CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke motivering Brem 5 te Haaksbergen definitief (17-11-2021)

commissie Ruimte 12 januari 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Wensen en bedenkingen kenbaar maken in het kader van het vooroverlegplan bouwplan beschermd wonen aan de Brem14.027 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

23

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.2.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval is door Kruse Milieu BV een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 gedaan voor de locaties Brem 1, 3 en 5. Hieronder worden de onderzoeksresultaten beknopt behandeld. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5 van deze motivering. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. De resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. Resultaten veldwerk Het terreindeel is beschouwd als niet verdacht. In totaal zijn er 10 boringen verricht en 2 inspectiegaten gegraven, waarvan 3 boringen zijn verdiept en één boring is doorgezet tot 4.0 meter diepte, ten behoeve van het plaatsen van peilbuis 1. Gebleken is dat de bodem overwegend bestaat uit zeer fijn tot matig fijn zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen in de bodem waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 2.1 meter min maaiveld. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • • • •

de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; de bovengrond (BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; Het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink.

In de bovengrond (BG I en BG II) en in de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het grondwater (PB 1) zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. De (zeer) licht verhoogde gehalten aan barium en zink in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. In het onderzoek van Grontmij 2002 is in het grondwater eveneens zink in een licht verhoogd gehalte aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Resultaten asbestanalyse Uit het analyseresultaat blijkt dat de fijne fractie van het mengmonster MM FF - Gat 11 en 12 niet asbesthoudend is.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

24

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering 4.2.3

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het voorgenomen nieuwbouwplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

25

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering 4.3.2

Situatie projectgebied

Indien de voorgenomen ontwikkeling wordt vergeleken met de categorieën zoals benoemd in paragraaf 4.3.1.1, kan worden gesteld dat sprake is van een wezenlijk kleinschaligere ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling is dan ook aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in principe niet kan worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit vanwege het feit dat het gaat om zorgbehoevenden met psychische problemen en niet om zorgbehoevenden met gezondheidsproblemen. Overigens wordt opgemerkt dat het projectgebied sowieso niet binnen de in 3.2.1.2 genoemde zones liggen en daarom geen toetsing aan de grenswaarden nodig is. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

26

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven. De ligging van het projectgebied is met de rode contour globaal weergegeven in afbeelding 4.1.

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Volgens de Risicokaart is een onderwijsinstelling gelegen in het projectgebied. Tot een aantal jaren geleden was dat ook het geval. In de huidige situatie is het gebied onbebouwd en is de school niet meer aanwezig. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het projectgebied: • • • •

4.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

27

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

Gebiedstypen In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In dit geval zijn in de omgeving van het projectgebied voornamelijk woningen aanwezig. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

4.5.2

Situatie projectgebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

28

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het voornemen is strijdig in de bouwhoogte en het bouw van een entreepartij en bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak. Het plan voorziet daarmee niet in een extra belasting ten opzichte van hetgeen nu al is toegestaan, temeer de afstand tot bestaande woningen niet wordt verkleind. Daarnaast wordt in de VNG-uitgave uitgegaan van middelgrote inrichtingen als zijnde milieubelastende functies. De functie ‘kleinschalig woonzorgvoorziening’ wordt daarom niet genoemd in de basiszoneringslijst, verpleeghuizen daarentegen wel. In voorliggend geval is de voorgenomen opzet niet te vergelijken met een regulier middel- tot grootschalig verpleeghuis waarbij sprake is van honderden zorgbehoevenden, grote activiteitenruimten en grootschalige voorzieningen (keukens).

Er zal dan ook slechts sprake zijn van woon- en leefgeluiden, waarbij – mede gelet op de onderlinge afstand tussen de maatschappelijke voorziening en de omliggende woningen (minimaal 21 meter) – geen sprake zal zijn van een onevenredige milieubelasting op de omgeving. Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat er geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Een woonzorgvoorziening wordt gezien als een milieugevoelig object. In de omgeving van de locatie liggen woningen die geen milieubelastende functies zijn en dus geen belemmering vormen voor het initiatief. Behalve het naastgelegen pand bevinden zich in de omgeving van het projectgebied geen milieubelastende functies. Het naastgelegen pand heeft een maatschappelijke functie evenals het voornemen. Een dergelijke voorziening veroorzaakt geen relevante milieubelasting op het projectgebied. De functie ondervindt dus geen hinder van omliggende functies en vormt eveneens geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende functies. 4.5.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

4.6

Ecologie

4.6.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

29

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Op circa 2,4 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied bevindt zich het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’. Op onderstaande afbeelding is dit natuurgebieden en het projectgebied (rode ster) weergegeven.

Afbeelding 4.2

Natura 2000 gebieden rond Haaksbergen (Bron: Atlas van Overijssel)

Om de mogelijke stikstofdepositie op het gebied te onderzoeken is door BJZ.nu een AERIUS-onderzoek uitgevoerd. In bijlage 6 is dit onderzoek opgenomen, de resultaten worden in onderstaande tekst kort beschreven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j ten aanzien van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ en op grotere afstand gelegen Natura-2000 gebieden. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk, zoals aangewezen door de provincie Overijssel. In onderstaande afbeelding is weergegeven dat het dichtstbijzijnde NNN-gebied ‘Heide- en veengebieden zuid Twente’ op circa 2,3 kilometer van het projectgebied is gelegen. Gezien de aard en omvang BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

30

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.

Afbeelding 4.3

4.6.3

Natura 2000 gebieden rond Haaksbergen (Bron: Atlas van Overijssel)

Soortenbescherming

4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.3.2 Situatie projectgebied Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan Flora en Fauna (ecologie) verricht op de locatie. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 7. Hieronder worden de onderzoeksresultaten kort besproken. Onderzoeksresultaten De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het projectgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het projectgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen gebruiken het projectgebied als foerageergebied, en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdierensoorten er een vaste rust- en BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

31

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het projectgebied. Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepaling verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd beland wordt beschouwd. Om te voorkomen dat vogels gedood worden en bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden, dient buiten de voortplantingsperiode gewerkt te worden, of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren (bijv. konijnen en eekhoorns), die mogelijk gedood worden of waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling, op basis van soortenlijst provincie Overijssel, is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Als gevolg van het bebouwen en verharden van een groot deel van het projectgebied, neemt de betekenis van het projectgebied als foerageergebied voor sommige vogel-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 4.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemer heeft op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Het projectgebied heeft volgens het geldende bestemmingsplan een hoge archeologische verwachting. Hierdoor is er voor de voorgenomen bouw van de woonzorgvoorziening een archeologisch onderzoek nodig, waarbij aangetoond wordt dat de mogelijke archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Door Laagland Archeologie is een november 2020 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd in het projectgebied. Hieronder worden de onderzoeksresultaten besproken. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 8 van deze motivering. In de meeste boringen is een AC-profiel waargenomen. De oorspronkelijke, natuurlijke bodemhorizonten ontbreken, mogelijk afgezien van boring 2.

Het ontbreken van een plaggendek en de intacte overgang van plaggendek naar onderliggende dekzandtop, alsmede het ontbreken van intacte bodemhorizonten in het dekzand (anders dan de C-horizont) wijst erop dat het oorspronkelijke leefniveau is verdwenen. Daarmee zijn ook de archeologisch relevante niveaus (onderzijde plaggendek, oorspronkelijke top van het dekzand) verdwenen. Alleen diepere sporenkunnen nog worden verwacht: ondiepe sporen en het niveau waarop mobiele vondsten kunnen worden verwacht zijn weg. De archeologische waarde van eventueel nog aanwezige resten van diepere grondsporen is daarmee gering. Het in het bureauonderzoek opgestelde

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

32

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering verwachtingsmodel kan daarmee worden verworpen: voor alle perioden geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten.

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat, afgezien van resten van diepere grondsporen. Het archeologisch belang hiervan is laag. In één boring zijn mogelijk resten van een plaggendek en een B-horizont gezien, maar het resterende deel van het projectgebied is verstoord tot in de C-horizont. Om deze reden adviseert Laagland Archeologie geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied vrij te geven. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Haaksbergen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan/ruimtelijke onderbouwing “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Ter plaatse van het projectgebied en in de directe omgeving hiervan is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Tevens zijn er in de omgeving van het projectgebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten aanwezig. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht.

4.9

Water

Het waterbeleid in Nederland is op meerdere niveaus in tal van plannen vastgelegd. 4.9.1

Vigerend beleid

4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

33

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.9.1.4 Beleid waterschap Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf stroomgebieden.

Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Vechtstromen, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. De waterschappen Regge en Dinkel en Velt en Vecht zijn op 1 januari 2014 gefuseerd. Waterschap Vechtstromen heeft op 7 oktober 2015 het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. Dit plan omvat alle watertaken: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt(tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen).

De twee belangrijkste onderdelen van het waterplan worden gevormd door: • • 4.9.2

het tekort aan waterberging in het landelijk gebied; de inpassing van inrichtingsmaatregelen binnen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water. Watertoetsproces

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende standaard waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Hieronder wordt op basis hiervan de waterhuishouding in het projectgebied beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

34

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering 4.9.3

Waterhuishouding projectgebied

Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie.

In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m². Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld infiltratiekratten een mogelijkheid. In voorliggend geval zal het hemelwater in de omliggende tuin van de woonzorgvoorziening worden geïnfiltreerd. Tevens zal het van een reservoir voor hemelwaterafvoer (irrigatiesysteem) worden voorzien. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).

Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

35

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering

HOOFDSTUK 5

BELANGENAFWEGING EN EINDCONCLUSIE

Hierna is de belangenafweging opgenomen, waarna afgesloten wordt met een eindconclusie.

Stedenbouwkundig Met het toevoegen van een tweede bouwlaag krijgt het gebouw een maximale bouwhoogte van 6,5 meter. Hiermee is het gebouw in de beoogde situatie lager dan omliggende woningen en sluit het qua bouwhoogte beter aan bij de naastgelegen maatschappelijke voorziening. Daarnaast is de tweede bouwlaag terugliggend waardoor de massa minder fors oogt. Het bouwplan wordt dan ook stedenbouwkundig aanvaardbaar geacht binnen de omgeving.

Beleidsmatig De behoefte is in voldoende mate aangetoond en het projectgebied is niet gelegen binnen beperkingsgebieden op grond van rijks-, provinciaal- of gemeentelijk beleid. Het plan voldoet dan ook aan het relevante beleid.

Milieukundig • • • • •

•

•

•

Geluid; de geluidsbelasting van wegverkeerslawaai op de gevels van de nieuwbouw is aanvaardbaar; Bodem; de bodemkwaliteit past bij het toekomstig gebruik; Luchtkwaliteit; het plan zorgt niet voor een onevenredige verslechtering van het luchtkwaliteit en ondervindt geen hinder van de heersende luchtkwaliteit; Externe veiligheid; geen relevante inrichtingen of leidingen in de nabijheid; Milieuzonering; er is ter plaatse van de nieuwbouw sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De effecten van de nieuwbouw op de omgeving zijn beperkt en leiden niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten; Ecologie; er is geen sprake van significant negatieve effecten op Natura 2000 en de kernwaarden van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet aangetast. Er zijn geen wettelijke consequenties ten aanzien van de soortenbescherming; Archeologie & Cultuurhistorie; op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied vrij te geven. In het projectgebied en de directe omgeving zijn geen relevante cultuurhistorische waarden aanwezig; Water; het projectgebied is niet gelegen in een beschermingsgebied. Hemelwater wordt op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd.

Vanuit milieukundig oogpunt zijn er geen belemmeringen en is het plan uitvoerbaar. Hierbij wordt opgemerkt dat het geldende bestemmingsplan ruime mogelijkheden biedt om het terrein te benutten, bijvoorbeeld het basisonderwijs met buitenspeelvoorzieningen, met grotere effecten op de omgeving. Gelet op het vorenstaande worden de belangen van gebruikers en eigenaren van omliggende percelen vanuit milieukundig oogpunt niet geschaad.

Omgevingsaspecten •

Parkeren; de parkeerbehoefte kan worden opgevangen ter plaatse van de bestaande parkeervoorzieningen. Uit onderzoek blijkt dat er voldoende restcapaciteit is en dat het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen niet noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

36

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering •

•

Verkeer; het plan leidt tot een beperkte toename aan verkeersbewegingen. In het drukste uur zal het maximaal gaan om 9 voertuigbewegingen, anders gezegd één voertuig per circa 7 minuten. Het is evident dat dergelijke aantallen eenvoudig kunnen worden afgewikkeld op de omliggende wegen, waar de intensiteit al heel laag is, en dat deze niet zullen leiden tot verkeerveiligheidsknelpunten dan wel afwikkelingsproblemen. Bezonning; uit een vergelijking van de zonnestudies (1-laags conform bestemmingsplan en 2-laags het voornemen) wordt geconcludeerd dat het bouwplan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van schaduwwerking op omliggende woningen.

Gelet op het vorenstaande worden de belangen van gebruikers en eigenaren van omliggende percelen vanuit het oogpunt niet geschaad. Het plan is aanvaardbaar en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Eindconclusie Het beoogde bouwplan aan de Brem 5 te Haaksbergen past binnen het relevante beleid op Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verder gaat het niet gepaard met significante milieugevolgen, gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties of de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven. Aan de wijzigingen kan via een aanvraag omgevingsvergunning conform artikel 2.12, lid 1 onder a sub 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 4 lid 1 van Bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor) medewerking worden verleend.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

37

Ruimtelijke motivering, Brem 5 Haaksbergen Ruimtelijke motivering

BIJLAGEN Bijlage 1

Parkeer- en verkeersnotitie

Bijlage 2

Bezonningsstudie 1-laagse bebouwing

Bijlage 3

Bezonningsstudie 2-laagse bebouwing

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 6

AERIUS berekening

Bijlage 7

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 8

Archeologisch bureau- en veldonderzoek

Bijlage 9

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10911067/1