RO bijlage 4. Milieu-effectrapportage 1 september 2023 (MER)
Tekst van het document
Ook andere belanghebbenden zijn in die periode geïnformeerd, waaronder Rijkswaterstaat (met het oog op de inmiddels gerealiseerde N18), het (toenmalige) Waterschap Regge en Dinkel (nu: Vechtstromen) en de Stichting Natuur & Milieu. Met Rijkswaterstaat (RWS) zijn de effecten van bodemdaling op de N18 doorgesproken (zie ook paragraaf 7.4). RWS heeft haar eigen specialisten naar de berekende effecten laten kijken en heeft aangegeven geen problemen te verwachten van de bodemdaling ten gevolge van de zoutwinning. Waterschap Regge en Dinkel (inmiddels Waterschap Vechtstromen) heeft aangegeven een nadere studie te willen zien voor het effect van bodemdaling op het beeksysteem. Het Waterschap komt met de uitgevoerde studie23 tot de conclusie dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet in het geding is en dat de kwantitatieve effecten op het beeksysteem acceptabel zijn. De communicatie naar de omgeving is begin 2020 weer opgestart. In de omgevingscommunicatie wordt onderscheid gemaakt in het in gesprek gaan met omwonenden en bewoners van het gebied en in het overleg hebben met gemeente en NGO’s (bijvoorbeeld Stichting Natuur en Milieu). Door het houden van informatieavonden, doen van publicaties in lokale bladen en afleggen van individuele bezoeken worden belanghebbenden en belangstellenden in de omgeving geïnformeerd.
Daarnaast worden signalen die Nobian bereiken vanuit bestuurlijk en ambtelijke kanalen, bijvoorbeeld uit inspecties en/of de Zoutwinninggroep Twente, meegenomen in de informatievoorziening naar de omgeving. De Zoutwinninggroep Twente is een periodiek overleg tussen Nobian en betrokken ambtelijke en bestuurlijke delegaties van de gemeenten Hengelo, Enschede en Haaksbergen aangevuld met vertegenwoordigers van EZK, SodM en Provincie. Hierin worden vragen uit de omgeving of van uit gemeenteraden beantwoord en geeft Nobian inzicht in recente ontwikkelingen rondom de zoutwinning in Twente. Bewoners en omwonenden van het gebied zijn intensief betrokken geweest bij de landschappelijke inpassing van de zoutwinningslocaties en het ontwerp van het zouthuis. Dit heeft ertoe geleid dat sprake zal zijn van twee bouwwerken, twee zouthuisjes, per zoutwinningslocatie. De huisjes hebben op verzoek van de omwonenden een duidelijk agrarisch karakter gekregen. Om aan te sluiten bij de agrarische omgeving is ook besloten de zoutwinningslocaties te voorzien van een kunstgras toplaag. Hierbij is de stem van de omwonenden leidend geweest in keuzes die zijn gemaakt.
Ter voorbereiding op de behandeling van het verzoek om afgifte van de verklaring van geen bedenkingen zal Nobian een toelichting geven aan de gemeenteraad van Haaksbergen over de wijze waarop het proces van landschappelijke inpassing heeft plaatsgevonden.
23 Lit 20: Royal HaskoningDHV, Hydrologische effecten door bodemdaling, Zoutwinning Haaksbergen, 22 maart 2021.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
52
Projectgerelateerd
Op het moment dat het Ontwerpbesluit wordt gepubliceerd zal Nobian actief communiceren dat deze ter inzage ligt en dat er ruimte is voor indienen van zienswijzen. In samenwerking met EZK en de gemeente Haaksbergen zal hierover verder worden gecommuniceerd. Tabel 6-1 geeft een overzicht van de (omgevings)communicatie. Tabel 6-1: Overzicht (omgevings)communicatie Datum
Doelgroep
Actie / toelichting
Jan-feb 2020
Gemeenteraad Haaksbergen, B&W
Informatie delen over het project
Mrt 2020
Coördinator ruilverkaveling N18
Uitwisseling informatie
Mrt 2020
Ondernemersvereniging Stepelo, bedrijven
Kennismaking, informatie-uitwisseling
Mrt 2020
Bedrijf Uzin Utz (buurman pompgebouw)
Effecten op bodemdaling
Jul 2020
Gemeente Haaksbergen
Afstemming aan te vragen vergunningen
Aug 2020
Gemeente Haaksbergen
BREEAM certificering Pompgebouw
Aug 2020
Bedrijven Stepelerveld, gemeente
Uitwisseling informatie
Sep 2020
Vooroverleg EZK
Vergunningentraject
Sep 2020
Commissie Ruimte Haaksbergen
Presentatie plannen
Sep 2020
Statenleden provincie Overijssel
Toelichting project
Okt 2020
Pure Energie (energiemaatschappij)
Informatie uitwisseling
Okt 2020
Virtuele informatieavonden zoutwinning
Omwonenden, bewoners (in totaal circa 60 pers.)
Okt 2020
Keukentafelgesprekken bewoners, eigenaren, gebruikers
Nov-dec 2020
Gemeente Haaksbergen
Nadere afstemming (o.a. Welstand)
Jan-jun 2021
Keukentafelgesprekken
Bewoners, eigenaren, gebruikers
April 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties
Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect
Aug/Sep 2021
Informatie avonden zoutwinning (3x)
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
Sep 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties
Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect
Nov 2021
Gemeente Haaksbergen, raad en commissie Ruimtelijke Ordening
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
Nov 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties
Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect, afstemming landschappelijke inpassing, keuze ontwerp zouthuisjes
Dec 2021/ Jan 2022
Omwonenden (8x keukentafel gesprek)
Bewoners, landschapsarchitect, detail afstemming landschappelijke inpassing
April 2022
Informatie avonden zoutwinning (2x)
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
April/Mei
Gemeentelijke regio Hengelo/Enschede/Haaksbergen
Publicatie interview Mijnbouw directeur Nobian in lokale media over zoutwinning in Twente en maatschappelijk belang
Mei 2022
Informatiesessie t.b.v. gemeenteraad Haaksbergen
Informeren over hoe het proces van landschappelijke inpassing is gelopen en het toelichten van de relevante punten uit het MER. Dit ter ondersteuning van het VvGB besluit.
2022
Belangstellenden en belanghebbenden in regio
Inloopavonden gedurende Zienswijzeperiode
2022/2023
Omwonenden en andere belangstellenden
Regelmatige informatie-avonden en publicaties in lokale media m.b.t. voortgang van zichtbare uitvoeringsactiviteiten
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
53
Projectgerelateerd
Vanaf maart 2020 zijn de betrokken landeigenaren en gebruikers door Nobian persoonlijk geïnformeerd over de plannen, het tracé van transport- en distributieleidingen en de ligging van de beoogde zoutwinningslocaties. Tot aan de eerste lockdown (15 maart 2020) zijn ook keukentafelgesprekken gevoerd. Gesproken is met in totaal circa 25 landeigenaren en gebruikers. In de periode tussen april en december 2020 zijn in samenspraak met landeigenaren en gebruikers de tracés en zoutwinningslocaties nader vastgesteld. Door dit overleg zijn op enkele plaatsen de tracés aangepast. De landeigenaren en gebruikers zijn hierbij ook geïnformeerd over benodigde onderzoeken (zoals bodem, archeologie) en zijn om toestemming gevraagd. Op deze wijze is voor alle percelen toestemming tot het betreden van percelen verkregen. Vanaf januari 2021 vinden er keukentafelgesprekken plaats om alle werkafspraken concreet te maken en een formeel akkoord te bereiken. Dit houdt in dat: Voor gronden ter plaatse van de leidingentracés een Zakelijk Recht Overeenkomst wordt gesloten, Voor gronden ter plaatse van de zoutwinningslocaties overgegaan wordt tot aankoop van de grond. Met een groot aantal landeigenaren en gebruikers is inmiddels een formeel akkoord bereikt en vastgelegd. Vanaf april 2021 is met bewoners en landeigenaren gesproken over de gewenste aankleding van de zoutwinningslocaties.
6.6
Projectplanning
De planning is dat in begin 2024 met de ombouw van het bedrijfsgebouw tot pompgebouw en de aanleg van de transportleidingen begonnen kan worden. De start van de boringen en de aanleg van de benodigde distributieleidingen zal volgens de planning in 2024 plaatsvinden. In de loop van 2025 zijn de eerste zoutwinningslocaties dan gereed en start de productie uit het nieuwe zoutwinningsgebied. De planning van de werkzaamheden inclusief de uitvoering van de boringen is in Tabel 6-2 opgenomen. Tabel 6-2: Planning werkzaamheden
Activiteit
Verwachte start uitvoering
Ombouw bedrijfsgebouw tot pompgebouw
Q1 2024
Q3-2024
Aanleg transport- en veldleidingen
Q1 2024
Q3-2024
Aanleg zoutwinningslocaties 3-5 (incl. boringen)
Q1 2024
Q4-2024
Aanleg zoutwinningslocaties 1 & 2 (incl. boringen)
Q2-2024
Q1-2025
Aanleg zoutwinningslocaties 7,8 & 9 (incl. boringen)
Q3-2024
Q2-2025
Zoutwinning uit zoutwinningslocaties 1-5, 7, 8 en 9
2025
Ca. 2034
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
Einde uitvoering
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
54
Projectgerelateerd
7 Effectbeoordeling 7.1
Referentiesituatie en referentiejaar
In het MER wordt het voornemen beoordeeld op doelbereik en milieueffecten. Daartoe worden de (milieu)effecten van de voorgenomen activiteit vergeleken met de situatie waarin deze niet plaatsvindt. De situatie zonder het voornemen is de referentiesituatie. Deze bestaat uit de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Onder de autonome ontwikkeling wordt de situatie verstaan die in de toekomst ontstaat als een voornemen niet gerealiseerd wordt. In dit geval is de autonome ontwikkeling de situatie die ontstaat zonder uitvoering van de zoutwinning. Tot de autonome ontwikkeling behoren, behalve de huidige situatie, alle toekomstige ontwikkelingen waarover in mei 2021 reeds een besluit is genomen. De referentiesituatie wordt gekoppeld aan de planperiode van de bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan zou een looptijd van circa tien jaar moeten omvatten. De referentiesituatie wordt daarom 2030. Met het oog op de effecten van bodemdaling is verder gekeken dan 2030. In hoofdstuk 5 is aangegeven dat de bodemdaling tot 50 jaar na start van de winning is berekend.
7.2
Projectgebied en studiegebied
Het MER maakt onderscheid tussen het projectgebied en het studiegebied. Het projectgebied is het gebied waarbinnen de ontwikkelingen (zoutwinningslocaties, boringen, pompgebouw en leidingen) plaatsvinden. Het studiegebied is het gebied waar effecten kunnen optreden als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Daarmee bestaat het studiegebied uit het projectgebied en de aangrenzende gebieden waar mogelijk effecten kunnen optreden. Het studiegebied kan per milieuaspect verschillen.
7.3
Beoordelingsschaal en beoordelingskader
De voorgenomen activiteit leidt tot effecten voor het milieu. Dit zijn overigens niet persé negatieve effecten, het kan ook om positieve effecten gaan. In het MER zijn de effecten van het basisalternatief en de onderscheiden onderdelen op verschillende aspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten zijn kwalitatief dan wel kwantitatief beoordeeld met de volgende zeven punts-beoordelingsschaal: Tabel 7-1: Beoordelingsschaal Beoordelingscriterium ++
Sterk positief effect, groot van omvang en zodanig dat een overschrijding van normen wordt opgeheven
+
Positief effect vrij groot of in een kritisch gebied
0/+
Licht positief effect, relatief beperkt, tijdelijk of lokaal
0
Neutraal, geen of geen noemenswaardig effect
0/-
Licht negatief effect, relatief beperkt, tijdelijk of lokaal
-
Negatief, relatief groot effect of in een kritische periode of gebied, mitigerende maatregelen onderzoeken
--
Zeer negatief effect, zodanig dat milieueffect buiten de normen van regelgeving en beleid valt
N.v.t.
Niet van toepassing
In Tabel 7-2 is voor de voorgenomen activiteit aangegeven welke aspecten/criteria van invloed zijn en dus relevant zijn voor de beoordeling.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
55
Projectgerelateerd
Tabel 7-2: Beoordelingskader
Thema
Bodem en waterhuishouding § 7.4 en 7.5
Natuur en ecologie § 7.6
Aspect
Criterium
Duur van het effect
Effecten voor functies aan het maaiveld
Permanent
Veranderingen in functies watersysteem
Permanent
Bodemverontreiniging
Beïnvloeding kwaliteit bodem (kwalitatief)
Tijdelijk en permanent
Grond- en oppervlaktewater
Effect tijdelijke grondwaterstandsdaling
Tijdelijk
Bodembeweging
Beschermde habitats, wezenlijke kenmerken en waarden
Beïnvloeding door ruimtebeslag, vergraving, verstoring, verdroging, stikstofdepositie
Tijdelijk en permanent
Beschermde soorten
Beïnvloeding fauna en flora door ruimtebeslag, vergraving, verstoring, verdroging
Tijdelijk en permanent
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie
Aantasting cultuurhistorisch waardevolle gebieden en/of structuren, patronen en elementen
Permanent
§ 7.7
Archeologie
Aantasting archeologische monumenten, archeologisch waardevol en zeer waardevol gebied, bodemtypen
Permanent
Ruimtebeslag op landbouwgebied
Permanent*
Vergraving van landbouwgebied
Tijdelijk en permanent
Wonen
Ruimtebeslag op (toekomstige) woongebieden
Tijdelijk en permanent
Werken
Ruimtebeslag op (toekomstige) werkgebieden
Tijdelijk en permanent
Recreatie
Ruimtebeslag op recreatieve functies
Tijdelijk en permanent
§ 7.9
Emissie/ immissie fijnstof en stikstof
Overschrijding grenswaarden (kwantitatief)
Tijdelijk en permanent
Hinder
Geluid
Geluidhinder
Tijdelijk
§ 7.10
Licht
Lichthinder
Tijdelijk
Externe veiligheid
Vrijkomen aardgas
Effectgebied (risicocontour, kwantitatief)
Tijdelijk
§ 7.10
Verkeersaantrekkende werking
Verkeershinder (kwantitatief en/of kwalitatief)
Tijdelijk
Hulp- en afvalstoffen
Aard en omvang
Volgen procedures (kwantitatief en/of kwalitatief).
Tijdelijk
Lichamelijke gezondheid
Gezondheidseffect op omwonenden
Tijdelijk en permanent
Energieverbruik
Energiebesparende maatregelen
Klimaatverandering
Adaptatie en mitigatie
Landbouw Ruimte en omgeving § 7.8
Luchtkwaliteit
§ 4.12 Verkeer
7.11 Gezondheid § 7.14 Energie § 7.12 Klimaat § 7.13
Permanent
*) De aanduiding ‘permanent’ vervalt nadat de zoutwinningslocatie is geabandonneerd.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
56
Projectgerelateerd
7.4 7.5.1
Bodembeweging Methodiek
In het geval van de voorgenomen activiteit is bodembeweging synoniem met bodemdaling. Het optreden van bodemdaling heeft mogelijk gevolgen voor bebouwing, wegen en ondergrondse leidingen in het gebied (functies aan het maaiveld) en voor het functioneren van het oppervlaktewater- en grondwatersysteem. Deze aspecten worden hier achtereenvolgens behandeld.
7.5.1
Referentiesituatie
Het projectgebied is gelegen op het (lichtglooiende) Oost-Nederlandse Plateau. Op de hoogtekaart (Figuur 7-1) is zichtbaar dat het landschap van zuidoost naar noordwest helt. De hoogte varieert van circa NAP + 28,00 meter tot NAP + 18,00 meter. Op kleine schaal zijn karakteristieke hoogteverschillen aanwezig op overgangen van essen naar beekdalen en ter plaatse van zandruggen. Duidelijk zichtbaar is het natuurlijke verval tussen Haaksbergen en St. Isidorushoeve van ca. 10 meter.
Figuur 7-1: Hoogtekaart onderzoeksgebied
In Figuur 7-2 is de regionale geohydrologische situatie weergegeven, gebaseerd op gegevens uit Regis24. Het gebied is gelegen op het Oostnederlands plateau, welke in het Tertiair door inwendige krachten in de aardkorst omhoog is geduwd. Hierdoor komen relatief dicht aan de oppervlakte ondoorlatende kleien voor behorende tot de Formatie van Breda, Rupel en Dongen. Deze ondoorlatende kleien vormen de geohydrologische basis25, en bevinden zich op een diepte van circa 25 meter beneden maaiveld.
24 REGIS II.I (Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem), DINOloket TNO-NITG, 2020 25 Door de lage doorlatendheid en grote dikte van deze laag heeft eventuele grondwaterstroming beneden de geohydrologische
basis geen invloed op de stroming in de bovenliggende lagen. 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
57
Projectgerelateerd
Oost
West
Figuur 7-2: Geohydrologische doorsnede onderzoeksgebied (hoogteschaal x 100)
De ondergrond tot aan de geohydrologische basis bestaat uit drie watervoerende pakketten: de deklaag (ook wel freatisch pakket), het eerste watervoerende pakket en het tweede watervoerende pakket (wvp 2a en 2b). Plaatselijk worden de watervoerende pakketten gescheiden door slecht-doorlatende lagen. De deklaag bestaat uit een watervoerend deel, gevormd door zandige afzettingen en een slecht-doorlatend deel, gevormd door kleiige afzettingen. De afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel. Het eerste en tweede watervoerende pakket bestaat uit zandafzettingen van de Boxtel en Drenthe Formaties (Tabel 7-3). Figuur 7-2 geeft de geohydrologische opbouw schematisch weer. Uit de Grondwaterkaart van Nederland26 volgt dat het grondwater in noordwestelijke richting stroomt. Ter plaatse van het studiegebied is de stijghoogte van het grondwater circa NAP + 22,00 meter. Gezien de beperkte dikte van het watervoerende pakket, en het slechts plaatselijk voorkomen van slecht-doorlatende lagen kan worden aangenomen dat de stijghoogten van het diepere grondwater identiek zijn aan de stijghoogten van het freatische grondwater. Het grootste deel van het studiegebied fungeert regionaal gezien als infiltratiegebied. Dat wil zeggen dat het neerslagoverschot wegzijgt naar het watervoerende pakket. Lokaal treedt kwel op, zie Figuur 7-3.
De kwel treedt voornamelijk op in de natuurlijke laagtes (beekdalen) nabij de waterlopen.
26 TNO-DGV, 1973. Grondwaterkaart van Nederland, schaal 1:50.000, 28 Oost Almelo 29 Denekamp 34 Oost Enschede en
Glanerbrug. 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
58
Projectgerelateerd
Tabel 7-3: Geohydrologische schematisatie Doorlaatfactor
Weerstand
Kh [m/dag]
C [dagen]
Matig fijn, fijn zand en leem
25 - 50
n.v.t.
Boxtel
Klei
n.v.t.
100 - 200
Wvp1
Boxtel
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Slecht doorlatende laag 1
Sdl1
Boxtel
Klei
n.v.t.
1.000 – 1.500
Watervoerend pakket 2a*
Wvp2a
Boxtel
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Slecht doorlatende laag 2a
Sdl2a
Drenthe
Klei
n.v.t.
50 - 100
Watervoerend pakket 2b
Wvp2b
Drenthe
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Geohydrologische schematisatie
Code
Formatie
Lithologie
Deklaag watervoerend gedeelte*
Dkl
Boxtel
Deklaag slecht-doorlatend gedeelte*
Dkl
Watervoerend pakket 1
Geohydrologische basis * ontbreekt plaatselijk
Figuur 7-3: Kwel en infiltratie in de zomerperiode
Het onderzoeksgebied is gelegen in het stroomgebied van de Poelsbeek/ Markveldschebeek, Bolscherbeek en Hagmolenbeek/Hegebeek. De stroomgebieden voeren via de beken in noordwestelijke richting af op het Twentekanaal. Ook de grondwaterstroming is noordwestelijk gericht. De beken hebben slechts een beperkte invloed op de grondwaterstroming. Om de drainerende werking van de beken te beperken zijn op sommige plekken stuwen aangelegd. De beken hebben een beperkte basisafvoer vanuit
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
59
Projectgerelateerd
het grondwater en vallen slechts deels droog in de zomer. De Bolscherbeek is permanent watervoerend. Het gebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied27.
7.5.2
Effectbeschrijving (van toepassing op Productiefase en Nazorgfase)
Berekende bodemdaling bij zoutwinning In deze effectbeschrijving wordt uitgegaan van de meest conservatieve variant, Variant 2-B (zie bijlage 6). Door de zoutwinning zal binnen het bestaande verval van 10 meter een kom ontstaan ten noordwesten van Haaksbergen. De verwachtte daling na 20 en 50 jaar is met modellen berekend (zie hoofdstuk 4 en bijlage 6). In Figuur 7-4 en Figuur 7-5 zijn de te verwachten dalingen weergegeven op het modelraster van het grondwatermodel (100 m bij 100 m). In het centrum van het winningsgebied bedraagt de berekende bodemdaling maximaal circa 17 cm na 20 jaar en circa 34 cm na 50 jaar. De effecten beperken zich tot het Nederlands grondgebied.
Figuur 7-4: Verwachte bodemdaling na 20 jaar, 12 cavernes van 2,1 miljoen m3, conservatieve variant 2-B uit bijl. 6.
27
Provincie Overijssel, september 2020, (Ontwerp actualisatie) Omgevingsverordening
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
60
Projectgerelateerd
Figuur 7-5: Verwachte bodemdaling na 50 jaar, 12 cavernes van 2,1 miljoen m3, conservatieve variant 2-B uit bijl. 6.
Toetsing aan Variant 2-B: 12 cavernes van 2,1 miljoen m3 Het project van Nobian behelst het aanleggen van 8 cavernes met elk een volume van maximaal 1 miljoen kubieke meter. Bij het bepalen van de gevolgen van bodemdaling door zoutwinning, is uitgegaan van variant 2-B, waarin de meest conservatie convergentiesnelheden (zie bijlage 6) zijn gehanteerd. Variant 2-B is om die reden gebruikt voor het toetsen van effecten op bebouwing, wegen en ondergrondse leidingen en voor het toetsen van de gevolgen op de waterhuishouding (het oppervlaktewater- en grondwatersystemen), zie Tabel 7-4. Deze Variant 2-B omvat een bredere ontwikkeling (12 cavernes van gemiddeld 2,1 miljoen m3) dan het basisalternatief (12 cavernes van elk 1 miljoen m3) en de feitelijke projectomvang (8 cavernes van elk 1 miljoen m3). Als uit de toets blijkt dat de effecten van Variant 2-B acceptabel en veilig zijn, dan is het basisalternatief en het feitelijke project van 8 cavernes ook altijd veilig. Tabel 7-4: Uitgangspunten en kenmerken Variant 2-B.
Variant
Variant 2-B
Omvang van ontwikkeling
12 cavernes
Richting van ontwikkeling
Vanaf Haaksbergen richting St. Isidorushoeve
Veldconfiguratie
Hexagonaal met 4 buren
Omschrijving
Conservatief
Diameter cavernes
125 m diameter
Pijlerbreedte tussen cavernes
175 m
Convergentiesnelheid productiefase (% /jaar)
0,252
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
61
Projectgerelateerd
Variant
Variant 2-B
Afsluiting na winning
Ja
Convergentiesnelheid nazorgfase (% /jaar)
0,05
Bodemdaling in centrum van kom na 20 jaar (m)
0,17
Bodemdaling in centrum van kom na 50 jaar (m)
0,34
Functies aan het maaiveld – bodemvervorming getoetst aan Variant 2-B Met het oog op schade aan gebouwen als gevolg van grondverplaatsingen (door bodemdaling) is de berekende maximale relatieve rotatie (β in onderstaande Figuur 7-6) van 2.10-4 ofwel circa 1:5000 (1 centimeter op 50 meter)28. Dit is ruim lager dan alle grenswaarden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de kans op schade aan bebouwing als gevolg van de zoutwinning zeer klein is. Figuur 7-6: Scheefstand (α) en relatieve kromming (β).
Voor wat betreft de vervorming van kabels en leidingen wordt geconcludeerd dat de berekende waarden ruimschoots liggen onder de zogenaamde toelaatbare voeg-rotaties. Bij de geprognosticeerde horizontale rek zal geen pull-out (uitrekking) ter plaatse van voegovergangen kunnen optreden. Schade bij huisaansluitingen zal niet optreden omdat de woningen evenveel zakken als de leidingen. Eisen voor afschot van rioleringen ligt in de orde van 1:200 tot 1:1000 afhankelijk van het fundatietype. De berekende maximale scheefstand bedraagt circa 1:2000, wat substantieel kleiner is dan de eisen voor afschot. De zoutwinning zal de werking van riolering daarom niet nadelig beïnvloeden. Ter plaatse van de provinciale wegen bedraagt de grootste zakking maximaal 400 mm. De zakkingstrog verloopt geleidelijk over een lengte van circa 1 km naar een zakking kleiner dan 10 mm. Deze hellingen ten gevolge van de bodemvervorming zijn vergelijkbaar met of kleiner dan de natuurlijke niveauverschillen in het gebied. De zettingen hebben naar verwachting geen invloed op het beheer van de wegen. Variant 2-B scoort neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Met deze uitkomst is ook duidelijk dat het feitelijke project met 8 cavernes van 1 miljoen kubieke meter neutraal scoort.
Functioneren van het watersysteem - getoetst aan Variant 2-B De hydrologische effecten van de bodemdaling zijn bepaald met behulp van een grondwatermodel van Waterschap Vechtstromen (waarin Waterschap Regge en Dinkel in is opgegaan). In deze studie29 zijn de hydrologische effecten en de afgeleide effecten bepaald voor de worst case bodemdalingsvariant voor zowel de situatie na 20 jaar als na 50 jaar ten opzichte van de huidige situatie (referentiesituatie). Het grondwatermodel is gecontroleerd met behulp van peilbuismetingen. Van alle beschikbare peilbuizen zijn de metingen opgevraagd bij het DINO-loket (www.dinoloket.nl) voor de periode 2001-2010. Voor de situatie na 20 jaar wordt geconcludeerd dat de effecten op de GLG30 gering zijn (maximaal 0,1 meter) en positief voor de landbouw. De effecten op de GHG31 zijn gering (maximaal 0,06 meter) en leiden op enkele locaties tot een toename van de landbouwschade van 5% á 10%. Er is geen effect te verwachten voor de bebouwing in het gebied. Er is geen risico op zetting. De basisafvoer neemt in een aantal beken toe, maximaal 55 m3/dag. Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, zal een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen leiden. Door de
28 Lit 19: Royal HaskoningDHV, oktober 2020, Effecten van bodemvervorming door zoutwinning. 29 Lit 20: Royal HaskoningDHV, 22 maart 2021, Rapport Hydrologische effecten bodemdaling zoutwinning Haaksbergen. 30 31
Gemiddeld laagste grondwaterstand Gemiddeld hoogste grondwaterstand
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
62
Projectgerelateerd
afname van het verhang met circa 0,015% over een traject van 1200 meter in het stroomafwaarts gelegen deel binnen het bodemdalingsgebied, zal het peil tijdens hoogwatersituaties toenemen en kan er vaker overstroming optreden. Een hoger beekpeil tijdens hoogwater leidt na 50 jaar niet tot meer overlast voor bebouwing. Na 20 jaar is dat zeker niet het geval. Voor de situatie na 50 jaar zijn de effecten op de GLG in de ordegrootte van maximaal 0,25 meter en positief voor de landbouw. De effecten op de GHG zijn gering (maximaal 0,15 meter) en leiden op enkele percelen tot een toename van de landbouwschade van 5% à 15%. Op een enkele plaats is mogelijk een toename van wateroverlast te verwachten. Er is geen risico op zetting. De basisafvoer neemt in een aantal beken toe, maximaal 145 m3/dag. Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, zal een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen leiden. Door de afname van het verhang met circa 0,03% over een traject van 1500 meter in het stroomafwaarts gelegen deel binnen het bodemdalingsgebied zal het peil tijdens hoogwater toenemen. Dat kan leiden tot meer en grotere inundatiezones. Enerzijds is inundatie ongewenst: er is risico voor te laag gelegen bebouwing. Anderzijds is inundatie tijdens hoogwater gewenst om de afvoerpieken stroomafwaarts te verkleinen.
Een hoger beekpeil tijdens hoogwater leidt na 50 jaar niet tot meer overlast voor bebouwing. Ook klimaatverandering zal leiden tot een verandering van de GLG en GHG. Doordat het warmer wordt treedt er meer verdamping op in de zomer (bij klimaatscenario Wh voor 2050). Er zal echter ook meer neerslag vallen met grotere piekbuien, zowel in de zomer als in de winter. Met het landelijk model van Deltares (LHN) zijn berekeningen uitgevoerd die het effect op de GXG32 bepalen. De resultaten zijn gepubliceerd in de klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl). De resultaten zijn onzeker, maar geven wel een indicatie van wat er te verwachten is. Met betrekking tot het projectgebied is voornamelijk de te verwachten verandering van de GHG van belang. De verlaging van de GLG wordt juist gecompenseerd door de verhoging van de GLG ten gevolge van de bodemdaling. De te verwachten verhoging van de GHG treedt op in het gebied dat door de bodemdaling wordt beïnvloed en is kleiner dan 10 cm. Dit betekent dat het effect van de bodemdaling en de klimaatverandering op de grondwaterstand vrijwel onafhankelijk van elkaar zijn. De verhoging van de GHG door klimaatverandering leidt er wel toe dat de basisafvoer van de beken in de winter toeneemt. De klimaatverandering leidt ook tot een toename van de intensiteit van buien waardoor de piekafvoer in de beken toeneemt.
De verwachte verlaging van de GLG door klimaatverandering wordt gecompenseerd door de verhoging van de GLG ten gevolge van de bodemdaling. In de zomer (GLGsituatie) zal de basisafvoer ten gevolge van de bodemdaling toenemen. De beken zullen daardoor minder snel droogvallen. Bij het uitwerken van plannen voor de herinrichting van de Bolscherbeek is een modelstudie uitgevoerd door HKV (PR2279.20, maart 2012), waarbij de effecten tijdens hoogwater zijn beschouwd. Van de door HKV berekende maatgevende situaties is één situatie voor dit MER nader berekend. Om de effecten van de bodemdaling te onderzoeken zijn berekeningen uitgevoerd met het Sobek oppervlaktewater-model (beschikbaar gesteld door het Waterschap). Met het Waterschap is afgesproken het 50 jaars-bodemdalingseffect op het beekpeil te bepalen bij heringerichte beek. Figuur 7-7 geeft het effect op het beekpeil weer ten gevolge van de bodemdaling na 50 jaar in een T100 situatie (een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar voorkomt) ten opzichte van de situatie na herinrichting van de beek. Een relatieve stijging van het peil is aangegeven met een blauwe band op de waterlopen. Bij de groene trajecten daalt het waterpeil meer dan de bodem. De berekende stijging van het peil bedraagt maximaal circa 0,15 meter in de zone met de grootste bodemdaling.
Net zuidelijk van de rode pijl in Figuur 7-7 is de berekende stijging tussen de 0,05 en 0,1 meter. Ten noorden van de rode pijl is de stijging kleiner dan 0,05 meter.
32
Afkorting die staat voor GLG, GHG en de gemiddelde voorjaars grondwaterstand (GVG).
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
63
Projectgerelateerd
Met het berekende peil zijn vervolgens de inundatiezones bepaald die eens in de 100 jaar kunnen ontstaan, voor zowel referentiesituatie (op basis van het aangeleverde peil door HKV) als voor de situatie na 50 jaar bodemdaling (Figuur 7-8).
Figuur 7-7: Berekende effect op het beekpeil t.g.v. bodemdaling na 50 jaar.
Figuur 7-8: Berekende inundatiezones.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
64
Projectgerelateerd
Figuur 7-9: Verloop maaiveldhoogte en bebouwing in huidige situatie, in stappen van 0,4 meter.
Onderzocht is wat de te verwachten gevolgen van een peilstijging zijn rond de berekende inundatiezones bij toepassing van het Toetsingsscenario. In Figuur 7-9 is het verloop van het maaiveld weergegeven met de bebouwing. Achter de noordelijke stuw in Figuur 7-9 wordt inundatie berekend. Daar wordt een geringe peilstijging berekend door de bodemdaling. In de referentiesituatie wordt de bebouwing bij (2) deels ingesloten door de inundatie. Ten gevolge van de bodemdaling is bij slechts enkele modelvlakken (5 x 5 meter) extra inundatie berekend. De bebouwing bij (3) ligt net op de grens van het inundatiegebied en er ontstaat geen extra risico op wateroverlast ten gevolge van de bodemdaling. Direct benedenstrooms van de stuw is geen inundatie berekend, ook niet na bodemdaling. Hier neemt het risico voor de bebouwing bij (1) niet toe. De percelen ten noorden en ten zuiden van de bebouwing bij (4) inunderen in de referentiesituatie. Het inundatiegebied krijgt een iets grotere omvang door de bodemdaling. De bebouwing bij (4), (5) en (6) ligt echter relatief hoog, zodat er geen extra risico ontstaat door wateroverlast. Tussen (5) en (6) ligt een smalle diep gelegen inundatiezone. Vanaf hier naar het zuiden wordt de grootste peilstijging berekend ten gevolge van de bodemdaling (0,1 – 0,15 meter).
Doordat de inundatiezone diep ligt, heeft de peilstijging slechts geringe invloed op de grootte van de zone. Zuidelijker, bij (8), is de beek relatief diep ingesneden. Er is geen inundatie berekend, ook niet na bodemdaling. Samenvattend wordt gesteld dat ten noorden van de rode pijl een geringe verhoging van het beekpeil wordt berekend door bodemdaling. De grootte van de inundatiezones neemt hier iets toe. Er is geen extra risico voor de bebouwing. Door bodemdaling is het zuidelijk van de rode pijl berekende beekpeil hoger dan in de referentiesituatie. Door het verloop van het maaiveld kunnen de inundatiezones hier echter niet veel groter worden. De gebouwen liggen relatief hoog, zodat er geen risico op wateroverlast ontstaat ten gevolge van de bodemdaling. De variant 2-B scoort licht negatief (0/-) ten opzichte van de 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
65
Projectgerelateerd
referentiesituatie. Hiermee is duidelijk dat het feitelijk project met 8 cavernes van 1 miljoen m3 altijd beter scoort dan licht negatief. Mogelijk toe te passen mitigerende maatregelen zijn in par. 7.5.4 beschreven.
7.5.3
Effectbeoordeling (van toepassing op Productiefase en Nazorgfase)
In hoofdstuk 7.4.3 zijn de effecten van de bodembeweging, die zich bij zoutwinning uitsluitend uit in bodemdaling, getoetst aan de conservatieve Variant 2-B (12 cavernes van elk 2,1 miljoen m3). Hiermee wordt bereikt dat werkelijke effecten altijd substantieel kleiner zullen zijn dan de berekende effecten. Beoordeling van de effecten aan de hand van het toetsingsscenario leiden tot de volgende effectscores voor het thema bodembeweging: Tabel 7-5: Effectbeoordeling bodemdaling Criterium
Duur effect
Variant B
Effecten voor functies aan het maaiveld
Permanent
0
Veranderingen in functies watersysteem
Permanent
0/-
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
7.5.4
Mitigerende en/of compenserende maatregelen
Effecten op grondwaterstand (GHG) en daarmee nadelige effecten voor de landbouw en op de bebouwing kunnen, indien nodig, eenvoudig hydrologisch worden gecompenseerd door een stuwpeil te verlagen, door lokaal de kavelsloten te verdiepen of door lokaal op de percelen de drainage te intensiveren. Dit zal wel leiden tot een wat hogere basisafvoer in de beken. Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, leidt een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen.
7.5 7.5.5
Water en bodem Methodiek
Ingegaan wordt op de effecten van tijdelijke grondwaterstandsverlagingen op het grondwaterpeil. Daarnaast worden effecten beschouwd die kunnen leiden tot een kwaliteitsverandering van grond en grondwater. Het effect van de uitvoering van boringen bij de boorlocaties en de aanleg van de transportleidingen en distributieleidingen wordt getoetst.
7.5.6
Referentiesituatie
In Figuur 7-10 zijn de leidingen en zoutwinningslocaties geprojecteerd op de bodemkaart waarop de verspreiding van bodemtypen is weergegeven. De bodem bestaat vooral uit zandgronden. De zandgronden bestaan afwisselend uit: Veldpodzolgronden; Beekeerdgronden; Gooreerdgronden; Hoge zwarte enkeerdgronden. De beekeerdgronden en gooreerdgronden liggen overwegend in doorlopende laagten zoals beekdalen. Het zijn zwak tot sterk lemige gronden met een dun tot matig humeus dek. Verspreid op hogere gronden, ter plaatse van de eerdgronden, zijn door plaggenbemesting de (enk)eerdgronden gevormd. De veldpodzolgronden worden voornamelijk aangetroffen in jonge ontginningsgebieden en heidevelden. De aangetroffen gronden zijn nauwelijks gevoelig voor zettingen.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
66
Projectgerelateerd
Figuur 7-10: Leidingen en zoutwinningslocaties op bodemkaart (ontleend aan ADC Archeoprojecten).
Uit de database van het Dinoloket33 zijn peilbuismetingen opgevraagd om inzicht te krijgen in de grondwaterstanden en stijghoogten in het studiegebied (zie Figuur 7-11). Op twee na bevatten de peilbuizen meerdere filtertrajecten. Het stijghoogteverschil tussen de diepere en ondiepe filters duidt op de aanwezigheid van weerstandbiedende lagen in de ondergrond. Gezien het beperkte stijghoogteverschil gaat het om (plaatselijke) slecht ontwikkelde lagen.
33 Grondwater meetreeksen uit het archief van TNO Bouw en ondergrond via Dinoloket.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
67
Projectgerelateerd
Figuur 7-11: Locatie van de peilbuizen (Dinoloket, 2020)
In Tabel 7-6 is de indeling van grondwatertrappen weergegeven. De grondwatertrappen geven een indicatie voor de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De GHG en GLG zijn tot klassen gecombineerd, van VII (zeer droog) naar I (zeer nat). Grofweg kan op basis van de grondwatertrappen de volgende driedeling worden gemaakt; droge-, natte- en vochtige gebieden. Tabel 7-6 geeft de driedeling weer. Tabel 7-6: Indeling van de grondwatertrappen Grondwaterstand (cm-mv)
Grondwatertrap I
II1
III
IV1
V1
VI
VII2
GHG
<20
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
(>160)
Benaming ecotopensysteem
nat
nat
nat/vochtig
vochtig
vochtig/droog
droog
droog
1) een * achter deze Gt code betekent ‘droger deel’, GHG tussen 25 en 40 cm-mv. 2) een * achter deze Gt code betekent ‘zeer droog deel’, GHG dieper dan 140 cm-mv.
Gronden met een grondwatertrap I of II staan in de winter zo goed als blank; in de zomer is ook trap I slecht begaanbaar. Gronden met een grondwatertrap III of V zijn in de winter nat, maar zijn in de zomer droog tot zeer droog. Watertrap IV biedt een goed gemiddelde: niet al te nat in de winter, en niet al te droog in de zomer. Gronden met een grondwatertrap VI of VII kunnen als (zeer) droog worden beschouwd. In het studiegebied worden alle grondwatertrappen aangetroffen, uitgezonderd grondwatertrap I en IV. In de natuurlijke beekdalgronden wordt vooral grondwatertrap III aangetroffen. Op de hogere gelegen dekzandruggen worden de drogere grondwatertrappen aangetroffen (V* en VII).
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
68
Projectgerelateerd
7.5.7
Effectbeschrijving (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)
Tijdelijke grondwaterstandsdalingen (Aanlegfase) In de aanlegfase worden de transportleidingen tussen pompgebouw en zoutfabriek gelegd en worden de distributieleidingen tussen de zoutwinningslocaties en het pompgebouw aangebracht. Hierbij is open bemaling aan de orde, waar nodig ondersteund door een bemaling met verticale filters. De bemaling wordt toegepast om tijdelijk een grondwaterstandsdaling te bereiken tot circa 2,2 m-mv. Het toestromende water bestaat uit grondwater en (mogelijk) hemelwater. De tijdelijke verlaging ten opzichte van de GHG is circa 1,7 m. De verlaging wordt met toenemende afstand tot de onttrekkingsput snel kleiner. Indien de bemaling wordt gestopt zal de oorspronkelijke freatische grondwaterstand en stijghoogte afhankelijk van de situatie van bodem en grondwater ter plaatse zich binnen enkele dagen herstellen. Grote en langdurige grondwaterstands- of stijghoogteverlagingen zijn niet voorzien. De bemalingen langs de tracés van transportleidingen en distributieleidingen vinden, waar nodig, kortdurend plaats in partities in een lengte tot 100 meter. De totale duur van de aanleg van de transportleidingen bedraagt naar verwachting circa 7 maanden. Met het oog op de grondwaterstand en de hoogte van het te doorkruisen gebied wordt onderscheid gemaakt tussen een noordelijke en een zuidelijke sectie van de transportleidingen (Figuur 7-12).
De zuidelijke sectie omvat naast de transportleidingen ook de distributieleidingen. Gelet op de feitelijk noodzakelijke verlaging, de uitvoeringsduur en de uitvoeringswijze is de invloed op het freatische grondwater beperkt. De verlagingen zijn berekend voor de GHG en voor de GLG. Voor de noordelijke sectie van de transportleiding is de invloedsfeer van de bemaling (bemalingscontour van 0,05 m.), uitgaande van de GHG, berekend op 50 m34, en uitgaande van de GLG, 40 m.
34
Lit 23: Stantec, Bemalingsadvies Haaksbergen, 2020
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
69
Projectgerelateerd
Voor de zuidelijke sectie is een invloedsfeer van 120 meter berekend voor de GHG (bemalingscontour van 0,05 m.) en 80 m. voor de GLG. Om de effecten van (relatief korte perioden van) grondwaterstandsdaling beperkt te houden wordt er de voorkeur aan gegeven om de aanleg niet in het groeiseizoen uit te voeren. De bemalingen langs het tracé van de distributieleidingen vinden gedurende circa twee maanden plaats. Gelet op de feitelijk noodzakelijke verlaging, de uitvoeringsduur en de uitvoeringswijze is de invloed op het freatische grondwater zeer beperkt. Voor de uitvoering van de bemaling wordt vergunning aangevraagd bij het waterschap. Het effect van de aanleg van de leidingen scoort licht negatief (0/-) ten opzichte van de referentiesituatie.
Figuur 7-12: Opdeling transportleiding in noordelijke en zuidelijke sectie.
Berging en infiltratie van hemelwater (Productiefase) Iedere zoutwinningslocatie wordt voorzien van een verharding over een oppervlakte van circa 2.400 m2. Met het oog op het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets uitgevoerd. Daarin is bepaald dat een infiltratievoorziening nodig is, zodat het grondwater op peil blijft. Met de watertoets is per zoutwinningslocatie vastgesteld wat de dimensies van zo’n bergings- en infiltratievoorziening moeten zijn. In een overleg heeft het Waterschap aangegeven dat het creëren van extra oppervlaktewater (bijvoorbeeld een kavelsloot) ook als compensatie wordt gezien. Ter plaatse van de zoutwinningslocaties geldt voor de waterberging een compensatieopgave van 55 mm per m2 verhard oppervlak en ter plaatse van het pompgebouw 40 mm per m2 verhard oppervlak. De compensatieopgave bij het valvestation (toegelicht in par. 5.3) en het ketenpark bedraagt waarschijnlijk tussen de 40 en 55 mm per m2 verhard oppervlak. Per zoutwinningslocatie wordt een berging van ruim 130 m3 aangelegd. Hiertoe wordt naast het verharde oppervlak een ondergronds waterberging gegraven waarin regenwater wordt opgevangen en vastgehouden en dat (met een zogenaamd aquaflowsysteem) vertraagd in de bodem infiltreert. De aanleg van verharde toegangspaden naar enkele zoutwinningslocaties wordt door het graven van een sloot naast het pad gecompenseerd.
Bij het pompgebouw wordt de compensatie bereikt door een combinatie van een ondergrondse waterberging en wadi’s met een gezamenlijk volume van 117 m3. Het Waterschap wordt gevraagd om instemming. De wijze van compensatie bij het valvestation en het ketenpark moet nog worden bepaald.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
70
Projectgerelateerd
Door het aanbrengen van waterberging is het effect van de maatregelen neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Bodemkwaliteit Voorafgaand aan en na afloop van de winningsactiviteiten wordt bij iedere boorlocatie (boorlocatie, opslag en bouwketen) een bodemonderzoek uitgevoerd. Op deze wijze kan vastgesteld worden of de boor- en/of winningsactiviteiten hebben geleid tot aantasting van de grond(water)kwaliteit. De te gebruiken stoffen bij het boren en de pekelproductie zullen deel uitmaken van het analysepakket. Dit zijn REACH35 geregistreerde stoffen. Ook ter plaatse van het pompgebouw (bedrijventerrein Stepelerveld, Haaksbergen) wordt de bodemkwaliteit vastgesteld. Voor de aanleg van leidingen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie par. 7.7). Door de boorlocatie te voorzien van een vloeistofdichte of -kerende verharding, in combinatie met een opvangvoorziening, wordt voorkomen dat tijdens de boorwerkzaamheden verontreinigende vloeistoffen in grond- en oppervlaktewater terecht komen. Er moet voldaan worden aan de eisen die gesteld worden in het BARMM36 dan wel het Activiteitenbesluit. Het opgevangen water wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Bij normale bedrijfsvoering treden geen emissies naar water en bodem op.
Tijdens het boren wordt contact met watervoerende lagen voorkomen door het boorgat te bekleden met stalen bekledingsbuizen (casing) en de ruimte tussen de grondlagen en de bekledingsbuizen met cement op te vullen. Het effect van de maatregelen scoort neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie.
7.5.8
Effectbeoordeling (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)
De resultaten leiden tot de volgende effectscores voor het thema ‘Water en bodem’: Tabel 7-7: Effectbeoordeling water en bodem Criterium
Duur effect
12 boorlocaties
Transportleidingen Distributieleidingen
Tijdelijke grondwaterstandsdaling in aanlegfase
Tijdelijk
0
Verandering grondwaterpeil in productiefase
Tijdelijk
0
0/-
Verandering grond- en Permanent 0 0 grondwaterkwaliteit Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
7.5.9
Mitigerende en/of compenserende maatregelen
Door de kortdurende bemalingen buiten het groeiseizoen uit te voeren wordt het effect van de grondwaterstandsdaling beperkt. Er zijn daarnaast geen extra mitigerende en/of compenserende maatregelen aan de orde. De grondwaterstanden zijn vergelijkbaar met grondwaterstanden in de referentiesituatie. Er is geen sprake van kwaliteitsveranderingen en/of significante veranderingen in het freatisch (grond)watersysteem ten gevolge van booractiviteiten en bemalingen voor leidingen.
35
REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen. Deze verordening geldt voor alle landen van de Europese Unie en regelt het gebruik van stoffen. 36 Besluit algemene regels milieu mijnbouw. 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
71
Projectgerelateerd
7.6 7.5.10
Natuur Methodiek
Ingegaan wordt op de beïnvloeding van de zoutwinning op beschermde gebieden en beschermde soorten. Het projectgebied omvat de zoutwinningslocaties, de distributieleidingen en het tracé voor de transportleidingen ( ). Om na te gaan wat het belang van het projectgebied is voor beschermde soorten is het volgende stappenplan gevolgd: Stap 1: Uitvoering bureauonderzoek. Hierbij is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie zoals: o De Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), o Landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen (deels gedateerd) om na te gaan of in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. o De flora- en faunadatabase van Eelerwoude (op basis van eigen onderzoeken in de omgeving). Stap 2: Terreinbezoek waarbij de geschiktheid van het projectgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen is beoordeeld. Om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde dieren en planten is een veldbezoek uitgevoerd op 5 februari 2020. Stap 3. Vaststelling van de effecten. Om vast te stellen of het project effect heeft op beschermde flora en fauna, is een beknopte analyse gemaakt van het project in relatie tot de habitateisen van de doelsoorten uit het gebied. Stap 4. Beschrijving van de effecten op beschermde soorten.
Door de resultaten van stap 1 en stap 2 te koppelen zijn de effecten van het voorgestelde project op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk gemaakt. Stap 5: Er is bepaald of er conflicten met de vigerende natuurwetgeving optreden. Hierbij is rekening gehouden met de onder de Wet natuurbescherming vastgestelde criteria voor onder andere de gunstige staat van instandhouding van de soort, eventuele alternatieven en bij wet genoemde belangen. Indien nodig - om zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van beschermde soorten om zodoende een volledige effectinschatting te kunnen maken - wordt aanvullend onderzoek aanbevolen.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
72
Projectgerelateerd
Figuur 7-13: Het onderzoeksgebied.
Getoetst wordt de komst van de zoutwinningslocaties, het tracé van de distributieleidingen en transportleidingen en de bouw van het pompgebouw. De volledige beschrijving is opgenomen in de uitgevoerde Flora en Fauna scan37 (lit. 7).
7.5.11
Referentiesituatie Het gebied tussen Sint Isidorushoeve en de westzijde van de N739 wordt gekenmerkt door een vrij kleinschalig landschap met landbouwgrond, afgewisseld met landschapselementen, waaronder houtwallen en singels. De Bolscherbeek stroomt hier door het gebied. Deze beek is ter hoogte van de aanwezige rioolwaterzuiveringsinstallatie vispasseerbaar gemaakt Figuur 7-14.
Figuur 7-14: Vispassage Bolscherbeek.
De N18 doorkruist het toekomstige transportleidingentracé op deze locatie. Het gebied tussen Haaksbergen en Beckum, gelegen ten noorden van de N18 en ten oosten van de N739, wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen vrij open en meer gesloten landschappen. Naast de gronden die in landbouwkundig gebruik zijn, zijn op deze locatie ook een aantal boselementen aanwezig variërend in soortrijkdom en ouderdom.
37
Lit 7: 7. Eelerwoude, Toetsing flora en fauna en NNN Leidingtracé Haaksbergen, 200026, 6 mei 2021.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
73
Projectgerelateerd
De hoogste natuurwaarden op deze locatie bestaan echter uit een aantal geïsoleerde heideterreintjes en vennetjes. Hier wordt de vegetatie gedomineerd door struikheide op de drogere delen en dopheide op de nattere delen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ten noorden van Haaksbergen bevindt zich het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ter plaatse van het distributieleidingentracé en de zoutwinningslocaties is geen sprake van NNN-gebied. Het tracé van de transportleidingen gaat voor een klein deel door NNN-gebied en door de zone ondernemen met natuur en water (zie Figuur 7-15). Het NNN verbindt bos, heide en bloemrijk grasland. De natuurbeheertypen bestaan voornamelijk uit dennen/eiken/beukenbos, droog productiebos, botanisch waardevol grasland, heide en nog om te vormen landbouwgronden. Figuur 7-15: Ligging van transportleidingen door NNN (groen). Transportleidingen (rood), zone ondernemen met natuur en water buiten NNN (geblokt).
Houtopstanden Voor de aanleg worden binnen het projectgebied ca. 20 bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Hiervoor wordt een kapmelding gedaan. Dit leidt tot een veelal tot een herplantplicht, tenzij sprake is van natuurlijke verjonging. Deze zogenaamde herbebossing dient op een bosbouwkundig verantwoorde wijze te worden uitgevoerd.
Beschermde plantensoorten Het projectgebied wordt gekenmerkt door agrarisch land (maïsakkers en weiland) afgewisseld met bebouwing en bosschages. Veel wegen en percelen zijn omgeven door bomensingels of houtwallen. Deze bosschages, singels en houtwallen bepalen voor een belangrijk deel de natuurwaarden in het gebied. De natuurwaarde van de maïsvelden is nihil. De aangetroffen flora in de aanwezige boselementen is divers. Op locaties waar in het verleden heideterreintjes gelegen hebben (onder meer ter hoogte van de boselementen tussen Haaksbergen en Beckum, is op de nattere delen voornamelijk pijpenstrootje aanwezig.
Figuur 7-16: Bosschage langs perceel
Plaatselijk heeft ook enige verrijking plaatsgevonden als gevolg van stikstofdepositie. Op deze locaties is ook gewone braam aanwezig. De vegetatie van het NNN-perceel ter plaatse van het transportleidingentracé is vermoedelijk een voormalig landbouwperceel dat uit productie is genomen. Tijdens het veldbezoek zijn op het perceel onder meer scherpe boterbloem, pitrus en gestreepte witbol vastgesteld. 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
74
Projectgerelateerd
Goed ontwikkelde vegetaties zijn aanwezig buiten de (werk)grenzen van het projectgebied en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het projectgebied is het niet waarschijnlijk dat daarbinnen beschermde plantensoorten voorkomen. Beschermde zoogdieren: De bomensingels worden vrijwel zeker gebruikt als vlieg- of foerageerroute door vleermuizen. In het projectgebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook franjestaart en baardvleermuis. Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Door het ontbreken van gebouwen kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten worden uitgesloten. Potentieel geschikte verblijfplaatsen zijn wel in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig, onder meer op aangrenzende erven. Er zijn op enige afstand van het projectgebied boselementen met oude bomen aanwezig, die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen bomen geen zichtbare holtes, of loshangende schors aangetroffen welke door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden.
Overige beschermde zoogdieren: Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder meer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het projectgebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het gebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied en als migratieroute. Daarnaast kunnen eekhoorn, steenmarter, kleine marterachtigen, egel en mogelijk das en boommarter voorkomen. Overige zwaarder beschermde soorten waaronder otter en bever kunnen op basis van bekende verspreiding en de ongeschiktheid van het gebied voor deze soorten worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Het projectgebied maakt derhalve naar verwachting (voor een klein deel) onderdeel uit het leefgebied van deze soorten. Effecten op egel, bunzing, hermelijn en wezel worden niet verwacht door: het ontbreken van dekking op het merendeel van de locaties; de relatief grote hoeveelheid verstoring op de betreffende locaties door de ligging langs wegen in combinatie met de grote hoeveelheid geschiktere delen in de omgeving; op plekken waar wel enige vorm van dekking aanwezig was zijn geen geschikte voortplantings- of rustplaatsen (takkenrillen, holten etc.) van deze soorten aangetroffen.
Broedvogels: De bosschages, singels en houtwallen worden zeker gebruikt door verschillende broedvogels (bijvoorbeeld merel, koolmees, pimpelmees, vink, houtduif, groene specht, buizerd, gaai). De weilanden en boerderijen worden gebruikt door soorten als witte kwikstaart en boerenzwaluw. Er bevinden zich jaarrond beschermde nesten in het gebied (onder meer grote bonte specht, kleine bonte specht, boomklever en boomkruiper). Op basis van het aanwezige biotoop kunnen in het gebied en de ruimere omgeving verschillende soorten voorkomen waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd is (buizerd, sperwer, havik, steenuil, kerkuil en mogelijk wespendief, ransuil en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen beplanting of beplanting grenzend aan het tracé geen potentiele verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen. Aangenomen wordt dat het onderzoeksgebied onderdeel uit maakt van het foerageergebied van deze soorten. Reptielen: In de ruimere omgeving van het gebied bevindt zich geschikt leefgebied voor reptielen op verschillende heideterreinen. Gelet op het huidige grondgebruik is het projectgebied ongeschikt als leefgebied voor reptielen. Amfibiën: Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het gebied gebruiken als landbiotoop.
Daarnaast is in het NNN begrensde gebied een poel aanwezig, dat door deze soorten gebruikt kan worden als voortplantingsbiotoop. De NDFF vermeldt het voorkomen van de heikikker, op enkele honderden meters van het projectgebied. Het gebied waarbinnen gewerkt gaat worden kan als ongeschikt leefgebied voor de soort worden beschouwd. Overige beschermde soorten waaronder kamsalamander en boomkikker kunnen op basis van bekende verspreiding worden uitgesloten in het projectgebied.
1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
75
Projectgerelateerd
Vissen: Binnen het projectgebied zijn slechts beperkt watervoerende elementen aanwezig. De Bolscherbeek en de Hagmolenbeek maken onderdeel uit van het gebied. Hierin komen naar verwachting een aantal algemene soorten voor waaronder driedoornige stekelbaars, blankvoorn, ruisvoorn, zeelt, snoek en baars. Het is niet waarschijnlijk dat de paling voorkomt. Voor overige beschermde soorten ligt het projectgebied buiten bekend verspreidingsgebied. Ongewervelden: Rondom het projectgebied is het voorkomen bekend van de grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder (NDFF, ecogrid & eigen bevindingen). Binnen het projectgebied ontbreekt geschikt biotoop voor de soort. Ook voor andere beschermde soorten ongewervelden ontbreekt geschikt biotoop en ligt het gebied buiten bekend verspreidingsgebied.
Natura 2000 In de omgeving van het projectgebied ligt het Natura2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen (Figuur 7-17). Overige Natura2000 gebieden liggen op grotere afstand dan het hier afgebeelde.
Figuur 7-17: Ligging van het projectgebied nabij Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen.
7.5.12
Effectbeschrijving (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)
Effecten op natuurwaarden ter plaatse van zoutwinningslocaties en distributieleidingen Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden kunnen optreden tijdens de verschillende fasen van het project. Hierbij kan de volgende onderverdeling worden gemaakt: 1. Aanlegfase Tijdens deze fase worden de zoutwinningslocaties aangelegd en de putten geboord, de distributieleidingen en transportleidingen gelegd en het pompgebouw gebouwd. Mogelijke negatieve effecten op de natuurwaarden bestaan uit geluidsemissie, grondverzet, verstoring door mensen en machines, en aantasting van leefgebied (bijv. kappen van bomen). In het projectgebied zijn ter plaatse van zoutwinningslocaties en distributieleidingen geen beschermde soorten flora en fauna aangetroffen. Gelet op het terreintype en gebruik, dat in de te ontgraven delen voornamelijk uit intensief landbouwkundig gebruikte percelen bestaat, zijn negatieve effecten op beschermde flora en fauna redelijkerwijs uit te sluiten. 1 september 2023
MER HAAKSBERGEN
BH5570 MER Haaksbergen 20230901
76
Projectgerelateerd
2. Productie- en onderhoudsfase De gebruiksfase duurt tientallen jaren. Bij de zoutwinningslocaties en het pompgebouw wordt vogelvriendelijke groene LED-verlichting toegepast (5-10 lux, overeenkomend met 5 tot 10 lumen/m2). Gelet op de activiteiten tijdens deze fase en de gebiedskenmerken zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde flora en fauna redelijkerwijs uit te sluiten. Effecten op het NNN38 1. Aanlegfase De zoutwinningslocaties zijn buiten de NNN gelegen. Negatieve effecten van het boren van de winningsputten en de aanleg van de zoutwinningslocaties, tijdelijk ketenpark en het valvestation kunnen worden uitgesloten. Het transportleidingentracé doorsnijdt het NNN over een lengte van 38 m. en 1.595 meter door de zone ondernemen met natuur en water, dat buiten de NNN ligt. Tabel 7-8 geeft aan welke beheertypen het tracé raakt. Tabel 7-8: Beheertypen NNN, beschrijving kwaliteit en dimensies aanlegwerkzaamheden. Code beheertype
Beschrijving beheertype
Huidige kwaliteit
Tracé lengte in m.
Tracé breedte in m.
-
Droge dooradering
Samenhangend netwerk, kwaliteit in orde
1.595
25 + gestuurde boring
N16.03
Droog bos met productie
Vooral weiland en geen bos, weinig waarde
13
25 + gestuurde boring
N04.02
Zoete plas
Hoge ecologische ambitie, waterkwaliteit is in orde
7
Gestuurde boring
N05.01
Moeras
Middelmatig
18
Gestuurde boring
Bij het aanleggen van het transportleidingtracé wordt op sommige plaatsen de techniek van gestuurd boren toegepast. Hierbij wordt stuk van het tracé overbrugd door onder het maaiveld een boorkanaal te boren waarna een leiding door de ontstane boorholte wordt getrokken. Op deze wijze kan een open ontgraving worden vermeden. Omdat er deels door middel van een gestuurde boring wordt gewerkt, is het tijdelijk verlies van areaal (natuur en leefgebied droge dooradering) beperkt en wordt het kappen van bomen in het bos vermeden. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, geen verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Er zijn tijdelijke effecten. Uit een schouw van het transportleidingtracé is gebleken dat de aanlegwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder het verwijderen/rooien van houtopstandenter plaatse van gronden die deel uitmaken van het NNN. Het effect wordt als licht negatief (0/-) beoordeeld. 2. Productiefase Het NNN gebied valt buiten de berekende bodemdalingscontouren en er wordt geen bodemdaling verwacht in het NNN gebied. Aantasting van het functioneren van het NNN door verandering van het watersysteem kan worden uitgesloten. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.
Houtopstanden Er worden binnen het projectgebied in totaal ca. 20 bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Daarvoor wordt een kapmelding gedaan c.q. een kapvergunning aangevraagd. Ter compensatie worden nieuwe bomen aangeplant.
38
Lit 7: Eelerwoude,Toetsing flora en fauna en NNN Leidingtracé Haaksbergen, 6 mei 2021.