Vast te stellen BP - De Noor - Oost - 07062024 Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost
Plangegevens Naam: Plantype: IMRO: Status:
Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor Oost bestemmingsplan NL.IMRO.0158.BP1213-0002 vastgesteld
Datum:
7-6-2024
Projectnummer:
22AF261
Opdrachtgever:
Opsteller:
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW BORNE T) 074 – 255 7020 E) info@ad-fontem.nl
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV | Stationsstraat 37 | 7622 LW Borne | T 074-2557020 | F 074-265967 | E info@ad-fontem.nl
Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
3 3 3 4 5 6
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
7 7 8
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
10 10 11 18
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem 4.5 Geluid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Water 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie en Cultuurhistorie 4.11 Verkeer / parkeren
22 22 23 25 25 26 28 29 30 32 34 35
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
36 36 36
Hoofdstuk 6
39
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
40 40 40
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 K-waarde onderzoek Bijlage 4 Digitale watertoets Bijlage 5 Quickscan flora & fauna Bijlage 6 Archeologisch onderzoek
41 42 68 111 130 139 178
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
2
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voor de locatie aan de Noor ong. (ten noordoosten van De Noor 49) heeft de gemeente Haaksbergen een plan ontwikkeld. De gemeente wil op de betreffende locatie nieuwe woningen toevoegen, in de vorm van vijf rijwoningen. De betreffende gronden hebben echter een sportbestemming, waardoor de voorgenomen ontwikkeling niet bij recht in het vigerende bestemmingsplan past. Het geldende bestemmingsplan heeft geen relevant binnenplanse afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid waarmee de woningen mogelijk gemaakt kunnen worden. Hierdoor is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Ligging Het plangebied bestaat uit het perceel aan De Noor in Haaksbergen dat kadastraal bekend staat als gemeente Haaksbergen, sectie E en perceelnummer 5627. Het plangebied ligt naast het trainingsveld (ten noordwesten) van de voetbalvereniging V.V. Buurse in de kern Buurse. In figuur 1.1 is de globale ligging van het plangebied op een luchtfoto weergegeven door middel van een rode ster.
Figuur 1.1: globale ligging plangebied (bron: Google Maps) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 op een luchtfoto weergegeven (rood
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
3
omkaderd). Het plangebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door woningen, aan de zuidoostzijde door de velden van de voetbalvereniging en aan de oostzijde door agrarische gronden. Zie de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan voor de exacte begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied zoals dat hierboven is weergegeven, ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Buurse en St. Isidorushoeve', vastgesteld op 25 november 2015 door de gemeenteraad van gemeente Haaksbergen. Aan de gronden binnen het plangebied zijn de enkelbestemming 'Sport' en enkelbestemming 'Groen' toegekend, en tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Hoge archeologische verwachting'. De gronden zijn daarmee onder meer bestemd voor sport- en speelvoorzieningen en groenvoorzieningen. In figuur 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is daarop indicatief rood omkaderd. Daarnaast is het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan terrassen Haaksbergen' vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Haaksbergen op 27 oktober 2021, ten behoeve van het regelen van eenduidige regels voor terassen binnen de gemeente Haaksbergen. Dit plan heeft echter niet een speciale betekenis voor onderhavig plangebied.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
4
Figuur 1.3: uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Zoals reeds in de aanleiding is beschreven, wil de gemeente Haaksbergen binnen het plangebied nieuwe woningen toe te voegen in de vorm van vijf rijwoningen. Gelet op de geldende bestemmingen binnen het plangebied passen de nieuwe woningen echter niet bij recht binnen het geldende bestemmingsplan. Dit omdat de betreffende gronden momenteel een sportbestemming hebben, waardoor die niet voor het wonen gebruikt mogen worden en er geen bouwwerken zijn toegestaan ten behoeve van het wonen. Het vigerende bestemmingsplan heeft geen relevante binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, waarmee de woningen met een aanvraag omgevingsvergunning en het doorlopen van een korte procedure mogelijk gemaakt kunnen worden. Ook is er geen wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan opgenomen, waardoor het opstellen van een wijzigingsplan voor het mogelijk maken van de woningen niet toereikend is. Daarom is gekozen de voorgenomen ontwikkeling middels een bestemmingsplanherziening mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin.
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het onderhavige bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.0158.BP1213-0002); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
5
1.5
Leeswijzer
De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
6
Hoofdstuk 2 2.1
Het plan
Huidige situatie
Buurse is ontstaan op wat hoger gelegen gronden omringd door natte laagten, de velden en veengebieden. De Buurser- of Schipbeek vormde een belangrijke levensader, want het was een van de weinige verbindingsmogelijkheden door de natte veengebieden heen naar andere hoger gelegen gebieden, zoals Haaksbergen. Ondanks de bij lage waterstanden soms moeizame bevaarbaarheid, heeft tot ruim in de negentiende eeuw 'schipperij' bestaan op de Schipbeek. Tussen circa 1800 en 1850 begint de huidige kern Buurse (het katholieke deel) zich af te tekenen boven de groepjes boerderijen die zich over dit drogere gebied hadden verspreid. Rond 1900 bestond Buurse uit een katholiek deel en een protestants deel, van elkaar gescheiden door een es. Het katholieke deel manifesteerde zich als een esdorp, terwijl het protestantse deel zich als een lint ontwikkelde langs de toen ontstane hoofdroute van Haaksbergen-Duitsland in (Alsteedseweg). De es, die beide delen van het dorp scheidt, is nog steeds grotendeels aanwezig als onbebouwd landschappelijk element. Deze es wordt beschouwd als een landschappelijk karakteristieke en archeologisch waardevolle es. De historische wegen, de Alsteedseweg en de Broekheurnerweg zijn ook nu nog de centrale wegen in het dorp. De Alsteedseweg is een typisch lint met aanliggende bebouwing, waaronder de Nederlands Hervormde kerk.
Van de Broekheurnerweg is het eerste deel nog als lint herkenbaar. Typerend is verder dat de Rooms-katholieke kerk en de pastorie aan deze weg liggen. In de huidige situatie van het plangebied is een trapveldje aanwezig met paden. Aan de straatzijde wordt het plangebied afgeschermd door coniferen (snelgroeiende haagplanten). Het plangebied wordt zoals eerder beschreven, begrensd door woningen en de daarbij horende tuinen, agrarische gronden en door het sportveld van de plaatselijke voetbalvereniging. In figuur 2.1 is het plangebied door middel van een vogelaanzicht weergegeven.
Figuur 2.1: huidige situatie plangebied (bron: Cyclomedia, street smart)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
7
2.2
Toekomstige situatie
De planontwikkeling omvat het realiseren van vijf rijwoningen omgeven door groen met een eigen ontsluitingsweg, voldoende parkeerplaatsen, een keermogelijkheid en wadi. De vijf woningen zullen voor zowel starters als senioren geschikt zijn. De nieuwe woningen zullen aansluiten op de bestaande stedenbouwkundige structuur. De woningen zullen met de voorgevel georiënteerd worden op het buitengebied. Tussen de woningen en de agrarische zullen de gronden groen worden ingericht. Tevens zal er een groenstrook aan de westzijde van het plangebied komen ten behoeve van een afschermende werking voor de bestaande woningen en zal er een groenstrook komen tussen de nieuwe woningen en het naastgelegen voetbalveld, waar ook een wadi zal worden aangelegd ten behoeve van een goede waterhuishouding. Door het respecteren van het bestaande groen binnen het plangebied en de versterking hiervan, wordt een zachte overgang gecreëerd tussen de bebouwde kom en het buitengebied, waardoor het landelijke leven van Buurse meer naar voren zal komen. Gelet op dat er meer groen aanwezig is binnen het plangebied vergeleken met bebouwing, zal er sprake zijn van een goede klimaatadaptatie. Het plangebied krijgt een eigen ontsluitingsweg door de bestaande doodlopende weg te verlengen. De weg krijgt aan het einde een keerlus.
Deze kan ook gebruikt worden door het verkeer dat bestemd is voor de aanwezige woningen aan het bestaande doodlopende straatje. Het parkeren wordt opgelost door voldoende parkeerplaatsen langs De Noor te realiseren. In paragraaf 4.11 Verkeer / parkeren wordt nader ingegaan op de vereiste parkeernorm en de toetsing eraan. Belangrijk om op te merken is dat het bouwvlak voor de rijwoningen zodanig is ontworpen dat, indien daartoe de aanleiding ontstaat, er ook twee 2-onder-1-kap woningen gerealiseerd kunnen worden. In figuur 2.2 is een impressie te zien van de toekomstige situatie voor wat betreft de rijwoningen.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
8
Figuur 2.3: stedenbouwkundig ontwerp vijf rijwoningen
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
9
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets De voorgenomen ontwikkeling voorziet in extra woningen waarmee kan worden bijgedragen aan de nationale doelstellingen op het gebied van wonen en in het vergroten van de woningvoorraad van de gemeente Haaksbergen om te voorzien in de gemeentelijke woonbehoefte. Dit past binnen de prioriteit 'sterke en gezonde steden en regio's'. Daarnaast is er binnen het plangebied voldoende ruimte voor klimaatadaptatie en kan door middel van het treffen van zuinige installaties en zonnepanelen bijgedragen worden aan de energietransitie, andere prioriteiten van de NOVI. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
10
aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Toets Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de realisatie van 11 woningen niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gezien (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Pas bij de realisatie van 12 woningen heeft de Raad van State geoordeeld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Gelet op dat onderhavig bestemmingsplan minder dan 12 woningen mogelijk maakt, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien de Ladder voor duurzame verstedelijking enkel van toepassing is op ontwikkelingen die als nieuwe stedelijk ontwikkeling aangemerkt kunnen worden, wordt geconcludeerd dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Ook wanneer de Ladder van duurzame verstedelijking niet van toepassing is, dient te worden gemotiveerd dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921).
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin in een toelichting in de volgende paragrafen/hoofdstukken. Conclusie Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen rijksbelangen geraakt, de voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid Overijssel
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de
ambities
van
de
provincie
waar
te
maken,
bevat
de
Omgevingsvisie
een
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
11
uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven.
In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleidsen kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lusten leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
12
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In onderstaande alinea's worden de voor dit bestemmingsplan relevante beleidskeuzes beschreven. artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toets: Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er worden binnen het bestaande bebouwd gebied woningen toegevoegd. Dit wordt gedaan door het wijzigen van de sportbestemming in een woonbestemming.
Gelet op dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en het bestaande bebouwde gebied benut wordt, voldoet voorliggend plan aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening van provincie Overijssel. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
13
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving zal worden versterkt, omdat het plan nieuwe bebouwing mogelijk maakt die aansluit op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er wordt een zachte overgang gecreëerd met het buitengebied. Zie paragraaf 2.2voor een uitgebreidere toelichting hierop. Gelet op het vorenstaande wordt aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening van provincie Overijssel voldaan. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Toets: Voor de toetsing van de behoefte wordt verwezen naar het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.3. Het gemeentelijk beleid is in overeenstemming met de geldende woonafspraken zoals die zijn gesloten met de provincie. Geacht wordt dat hiermee voldaan wordt aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening van provincie Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is met een markering aangegeven (bron: provincie Overijssel) Het plangebied ligt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. In dit ontwikkelingsperspectief staat de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
14
sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). Toets: Onderhavig plan doet geen extra afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor agrarische functies in de omgeving. Dit omdat er momenteel sprake is van een trapveldje, waardoor de kenmerken van het agrarische landschap niet meer aanwezig zijn en er zijn geen agrarische functies aanwezig in de nabije omgeving van het plangebied die door de komst van de woningen belemmerd zouden kunnen worden. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toets: Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied en is door het bestaande gebruik als trapveldje al zodanig bewerkt, waardoor de kenmerken van de natuurlijke laag niet meer zichtbaar zijn. In voorliggend plan is voorzien in een goed afwateringssysteem, waarmee voldaan wordt aan de ambitie voor de natuurlijke laag. Dit wordt in paragraaf 4.8 nader beschreven. Geacht wordt dat er geen afreuk aan de natuurlijke laag wordt gedaan. Laag van het agrarisch cultuurlandschap
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
15
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Essenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toets: Het plangebied ligt in de bebouwde kom, waar de kenmerkende structuren van het essenlandschap door het bestaande gebruik als trapveldje niet (meer) zichtbaar zijn. Er zal worden gebouwd met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren. Voorliggend plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de kernmerken van de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Stedelijke laag De stedelijke laag kent het kenmerk 'Verspreide bebouwing' en 'Informele trage netwerk' toe aan het plangebied. Zie figuur 3.5 voor een fragment van de betreffende kaart. Aan deze kenmerken is een witte kleur gegeven door de provincie Overijssel, waardoor onderstaande luchtfoto niet met een kleur wordt opgevuld.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
16
Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Kenmerkend voor verspreide bebouwing is de sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. De boeren deden dit naar eigen inzicht en stemden dit af op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalige landbouwsysteem. Hierdoor ontstonden er samenhangende landschappen, welke nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschap, broek- en heideontginningen, veenlandschappen etc.. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. Kenmerkend voor het informele trage netwerk is het 'langzame' netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en de natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Als ontwikkelingen plaats vinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen (b.v.
bedrijventerreinen, woonwijken) , dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Nieuwe mogelijkheden voor lange afstands-, wandel- en fietsroutes worden benut. Toets: Er is binnen het plangebied geen sprake van een erf, waardoor geen kenmerkende erfstructuren en volumematen aanwezig zijn. Ook is er geen sprake van een padennetwerk met de bedoeling dat dit delen van het agrarisch cultuurlandschap en de natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. Voorliggend plan heeft dan ook geen negatieve invloed op de stedelijke laag. Laag van de beleving De laag van de beleving heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
17
verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie 2030 'Haaksbergen: groenste dorp van Twente'
De gemeentelijke structuurvisie, getiteld 'Structuurvisie 2030, Haaksbergen: groenste dorp van Twente', is op 5 maart 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Kort samengevat staan er negen ambities centraal om de gemeente gemoedelijk, gezellig, bereikbaar en groen te houden: 1. Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. 2. Een sfeervol groen centrum met de markt als stralend middelpunt. 3. Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en het op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied. 4. Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. 5. Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap. 6. Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. 7. Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. 8. Op peil houden en concentreren van de voorzieningen. 9. Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem. Elk initiatief dat bij de gemeente wordt ingediend, moet een bijdrage leveren aan deze ambities. Dat hoeft niet te betekenen dat een plan aan álle ambities moet voldoen, maar het mag niet tegen ambities ingaan, en waar mogelijk moet het bijdragen aan meerdere ambities. Toets De karakteristieken die Buurse heeft, moeten volgens de structuurvisie bewaard blijven.
Dit betekent dat er in Buurse geen ruimte is voor grootschalige uitbreidingen. Buurse is uniek vanwege de twee delen waaruit de kern bestaat. Buurse heeft daarom vier entrees in plaats van twee. Ook voor de entrees geldt dat er een groene uitstraling moet zijn, passend bij de sfeer van Buurse. Het dorp heeft een onmiskenbare link met het buitengebied en dat moet terug te vinden zijn in het dorp zelf en de entrees. Voor Buurse zoekt de gemeente meer naar een upgrade van bestaande gebieden, een wens uit Buurse is het meer vergroenen van de kern en het dorpshart (de Trefkoel). Het gaat in onderhavige situatie om een locatie die volgens de structuurvisiekaart opgenomen in figuur 3.6 binnen bestaand bebouwd gebied ligt, waardoor sprake is van een inbreidingslocatie. Met het plan kan er enerzijds worden bijgedragen aan de ambitie dat de gemeente aan iedereen passende woonvoorzieningen wil bieden, anderzijds aan het creëeren van een zachte overgang tussen het buitengebied en de bebouwde kom. Dit wordt o.a. gedaan door de bouw van de woningen af te stemmen op de woonbehoefte en het bestaande groen karakter te respecteren c.q. te versterken. Gelet op het feit dat de voorgenomen ontwikkeling zal plaatsvinden binnen het bestaande bebouwde gebied, is er sprake van een zuinig en zorvuldig ruimtegebruik waardoor verdere verstening van het buitengebied wordt tegengegaan.
Door nieuwe woningen te realiseren, komt er een toename in de bevolking die ten gunste zal komen aan de lokale economie en het in stand houden van het voorzieningenniveau, andere ambities die genoemd worden in de structuurvisie. Al met al wordt gesteld dat voorliggend plan bijdraagt aan meerdere ambities van de structuurvisie en daarom wenselijk wordt geacht voor de gemeente Haaksbergen.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
18
Figuur 3.6: fragment structuurvisiekaart Buurse (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 3.3.2
Goed wonen in Haaksbergen 2023
Op 5 juli 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Haaksbergen vastgesteld: 'Goed wonen in Haaksbergen'. De Woonvisie is opgesteld voor de periode 2023-2028 met een doorkijk naar de periode tot 2032. Het uitgevoerde woonbehoefteonderzoek van begin 2021 heeft belangrijke input geleverd voor (delen van) deze Woonvisie. Het is een visie waar op hoofdlijnen puntig is geformuleerd waar Haaksbergen naartoe wil de komende jaren, maar niet tot achter de komma. De gemeente wil namelijk per situatie ruimte bieden aan creativiteit van de inwoners en ruimte maken voor goede initiatieven in nieuwbouw. De belangrijkste uitgangspunten voor de Woonvisie zijn: De ontwikkeling van de bevolking: als gemeente groeien we op korte en middellange termijn door; De veranderende samenstelling van de bevolking van Haaksbergen: we vergrijzen en ontgroenen;
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
19
De kenmerken van de huidige woningmarkt: hoge woningprijzen en beperkt aanbod, voor zowel starter als oudere; We realiseren ons ook dat verreweg het leeuwendeel van de woningen er over 10, 20 en 30 jaar nog steeds staat en dat alle woningeigenaren staan voor een goede en duurzame kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; In de nieuwbouwprogrammering vinden we het belangrijk dat deze zo goed mogelijk aansluit bij de toekomstige woonbehoefte van alle inwoners. Uit de verwachte huishoudensontwikkeling komt naar voren dat ondanks de vergrijzing, het aantal huishoudens in Haaksbergen groeit, dit wordt met name veroorzaakt door migratie. De huishoudensgroei wordt met name verwacht in oudere huishoudens. Het aantal alleenstaanden en stellen van 65 jaar en ouder kent een verwachte groei van 15% in de periode 2020-2030. In onderstaande tabel is de verwachte groei te zien.
Figuur 3.7: huishoudensontwikkeling gemeente Haaksbergen 2020-2030 (bron: Primos, bewerkt Stec-groep) In de afgelopen jaren zijn er relatief weinig woningen gebouwd in de gemeente en is er op provinciaal niveau sprake van woningtekort. De Primos-progonose houdt geen rekening met het inlopen van de tekorten, mogelijk is de werkelijke woningbehoefte iets groter dan de prognose. De ambitie van de gemeente Haaksbergen is groter dan de lange termijnbehoefte op basis van de Primos prognose (2020) en het plus scenario. Dit komt mede voort uit de grote landelijke ambitie (in de Nationale woon- en bouwagenda is een lange termijndoel van 900.000 woningen tot 2030 opgenomen) en de afspraken die de provincie Overijssel vervolgens heeft gemaakt met het Rijk en de regiogemeenten in het kader van de Woondeal Twente. In de Woondeal Twente, welke op 21 december door partijen is ondertekend, is afgesproken dat elke regionale gemeente, dus ook de gemeente Haaksbergen, een bijdrage levert aan de regionale woningbouwopgave van 14.100 woningen. Het aantal woningen per regiogemeente wordt “fair share” verdeeld. Hierbij is wel de kanttekening gemaakt dat de bijdrage moet passen bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. De gemeente streeft er naar om met de nieuwbouw aan te sluiten op de marktbehoefte en doorstroming mogelijk te maken/op gang te brengen.
Complementair bouwen voor de juiste doelgroep op de juiste locaties draagt bij aan gezonde mix in de voorraad en bevolking. Het aantal huishoudens stijgt sneller dan het aantal inwoners. De trend van steeds meer kleine huishoudens hangt samen met stijging van aantal eenpersoonshuishoudens. Het gaat om oudere alleenstaanden en singles in alle andere leeftijdscategorieën. Er is een streven naar woningen voor ouderen. De leefbaarheid van kleine kernen staat onder druk. Er worden minder kinderen geboren, zodat sprake is van ontgroening. Dit betekent dat er minder kinderen zijn voor de dorpsscholen die daardoor soms door de opheffingsnorm dreigen te zakken of kwaliteitsproblemen krijgen. Hetzelfde geldt voor de verenigingen waarvoor steeds minder jeugdleden zijn. In de kleine kernen wordt het aandeel ouderen groter. Zij worden gemiddeld steeds ouder en wonen ook steeds langer zelfstandig. Ouderen blijven het liefst in hun eigen dorp wonen maar daar zijn de voorzieningen niet altijd aanwezig. Ook starters hebben het niet gemakkelijk in het vinden van een betaalbare woning, zodat zij mogelijk een woning zoeken in een grotere buurplaats. Hetzelfde geldt in mindere mate voor gezinnen en ouderen omdat zij doorgaans wat meer financiële mogelijkheden hebben.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
20
In de kleine kernen is er daarom met name een kwalitatieve behoefte aan woningbouw. Dit blijkt ook uit de Woonvisie Goed Wonen in Haaksbergen.
Hieruit blijkt dat er in scenario extra woningen (hoog) kwantitatief 5 extra woningen nodig zijn. Kwalitatief is er vooral behoefte aan nultreden woningen, waarvan 10 sociale huur woningen, 15 vrije sector huur woningen en 20 koopwoningen. Voorzieningen staan zodoende onder druk door het kleiner wordend aantal inwoners. Het gevolg is dreigende sluiting van scholen, dorpshuizen, winkels en andere voorzieningen. Op dit moment is de harde plancapaciteit in de twee dorpen volledig ingevuld. Om er voor de zorgen dat er op korte termijn gebouwd kan worden is versnelling van de woningbouwplannen hier essentieel. Een goede samenwerking met de belangengemeenschappen is hierbij erg van belang. De belangengemeenschappen spelen een rol bij het aandragen van locaties, het informeren van de gemeenschap, maar ook bij het enthousiasmeren van de jongeren/starters en senioren. Toets Op 29 juni 2021 heeft het college op basis van “Inventarisatie woningbouwlocaties Buurse” besloten om een aantal locatie verder te onderzoeken. Eén van dit locaties betreft de huidige locatie van het trapveldje. Met de nieuwe woningen kunnen meerdere doelgroepen in Buurse worden gediend. Omdat sprake is van nieuwbouw en hierdoor voldaan moet worden aan de diverse duurzaamheidvereisten (o.a.
gasloos, warmtepomp, voldoende zonnepanelen) hoeven de bewoners een zeer lange tijd niets aan de woning op het gebied van duurzaamheid te wijzigen en hebben lage maandelijkse energiekosten. De woningen die in dit plan worden toegevoegd dienen levensloopbestendig te zijn (nultreden) en zijn daardoor heel geschikt voor starters en senioren. Daarmee zijn de woningen zowel geschikt voor starters/jongeren die een klein maandelijks budget hebben als voor senioren die vaak nog in een grote eengezinswoning wonen en liever kleiner willen gaan wonen met weinig onderhoud en/of maandelijkse kosten. Een bijkomend voordeel van de bewoning van de nieuwe woningen door senioren is dat dit leidt tot doorstroom in de woningvoorraad, omdat hun eigen woning vrij komt. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling in overeenstemming met de woonvisie van de gemeente Haaksbergen.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
21
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van woningen mogelijk gemaakt. Het realiseren van woningen wordt niet expliciet benoemd in onderdeel C en D van het Besluit millieueffectrapportage.
De meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (D 11.2)'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Deze drempelwaarden worden met de realisatie van maximaal 5 woningen niet overschreden. Er geldt daarom geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Wanneer geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht, dan volstaat een (vormvrije)m.e.r.-beoordeling. Een aanmeldnotitie is daarbij noodzakelijk. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', zoals dat in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage bedoeld is. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is in het Besluit millieueffectrapportage echter niet gedefinieerd. Uit de toelichting bij dit besluit blijken wel enkele voorbeelden wanneer sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit is het geval wanneer het gaat om een bouwproject van onder andere woningen.
Gelet op een uitspraak van de Raad van State van 11 maart 2020 (CLI:NL:RVS:2020:729) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In deze uitspraak verwijst de Afdeling naar andere uitspraken, waaruit eveneens volgt dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
22
In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat er weliswaar sprake is van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100). Als onderhavig plan wordt bezien in relatie tot bovenstaande uitspraak, kan worden opgemerkt dat er minder woningen gerealiseerd worden dan het geval in de uitspraak en ook hier sprake is van een bestaand bebouwd gebied waarbij het gaat om stedelijke functies. Verder zal het ruimtebeslag van de beoogde bebouwing in verhouding zijn met de omliggende woningen en leidt het gebruik van een woning niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Gelet hierop wordt gesteld dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals dat bedoeld is in het Besluit milllieueffectrapportage. Een (vormvrije)m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie Het Besluit millieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.2
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
23
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Buurse, achter een rustige woonwijk waar de bebouwde kom overgaat naar landelijk gebied. Gelet hierop wordt derhalve uitgegaan van de omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van de nieuwe functie (wonen) leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie (wonen) hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In ieder geval moet er worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe functie sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de andere kant mogen omliggende functies niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Ook dit zal moeten worden aangetoond. Dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft de plaatselijke voetbalvereniging en de bijbehorende sportvelden.
Het tweede veld van deze vereniging ligt naast het plangebied en grenst daarom nagenoeg meteen aan de twee nieuw te realiseren woningen. Opgemerkt dient te worden dat het betreffende (trainings-)veld in werkelijkheid zeer incidenteel gebruikt wordt. Op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van een veldsportcomplex met verlichting (SBI 2008 931, categorie 3.1) 50 meter bedraagt voor het aspect geluid. Het plangebied ligt binnen deze zone van 50 meter, waardoor niet kan worden voldaan aan de gestelde richtafstand van 50 meter. Er is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit onderzoek is als Bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. In de onderstaande alinea worden de belangrijkste resultaten/conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 1. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van een de dichtstbijzijnde toekomstige woning van derden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 39 en 43 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode bedraagt. Er wordt voldaan aan de normstelling voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (50 en 45 dB(A) in de dag en avondperiode uit het Activiteitenbesluit.
Verder blijkt dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dag en avondperiode tijdens trainingen niet boven de normstelling uit stap 3 van de VNG-publicatie uitkomen. Het maximale geluidniveau bedraagt maximaal 71 en 71 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode. Omdat het stemgeluid buiten beschouwing gelaten mag worden, wordt er voldaan aan de geluidvoorschriften voor het maximale geluiniveau die zijn opgenomen in het activiteitenbesluit. Uit berekeningen blijkt dat het maximale geluidniveau in de dagperiode tijdens trainingen niet boven de normstelling uit stap 3 van de VNG-publicatie uitkomen. Uit berekeningen blijkt dat het maximale geluidniveau in de avondperiode tijdens trainingen boven de normstelling uit stap 3 van de VNG-publicatie uitkomen. Voor een uitgebreider
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
24
overzicht van de immissieniveaus op basis waarvan de maximale geluidniveaus zijn bepaald wordt verwezen naar bijlage 3.2 van het akoestisch onderzoek, opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Door het toepassen van een dove gevel voor de betreffende kopse woning (oostgevel), wordt er voldaan aan de normen. Immers een dove gevel kan buiten de beoordeling worden gelaten. Men zou ook kunnen overwegen geluidschermen te plaatsen langs het veld. Maar de kosten wegen niet op tegen de baten. Immers een immens scherm zou nodig zijn om in de avondperiode te kunnen voldoen. Naast een aanvaardbaar woonen leefklimaat mogen de woningen de ontwikkelingsmogelijkheden van de voetbalvereniging niet belemmeren. Opgemerkt wordt dat er al bestaande woningen binnen de 50 meter afstand van de voetbalvereniging en velden liggen. Dat betekent dat de voetbalvereniging al mogelijk belemmerd wordt in zijn bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Zo zijn er afspraken gemaakt met de buren, waarbij de verlichting van de sportvelden 's avonds alleen aan mogen, indien overleg heeft plaatsgevonden tussen de buren en vereniging. Conclusie Het aspect 'Milieuzonering' vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling, mits voor de in het onderzoek benoemde 'kopse woning' een dovel gevel richting het sportveld wordt toegepast.
Dit is met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de bouwregels van voorliggend bestemmingsplan.
4.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven waarmee rekening gehouden hoeft te worden. Een toetsing aan de Wet geurhinder en veehouderij kan daarom achterwege blijven. Conclusie De nieuwe woningen zullen geen geurhinder ondervinden van agrarische bedrijven. Het aspect 'Geur' vormt voor onderhavige ontwikkeling geen belemmering.
4.4
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen
bestemmingsplan Bestemmingsplan Buurse en St. Isidorushoeve, partiële herziening De Noor - Oost NL.IMRO.0158.BP1213-0002
25
en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van het voorgenomen woningbouwplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. Ook is een K-waarde onderzoek (doorlatendheid) uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen bij deze toelichting. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste conclusies besproken. Voor de concrete inhoud van de onderzoeken wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 2 en Bijlage 3. Verkennend bodemonderzoek Uit onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie in het verleden, voor zover bekend, altijd uit landbouwgrond heeft bestaan. In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. Ook in het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is slechts een lichte verhoging barium aangetroffen.
Een nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht, omdat er geen concentraties in de grond en het grondwater aangetroffen zijn die de tussenwaarde overschrijden. De gronden binnen het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Naast het “Besluit bodemkwaliteit” dient opgemerkt te worden dat in het kader van de “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” ook onderzoek naar PFAS noodzakelijk is. K-waarde onderzoek (doorlatendheid) Middels de omgekeerde boorgatmethode is de K-waarde (doorlatendheid) van het plangebied vastgesteld. Ten behoeve van een goede infiltratiecapaciteit dient de waterdoorlatendheid minimaal 1m/etm te bedragen. Uit de k-waarde bepaling van de peilbuis blijkt dat de waterdoorlatendheid geclassificeerd kan worden als goed. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor het beoogde woningbouwplan.