RO bijlage ong. ruimtelijke onderbouwing leidingentrace (toegevoegd 01-11-2023)
Tekst van het document
Vaak zijn het ‘inbreiding’ landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden
29
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken. Oude hoevenlandschap Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven.
Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van de leidingtracés ten behoeve van zoutwinning betreffen relatief kleine ingrepen in het landschap. Bij de keuze van de leidingtracés wordt aangesloten bij de bestaande verkavelingsstructuren en landschapselementen door de richting ervan waar mogelijk te volgen. Daarnaast wordt na aanleg van de leidingtracés het oorspronkelijke maaiveld weer hersteld. Indien ten behoeve van de aanleg van de leidingtracés bomen worden gerooid worden deze na aanleg van de leidingen herplant. Met de aanleg van de leidingtracés wordt het aanwezige landschap niet onevenredig aangetast. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de ambities van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen.
Daarbij wordt kwaliteit, eigenheid en onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied behoort tot het gebied met verspreide bebouwing. Bij de keuze van de leidingtracés is rekening gehouden met het aanwezige verbindende infrastructurele netwerk. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op het huidige verbindende netwerk.
30
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Lust- en leisure laag Deze laag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De lust- en leisure laag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De lust- en leisure laag heeft geen rechtstreekse doorwerking op het beoogde voornemen. Bij de keuze van de leidingtracés zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande verkavelingsstructuren en landschapselementen door de richting ervan waar mogelijk te volgen. Daarnaast worden de leidingen ondergronds gelegd en zijn niet als dusdanig in het landschap herkenbaar. Op basis hiervan tast het voornemen de ruimtelijke identiteit niet onevenredig aan. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente Op 5 maart 2014 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen de Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente Haaksbergen de bijzondere leefkwaliteit van Haaksbergen op zijn hoge niveau houden en waar mogelijk verbeteren. Het accent zal daarbij liggen op het versterken van de cultuurhistorische kwaliteiten en het groene karakter. De gemeente wil dat alle nieuwe ontwikkelingen een bijdrage gaan leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Haaksbergen. Dat betekent dat de gemeente aandacht vraagt voor een goede ruimtelijke inpassing daarvan. Nieuwe ontwikkelingen mogen in geen geval een negatief effect hebben op de kwaliteit van de dorpen en het landschap.
Figuur 14: Plankaart behorend bij de structuurvisie en ingezoomd op het projectgebied met daarop de distributieleidingen (contour met onderbroken lijn) en de transportleidingen (gestippelde contour) geprojecteerd (bron: Gemeente Haaksbergen)
31
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
De essentie van het streven naar ruimtelijke kwaliteit zit hem in het verbinden van nieuwe ontwikkelingen met bestaande gebiedskwaliteiten, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt, en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. Ambities De visie geeft aan hoe de gemeente omgaat met de thema’s infrastructuur, platteland, economie, wonen en duurzaamheid. Er zijn voor de komende jaren negen ambities opgenomen: 1 Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. 2 Een sfeervol groen centrum met de Markt als stralend middelpunt. 3 Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied. 4 Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. 5 Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap. 6 Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. 7 Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. 8 Op peil houden en concentreren van het voorzieningenniveau. 9 Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In de structuurvisie worden geen specifieke ambities benoemd die betrekking hebben op het voornemen, de realisatie van de leidingtracés ten behoeve van zoutwinning in het buitengebied.
Als gevolg van de beoogde zoutwinning (realisatie zoutwinningslocaties, inclusief de bijbehorende leidingtracés) worden nieuwe ontwikkelingen verbonden met bestaande gebiedskwaliteiten. De locaties worden landschappelijk ingepast, op basis van de landschappelijk kenmerken zoals benoemd in de Omgevingsvisie van Overijssel en het landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente. Hiermee wordt voldaan aan de principes uit de structuurvisie. Met de realisatie van de zoutwinningslocaties, inclusief de bijbehorende leidingtracés, wordt geen afbreuk gedaan aan voornoemde ambities. Zie hiervoor ook de Ruimtelijke Onderbouwing zoals opgesteld voor de zoutwinningslocaties (Bijlage 1b) 3.4.2 Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Dit plan geeft een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling.
32
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Figuur 15: Landschapsontwikkelingsplan.met daarop de distributieleidingen (contour met onderbroken lijn) en de transportleidingen (gestippelde contour) geprojecteerd (bron: Gemeente Haaksbergen)
In het landschapsontwikkelingsplan zijn enkele specifieke gebiedskenmerken benoemd. Volgens de visiekaart van het landschapsontwikkelingsplan is het plangebied aangemerkt als beekzone, halfopen dekzandlandschap en veldontginning landschap. Beken en beekzones worden ontwikkeld tot dragende structuurlijnen in het landschap die kerngebieden voor landschap, cultuurhistorie, recreatie en natuur met elkaar verbinden. Ten behoeve van de landbouwfunctie en de landschapsstructuur wordt in het agrarisch werklandschap (naast de beekzones uit het watersysteem) ingezet op ontwikkeling van erf- en wegbeplanting en behoud van de bestaande landschapselementen. Het veldontginning landschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. In de voorgenomen ontwikkeling wordt een groot deel van de te realiseren zoutwinningslocaties geplaatst in het halfopen dekzandlandschap en ter plaatse van het veldontginningslandschap. Het noordelijk deel van het transportleidingtracé wordt gelegd in het gaaf kampenlandschap. Bij de keuze van de leidingtracés zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande verkavelingsstructuren en landschapselementen door de richting ervan waar mogelijk te volgen.
Daarnaast worden de leidingen ondergronds gelegd en wordt het oorspronkelijke maaiveld na aanleg weer hersteld. Indien ten behoeve van de aanleg van de leidingtracés bomen worden gerooid worden deze na aanleg van de leidingen herplant. Op basis hiervan tast het voornemen het landschap niet onevenredig aan. 3.4.3 Coalitieprogramma’s 2018-2022 en 2022-2026 Samen Duurzaam Vooruit (2018-2022) Het coalitieprogramma is opgesteld door de fracties van CDA, VVD, PvdA en GGH. Zij vormen met elkaar de coalitie op basis waarvan het college van B&W in de periode van 2018-2022 aan de slag gaat. In dit coalitieprogramma bevinden zich op hoofdlijnen de ambities die de coalitie, met elkaar en samen met anderen, de komende vier jaar willen
33
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
realiseren. Voor een evenwichtige inrichting van het Haaksbergse grondgebied, is het belangrijk dat ruimtelijke ontwikkelingen elkaar niet in de weg staan, maar elkaar juist opzoeken, versterken en rekening met elkaar houden. Ook voor initiatieven van ondernemers in het buitengebied moet de gemeente ruimte bieden in bestemmingsplannen. Zo is dat ook bedoeld in de nieuwe Omgevingswet. Dat vraagt om een meer meedenkende en adviserende houding van de ambtelijke organisatie. De ruimte binnen de regels moet maximaal worden benut. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van zoutwinning (zoutwinningslocaties inclusief het bijbehorende leidingtracés in het buitengebied van Haaksbergen) past binnen de ambities van de coalitie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de benoemde ruimte die de coalitie wil bieden maximaal benut. Meer voor mekaar (2022-2026) Het coalitieprogramma van het CDA en Nieuw Haaksbergen zoals dat in juni 2022 is vastgesteld heeft een specifieke paragraaf over zoutwinning. Behoud van het plattelandskarakter met ruimte voor transformatie naar een duurzame vorm van platteland is één van de speerpunten uit het akkoord. Ten aanzien van zoutwinning en in het bijzonder de benutting van de cavernes na afloop van de winning wil men invloed uitoefenen.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van 8 zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen past ruimtelijk binnen plannen van deze coalitie. In haar brief van 29 augustus 2023 bevestigt de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer dat de cavernes in Twente niet zullen worden gebruikt voor opslag van waterstof of andere stoffen. Deze toezegging is gedaan naar aanleiding van zorgen uit de Gemeente Haaksbergen. 3.4.4 Raadsafspraken Haaksbergen 2022 2026 De gemeenteraad heeft op 25 mei 2022 afspraken gemaakt over het besluitvormingsproces en over de kaders waarbinnen de besluitvorming over bepaalde specifieke onderwerpen de komende vier jaar moet plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling van zoutwinning is onderdeel van deze raadsafspraken.
Hierin heeft de gemeenteraad onder meer afgesproken om het college op korte termijn te vragen een notitie op te stellen over: welk standpunt vanuit de gemeenteraad over zoutwinning richting de verantwoordelijke staatssecretaris (rijksoverheid) wordt doorgegeven, en op welke manier dat zal gebeuren; op welke manier het college de inwoners van Haaksbergen wil informeren over het verloop van de zoutwinning; hoe het college wil monitoren wat de effecten zijn zoutwinning voor de inwoners van Haaksbergen; welke bevoegdheden de gemeenteraad wel en niet heeft om zoutwinning en zoutwinning gerelateerde zaken te reguleren (bestemmingsplan); en welke compensatie voor Haaksbergen mogelijk is.
34
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gedurende de vergunningsprocedure in de afgelopen twee jaar heeft Nobian zich bereid getoond om daar waar concrete zorgen rezen in de omgeving, gemeentebestuur of raad, waarborgen te bieden of aanpassingen aan het project te doen. Nobian heeft daarom de volgende toezeggingen gedaan:
Oprichting van een onafhankelijk Garantiefonds. Bouwkundige nulmetingen op gebouwen in nabijheid van veld. Extra metingen op bodemdaling. Extra metingen op trillingen. Zoutwinning via tussenstappen (hold-points) en het bewaken van de voortgang en winning. Acceptatie van de omgekeerde bewijslast bij schade. Het oprichten van een onafhankelijk omgevingsfonds voor het (mede)financieren van projecten die bijdragen aan het maatschappelijk belang in de regio. 3.4.5 Wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’ Een deel van het projectgebied ligt binnen een wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’. Binnen deze wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen en ten behoeve van een zoutwinning. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het distributieleidingtracé en het merendeel van het beoogde transportleidingtracé passen binnen de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 39.8 van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid, maar wordt de aanleg van de leidingtracés een omgevingsvergunning aangevraagd in afwijking van het bestemmingsplan.
Voor het deel dat valt onder het Voorbereidingsbesluit Stepelerveld geldt dat ook deze leidingen geen inbreuk maken op de ontwikkelingsdoelen en gebiedskenmerken van de betreffende tracés die aansluitend gelegen zijn ten Westen van het bedrijventerrein Stepelerveld, zie ook bijlage 1b, de Ruimtelijke Onderbouwing voor de zoutwinning. 3.5 Conclusie Het voorliggende ruimtelijke plan past binnen het rijks-, provinciale, en gemeentelijk beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale verordening. Het plan past binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven en de geldende gebiedskenmerken.
35
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen natuur, archeologische- en cultuurhistorische waarden en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling. 4.2 Natuurwaarden Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij soortenbescherming heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora- en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming (was de Natuurbeschermingswet) en met het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het kader van de Wet natuurbescherming is een natuurtoets uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 behorend bij deze aanvraag. De natuurtoets is uitgevoerd voor de aanleg het gehele transportleidingtracé en voor het distributietracé. De belangrijkste conclusies zijn hier benoemd. Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten.
Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen de periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nacht actieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden overdag uit te voeren buiten de kwetsbare voortplantingsperiode.
Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. In de natuurtoets wordt specifieker in gegaan op de effecten van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de aanwezigheid van beschermde soorten.
36
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
De aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding. Voorafgaand aan de aanleg wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Natura 2000-gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor alle Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht.
Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Niet stikstof-gerelateerde effecten Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten (niet stikstof-gerelateerd) uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met (wegen, houtwallen, bosjes en bebouwing) en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Ten behoeve van het beoordelen van mogelijke effecten in relatie tot de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden is een Voortoets Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie bijlage 9a). Uit de voortoets komt naar voren dat (significante) negatieve effecten van de meeste storingsfactoren kunnen worden uitgesloten. Slechts “vernatting” en “verzuring/vermesting door stikstofdepositie” blijven over als relevante storingsfactoren.
Om de mogelijke effecten van vernatting en stikstofdepositie in beeld te brengen is respectievelijk gebruik gemaakt van een geohydrologisch onderzoek naar vernatting door bodemdaling uitgevoerd. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat vernatting door bodemdaling lokaal is en het invloedsgebied van het project voor wat betreft vernatting niet overlapt met enig Natura 2000- gebied. Daarom zijn negatieve effecten door vernatting met zekerheid uit te sluiten. Uit de voortoets kan worden geconcludeerd dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal
37
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
aantasten. Een passende beoordeling of een aanvraag van een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Stikstof-gerelateerde effecten In opdracht van Nobian zijn door Antea Group een stikstofberekeningen middels AERIUS Calculator (versie 2020 en versie 2022) uitgevoerd om de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden te berekenen ten gevolge van de beoogde zoutwinning. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlagen opgenomen. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect stikstof. Houtopstanden Er worden binnen het plangebied bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Ten behoeve van het kappen wordt eveneens een kapvergunning aangevraagd. Daarnaast wordt er een kapmelding gedaan bij provincie Overijssel. Zoals in het voorgaande aangegeven worden de bomen die ten behoeve van de aanleg van de leidingtracés worden gerooid, herplant. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid.
De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Binnen de gemeente Haaksbergen kruist het transportleidingtracé ter hoogte van de Deelweg het NNN (zie paragraaf 3.3.3). De houtwal naast de Deelweg maakt deel uit van het NNN. Om significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN te voorkomen wordt de Deelweg en naastgelegen houtwal middels een gestuurde boring of persing gekruist. Hiermee wordt tevens oppervlakteverlies van het NNN-gebied of van de samenhang tussen de gebieden voorkomen. Zorgplicht Naast mogelijke effecten op beschermde soorten is er ook sprake van negatieve effecten op algemeen voorkomende soorten. Hoewel er voor algemeen voorkomende soorten bij ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor een ontheffing geldt, dient men wel rekening te houden met de zorgplicht. De zorgplicht (onderdeel van de Wet Natuurbescherming) stelt dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor dieren, planten en hun leefomgeving. Dit houdt onder andere in dat, voor zover redelijk, handelingen nagelaten of juist genomen worden om negatieve invloeden op soorten te voorkomen, beperken of tegen te gaan.
38
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Om negatieve effecten op meer algemene soorten te voorkomen, kunnen verschillende maatregelen getroffen worden. Maatregelen die voor algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelden zijn: Werk over een zo smal mogelijke werkstrook die niet breder is dan nodig, eventueel met speciale passeervlakken; Werk systematisch één kant op, zodat de dieren naar de andere kant weg kunnen vluchten; Werk bij voorkeur buiten het voortplantingsseizoen. Om aan de zorgplicht te voldoen, wordt zoals hiervoor aangegeven voorafgaand aan de aanleg van de leidingtracés een ecologisch werkprotocol opgesteld. Conclusie natuurwaarden Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Met betrekking tot het onderdeel houtopstanden worden de te kappen bomen ter plaatse van het leidingtracé gecompenseerd door herplanten van de bomen. 4.3 Archeologische- en cultuurhistorische waarden Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen.
Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. De gemeente Haaksbergen heeft haar archeologische waarden beschermd middel een archeologische verwachtingskaart (zie figuur 16). Deze verwachtingskaart is door vertaald in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1'. In het geldende bestemmingsplan komt dit tot uiting door de aanwezigheid van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Hoge archeologische verwachtingswaarde', 'Waarde Middelmatige archeologische verwachtingswaarde' en 'Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde'.
Figuur 16 Archeologische beleidskaart gemeente Haaksbergen met daarop de distributieleidingen (contour met onderbroken lijn) en de transportleidingen (gestippelde contour) geprojecteerd
39
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
In de regels behorend bij het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat ter plaatse van een hoge archeologische verwachtingswaarde werkzaamheden zijn toegestaan wanneer deze niet dieper gaan dan 40 centimeter onder maaiveld en een maximale oppervlakte bestrijken van 2.500 m2. Bij een middelmatige verwachting is dit 5.000 m2 een lage archeologische verwachting is deze oppervlakte 100.000 m2. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling. Het noordelijk deel van het transportleidingtracé en het westelijk deel van het distributieleidingtracé liggen binnen gronden met een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het transportleidingtracé en het oostelijk deel van het distributieleidingtracé hebben de gronden een middelmatige verwachting of een lage archeologische verwachting. Ten behoeve van de aanleg van de leidingtracés wordt dieper gegraven dan 40 centimeter. Gelet op de totale lengte van beide leidingtracés (ca. 5 kilometer) en een gemiddelde breedte van 7,5 meter worden de grenswaarden overschreden waarboven een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening is een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de leidingtracés. Onderstaand worden de resultaten per leidingtracé toegelicht.
Transportleidingtracé Ter plaatse van enkele van de verrichte boringen op het traject van het transportleidingtracé gelegen in de gemeente Haaksbergen zijn waarnemingen gedaan die mogelijk duiden op de aanwezigheid van archeologische resten. De waarnemingen bestonden met name uit (deels) intacte podzolbodems (veldpodzolgronden). Deze gronden betreffen in het verleden de hogere delen in landschap. Deze delen werden in het verleden bij voorkeur uitgekozen voor bewoning en/of landbouw, de kans op het aantreffen van eventuele archeologische vondsten is hier relatief groot. Ter plaatse van deze delen is conform het advies een nader onderzoek uitgevoerd. In afstemming met Regio Archeoloog Twente – Het Oversticht – is besloten voor een karterend booronderzoek. Figuur 17 geeft weer de zones waar ter plaatse van het transportleidingtracé het karterend booronderzoek is uitgevoerd. Binnen de gemeente Haaksbergen betrof dit de zones 4, 5 en 6. Uit het karterend onderzoek ter plaatse van zone 4 volgt dat de bodem ter plaatse van het transportleidingtracé over het algemeen verstoord is. Lokaal zijn in de bodem intacte podzolbodems aanwezig zijn. Echter indicatoren die wijzen op een mogelijke archeologische vindplaats zijn niet aangetroffen. De kans op het aantreffen van archeologische waarden wordt klein geacht.
Uit de resultaten van de archeologische onderzoeken volgen dat er geen aanleiding is tot het treffen van archeologische maatregelen. In de onderzochte zones waar AC profielen aanwezig zijn wordt een lage archeologische potentie toegedicht. Deze worden als voldoende onderzocht beschouwd. Ook zones, waar in individuele boringen een intact profiel is aangetroffen, worden als voldoende onderzocht beschouwd. De resultaten van de archeologisch onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 3. Ten opzichte van het verkennend onderzoek (december 2020) waarin de zones 5 en 6 zijn onderscheiden als zones die verder onderzocht dienen te worden is de ligging van het
40
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
transportleiding gewijzigd. Ter plaatse van deze gronden (perceel kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie P, nr. 1594) is het tracé verschoven in oostelijke richting, richting de Schaddenweg. Hiermee volgt het tracé de grens van het perceel en valt deels samen met het tracé van de distributieleidingen en komt een deel van het advies voor karterend booronderzoek te vervallen (zie bijlage 3). Daarnaast raakt het deel van het ‘verlegde’ transportleidingtracé de gronden waar zoutwinningslocatie H-01 wordt gerealiseerd. Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Haaksbergen (RAAP-rapport 1954) zijn de gronden hier geclassificeerd als gronden met een lage- tot middelmatige archeologische verwachting. Dit komt overeen met de resultaten van het archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het distributieleidingtracé en de zoutwinningslocaties (zie bijlage 4).
Figuur 17
Zones karterend archeologisch onderzoek ter plaatse van het transportleidingtracé (gestippelde contour)
Uit deze onderzoeken volgt dat de bodem hier verstoord is, de kans op het aantreffen van archeologische waarden wordt klein geacht. Om deze verwachting te toetsen wordt voorafgaand aan de aanlegwerkzaamheden ter plaatse van het verlegde deel van transportleidingtracé op het perceel kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie P, nr. 1594 een aanvullend archeologische onderzoek uitgevoerd. Mocht hieruit blijken dat archeologische waarden aanwezig zijn dan wordt in overleg met de Regio Archeoloog Twente – Het Oversticht de aard van een eventueel vervolgonderzoek of te nemen maatregelen afgestemd. Het doel hiervan is om de aanleg van het transportleidingtracé mogelijk te maken waarbij op een juiste wijze met de archeologische waarden wordt omgegaan.
41
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Met de uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn de aanwezige archeologische waarden ter plaatse van het transportleidingtracé nagenoeg geheel in beeld gebracht. Een uitzondering hierop vormt een klein deel van transportleidingtracé op perceel kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie P, nr. 1594. Met de voorgestelde werkzaamheden worden de archeologische waarden ter plaatse van het transportleidingtracé voorafgaand aan de aanleg van het leidingtracé in beeld gebracht en worden eventuele maatregelen genomen om aanwezige archeologische waarden niet onevenredig te schaden. Distributieleidingtracé Conform de archeologische verwachting zijn ter plaatse van de verrichte boringen op het oostelijke deel van het distributieleidingtracé vanaf het beoogde pompstation Stepelerveld tot en met de zoutwinningslocatie H-05 zijn geen waarnemingen gedaan die mogelijk duiden op de aanwezigheid van archeologische vondsten. Aan de gronden ter plaatse van dit deel van het distributieleidingtracé wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek een lage archeologische potentie toegedicht en wordt als voldoende onderzocht beschouwd. Ter plaatse van het westelijke deel van het distributieleidingtracé zijn in ondergrond waarnemingen gedaan die aanleiding geven voor het uitvoeren van aanvullende onderzoeksinspanningen. Dit betreffen de leidingsecties 7 t/m 9 en 11 t/m 13.
Deze secties zijn aangegeven op kaart in figuur 18.
Figuur 18
Zones karterend archeologisch of nader onderzoek ter plaatse van het distributieleidingtracé
Voorafgaand aan de aanleg van het deel van distributieleidingtracé ter plaatse van voornoemde secties wordt eerst middels aanvullend archeologisch onderzoek de eventueel aanwezige archeologische waarden nader bepaald. Overigens geldt voor de secties 8 (deels), 9 en 13 dat deze secties geen deel uit maken van het projectgebied. De huidige aanvraag vereist geen onderzoek ten noordwesten van de N18. De onderzoeksopzet wordt voorafgaand aan het onderzoek afgestemd met de Regio Archeoloog Twente – Het Oversticht. Indien uit het onderzoek volgt dat het nemen van
42
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
maatregelen noodzakelijk is dan worden deze eveneens afgestemd met de Regio Archeoloog Twente – Het Oversticht. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen die met een nieuw bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Het projectgebied ligt niet in een nationaal landschap. Met de realisatie de ondergrondse leidingtracés ontstaan er geen grote langdurige effecten binnen cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Binnen het projectgebied zijn tevens geen waardevolle structuren, elementen en patronen aanwezig die door de ingreep beïnvloed kunnen worden. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. 4.4 Water Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht een watertoets uit te voeren. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding’. Wettelijk verplichte onderdelen van het Bro vormen de waterparagraaf en het vooroverleg met het waterschap.
Nobian heeft hiertoe contact gezocht met het Waterschap Vechtstromen en het project toegelicht. In kader van de voorbereiding van het project vindt reeds periodiek overleg met het waterschap plaats om de uitvoeringsaspecten af te stemmen. De aanbevelingen en aanwijzingen van het waterschap worden in de plannen verwerkt. Kruisingen van de leidingtracés met o.a. wegen en grotere waterwegen (Bolscherbeek) worden middels gestuurde boringen of persingen uitgevoerd. Daardoor zijn er geen effecten op de grotere waterwegen. Bij een gestuurde boring wordt gebruik gemaakt van een boorvloeistof. Tijdens de aanleg van de leiding is de ruimte tussen de boorgatwand en de leiding gevuld met deze boorvloeistof (bentoniet/watermengsel). Na enkele tijd zal deze boorvloeistof stabiliseren en opstijven. Indien afsluitende lagen worden doorboord zal als gevolg van het opstijven van de boorvloeistof een waterdichte afsluiting worden gecreëerd in de afsluitende lagen. Kruisingen met kleinere watergangen uitgevoerd als open ontgraving leiden tot een tijdelijke obstructie in de watergang. Hierdoor is tijdens de aanlegfase een obstructie in de watergang aanwezig die van invloed is op afvoer.
Voordat de aanlegwerkzaamheden van start gaan, zal in overleg met het Waterschap Vechtstromen een watervergunning (of melding worden verricht) worden aangevraagd voor bijvoorbeeld het kruisen van de Bolscherbeek en voor andere werkzaamheden (bemaling) waarvoor een watervergunning noodzakelijk is. Het aspect water vormt, met in achtneming van het advies van het Waterschap Vechtstromen, geen belemmering voor uitvoering van het project. 4.5 Conclusie Met het beoogde voornemen en de te voorgestelde werkwijzen worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het projectgebied.
43
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen in het gebied als gevolg van de aanleg van de leidingtracés. 5.2 Archeologie Het aspect archeologie is nader beschouwd in paragraaf 4.3. Hieruit volgt dat met de voorgestelde werkwijze het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project. De aanwezigheid van archeologische objecten staat een ontwikkeling in principe niet in de weg. Indien uit archeologisch onderzoek (bureauonderzoek en veldonderzoek) blijkt dat daadwerkelijk archeologische vondsten aanwezig zijn, is ‘behoud in situ’ een belemmering voor ontwikkeling. Een optie is de vondsten opgraven en documenteren volgens een archeologisch Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. De vondsten worden dan naar depots afgevoerd. Tot slot blijft ten allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekend dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag.
5.3 Bodem Ter plaatse van het tracé van de aan te leggen transportleidingen is een historisch onderzoek uitgevoerd waarbij de relevante gegevens ten aanzien van het aspect ‘bodem’ zijn geïnventariseerd en beoordeeld. De verzamelde informatie geeft geen aanwijzingen voor de mogelijke aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten ter plaatse van het tracé. Het rapport van dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd als bijlage 5. De conclusies van het onderzoek luiden als volgt: De geplande werkzaamheden worden uitgevoerd in grond met licht (tot matig) verhoogde gehalten aan zware metalen en PCB. Het grondwater is in het verleden aangetroffen tussen 1,05 en 1,80 m-mv en bevat een sterk verhoogde concentratie nikkel en licht verhoogde concentraties barium, benzeen, kobalt, koper en naftaleen. De sterk verhoogde concentratie nikkel is te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties aan metalen in het grondwater. De onverharde terreindelen zijn niet verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest op het maaiveld en/of in de bodem. Voor de werkzaamheden is geen melding in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. De uitvoerende aannemer van de werkzaamheden hoeft niet gecertificeerd te zijn voor de BRL 7000. Wat betreft de te nemen veiligheidsmaatregelen kan volstaan worden met het basispakket.
Een veiligheidsplan is wat betreft de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Daarnaast worden de volgende aanbevelingen gedaan welke zullen worden opgevolgd waar en indien van toepassing:
44
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
Mocht het tijdens de aanleg noodzakelijk zijn om wegen te doorkruisen waarbij grondlagen en/of bouwstoffen geroerd worden, dan wordt geadviseerd om een verkennend onderzoek uit te voeren naar de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse. Ter plaatse van slootdoorkruisingen waar grondroerende activiteiten plaats vinden wordt geadviseerd om contact op te nemen met het bevoegd gezag over eventuele noodzakelijke te nemen stappen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project. De aanbevelingen met betrekking tot eventuele graafwerkzaamheden ter plaatse van kruisingen van wegen en watergangen worden opgevolgd. 5.4 Geluid en trillingen Het toetsingskader in relatie tot geluidbelasting is de Circulaire Bouwlawaai 2010, uitgegeven door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze circulaire beveelt een toetsingsnorm aan van een equivalent niveau van 60 dB(A) in de dagperiode op de gevels van woningen. Bij hogere geluidbelasting wordt een beoordelingskader gehanteerd dat afhankelijk is van de blootstellingsduur in dagen en de geluidsbelasting in dB(A). Bij het aanleggen van de leidingtracés wordt materieel ingezet zoals graafmachines, shovels, generatoren, kranen, vrachtwagens, boorinstallaties ten behoeve van gestuurde boring en dergelijke. De werkzaamheden vinden in principe alleen overdag plaats, mogelijk met uitzondering van de boorwerkzaamheden.
De geluidsbronnen verplaatsen zich naar gelang de voortgang van de aanleg van het leidingtracé. Het uitgangspunt is dat er bij de werkzaamheden modern, geluidsarm materieel wordt ingezet. Bij de meeste woningen nabij de leidingtracés zal het geluid van de werkzaamheden enkele weken waarneembaar zijn. Hierbij doet zich een piek voor als de werkzaamheden relatief dicht bij de betreffende woningen plaatsvinden en/of relatief veel materieel op eenzelfde moment wordt ingezet. Bij de aanlegwerkzaamheden zal de 60 dB(A) contour niet verder dan 100 m van de werkstrook reiken. Alle woningen liggen op meer dan 100 m afstand van de werkstrook van het tracé. Knelpunten met betrekking tot geluid bij de woningen is uitgesloten. De geluidsoverlast bij het aanleggen van de ondergrondse leidingen van deze omvang is overigens niet hoger dan de geluidsoverlast als gevolg van normaal agrarisch gebruik van landbouwgrond. Het aspect geluid en trillingen vormt dan geen belemmering voor uitvoering van het project. 5.5 Woon- en leefmilieu Het projectgebied dat door de leidingtracés wordt doorkruist, is voor meer dan 90% agrarisch gebied, waar de lokale wegen klein zijn en het dagelijks verkeer beperkt is. De voorgenomen ontwikkeling zal vooral in de aanlegfase een hoeveelheid transport genereren over de wegen.
Tijdens de aanleg van de leidingtracés gaat het om aan- en afvoer van grondverzetmaterieel, materialen en bouwpersoneel. Er wordt materieel ingezet zoals graafmachines, shovels, generatoren, kranen, vrachtwagens en een boorinstallatie. De werkzaamheden voor het aanleggen van de leidingen verplaatsen zich langs het tracé. Door het beperkte dagelijkse verkeer in huidige situatie van het voornamelijk agrarische gebied is het niet te verwachten dat de extra transportbewegingen zullen leiden tot knelpunten voor het lokale verkeer.
45
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
5.6 Luchtkwaliteit Het toetsingskader in relatie tot luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5 luchtkwaliteitseisen, ook wel de Wet Luchtkwaliteit (WLK) genoemd. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese richtlijnen met betrekking tot Luchtkwaliteit en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wet geeft voor een aantal stoffen de normen aan, waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen. Per 15 november 2007 is het hoofdstuk luchtkwaliteitseisen van de Wm van kracht geworden. Bij de aanleg van de leidingtracés wordt modern materieel ingezet (stage IV emissieniveaus of beter). De werkzaamheden verplaatsen zich continu en hebben een tijdelijk karakter. Bovendien wijkt de hoeveelheid emissie naar de lucht bij het aanleggen van ondergrondse leidingen van deze omvang niet af van de hoeveelheid als gevolg van normaal agrarisch gebruik van landbouwgrond. De effecten van de aanleg op de luchtkwaliteit worden daarom acceptabel geacht. Stikstofdepositie (AERIUS Calculator) Om de stikstofdepositie in Natura2000 gebieden in beeld te brengen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De stikstofberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator (versie 2022-2).
In de berekeningen zijn naast de activiteiten die plaatsvinden tijdens de reguliere gebruiksfase tevens alle benodigde activiteiten (aanleg zoutwinningslocaties, ombouw van het bedrijfsgebouw tot pompstation en leidingtracés) om de zoutwinning mogelijk te maken meegenomen, de zogenaamde aanlegfase. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlagen opgenomen in de Voortoets (zie separate bijlage). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat tijdens de gebruiksfase de stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000 gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N per hectare per jaar (bijlage 9c). Er is daarom geen sprake van een significant negatief effect. Tijdens de aanlegfase is er sprake van een tijdelijke geringe toename in stikstofdepositie op een aantal Natura2000 gebieden (bijlage 9b). Buurserzand & Haaksbergerveen is het zwaarst belaste gebied met een maximale projectbijdrage van 0,1 mol N/ha/jr in het uitvoeringsjaar) en maximaal 0,00 mol N/ha/jr in opvolgende jaren. Andere gebieden kennen projectbijdragen van 0,04 mol/ha/jr of lager in 2023 en lager dan 0,00 mol/ha/jr voor de opvolgende jaren. Dergelijke kleine tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen leiden niet tot significant negatieve effecten. Nobian laat nog een toets uitvoeren om te bevestigen dat geen significante effecten te verwachten zijn.
Ter validatie laat Nobian nog een Voortoets uitvoeren om deze conclusie te bevestigen. Een passende beoordeling of een aanvraag van een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 5.7 Licht Tijdens de aanlegwerkzaamheden wordt in principe geen verlichting gebruikt, behalve bij de gestuurde boringen, aangezien deze – indien eenmaal aangevangen – niet tussentijds kunnen stoppen. Om lichthinder te voorkomen worden de volgende maatregelen getroffen: Gebruik verlichting zo min mogelijk en richt dze goed op de werkzaamheden Verlichting niet op watergangen, lijnelementen als houtwallen of kruidenranden richten. Afschermen direct licht in woningen en eventueel groen licht voor vogels.
46
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
5.8 Externe veiligheid Het beleidsveld externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij onder andere: productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden: Transportrisico behandelt de externe veiligheid langs transportassen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals spoorlijnen, buisleidingen en snelwegen. Risico bij inrichtingen gaat over externe veiligheid rond bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, bijvoorbeeld tankstations met LPG-verkoop.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Er wordt gewerkt met een plaatsgebonden risicocontour (PR) en een groepsgebonden risico (GR): In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen, kleinere kantoren) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm, maar is een zogenaamde oriënterende waarde.
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het projectgebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Er loopt door het plangebied een hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding is ook als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen'. Met de aanleg van de leidingen ten behoeve van de zoutwinning zal rekening gehouden worden met de bestaande kabels en leidingen die door het plangebied lopen (zie paragraaf 2.3), hiermee heeft het aspect externe veiligheid geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling.
47
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
5.9 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.
48
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven. 6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Er wordt geconstateerd dat er geen waarden aangetast worden in het plangebied en in de directe omgeving. Verder zijn er geen milieukundige belemmeringen geconstateerd (zie hoofdstuk 5). Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar. 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het gemeentebestuur van Haaksbergen streeft naar draagvlak bij belanghebbenden en maatschappelijke organisaties voor ruimtelijke besluiten. Daarom hecht het gemeentebestuur belang aan de dialoog over de voorgenomen ontwikkeling. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, zal het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (bevoegd gezag) relevante maatschappelijke organisaties (overlegpartners) – die fysieke of beleidsmatige belangen hebben in het projectgebied – in de gelegenheid stellen om te reageren op de voorgenomen ontwikkeling. Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd.
Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven. 6.4 Economische uitvoerbaarheid Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten, waarin onder andere het verhalen van eventuele planschade wordt geregeld. De vaststelling van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De kosten die gemoeid zijn met de aanleg van de zoutwinningslocaties en ondergrondse transportleidingen komen geheel ten laste van Nobian. Deze kosten komen derhalve niet ten laste van de gemeente Haaksbergen. Planschade Met het voorliggende omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan wordt afgeweken van de planologische kaders. Deze afwijking zou tot gevolg kunnen hebben dat iemand in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt. In een dergelijk geval zou deze persoon de gemeente kunnen verzoeken om een tegemoetkoming in deze schade (afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening). Om eventuele planschade als gevolg van de beoogde ontwikkeling voor rekening van Nobian te laten komen kan hiertoe een planschadeovereenkomst worden afgesloten tussen het bevoegd gezag en Nobian.
49
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk, en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
50
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen
51
Ruimtelijke Onderbouwing Leidingtracés Haaksbergen