Toelichting Blankenburg
Tekst van het document
Omgekeerd worden de functies in de omgeving niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Geur In de nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bedrijfs- en milieuzonering. 4.1.5 Externe Veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers, dit is respectievelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 106). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval.
Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een
29
risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel wordt geacht, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Planspecifiek Het realiseren van een woning wordt gezien als het realiseren van een nieuw beperkt kwetsbaar object. In de directe omgeving van het plangebied (binnen 80 m) zijn geen inrichtingen aanwezig met een risicocontour. Daarnaast vallen er geen andere risicocontouren van inrichtingen over het plangebied. Bijgevoegde uitsnede van de externe veiligheid signaleringskaart is het plangebied weergegeven.
Afbeelding 16: Uitsnede van de EV Signaleringskaart, globale ligging plangebied blauw omcirkeld (bron: https://nl.ev-signaleringskaart.nl).
Nu er geen sprake is van risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied of risicocontouren over het plangebied is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te verantwoorden. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid. 4.1.6 Aanmeldnotitie MER-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de “moederprocedure”. Dit is in dit geval de bestemmingsplanprocedure. Een
30
m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Planspecifiek De omgevingsvergunning biedt een juridische-planologische regeling voor het realiseren van 11 appartementen. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (wonen) valt onder categorie "D 11.2 uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen".
De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 200 ha of meer, 2000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. voor het plan moet worden doorlopen. De Aerius-berekening toont aan dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er geen 'passende beoordeling' op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is en er derhalve, via dit spoor, ook geen sprake is van een planMERplicht. In onderhavig geval wordt de drempelwaarde behorend bij categorie D11.2 uit het Besluit mer, zoals genoemd, niet overschreden. Op basis daarvan is een vormvrije m.e.r.beoordeling van toepassing. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect).
Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals opgenomen in voorgaande paragrafen, kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling (kenmerken project, plaats project en kenmerk potentieel effect) geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Voor dit plan is dan ook geen m.e.r. procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r.
31
4.2
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening worden gehouden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan moet worden opgenomen.
Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Planspecifiek Cultuurhistorie Onderhavig plan betreft de sloop van een detailhandelspand en de realisatie van 11 appartementen. Het plangebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoedkaart van Atlas Leefomgeving, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Wel kan de boerderij aan de rand van het plangebied, aan de Blankenburg 18, als karakteristiek worden aangemerkt. Deze boerderij blijft behouden overeenkomstig de huidige situatie. Met het plan wordt het zicht op de boerderij verbeterd, door een grasveld tussen de boerderij en de weg aan te leggen. Daarnaast is de woonfunctie meer passend in de omgeving dan de bestaande detailhandelsfunctie.
Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie. Archeologie Ter plaatse van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie’ en ‘Waarde – Hoge Archeologische verwachting’ ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Deze dubbelbestemming regelt dat voor bodemingrepen vanaf respectievelijk 50 m2 en 40 cm diep en 2.500 m2 en 40 cm diep archeologisch onderzoek nodig is.
32
Archeologisch onderzoek In opdracht van Kormelink Bouw heeft RAAP in juni 2024 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Blankenburg te Haaksbergen in de gemeente Haaksbergen. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat de Blankenburg in de bebouwde kom van Haaksbergen ligt en blijkt het gebied niet gekarteerd op de bodemkundige kaarten. In de gekarteerde zones in de omgeving blijkt sprake van onder meer dekzandruggen, grondmorenewelvingen en dalvormige laagten. Op het actuele hoogtemodel ligt het plangebied in een laagte, maar is de aanwezigheid van dekzandkoppen en -ruggen met een eventueel plaggendek niet uitgesloten. Normaliter ligt het steentijdoppervlak in een landschap met dekzandkoppen en -ruggen onder een eventueel aanwezig plaggendek. Aangezien het plangebied ten opzichte van de omgeving relatief laag ligt, kan het ook zijn dat de dekzanden uit het Laat-Pleistoceen direct aan het maaiveld liggen. Het huidige maaiveld vormt zodoende al sinds het laat-paleolithicum het loopvlak. Aangezien een jong afdekkend pakket in laaggelegen beekdalgronden normaliter ontbreekt, kunnen archeologische resten vanaf deze periode direct aan het maaiveld aanwezig zijn.
Aangezien de aan- of afwezigheid van een dergelijke afdekkende laag onbekend is, geldt voor de steentijd een niet nader gespecificeerde archeologische verwachting. Derhalve geldt ook voor de periode vanaf eerste landbouwers (late prehistorie) uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen eenzelfde archeologisch verwachtingsmodel. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied op of nabij de vermoedelijke resten van het 13de-eeuwse kasteel de Blankenburg ligt. De precieze locatie van het kasteel is onbekend gebleven. In een deel van het onderhavig plangebied is in 1969 archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens de uitvoering waren echter de funderingen van de huidige garage al aangelegd. Bij de afgraving van de nog altijd bestaande garagefundering zijn tussen 70 en 90 cm diverse paalgaten en 13e-eeuwse scherven aangetroffen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied niet op een dekzandrug met plaggendek, maar waarschijnlijk in een laaggelegen beekdal ligt. In 4 van de 6 boringen is vlak onder een dun pakket opgebrachte grond een cultuurlaag (eerdlaag) aangetroffen. Dit zal echter niet het verwachte plaggendek betreffen dat geleidelijk als bodemverbetering is opgebracht zoals bij essen.
Gezien de onderliggende beekafzettingen zal dit humeuze zandpakket zijn opgebracht ten behoeve van de ophogen van ondergrond, omdat deze anders te nat was om agrarisch te bewerken. Onder deze cultuurlaag zijn met name gelaagde zandige beekafzettingen met leem en puinspikkels waargenomen. Voornamelijk aan de oostzijde van het plangebied zijn leemachtige beekafzettingen met hier en daar puinfragmenten en houtskoolspikkels aanwezig. Aan deze zijde van het plangebied is tevens op aanzienlijke diepte gestuit op een ondoordringbare massieve laag. Aan de westzijde van het plangebied blijkt voornamelijk sprake van veen-, zand- en kleilagen. Naar verwachting betreft dit gelaagde pakket een voormalig watervoerende geul of eventuele grachtvulling. Op basis van de bodemopbouw en de beschikbare historische bronnen maakt het plangebied mogelijk deel uit van het reeds verdwenen kasteel de Blankenburg. De aangetroffen puinfragmenten, houtskoolspikkels, gelaagde bodemopbouw en de gestuite boring 2 zijn mogelijkerwijs te relateren aan het kasteelterrein (voorburcht - gracht, periferie o.i.d.). Met enkel de boorresultaten kan hier echter geen definitieve uitspraak over worden gedaan. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt vervolgonderzoek geadviseerd met behulp van proefsleuven.
In verband met het geplande grondverzet en de beoogde ontgravingsdiepte wordt geadviseerd om het daadwerkelijke proefsleufonderzoek uit te voeren wanneer de nog bestaande gebouwen tot aan het maaiveld zijn gesloopt. De uiteindelijke strategie en
33
voorwaarden voor het proefsleuvenonderzoek worden vastgelegd in een Programma van Eisen, dat dient te worden opgesteld door een senior KNA archeoloog en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Haaksbergen, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit. Programma van eisen Archeologie Voor de geplande ontwikkeling van het plangebied is een PvE opgesteld. De ingreep voor de nieuwbouw leidt tot verstoring van de bodem, waarbij eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen raken. In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde (grofweg de noordelijke helft) en een hoge archeologische waarde (grofweg de zuidelijke helft). Omdat de geplande ontwikkeling de vrijstellingsgrens van respectievelijk 2500 m2/40 cm -mv en 50 m2/40 cm - mv overschrijdt, heeft de gemeente Haaksbergen in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning een waardestellend archeologisch onderzoek verplicht gesteld. Op basis van het voorgaande verkennend booronderzoek wordt aan het plangebied een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten toegekend (Berghuis & Boshoven 2024).
Het booronderzoek heeft aangetoond dat in de bodem op verschillende dieptes archeologische niveaus aanwezig zijn, waardoor de hoge verwachtingswaarde gehandhaafd blijft. Tijdens het booronderzoek zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen, zodat het waarschijnlijk is dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is. Het booronderzoek geeft echter geen inzicht in de precieze aard en waarde van deze vindplaats. Om vast te stellen of het gaat om een behoudenswaardige vindplaats dient binnen het plangebied een waarderend proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de goedkeuring van dit PvE kan dit proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Het PvE dat is opgesteld (zie bijlage 9) is beoordeeld door de regioarcheoloog en akkoord bevonden. Conclusie In overleg met bevoegd gezag wordt het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een volgende fase bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw. Om tijdens de bestemmingsprocedure en uitvoering de archeologische bescherming te borgen is ervoor gekozen om de dubbelbestemming te blijven handhaven. Er is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Op deze wijze is het plan uitvoerbaar en kan worden voldaan aan het vereiste in de wetgeving. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming richt zich op de bescherming van gebieden. In de Wet natuurbescherming zijn Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) beschermd. Naast deze drie soorten gebieden is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland van belang. Dit is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones die
34
tussen de natuurgebieden liggen. Het natuurnetwerk draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: • • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming Voorts is in de Wet natuurbescherming de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren geregeld: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Onderzocht moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook voor het voorliggende plan, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website https://www.natura2000.nl/gebieden geraadpleegd. Op bijgevoegde uitsnede is weergegeven dat op circa 1,5 km afstand ten oosten van het plangebied het Natura 2000gebied Buurserzand & Haaksbergerveenis gelegen.
Afbeelding 17: Uitsnede natuurkaart Nederland, globale ligging plangebied blauw omcirkeld (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden)
Gezien de afstand van het plangebied tot Natura2000 en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder. Wel is in het kader van Natura 2000 de stikstofdepositie van belang. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS berekening uitgevoerd door BJZ.nu. De volledige rapportage van de berekening is weergegeven in bijlage 4.
35
Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase is er geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebied. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook niet vergunningsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Het plan betreft het slopen van een detailhandelspand en het realiseren van 11 appartementen. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage van de quickscan flora en fauna is weergegeven in bijlage 5. De onderzoeksresultaten van de quickscan Natuurbank Overijssel is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In de quickscan worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 4 juli 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar mogelijk wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Vogels De bebouwing is voor vogels niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een nestplaats in te bezetten. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, zwartkop, tjiftjaf en roodborst. Het plangebied vormt geen geschikte nestplaatsen voor huismus.
Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen visueel en auditief waargenomen. In het plangebied ontbreekt een geschikte nestplaats voor uilen en roofvogels. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet af. Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemeneen weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, steenmarter en egel. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis
36
van het plangebied als foerageergebied niet af. De bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een vaste rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer, de afstand tot bos en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, holenbomen en takkenbossen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd. Vleermuizen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust-of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, maar de bebouwing kan wel als een potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. In de buitengevels van de bebouwing zijn openstootvoegen vastgesteld. Deze openstootvoegen zijn niet gevuld met spinrag en bieden een doorgang naar de spouwmuur. Vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis kunnen mogelijk in de spouwmuur verblijfplaatsen bezetten. Omdat hierdoor niet helemaal kan worden uitgesloten of er vleermuizen kunnen zitten wordt er momenteel aanvullend onderzoek uitgevoerd. Er is hiervoor al een najaarsronde uitgevoerd. Deze najaarsronde laat zien dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. Een voorjaarsronde volgt nog begin mei 2024.
Waardoor het aanvullende vleermuizenonderzoek tijdens de ter inzage legging van dit plan definitief kan worden gemaakt. Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Het terrein wordt ongeschikt gemaakt tijdens buiten de winterrustperiode. Voor het ongeschikt maken van het werkterrein is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist. Dit geeft dus geen wettelijke consequenties. Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
Voor de andere diersoorten geldt dat buiten het seizoen wordt gewerkt / de buitenplaats wordt opgeruimd. Vervolgonderzoek vleermuizen Omdat niet helemaal kan worden uitgesloten of er vaste verblijfsplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn, is door Natuurbank Overijssel van september 2023 tot en met mei 2024 nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen vaste verblijfsplaatsen aanwezig zijn (zie bijlage 6). Daarmee is geen ontheffing op de Wnb noodzakelijk. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect flora en fauna.
4.4
Verkeer
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersstructuur inzichtelijk te worden gemaakt. Het plan betreft het wijzigen van een voormalige kantoorruimte naar vijf studio-appartementen.
37
Parkeerplaatsen Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan gestelde parkeernormen vanuit de CROW. Voor een appartement in de categorie ‘koop, appartement, midden’ in ‘matig stedelijk’ gebied geldt vanuit de CROW een gemiddelde parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per appartement. Deze parkeernorm geldt ook voor een koopappartement. Voor het plan zijn daarmee 18 parkeerplaatsen vereist. Op bijgevoegde uitsnede van het stedenbouwkundig plan zijn het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven.
Afbeelding 18: Ligging nodige parkeerplaatsen (bron: Beltman Architecten)
Verkeersgeneratie Het plangebied en de parkeerplaatsen worden ontsloten via de Blankenburg. Voor de ontsluiting wordt een weg aangelegd binnen het plangebied. Het verkeer ten behoeve van de appartementen kan zonder verkeerskundige maatregelen worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur. Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.
4.5
Water
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en duurzame watersystemen. Het Waterschap Vechtstromen streeft naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
38
Planspecifiek Voor de uitvoerbaarheid van het plan is de digitale watertoets ingevuld. De uitkomst van de digitale watertoets is weergegeven in bijlage 7. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Riolering en afvalwaterketen Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. De bestaande capaciteit van de gemeentelijke riolering dient dit op te kunnen vangen. Wateroverlast (oppervlaktewater) Hemelwater afkomstig van verhard oppervlak (daken of verharding) zal op de bodem worden opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. De locatie is op dit moment volledig verhard. Door de ontwikkeling neemt de verharding af. Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie bijlage 7) waarin is aangegeven hoeveel water er in het plangebied moet worden geborgd en op welke wijze dit gebeurd. Om het gros van het hemelwater op te vangen wordt een speciaal puinpakket aangebracht onder het straatwerk dat het water infiltreert. Dit puinpakket bergt het hemelwater en heeft een overstort aan de noord- en zuidzijde van het gebied. Conform de hemelwateropvangberekening is de 63 m3 berging nodig. Het puinpakket kan deze 63 m3 al opvangen.
Daarnaast biedt het plangebied nog extra infiltratiemogelijkheden middels de parkeerplekken aan de achterzijde van het gebouw, waar half-open-verharding wordt toegepast, en twee groene gezamenlijke tuinen, waar hemelwater rechtsreeks in de bodem infiltreert. De infiltratiewaarde van de bodem is hiertoe voldoende toereikend. Zowel het hoofdgebouw als de bergingen zullen het hemelwater afvoeren op het puinpakket. Aan de achterzijde van de bergingen is een verlaging aanwezig, waar ook hemelwater van aangrenzende buurtuinen aanwezig is. Om dit water op te vangen kan (indien nodig) een maatregel worden getroffen middels een infiltratiebuis, drainagezand en/of een molgootje. Welke keuze hier definitief in wordt gemaakt wordt bij de uitwerking voor de omgevingsvergunning bekend. Dit in afstemming met de adviseur water van de gemeente Haaksbergen. Inrichting en beheer Op het perceel zijn geen watergangen aanwezig in het beheer van het waterschap. In de nieuwe situatie neemt de oppervlakteverharding weliswaar voor een groot deel af. Het gebied ligt echter wel laag waardoor het wat extra aandacht behoeft voor opvang van hemelwater. Met gemeente is daarom afgesproken om een waterhuishoudkundig plan op te stellen. De uitgangspunten van dit plan kunnen bij de volgende fase, omgevingsvergunning worden meegenomen. Op deze wijze is inrichting en beheer voor gemeente goed geborgd.
Deze wordt bij de omgevingsvergunning bouw (in een volgende fase) toegevoegd. Conclusie Het plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
4.6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
39
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het voorliggende plan heeft voor de gemeente Haaksbergen geen financiële consequenties, aangezien de plannen voor rekening en risico van de initiatiefnemer komen. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De kosten worden anderszins verzekerd door het sluiten van een anterieure overeenkomst. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
4.7
Algemeen
Voor het opstellen van een planherziening geldt de uniforme voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Net als in een reguliere bestemmingsplanprocedure geldt bij de voorbereiding van een herziening dat overleg moet worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat dan tenminste om de waterschappen en diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen wordt soms, in overleg, afgezien van dit overleg. Het ontwerpbestemmingsplan zal, overeenkomstig artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, voor een ieder ter inzage worden gelegd. Het ontwerp is in te zien op het gemeentehuis en kan ook digitaal worden ingezien via de gemeentelijke website en via de landelijke voorziening voor ruimtelijke plannen. Participatie Voorafgaand aan de ter inzage legging zijn er door initiatiefnemer meerdere acties in het kader van participatie uitgevoerd. Initiatiefnemer is meerdere malen met direct aanwonenden in gesprek geweest over een aantal zorgen die speelden omtrent een inrit (buren zuidzijde) die toegankelijk moet blijven. Daarnaast is de initiatiefnemer over bezonning (buren noordzijde) in gesprek geweest.
De inrit is in de toekomst gelegen op gemeentelijke gronden. Door initiatiefnemer is er een een situatieschets opgesteld om ook de nieuwe inritsituatie goed op de bestaande omgeving te laten aansluiten. Voor de buren aan de noordzijde is er bezonningsstudie opgesteld die inzage geeft in hoe het gebouw effect heeft op de directe inval van zonlicht. Dit geeft als conclusie dat het een negatief effect nihil is in vergelijking met de bestaande situatie. Voor de inritsituatie zijn er met de buren aan de zuidzijde afspraken gemaakt voor een wenselijke inrichting. De buren hebben dit akkoord bevonden. Het woongenot wordt daarmee niet aangetast en er wordt voldaan een goede ruimtelijke ordening. Naast gesprekken met direct omwonenden heeft initiatiefnemer ook voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan een inloopavond gehouden (20 december 2023) voor de omgeving. Buurtbewoners die met kadastraal eigendom grenzen aan het perceel en buurtbewoners die als naaste buur direct zicht hebben vanuit hun woning op het plan zijn uitgenodigd door de initiatiefnemer. Deze straal van buurtbewoners is ruim
40
aangehouden om te voorkomen dat er een situatie zou ontstaan waarbij buurtbewoners die zich wel onderdeel van de buurt voelen, niet uitgenodigd zouden zijn. De deelnemers aan de inloopavond waren positief over het plan. Zeker over de beoogde plattegronden van het pand en ook vanwege de beoogde lift die ontwikkelaar wenst in het pand te realiseren. Er is een nader participatieverslag opgesteld waarin is aangegeven welke buren zijn uitgenodigd. Hier kort is ingegaan op de inrit en de bezonningsstudie. Met de behandelend ambtenaren van de gemeente en de buren is er veelvuldig contact geweest over de wensen en opmerkingen van belanghebbenden en buren. Overleg Het ontwerp bestemmingsplan is toegezonden aan de provincie Overijssel en het Waterschap. Ontwerpbestemmingsplan Conform afdeling 3.4 Awb ligt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage. Een ieder kan dan een zienswijze indienen op het plan. Vastgesteld bestemmingsplan Na vaststelling door de gemeenteraad ligt het bestemmingsplan opnieuw zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het plan treedt in werking daags na afloop van de tervisielegging indien er geen beroep is ingesteld.
Is er wel beroep ingesteld? Dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
41
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Stedenbouwkundige analyse Het Oversticht
Bijlage 2
Stedenbouwkundig plan
Bijlage 3
Verkennend- en nader bodemonderzoek
Bijlage 4
Aerius berekening
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
Bijlage 6
Nader Vleermuizenonderzoek
Bijlage 7
Resultaat watertoets en WHKP
Bijlage 8
Verkennend archeologisch onderzoek
Bijlage 9
Programma van Eisen archeologisch onderzoek
42