CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Lansinkstraat vastgesteld

Gemeenteraad 22 februari 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Haaksbergen Dorp, partiële herziening Lansinkstraat’17.952 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsing initiatief aan ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’ Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het realiseren van één vrijstaande, grondgebonden woning op een ruime kavel. De woning wordt duurzaam gebouwd (BENG) en voorziet in een behoefte. Er is nog voldoende onbenutte plancapaciteit beschikbaar om dit woningbouwplan mogelijk te maken. De (resterende) woningbehoefte over de periode 2015-2025 komt voor Haaksbergen neer op de realisatie van ruim 400 woningen. Deze ontwikkeling past hier nog ruimschoots binnen. Door deze ontwikkeling wordt op kwantitatief en kwalitatief vlak in wonen voorzien om huisvestigingsmogelijkheden te blijven bieden aan de groeiende bevolking en wordt zodoende de wooncarrière van de inwoners van Haaksbergen gestimuleerd. Door voorgenomen ontwikkeling ontstaat er een passende woonlocatie voor uiteenlopende doelgroepen waarbij tevens de doorstroming wordt bevorderd omdat een andere woning vrijkomt voor starters. Tenslotte wordt met dit initiatief voldaan aan de wens om inbreidingslocaties de voorkeur te geven boven uitbreidingslocaties. Aangezien het hier gaat om toevoeging van één extra woning zijn de regionale Twentse afspraken en de Ladder Duurzame Verstedelijking niet van toepassing. Het initiatief is in overeenstemming met de Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’.

25

4.3.3 Woonbehoefteonderzoek gemeente Haaksbergen ‘Goed wonen in Haaksbergen’ Algemeen Begin 2021 heeft de gemeente Haaksbergen een woonbehoefteonderzoek laten uitvoeren. Door middel van dit onderzoek zijn de actuele woonbehoeften in Haaksbergen in beeld gebracht. Met deze inzichten kan de gemeente de woningvoorraad als geheel zo goed mogelijk laten aansluiten bij de vraag van de inwoners. Het woonbehoefteonderzoek is gevat in het rapport ‘Goed wonen in Haaksbergen’, waarin een aantal conclusies en aanbevelingen zijn opgenomen. Op de relevante conclusies en aanbevelingen voor voorliggend bestemmingsplan wordt hier kort ingegaan. Het aantal huishoudens in Haaksbergen groet tot 2030 met circa 230 huishoudens Op basis van de meest recente Primos prognoses groeit het aantal huishoudens tot 2030 met circa 230 huishoudens tot circa 10.520 huishoudens. Dit is een toename van 2% te opzichte van 2020. Het aantal inwoners neemt naar verwachting de komende jaren verder af, in lijn met de ontwikkeling van de afgelopen jaren. Het aantal huishoudens groeit licht terwijl het aantal inwoners afneemt. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de groei van eenpersoonshuishouders. Nieuwbouw moet gericht zijn op het faciliteren van de doorstroming Starters en thuiswonende geven aan dat de hoge prijzen voor woningen voor hen een probleem vormen in de zoektocht naar een woning.

Senioren geven aan dat er te weinig geschikt aanbod voor hen is. Hierdoor stokt de doorstroming in de woningmarkt. Nieuwbouw moet bijdragen aan de doorstroming in de woningmarkt en inwoners van Haaksbergen de mogelijkheid bieden wooncarrière te maken. Het is van belang verhuisketens daarbij zo lang mogelijk te maken door aan het eind van de keten woningen toe te voegen. Door woning toe te voegen die aansluiten bij de voorkeuren van oudere huishoudens komen elders in de voorraad woningen vrij voor andere huishoudens zoals starters thuiswonenden en de middengroep. Gebruik (sloop-)nieuwbouw en herontwikkelingsmogelijkheden als kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad Door de toename van het aantal oudere huishoudens en de grote voorraad eengezinswoningen kan er een mismatch ontstaan tussen de vraag en het aanbod op de woningmarkt. Oudere huishoudens hebben voorkeur een gelijkvloerse woning, zoals een appartement of een levensloopbestendige grondgebonden woning. Deze woningtypen zijn echter beperkt aanwezig in de gemeente Haaksbergen. In deze segmenten ontstaan tekorten, terwijl in de bestaande woningvoorraad een overschot ontstaat aan eengezinswoningen. Gebruik (sloop-)nieuwbouw en herontwikkelingsmogelijkheden daarom als kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad.

Toetsing initiatief aan het woonbehoefteonderzoek gemeente Haaksbergen ‘Goed wonen in Haaksbergen’ Door middel van de voorgenomen ontwikkeling wordt een grotendeels bestaande woonlocatie getransformeerd. Binnen het plangebied wordt een grondgebonden, duurzame woning gerealiseerd, die zo nodig levensloopbestendig is te maken. Ook draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verdere doorstroming op de woningmarkt in Haaksbergen, waardoor woningen voor jongeren beschikbaar komen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het woonbehoefteonderzoek ‘Goed wonen in Haaksbergen’.

26

4.3.4 Notitie inbreidingslocaties 2025 Algemeen Om tot de periode 2025 een beeld te hebben van aanstaande ontwikkelingen met betrekking tot inbreidingslocaties, heeft de gemeente Haaksbergen de ‘Notitie inbreidingslocaties’ opgesteld (2017). Deze notitie heeft als doel om de komende jaren een leidraad te vormen voor binnenstedelijke herontwikkelingen. Deze notitie kent geen gedetailleerde beschrijvingen van individuele locaties. Hierdoor is er een zeker mate van flexibiliteit ontstaan, wat de bruikbaarheid ten goede komt. Locaties in ontwikkeling of uitvoering In de notitie is een paragraaf opgenomen waarin de locaties zijn opgenomen waarop reeds gebouwd wordt of waarvan vrij zeker is dat deze voor 2020 in uitvoering worden genomen. Daarnaast zijn er locaties aangewezen die mogelijk in de toekomst (na 2020) geschikt kunnen zijn voor herontwikkeling. Randvoorwaarden voor inbreidingslocaties Op basis van de analyse van vraag, aanbod en toekomstige capaciteit kan geconcludeerd worden dat er vooralsnog voldoende ruimte is voor de herontwikkeling van andere inbreidingslocaties die nog niet in de notitie staan beschreven. Daar worden dan wel enkele randvoorwaarden aan gekoppeld: •

• • • •

Indien een locatie reeds in eigendom is van de gemeente dan wil de gemeente de herontwikkeling zelf oppakken, mits dat realistisch en haalbaar is. Daarbij geldt het uitgangspunt dat er welstandsvrij gebouwd kan worden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit niet te doen. Zodra een dergelijke locatie zich aandient, wordt aan de raad gevraagd om de kaders voor die specifieke locatie aan te geven; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet een bijdrage leveren aan minimaal 1 en liefst meerdere van de ambities uit de structuurvisie; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet zo veel mogelijk een bijdrage leveren aan de versterking van het woonmilieu; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet in kwalitatieve zin een verrijking zijn van het woonprogramma; De omvang van de herontwikkeling moet passend zijn binnen het grotere geheel (zowel qua omvang alsook qua fasering in relatie tot de woningprogrammering).

Toetsing initiatief aan Notitie inbreidingslocaties 2025 Het splitsen van het perceel Lansinkstraat 63 in twee kavels voor de bestaande en de nieuwe woning is een logische ontwikkeling. Het perceel ligt nabij het centrum van Haaksbergen met een ruim perceeloppervlak en een geschikte frontbreedte, zodat voldoende ruimte voor de bouw van een woning met bijbehorende voorzieningen is. Het resterende perceel van de bestaande woning aan de Lansinkstraat 63 behoudt na splitsing ook voldoende ruimte voor onder meer parkeervoorzieningen e.d. Ruimtelijk is een vrijstaande woning passend op deze plek. Het perceel heeft reeds een woonbestemming (zonder bouwvlak) en kan direct ontsloten worden op de Lansinkstraat. Het betreft een inbreidingslocatie in het stedelijk gebied. En voldoet daarmee aan het principe dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Voor het plangebied, gelegen in woonmilieu ‘Centrum Dorps’, wordt voldaan aan de ambitie van de structuurvisie ‘Verbreden van het aanbod woonmilieus’, zoals hierboven beschreven. Door de herontwikkeling van het plangebied wordt

27

een bijdrage geleverd aan de versterking van het woonmilieu en qua woningtypen een verrijking geleverd aan het woonprogramma van Haaksbergen. De ‘Notitie inbreidingslocaties 2025’ verzet zich niet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.3.5 Welstandsnota gemeente Haaksbergen Algemeen De Welstandsnota van de gemeente Haaksbergen is vastgesteld in 2014 en beschrijft het kader en de ambitie voor de beoordeling van bouwplannen in relatie ook tot de omgeving en met het oog op toekomstige ontwikkeling. In de welstandsnota wordt een aantal deelgebieden onderscheiden. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Woongebieden’. Historische dorpsgebieden en lintbebouwing In het deelgebied ‘Historische dorpsgebieden en lintbebouwing’ liggen de gebouwen (en clusters van gebouwen) die door hun karakter bepalend zijn voor de belevingswaarde van de gemeente Haaksbergen. Hierbij valt met name te denken aan de historische bebouwing in het centrumgebied, als ook aan de oorspronkelijke bebouwing langs de toegangswegen van de kernen. Stedenbouwkundige aspecten •

• •

Het kleinschalige en afwisselende bebouwingsbeeld van individueel herkenbare panden moet in stand worden gehouden. Gebouwen hebben daarom een eigen vormgeving en onderscheiden zich van de aanwezige bebouwing in de gevelwand, tenzij er sprake is van; o woningblokken die één stedenbouwkundig geheel vormen, waaronder ook seriematige (repeterende) bebouwing. In die situaties moet de samenhang van elk blok worden gewaarborgd. Toevoeging zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur van het blok. Nieuwbouw vindt plaats in een stijl die aansluit op de oorspronkelijke (historische) bebouwing, waarbij de gegroeide kleinschaligheid en diversiteit van het deelgebied het uitgangspunt is. Als de stedenbouwkundige opzet hiertoe aanleiding geeft, dan is de oriëntatie (dakrichting) van deze opzet richtinggevend.

Massa en vorm • • • • • •

Hoofdgebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt vormgegeven. Hoofdgebouwen hebben een duidelijke basis op het maaiveld Hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap, tenzij een plat dak op basis van het bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt. Nieuwbouw sluit qua maatvoering, schaal en massa aan op de directe omgeving. Wijzigingen en/of uitbreidingen sluiten in maat, schaal en vormgeving aan op het bestaande gebouw. Dakopbouwen mogen uitsluitend worden gerealiseerd in het achterdakvlak en hebben een sterk ondergeschikte omvang, waarbij de dakhelling is afgestemd op de dakhelling van het dakvlak waarin deze wordt geplaatst.

28

Gevels • •

Gevels die goed zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden ‘open’ en representatief vormgegeven. Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden de bestaande bouwstijl, gevelopbouw en ritmiek gerespecteerd. Materiaal-, kleurgebruik en detaillering

Materiaal-, kleurgebruik en detaillering • •

•

Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden materiaal-, kleurgebruik en detaillering afgestemd op het bestaande gebouw. Bij nieuwbouw is het kleurgebruik in de omgeving het uitgangspunt en wordt een traditionele materialisering toegepast; baksteen, keramische pannen, deuren en kozijnen in hout (of op hout gelijkend materiaal) met diepe neggen. Er worden rustige (onverzadigde) kleuren toegepast. Sterk met de omgeving contrasterende kleuren zijn niet toegestaan.

Toetsing initiatief aan Welstandsnota Het ontwerp van de bebouwing zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ter toetsing aan de bouwmeester worden voorgelegd. Hierbij wordt het ontwerp getoetst aan de criteria zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota. In voorliggend geval wordt beoogd om qua vormgeving en architectuur aan te sluiten op de omliggende bebouwing.

4.3.6 Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijke beleid.

29

5 Planologische en milieutechnische uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de wijziging van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In het kader van de milieukundige uitvoerbaarheid worden in dit hoofdstuk de volgende thema’s behandeld: bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Bodem 5.1.1 Algemeen Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.1.2 Beoordeling plangebied Er is door Rouwmaat Groep een verkennend bodemonderzoek, opgenomen in bijlage 1, uitgevoerd ten plaatse van het projectgebied. Het doel van het verkennend onderzoek is het bepalen van de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van nieuwbouw. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •

In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Er bestaat op basis van de onderzoeksresultaten ons inziens op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar het onderzochte terrein te ontwikkelen.

5.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gronden ten behoeve van de woonfunctie. Het aspect ‘bodem’ vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Geluid 5.2.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde (48 dB) bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de

30

voorkeurswaarde te voldoen. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai.

5.2.2 Beoordeling plangebied De geplande woning wordt op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Er is door Geluidsmeesters een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, welke is opgenomen in bijlage 2. Hierna wordt ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. Railverkeer- en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet ligt in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Wat betreft de invloed van voorliggend initiatief op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 300 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

Geluidsmeesters heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Het volledige rapport is te vinden in bijlage 2 van deze toelichting. Resultaten De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen de bebouwde kom en daarmee als stedelijk gebied beschouwd. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is gereguleerd in artikel 83 van de Wet geluidhinder. Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt dit 63 dB Lden. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelastingen als gevolg van het verkeer op de Goorsestraat, Stationsstraat en Spoorstraat de wettelijke voorkeursgrenswaarde (48 dB Lden) uit de Wet geluidhinder niet overschrijden. Als gevolg van deze wegvakken zijn er dan ook geen akoestische beperkingen geconstateerd. De geluidbelasting als het gevolg van het verkeer op de wettelijk gezoneerde Lansinkstraat overschrijdt op de voorgevel van de te realiseren woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden uit de wet geluidhinder. De overschrijding bedraagt ten hoogste 2 dB en blijft daarmee ruimschoots onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden.

31

Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Het bevoegd gezag dient dan ook verzocht te worden een hogere waarde vast te stellen. De vast te stellen hogere waarde bedraagt als gevolg van het verkeer op de Lansinkstraat ten hoogste 50 dB Lden (zie ook figuur 11 oranje en cursief gedrukt waarde).

Figuur 11 Geluid in de omgeving van het plangebied door wegverkeer (Bron: geluidsmeesters)

5.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan, mits er een hogere grenswaarde vanwege wegverkeerslawaai wordt verleend voor onderliggend initiatief.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

32

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -

-

Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 wordt gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.

33

5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 12 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met rode vierkant.

34

Figuur 12 Uitsnede Risicokaart ter hoogte van planlocatie (rode vierkant) Lansinkstraat 63 Haaksbergen (Bron: risicokaart.nl Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

5.4.3 Conclusie Het onderliggende initiatief is op basis van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

35

5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-

36

uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Ten zuiden van het plangebied is een kantoorpand gevestigd en aan de overzijde van de Lansinkstraat is de centrumfunctie van Haaksbergen aanwezig. Hierdoor is reeds ter plaatse sprake van een verhoogde milieubelasting. Gelet op het vorenstaande kan worden uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied” en zijn kleinere richtafstanden te rechtvaardigen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijken’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

5.5.3 Situatie plangebied Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies.

37

Notariskantoor, Lansinkstraat 59-61 Het perceel Lansinkstraat 59-61 is aangewezen voor kantoren en bestemd voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële, dienstverlenende organisatorische en/of zakelijke functies. Deze bestemming heeft geen belemmerende invloed op het plan. Het betreft categorie 1-bedrijven met een minimaal aan te houden afstand van 0 meter tot aan woonbebouwing, aangezien het omgevingstype ‘gemengd gebied’ betreft. Het perceel waarop de nieuw te bouwen woning wordt gerealiseerd ligt op 5 meter afstand van dit kantoor. De carport en garage (3,5 meter breed) bevinden zich aan de zijde van dit notariskantoor, waardoor de woning op 8,5 meter van het kantoor wordt gerealiseerd. In voorliggend geval wordt aan de richtafstand voldaan. Centrum (Spoorstraat) De Spoorstraat is de winkelstraat van Haaksbergen met detailhandel en reparatie ten behoeve van particulieren. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich op meer dan 20 meter afstand dierenkliniek De Watermolen, Hypotheek Visie Haaksbergen en supermarkt Jumbo. Al deze bedrijven kennen in een ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand van 0 meter. Van deze bedrijven wordt dan ook niet verwacht dat deze een belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat van de (te realiseren) woning.

Bedrijven Goorsestraat 17 (TTH-terrein) Voor dit terrein geldt het bestemmingsplan Haaksbergen-Dorp, Boerenmaat, de Veldmaat, de Elsm ’t Wolferink, Zienesch en de Greune (2015). De gronden zijn in dit bestemmingsplan aangewezen voor bedrijfsdoeleinden. Er zijn uitsluitend bedrijven toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de lijst van bedrijven die als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan is gevoegd. Bedrijven in deze categorieën kunnen worden beschouwd als passend in of nabij een woonomgeving. Planlocatie ligt op ruim 110 meter van dit bedrijventerrein. Geconcludeerd wordt dat op grond van het bestemmingsplan er geen bedrijfsactiviteiten kunnen worden gevestigd die een belemmering vormen voor de woningbouw aan de Lansinkstraat 63. Op het TTH-terrein is een aantal bedrijven gevestigd. Het bedrijf met de hoogste richtafstand is Voith Papaer Fabrics Haaksbergen (voorheen TT Haaksbergen) is producent van spiraalzeven voor hoofdzakelijk papier- en kartonindustrie. Het bedrijf moet volgens de VNG-lijst worden beschouwd als een categorie 3- bedrijf met een minimaal aan te houden afstand van 10 meter voor geur, 50 meter voor stof, 100 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar, . De bedrijfsactiviteit die leidt tot een aan te houden afstand van 100 meter zijn de walsen. De afstand tussen het bedrijf en plangebied bedraagt ruim 110 meter.

De aspecten geur, stof, geluid en gevaar vormen dus geen belemmering voor de woningbouw op het Frankenhuisterrein. Bovendien geldt, dat de bedrijfsactiviteiten van Voith worden beperkt door de reeds bestaande woningen in de omgeving van het bedrijf. De andere bedrijven op dit terrein kennen kleinere richtafstanden en vormen dus geen belemmering voor de bouw van de woning aan de Lansinkstraat 63. Bedrijven Werfheegde Voor dit terrein geldt het bestemmingsplan Haaksbergen Dorp, Eibergsestraat West, Eibergsestraat Oost, Buurserstraat, De Pas en Hassinkbrink (2013). Het terrein is gelegen op ruim 200 meter van de planlocatie aan de Lansinkstraat 63.

38

Aan de Werfheegde zijn uitsluitend categorie 1 en 2 bedrijven toegestaan (Zone A). Bedrijven in deze categorieën kunnen worden beschouwd als passend in of nabij een woonomgeving. Het bedrijf op dit terrein met de grootste richtafstandswaarden is Wiha Machinefabriek, Werfheegde 21 (SBI: 284). Dit bedrijf is volgens de VNG-publicatie een categorie 3-bedrijf met een grootste aan te houden afstand voor geluid van 100 meter milieuafstand en voor geur 50 meter. De bedrijven op dit terrein vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde woningbouw op planlocatie. MBS en bedrijven Kop Parallelweg Museum Buurt Spoorlijn MBS betreft een zogenaamd levend lokaalspoorwegmuseum. Hierbij worden activiteiten zoals het verwerven van historisch (spoorweg) materieel, restauratie van dit materieel en het exploiteren van een toeristische lokaal spoorweg uitgevoerd. Op het MBS-terrein bevinden zich het originele stationsgebouw (met goederenloods), een werkplaats, de locomotievenloods, een reservoirgebouw met waterkolom, een draaischijf en de weg-en werkenkeet. De locomotievenloods staat op de westzijde van het terrein (zijde Goorsestraat). De museumspoorlijn is moeilijk onder te brengen in een specifieke milieucategorie, gezien de specifieke functies. Overeenkomstig de VNG-systematiek wordt het bedrijf getypeerd als: SBI-code 92 - Cultuur, sport en recreatie.

Voor het gebruik van stoomwerktuigen (tabel 2, opslagen en installatie van 'Bedrijven en Milieuzonering, nr. 32') geldt een grootste aan te houden afstand van 30 meter vanwege geluid en 10 meter voor gevaar, wanneer sprake is van ‘gemengd gebied’. Het gebruik van stoomwerktuigen vindt plaats op circa 75 meter van het plangebied aan de Lanksinkstraat 63 en vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van de woning. Door realisatie van de woning wordt de MBS niet in haar bedrijfsvoering beperkt. GE Power Controls Nederland Odink & Koenderink (O&K) O&K is een bedrijf dat elektrotechnische schakelsystemen en componenten ontwerpt, produceert en levert. Het bedrijf ligt op circa 200 meter ten oosten van het plangebied tussen de Parallelweg en de M.A. de Ruyterstraat. Overeenkomstig de VNG-systematiek wordt het bedrijf getypeerd als een schakel- en installatiematerialenfabriek. De gemiddelde voorkeursafstanden (afstanden vanaf de perceelsgrens waarbuiten geen hinder wordt verwacht) bedragen geur 200 meter, stof 10 meter, geluid 30 meter tot 45 dB(A) contour, dus circa 15 meter tot 50 dB(A) contour en gevaar 50 meter. Aan alle minimaal aan te houden milieuafstanden wordt ruimschoots voldaan. Er is sprake van een poedercoatingafdeling. Deze afdeling is echter aan de oostzijde van het bedrijf, op grotere afstand dan 200 meter van het plangebied gesitueerd.

Bovendien wordt de daarbij vrijkomende lucht gefilterd en intern gerecirculeerd. Ter plaatse van het plangebied wordt derhalve geen relevante stofemissie verwacht.

5.5.4 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit de bedrijven- en milieuzonering ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende milieubelastende bedrijven worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

39

5.6 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Op 7 december 2021 is het plangebied door Natuurbank Overijssel onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. In bijlage 3 is de quickscan flora en fauna opgenomen.

5.6.1 Gebiedsbescherming Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN wordt opgemerkt dat gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, op circa 1,79 kilometer afstand van het plangebied liggen. Gezien de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ ligt op circa 2,03 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn.

Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden.

40

Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe als gevolg van de bewoning van de extra woning. De woning krijgt geen aansluiting op het aardgasnet. Gelet op de omvang van de voorgenomen ontwikkeling, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebied. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, effectbeoordeling of passende beoordeling is niet aan de orde.

5.6.2 Soortenbescherming Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. Beoordeling plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen en vogels bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. De beschermde amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten bezetten een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder strooisel en bladeren in de aanwezige conifeerhaag. De conifeerhaag blijft behouden waardoor uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet leidt tot wettelijke consequenties m.b.t.

soortbescherming. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

5.6.3 Conclusie De Wet natuurbescherming vormt, mede gezien de grote onderlinge afstanden en de aard van de ontwikkeling, geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten en nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft tevens geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN.

41

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1 Archeologie Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie plangebied Binnen het plangebied is sprake van een hoge archeologische verwachting waar de archeologische resten waarschijnlijk goed geconserveerd zijn. Hiervoor is de dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ opgenomen. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt (volgens de dubbelbestemming) een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlak groter dan 2.500 m2 én dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld. In voorliggende geval is geen sprake van een ontwikkeling waarbij bodemingrepen plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 . Gelet op het vorenstaand wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

5.7.2 Cultuurhistorie en monumenten Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Situatie plangebied Binnen het plangebied bevinden zich op basis van de cultuurhistorische atlas van de provincie Overijssel geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt en er tevens geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

42

5.8 Besluit Milieueffectrapportage 5.8.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.- (beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • • •

Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.- beoordelingsplichtig.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd.

5.8.2 Situatie plangebied Passende beoordeling Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,03 kilometer afstand van het plangebied. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe als gevolg van de bewoning van de extra woning. De woning krijgt geen aansluiting op het aardgasnet. Gelet op de omvang van de voorgenomen ontwikkeling, en de afstand tussen plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebied. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening wordt niet noodzakelijk geacht. Er wordt dan ook geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een

43

aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Er is dus geen sprake van een m.e.r.- plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (een aaneengesloten gebied van 2.000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van één woning binnen de kern Haaksbergen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Daarnaast blijkt uit de hoofdstukken 5 en 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.- procedure noodzakelijk maken.

5.8.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

44

6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. Water speelt een belangrijke rol bij de 4 prioriteiten voor de fysieke leefomgeving zoals het Rijk die stelt in de NOVI. De prioriteiten bestaan uit samenhangende opgaven waarin water steeds een belangrijke rol speelt. Het beleid van de NOVI met betrekking tot deze 4 prioriteiten is in dit NWP verder uitgewerkt. •

•

•

•

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Klimaatadaptatie gaat voor een groot deel over hoe we moeten omgaan met opgaven rond water. Zo zal ons land blijvend moeten werken aan de bescherming tegen overstromingen en de gevolgen daarvan. Maar we moeten ook anticiperen op langdurige perioden van droogte in verband met onze zoetwatervoorziening en de scheepvaart. Ook de energietransitie gaat voor een groot deel op en rond het water plaatsvinden. Met name op de Noordzee ligt er wat dat betreft een enorme opgave. Duurzaam economisch groeipotentieel: Voor een duurzame economie is Nederland voor een belangrijk deel afhankelijk van water. Denk bijvoorbeeld aan scheepvaart, landbouw, drinkwater, proceswater of recreatie. Maar ook is voldoende en schoon water een belangrijke factor voor bedrijven en mensen om zich ergens te vestigen. Sterke en gezonde steden en regio’s: We moeten steden klimaatbestendig maken om sterk en gezond te blijven. Zo ligt er in veel steden de opgave om wateroverlast, hittestress en de gevolgen van overstromingen en droogte te beperken. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Voor een toekomstbestendige ontwikkeling van ons landelijk gebied moet het gebruik van land en water (bijvoorbeeld door de landbouw) beter in balans zijn met de vereisten van ons natuurlijk kapitaal: gezonde bodem- en watersystemen en de bijbehorende natuur.

45

Figuur 13 Overzicht afwegingsprincipes voor inrichting en gebruik fysieke leefomgeving (Bron: NWP 2022-2027)

6.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen het Waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft op 15 december 2021 het ‘Waterbeheerprogramma 20222027’ vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. De ambitie in de Watervisie 2050 is om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie.

46

In het programma zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: • • • •

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties; transitie naar een duurzame ontwikkeling.

6.1.5 Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020 Het belangrijkste doel van riolering is om bij te dragen aan de volksgezondheid. Daarnaast is riolering van belang voor de bewoonbaarheid van de leefomgeving in de zin van droge voeten en voor bescherming van het milieu. Riolering is vooralsnog onmisbaar in stedelijk gebied. De aanleg en het beheer ervan is een kostbare aangelegenheid. Reden genoeg om als gemeente een rioleringsplan (GRP) te willen hebben waarin staat aangegeven: • • • • • • •

welk beleid de gemeente voert voor de zorgplichten riolering, wat de gemeente aan rioleringsvoorzieningen heeft, hoe deze worden beheerd, inclusief beleid voor personeel en middelen, welke voorzieningen aan vervanging of renovatie toe zijn, uitbesteding, welke verbeteringen nog nodig zijn, onder meer voor wateroverlast en milieu, hoeveel dat alles kost en hoe deze kosten op de burgers en bedrijven worden verhaald.

In het GRP is het hemelwaterbeleid voor nieuwbouw concreet uitgewerkt. Hierbij wordt de trits 'Vasthouden - Bergen Afvoeren' en de trits 'Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren' gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5.

Hemelwater is in principe schoon en wordt zo min mogelijk verontreinigd. Infiltratie van hemelwater op de plek waar het valt is de meest logische keuze. Transport van hemelwater moet worden geminimaliseerd. Bovengrondse afvoer van hemelwater heeft, voor zover nodig, de voorkeur boven riolering. Rechtstreekse lozing van niet vervuilde oppervlakken op oppervlaktewater is vaak een goede oplossing voor straten en percelen die grenzen aan het water. 6. Samenspel van dakvlakken, dakgoten, regenpijpen en perceelsgoten zodanig ontwerpen dat het hemelwater zoveel mogelijk bovengronds naar de gewenste plek wordt afgevoerd. 7. Wadi’s verdienen de voorkeur als een centrale infiltratievoorziening nodig is. 8. Dimensionering van infiltratievoorzieningen op basis van richtlijnen voor de berging en de overloop, waarbij de berging wordt betrokken op daken plus verharding. 9. Dimensionering van retentievoorzieningen en overig oppervlaktewater in overleg met het waterschap. 10. Infiltratie kan in sommige omstandigheden leiden tot grondwateroverlast.

47

Watertoets De watertoets - zoals deze in het kader van ruimtelijke plannen dient te worden uitgevoerd - is het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De watertoets vormt de verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Uitgangspunten Vanuit het oogpunt van duurzaamheid wordt gestreefd naar een zoveel mogelijk gesloten waterbalans. Voor een toename van de afvoer van water door uitbreiding van verharde oppervlakken dienen waterbeheersmogelijkheden te worden gecreëerd. Op deze manier worden eventuele problemen betreffende waterafvoer niet op omliggende gebieden afgewenteld. Door voldoende infiltratiekratten op het erf en een gedoseerde afvoer van het water op het hoofdwatersysteem zal de afvoer van het deelstroomgebied niet groter zijn dan in de huidige situatie. Huidige situatie waterhuishouding De bodem bestaat in het algemeen uit fijn tot matig fijn zand. De ontwateringsdiepte in het gebied is beperkt. In de directe omgeving is geen open water en zijn ook geen duikers of regenafvoeren door het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig. In en rondom het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12362425/1