerde instellingen (kinderbescherming en jeugdreclassering), • Instanties voor verslavingszorg en gehandicaptenzorg, • Aanbieders van geestelijke gezondheidszorg, • Spoedeisende hulp van ziekenhuizen • Huisartsen, • Scholen, • Leerplichtambtenaren, • Regionale eenheden van het landelijke politiekorps, • Halt-bureaus • Regionale locaties van de Raad voor de Kinderbescherming. • Veilig Thuis • Gemeenten bij toeleiding naar en advisering over het inzetten van gemeentelijke ondersteuning. In sommige regio’s zijn ook andere organisaties aangesloten bij de Verwijsindex. Dit is geregeld in het convenant. De signalen van deze ‘extra’ organisaties worden niet doorgezet naar de landelijke Verwijsindex. Het gaat om: • Kinderopvanglocaties • Gastouderlocaties • Naschoolse opvang
46
|
Bijlagen
Bijlage 5: Welke rollen en verantwoordelijkheden heb ik als gemeente?
Bijlagen
|
47
college van burgemeester en wethouders heeft tot taak: • Het gebruik van de Verwijsindex te bevorderen; • Daartoe afspraken te maken met de binnen zijn gemeente werkzame instanties en functionarissen voor zover deze behoren tot een categorie die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen (artikel 7.1.3.1, eerste lid, eerste en tweede volzin van de Jeugdwet). • De aansluiting van de instanties en functionarissen op de Verwijsindex (artikel 7.1.3.1, eerste lid, derde volzin van de Jeugdwet). • Zorg te dragen voor het nagaan of degenen die signaleren, bij een matchbericht uit de Verwijsindex, contact met elkaar hebben opgenomen (artikel 7.1.3.2, eerste lid van de Jeugdwet). Aan degene die belast is met deze laatste taak worden vanuit de Verwijsindex de matchsignalen doorgegeven die ook degenen die signaleren ontvangen (artikel 7.1.2.3, eerste lid, aanhef en onder c-e van de Jeugdwet). Aan de wettelijke taken van het college worden in de praktijk rollen gekoppeld als ‘convenantbeheerder’, ‘functioneel beheerder’, ‘procesregisseur’ en ‘matchcoördinator’. De laatste wordt ook wel ‘zorgcoördinator’, ‘regievoerder’ of ‘matchregisseur’ genoemd. Convenantbeheerder (artikel 7.1.3.1 van de Jeugdwet)
De convenantbeheerder ziet toe op de processen binnen het lokale of regionale signaleringssysteem, doet zo nodig voorstellen voor aanpassingen van dit systeem, onderhoudt contacten met de convenantpartners en werft nieuwe convenantpartners. Ook verzorgt de convenantbeheerder het beheer van de persoons gegevens die ten behoeve van het signaleringssysteem worden verwerkt, verschaft hij (nieuwe) gebruikers toegang tot het systeem en wijst hij de daarvoor benodigde autorisaties toe. Matchcoördinator (artikel 7.1.3.2 van de Jeugdwet)
De matchcoördinator, veelal aangewezen door de colleges van de gemeenten in het convenantgebied, heeft als taak om erop toe te zien dat na een match door professionals contact met elkaar gezocht wordt. Dit is niet de persoon die na een match door het systeem aangewezen wordt als regisseur op de verdere inhoudelijke afstemming tussen professionals. De matchcoördinator is er dus niet voor de inhoudelijke afstemming, maar alleen om professionals met elkaar in contact te brengen.
48
|
Bijlagen
Regievoerder (artikel 7.1.2.3, eerste lid, aanhef en onder g van de Jeugdwet)
Aan de regievoerder worden vanuit de Verwijsindex verhuisbewegingen van aan de Verwijsindex gemelde jeugdigen doorgegeven (artikel 7.1.2.3, eerste lid, aanhef en onder g van de Jeugdwet). De taak om na te gaan of een match vervolg krijgt (zie hiervoor), is tijdens de parlementaire behandeling ook nadrukkelijk aan de regievoerder gekoppeld. Die regievoerder kan een gemeenteambtenaar zijn, maar ook een instantie die in de gemeente een belangrijke rol in de uitvoering van het jeugdbeleid speelt. Instantiecoördinator (artikel 7.1.3.3 van de Jeugdwet)
Instanties, waaronder gemeenten, kunnen met het oog op een effectief gebruik van de Verwijsindex een binnen hun instantie werkzame ‘coördinator’ aanwijzen die wettelijk tot taak heeft om contactgegevens van personen die bevoegd zijn om een signaal af te geven te beheren en zo nodig aan te passen en de signalen uit de Verwijsindex te beheren. De hier bedoelde coördinator wordt in de praktijk ook wel ‘instellingscoördinator’ of ‘instantiebeheerder’ genoemd.
Verwerkingsverantwoordelijke Voor de toepassing van de artikelen 12-23 en 33 van de AVG is ‘het college’ aangemerkt als de verwerkings verantwoordelijke. Bedoeld wordt hier het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) dat met de binnen zijn gemeente werkzame instanties en functionarissen afspraken heeft gemaakt over het gebruik van de Verwijsindex. Dit college is gezien zijn taken in de regeling van de Verwijsindex de belangrijkste adressant. Betrokkenen kunnen hun rechten uit de AVG daarom uitoefenen bij het college. Afgever van een signaal
Ook gemeenten zijn in een aantal gevallen bevoegd om een signaal af te geven voor de Verwijsindex. Namelijk voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over, de bepaling van en het inzetten van een voorziening. In die gevallen wordt verwezen naar het onderdeel professionals. Contractpartij bij een systeembeheerder (bijv. Multisignaal)
De gemeente moet, in overleg met de ict-leverancier, zorgen voor verwijdering van alle gegevens (inclusief back-ups) uit de systemen. Dat betekent dat vanuit de gemeente tijdig aandacht moet zijn voor het beëindigen van de overeenkomst met de leverancier en afspraken gemaakt moeten worden over het daadwerkelijk verwijderen van de persoonsgegevens. Ga terug naar informatie gemeenten
Bijlage 6: Informatieuitwisseling & privacy
50
|
Bijlagen
Algemene informatie Informatie-uitwisseling tussen professionals is aan wet- en regelgeving gebonden, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Op de volgende pagina’s is per doelgroep uitgewerkt welke regels gelden met betrekking tot informatie-uitwisseling en privacy. Er wordt ingegaan op de (on)mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen professionals. De handreiking beschrijft niet uitputtend welke andere regels uit het gegevensbeschermingsrecht, zoals artikel 5 van de AVG, nog meer van toepassing zijn op de verwerking van deze persoonsgegevens. Naast informatie per doelgroep is er ook informatie over leeftijdsgrenzen bij het vragen van toestemming aan de jeugdige en/of de ouders.
Informatie voor professionals In het kader van vroegsignalering is het soms noodzakelijk om persoonsgegevens van jeugdigen uit te wisselen tussen organisaties, zoals tussen zorgverleners onderling, of met scholen of de gemeente. Bij het delen van informatie over cliënten worden persoonsgegevens uitgewisseld. In de AVG en de UAVG staan de regels beschreven voor de omgang met persoonsgegevens. Persoonsgegevens, zoals een naam of adres, mogen alleen worden verwerkt in overeenstemming met de wet. De AVG onderscheidt ‘gewone’ persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens waaronder gezondheidsgegevens en strafrechtelijke persoonsgegevens. Voor deze laatste twee categorieën gelden aanvullende vereisten. Er zijn verschillende grondslagen op grond waarvan gegevens mogen worden verwerkt, bijvoorbeeld een wettelijke verplichting, een taak van openbaar belang en toestemming van de jeugdige en/of diens ouders. Bij vroegsignalering evenals bij het uitwisselen van gegevens tussen professionals wanneer een match is ontstaan, zal de grondslag meestal toestemming van de jeugdige en/of de ouders zijn. Waar we hierna over ouders spreken, bedoelen we de personen met gezag. Dat kan ook een voogd zijn.
Een overzicht van alle grondslagen om informatie te delen, door Toezicht Sociaal Domein
De toestemming moet altijd vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig gegeven zijn. Dat betekent dat de jeugdige en/of de personen met gezag worden verteld waarom gegevens gedeeld worden, om welke gegevens het gaat en aan wie de gegevens worden verstrekt. Ook moet aantoonbaar zijn dat de toestemming is gegeven. Bij bijzondere persoonsgegevens, zoals gezondheidsgegevens, moet deze toestemming bovendien uitdrukkelijk zijn gegeven. Dat kan ook een mondelinge verklaring zijn, maar het is vervolgens moeilijk om te bewijzen dat aan de voorwaarden is voldaan, daarom is een schriftelijke verklaring beter. De grondslag voor het afgeven van een signaal aan de Verwijsindex is geregeld in de Jeugdwet. Daarom is toestemming van de jeugdige en/of de ouders niet nodig. Wel moeten zij hierover geïnformeerd worden. Informatie geven of toestemming vragen is soms gericht aan de jeugdige zelf, soms aan de ouders en soms aan beide. Wanneer contact met de jeugdige of de ouders nodig is, staat op de pagina over leeftijdsgrenzen uitgelegd. Door in gesprek te blijven met de jeugdige en/of de ouders, kan de toestemming worden gevraagd wanneer dit noodzakelijk is. Bij het vragen van toestemming moet telkens richting de jeugdige en/of de ouders worden aangegeven waarom gegevens worden uitgewisseld en met welke professional(s) of organisatie(s).
Belangrijke uitgangspunten zijn dat persoonsgegevens alleen verzameld mogen worden voor een duidelijk omschreven en gerechtvaardigd doel én dat zo min mogelijk gegevens worden gedeeld. Nog beter is het wanneer niet ‘over’ het gezin wordt gesproken, maar mét het gezin. Wanneer de jeugdige en/of de ouders aanwezig zijn bij het gesprek dat plaatsvindt tussen professionals, is het bovendien gemakkelijker om de toestemming aan te tonen. Het laten meepraten van het gezin past ook bij het de Bijlagen
|
51
regie nemen. Let op dat wanneer informatie over gezondheidsgegevens wordt gedeeld, er uitdrukkelijke toestemming gegeven moet worden; dat wordt het beste aangetoond met een schriftelijke verklaring. Soms kunnen ook gegevens worden gedeeld wanneer er geen toestemming is. Bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een wettelijke plicht of een taak van algemeen belang. Ook kunnen persoonsgegevens worden gedeeld als er sprake is van een gerechtvaardigd belang. Bijvoorbeeld wanneer de professional zich ernstige zorgen maakt over de veiligheid van de jeugdige. Dat mag niet zomaar; er moet onder andere worden afgewogen of het noodzakelijk is voor het bereiken van het doel om deze gegevens te delen. Het belang dat achter het delen van de informatie zit, moet zwaarder wegen dan de mensenrechten van de jeugdige en/of zijn ouders. Een voorbeeld is de ondertoezichtstelling; dan mag er ook afgestemd worden en informatie worden gedeeld met de jeugdbeschermer zonder medeweten van de ouders en/of jeugdige. Een ander voorbeeld is een melding bij Veilig Thuis op grond van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In beide gevallen is het informeren van de ouders en streven naar toestemming de eerste stap, maar wanneer het om de veiligheid van de jeugdige gaat mag hierop een uitzondering worden gemaakt.
Wanneer gegevens worden gedeeld zonder toestemming, moeten de jeugdige en/of de ouders daarover wel worden geïnformeerd. Dat kan eventueel achteraf, wanneer dat noodzakelijk is.
Grondslagen voor toestemming: Autoriteit Persoonsgegevens
Informatie voor zorgverleners Voor zorgverleners gelden naast de AVG aanvullende regels. Zorgverleners hebben een beroepsgeheim. • Het beroepsgeheim voor artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, fysiotherapeuten, gezondheidszorgpsychologen en andere (para)medische hulpverleners is geregeld in artikel 88 van de Wet BIG en artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek. • Zorgverleners die deze beroepen ondersteunen, zoals de doktersassistent of een receptionist, hebben een afgeleid beroepsgeheim. • Voor jeugdhulpverleners, jeugdbeschermers en medewerkers van de jeugdreclassering is het beroeps geheim geregeld in artikel 7.3.11, eerste lid van de Jeugdwet. • Ook voor overige hulpverleners zoals maatschappelijk werkers, jongerenwerk en leden van lokale teams geldt een beroepsgeheim. Dit beroepsgeheim is afgeleid uit de algemene privacy-bepalingen (artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet, artikel 272 Wetboek van Strafrecht en artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht). 52
|
Bijlagen
Wanneer geen toestemming is verkregen van de jeugdige en/of de ouders, kunnen soms toch gegevens uitgewisseld worden. In het kader van vroegsignalering zullen dit soort situaties zich overigens niet snel voordoen, en is het verkrijgen van toestemming de belangrijkste grondslag om gegevens te mogen uitwisselen met andere professionals. • Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een wettelijke plicht, zoals het melden van een infectieziekte aan de GGD op grond van de Wet publieke gezondheid. • Of een meldrecht, zoals op grond van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. • Of een conflict van plichten. Een conflict van plichten kan zich voordoen wanneer een ander concreet belang volgens de zorgverlener zwaarder weegt dan het beroepsgeheim, bijvoorbeeld wanneer de professional weet dat de jeugdige iemand anders iets ernstigs gaat aandoen. Het beroepsgeheim van de verschillende beroepsgroepen wordt verder uitgewerkt in beroepscodes of gedragsregels van de beroepsgroep. Ga na of uw beroepsgroep beroepscodes of gedragsregels heeft opgesteld en of er voor uw beroepsgroep een aparte handreiking is opgesteld. Lees deze zorgvuldig en spreek hierover en deel ervaringen met anderen. Voor meer informatie over specifieke situaties kan gekeken worden in de PrivacyApp (jeugdconnect.nl).
Dit is een praktische tool voor hulpverleners die informatie over jeugdigen en/of gezinnen willen opvragen of verstrekken of een casusoverleg willen organiseren. De app geeft snel inzicht in wat er mogelijk, wat toegestaan is, en onder welke condities dit mag.
Zie ook: • Omgang met medische gegevens: KNMG • Wegwijzer beroepsgeheimen in samenwerkingsverbanden
Informatie voor onderwijspersoneel Wanneer geen toestemming is verkregen van de jeugdige en/of de ouders, kunnen soms toch gegevens worden uitgewisseld. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een wettelijke plicht, zoals ongeoorloofd verzuim. Wanneer een leerling nog leerplichtig is, moet op grond van de Leerplichtwet ongeoorloofd verzuim worden doorgegeven aan de leerplichtambtenaar. Dat geldt ook in het geval een jeugdige 18 jaar is, maar nog geen 23 jaar, wanneer deze nog niet over een startkwalificatie beschikt. Wanneer deze jeugdige verzuimt op school, wordt dit doorgegeven aan het Doorstroompunt, zodat de jeugdige aan een traject begeleider kan worden gekoppeld. Ook kan de school een meldrecht hebben als het gaat om huiselijk geweld of kindermishandeling. Voor hulpverlening binnen de schoolsetting gelden de regels die bij zorgprofessionals zijn beschreven. Voor meer informatie over specifieke situaties kan gekeken worden op de volgende website: passend onderwijs en privacy Zie ook: Handreiking gegevensuitwisseling voor scholen die samenwerken met externe partners
Bijlagen
|
53
Informatie voor gemeenten In het kader van vroegsignalering is het soms noodzakelijk om persoonsgegevens van jeugdigen uit te wisselen tussen organisaties, zoals tussen zorgverleners onderling, of met scholen of de gemeente. Bij het delen van informatie over cliënten worden persoonsgegevens uitgewisseld. In de AVG en de UAVG staan de regels beschreven voor de omgang met persoonsgegevens. Persoonsgegevens, zoals een naam of adres, mogen alleen worden verwerkt in overeenstemming met de wet. De AVG onderscheidt ‘gewone’ persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens waaronder gezondheidsgegevens en strafrechtelijke persoonsgegevens. Voor deze laatste twee categorieën gelden aanvullende vereisten. Er zijn verschillende grondslagen op grond waarvan gegevens mogen worden verwerkt, bijvoorbeeld een wettelijke verplichting, een taak van openbaar belang en toestemming van de jeugdige en/of diens ouders. Gemeenten baseren zich meestal op een wettelijke verplichting of een taak van openbaar belang. Toestemming kan ook een grondslag zijn, maar ligt volgens de Autoriteit Persoonsgegevens minder voor de hand in de relatie tussen burger en overheid.
Zie ook: Een overzicht van alle grondslagen om informatie te delen, toezicht Sociaal Domein Grondslagen voor toestemming, Autoriteit Persoonsgegevens
Wanneer verschillende organisaties met elkaar samenwerken – bijvoorbeeld door een gezamenlijk multi disciplinair overleg te organiseren – is de gegevensuitwisseling vastgelegd in een samenwerkingsconvenant. Het convenant beschrijft het doel van de concrete samenwerking en noteert de afspraken tussen samen werkingspartners hoe met de persoonsgegevens wordt omgegaan. Zo weet iedereen van elkaar hoe de gegevens worden verwerkt. Een convenant is nooit een manier om een grondslag voor gegevensverwerking te krijgen. Daarvoor moet altijd een wettelijk kader bestaan. Maar door vast te leggen in het convenant wat het doel van de samenwerking is, is voor de betrokkenen duidelijk dat van een wettelijke grondslag sprake is. In deze handreiking wordt op een aantal plekken benoemd dat het lokale team samen kan werken met bijvoorbeeld zorgverleners of met scholen. Wanneer zij over een jeugdige willen spreken, is de basisregel om hiervoor toestemming te vragen aan de jeugdige en/of de ouders. Het is echter ook mogelijk om in een zogenoemd casusoverleg anoniem over jeugdigen te spreken. Dan is geen toestemming nodig. Let er wel op dat ook gezondheidsgegevens persoonsgegevens zijn en dat specifieke kenmerken van jeugdigen ook persoonsgegevens kunnen zijn; het criterium is of de gegevens herleidbaar zijn tot een persoon. Indien dat het geval is, dan kan niet over de casus worden gesproken.
Wanneer een medewerker van het lokale team onderdeel uitmaakt van het zorgteam is het afhankelijk van de casus welke grondslag nodig is voor het uitwisselen van gegevens. Wanneer het bijvoorbeeld gaat over een vraag in het kader van de Wmo 2015 kan een grondslag een wettelijke taak of gerechtvaardigd zijn. En in de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling is geregeld dat wanneer er sprake is van acuut gevaar of onveiligheid, gegevens zonder toestemming mogen worden gedeeld.
Zie ook: gegevensdeling in het sociaal-, zorg- en veiligheidsdomein, VNG Voor meer informatie over de voorwaarden bij het geven van toestemming en uitzonderingssituaties, zie de tekst over professionals Voor meer informatie over de leeftijdsgrenzen bij toestemming, zie leeftijdsgrenzen. Het wetsvoorstel Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) ligt momenteel bij de Tweede Kamer. Met deze wet wordt een betere juridische basis gecreëerd voor het uitwisselen van persoonsgegevens bij de integrale aanpak van meervoudige problematiek.
54
|
Bijlagen
Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein Het wetsvoorstel Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) ligt momenteel bij de Tweede Kamer. Met deze wet wordt een betere juridische basis gecreëerd voor het uitwisselen van persoonsgegevens bij de integrale aanpak van meervoudige problematiek (zie wetgevingstraject). Wanneer deze wet in werking is getreden krijgt het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) wettelijke taken voor onderzoek, planvorming en coördinatie. Dat onderzoek of het instellen van een gecoördineerde aanpak hoeft niet beperkt te blijven tot de te verlenen diensten in het sociaal domein, maar kan zich ook uitstrekken tot informatie, diensten en interventies uit de zogenoemde ‘aanpalende domeinen’. Het wetsvoorstel heeft als doel burgers die al in beeld zijn (deze komt zelf met een hulpvraag bij het college of er loopt al een hulpverleningstraject of interventie), maatwerk te kunnen bieden door samenhangende ondersteuning. Het gaat bij meervoudige problematiek om personen (of het gezin waarvan zij deel uitmaken) die te kampen hebben met problemen op verschillende leefdomeinen. Het kan dus niet worden ingezet bij vroegsignalering.
Dat het wetsvoorstel het college een aantal extra taken biedt om partijen voor zover noodzakelijk bij elkaar te brengen, maakt nog niet dat de gemeente hier ‘doorzettingsmacht’ krijgt: partijen behouden hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Dat betekent dat bijvoorbeeld het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht van professionals blijven gelden. De nieuwe taken van het college zijn de volgende (bron: memorie van toelichting): • Het college kan op verzoek van een cliënt of op (een gemotiveerd) verzoek van een reeds betrokken professional een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek instellen, waarbij wordt onderzocht welke problemen spelen, welke hulp al wordt verleend en welke hulp op grond van het sociaal domein zou moeten worden verleend. Zo nodig kan het college ook partijen uit aanpalende domeinen bij het onderzoek betrekken. • Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, draagt het college zorg voor een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan. • Als het onderzoek of de gecoördineerde aanpak daartoe aanleiding geven, kunnen respectievelijk het college, dan wel de aangewezen coördinator, een casusoverleg met alle betrokken partijen organiseren.
Volgens het wetsvoorstel kan het college een onderzoek instellen in twee specifieke situaties: 1. op verzoek van een cliënt nadat deze zich met een hulpvraag tot het college heeft gewend. In dat geval vindt het onderzoek in samenspraak met de cliënt plaats; 2. op verzoek van een partij die (bijvoorbeeld als hulpverlener) al bij een persoon is betrokken. Dit verzoek kan alleen worden gedaan indien vermoed wordt dat bepaalde situaties aan de orde zijn, en moet altijd nader worden gemotiveerd. Dit onderzoek wordt zo mogelijk in samenspraak met, maar kan ook zonder medewerking van de cliënt worden uitgevoerd.