CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

RO bijlage 1. Natuurtoets Eelerwoude

Gemeenteraad 15 november 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen zoutwinning Haaksbergen13.741 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vanuit de toelichting in de Omgevingsverordening beschouwt de provincie een ruimtelijke ingreep waarvoor een bestemmingsplan moet worden aangepast als een significante aantasting van kernkwaliteiten en omgevingscondities wanneer deze kan leiden tot de volgende effecten: Een vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bossen landschapselementen en gebieden die zijn aangewezen voor nieuwe natuur. Een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in Verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in de verschillende leefgebieden in delen van het NNN. Een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor volgens de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing vereist is. Een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneen geslotenheid). Een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden. Een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming. Een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten. Een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting. Een toename van de verstoring door licht.

Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

6.1.2 Beschrijving aanwezige natuurdoelen Het transportleidingensysteem gaat zowel door het NNN (over 38 meter) als de zone ‘ondernemen met natuur en water’, gelegen buiten het NNN (over 1.595 meter door leefgebied droge dooradering), zie hiertoe afbeelding 10. Hierbij ligt het plangebied in de NNN in het deelgebied Twickel, waarvoor enkele kenmerken en waarden zijn aangewezen. Deze zijn beschreven in het Natuurbeheerplan van provincie Overijsel 2019 en hieronder volgt een samenvatting.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 32

Deelgebied Twickel Het landgoed Twickel omvat oude boskernen (bijv. Elbertsbosch, Groot Avest), jonger spontaan dan wel aangeplant bos op voormalige heide, diverse beekdalen zoals dat van de Azelerbeek en Oelerbeek, een groot aantal in oppervlak sterk variërende heidevelden en schraallanden. De oude boskernen behoren tot het wintereiken-beukenbos en zijn vaak rijk aan hulst. In de beekdalen komt het vogelkers-essenbos voor met wilde kardinaalsmuts, boskortsteel en ijle zegge. Verspreid in het hele gebied komen afhankelijk van waterhuishouding en beschikbaarheid van nutriënten verschillende typen broekbos voor (elzenbroekbos, elzenberkenbroek en berkenbroek). In het gebied komen meerdere typen houtwallen voor, vaak met soorten uit bossen en bosranden (dolle kervel, hengel). Op de heide is vaak naaldhout (grove den) aangeplant. Negentig procent van het nog bestaande oppervlak heide is vochtige heide, die vaak behoort tot het natte, veenmosrijke type. Op het landgoed is de afgelopen 20 jaar veel heide geplagd wat geleid heeft toch ontstaan van een grote oppervlakte snavelbies kleine zonnedauw vegetaties. In de heide liggen verspreid zowel zure als ook zwakgebufferde vennen met een eigen unieke flora en fauna. Het mooiste voorbeeld hiervan met een overgang naar kalkmoeras wordt gevonden in het Boddenbroek.

Rondom de Deldener Esch vinden we veldrushooiland met kruipend zenegroen en sterzegge. In het Völgerveld is met succes broekbos omgezet in soortenrijk blauwgrasland met blonde zegge, bleke zegge en armbloemige waterbies. Het landgoed Twickel is een belangrijk leefgebied voor bosvogels, waaronder middelste bonte specht, kleine bonte specht en zwarte specht. Diverse bijzondere vlindersoorten komen voor zoals het bont dikkopje, heideblauwtje, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. Het Deldenerbroek is een voormalig heideontginningslandschap met veel variatie in terreintypen. Op de hoge delen een karakteristiek, kleinschalig agrarisch cultuurlandschap, met houtwallen en bosjes aanwezig. Het centrale deel van het gebied (Demmersblok) is van oudsher omgeven door een houtwal. De lagere terreindelen zijn rijk aan kalkrijke kwel uit de diepe ondergrond. Het Hagmolenbeekdal begrensd het gebied aan de noordoostzijde. Streefbeeld Twickel Op het landgoed Twickel werd in 2013 een groot deel van het dal van de Hagmolenbeek en een deel van de Azelerbeek hersteld. Omvorming van de huidige onnatuurlijke beeksystemen naar meer natuurlijke beeksystemen met bijbehorende inrichting, gebruik en natuurwaarden, in combinatie met waterretentie.

In de beekdalen worden afwisselend nat schraalland (N10.01), kruiden en faunarijk grasland (N12.02), rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) ontwikkeld. Na afronding hiervan is er geen uitbreidingsdoelstelling voor het NNN meer in dit gebied. In het Deldenerbroek wordt in samenhang met de Hagmolenbeek een groot natuurgebied ontwikkeld met een afwisseling van vochtige heide (N06.04), nat schraalland (N10.01), kruiden en faunarijk grasland (N12.02) en rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01). Droge dooradering Het leefgebied droge dooradering bestaat uit netwerken van lijnvormige landschapselementen. Deze netwerken bestaan uit een breed scala aan (al of niet hoog opgaande) landschapselementen met uiteenlopende lengte-, breedte- en hoogtedimensies. Het gaat om elzensingels, houtwallen, heggen en hagen, lanen, hoogstamboomgaarden, (hakhout)bosjes, struwelen, kaden en dijken, tuunwallen, bloemrijke (perceel)randen, ruigtezomen, overhoekjes, bermen van wegen en paden en steilrandjes. Kleine geïsoleerde wateren (poelen) die verspreid in deze gebieden voorkomen worden ook gerekend tot de ‘droge dooradering’. Er is hier dus sprake van een overlap met natte dooradering. Droge dooradering in Overijssel komt grotendeels overeen met het kleinschalige cultuurlandschap.

Het is voor het bevorderen van soorten van het leefgebied droge dooradering belangrijk om bomen, struwelen en ruigte/randen te creëren en/of in stand te houden door periodiek onderhoud uit te voeren. Ook het beheer van perceelranden (met name die aan de zuidkant gelegen en) grenzend aan de dooradering kan van groot belang zijn voor deze soorten. Een kruidenrijke rand of ruigte langs een landschapselement komt bijvoorbeeld de vegetatieheterogeniteit ten goede en voor veel soorten daarmee foerageer- en voortplantingsgeschiktheid.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 33

Wanneer elementen in zodanige hoeveelheid, kwaliteit en samenhang voorkomen dat ze van vele soorten vitale (of bron-)populaties herbergen, spreken we van kerngebieden. Kenmerkende vogelsoorten van de droge dooradering zijn zowel soorten die in deze elementen broeden (zoals patrijs, geelgors, grauwe klauwier, zomertortel en braamsluiper), als soorten die tijdens de trek of verwintering afhankelijk zijn van deze elementen omdat er tal van voedselbronnen aanwezig zijn in de vorm van eetbare vruchten en zaden. Vleermuizen gebruiken de droge dooradering als oriëntatie tijdens verplaatsingen tussen rust- en foerageergebied. Voor het voorkomen van amfibieën (kikkers, salamanders en paddensoorten) is de aanwezigheid van poelen van groot belang. De belangrijkste soorten die voorkomen in het leefgebied droge dooradering, waarvoor Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft en waarvan het voorkomen door agrarisch natuurbeheer positief kan worden beïnvloed, zijn patrijs, grauwe klauwier, korhoen, geelgors, kneu, gekraagde roodstaart, grote lijster, ransuil, spotvogel, ringmus, steenuil, groene specht, torenvalk, das, meervleermuis, vliegend hert, poelkikker, kamsalamander, boomkikker, knoflookpad en rugstreeppad.

Criteria droge dooradering De hierna volgende ecologische kwaliteitscriteria beschrijven de gewenste kwaliteit die de provincie nastreeft in dit leefgebied en zijn richtinggevend bij de uitwerking van de gebiedsaanvragen door de collectieven. Richtlijnen landschapselementen (incl. randen en ruigten): • Creëren van een samenhangend netwerk voor landschapselementen (incl. randen/ruigten en botanisch beheer). De verschillende landschapselementen moeten leiden tot een samenhangend netwerk van droge dooradering. Daarbij kunnen bestaande natuur en agrarisch natuurbeheer elkaar versterken. Onderdelen binnen het gebied worden zoveel mogelijk met elkaar verbonden. • Randen/ruigten en landschapselementen worden zodanig beheerd dat er kruidenrijke zoom- en mantelvegetaties ontstaan, c.q. in stand blijven. De opgaande beplantingen, randen/ruigten en andere landschapselementen vormen op den duur een aaneengesloten infrastructuur. Beheereenheden sluiten waar mogelijk aan op natuurgebieden. • Nieuwe contracten voor houtwallen en singels zijn alleen mogelijk in combinatie met randen/zoombeheer, zoveel mogelijk op de zongeëxponeerde zijde en nooit op de noordkant. • Nieuwe botanische beheercontracten zijn alleen mogelijk als randenbeheer en op kleine kansrijke percelen van maximaal ca 0,5 ha in combinatie met de aanleg van poelen en/of plasdras oevers, of aanleg van houtwallen.

• Lopende contracten botanisch beheer die volgens een nulmeting van Ecogroen in opdracht van provincie Overijssel goed scoren, mogen worden verlengd. Lopende contracten in de categorieën beperkte waarde en matige waarde zitten, mogen alleen worden verlengd als er kwaliteitsverbetering wordt afgesproken met de eigenaar. Deze kwaliteitsverbetering kan bestaan uit beheermaatregelen (b.v. vroeger en vaker maaien) of inrichtingsmaatregelen (aanleg houtwal, poel of natuurvriendelijke oever). Als eigenaren hier niet toe bereid zijn worden de contracten niet verlengd en kan eventueel overgestapt worden op een nieuw contract onder de hierboven geformuleerde criteria. Richtlijnen voor poelen: • minimaal 1 van de doelsoorten is recent (maximaal 2 jaar geleden) vastgesteld in het gebied óf de biotoopomstandigheden zijn optimaal aanwezig voor minimaal één van de doelsoorten én er zijn bronpopulaties van die soort aanwezig op een voor de betreffende soort te overbruggen afstand. • de poel heeft een omvang die groot genoeg is om het leefgebied te vormen voor een substantieel aantal individuen van de betreffende soort(en). De poel ligt – indien nodig vanuit de doelsoort - op een voor de betreffende soort(en) te overbruggen afstand van andere poelen met die doelsoorten. Streefdoelen poelen: • de potentieel aanwezige soorten komen na verloop van tijd duurzaam voor in het gebied.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 34

•

in het gebied ligt een dermate goed verbonden netwerk, conform de Ecologische verbindingszones in Overijssel, van poelen met subpopulaties dat er sprake is van duurzame metapopulatie(s) van de betreffende soort(en). De soorten kunnen – indien nodig voor de soort - dankzij aanpassingen in inrichting van het gebied vrij migreren binnen het netwerk en naar daarbuiten.

6.2 Beschrijving wezenlijke kenmerken en waarden Het transportleidingensysteem gaat 38 meter door het NNN en 1.595 meter door de zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN, door het leefgebied droge dooradering. In tabel 1 wordt beschreven door welke beheertypen het tracé gaat. Beheertype nummer N16.03 N04.02 N05.01

Beschrijving beheertype Droge dooradering droog bos met productie Zoete plas Moeras

Lengte in meters 1.595 13 (8 +5) 7 18

Breedte tracé in meters 27,5 - 30 meter + gestuurde boring 27,5 - 30 meter + gestuurde boring Gestuurde boring Gestuurde boring

Areaal, huidige en potentiele waarden Het tracé gaat door diverse beheertype en landschapselementen heen. Hieronder volgt een omschrijving van het areaal van deze elementen of beheertypen. N04.02 zoete plas: dit betreft de Hagmolenbeek die ter plekken een breedte van bijna 6 meter heeft. De beek ontspringt in Duitsland, het eerste deel wordt Hegebeek genoemd en komt 25 kilometer verder in het westen uit in het Twentekanaal (kanaal Zutphen – Enschede). N05.01: Het moeras is een strook aan weerszijden van de Hagmolenbeek. Op de plaats van het tracé is deze alleen aan de noordzijde aanwezig. De lengte is maximaal 500 meter en de maximale breedte is 60 meter. N16.03 droog bos met productie: Het tracé gaat door 2 stroken N16.03. Het noordelijkste strookje is in werkelijkheid geen bos. Op de kaart is hier dwars over het weiland een strook bos ingetekend, maar in werkelijkheid is dit weiland. Het zuidelijkste is een smalle strook van circa 5 meter breed bos langs de Deelweg. Dit is een uitloper van het oostelijk gelegen bos. Het tracé kruist dit bos door middel van een gestuurde boring. Kwaliteit, huidig en potentiële waarden De kwaliteit van de aanwezige beheertypen ter plekke van het tracé is als volgt: N04.02 Hagmolenbeek: De Hagmolenbeek wordt door het waterschap gezien als een beek met een hoge ecologische ambitie. Waterkwaliteit is in orde.

N05.01 moeras aan noordzijde van de beek: De kwaliteit van dit beheertype is middelmatig. N16.03 Droog bos met productie: De noordelijke strook van 8 meter is op de kaart aangewezen als bos, maar in werkelijkheid is dit geen bos maar weiland. De zuidelijk gelegen strook van 5 meter breed is een uitloper van het oostelijk gelegen bos. Kwalitatief weinig van waarde. De droge dooradering is gelegen rondom de verschillende beheertypen. Dit maakt dat een samenhangend netwerk van landschapselementen wordt gecreëerd. De kwaliteit is daarmee in orde. Samenhang De droge dooradering, de bufferzone rondom het NNN-gebied zorgt ervoor dat de verschillende gebieden met natuur met elkaar worden verbonden. Dit maakt dat de doelsoorten gemakkelijker kunnen migreren van het ene naar het andere gebied. Deelgebied Twickel en de bufferzone zorgt voor een samenhang van de

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 35

verschillende landschapselementen, het bos, moeras, de beek en het kruiden- en faunarijkgrasland. Dit maakt dit gebied heel divers en kleinschalig, maar wel verbonden met elkaar.

6.3 Effecten op de aanwezige waarden Het uitgangspunt van het NNN is dat er geen nettoverlies aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang mag plaatsvinden. Deze drie kenmerken zijn landelijk aangegeven bij de beschrijving van de kwaliteit van NNN-gebieden (Spelregels EHS, 2007). Op basis van deze drie aspecten wordt een beschrijving gegeven van het effect van de ontwikkeling op deze waarden. Door middel van een open ontgraving en 2 gestuurde boringen binnen het NNN-gebied worden de transportleidingen aangelegd. Door deze aanleg wordt het gebied met bestemming natuur en de zone ‘ondernemen met natuur en water’ verstoord. Onderstaand worden effecten van deze ontwikkelingen omschreven op het areaal, kwaliteit en samenhang van het NNN en van de zone ondernemen met natuur. Areaal bij open ontgraving De transportleiding wordt doormiddel van een open ontgraving aangelegd, waarbij een sleuf wordt gemaakt met aan beide zijden een werkstrook. De totale werkbreedte is 27,5-30 meter. Deze sleuf wordt weer aangevuld met de uitgekomen grond op een dusdanig wijze zodat de ontgraven grondlagen weer op de oorspronkelijke diepte komt te liggen. De grond komt weer ten goede aan de natuur. Er is tijdelijk een verlies van areaal van zowel natuur als leefgebied droge dooradering.

Daar waar het tracé de houtwal kruist langs de Deelweg of de Hagmolenbeek kruist , wordt een gestuurde boring uitgevoerd. Hierdoor is kap of drooglegging niet noodzakelijk en is er geen sprake van areaalverlies. Areaal bij gestuurde boring Bij een gestuurde boring is er op een kleiner areaal sprake van een tijdelijke verstoring. Op de plaats van de opstelplaatsen van de boring is er beschadiging van de bodem en daarmee de vegetatie. Dit betreft gebieden die buiten NNN-gebied liggen en in gebied dat behoort tot de droge dooradering. Omdat dit minder kwetsbare locaties betreffen, is het areaal na de boring weer geheel geschikt voor de huidige functies (natuur of landbouw) . Met de werkzaamheden is daardoor geen sprake van areaal verlies door de gestuurd boringen. Kwaliteit bij open ontgraving Het grootste deel van de transportleiding wordt door middel van een open ontgraving aangelegd. Dit betekent dat de bovenste laag tijdelijk wordt ontgraven. Nadat de leiding is aangelegd wordt de sleuf weer dichtgemaakt. De bodem en de begroeiing worden weer hersteld. Door deze korte tijdelijke verstoring en doordat de kwaliteit van het NNN gebied niet hoogwaardig is, zal de aanwezige kwaliteit snel weer zijn hersteld tot hetgeen wat er was. Er is daarmee geen sprake van kwaliteit verlies van het NNN door de open ontgraving.

Kwaliteit bij gestuurde boring Doordat bij een gestuurde boring maar een klein oppervlakte wordt beschadigd, wordt de kwaliteit voor maar een klein deel nadelig beïnvloed. De plaatsen van de boringen hebben geen hoogwaardige natuurwaarde, waardoor de kwaliteit na de boring ook snel weer is hersteld. Door de gestuurde boringen worden hoogwaardige natuurwaarden gespaard, zoals de Hagmolenbeek, het moeras en de houtwal aan de Deelweg. Er is daarmee geen sprake van kwaliteit verlies van het NNN door de gestuurde boring. Samenhang bij open ontgraving Bij een open ontgraving wordt de natuur tijdelijk versnipperd, waardoor verstoring is van de samenhang. Na de aanleg wordt de bovengrond en daarmee de beheertypen en leefgebieden weer hersteld en is er geen sprake meer van versnippering. Negatieve effecten op de samenhang zijn daardoor tijdelijk.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 36

Samenhang bij gestuurde boring Bij een gestuurde boring is er geen sprake van een versnippering van het gebied, de leefgebieden en de beheertypen. Deze blijven tijdens de aanleg van de leiding behouden.

6.4 Eindconclusie NNN De transportleiding wordt over 38 meter door NNN gebied en 1.595 meter door zone ‘ondernemen met natuur en water’ gelegd. Doordat met het aanleggen van de transportleiding door middel van een open ontgraving wordt naderhand de bodem en de vegetatie weer hersteld. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Het gebied dat behoort tot de droge dooradering blijft, doordat de vegetatie hersteld na aanleg van de leiding, zorgen voor een samenhangend netwerk van landschapselementen. De kwaliteit van het natuurtype droge dooradering blijft goed. Bij aanleg van de transportleiding door middel van een gestuurde boring zijn negatieve effecten op de kenmerkende waarden afwezig. De hogere natuurwaarde van de Hagmolenbeek, het moeras en de houtwal aan de Deelweg worden hierdoor bespaard.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 37

7 Conclusie Op basis van deze quickscan worden de onderstaande samenvattende conclusies getrokken.

7.1 Bescherming soorten In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen de periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nachtactieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden overdag uit te voeren. De optimale periode voor het uitvoeren van de graafwerkzaamheden ligt tussen begin september en februari. Gedurende deze periode wordt verstoring van omringende terreinen tot een minimum beperkt, terwijl in de te ontgraven gebieden de natuurwaarden minimaal zijn. Graafwerkzaamheden binnen het broedseizoen zijn ook mogelijk, mits de voorbereidende werkzaamheden (kappen van beplanting en het verwijderen van bijvoorbeeld ruigte in een houtwal) buiten de broedperiode worden uitgevoerd.

Ter plaatse van de nieuwe zoutwinningslocaties worden per locatie 1 put geboord gedurende 3 weken. Hierbij wordt 3 weken lang de locatie verlicht. Dit geeft een lichtverstoring op foeragerende vleermuizen. De verlichting is naar binnen gericht om uitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Foeragerende vleermuizen worden iets verstoord door licht op de boorlocatie. Deze verstoring kan geen significante negatief effect hebben, aangezien er voldoende alternatief foerageergebied voorhanden is. De staat van instandhouding van de vleermuizen worden niet beïnvloed door deze tijdelijk verlichting. De omgeving is kleinschalig met veel lijnvormige elementen in het landschap. Daarbij blijft de Bolscherbeek die zuidelijk van de boorlocaties ligt onbelicht, zodat hierboven/ hierlangs de vleermuizen kunnen blijven foerageren. Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

7.2 Bescherming gebieden Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten (niet stikstofgerelateerd) uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met (wegen, houtwallen, bosjes en bebouwing) en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 38

Een stikstofberekening met het programma AERIUS is uitgevoerd. De extra stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling leidt niet tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden gelegen binnen het invloedsgebied van het project.

7.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat er een kapmelding dient te worden gedaan bij provincie Overijssel. Ter compensatie dienen nieuwe bomen te worden aangeplant. Ook dient er volgens de APV van gemeente Haaksbergen een kapvergunning te worden aangevraagd.

7.4 Natuurnetwerk Nederland De transportleiding wordt over 38 meter door NNN gebied en 1.595 meter door zone ‘ondernemen met natuur en water’ gelegd. Doordat met het aanleggen van de transportleiding door middel van een open ontgraving wordt naderhand de bodem en de vegetatie weer hersteld. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Het gebied dat behoort tot de droge dooradering blijft, doordat de vegetatie hersteld na aanleg van de leiding, zorgen voor een samenhangend netwerk van landschapselementen. De kwaliteit van het natuurtype droge dooradering blijft goed. Bij aanleg van de transportleiding door middel van een gestuurde boring zijn negatieve effecten op de kenmerkende waarden afwezig. De hogere natuurwaarde van de Hagmolenbeek, het moeras en de houtwal aan de Deelweg worden hierdoor bespaard.

7.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Met betrekking tot het onderdeel houtopstanden dienen de te kappen bomen te worden gecompenseerd door het inplanten van bomen. Wanneer er sprake is van een bestemmingsplanprocedure moet aannemelijk gemaakt worden dat de plannen uitvoerbaar zijn. Dit betekent dat aangetoond moet worden dat een ontheffing Wet natuurbescherming verleend gaat worden.

7.6 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 39

Literatuurlijst -

-

-

-

Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, C. van, & Wynhoff, I. (2006). De dagvlinders van Nederland, Nederlandse fauna 7. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Gemeente Haaksbergen, 14 maart 2018. Algemene plaatselijke verordening (7.1b) Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3, 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5.

Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. Provincie Overijssel. Omgevingsverordening Overijssel 2017. Provincie Overijssel, 24 april 2018. Natuurbeheerplan provincie Overijssel 2019. Provincie Overijssel: https://geo.overijssel.nl/viewer/app/master/v1?bookmark=241d3b76daf74304b0669ba37d75042f) Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen. Waterschap Vechtstromen, oktober 2015. Waterbeheerplan 2016-2021. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.

Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl Soorten: Bij12 (2017). Kennisdocument Buizerd Buteo buteo. Bij12, versie 1.0, Utrecht.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 40

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 41

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 42

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 43

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 44

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 45

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 46

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13362052/1