2 Bijlage 1 Afbouwhandreiking VIR
Tekst van het document
Handreiking
Afbouw Verwijsindex Risicojongeren (VIR)
Inhoudsopgave Over deze handreiking
4
Vooraf4 Terminologie4
2
|
Informatie voor jeugdigen en ouders
5
Algemene informatie Waarom sta ik of mijn kind in de Verwijsindex? En wat betekent dat? Hoe werkt de Verwijsindex? Wanneer is toestemming nodig en wanneer niet? Hoe weet ik of ik/mijn kind in de Verwijsindex sta? Wat gebeurt er met mijn gegevens wanneer de Verwijsindex stopt? Wat gebeurt er tot die tijd?
6 6 7 8 9 9
Informatie voor professionals
10
Algemene informatie Wat moet ik jeugdigen/ouders vertellen? Hoe blijf ik werken aan vroegtijdige en onderlinge afstemming?
11 13 13
Informatie voor gemeenten
14
Algemene informatie Wat wordt er van gemeenten verwacht zo lang de Verwijsindex er nog is? Hoe blijf ik werken aan vroegtijdige en onderlinge afstemming?
15 16 17
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
18
Algemene informatie Het signaleren van risico’s en het verbinden van signalen zonder Verwijsindex Medewerkers van het lokale team als spin in het web Als gemeente in verbinding staan met professionals die werken met jeugdigen Het betrekken van andere professionals altijd in overleg Zoveel mogelijk in samenwerking en samenhang met het gezin
19 20 20 21 21 22
Andere werkwijzen
25
Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Kansrijke start
26 28 30
Samenwerkingspartijen32 Algemene informatie 33 Scholen33 Huisartsen35 Politie en justitie 38
Bijlage 1: Wat is de Verwijsindex?
39
Bijlage 2: Waarom wordt de Verwijsindex afgeschatft?
41
Bijlage 3: Wanneer wordt de Verwijsindex afgeschaft?
43
Bijlage 4: Wie kunnen er signalen afgeven in de Verwijsindex?
45
Bijlage 5: Welke rollen en verantwoordelijkheden heb ik als gemeente?
47
Bijlage 6: Informatie-uitwisseling & privacy
50
Algemene informatie Informatie voor professionals Informatie voor zorgverleners Informatie voor onderwijspersoneel Informatie voor gemeenten Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein Toestemming en leeftijden
51 51 52 53 54 55 56
|
3
Over deze handreiking Vooraf Dit document is een handreiking over de afbouw van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR), hierna: de Verwijsindex. De Verwijsindex is een systeem dat door professionals in het hele land kan worden gebruikt. De jeugdige kan in de Verwijsindex worden gezet als er een risico wordt geconstateerd. Het doel van de registratie is dat vroegtijdige en onderlinge afstemming van professionals kan plaatsvinden (o.a. vroegsignalering), zodat een jeugdige de hulp, zorg of bijsturing krijgt die nodig is om te kunnen ontwikkelen tot volwassene. De staatssecretaris heeft in 2022 in opvolging van een door de Tweede Kamer aangenomen motie besloten om te stoppen met de Verwijsindex. Hiervoor is een wetswijzigingstraject nodig, wat enkele jaren zal duren. In de bijlagen leest u meer over de Verwijsindex, de reden van stoppen en het wetstraject.
Deze handreiking bevat informatie over hoe omgegaan kan worden met de Verwijsindex in de periode tot aan de inwerkingtreding van de wet waarmee de Verwijsindex wordt afgeschaft en over het afbouwen van dit instrument voor verschillende doelgroepen die met de Verwijsindex te maken (kunnen) hebben: • Jeugdigen en ouders • Professionals • Gemeenten Deze handreiking gaat in op wat het betekent dat de Verwijsindex stopt, wat van professionals en gemeenten worden verwacht zolang dit instrument nog bestaat en beschrijft een aantal werkwijzen die ook kunnen bijdragen aan vroegtijdige en onderlinge afstemming van professionals, wat een belangrijk doel is van de Verwijsindex. Deze handreiking is een interactief document en bevat verschillende linkjes naar andere relevante informatie en doorklikmogelijkheden, waarmee binnen dit document kan worden genavigeerd.
Terminologie In deze handreiking wordt gesproken over ‘de Verwijsindex’. Met deze termijn wordt verwezen naar de Verwijsindex Risicojongeren (de VIR) zoals die is opgenomen in paragraaf 7.1. van de Jeugdwet. Daar waar geschreven wordt over de ‘regionale Verwijsindex’ worden de regionale signaleringssystemen bedoeld die aangesloten zijn op de landelijke Verwijsindex. De Jeugdwet spreekt over het melden van een jeugdige aan de Verwijsindex. In de praktijk wordt de term ‘melden’ echter vrijwel niet gebruikt en wordt bij deze term gedacht aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In deze handreiking is daarom gekozen voor de omschrijving ‘het door een professional afgeven van een signaal in de Verwijsindex’. Wanneer twee of meer professionals een signaal hebben afgegeven krijgen zij hierover een bericht. In de wet en in de praktijk worden hier verschillende termen voor gebruikt. Wij sluiten aan bij de term match(bericht).
4
|
Over deze handreiking
Informatie voor jeugdigen en ouders
Informatie voor jeugdigen en ouders |
5
Algemene informatie Doel Verwijsindex Soms maken professionals, zoals zorgverleners of leraren, zich zorgen over een kind. Zij kunnen dan de Verwijsindex gebruiken om contact met andere professionals te leggen die zich ook zorgen maken. Het doel is om vervolgens de hulp, zorg of ondersteuning te geven die nodig is. De Verwijsindex is een systeem dat door professionals in het hele land gebruikt kan worden wordt gebruikt. De overheid wil dat professionals, zoals een psycholoog of een leraar, dit systeem gebruiken als zij zich zorgen maken over de veiligheid van kinderen en jongeren. In de wet is geregeld wie signalen mogen afgeven in de Verwijsindex en welke criteria daarvoor gelden. De Verwijsindex bestaat uit regionale systemen en een landelijk systeem. De regionale systemen zetten de signalen door naar het landelijk systeem. Voor het regionale systeem hebben gemeenten en organisaties een convenant getekend.
Hoe werkt de Verwijsindex? Als een professional zich zorgen maakt, kan hij een signaal in de Verwijsindex afgeven. Vervolgens krijgt deze professional bericht als een andere professional zich ook zorgen maakt en een signaal heeft afgegeven. De hoofdregel is dat professionals alleen gegevens mogen delen over jou of je kind wanneer toestemming is gegeven. Of jij beslist of jouw ouders hangt af van je leeftijd. In noodgevallen, zoals wanneer een professional heel erg bezorgd is over jouw veiligheid of de veiligheid van jouw kind, mag hij of zij ook zonder toestemming informatie delen.
Verwijsindex gaat stoppen In 2022 is besloten te stoppen met de Verwijsindex. Het stoppen van de Verwijsindex kan pas nadat de wet is veranderd. Dat kan een paar jaar duren. Nadat de wet is veranderd, kan de Verwijsindex niet meer worden gebruikt door professionals. Dat betekent dat jouw gegevens of de gegevens van jouw kind dan uit het systeem verwijderd worden. Ook het systeem zelf wordt verwijderd.
Doel handreiking Deze handreiking geeft een uitleg over de Verwijsindex en wat het afschaffen van dit instrument voor jou betekent. * Deze teksten zijn zowel gericht op jeugdigen als op hun ouders. Waar jij staat bedoelen we een jeugdige jonger dan 23 jaar.
Waarom sta ik of mijn kind in de Verwijsindex? En wat betekent dat? Jij of jouw kind kan in de Verwijsindex staan omdat één of meerdere professionals, zoals zorgverleners of leraren, zich zorgen maken. De professionals willen samen met jou/jullie en andere professionals goede hulp bieden. Door de Verwijsindex kunnen professionals elkaar vinden. Alleen met jouw toestemming of de toestemming van jouw ouders of jouw kind kunnen de professionals onderling contact leggen.
6
|
Informatie voor jeugdigen en ouders
Risicosignalen Een signaal afgeven in de Verwijsindex mag niet zomaar. Dat kan alleen als een professional denkt dat jij of jouw kind problemen hebt die jouw ontwikkeling bedreigen. De wet noemt de situaties wanneer een signaal mag worden afgegeven: • Geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, vernederende behandeling, of verwaarlozing. • Psychische problemen, zoals een verslaving. • Opgroei- of opvoedingsproblemen. • Je bent minderjarig en daarnaast moeder of zwanger. • Je komt vaak niet naar school of stopt met school. • Het lukt niet om te werken voor jouw eigen geld. • Geldproblemen. • Geen vaste plek om te wonen. • Je bent gevaarlijk voor anderen door jouw gedrag. • Strafbare activiteiten. • Je ouders kunnen je niet goed verzorgen of opvoeden. • Risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen.
Zie ook deze handreiking waarin staat wanneer een signaal mag worden afgegeven.
Welke gegevens staan in de Verwijsindex? In de Verwijsindex staan de naam en het burgerservicenummer (BSN) van het kind. In de Verwijsindex staat verder geen informatie. Professionals krijgen alleen informatie over welke andere professionals betrokken zijn bij jou of jouw kind.
Hoe lang staan gegevens in de Verwijsindex? Een signaal moet volgens de Jeugdwet in elk geval uit de Verwijsindex worden verwijderd in de volgende situaties: • als het signaal twee jaar bestaat; • als jij (of jouw kind) 23 jaar bent geworden; • als jij (of jouw kind) bent overleden. Na twee jaar worden de gegevens verplaatst naar het archief en daar blijft het nog vijf jaar staan. Als een professional een signaal afgeeft ziet hij één keer dat jij of jouw kind in het archief staat. Een signaal in de Verwijsindex moet door een professional verwijderd worden als dit signaal niet terecht is afgegeven of als het eerder gesignaleerde risico niet meer aanwezig is.
Hoe werkt de Verwijsindex? Wanneer is toestemming nodig en wanneer niet? Signaal De professional geeft het signaal in de Verwijsindex alleen af wanneer is voldaan aan één van de risico signalen in de wet. Als slechts één professional een signaal heeft afgegeven, gebeurt er niets. De professional moet jou of jouw ouders wel vertellen dat hij een signaal heeft afgegeven.
Match Als een andere professional ook een signaal heeft afgegeven, dan krijgen beide professionals een bericht (een ‘match’). Ze mogen alleen met elkaar over jou of je kind praten als jij of je ouders daarvoor toestemming geven. Of jij beslist of jouw ouders hangt af van je leeftijd.
Informatie voor jeugdigen en ouders |
7
Gegevens delen met toestemming De hoofdregel is dat professionals alleen gegevens mogen delen over jou of jouw kind wanneer toestemming is gegeven. De toestemming moet vrij, specifiek en geïnformeerd zijn. Dat betekent dat jij en/of je ouders verteld moet zijn waarom zij gegevens willen delen. Ook moet de professional jou vertellen om welke gegevens het gaat en met wie de gegevens worden gedeeld. Je bent niet verplicht om toestemming te geven.
Gegevens delen zonder toestemming In noodgevallen, zoals wanneer een professional heel erg bezorgd is over jouw veiligheid of de veiligheid van jouw kind, mag hij of zij ook zonder toestemming informatie delen. Dit mag ook als er een wet is die dat vereist. De professional moet jou of jouw ouders hier wel zo snel mogelijk over vertellen. Alleen algemene vragen stellen zonder specifieke informatie over jou te delen mag ook zonder toestemming.
Hoe weet ik of ik/mijn kind in de Verwijsindex sta? Contact met de gemeente Als je wilt weten of er over jou of jouw kind een signaal is afgegeven, neem dan contact op met privacy functionaris van de gemeente waar je woont. • Bij een kind jonger dan 12 jaar, kunnen de ouders of wettelijke vertegenwoordiger(s) deze informatie opvragen. • Bij een kind tussen de 12 en 16 jaar doen kind en de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) dit samen. • Bij een kind van 16 jaar of ouder, wordt de informatie opgevraagd door het kind. De privacyfunctionaris van de gemeente waar je woont kan je vertellen hoe in jouw regio wordt omgegaan met de Verwijsindex. Als je contact opneemt, zeg dan dat je wilt weten of jij of jouw kind in de Verwijsindex staat. Misschien moet je aangeven wie je bent door je ID te laten zien op het gemeentehuis.
Ondersteuning Omdat het om jouw persoonlijke informatie gaat, zijn er strikte regels om jouw privacy te beschermen. Daarom wordt zorgvuldig met deze informatie omgegaan. Je kan iemand vragen je te helpen. Dat kan een ouder zijn, maar ook een leraar, een vertrouwenspersoon op school, of iemand anders die je vertrouwt.
8
|
Informatie voor jeugdigen en ouders
• Elke gemeente heeft onafhankelijke cliëntondersteuning. Kijk voor jouw gemeente waar je deze cliënt ondersteuning kunt vragen. Je kan ook terecht bij het Juiste loket. • Ook kan je via Jeugdstem een vertrouwenspersoon vragen om je te helpen. Zij helpen zowel jongeren als ouders. Ouders kunnen ook terecht bij Balans.
Bezwaar Als je niet wilt dat jouw gegevens of de gegevens van jouw kind in de Verwijsindex staan, kan je aan de gemeente vragen om deze te verwijderen.
Verwijderingsverzoek Naast het signaal in de Verwijsindex, is het mogelijk dat professionals in het dossier hebben opgeschreven dat zij een signaal in de Verwijsindex hebben afgegeven. Het kan gaan om een zorg- of schooldossier of een dossier bij de gemeente. Je kunt de professional vragen om dit uit het dossier te verwijderen.
Wat gebeurt er met mijn gegevens wanneer de Verwijsindex stopt? Op dit moment is nog niet bekend wanneer de wet wordt veranderd en dus de Verwijsindex niet meer mag worden gebruikt. Zie hiervoor de planning van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Verwijsindex mag na het veranderen van de wet niet meer worden gebruikt. Dat betekent dat al jouw gegevens of de gegevens van jouw kind dan uit het systeem verwijderd worden. Ook het systeem zelf wordt verwijderd. De Verwijsindex bestaat dan niet meer en kan niet meer worden gebruikt door professionals. Wel is het mogelijk dat een professional in het zorg- of schooldossier of in het dossier van de gemeente aantekeningen heeft gemaakt over het afgeven van een signaal in de Verwijsindex. Die gegevens mogen wel bewaard worden. Je mag een zorgverlener of school vragen om inzage in dit dossier. Vervolgens kan je vragen om daar delen uit te verwijderen.
Wat gebeurt er tot die tijd? Zolang de Verwijsindex er nog is, krijgen professionals die eerder een signaal hebben afgegeven een seintje als er nog een signaal over jou of jouw kind wordt afgegeven. Zij kunnen dan met elkaar overleggen.
Informatie voor jeugdigen en ouders |
9
Informatie voor professionals
Algemene informatie In dit hoofdstuk leest u over de afbouw van de Verwijsindex en wat dit betekent voor professionals. We maken onderscheid tussen drie verschillende fasen: 1. De periode totdat de wetswijziging die noodzakelijk is om de Verwijsindex te beëindigen door de Tweede Kamer is goedgekeurd. Tot dat moment verandert er voor professionals weinig, de Verwijsindex wordt gebruikt zoals dit in de Jeugdwet staat vastgelegd. U kunt als professional een signaal over een jeugdige afgeven aan de Verwijsindex indien u een ‘redelijk vermoeden’ heeft dat ‘de jeugdige in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd.’ Lees hierover meer in de bijlage ‘Welke rollen en verantwoordelijkheden heb ik? ‘. Wel is het belangrijk dat professionals en gemeenten zich oriënteren op andere werkwijzen die bijdragen aan de doelstellingen van de Verwijsindex, namelijk vroegtijdige en onderlinge afstemming van professionals, met het oog op de periode nadat de Verwijsindex is beëindigd. Lees hierover verder bij de stappen ‘Mag ik signalen blijven afgeven de komende periode?’, ‘Hoe blijf ik werken aan vroegsignalering?’ en ‘Wat moet ik jeugdigen/ouders vertellen?’. 2. De periode tussen het moment dat de wetswijzing door de Tweede Kamer is goedgekeurd en het moment dat de wetswijziging van kracht is.
Ook in deze periode blijft de Verwijsindex van kracht, inclusief alle wettelijke verplichtingen die hieruit voortvloeien. De gemeente moet wel gaan inzetten op een gecontroleerde afbouw, door hierover te communiceren naar betrokken partijen (zoals organisaties die zijn aangesloten op de Verwijsindex en professionals die bevoegd zijn om een signaal af te geven). Ook moet de gemeente afspraken maken met de leverancier(s) van het signaleringssysteem van de Verwijsindex over een verantwoorde afbouw, inclusief het verwijderen van alle data. Lees hierover verder bij de stap ‘Wat wordt er van gemeenten verwacht zo lang de Verwijsindex er nog is?’. 3. De periode nadat de wetswijziging van kracht is geworden. De Verwijsindex mag niet meer worden gebruikt en alle data moet zijn verwijderd.
Informatie voor professionals |
11
Mag ik signalen blijven afgeven de komende periode? Ja, zolang het signaleringssysteem bestaat kan je de Verwijsindex gewoon blijven gebruiken. Je mag signalen afgeven en matches ontvangen. Matches kunnen tot en met de laatste dag van gebruik van de Verwijsindex tot stand komen. Die dag mogen matches nog uit het systeem gehaald worden. Het ministerie van VWS verwacht dat organisaties zich blijven inzetten voor de doelen achter de Verwijsindex. Gemeenten hebben een taak in het bevorderen van het gebruik van de Verwijsindex zolang deze er nog is. Dat kan door op een correcte wijze gebruik te maken van de Verwijsindex volgens de met de gemeente gemaakte afspraken, en doordat gemeenten en organisaties zich (blijven) inspannen voor andere wijzen van vroegsignalering en samenwerking rondom jeugdigen waardoor ongecontroleerde afbouw wordt voorkomen en gewerkt blijft worden aan de doelstellingen van de Verwijsindex.
Correct gebruik van de Verwijsindex De Verwijsindex kan tot de datum waarop deze wordt afgeschaft gewoon gebruikt blijven worden. Wel is van belang dat de Verwijsindex op de correcte wijze wordt gebruikt. Dat betekent onder meer dat iedere keer dat een signaal wordt afgegeven aan de Verwijsindex, daar een individuele afweging aan vooraf gaat. Wanneer geen individuele afweging plaatsvindt, bestaat er geen juridische grondslag. Het automatisch afgeven van signalen van alle nieuwe cliënten aan de Verwijsindex door organisaties is en blijft niet toegestaan.
12
|
Informatie voor professionals
Sommige organisaties en professionals nemen in de individuele afweging mee – indien bekend –in hoeverre andere professionals in de regio de Verwijsindex gebruiken en daarmee hoe groot de kans is op een match. Eventuele richtlijnen of standpunten van de beroepsgroep van de professional zijn daarbij van belang, evenals om wat voor doelgroep het gaat of welke sector. Wanneer een professional op basis van signalen vermoedt dat sprake is van huiselijk geweld of kindermis handeling, doorloopt hij of zij de stappen uit de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling om uit te zoeken wat er aan de hand is. Het signaleren van risico’s maakt deel uit van het professionele handelen van de verschillende professionals. Dit staat los van het afgeven van een signaal aan de Verwijsindex en de meldcode blijft daarmee een toe te passen instrument bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Wat moet ik jeugdigen/ouders vertellen? Er is geen wettelijke verplichting om toestemming te vragen voor het afgeven van een signaal, maar er is wel een plicht om de jeugdige en/of zijn ouders hierover te informeren. Bij voorkeur gebeurt informeren vooraf. Het informeren moet specifiek gebeuren. De informatie mag dus geen onderdeel zijn van een algemene folder, maar moet specifiek gericht zijn op informatie over de verwijsindex. Bij het overhandigen van deze informatie zal vaak ook een persoonlijk gesprek plaatsvinden, zodat de zorgen kunnen worden besproken en waarbij uitleg wordt gegeven over het afgeven van een signaal en eventuele vragen van de ouders/ jeugdige hierover worden beantwoord. In de Jeugdwet is geen grondslag opgenomen voor het delen van informatie, nadat een match is ontstaan tussen twee professionals. Voor informatie-uitwisseling tussen professionals over concrete personen is dus wel toestemming nodig. Binnen de wettelijke kaders is het wél mogelijk om contact op te nemen met de andere professional na een match om te informeren wat diens vragen zijn, zolang er geen inhoudelijke informatie wordt uitgewisseld. Je hoeft als professional de ouders/jeugdige niet te informeren dat de Verwijsindex stopt.
Maar als ouders bijvoorbeeld (als je hen vertelt over een signaal dat je gaat afgeven of net hebt afgegeven) vragen hebben over wat er met dat signaal gebeurt, is het goed om aan te geven dat er binnenkort geen gebruik meer wordt gemaakt van de Verwijsindex en dat alle gegevens worden verwijderd. Je kunt ouders en jeugdigen verwijzen naar hun gemeente als zij willen weten of zij in de Verwijsindex staan.
Hoe blijf ik werken aan vroegtijdige en onderlinge afstemming? Er zijn bestaande werkwijzen rondom jeugdigen die bijdragen aan dezelfde doelstellingen als de Verwijsindex, namelijk vroegtijdige en onderlinge afstemming zodat passende hulp, zorg of bijsturing kan worden verleend. Deze werkwijzen zijn geen volledige vervanging van de Verwijsindex, maar dragen op hun eigen manier bij aan deze doelstelling. In deze handreiking beschrijven we een aantal van deze werkwijzen, zoals: • Netwerksamenwerking • Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling • Kansrijke start Aan de hand van verschillende samenwerkingsvormen wordt beschreven hoe dergelijke werkwijzen gestalte kunnen krijgen en wat daarbij eventuele aandachtspunten zijn.
Informatie voor professionals |
13
Informatie voor gemeenten
14
|
Informatie voor gemeenten
Algemene informatie In dit hoofdstuk leest u over de afbouw van de Verwijsindex en wat dit betekent voor gemeenten. We maken hierbij onderscheid tussen drie verschillende fasen die voor gemeenten relevant zijn: 1. De periode totdat de wetswijziging die noodzakelijk is om de Verwijsindex te beëindigen door de Tweede Kamer is goedgekeurd. Tot dat moment verandert er voor gemeenten weinig, de Verwijsindex wordt gebruikt zoals deze in de Jeugdwet staat vastgelegd. Wel is het belangrijk dat gemeenten zich oriënteren op andere werkwijzen die bijdragen aan de doelstellingen van de Verwijsindex, namelijk vroegtijdige en onderlinge afstemming van professionals, met het oog op de periode nadat de Verwijsindex is beëindigd. Lees hierover verder bij de stappen ‘Wat wordt er nu nog (van gemeenten) verwacht?’ en ‘Hoe blijf ik werken aan vroegsignalering?’ 2. De periode tussen het moment dat de wetswijzing door de Tweede Kamer is goedgekeurd en het moment dat de wetswijziging van kracht is. Ook in deze periode blijft de Verwijsindex van kracht, inclusief alle wettelijke verplichtingen die hieruit voortvloeien. De gemeente moet zich wel gaan inzetten op een gecontroleerde afbouw, door hierover te communiceren naar betrokken partijen (zoals organisaties die zijn aangesloten op de Verwijsindex en professionals die bevoegd zijn om een signaal af te geven).
Ook moet de gemeente afspraken maken met de leverancier(s) van het signaleringssysteem van de Verwijsindex over een verantwoorde afbouw, inclusief het verwijderen van alle data. Lees hierover verder bij de stap ‘Wat wordt er van gemeenten verwacht zo lang de Verwijsindex er nog is?’. 3. De periode nadat de wetswijziging van kracht is geworden. De Verwijsindex mag niet meer worden gebruikt en alle data moet zijn verwijderd. Lees hierover verder bij de stap ‘Wat gebeurt er als de Verwijsindex stopt?’. De gemeente heeft meerdere taken op het gebied van de Verwijsindex. Hierover leest u meer op de pagina ‘Welke rollen en verantwoordelijkheden heb ik als gemeente?’.
Informatie voor gemeenten |
15
Wat wordt er van gemeenten verwacht zo lang de Verwijsindex er nog is? Hoe wordt ‘bevorderen gebruik Verwijsindex’ ingekleurd? Tot het moment dat de Jeugdwet is aangepast, blijft de wettelijke verplichting van de Verwijsindex van kracht en moeten gemeenten hun wettelijke taken blijven uitvoeren. Dit betreft: • Zorgen dat het mogelijk is om signalen aan de Verwijsindex af te geven, door het in stand houden van een regionaal signaleringssysteem. • In een convenant of anderszins schriftelijk afspraken maken over hoe partijen met signalen aan de Verwijsindex moeten omgaan en hoe de samenwerking tussen college en partijen onderling eruit moet zien. • Regionaal het gebruik van de Verwijsindex bevorderen. De Staatssecretaris van VWS heeft besloten om zich, met betrekking tot handhaving, te richten op communicatie over en aansporen van het gebruik van de Verwijsindex tot het moment dat deze is afgeschaft. Het Rijk communiceert richting de betrokken organisaties dat de doelen waarvoor de Verwijsindex bedoeld is nog steeds belangrijk en van kracht zijn. Dit betreft: vroegtijdige signalering van jeugdigen die risico lopen, faciliteren van de vroegtijdige en onderlinge afstemming en bieden van tijdige passende hulp, zorg of bijsturing aan jeugdigen.
Ook vindt het Rijk het van belang dat gemeenten en organisaties waar professionals werken die bevoegd zijn om signalen af te geven de Verwijsindex correct gebruiken tot het moment van afschaffing. Tot en met het moment waarop de Tweede Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen, kan niet vooruit gelopen worden op het afbouwen van de Verwijsindex door nu al in regio’s de Verwijsindex af te sluiten. Het Rijk vraagt dan ook met klem aan gemeenten om in ieder geval het correct gebruik van de Verwijsindex tot die tijd te blijven bevorderen en de wettelijke plicht te blijven uitvoeren. Daarbij is het Rijk echter niet blind voor de signalen vanuit het land waaruit naar voren komt dat, mede gelet op het voornemen om de Verwijsindex uit de wet te schappen, het draagvlak onder een deel van de gemeenten om aangesloten te blijven op de Verwijsindex afneemt. Het Rijk neemt deze signalen serieus en wil daarom samen met gemeenten, organisaties die werken met de verwijsindex, ouders en jeugdigen zelf toewerken naar een gecontroleerde afbouw. We houden gemeenten van de voortgang hiervan op de hoogte. Het ministerie van VWS verwacht van gemeenten dat er goede afspraken worden gemaakt met lokale organisaties tot een goede samenwerking te komen.
Handhaving van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) | VNG Traject Verwijsindex Risicojongeren: update februari 2024 | VNG Als gemeente blijven werken aan vroegsignalering, onderlinge afstemming en het tijdig bieden van passende hulp. Hoe kan ik dat doen?
Zorgdragen ‘correct’ gebruik Gemeenten hebben een taak in het bevorderen van het ‘correcte’ gebruik van de Verwijsindex en het aanspreken op ‘incorrect’ gebruik van de Verwijsindex. De minimumeisen moeten nageleefd worden. Dat betekent in elk geval dat de gemeente zelf geen instanties aansluit die zijn aangewezen in de Jeugdwet en het Jeugdbesluit. In verschillende documenten wordt bijvoorbeeld de kinderopvang vermeld als organisatie die werkt met de verwijsindex, maar hiervoor bestaat geen wettelijke grondslag. Daarnaast kunnen gemeenten erop toezien dat bij het afgeven van signalen door professionals altijd een individuele afweging plaatsvindt. De Jeugdwet biedt bevoegde professionals een grondslag zodat zij kunnen afgeven wanneer voldaan is aan één van de risicosignalen die zijn genoemd in de wet. Wanneer geen
16
|
Informatie voor gemeenten
individuele afweging plaatsvindt, bestaat er geen juridische grondslag. Het automatisch afgeven van signalen van alle nieuwe cliënten aan de Verwijsindex door organisaties is en blijft niet toegestaan. Het is belangrijk dat de uiteindelijke afbouw van de Verwijsindex zorgvuldig gaat, zodat professionals naar de onderliggende doelen van de Verwijsindex blijven streven: vroegtijdige signalering van jeugdigen die risico lopen, faciliteren van de vroegtijdige en onderlinge afstemming en bieden van tijdige passende hulp, zorg of bijsturing aan jeugdigen.
Wat gebeurt er met de data? Alle data uit de Verwijsindex moet verwijderd worden. Voor de landelijke Verwijsindex voert het CIBG deze werkzaamheden uit. Voor de regionale Verwijsindexen is dit de verantwoordelijkheid van de gemeenten. De gemeente moet, in overleg met de ict-leverancier, zorgen voor verwijdering van alle gegevens (inclusief back-ups) uit de systemen. Dat betekent dat contracten met ict-leveranciers ontbonden moeten worden en de gemeente afspraken moet maken over de daadwerkelijke verwijdering van de data en het signaleringssysteem an sich. Het is mogelijk dat een professional in een zorg- of schooldossier aantekeningen heeft gemaakt over het afgeven van een signaal in de Verwijsindex. Die gegevens blijven wel bewaard. Betrokkenen (ouders, verzorgers, jeugdige) mogen een zorgverlener of school vragen om inzage in hun eigen dossier. Vervolgens kunnen zij vragen om daar delen uit te verwijderen, dat geldt ook voor de opmerking in het dossier dat een signaal is afgegeven.
Omgang met vragen na afschaffen van de Verwijsindex, zoals vragen of iemand is opgenomen in de Verwijsindex Na de wetswijziging bestaat de Verwijsindex niet meer. Alle daarin opgeslagen persoonsgegevens zijn per die datum verwijderd en niet meer te raadplegen. Dat betekent dat verzoeken om inzage niet meer inhoudelijk behandeld kunnen worden, er worden immers geen persoonsgegevens meer verwerkt. Lopende (AVG-)verzoeken en/of bezwaarschriften worden op dezelfde manier behandeld en er kan dus geen gebruik meer gemaakt worden van de Verwijsindex en de daarin ten tijde van indiening opgenomen persoonsgegevens bij de verdere afhandeling. De wijziging van de Jeugdwet voorziet niet in overgangsrecht.
Hoe blijf ik werken aan vroegtijdige en onderlinge afstemming? Er zijn bestaande werkwijzen rondom jeugdigen die bijdragen aan dezelfde doelstellingen als de Verwijsindex, namelijk vroegtijdige en onderlinge afstemming zodat passende hulp, zorg of bijsturing kan worden verleend. Deze werkwijzen zijn geen volledige vervanging van de Verwijsindex, maar dragen op hun eigen manier bij aan deze doelstelling. In deze handreiking beschrijven we een aantal van deze werkwijzen, zoals: • Netwerksamenwerking • Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling • Kansrijke start Aan de hand van verschillende samenwerkingspartijen wordt beschreven hoe dergelijke werkwijzen gestalte kunnen krijgen en wat daarbij eventuele aandachtspunten zijn
Informatie voor gemeenten |
17
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
18
|
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
Algemene informatie Hoewel de Verwijsindex stopt, blijven de doelen van de Verwijsindex onverminderd belangrijk, namelijk dat de jeugdige tijdig passende hulp, zorg of bijsturing krijgt en de samenwerking tussen betrokken hulpverleners wordt bevorderd. Naast de Verwijsindex, zijn er allerlei andere werkwijzen die aan deze doelstellingen bijdragen. Veel van deze werkwijzen worden al in verschillende regio’s toegepast. Dit hoofdstuk beschrijft een aantal van deze werkwijzen en gaat daarbij in op hoe verschillende partijen hieraan kunnen bijdragen. Gemeenten kunnen dit als inspiratie gebruiken bij de oriëntatie op eventuele andere werkwijzen die bijdragen aan vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen professionals, of als spiegel om te bezien in hoeverre in de regio momenteel al (al dan niet in combinatie met de Verwijsindex) aan deze doelen wordt gewerkt. Onder de noemer ‘netwerksamenwerking’ wordt beschreven hoe vroegsignalering onderdeel kan zijn van het reguliere werk van professionals en wat hierbij aandachtspunten zijn. Daarnaast worden concrete voorbeelden gegeven van een aantal specifieke werkwijzen (MAZL, Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, Kansrijke start). Tot slot wordt nader ingegaan op een aantal bij jeugdigen betrokken professionals en organisaties en wat aandachtspunten zijn voor vroegsignalering en het bieden van de juiste hulp. Ga naar:
Netwerksamenwerking • Het signaleren van risico’s • Medewerkers van het lokale team • Aanwezigheid gemeenten op vindplekken • Het betrekken van andere professionals • (Samenwerking met) het gezin
Andere werkwijze • Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) • Meldcode • Kansrijke start
Samenwerkingspartijen • Scholen • Huisartsen • Jeugdgezondheidszorg • Politie en justitie
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp |
19
Het signaleren van risico’s en het verbinden van signalen zonder Verwijsindex Het signaleren van risico’s Professionals die met jeugdigen en gezinnen werken krijgen soms te maken met (hulp)vragen van deze jeugdigen en ouders of vangen signalen over hen op van mensen uit hun netwerk. Of ze lopen tegen situaties aan die zorgelijk zijn. Het kan hier gaan om mogelijke risicosignalen, bijvoorbeeld over de veiligheid van de jeugdige, ernstige zorgen over de ontwikkeling, of zorgen over het verrichten van strafbare feiten. Het signaleren van risico’s is onderdeel van het professionele handelen van de verschillende professionals die betrokken zijn bij jeugdigen en gezin. Dit staat los van het eventueel werken met een de Verwijsindex.
Hoe worden risicosignalen met elkaar verbonden zonder Verwijsindex? Veel professionals weten wat ze moeten doen als ze risico’s bij een jeugdige of het gezin signaleren. Bijvoorbeeld door zelf te acteren vanuit de (hulpverlenings)relatie met de jeugdige en/of gezin, of door een collega, (andere) instanties en hulpverleners erbij te halen. Professionals geven aan dat het onderhouden van (persoonlijke) lijntjes met andere professionals, ook in andere domeinen dan de jeugdzorg, een belangrijke manier is waarop risicosignalen met elkaar verbonden worden. Het hebben van korte lijntjes maakt het makkelijker om vroegtijdig en snel met andere professionals af te stemmen over de situatie en over wat er nodig is. Toch is dit geen vanzelfsprekendheid en is het voor individuele professionals onmogelijk om zelf lijntjes met alle instanties en professionals te onderhouden. Het kan al lastig zijn voor professionals om zelf een goed beeld te hebben van welke organisaties in een gemeente of regio kunnen helpen en/of wanneer betrokken moeten en/of mogen raken (zie ook privacy)
Medewerkers van het lokale team als spin in het web De gemeente speelt een belangrijke rol in het sociaal domein en het zorg- en veiligheidsdomein en kan vanuit verschillende subdomeinen betrokken zijn bij de hulpverlening aan jeugdigen en gezinnen. In steeds meer gemeenten wordt gewerkt met (stevige) lokale teams (sociale wijkteams, gebiedsteams, et cetera). De opdracht en reikwijdte van deze lokale teams kan verschillen per gemeente, maar over het algemeen hebben zij een belangrijke en centrale rol in het lokale sociale domein. Stevige lokale teams zijn een belangrijk speerpunt in een aantal met elkaar samenhangende ontwikkelingen. Zo wordt in de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 (zie ook kader) de nadruk gelegd op het belang van stevige lokale teams die ‘in verbinding staan met welzijn, (kinder)opvang en onderwijs; daarnaast met volwassenen-ggz en ggz-ondersteuning, die bij voorkeur ook in de wijk aanspreekbaar en inzetbaar zijn’. Daarnaast spelen lokale teams ook een belangrijke rol in het toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.
In de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 worden kenmerken genoemd van (de gewenste) stevige lokale teams en komt het belang van netwerksamenwerking op verschillende plekken naar voren. Een aantal van deze kenmerken zijn in het kader van vroegsignalering en het bieden van de juiste hulp extra relevant. Lokale teams: • Staan dicht bij de inwoners, werken outreachend en signaleren vroegtijdig; • Hebben een vast gezicht en ankerpunt voor het gezin totdat de balans is hersteld of om de balans duurzaam te ondersteunen om escalatie te voorkomen; • Hebben specialistische expertise dichtbij beschikbaar. Ze halen deze expertise ‘erbij’ om in te zetten ter consultatie of als daadwerkelijk hulptraject. Bij een hulptraject blijft het lokale team betrokken; • Zijn ook te benaderen wanneer juist de specialistische zorgaanbieders merken dat er een bredere aanpak nodig is dan de zorg die een specialistische aanbieder inzet, bijvoorbeeld wanneer een jeugdige via de huisarts in zorg is gekomen; • Werken samen met onder andere huisartsen, jeugdartsen, jeugdgezondheidszorg, gecertificeerde instellingen, kinderartsen, kinder- en jeugdpsychiaters en Veilig Thuis; • Werken samen met netwerken integrale vroeghulp.
20
|
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
De VNG is een ondersteuningslijn begonnen gericht op het ondersteunen en stimuleren van gemeenten en uitvoeringsorganisaties om de ontwikkeling naar stevige lokale teams te maken. Deze ondersteuningslijn bouwt voort op het richtinggevend kader voor toegang sociaal domein. Dit kader beschrijft waar toegang, lokale teams en integrale dienstverlening voor inwoners in kwetsbare en complexe situaties aan moeten voldoen. Ook in dit kader wordt genoemd dat “medewerkers van de toegang en lokale teams aanwezig zijn waar mensen leven, naar school gaan, samenkomen en elkaar ontmoeten” en “dat de professionals van de lokale teams het gebied waar zij werken, de mensen die er wonen en de vragen die er spelen kennen. Ze hebben goed contact met andere publieke voorzieningen in hun gebied, zoals huisartsen, jeugdgezondheidszorg, welzijnswerk, scholen, steun punten mentale gezondheid en woningcorporaties. Over en weer weet men elkaar goed te vinden.”
Als gemeente in verbinding staan met professionals die werken met jeugdigen In een deel van de gemeenten die werken met lokale teams hebben deze lokale teams zich zo georganiseerd dat zij aanwezig zijn op plekken waar professionals werken met jeugdigen en ouders. Op dergelijke plekken signaleren professionals risico’s omtrent jeugdigen en gezin, zoals op scholen, bij huisartsen, de jeugd gezondheidszorg (GGD, CJG’s), kinderopvang en het domein van politie en justitie. Het zijn de medewerkers van deze lokale teams die, door daar aanwezig te zijn en/of professionals die op die plekken werkzaam zijn actief op te zoeken, signalen opvangen en kunnen verbinden met andere professionals. Hoe zij aanwezig zijn bij deze samenwerkingspartijen, kan per partij en per gemeente verschillen. Zo zijn er gemeente die afspraken met scholen hebben gemaakt, waarbij de medewerker van het lokale team wekelijks een dag of dagdeel aanwezig is in de school en afstemt met het zorgteam van de school (zie ook privacy). Een ander voorbeeld is de aanwezigheid bij huisartsen, in de vorm van praktijkondersteuners, met een eigen spreekuur. Naast dergelijke voorbeelden sluiten medewerkers van lokale teams aan bij verschillende overlegstructuren, zoals het lokale veiligheidsoverleg.
Gemeente Zwolle werkt met integrale wijkteams (voor alle leeftijden, gericht op jeugdzorg, Wmo, participatie, veiligheid, et cetera). In Zwolle zijn medewerkers van deze wijkteams aanwezig in de meeste scholen in de gemeente, variërend van 4 uur per week voor alle basisscholen, tot 16 uur voor een aantal grotere voortgezet onderwijsscholen. Daar hebben ze spreekuren en soms zijn ze onderdeel van het ondersteuningsteam van de school. Ook wordt met de meeste huisartsen samengewerkt, ook (mede) door in de praktijk aanwezig te zijn en daar met ouders/jeugdigen in gesprek te kunnen. De aanwezigheid op scholen en bij huisartsen wordt door de gemeente gefinancierd (dat is een belangrijke randvoorwaarde om dit te kunnen laten slagen) en er worden afspraken gemaakt over de werkwijze rond het bespreken van zorgen over een jeugdige en/of gezin. Zo is het wijkteam een belangrijke spil die aanwezig is op vele vindplekken. Het uitgangspunt hierbij is dat altijd eerst met de jeugdige en de ouders wordt gesproken en toestemming wordt gevraagd voordat hun situatie met andere professionals (zoals van het wijkteam) wordt besproken. Vaak worden de ouders zelf ook uitgenodigd om deel te nemen aan dit overleg.
De gemeente heeft ook met andere partijen (zoals met GGD’s, ziekenhuizen, kinderop vang, welzijn, veilig thuis, politie en gecertificeerde instellingen) concrete afspraken gemaakt gericht op het versterken van de samenwerking, verbinding en specifiek (ook) gericht op vroegsignalering. Daarnaast nemen scholen hun verantwoordelijkheid bij verhuizingen, door actief bij te dragen aan warme overdracht. Ook dat helpt om te voorkomen dat kinderen tussen wal en schip belanden.
Het betrekken van andere professionals altijd in overleg Belangrijke randvoorwaarde bij het werken met lokale teams is dat de jeugdige en/of zijn ouders goed worden betrokken op het moment dat er door de betreffende professional met andere professionals wordt gesproken over zorgen en risicosignalen omtrent jeugdige en gezin. Er mogen gegevens worden uitgewisseld als de jeugdige en/of de ouders hierover zijn geïnformeerd en expliciet toestemming hebben gegeven. Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp |
21
In het (keukentafel)gesprek met de jeugdige en/of de ouders kan de professional achterhalen welke andere professionals, van welke organisaties, al betrokken zijn of in het verleden betrokken zijn geweest. Het vraagt wat van het professioneel handelen van de professional om de ouders goed mee te nemen, hen te informeren en te betrekken, en om de juiste informatie van hen te verkrijgen. Dit doen professionals in gesprekken die zij voeren met de jeugdige en/of de ouders, waarbij bejegening belangrijk is. Het gaat dan zowel om een professional die een risicosignaal heeft opgevangen (zoals een leraar, een zorgcoördinator op school, een verpleegkundige of jeugdarts, etc.) als de professional van het lokale team die betrokken wordt en contact wil leggen met een andere professional. Het kan uiteindelijk zijn dat, ondanks pogingen om hierover het goede gesprek te voeren, de ouders en/of jeugdige geen toestemming geven en dat ze niet open staan voor hulp en/of overleg met andere professionals van andere organisaties. In dat geval moet de professional dat respecteren en accepteren. Zijn er echter vermoedens van fysiek, psychisch of seksueel geweld en/of verwaarlozing, dan biedt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling een kader om te handelen. Deze meldcode helpt professionals zorgvuldig te handelen bij een vermoeden van kindermishandeling of huiselijk geweld.
De professionele richtlijn ‘gezinnen met meervoudige en complexe problematiek’ geeft een opsomming van elementen van de gewenste ‘houding’ van de professional die een relatie met de het gezin wenst op te bouwen. De professionele richtlijn ’samen beslissen over passende hulp’ gaat (ook) in op de houding en vaardigheden van de professional die bijdragen aan een goede relatie tussen de ouders/jeugdige en de hulpverlener en noemt hierbij ook ‘luistervaardigheden’ en gesprekstechnieken die helpend zijn, zoals: • Motiverende gespreksvoering • Oplossingsgerichte gesprekstechnieken • Gespreksvaardigheden bij het praten met een jeugdige
Zoveel mogelijk in samenwerking en samenhang met het gezin De Jeugdwet legt de verantwoordelijkheid voor gezond en veilig opgroeien allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Het ligt daarom voor de hand om, zodra is besproken met het gezin om een andere professional te betrekken, of om de signalen in een breder overleg met andere professionals of deskundigen te bespreken, om deze ouders en/of jeugdige mee te nemen naar dit overleg, zodat ze zelf zoveel mogelijk betrokken zijn en weten wat er wordt besproken. Dat past bij het uitgangspunt van de Jeugdwet dat ouders en de jeugdige zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk zijn en zelf de regie nemen: de cliënt of het gezin is zelf van begin tot eind actief betrokken. Pas ‘als meerdere hulpverleners en instanties zijn betrokken en de ouders en de jeugdige de zorg niet zelf kunnen regisseren, ondersteunt één van de professionals hen daarbij’. Er wordt dus niet ‘over’ maar ‘met’ gezinnen gesproken. Dit vraagt om een flinke ‘investering in (een goede relatie met) het gezin’, maar deze relatie is cruciaal om iets te kunnen bewerkstelligen bij een gezin, bijvoorbeeld dat zij hulp accepteren.
De professionele richtlijn ‘gezinnen met meervoudige en complexe problematiek’ gaat onder andere in op hoe een professional een centrale positie kan verwerven binnen gezin. Hierin staat onder meer het volgende: “van belang is met name dat de vaste hulpverlener overtuigingskracht toont richting de gezinsleden en andere betrokkenen, domeinoverstijgend en integraal blijft kijken, bereid is compromissen te sluiten, lef en moed toont en bijvoorbeeld de vraag durft te stellen of een betrokken hulpverlener of instantie nog nodig is om het plan voor het betreffende gezin uit te voeren. Hij laat zich niet door de eerste de beste tegenslag of ‘nee’ bij een instantie weerhouden en neemt en verwerft op deze manier mandaat. Deze ene vaste hulpverlener is hiermee eind verantwoordelijk voor de hulp aan dit gezin.” Het NJi heeft een artikel geschreven dat ingaat op de vraag ‘wat werkt in partnerschap met ouders’ en beschrijft onder andere een aantal werkzame elementen van samenwerken met ouders in de praktijk , zoals vanaf de start bouwen aan een samenwerkingsrelatie met duidelijke verwachtingen en een scherp oog voor de belangen van ieder individu.
22
| Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
Eén gezin één plan Eén van de doelstellingen van de Jeugdwet is integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt één gezin, één plan. Dat draagt bij aan laagdrempelige, vroegtijdige en integrale hulp en ondersteuning voor jeugdigen. Zodra er hulpverlening betrokken is bij een jeugdige, wordt er gewerkt aan doelen die samen met de jeugdige en/of ouders zijn vastgesteld. Het plan, of gezinsplan, stelt gezinnen centraal in de hulpverlening, door hen samen met professionals een plan te laten opstellen om hun problemen aan te pakken. Dit plan legt de doelen, acties en verantwoordelijkheden vast, met de nadruk op samenwerking, gezinsgerichte aanpak en maatwerk. Het stimuleert zelfredzaamheid en benut de eigen kracht van het gezin, terwijl het zorgt voor een gezamenlijke focus en efficiënte hulpverlening. Het plan benadrukt preventie, vroegsignalering en de inzet van het sociale netwerk van het gezin, om intensievere zorg te voorkomen. Vaak krijgt dit gezin een vaste hulpverlener, die betrokken is bij het opstellen van dit plan, en (vervolgens) die de hulp coördineert, de samenwerking faciliteert en stuurt op het resultaat van de hulp (procesregie). Een degelijk plan draagt op verschillende manieren bij aan vroegsignalering, door de nadruk te leggen op de actieve betrokkenheid van het gezin en hun directe omgeving bij het herkennen van problemen en het zoeken naar oplossingen.
Hieronder volgen enkele manieren waarop een plan dit proces ondersteunt: • Betrokkenheid van het sociale netwerk: Door het sociale netwerk van het gezin actief te betrekken bij het opstellen van het plan, worden meer mensen zich bewust van de situatie en de tekenen van mogelijke problemen. Dit vergroot de kans dat signalen van problemen bij kinderen vroegtijdig worden opgemerkt. • Open communicatie: Het proces van het opstellen van een plan moedigt open communicatie binnen het gezin en met professionals aan. Dit zorgt ervoor dat zorgen of problemen sneller worden uitgesproken en erkend. • Preventieve aanpak: Een plan is niet alleen gericht op het aanpakken van bestaande problemen, maar ook op preventie. Door doelen en acties te formuleren die gericht zijn op het versterken van het gezin en het kind, kunnen mogelijke toekomstige problemen worden voorkomen. • Maatwerk: Door maatwerk te leveren, afgestemd op de specifieke behoeften en omstandigheden van het gezin, kan het plan effectiever inspelen op risicofactoren die vroegtijdig aangepakt moeten worden. • Versterking van de eigen kracht: Het plan benadrukt de eigen kracht en mogelijkheden van het gezin. Door gezinnen te empoweren, worden zij meer zelfredzaam en proactief in het signaleren en aanpakken van problemen.
• Samenwerking tussen professionals: Wanneer professionals uit verschillende disciplines samenwerken aan een plan, wordt de kennis over en de aandacht voor het kind en het gezin vergroot. Dit multidisciplinaire overleg kan leiden tot een betere vroegsignalering van problemen. • Borging: door gebruik van het familieplan kan de kennis die tot dan toe is opgedaan worden geborgd. Ook kan hier worden geborgd dat kennis bewaard blijft als er personele wisselingen zijn. Belangrijk is daarom dat het plan up-to-date blijft. Door deze aspecten draagt ‘één gezin, één plan’ bij aan een omgeving waarin mogelijke problemen bij kinderen sneller worden herkend en aangepakt, waardoor ernstigere problematiek voorkomen kan worden.
Het NJI, de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) hebben een Richtlijn gezinnen met meervou dige en complexe problemen opgesteld. Werkkaart 4 van de richtlijn werken met gezinnen met meervoudige en complexe problemen geeft concrete handvatten voor hoe hulpverleners het netwerk rond een gezin kunnen activeren aan de hand van de volgende stappen: 1. Breng het netwerk in kaart 2. Inventariseer welke steun het netwerk kan bieden 3. Organiseer een Eigen Kracht Conferentie (zie ook: eigen-kracht.nl) of familieberaad 4. Organiseer een rondetafelgesprek 5. Organiseer vervolg overleggen Voor een gedetailleerde uitwerking van deze stappen, zie deze werkkaart.
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp |
23
Het werken met ‘één gezin, één plan´ draagt er bovendien aan bij dat het voor een professional die nog niet bij een gezin betrokken is, maar wel risico’s signaleert en hierop met het gezin contact opneemt, mogelijk is om vrij snel contact te krijgen met de hulpverlener die de rol als procesregisseur heeft. Vooral als de ouders goed zijn meegenomen bij het opstellen van het gezinsplan, zullen de ouders zelf ook met dit plan komen en aan de hand van dit plan kunnen laten zien welke professionals (nog meer) bij het gezin betrokken zijn.
Het concept van ‘een gezin, een plan’ in de jeugdzorg is gebaseerd op het uitgangspunt dat hulpverlening aan gezinnen met meervoudige problematiek het meest effectief is wanneer deze gecoördineerd en geïntegreerd wordt aangeboden. Dit betekent dat alle betrokken professionals en diensten samenwerken binnen één overkoepelend plan, met als doel de situatie voor het kind en het gezin als geheel te verbeteren. Het idee is om versnippering van zorg te voorkomen, waarbij gezinnen te maken krijgen met een wirwar aan hulpverleners, afspraken en plannen. Centraal staat het bieden van maatwerk, waarbij de behoeften en de stem van het gezin leidend zijn in het opstellen en uitvoeren van het plan. Dit vereist een integrale benadering waarbij onderwijs, zorg, welzijn, en soms justitie samenwerken, met als doel de zelfredzaamheid van het gezin te vergroten en de ontwikkelingskansen van kinderen te optimaliseren. Een ander fundamenteel uitgangspunt van ‘een gezin, een plan’ is de focus op preventie en Vroegsignalering, om zo zwaardere vormen van interventie waar mogelijk te voorkomen. Dit houdt in dat professionals getraind zijn om problemen vroegtijdig te herkennen en samen met het gezin aan oplossingen te werken voordat deze escaleren.
De rol van een regisseur (bijvoorbeeld een medewerker van het lokale team, een gezinsvoogd of casemanager) is hierbij cruciaal; deze fungeert als spil in het web van betrokken partijen, onderhoudt het contact met het gezin, en zorgt ervoor dat het plan wordt uitgevoerd en bijgesteld waar nodig. Het uiteindelijke doel is om een stabiele en veilige omgeving voor kinderen te creëren, waarin zij zich gezond kunnen ontwikkelen, terwijl de autonomie en competenties van ouders worden versterkt.
Het familiegroepsplan in de Jeugdwet geeft gezinnen de leiding bij het regelen van zorg voor hun kinderen door hen aan te moedigen eerst met hun eigen netwerk (familie, vrienden) oplossingen te bedenken. Het plan omvat de behoeften van het kind, de doelstellingen van het gezin, en hoe ze deze met behulp van hun netwerk en eventueel professionele ondersteuning willen bereiken. Dit benadrukt de kracht van eigen initiatief en oplossingen vanuit het gezin, met professionals in een ondersteunende rol. Het familiegroepsplan bevordert zelfredzaamheid en vermindert de afhankelijkheid van formele zorg, in lijn met de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten. Zie ook de Factsheet familiegroepsplan van de VNG.
24
|
Blijven werken aan vroegsignalering en het bieden van passende hulp
Andere werkwijzen
Andere werkwijzen |
25
Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen (MAZL) MAZL is een methodiek van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid voor ‘de aanpak van ziekteverzuim bij scholieren in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het MBO.’ Schoolmedewerkers, jeugdartsen en leerplichtambtenaren werken samen, door aandacht te hebben voor leerlingen met ziekteverzuim. Het idee is dat hierdoor de problematiek vroegtijdig in beeld komt, waardoor de leerling geholpen kan worden en het ziekteverzuim niet leidt tot schooluitval. De school houdt contact met iedere leerling die niet op school is. Zodra het ziekteverzuim zorgwekkend wordt (zie criteria hieronder) vindt er een gesprek plaats met leerling en ouders. Na dat gesprek kan de school, in overleg met de leerling en/ of de ouders, besluiten de leerling aan te melden bij de jeugdarts voor onderzoek, ondersteuning en advies.
Handboek MAZL
Het signaleren van risico’s Bij zorgwekkend ziekteverzuim wordt een gesprek met de leerling en/of de ouders gestart. De criteria zijn: • In het primair onderwijs 5 ziekmeldingen per schooljaar of er 10 schooldagen per schooljaar ziekteverzuim. • In het voortgezet onderwijs vierde ziekmelding in 12 weken of een ziekmelding die langer dan 6 schooldagen aaneengesloten duurt. • In het MBO bepaalt de school de criteria. Deze worden vermeld in de schoolgids. Er wordt geadviseerd de criteria uit het voortgezet onderwijs aan te houden. Bij zorgen kan de school altijd eerder het gesprek met de leerling aangaan. De werkwijze bestaat uit acht stappen: 1. De ziekmelding komt binnen op school. De conciërge of receptie informeert wanneer de leerling (of de ouders) verwacht weer naar school te kunnen komen. 2. De school neemt contact op met de ouders om te informeren hoe het gaat. 3. Bij zorgwekkend verzuim gaat de school in gesprek met de leerling en de ouders. In het gesprek wordt gekeken wat de school kan betekenen en welke afspraken gemaakt kunnen worden over begeleiding. 4. De school kan contact hebben met de JGZ om te overleggen of een consult met een jeugdarts nodig is. Dit is een optionele stap . 5. Na overleg met de leerling en de ouders kan een consult met de jeugdarts plaatsvinden. De aanvraag van dit consult wordt altijd besproken met de leerling en de ouders.
In dat gesprek geeft de school aan wat het doel is van het consult, dat de jeugdarts kennis heeft van de combinatie ziekte en school, dat de jeugdarts geen controlerende rol heeft en dat deze een beroepsgeheim heeft. 6. De jeugdarts nodigt de leerling en de ouders uit voor een consult en maakt een probleemanalyse. Er wordt een plan van aanpak gemaakt en er worden afspraken gemaakt over deelname aan school. 7. De school monitort het ziekteverzuim en – samen met de jeugdarts – de uitvoering van het plan van aanpak. 8. Als het ziekteverzuim stopt, blijft de school de leerling volgen. Als het ziekteverzuim niet stopt, kan een nieuw gesprek met de JGZ plaatsvinden om het plan van aanpak aan te passen.
Voorbeeld GGD Hollands Noorden: informatie ter ondersteuning gesprek
26
|
Andere werkwijzen
De regio Rijnmond heeft sinds 2018 ervaring met het inzetten van een soortgelijke methodiek: Preventieve Aanpak Terugdringen Schoolziekteverzuim (PATS). Inmiddels is deze methodiek geïntegreerd in MAZL, nadat beide methodieken zijn doorontwikkeld.
Voor voorbeelden en informatie van het CJG Rijnmond Flyer voor ouders – CJG Rijnmond
Betrokken groepen MAZL wordt gebruikt door scholen en de jeugdgezondheidszorg. De aanpak richt zich op de volgende groepen: ouders, school-medewerkers zoals receptionisten, conciërges, leraren, mentoren, ondersteunings-, leerjaar- en verzuimcoördinatoren, jeugdartsen en leerplichtambtenaren.
Samenwerking MAZL kan alleen worden gestart als de JGZ organisatie een licentieovereenkomst heeft met het Nederlands Centrum voor Jeugdgezondheid. Vervolgens zijn gemeenten en JGZ organisaties aan zet om scholen te attenderen op deze methodiek. Elke JGZ-organisatie heeft een MAZL-coördinator. De taak van de MAZL-coördinator. Deze jeugdarts staat in contact met alle betrokkenen binnen de school – de ondersteuningscoördinatoren, mentoren en deelnemers van het zorgoverleg op school (waaronder jeugdprofessional, schoolmaatschappelijk werk, leerplichtambtenaar en wijkagent). Behalve de concrete stappen die in het geval van ziekteverzuim worden doorlopen, worden leerlingen waarbij sprake is van zorgwekkend verzuim ook besproken in het zorgoverleg op school.
Andere werkwijzen |
27
Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt door professionals gebruikt om eerder en beter te kunnen handelen bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling. De meldcode geldt voor een groot aantal sectoren: gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en justitie. De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling introduceert vijf stappen die de professional helpen bij het handelen bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling. Het gaat om de volgende stappen: 1. In kaart brengen van signalen 2. Overleggen met een collega of indien nodig met Veilig Thuis 3. In gesprek gaan met betrokkene(n) om de zorgen te delen 4. Afweging maken van de ernst van de situatie 5. Een beslissing nemen. Het (sectorspecifieke) afwegingskader in de meldcode helpt de professional bij het nemen van een beslissing. De naam ‘meldcode’ brengt soms verwarring met zich mee waardoor mensen denken dat het gaat om een meldplicht. Het gaat bij dit instrument echter niet om een verplichting om te melden. De professional maakt door middel van de stappen een afweging of hij zelf hulp kan bieden of dat een melding bij Veilig Thuis noodzakelijk is. De professional is daarbij wel gebonden aan het (sectorspecifieke) afwegingskader.
Dat betekent onder meer dat bij een vermoeden van acute of structurele onveiligheid vrijwel altijd een melding gedaan zal worden. De overheid heeft een algemene meldcode vastgesteld. Elke sector of beroepsgroep heeft vervolgens zijn eigen meldcode en afwegingskader vastgesteld. Professionals zijn gebonden aan de meldcode van hun eigen beroepsgroep.
Zie voor het basismodel: Meldcode Rijksoverheid Voor psychologen, (psycho)therapeuten, sociaal werken en jeugd- en gezinsprofessionals zie: factsheet afwegingskader & afwegingskader doorklikhulp Voor artsen zie: KNMG Meldcode Voor onderwijs zie: handelingskader meldcode onderwijs
Bij (vermoedens van) eergerelateerd geweld is een factsheet opgesteld, omdat er bij deze vorm van geweld specifieke aandachtspunten gelden.
Het signaleren van risico’s De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling biedt professionals handvatten hoe om te gaan met vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Wanneer een professional op basis van signalen vermoedt dat sprake is van geweld, volgt hij/zij de stappen uit de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling om uit te zoeken wat er aan de hand is. Het signaleren van risico’s maakt deel uit van het professionele handelen van de verschillende professionals. Dit staat los van het afgeven van een signaal aan de Verwijsindex, maar in stap 3 van het basismodel van de meldcode wordt wel gevraagd na te denken over het afgeven van een signaal aan de Verwijsindex. In de praktijk denken professionals soms al in stap 1 of stap 2 van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling na over het afgeven van een signaal aan de Verwijsindex. Het kan ook zijn dat een jeugdige al langer in de Verwijsindex staat als met de stappen van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling begonnen wordt.
Kindcheck Ook wanneer de professional alleen in aanraking komt met de volwassenen in het gezin, kunnen signalen van kindermishandeling worden opgevangen. Daarom is de kindcheck onderdeel van het basismodel van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De kindcheck houdt in dat er nagegaan wordt of 28