CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

12-16 Inspreekbijdrage J Catau St. Haarlem Ateliers toelichting incl rapport Rapport BMC Verbeteren Ondersteuningsstructuur Amateurkunst

commissie Ontwikkeling 16 december 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.55 uur Vaststellen Cultuurplan 2022-2028 (MTM)13.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Haarlem Ateliers Aan de leden van de commissie Ontwikkeling t.b.v. vergadering d.d. 16-12-2021 Haarlem, 7 december 2021 Geachte leden van de commissie, 16 december a.s. zal ik als voorzitter van de stichting Haarlem Ateliers (voorheen Zaterdag ateliers) tijdens uw vergadering bij agendapunt 9 (Vaststellen Cultuurplan 2022-2028) inspreken. Al eerder heeft onze stichting bij de gemeente Haarlem, de wethouder, de afdeling Cultuur, de afdeling Vastgoed en de commissie aan de bel getrokken omdat wij binnenkort onze atelierruimte op het Slachthuisterrein kwijtraken. Aanvankelijk leek de gemeente nog mee te willen denken in een oplossing maar al snel bleek dat zij zich niet als (voormalig) verhuurder verplicht of verantwoordelijk voelde om ons te herhuisvesten. Daarnaast stelde de gemeente zich op het standpunt dat zij alleen “verbonden, c.q. gesubsidieerde” organisaties voor professionals hielp en dat er sowieso geen atelierruimte voor (veronderstelde) amateurs ter beschikking was. Ook heeft de gemeente ons niet de kans gegund, om samen met anderen, het atelier op het Slachthuisterrein over te nemen. In augustus 2021 hebben wij gebruik gemaakt van onze inspraakmogelijkheid op het concept Cultuurplan 2022-2028.

Ons hoofdbezwaar tegen het nieuwe Cultuurplan 2022-2028, met prachtige subtitels als “Kunst en Cultuur voor iedereen” en “Wij blijven amateurkunst ondersteunen…”, is dat er feitelijk nauwelijks plaats is voor amateurkunst in Haarlem, zowel financieel (0,5% van de cultuurbegroting) als op het terrein van huisvesting/atelierbeleid. Helaas moeten wij constateren dat met onze inspraak op het Cultuurplan niets gedaan is om ons enigszins tegemoet te komen. De politiek en de afdelingen Cultuur en Vastgoed lijken geen boodschap te hebben aan het voortbestaan van Haarlem Ateliers. Haarlem Ateliers bestaat inmiddels al 50 jaar en dreigt binnenkort haar deuren voor de beeldhouwers en edelsmeders definitief te moeten sluiten omdat we geen atelierruimte meer hebben. De schilders zitten in het HART-gebouw en zullen daar nog wel even kunnen blijven maar de beeldhouwers en edelsmeders staan dan letterlijk op straat. Ontegenzeggelijk zal dit het einde van Haarlem Ateliers betekenen en verliezen Haarlem en haar inwoners hiermee een kunstinstelling van minstens een semi-professioneel niveau. Sinds begin 2019 zijn wij als bestuur van Haarlem Ateliers in contact getreden met de representanten van BPD om op eigen initiatief te praten over eventuele overname van de ruimte en zijn we actief gaan zoeken naar alternatieve atelierruimte. Echter zonder concreet resultaat.

Diverse makelaars zoals Meurkens & Meurkens en Wagenhof hebben wij benaderd; helaas geen passend aanbod. Verschillende andere ateliers hebben wij gesproken waaronder PK 37, Klein Haarlem en diverse organisaties waaronder Hart, Maak, e.d. Ook hebben we talloze mogelijke locaties in en om Haarlem (incl. Waarderpolderterrein) bezocht. Wederom tevergeefs. Al die tijd hebben wij op geen enkele wijze echte hulp van de gemeente Haarlem ervaren behalve vrijblijvende teksten dat zij onze zorgen deelde. Ter toelichting voor uw vergadering van 16 december a.s. stuur ik u hierbij enige aanvullende informatie.

1. Haarlem Ateliers faciliteert reeds 50 jaar door professionals begeleide activiteiten op het gebied van beeldende kunst. Op dit moment zijn circa 100 beeldhouwers, edelsmeders en schilders betrokken. 2. Als Haarlem Ateliers haar activiteiten moet staken dan verliezen 5 professionele beeldend kunstenaars een deel van hun inkomen. Bijna geen enkele kunstenaar kan het hoofd boven water houden zonder neveninkomsten. 3. Het onderscheid professioneel kunstenaar versus amateur is bij kunst vaak heel dun. Een aantal deelnemers heeft zelf ook een kunstacademie gevolgd. Aangevuld met professionele begeleiding kunnen we spreken van activiteiten van een behoorlijk hoog niveau dat verloren zal raken wanneer onze activiteiten moeten eindigen. 4. Haarlem Ateliers houdt regelmatig exposities. Veel deelnemers houden een eigen expositie of sluiten aan bij andere exposities en treden ook naar buiten via de jaarlijkse Kunstlijn. 5. Wij zijn geen officiële opleiding maar wel een atelier van aanzienlijk niveau. 6. De begeleiding van onze deelnemers wordt verzorgd door 5 professionele kunstenaars van naam: Rob Schreefel, Bart Holt, Jan Verburg, Jeannette de Bruin en Simone van de Plas. 7. Wij houden zelf al decennia onze eigen broek op en ontvangen geen enkele subsidie; ons bestuur is volledig onbezoldigd. 8.

Onlangs heeft burgemeester Wientjes nog een koninklijke onderscheiding uitgereikt aan één van onze deelnemers Michiel Braat vanwege de hoge kwaliteit van zijn werk en betekenis voor de stad Haarlem. Wij verzoeken de commissie Ontwikkeling met klem om zich in te zetten voor het behoud van de stichting Haarlem Ateliers en het verkrijgen van een passende atelierruimte. Wij leggen u daarom de volgende vragen voor: 1. Vinden de leden van de Commissie Ontwikkeling het belangrijk dat Haarlem Ateliers behouden blijft voor de stad Haarlem en haar inwoners? 2. Achten de leden van de Commissie Ontwikkeling de gemeente Haarlem “moreel inspanningsverplicht" en medeverantwoordelijk om Haarlem Ateliers als voormalig huurder aan vervangende atelierruimte te helpen? 3. Is het nu echt zo dat de gemeente geen vervangende ruimte beschikbaar heeft voor Haarlem Ateliers, al is het maar tijdelijk voor een periode van minimaal 3 á 5 jaar of ontbreekt de politieke wil? De overzichtslijst niet-strategische locaties (vergaderstukken 2-12-2021) lijkt bijvoorbeeld wel een aantal mogelijkheden te bieden. 4.

Mocht blijken dat de gemeente echt geen vervangende ruimte voor Haarlem Ateliers ter beschikking heeft, vinden de leden van de commissie het dan wenselijk dat: -Haarlem Ateliers aanvullend gesubsidieerd wordt voor de fors hogere huurkosten als zij atelierruimte op de particuliere markt moet huren?; -of dat Haarlem Atelier in afwachting van structurele vervangende atelierruimte ondergebracht wordt in één van de professionele atelierruimten/gebouwen zoals PK 37, de Greiner,etc.? Namens de stichting Haarlem Ateliers Jos Catau (06-50264632)

cataujos@gmail.com www.haarlemateliers.nl

Revitalisering van de amateurkunst Investeren in een betere ondersteuningsstructuur

Tite

13 september 2021

Partners in verbetering

Revitalisering van de amateurkunst Investeren in een betere ondersteuningsstructuur

Rapport LKCA

BMC 13 september 2021 Classificatie

:

Intern gebruik

Naam adviseurs

:

● ● ●

Projectnummer

:

PO020880

M. van Vulpen J. Boonekamp H. Stallen

| 2 | Revitalisering van de amateurkunst

Inhoudsopgave Inhoudsopgave

3

Inleiding Even terug in de tijd

5 6

Onderzoeksvraag

6

Verantwoording en aanpak

7

Leeswijzer

7

H1 | Beleidsmatige context 1.1 Cultuur voor iedereen

9 9

1.2 Raad voor Cultuur: ‘Investeer in cultuur voor iedereen’

9

1.3 New Creative Deal

11

H2 | Beeld van het werkveld amateurkunst 2.1 Definitie amateurkunst

13 13

2.2 Facts & figures

13

2.3 Belang van amateurkunst

16

H3 | Behoefte aan ondersteuning 3.1 Onderzoek LKCA

18 18

3.2 BMC Behoeftepeiling/enquête 2021

18

3.3 Coronacrisis en financiële steunmaatregelen voor de amateurkunst

20

H4 | Inventarisatie huidige ondersteuningsstructuur 4.1 Inleiding

22 22

4.2 Relatie tussen rijksbeleid en beleid andere overheden

22

4.3 Landelijke infrastructuur voor amateurkunstgroepen ontoereikend

22

4.4 Provinciale ondersteuning zeer verschillend en deels afwezig

23

4.5 In twee derde van de gemeenten geen ondersteuning

23

4.6 Combinatiefuncties - een lokale kans

24

4.7 De verschillende ondersteuningslagen, versnipperd en niet afgestemd

24

4.8 Samenvattende conclusies

25

H5 | Ontwikkelopgaven 5.1 Inspelen op de behoeften van de amateurkunstgroepen 5.2 Amateurkunst beter benutten in het sociaal domein en de zorg

26 26 26

5.3 Betere verbinding tussen amateurkunst en professionele kunst

27

5.4 Meer samenhang en slagkracht in de ondersteuningsstructuur

27

5.5 Revitalisering van de amateurkunst vraagt een integrale aanpak

28

H6 | Verbetering ondersteuningsstructuur lange termijn 6.1 Programma Amateurkunst

| 3 | Revitalisering van de amateurkunst

29 29

Op rijksniveau

29

Op provinciaal niveau

30

Op gemeentelijk niveau

31

6.2 Financieel

32

H7 | Versterking ondersteuningsstructuur korte termijn 7.1 Financieel

34 36

Bijlage 1 | Uitkomsten behoeftepeiling

37

Dit document (inclusief eventuele bijlagen) is opgesteld door BMC en de (auteurs)rechten met betrekking tot de inhoud en het format van dit document berusten bij BMC. Dit document is uitsluitend bedoeld voor gebruik door de opdrachtgever en mag niet worden gepubliceerd of aan anderen ter beschikking worden gesteld zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van BMC.

| 4 | Revitalisering van de amateurkunst

Inleiding Zo’n 40% van de Nederlandse bevolking beoefent op regelmatige basis een kunstvorm. Ons land telt dus zo’n 6,4 miljoen amateurkunstenaars! Bijna de helft van de amateurkunstenaars is actief in groepsverband. Dat zijn verenigingen of stichtingen, maar ook steeds vaker informele groepen. De overgrote meerderheid van de amateurkunstenaars in groepsverband doet dat uit sociale overwegingen (80%). Daarmee draagt amateurkunst stevig bij aan de sociale cohesie in Nederland. De overige 20% beoefent een kunstvorm voornamelijk om zich daarin te bekwamen en verder te ontwikkelen1. Amateurkunstenaars beleven niet alleen genoegen aan gezamenlijke kunstbeoefening zelf, maar zijn ook als vrijwilliger druk in de weer om hun organisatie zo goed mogelijk te laten functioneren. Soms vanuit een bestuursfunctie, soms als lid van een werkgroep, soms ad hoc om een optreden of tentoonstelling in goede banen te leiden. De netwerken in de samenleving rondom amateurkunst zijn legio. Iedere Nederlander kent in zijn of haar directe omgeving wel iemand die zich met amateurkunst bezighoudt. Amateurkunstbeoefening is goed voor de persoonlijke ontwikkeling en het stimuleren van creatieve vermogens. Ook biedt amateurkunst een springplank voor de professionele kunst, wakkert het de belangstelling aan voor museumbezoek of het bijwonen van voorstellingen en festivals.

En amateurkunst biedt werkgelegenheid voor professionals als dirigent, regisseur, cultuurcoach of anderszins. Amateurkunst vormt een wezenlijk onderdeel van ons culturele bestel. Met de betekenis die amateurkunst te bieden heeft voor gemeenschapszin en zinvolle vrijetijdsbesteding, is amateurkunst een factor van belang in het sociale domein. Cultuur verbindt, is gezond en goed voor je persoonlijke ontwikkeling. Daarmee is het een perfect middel tegen eenzaamheid en voor gezonde en gelukkige inwoners. Amateurkunst heeft aantoonbaar een gunstig effect op ons welbevinden en op onze mentale en fysieke gezondheid. En daarmee kent amateurkunst naast een maatschappelijke waarde2 ook een economische waarde3. De amateurkunst is zwaar getroffen door de coronacrisis. Amateurkunstbeoefening in groepsverband is zo goed als stil komen te liggen. De onlineperformance is voor veel amateurgroepen nog een brug te ver of is op zijn minst een sprong in het diepe. Hopelijk zijn deze coronagerelateerde problemen van voorbijgaande aard. Maar de sector heeft ook last van onderliggende problematiek. Het ontbreekt aan een gestructureerde aanpak om de belangstelling voor amateurkunst te voeden, de verbinding met de professionele kunsten goed te leggen en de potenties van actieve amateurkunst in het sociale domein en de zorgsector goed te benutten. Ook lopen amateurgroepen aan tegen 1

2

Monitor Amateurkunst 2017. LKCA Rijksuniversiteit Groningen, Thijs Lijster ‘De waarde van cultuur’, o.l.v. Pascal Gielen, 2014

Boekmanstichting Cultuur doet ertoe, óók economisch, Hendrik Beerda, 20 april 2020

3

| 5 | Revitalisering van de amateurkunst

uiteenlopende vraagstukken die het voortbestaan van hun organisatie raken. Daarbij gaat het om de aanwas van nieuwe leden, om het vinden van bestuursleden en geschikt artistiek kader, om te kunnen voldoen aan nieuwe wet- en regelgeving rondom bijvoorbeeld persoonsgegevens en om adequaat in te kunnen spelen op veranderingen in onze samenleving, bijvoorbeeld de behoefte van burgers aan meer flexibiliteit in hun vrijetijdsbesteding.

Even terug in de tijd Eind vorige eeuw, begin van deze eeuw was er sprake van een goed ontwikkelde, professioneel opgezette ondersteuningsstructuur voor de sector amateurkunst, zowel op landelijk niveau (sectorinstituut, sterke koepelorganisaties in verschillende kunstdisciplines) als op provinciaal niveau (steunfunctie-instellingen met consulenten) en lokaal niveau (muziekscholen, centra voor de kunsten met ondersteuningstaken). Die ondersteuningsstructuur is door de jaren heen verbrokkeld. Waar voorheen sprake was van een landelijk dekkende en op alle belangrijke kunstdisciplines sterke ondersteuningsstructuur, is het beeld nu zeer wisselend: in enkele provincies, stedelijke cultuurregio’s en grotere gemeenten zijn nog goed functionerende ondersteuningsinstellingen actief, maar er zijn ook veel witte vlekken ontstaan. Op landelijk niveau is van de voorheen sterke ondersteuningsstructuur hoegenaamd niets over. Overall is het beeld dat de ondersteuningsstructuur vandaag de dag versnipperd is, geen samenhang vertoont en geen ontwikkelagenda kent die de sector vooruit helpt. Veel amateurgroepen, zowel de formele als de informele groepen, zijn op zichzelf teruggeworpen en hebben het zwaar. Een lichtpunt is de Brede Regeling Combinatiefuncties die de aanstelling van buurtsporten cultuurcoaches mogelijk maakt, maar deze regeling wordt in overwegende mate ingezet in de sportsector.

De Tweede Kamer heeft in een motie eind 20194 de minister verzocht om te onderzoeken hoe de structurele ondersteuning van amateurkunstverenigingen kan worden versterkt. De coronacrisis heeft de problematiek van amateurkunstgroepen alleen maar verdiept, ondanks dat er beperkte steunmaatregelen op gemeentelijk niveau zijn gerealiseerd en het FCP en LKCA aan instellingen, amateurkunstkoepels en zzp’ers in de amateurkunstsector enige steun hebben kunnen verlenen. De amateurkunst heeft in potentie veel te bieden, maar staat er in de praktijk slecht voor; veel amateurgroepen worden in hun voortbestaan bedreigd5.

Onderzoeksvraag Deze rapportage is bedoeld om te komen tot verbetering van de ondersteuningsstructuur voor amateurkunst, met als hoger liggend doel een bijdrage te leveren aan een revitalisering van de amateurkunst als geheel. LKCA heeft BMC opdracht gegeven om in samenspraak met de sector een plan op te stellen voor verbetering van de ondersteuningsstructuur voor de georganiseerde amateurkunst. In de opdrachtomschrijving is aangegeven dat het plan handvatten moet bieden aan overheden,

4 5

Motie 35300-VIII-96 https://www.lkca.nl/opinie/de-sector-in-coronatijd-ongenadig-hard-geraakt/

| 6 | Revitalisering van de amateurkunst

beleidsmakers, ondersteuners en de amateursector zelf en in ieder geval de volgende onderdelen moet bevatten: ● ● ● ●

Een schets van de gewenste situatie ten aanzien van ondersteuning amateurkunst met onderbouwing van het belang daarvan. De daarvoor benodigde functies en rollen, met de onderlinge samenhang (lokaal, provinciaal, landelijk). De randvoorwaarden die nodig zijn (inclusief globaal financieel plaatje) om de gewenste situatie te bereiken, eventueel met scenario’s. Aanbevelingen voor te nemen stappen voor de korte en de langere termijn.

Het onderzoek richt zich dus op ondersteuning van de georganiseerde amateurkunst, dat wil zeggen amateurkunstbeoefening in groepsverband. Ondersteuning van individuele amateurkunstbeoefening valt als zodanig buiten de scope van dit onderzoek, met de kanttekening dat de overgang tussen individuele amateurkunstbeoefening en georganiseerde amateurkunstbeoefening steeds meer in elkaar overloopt, gegeven de toename van informele, vaak tijdelijke, op projectbasis gestoelde amateurgroepen.

Verantwoording en aanpak De opdracht is uitgevoerd in de periode april tot en met juli 2021. Het onderzoek is uitgevoerd door Marco van Vulpen (partner Cultuur & Erfgoed BMC; projectleider), Johan Boonekamp (directeur-eigenaar adviesbureau DCK, samenwerkingspartner van BMC) en Hinke Stallen (onderzoeker BMC). Vanuit LKCA is het onderzoek begeleid door Piet Roorda en Nicole Stellingwerf. Om de samenspraak en afstemming met de amateursector te bewerkstelligen is een brede klankbordgroep samengesteld bestaande uit vertegenwoordigers van: LKCA, OCW, IPO, VNG, Cultuureducatie Flevoland, Cultuur in Enschede, ZIMIHC, Scholen in de Kunst Amersfoort, Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP), Kunstloc Brabant, Kunstlink Flevoland, Cultuurschakel Den Haag, KNMO, Koornetwerk Nederland, Stidoc, Huis voor de Kunsten Limburg en Danslink. Met deze klankbordgroep heeft BMC in een aantal sessies inzichten, onderzoeksresultaten en aanbevelingen kunnen toetsen en bespreken. Ook de conceptversie van deze rapportage is integraal doorgenomen met de klankbordgroep. Het onderzoek heeft bestaan uit deskresearch van relevante beleidsdocumenten, artikelen en databestanden, waaronder de Monitor Amateurkunst van LKCA.

Daarnaast heeft BMC een behoeftepeiling uitgevoerd onder amateurkunstgroepen en cultuurcoaches/cultuurmakelaars om de behoefte aan ondersteuning van amateurkunstgroepen zo goed mogelijk in beeld te krijgen.

Leeswijzer In deze rapportage gaan we in hoofdstuk 1 eerst in op de beleidsmatige context. Daarbij zoomen we in op het landelijke beleid van OCW en onder andere de Raad voor Cultuur, in de wetenschap dat provincies en gemeenten met hun cultuurbeleid inspelen op de landelijke kaders. In hoofdstuk 2 schetsen we een actueel beeld van de amateurkunstbeoefening in ons

| 7 | Revitalisering van de amateurkunst

land, vooral op basis van facts & figures uit de landelijke Monitor Amateurkunst van LKCA. Ook gaan we in dit hoofdstuk in op de culturele, maatschappelijke en economische waarde van de amateurkunst. In hoofdstuk 3 gaan we in op de behoefte aan ondersteuning bij amateurkunstgroepen, mede op basis van de behoeftepeiling die we in het kader van deze opdracht hebben uitgevoerd. In hoofdstuk 4 geven we aan hoe de ondersteuningsstructuur in de afgelopen decennia is afgebrokkeld en wat de situatie op dit moment is, zowel op landelijk niveau als provinciaal en lokaal niveau. De hoofdstukken 1 tot en met 4 zijn beschrijvend en analyserend van aard. Hoofdstuk 5 vormt het scharnierhoofdstuk waarin we de ontwikkelopgaven benoemen om te komen tot een betere ondersteuningsstructuur voor de amateurkunst. Op basis daarvan doen we in hoofdstuk 6 voorstellen voor verbetering van de ondersteuningsstructuur op de langere termijn, gericht op een volgende beleidsperiode (cultuurstelsel 2025-2028). Afrondend doen we in hoofdstuk 7 ook voorstellen voor maatregelen op de korte termijn.

| 8 | Revitalisering van de amateurkunst

H1 | Beleidsmatige context In dit hoofdstuk schetsen we de beleidsmatige context voor het huidige amateurkunstbeleid.

1.1 Cultuur voor iedereen De uitgangspunten voor het actuele cultuurbeleid van het Rijk zijn vastgelegd in het beleidskader ‘Cultuur voor iedereen’. Zoals de titel al aangeeft is het een speerpunt van de minister om samen met gemeenten en provincies cultuur voor zoveel mogelijk mensen betekenis te geven. Cultuur komt tot uiting in alle aspecten van het menselijk leven: de wetten, het onderwijs, de religieuze beleving, maar ook de bouwstijlen, kunstwerken, muziek en de culinaire gebruiken. Uitnodigende en laagdrempelige vormen van cultuur moeten worden bevorderd en cultuureducatie en cultuurparticipatie staan centraal in het nieuwe beleid. Voor wat betreft cultuureducatie zet het Rijk in op continuering van de meerjarige investeringsprogramma’s voor cultuureducatie in het onderwijs ‘Cultuureducatie met Kwaliteit’, die inmiddels al voor een derde kunstenplanperiode worden uitgevoerd. Voor wat betreft cultuurparticipatie zijn middelen vrijgemaakt (jaarlijks € 5,08 miljoen vanaf 2021) voor een programma Cultuurparticipatie dat tot doel heeft de cultuurdeelname van zoveel mogelijk groepen te bevorderen. Aan dit programma zijn de volgende uitgangspunten meegegeven: ● ●

●

●

Het programma verbindt zorg en sociaal werk met professionele culturele instellingen, amateur- en erfgoedverenigingen en kunstenaarsinitiatieven. Het programma maakt zowel grotere projecten van landelijke betekenis als kleinere lokale initiatieven mogelijk. Het gaat om zelf dansen, filmen, vloggen of toneelspelen, schrijven of verhalen vertellen. Zoek ook de verbinding met erfgoed: zowel met monumenten, cultuurlandschappen als met gebruiken en tradities. Het Fonds voor Cultuurparticipatie voert het programma uit met een subsidieregeling. LKCA ondersteunt het programma met expertise en kennisdeling en werkt hiervoor samen met andere organisaties. Het programma moet inzichten opleveren over drempels voor de niet-deelnemers aan cultuur. Het programma start vanuit lokale initiatieven. De beoogde deelnemers beslissen mee over de uitwerking. Dit betekent dat inhoud, aanpak en doelgroep per gemeente verschillen. Er is ruimte voor maatwerk in schaal en bereik.

De beleidsvoorbereidingen voor het nieuwe cultuurstelsel 2025-2028 zijn inmiddels al opgestart. Zodra er een nieuwe regering is met een verantwoordelijk bewindspersoon voor de kunst- en cultuursector, zullen hier nadere keuzes in worden gemaakt. Als gevolg van de eerdergenoemde motie, het vigerende beleid 'Iedereen doet mee' en de brief van de Raad voor Cultuur 'Investeer in Cultuur voor iedereen', is het aannemelijk dat de aandacht voor amateurkunst zal toenemen.

1.2 Raad voor Cultuur: ‘Investeer in cultuur voor iedereen’ De Raad voor Cultuur heeft in een openbare beleidsbrief d.d. 24 maart 2021 aan de informateur opgeroepen te investeren in de cultuursector en dit in een regeerakkoord opgenomen te krijgen. Cultuur draagt niet alleen positief bij aan mentale gezondheid en

| 9 | Revitalisering van de amateurkunst

welbevinden, maar is ook een belangrijke bouwsteen in het herstel na de huidige coronacrisis. De Raad ziet een breed gedragen wens om cultuur meer van en voor iedereen te maken. Een sterke cultuursector heeft een belangrijke economische en maatschappelijke aanjaagfunctie. Om deze aanjaagfunctie maximaal te benutten is jaarlijks bijna € 500 miljoen extra nodig. De investeringsagenda die de Raad voorstelt heeft betrekking op innovaties, transities en verbreding en op regionale spreiding van het cultuuraanbod. De Raad geeft aan een nieuwe regering de volgende structurele investeringsagenda mee:

Voor wat betreft 2.3. geeft de Raad als toelichting dat veel Nederlanders in hun vrije tijd creatief en kunstzinnig actief zijn, onder andere als lid van een amateurvereniging en dat de amateurkunst belangrijk is omdat het: ● ● ●

werkgelegenheid biedt voor cultuurprofessionals; als springplank dient voor nieuw talent; de basis kan zijn voor het ontstaan van nieuwe culturele genres.

Tegelijkertijd signaleert de Raad dat de amateurkunst er als sector slecht voor staat: ●

Steeds minder Nederlanders hebben in hun nabije omgeving toegang tot aantrekkelijke, betaalbare amateurkunstvoorzieningen.

| 10 | Revitalisering van de amateurkunst

● ●

Veel bestaande organisaties en werkenden in deze sector redden het financieel niet. Het aantal amateurverenigingen daalt de laatste jaren en de coronacrisis heeft dit verergerd.

Al in zijn advies ‘Meedoen is de kunst’ (2014) sprak de Raad zijn zorgen uit over het dalend aantal culturele voorzieningen en het gebrek aan landelijke coördinatie hierover. In zijn verkenning ‘Cultuur voor stad, land en regio’ (2017) onderstreepte de Raad het belang van een vruchtbare amateursector als onmisbaar deel van de humuslaag voor het functioneren van cultuur binnen een stad of regio. De Raad bepleit daarom € 25 miljoen uit te trekken om door het land heen het amateurkunstklimaat te versterken.

1.3 New Creative Deal Met als motto ‘Nederland maakt Cultuur, Cultuur maakt Nederland’ hebben Kunsten ‘92 en de Federatie Creatieve Industrie een New Creative Deal voorgesteld aan een nieuwe regering. De New Creative Deal presenteert de volgende ambities voor de komende kabinetsperiode: ●

●

●

Iedere Nederlander kan zijn creatieve talenten ontwikkelen en heeft onbelemmerd toegang tot een zo breed mogelijk palet aan cultuurervaringen, zowel fysiek als digitaal. Het beoefenen en beleven van kunst, erfgoed en media is immers een grondrecht. De culturele en creatieve sector werkt samen met overheden en het bedrijfsleven bij het aanpakken van grote maatschappelijke vraagstukken. Grootschalige en complexe vraagstukken krijgen een multidisciplinaire aanpak, waarin technologische innovatie hand in hand gaat met maatschappelijke impact. De culturele en creatieve sector zet samen met de overheid in op een vitale sector. Wendbaar en financieel weerbaarder dan voorheen. Waar fatsoenlijke beloning en veilige arbeidsomstandigheden de norm zijn en waar culturele en creatieve organisaties en de vele zelfstandigen die in de sector werken de ruimte hebben om doorlopend te innoveren en investeren.

De New Creative Deal heeft vijf programmalijnen: 1. Ontwikkel samen met de sector één samenhangend en duurzaam beleid voor de gehele media-, culturele en creatieve sector. Vergroot de maatschappelijke impact door makers en creatieve ondernemers meer ruimte en bewegingsvrijheid te bieden. Gun onze samenleving de inspiratie en innovatieve kracht die nodig is om de grote vraagstukken van de 21ste eeuw het hoofd te bieden. En sluit aan bij de Cultural Deal for Europe en andere ontwikkelingen in Europa. 2. Stel voldoende middelen beschikbaar, waarmee de sector de effecten van de coronacrisis te boven kan komen en zich duurzaam uit de crisis kan innoveren. Om de gevolgen van de coronacrisis te compenseren, is een eenmalige extra investering nodig. Om de bijdrage van de media-, culturele en creatieve sector aan de economie en samenleving te borgen en te vergroten, is een structurele verhoging van de Rijksbegroting voor de culturele en creatieve sector noodzakelijk. 3. Vergroot de impact van de culturele en creatieve sector bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Om maatschappelijke problemen het hoofd te bieden

| 11 | Revitalisering van de amateurkunst

en daarbij onze publieke waarden niet uit het oog te verliezen, is een gecombineerde aanpak noodzakelijk waarbij technologische en sociale innovatie worden gecombineerd. 4. Investeer meer in kunstonderwijs, culturele programma’s, lees-/schrijfvaardigheid. 5. Zet in op ruimhartig fiscaal beleid voor donaties, crowdfunding en legaten. In de programmalijnen 2, 3 en 4 wordt een prominente rol toegekend aan cultuurparticipatie, amateurkunst en cultuureducatie. Daarmee is de New Creative Deal in lijn met het advies van de Raad voor Cultuur.

| 12 | Revitalisering van de amateurkunst

H2 | Beeld van het werkveld amateurkunst 2.1 Definitie amateurkunst We volgen de definitie zoals LKCA die hanteert: amateurkunst is het beoefenen van creatieve en kunstzinnige activiteiten, bijvoorbeeld schilderen, tekenen, pottenbakken, sieraden maken, wandkleden maken, kleding ontwerpen, muziek maken, zingen in een koor, spelen in een orkest of een bandje, dj’en, toneelspelen, meedoen aan een dansgroep, gedichten schrijven, raps maken, fanart op internet, kunstzinnige foto’s of films maken, een gamedesign maken, et cetera. Les nemen, een cursus volgen of een workshop doen om dit te leren of er beter in te worden, vallen hier ook onder. Het gaat om iets waar je zelf actief mee bezig bent, dus niet om concertbezoek of naar de film gaan bijvoorbeeld; dat zijn receptieve vormen van cultuurdeelname. LKCA verdeelt de creatieve en kunstzinnige activiteiten in zes categorieën: ● ● ● ● ● ●

beeldend; muziek; dans; theater; creatief schrijven; media (kunstzinnige fotografie/video/film/computerkunst).

Hierbij dient te worden opgemerkt dat eigentijdse, nieuwere vormen van kunstbeoefening zoals hiphop, wereldmuziek en elektronische muziek, soms ook aangeduid als ‘urban’, niet altijd in deze klassieke definitie van (amateur)kunst passen. Ook nieuwe podiumkunstvormen zoals spoken word (woordkunst) zijn lastig in de klassieke definitie te plaatsen, maar worden wel actief beoefend door amateurkunstenaars, in dit geval vooral in informele groepen. De definities van amateurkunst worden door het LKCA per 2022 aangepast.

2.2 Facts & figures LKCA presenteert periodiek de Monitor Amateurkunst. Deze monitor bevat kerngegevens over de beoefening en beoefenaars van kunstzinnige en creatieve activiteiten in de vrije tijd. De laatste Monitor Amateurkunst dateert van 2017; eind 2021 volgt een nieuwe editie. Onderstaand zetten we relevante facts & figures uit de Monitor Amateurkunst 2017 op een rij. De uitkomsten van de Monitor Amateurkunst 2021 zijn met het uitbrengen van dit rapport nog niet beschikbaar. In tegenstelling tot de meting in 2017 zullen de volgende onderdelen in 2021 ongetwijfeld afwijkingen laten zien: ● ●

Corona heeft onlineconsumptie enorm bevorderd. Dit heeft in de monitor van 2017 geen plaats gekregen, in de volgende monitor eind 2021 zal dit gemeten worden. Uit gegevens van koepelorganisaties blijkt dat corona deelname aan amateurkunst sterk onder druk zet. Koornetwerk Nederland (de koepel van diverse korenbonden, die weer korenverenigingen vertegenwoordigen) rapporteerde dat vorig jaar (2020) maar liefst

| 13 | Revitalisering van de amateurkunst

14.000 zangers hun lidmaatschap hebben opgezegd. De daling bij de korenbonden varieert van enkele procenten tot maar liefst 28,5 procent.

| 14 | Revitalisering van de amateurkunst

| 15 | Revitalisering van de amateurkunst

Van belang is op te merken dat het onderscheid tussen amateurverenigingen en informele groepen genuanceerd ligt; er zijn ook veel amateurkunstenaars uit verenigingen die op projectbasis deelnemen aan initiatieven met andere amateurkunstenaars en aldus tijdelijk onderdeel kunnen zijn van een informele groep.

2.3 Belang van amateurkunst Aan amateurkunst kunnen belangrijke artistieke, maatschappelijke en economische waarden worden toegekend.

| 16 | Revitalisering van de amateurkunst

Artistieke waarde: ● ● ●

Kunstbeleving door zelf kunst te maken. Het genoegen/plezier dat je beleeft dan wel de ervaring die je ondergaat door creatief/kunstzinnig actief te zijn is een intrinsiek belang. Springplank voor jong talent. De weg naar professionele kunsten begint bij cultuureducatie en amateurkunst. Basis voor nieuwe culturele genres. Creatieve en kunstzinnige activiteiten vormen een afspiegeling van onze samenleving met daarin veel verschillende culturen en vormen van kunstbeoefening en beleving. Amateurkunst biedt een laagdrempelige mogelijkheid om verschillende culturen en kunstvormen uit te wisselen en te kruisbestuiven.

Maatschappelijke waarde: ●

●

●

●

● ●

Persoonlijke ontwikkeling. Het beoefenen van kunst - individueel of in groepsverband is goed voor de persoonlijke ontwikkeling. Cultuurdeelname in het algemeen en kunstbeoefening in het bijzonder helpt bij het ontwikkelen van creatieve vaardigheden en 21th century skills bij jongeren. Ook voor volwassenen geldt dat cultuurdeelname en amateurkunst bijdragen aan vaardig burgerschap. Gezondheid. Uit steeds meer onderzoeken blijkt dat het actief of passief bezig zijn met kunst de gezondheid bevordert en ook het algehele welbevinden. De WHO onderschrijft de waarde van cultuurdeelname voor de gezondheid en roept overheden op om meer te investeren in culturele interventies in de gezondheidszorg. Denkvermogen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat actieve kunstbeoefening op jonge leeftijd een gunstig effect heeft op de ontwikkeling van de hersenen en het cognitieve vermogen versterkt. Sociale cohesie. Liefst 80% van de mensen die in groepsverband met amateurkunst bezig is, doet dat uit sociale overwegingen; ‘voor de gezelligheid’. In beleidstermen: amateurkunst is een goed instrument om sociale netwerken te vormen. Sociale basis. In groepsverband deelnemen aan creatieve of kunstzinnige activiteiten draagt bij aan het voorkomen van sociale uitval. Amateurkunstbeoefenaars zijn actief als vrijwilliger.

Economische waarde: ●

●

●

Werkgelegenheid voor kunst- en cultuurprofessionals. Kunstprofessionals kunnen bij verenigingen en informele groepen betaald aan de slag in de artistieke leiding en met het geven van cursussen en workshops. Ook aan de ondersteunende en organisatorische kant biedt amateurkunst een beroepsperspectief voor professionals, zoals de cultuurcoaches en -makelaars. Voorkomen van sociale uitval. Het voorkomen van sociale uitval kent ook een economische waarde. Hiermee worden kosten van bijvoorbeeld geïndiceerde zorg (zoals dagbesteding) en jeugdzorg bespaard. Van problematiseren naar preventie. Positieve gezondheid. Waar kunst en kunstbeoefening gezondheidsproblemen kunnen voorkomen, de ontwikkeling van geest en lichaam kunnen ondersteunen, de leefstijl helpt verbeteren en een positief effect heeft op het omgaan met en behandeling van ziekte, worden grote kostenbesparingen gerealiseerd.

| 17 | Revitalisering van de amateurkunst

H3 | Behoefte aan ondersteuning 3.1 Onderzoek LKCA Dat amateurkunstgroepen en koepelorganisaties behoefte hebben aan ondersteuning is niet nieuw. Reeds in 2017 heeft LKCA6 onderzoek laten uitvoeren naar behoeften in de landelijk georganiseerde amateurkunst en verenigingen. LKCA heeft toen de landelijke koepelorganisaties gevraagd naar onderwerpen die voor hen een uitdaging vormen en waarvoor ze op zoek zijn naar nieuwe oplossingsrichtingen. Uit dit onderzoek van LKCA in 2017 zijn zes belangrijke uitdagingen naar voren gekomen: ●

●

●

●

● ●

Zichtbaarheid: koepels geven aan dat zichtbaarheid van hun kunstdiscipline naar buiten een aandachtspunt is. Onvoldoende zichtbaarheid maakt het lastig om een jongere doelgroep te bereiken. Financiën: koepels (en hun achterbannen) hebben over het algemeen weinig financiële armslag. Zij geven aan dat ze als bestuur meer ondersteuning zouden willen bieden en meer eigen activiteiten opzetten, maar dat is niet haalbaar. Omgaan met vergrijzing: de gemiddelde leeftijd van leden van de koepels is 55-plus. Verjonging wordt gezien als antwoord, maar jonge leden werven is lastig omdat de jongere generatie lidmaatschap van een vereniging minder waardevol vindt of geen tijd heeft voor lidmaatschap. Werven van actieve leden: het werven van nieuwe leden is een uitdaging, maar het werven van actieve leden voor bestuur of commissies is nog uitdagender. Dit heeft gevolgen voor de professionaliteit en continuïteit van koepelorganisaties. Zoeken naar nieuwe doelgroepen: koepelorganisaties streven meer diversiteit na in het ledenbestand, achterban en publiek. Bestaansrecht: het bestaan van een koepelorganisatie is niet meer een vanzelfsprekendheid.

LKCA geeft in haar onderzoek uit 2017 aan dat de bevindingen uit haar onderzoek een opstap zijn voor verdere versterking van de amateurkunstsector. Deze rapportage - en de opvolging daarvan - is hier onderdeel van.

3.2 BMC Behoeftepeiling/enquête 2021 In het kader van het onderzoek naar een betere ondersteuningsstructuur voor de amateurkunst hebben we een behoeftepeiling uitgevoerd onder amateurgroepen, cultuurcoaches en artistiek kader in de amateurkunst. Het onderzoek, in de vorm van een enquête, is uitgezet in het voorjaar van 2021. In deze behoeftepeiling zijn we ingegaan op de behoeften aan ondersteuning, ook in het licht van de gevolgen van de coronapandemie. Voor dit onderzoek hebben we een behoeftepeiling uitgevoerd. In deze peiling is getracht de informele groepen mee te nemen, maar dat is slechts beperkt gelukt omdat informele groepen - niet geheel onverwacht - lastig te traceren te zijn. Niettemin heeft de behoeftepeiling toch een goed beeld van behoefte aan ondersteuning van de amateurkunst opgeleverd, ook van de 6

LKCA (2017) Koepelorganisaties in de amateurkunst

| 18 | Revitalisering van de amateurkunst

informele groepen, omdat de cultuurcoaches en cultuurmakelaars in de behoeftepeiling expliciet bevraagd zijn op hun beeld van informele groepen en hun behoefte aan ondersteuning. In de bijlage is de volledige rapportage van de enquête opgenomen. Onderstaand presenteren we een samenvatting met enkele in het oog springende quotes. Wat opvalt in de enquête is dat - zowel voor als tijdens de coronapandemie - landelijke regelingen het minst vaak aansluiten op de behoeften van amateurkunstgroepen. Dit duidt erop dat vooral gemeenten en ook provincies meer in staat blijken om maatwerk te leveren aan de amateurkunstgroepen of dat amateurgroepen deze regelingen niet weten te bereiken. Tegelijkertijd zijn er grote verschillen in de bestedingen van gemeenten uit de landelijk via het gemeentefonds beschikte middelen voor cultuur. Bij sommigen belandt het geld voor cultuur in de algemene middelen, sommigen labelen het specifiek voor cultuur. In de enquête is niet alleen gevraagd naar ondersteuning in financiële zin, maar ook naar de wijze waarop organisaties in de sector elkaar kunnen ondersteunen. Hieruit blijkt dat amateurkunstenaars elkaar weten te vinden bij het aanpakken van hun problemen of vraagstukken. Ook is gevraagd waaraan de respondenten de grootste behoefte hebben om de eigen organisatie goed te laten functioneren en te kunnen continueren.

Respondenten geven aan de meeste behoefte te hebben aan ondersteuning op de volgende punten: 1. Vergroten zichtbaarheid, bijvoorbeeld in de vorm van (een) landelijke campagne(s) en belangenbehartiging. 2. Verjonging van de organisatie/vrijwilligersbeleid, met de kanttekening dat meer zichtbaarheid ook weer kan leiden tot nieuwe leden. 3. Betere en betaalbare facilitaire voorzieningen, zoals repetitieruimtes en mogelijkheden voor optredens. 4. Ondersteuning bij visieontwikkeling en artistieke ontwikkeling. 5. Doorontwikkeling van digitalisering en online activiteiten. Uit de behoeftepeiling, en met name uit de open antwoorden, spreekt duidelijk dat het water aan de lippen staat in de amateurkunstsector. De behoefte aan ondersteuning is groot. Bovenal hebben amateurkunstgroepen behoefte aan morele steun en erkenning. Enkele veelzeggende quotes van respondenten: ●

●

‘De levensvatbaarheid van [organisatie X] is in gevaar gekomen door terugloop in ledenaantal, door terugloop van financiële inkomsten of annulering van gedane toezeggingen, met alle gevolgen van dien. Daardoor kunnen wij ons doel amper vormgeven.’ ‘De grootste bedreiging voor het voortbestaan van onze groep is ledentekort door veroudering en daardoor uitval en weinig nieuwe aanwas. Daardoor ook financieel minder daadkracht op den duur. Dit scenario dreigt voor veel volksdansgroepen met

| 19 | Revitalisering van de amateurkunst

●

● ●

●

●

name buiten de grote steden. Belangrijk is dat er meer bekendheid komt over volksdansen, meer aanwas van jongeren en jongvolwassenen.’ ‘Ik heb meerdere opdrachtgevers. De meeste koren maken zich zorgen om de ledenwerving die ze nu al bijna twee jaar niet konden doen. Als je ook met jeugd werkt zoals ik, heb je te maken met een dubbele klap. Aan de bovenkant verdwijnt de jeugd op natuurlijke wijze (studeren elders) terwijl je aan de onderkant niet kunt werven. Vandaar dat ik zichtbaarheid erg belangrijk vind.’ ‘Er moet een herwaardering komen voor kunst en cultuur in het algemeen en voor het verenigingsleven in het bijzonder.‘ ‘In een globaliserende en individualiserende samenleving ontstaat er in snel tempo andere concurrentie voor het actief participeren in amateurkunst. Daar moeten we adequaat op reageren.‘ ‘Voor de belangenbehartiging en lobby moet een veel grotere mankracht komen. Vergelijkbaar zoals de sport georganiseerd is. Zie NOC NSF en KNVB, waarin de belangenbehartiging professioneel op grote schaal is geborgd.’ ‘Sectortaken worden op disciplineniveau nationaal niet meer uitgevoerd en niet meer financieel ondersteund. Waar eerder ondersteuning en ontwikkeling door de sector zelf werd uitgevoerd, is het van de sector verwijderd en wegbezuinigd.

Het hoort niet meer tot het takenpakket van LKCA, aldus LKCA, het FCP biedt hiervoor (bijna, recent wel!) geen instrumenten, en koepels, maar ook andere organisaties, hebben niet de financiële armslag en mankracht. Initieel werden sectortaken door de sector zelf uitgevoerd. Er is een gat ontstaan tussen ondersteuning en de sector. Het resultaat is dat een aantal taken afgelopen jaren niet meer worden uitgevoerd en dat is ook te merken. In de ondersteuning is een gat ontstaan tussen het overstijgende van het LKCA (wat belangrijk werk is) en wat er lokaal gebeurt (wat noodzakelijk is en consistenter en sterker mag)’.

3.3 Coronacrisis en financiële steunmaatregelen voor de amateurkunst Coronasteun werkt volgens het onderzoek van de Boekmanstichting. Dat toont nieuw onderzoek van de Boekmanstichting7 naar de financiële gevolgen van de coronacrisis in de culturele en creatieve sector en de effecten van de steunmaatregelen in 2020. Wel laat het onderzoek een groot verschil zien tussen de meerjarig gesubsidieerde en de overige organisaties (waaronder amateurkunstverenigingen). De culturele organisaties die het meest afhankelijk zijn van publieksinkomsten, worden bovenmatig hard geraakt. Zo zagen de poppodia en de vrije producenten zo’n 95% van hun eigen inkomsten verdwijnen. De coronasteun compenseerde dit niet voldoende. Andere grote verliezers zijn de zelfstandige cultuurprofessionals; een groep die zeer groot vertegenwoordigd is in de amateurkunstsector. Denk hierbij aan regisseurs, dirigenten, choreografen et cetera. Gemiddeld is er 55% op hen bezuinigd. De rechtstreeks financiële gevolgen van corona in de amateurkunstsector zijn tegelijkertijd moeilijk te benoemen. Immers, veel regelingen zijn ingericht rondom het verlies van bijvoorbeeld publieksinkomsten. In de amateurkunstsector worden publieksinkomsten niet centraal geregistreerd en deze zijn vaak geen onderdeel van verantwoording op gemeentelijk niveau waar gemeenten instandhoudingssubsidies hanteren, die vaak werden gecontinueerd. 7

Boekmanstichting mei 2021, Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund.

| 20 | Revitalisering van de amateurkunst

De behoeften van amateurkunstgroepen met betrekking tot coronaschade zijn niet het gevolg van het uitblijven van publieksinkomsten. De coronacrisis heeft de reeds bestaande problemen in de amateurkunstsector pregnanter gemaakt.

| 21 | Revitalisering van de amateurkunst

H4 | Inventarisatie huidige ondersteuningsstructuur8 4.1 Inleiding

De ondersteuning van de amateurkunstsector en van amateurkunstgroepen (verenigingen, stichtingen en informele verbanden) is de laatste decennia ingrijpend veranderd. Dit heeft geresulteerd in een huidige ondersteuningsstructuur die divers is, versnipperd en die hiaten vertoont. Dit terwijl vrijwillige bestuurders van amateurkunstgroepen mede door de coronacrisis meer dan ooit behoefte hebben aan een daadkrachtige en effectieve ondersteuning. Deze inventarisatie is gedaan door Talentenlab en LKCA en beoogt: ● de ondersteuning en de hiaten in kaart te brengen; ● de ondersteuning en de toegankelijkheid daarvan te verbeteren; ● de verbinding tussen de verschillende vormen van ondersteuning te versterken. De inventarisatie is input in het traject voor planontwikkeling dat BMC Advies uitvoert in opdracht van het LKCA. In dit hoofdstuk geven wij de samenvatting weer van de rapportage van het LKCA/Talentenlab.

4.2 Relatie tussen rijksbeleid en beleid andere overheden

In de ontwikkeling van de ondersteuning van amateurkunstgroepen is een duidelijke relatie zichtbaar tussen het rijksbeleid en het beleid in provincies en gemeenten ten aanzien van de ondersteuning van amateurkunst(groepen). Er is nog geen gezamenlijke aanpak. Meer of minder beleidsaandacht en impulsen vanuit de rijksoverheid hebben direct invloed op de landelijke ondersteuning, maar werken ook door in provinciale en lokale ontwikkelingen. Rijk, provincies en gemeenten hebben elk hun eigen rol in cultuurbeleid. Er zijn onderling grote verschillen, zeker als het gaat om de ondersteuning van amateurkunstgroepen. In regelingen die bouwen op een meer gezamenlijke aanpak, zoals Cultuureducatie met kwaliteit en het Programma Cultuurparticipatie, zien we een sterkere beweging op gang komen met een grotere impact.

4.3 Landelijke infrastructuur voor amateurkunstgroepen ontoereikend Rond de eeuwwisseling werkten door het Rijk gefinancierde landelijke disciplineorganisaties voor dans, theater, beeldende kunst, blaasmuziek, schrijven, vocale muziek en overige muziek met en voor de sector. In 2007 gingen de organisaties op in Kunstfactor met een andere opdracht als sectorinstituut. In 2013 ontstond het LKCA waarin amateurkunst en cultuureducatie (binnenschools) werden samengevoegd. Bij deze laatste fusie verdween 60% van het budget voor landelijke amateurkunstondersteuning. Bijna al het werk van koepelorganisaties draait op vrijwillige bestuurders en dat maakt deze ondersteuning ontoereikend en kwetsbaar. Voor disciplinegerichte ondersteuning zijn amateurkunstgroepen aangewezen op landelijke en regionale koepelorganisaties. De financiële bijdrage die deze bonden en koepels voorheen kregen van landelijke en provinciale overheden is nagenoeg verdwenen. Het werk wat destijds door professionals werd gedaan (directe ondersteuning van georganiseerde en niet georganiseerde amateurkunst) is verdwenen. In

8

Onderzoek Talentenlab en LKCA

| 22 | Revitalisering van de amateurkunst

sommige disciplines slagen de koepels er min of meer in om een deel van de benodigde ondersteuning op te pakken met vrijwilligers. Voor vele disciplines is landelijke ondersteuning grotendeels weggevallen. Ondanks dat er tientallen koepelorganisaties zijn, is er nu te weinig slagkracht. De huidige coronaondersteuning door OCW en FCP laat zien dat extra menskracht positieve impact heeft op de amateurkunstgroepen en op de koepels. Tijdelijk extra beschikbare menskracht geeft zichtbare resultaten op het gebied van informatievoorziening, tools, handvatten, zichtbaarheid en andere ondersteuning.

4.4 Provinciale ondersteuning zeer verschillend en deels afwezig

De focus van provinciaal beleid en van de provinciale steuninstellingen is meer en meer verschoven naar cultuureducatie. In een aantal provincies is de steunfunctie voor amateurkunst verdwenen. In samenhang met rijksbeleid en maatschappelijke ontwikkelingen is de aandacht voor amateurkunstondersteuning in provincies teruggelopen. Beleidsprogramma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit gaven mede richting aan beleidskeuzes en budgetten bij provincies en droegen bij aan een verschuiving richting cultuureducatie en gelijktijdig het naar de achtergrond schuiven van aandacht voor amateurkunst. Meerdere instellingen met provinciale taken zijn verdwenen of kregen de opdracht zich op cultuureducatie te richten. In provincies wisselt de opdracht aan steuninstellingen sterk. Voor het ondersteunen van amateurkunstgroepen heeft nagenoeg geen enkele instelling een specifieke opdracht. De diversiteit in provinciale opdracht en taakopvatting zorgt ervoor dat ook in provincies waar wel een ondersteunende instelling is voor amateurkunst, er grote verschillen zijn in de manieren waarop amateurkunstgroepen ondersteund worden. Dat verschil is ook zichtbaar in menskracht. De afgelopen periode lijkt er een voorzichtige kentering te ontstaan, die ook zichtbaar wordt met het Programma Cultuurparticipatie.

4.5 In twee derde van de gemeenten geen ondersteuning Ondersteuning in menskracht is voor amateurkunstgroepen in meer dan twee derde van de gemeenten niet gevonden. Gemeenten zijn een belangrijke partij in het ondersteunen van amateurkunstgroepen. Dat kan variëren van structurele subsidies voor verenigingen tot het stimuleren van projecten en andere initiatieven in amateurkunstbeoefening. In 108 van de 349 gemeenten is ondersteuning in menskracht gevonden door organisaties en cultuurcoaches. De lokale culturele infrastructuur is sterk veranderd. Dit heeft invloed op de ondersteuning van amateurkunstgroepen. De afgelopen jaren hebben gemeenten vanuit het Rijk verschillende extra taken gekregen, onder andere in het Sociaal Domein en Jeugdzorg, inclusief de budgetverantwoordelijkheid daarvoor. Dit zorgt, naast andere beleidsoverwegingen, voor een flinke verschuiving in prioriteiten van gemeenten in het ondersteunen van cultuurbeoefening in de vrije tijd. In veel gemeenten is de subsidie voor amateurkunstgerelateerde organisaties gestopt (zoals muziekscholen, centra van de kunsten) of meer op binnenschoolse cultuureducatie gericht. Op verschillende plekken zijn zzp-docentencollectieven en andere vormen ontstaan zonder een beleidsgestuurde overkoepelende lokale amateurkunsttaak/ -opdracht.

| 23 | Revitalisering van de amateurkunst

Amateurkunstgroepen hebben een belangrijke sociale waarde voor hun leden en hun publiek en dragen zo bij aan de sociale binding in de lokale gemeenschap en aan het welbevinden van burgers.

4.6 Combinatiefuncties - een lokale kans Via de Brede Regeling Combinatiefuncties stellen de ministeries van VWS, OCW en SZW gezamenlijk geld beschikbaar voor gemeenten om combinatiefunctionarissen aan te stellen. Het gaat om cofinanciering; gemeenten die deelnemen, dragen 60% van de kosten bij, zelf en/of via lokale partners. In 2019 is de regeling aangepast en zijn de doelstellingen verbreed. De regeling beoogt: ● een leven lang sporten, bewegen en deelnemen aan cultuur voor iedereen mogelijk maken; ● het duurzaam versterken en innoveren van sport-, beweeg- en cultuuraanbieders/vrijwilligersorganisaties; ● lokale verbindingen tot stand te brengen en uit te bouwen. Uit de landelijke Monitor Brede Regeling Combinatiefuncties van 2020 blijkt dat 99% (350 van de 355) van de gemeenten meedoet aan de regeling en één of meerdere combinatiefunctionarissen heeft. 17% (577 fte) werkt voor de sector kunst en cultuur in 278 gemeenten. De opdracht en invulling van de combinatiefunctionaris Cultuur (cultuurcoach) en ook hoe ze genoemd worden, verschillen lokaal sterk. Een aantal daarvan richt zich gedeeltelijk op het ondersteunen van amateurkunstgroepen. Echter in meer dan twee derde van de gemeenten is geen cultuurcoach gevonden die zich richt op amateurkunstgroepen. In de monitor is te zien dat de sportcoaches vaak verbonden zijn aan of werken met sportverenigingen.

Daarnaast zijn de sportfunctionarissen een instrument die in nagenoeg alle deelakkoorden van het Nationaal Sportakkoord en in twee derde (65%) van de lokale sportakkoorden wordt ingezet om doelen te realiseren. Bij de cultuurcoaches is een dergelijke inbedding nog nauwelijks het geval.

4.7 De verschillende ondersteuningslagen, versnipperd en niet afgestemd De inventarisatie laat zien dat er grote verschillen bestaan tussen de rollen en taken van landelijke, provinciale en lokale ondersteuners. In de meeste gevallen vervullen ze die rollen los van elkaar. Hier en daar vindt afstemming en samenwerking plaats op initiatief van een koepel of provinciale of lokale ondersteuner. Geïnterviewde ondersteuners benoemen de meerwaarde daarvan, voor de amateurkunstgroepen en voor hun omgeving. Tussen de koepelorganisaties en de andere ondersteuners van amateurkunstgroepen zit over het algemeen een belangrijk verschil in kennis en expertise. Koepelorganisaties zijn stevig geworteld in hun kunstdiscipline en ondersteunen hun leden of achterban disciplinegericht. Lokale en provinciale ondersteuners bedienen daarentegen over het algemeen meerdere disciplines of werken sectorbreed. Beide zijn belangrijk voor amateurkunstgroepen. Ze vullen elkaar aan en kunnen elkaar (nog veel meer) versterken. Tot zover de samenvatting van het inventariserend onderzoek van het LKCA/Talentenlab.

| 24 | Revitalisering van de amateurkunst

4.8 Samenvattende conclusies ●

●

●

●

●

9

We stellen vast dat er sinds de jaren ‘70 door het Rijk stevig is bezuinigd op de ondersteuningsstructuur voor amateurkunst. Ook bij provincies en gemeenten hebben forse verschuivingen plaatsgevonden in de ondersteuningsstructuur voor amateurkunst. Bij vele provincies zijn steunfunctie-instellingen wegbezuinigd of ingekrompen en bij gemeenten zijn veel muziekscholen en creativiteitscentra weggevallen, inclusief ondersteuningstaken voor de amateurkunst9. Op het gebied van cultuureducatie en amateurkunst stuurt het Rijk de afgelopen 25 jaar middels beleidsprogramma’s: achtereenvolgens Actieplan Cultuurbereik, Cultuur en School, Cultuureducatie met Kwaliteit en het Programma Cultuurparticipatie. Deze beleidsprogramma’s zijn soms opgezet als matchingsregelingen waarbij lagere overheden cofinancieren. Voor al deze beleidsprogramma’s geldt dat ze vooral gericht zijn op het bevorderen van cultuureducatie in het (primair) onderwijs en het programma Samen Cultuurmaken zet zich in voor actieve cultuurparticipatie in de breedste zin en voor de verbinding met het sociale domein. De successievelijke beleidsprogramma’s zijn daarmee ook voor de amateurkunst van belang (geweest), maar zijn niet gericht (geweest) op ondersteuning van amateurkunstgroepen als zodanig. De ondersteuningsstructuur voor de amateurkunst is de afgelopen decennia verbrokkeld.

Wat er nog van over is, is versnipperd, vertoont weinig samenhang, kent geen ontwikkelagenda en biedt onvoldoende ondersteuning voor de amateurkunstgroepen. De amateurkunstgroepen staan er alleen voor en hebben het zwaar. De Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) vormt een lichtpunt. Daar waar van de regeling gebruikt wordt gemaakt en cultuurcoaches worden aangesteld, kunnen ook amateurkunstgroepen worden ondersteund. In veel gemeenten is daarvan echter nog geen sprake en waar dat wel het geval is, is de capaciteit aan cultuurcoaches nog beperkt. De BRC wordt in overwegende mate ingezet voor de sport: ruim 80% van de aangestelde coaches zijn buurtsportcoaches; nog geen 20% betreft cultuurcoaches. Ook positief is het tijdelijke ondersteuningspakket dat vanuit coronabudgetten via het Fonds Cultuurparticipatie wordt ingezet en voor het najaar van 2021 is verlengd. De behoefte aan ondersteuning stopt na corona evenwel niet. Integendeel, juist nu het openbare leven weer een beetje op gang begint te komen en ook de amateurkunstgroepen de draad weer willen oppakken, is de behoefte aan ondersteuning groter dan ooit.

https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84122ned/table?dl=56436

| 25 | Revitalisering van de amateurkunst

H5 | Ontwikkelopgaven In dit hoofdstuk presenteren we de ontwikkelopgaven waar de amateurkunstsector de komende periode voor staat. In de volgende hoofdstukken (6 en 7) gaan we in op de oplossingen, waarbij we bij de financiën aangeven of het structurele, impuls of eenmalige voorstellen zijn. We redeneren vanuit de amateurkunstgroepen. Tegelijkertijd is het evident dat versterking van de individuele amateurkunstenaar ook bijdraagt aan de versterking en kruisbestuiving van de formele en informele amateurkunstgroepen.

5.1 Inspelen op de behoeften van de amateurkunstgroepen Verbeteringen in de ondersteuningsstructuur voor amateurkunst moeten gericht inspelen op de behoeften die amateurkunstenaars en amateurkunstgroepen hebben met activiteiten waarbij gewerkt wordt aan kwaliteit, versterking, visie en ontwikkeling. ● Morele ondersteuning en erkenning; zorg er op lokaal niveau voor dat een cultuurcoach of cultuurmakelaar in contact is met de amateurkunstgroepen ter plaatse. Aanhoren wat er speelt, waar nodig gerichte ondersteuning in de vorm van coaching, verwijzing of bemiddeling, vormt de basis voor een goede ondersteuningsstructuur. ● Vergroting van de zichtbaarheid; niet alleen voor de eigen club of het eigen project, maar ook voor de amateurkunst in zijn algemeenheid. Er is een behoefte aan regionale en landelijke netwerken. ● Verjonging/vernieuwing van bestaande organisaties, zowel qua leden als qua bestuur en ondersteuning daarvoor. ● Betere en betaalbare facilitaire voorzieningen, zoals repetitieruimtes en mogelijkheden voor optredens. ● Ondersteuning bij visieontwikkeling en artistieke ontwikkeling, zowel voor de eigen club of het eigen project, als in de verbinding met organisaties en initiatieven in het sociaal domein en met de professionele kunsten.

● Begeleiding bij de eigen online performance; niet alleen als communicatiemiddel, maar ook als medium voor artistieke projecten en presentaties.

5.2 Amateurkunst beter benutten in het sociaal domein en de zorg De recente adviezen van onder andere de Raad voor Cultuur (Investeer in Cultuur voor iedereen) en van de alliantie Kunsten ‘92/Federatie Creatieve Industrie (New Creative Deal) aan een nieuwe regering zijn duidelijk: investeer in cultuur voor iedereen en in het bijzonder ook in amateurkunst. Door te investeren in de ondersteuning van amateurkunst kan de overheid zorgen voor verbinding en versterking van de samenleving. Met enige sturing en ondersteuning vanuit de overheid is de maatschappelijke waarde van amateurkunst en amateurkunstgroepen in het sociaal domein en in de zorg beter te benutten. Het ligt voor de hand dat op landelijk niveau het Ministerie van OCW in de lead is bij het ontwikkelen van een Programma Amateurkunst. Maar het verdient aanbeveling ook de ministeries van VWS en SZW hierbij te betrekken. Ook op provinciaal en lokaal niveau moet worden bezien hoe de verbinding tussen amateurkunst en het sociaal domein en de zorg beter kan worden gelegd.

| 26 | Revitalisering van de amateurkunst

5.3 Betere verbinding tussen amateurkunst en professionele kunst Amateurkunst is een springplank voor jong talent. Alleen al om die reden is het van belang om de samenhang tussen amateurkunst en professionele kunst te versterken. Tegelijkertijd biedt de sector Amateurkunst werkgelegenheid aan kunst- en cultuurprofessionals, zowel voor artistiek kader als voor de meer ondersteunende functies van cultuurcoach of cultuurmakelaar. Dit vraagt om goede afstemming tussen wat de praktijk vraagt en het kunstvakonderwijs en cultuurbeleid- en managementopleidingen. Deze afstemming vindt momenteel niet of nauwelijks plaats. Ook vanuit inhoudelijke overwegingen is het wenselijk het hoger beroepsonderwijs beter aan te haken bij ontwikkelingen in de amateurkunst. In de dagelijkse praktijk van de amateurkunst ontstaan doorlopend nieuwe kunst(crossover)vormen, vaak startend in informele verbanden waar het artistiek kader van de toekomst en dus het kunstvakonderwijs voor artistiek kader elkaar beïnvloeden. Juist het begeleiden van die nieuwe vormen vraagt om goed geëquipeerd artistiek kader. En een betere verbinding tussen amateurkunst en het sociaal domein en de zorg vraagt zowel van artistiek kader als van ondersteunende cultuurcoaches en cultuurmakelaars ook nieuwe kennis en vaardigheden. En die kennis en vaardigheden moeten al in de beroepsopleidingen worden aangereikt.

Dit vraagt ook om aansluiting bij de popcultuur en 'urban cultuur' die bij informele amateurkunstgroepen veelal meer vertegenwoordigd is10. Voor de professionals die in de amateurkunst werkzaam zijn of komen te werken, zal het principe van fair pay toegepast moeten worden. Zowel voor mensen in loondienst als de zzp-ers.

5.4 Meer samenhang en slagkracht in de ondersteuningsstructuur Een duurzame verbetering van de ondersteuningsstructuur middels een Programma Amateurkunst moet voorzien in meer samenwerking, afstemming en coördinatie op lokaal, provinciaal en landelijk niveau. Op lokaal niveau gaat het primair om de organisaties waar de cultuurcoaches werken, op provinciaal niveau om de provinciale steunfunctie-instellingen en op landelijk niveau om de koepelorganisaties, LKCA en het Fonds voor Cultuurparticipatie. Een Programma Amateurkunst moet erin voorzien dat er meer budget beschikbaar komt voor uitbreiding van formatie en voor de financiering van projecten. Het is belangrijk dat de sector ook zelf aan de slag kan. Koepelorganisaties kunnen een rol richting hun achterban spelen met betrekking tot specifieke disciplinegerelateerde ontwikkelingen. Denk daarbij aan opleidingen en trainingen professionals/artistiek kader in verbinding met het kunstvakonderwijs, netwerken opbouwen (met partners en voor leden), lobby, repertoire-ontwikkeling (onder andere podiumkunsten), innovatie van samenwerkingsvormen binnen hun specifieke discipline, communicatie met leden en professionalisering van bestuurlijke ontwikkeling bij verenigingen en landelijke nieuwe ontwikkelingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12267670/1