CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

RO bijlage 1. Natuurtoets Eelerwoude

Gemeenteraad 15 november 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen zoutwinning Haaksbergen13.741 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toetsing flora en fauna en NNN Leidingtracé Haaksbergen

Opdrachtgever: Nouryon Salt B.V. E.J. Westerink Boortorenweg 20 7554 RS Hengelo Ov

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

200026 15-6-2021 M. Leenen B. Haamberg & M. Leenen J. Loeffen Definitief 4

© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................6

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................6

3

Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 14

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................14

3.2

Bescherming van soorten .....................................................................................................................14

3.3

Bescherming van gebieden ...................................................................................................................14

3.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................15

3.5

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................17

4

Methode.................................................................................................................................................... 20

4.1

Bureauonderzoek .................................................................................................................................20

4.2

Terreinbezoek .......................................................................................................................................20

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 22

5.1

Planten..................................................................................................................................................22

5.2

Zoogdieren ............................................................................................................................................23

5.2.1

Vleermuizen .................................................................................................................................23

5.2.2

Overige zoogdieren ......................................................................................................................25

5.3

Vogels ...................................................................................................................................................26

5.4

Reptielen...............................................................................................................................................27

5.5

Amfibieën .............................................................................................................................................28

5.6

Vissen ....................................................................................................................................................28

5.7

Ongewervelden ....................................................................................................................................29

5.8

Eindconclusie soorten...........................................................................................................................29

6 6.1

Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................ 31 Natuurdoelen en -kwaliteit...................................................................................................................31

6.1.1

Toetsing van de doelen ................................................................................................................32

6.1.2

Beschrijving aanwezige natuurdoelen .........................................................................................32

6.2

Beschrijving wezenlijke kenmerken en waarden ..................................................................................35

6.3

Effecten op de aanwezige waarden......................................................................................................36

6.4

Eindconclusie NNN ...............................................................................................................................37

7

Conclusie ................................................................................................................................................... 38

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 3

7.1

Bescherming soorten ............................................................................................................................38

7.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................38

7.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................39

7.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................39

7.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................39

7.6

Geldigheid onderzoek ...........................................................................................................................39

Literatuurlijst ......................................................................................................................................................... 40 Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 41

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In de gemeente Haaksbergen gaat Nouryon op 12 locaties nieuwe zoutwinningslocaties inrichten en daartussen een distributieleidingentracé aanleggen. Ook wordt een transportleidingentracé aangelegd en een boosterpompstation op het industrieterrein van Steppelerveld gebouwd. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 5

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de driehoek tussen de dorpen Haaksbergen, Sint Isidorushoeve en Beckum, gelegen in de provincie Overijssel. Dit gebied wordt doorsneden door twee provinciale wegen, de recent aangelegde N18 die Enschede met Doetinchem verbindt en de N739, de doorgaande weg tussen Haaksbergen en Hengelo (OV). De N18 kent ter hoogte van het plangebied een oost-west georiënteerde ligging terwijl de N739 noord-zuid georiënteerd is. Afbeelding 1 toont de ligging van het plangebied. Het gebied tussen Sint Isidorushoeve en de westzijde van de N739 wordt gekenmerkt door een vrij kleinschalig landschap met landbouwgrond, afgewisseld met landschapselementen waaronder houtwallen en singels. De Bolscherbeek stroomt hier door het gebied. Betreffende beek is ter hoogte van de aanwezige rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna RWZI) vispasseerbaar gemaakt. De N18 doorkruist het toekomstige leiding tracé op deze locatie. Het gebied tussen Haaksbergen en Beckum, gelegen ten noorden van de N18 en ten oosten van de N739, wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen vrij open en meer gesloten landschappen. Naast de gronden die in landbouwkundig gebruik zijn, zijn op deze locatie ook een aantal boselementen aanwezig variërend in soortrijkdom en ouderdom.

De hoogste natuurwaarden op deze locatie bestaan echter uit een aantal geïsoleerde heideterreintjes en vennetjes. Hier wordt de vegetatie gedomineerd door struikheide op de drogere delen en dopheide op de nattere delen. Rondom het ven gelegen ten oosten van de Veldsnijderweg is plaatselijk fraai ontwikkeld gagelstruweel aanwezig. Ten noordoosten hiervan stroomt de Hagmolenbeek. Verder naar het noorden heeft het landschap een meer open karakter, met verspreidt enkele houtwallen en opgaande beplanting. Afbeelding 2 toont een impressie van het plangebied.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit verschillende onderdelen. Deze worden hieronder besproken. De eerste ontwikkeling betreft de aanleg van een twaalftal nieuwe zoutwinningslocaties. De beoogde zoutwinningslocaties zijn gelegen tussen Sint Isidorushoeve, de noordzijde van Haaksbergen, waarbij het tracé van de N18 wordt doorkruist. Afbeelding 7 toont de ligging van de af te diepen zoutwinningslocaties. In tegenstelling tot eerdere locaties worden deze zoutwinningslocaties voorzien van een vloeistofkerende verharding en een hekwerk. De zoutwinningslocaties worden onderling verbonden door middel van het nieuw aan te leggen distributienetwerk. De aanlegwerkzaamheden worden met uitzondering van de boringen bij daglicht uitgevoerd. Per zoutwinningslocatie wordt 1 put naar de ondergrondse zoutlaag geboord. Deze boringen worden 24/7 uitgevoerd. Tijdens een boring is een locatie verlicht. Dit is een vereiste uit het oogpunt van veiligheid. De duur van 1 enkele boring is max 3 weken. Deze boringen worden gefaseerd uitgevoerd. De verlichting wordt dusdanig opgesteld dat deze naar binnen is gericht waarmee getracht wordt de uitstraling naar de omgeving zoveel als mogelijk te voorkomen. Tijdens normale bedrijfsvoering zijn de zoutwinningslocaties en het pompstation in avond en nacht onbemand.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 6

Voornoemde locaties worden uitgerust met verlichting voorzien van een schemerschakelaar en bewegingssensoren. Het betreft groene LED-verlichting (5-10 lux), dit is minimale verlichting benodigd voor de gebruik van de beveiligingscamera's. Wanneer iemand de locatie betreedt dan schakelt de verlichting tijdelijk naar een sterkte van 25-50 lux. De verlichting wordt ook in deze situatie naar binnen gericht opgesteld. Het aan te leggen transportleidingen tracé loopt van het nieuw te realiseren boosterpompstation op het industrieterrein Stepelerveld ten noorden van Haaksbergen richting Beckum, alwaar het zal worden aangetakt op het bestaande leidingwerk naar de zoutfabriek te Hengelo. Afbeelding 3 & 4 toont de ligging van het te realiseren transportleidingentracé. Het aan te leggen transportleidingentracé zal grotendeels gerealiseerd worden door middel van een open ontgraving. Bij deze open ontgravingen wordt een strook met een breedte van 27,5-30 meter als werkruimte gehanteerd. In het tracé worden drie transportleidingen met elk een diameter van 700 mm aangelegd met daarin één waterleiding, één pekelleiding en één naverzadigingsleiding. Hiervoor is het noodzakelijk op enkele locaties bomen te kappen. Het aantal te kappen bomen zal op deze locaties beperkt zijn. In de bosrijke omgeving tussen Haaksbergen en Beckum is het noodzakelijk op enkele plekken bos te kappen.

De te kappen bomen ten behoeve van het tracé bestaan uit de volgende elementen: • • • •

Bomenrij met houtwal aan de Schaddenweg, deze bestaat uit zomereiken en Amerikaanse eiken variërend in omvang tussen de 20-45 cm diameter borst hoogte (hierna dbhø.) zie afbeelding 6. Opgaand struweel als onderdeel van een houtwal ten noorden van het kerkpad aan de zuidoostzijde van Beckum. Enkele zomereiken aan de Wolfkaterweg met een geschatte diameter tussen de 30-50 cm dbhø. Enkele bomen in de houtwal westelijk van de Ganzenbosdijk.

Naast het aanleggen van het tracé door een open ontgraving worden diverse delen door middel van een gestuurde boring aangelegd. Dit betreffen delen waar het tracé wegdelen kruist of een bomenrij. In afbeelding 5 zijn de locaties van de gestuurde boringen aangegeven. Ook ter hoogte van de Hagmolenbeek wordt de beek doorkruist met behulp van een gestuurde boring van 100 meter lang. Hiervoor wordt een platform van 20 bij 20 meter ingericht. De Bolscherbeek wordt gekruist door middel van een zinker. Planning De werkzaamheden worden gefaseerd uitgevoerd. Zie tabel 1 voor de planning Tabel 1: fasering van de werkzaamheden

2021

2022

2023

2024-2028

Begin aanleg transportleiding

Afronden transportleiding

Onderhoud aan

In de periode 2024-

Begin aanleg distributieleidingen

Afronden distributieleidingen

zoutputten H-01 tot

2028 worden jaarlijks

en met H-05 (geen

één boring en

bouw)

zoutwinningslocatie

(tot en met H-07) Begin aanleg pompstation

Afronden pompstation

Aanleg zoutwinningslocatie H-01

Afronden zoutwinningslocaties H-02 t/m

aangelegd (H-08 t/m

H-04

H-012)

Begin aanleggen

Aanleggen zoutwinningslocaties H-05

zoutwinningslocaties H-02 t/m H-

t/m H-07

04 Boringen H-01 t/m H-07 Start ingebruikname H-01 t/m H-07

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 7

Afbeelding 1: Ligging onderzoeksgebied. Bron: ESRI, 2020.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 8

Afbeelding 2: Impressie plangebied, situatie op 05-02-2020.van boven naar beneden en van links naar rechts, foto 1, locatie

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 9

af te diepen zoutwinningslocatie H-11, foto 2 & 3 omgeving ten oosten van de N18 bij af te diepen zoutwinningslocatie H-09, foto 4 &5, heideterrein ten oosten van de Veldsnijderweg, foto 6 heideterrein ten noorden van de Veldsnijderweg, foto 7, Boselement nabij het Altenavoetpad & foto 8 vispassage bij de Bolscherbeek.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 10

Afbeelding 3 & 4: Voorgenomen ontwikkeling transportleidingentracé tussen het nieuw te bouwen boosterpompstation op het industrieterrein Stepelerveld en het bestaande pompstation nabij Beckum

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 11

Afbeelding 5: Locaties van de gestuurde boringen. Deze betreffen locaties waar het tracé weg, water en bomenrijen kruisen

Afbeelding 6: Detail locatie te verwijderen bomen, ten zuidoosten hiervan wordt het nieuwe boosterpompstation gerealiseerd. Als gevolg van de ontwikkeling wordt 25 meter van de betreffende beplanting gekapt.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 12

Afbeelding 7: Voorgenomen ontwikkeling distributienetwerk

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 13

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt dan wel of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk is. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 14

Gevolgen plangebied Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen (zie afbeelding 8). De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten (niet stikstofgerelateerd) uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met (wegen, houtwallen, bosjes en bebouwing) en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Een stikstofberekening met het programma AERIUS is uitgevoerd. De extra stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling leidt niet tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden gelegen binnen het invloedsgebied van het project.

Afbeelding 8: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het vellen van bomen of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 15

gemeente na te vragen. In de gemeente Haaksbergen zijn deze vastgelegd in de APV. In bijlage 1 van deze APV is een kaart van de begrenzing “bebouwde kom Boswet” opgenomen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen.

Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat er een kapmelding dient te worden gedaan bij provincie Overijssel. Deze melding moet minimaal 6 weken vóór het vellen worden gedaan bij de provincie. De kapmelding dient vooral ter registratie van de herplantplicht. Elke velling waaruit een herplantplicht voortvloeit, moet worden gemeld. Binnen drie jaar nadat een houtopstand is geveld dient op de plaats van velling te worden herplant. Dit hoeft niet als er sprake is van een natuurlijke verjonging. Deze zogenaamde herbebossing dient op een bosbouwkundig verantwoorde wijze te worden uitgevoerd. Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting voldoet in elk geval aan de volgende eisen: a. De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte. b. De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 16

c. d. e.

f.

g.

De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak vormen. Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse is niet toegestaan. Herplant binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet. De herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen en dient derhalve kwalitatief en kwantitatief in redelijke verhouding te staan tot de gevelde of teniet gegane houtopstand. Indien sprake is van herbeplanting door natuurlijke verjonging wordt aan een bosbouwkundig verantwoorde herbebossing voldaan als de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstand en deze houtopstand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen.

Een ontheffing voor het kappen van de bomen is ook een mogelijkheid, Dit kan als binnen 6 weken wordt gekapt, binnen 3 jaar niet wordt her-gepland of op een ander perceel wordt her-gepland. In de Omgevinsverordening van provincie Overijsel 2017 staan de exacte regels (http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Overijssel/602014/CVDR602014_5.htm ). Ook dient er volgens de APV van gemeente Haaksbergen een kapvergunning te worden aangevraagd.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNNtoetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het westelijke deel van het distributieleidingentracé gaat niet door NNN-gebied (zie afbeelding 9). Het tracé van de transportleiding gaat deels door NNN-gebied, zowel door de natuur als door de zone ondernemen met natuur en water (zie afbeelding 10). Nadat afbeelding 10 is gemaakt, zijn enkele kleine wijzigingen in het tracé opgetreden. In afbeelding 11 zijn deze kleine wijzigingen van het tracé in beeld gebracht die van invloed zijn op het tracé door NNN-gebied.

In hoofdstuk 6 zal verder ingegaan worden op de effecten van de ontwikkeling op het NNN-gebied.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 17

Afbeelding 9.: Het distributieleidingentracé gaat niet door NNN-gebied heen. Bron: Atlas van Overijssel

2

1

Afbeelding 10: Het transportleidingentracé gaat door het NNN-gebied (groen gekleurd) en door de zone ondernemen in natuur en water buiten de NNN (groen geblokt) heen. Bron: Atlas van Overijssel

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 18

Wijziging tracé op locatie 1

Wijziging tracé op locatie 2

(op afbeelding 9)

(op afbeelding 9)

Afbeelding 11: Kleine wijziging van het tracé binnen het NNN-gebied. Links is locatie 1 en rechts locatie 2 refererend aan de locaties aangegeven op afbeelding 10.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 19

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie; • De Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is geraadpleegd. • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door B. Haamberg uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 5 februari 2020 bij 7ºC, onbewolkt tot zwaar bewolkt weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker Swarovski 10*42 EL.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 20

Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 21

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie De soortenrijkdom in het plangebied is grotendeels afhankelijk van het aanwezige biotoop. Het overgrote deel van het plangebied kent een intensief, agrarisch grondgebruik. Op deze locaties zijn soorten van voedselrijke en verstoorde milieus algemeen, waaronder vogelmuur, gewone- en kluwenhoornbloem, grote brandnetel, vroegeling en gewone paardenbloem. De aangetroffen flora in de aanwezige boselementen is divers. Op locaties waar in het verleden heideterreintjes gelegen hebben (onder meer ter hoogte van de boselementen tussen Haaksbergen en Beckum, is op de nattere delen voornamelijk pijpenstrootje aanwezig. Plaatselijk heeft ook enige verrijking plaatsgevonden als gevolg van stikstofdepositie. Op deze locaties is ook gewone braam aanwezig. De vegetatie van het perceel dat behoort tot het NNN is vermoedelijk een voormalig landbouwperceel dat uit productie is genomen. Tijdens het veldbezoek zijn op het perceel onder meer scherpe boterbloem, pitrus en gestreepte witbol vastgesteld. Het hoge aandeel pitrus in het terrein duidt mogelijk op de aanwezigheid van een fosfaat bank in de bodem door mestgiften in het verleden. Goed ontwikkelde vegetaties zijn aanwezig buiten de (werk)grenzen van het plangebied in de heideterreintjes tussen Haaksbergen en Beckum.

Hier zijn onder meer struikheide, dopheide, wilde gagel, borstelgras, moeraswolfsklauw en muizenoor vastgesteld. Deze soorten bevinden zich allen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (winter) lag dit ook niet in de verwachting. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde soorten flora aangetroffen. Gelet op het terreintype en gebruik, dat in de te ontgraven delen voornamelijk uit intensief landbouwkundig gebruikte percelen bestaat, zijn negatieve effecten op beschermde flora redelijkerwijs uit te sluiten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 22

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het onderzoeksgebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook franjestaart en baardvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis en baardvleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten kunnen binnen het onderzoeksgebied worden uitgesloten omdat bebouwing in het plangebied ontbreekt. Potentieel geschikte verblijfplaatsen zijn wel in de directe omgeving van het onderzoeksgebied aanwezig, ondermeer op aangrenzende erven. Tijdens het veldbezoek is beoordeeld of het onderzoeksgebied potentieel geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. In verschillende boselementen zijn oude bomen aanwezig. Het betreft hier locaties die buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden gelegen zijn, op enkele honderden meters van de werkzaamheden. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen bomen geen zichtbare holtes, of loshangende schors aangetroffen welke door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Foerageergebied en vliegroutes Het onderzoeksgebied is geschikt als foerageergebied. Het gaat hierbij voornamelijk om de randen langs de aanwezige landschaps- en boselementen. Op deze locaties is vanwege de diversiteit aan bomen en de aanwezigheid van luwe zones geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Daarnaast is het aannemelijk dat delen van de

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 23

aanwezige beplanting worden gebruikt als vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen waaronder gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen worden uitgesloten. Deze zijn niet in het plangebied aanwezig. Ook de functionaliteit van deze verblijfplaatsen kan voldoende worden gegarandeerd, doordat de te kappen beplanting geen essentiële functie als vliegroute heeft ten aanzien van de bereikbaarheid van de verblijfplaatsen die in de bebouwing aanwezig zijn. Verblijfplaatsen in te kappen beplanting kan eveneens redelijkerwijs worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen beplanting geen geschikte holtes of loszittende schors vastgesteld welke door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden.

Potentieel geschikte verblijfplaatsen in bomen buiten de invloedssfeer blijven behouden. Foerageergebied en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt de kwaliteit van het gebied als foerageergebied voor vleermuizen licht af. Dit wordt met name veroorzaakt door de kap van beplanting langs enkele delen van het onderzoeksgebied. Dit heeft geen impact op de functionele leefomgeving, omdat de betreffende stukken slechts een zeer klein deel onderdeel uitmaken van het totale areaal aan geschikt foerageergebied. Bovendien neemt de randlengte aan beplanting die doorgaans door vleermuizen wordt gebruikt om te foerageren niet af. Ter plaatse van de nieuwe zoutwinningslocaties worden per locatie 1 put geboord gedurende 3 weken. Hierbij wordt 3 weken lang de locatie verlicht. Dit geeft een lichtverstoring op foeragerende vleermuizen. De verlichting is naar binnen gericht om uitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen.

Foeragerende vleermuizen worden iets verstoord door licht op de boorlocatie. Deze verstoring kan geen significante negatief effect hebben, aangezien er voldoende alternatief foerageergebied voorhanden is. De staat van instandhouding van de vleermuizen worden niet beïnvloed door deze tijdelijk verlichting. De omgeving is kleinschalig met veel lijnvormige elementen in het landschap, waarlangs de vleermuizen kunnen foerageren. Daarbij blijft de Bolscherbeek die zuidelijk van de boorlocaties ligt onbelicht, zodat hierboven/ hierlangs de vleermuizen kunnen blijven foerageren. Om de negatieve effecten op foerageergebied zoveel mogelijk te beperken, dienen de werkzaamheden, (behalve het boren van de putten), in de kwetsbare voortplantingsperiode voor vleermuizen, welke duurt van april – juli en werkzaamheden, overdag uit te voeren. Daarnaast dient geen extra verlichting te worden geplaatst. Indien verlichting nodig is, zoals bij de boorputten en tijdens de operationele fase worden de maatregelen genoemd in het kader- verlichting geadviseerd.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 24

Ten aanzien van vliegroutes worden negatieve effecten uitgesloten. Indien aanwezig, blijven deze behouden. Op locaties waar de beplanting wordt gekapt zijn geen onderbroken structuren aanwezig of er wordt zodanig gekapt dat de randlengte aan bos niet verder afneemt waardoor er gaten van > 50 meter ontstaan. Conclusie: nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk. Indien genoemde aandachtspunten in acht worden genomen, is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder meer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maakt een aantal van deze soorten van het plangebied gebruik als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Tevens kunnen in- of rondom het onderzoeksgebied nog een aantal grondgebonden zoogdieren voorkomen waaronder eekhoorn, steenmarter, kleine marterachtigen, egel en mogelijk das en boommarter. Overige zwaarder beschermde soorten waaronder otter en bever kunnen op basis van bekende verspreiding en de ongeschiktheid van het plangebied voor deze soorten worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van deze soorten

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 25

zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Het plangebied maakt derhalve naar verwachting (voor een klein deel) onderdeel uit het leefgebied van deze soorten.

Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Voor de soorten waarvoor geen vrijstelling is opgesteld, waaronder egel, eekhoorn, steenmarter en mogelijk boommarter en das geldt dat ter hoogte van de werkzaamheden geen verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied voor de soorten zijn vastgesteld. Doordat de ontwikkeling voor het overgrote deel op bestaande landbouwgronden wordt gerealiseerd die intensief worden bewerkt, leidt dit niet tot een afname van de geschiktheid als foerageergebied voor de betreffende soorten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels, vogels met beschermd functioneel leefgebied en vogels met jaarrond beschermde nesten. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; merel, koolmees, pimpelmees. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Vogels met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Vogelsoorten behorend tot deze categorie betreffen soorten waarvan de functionele leefomgeving het gehele jaar is beschermd. Van deze groep vogels zijn in het onderzoeksgebied verschillende soorten aangetroffen. Het gaat hierbij om onder meer grote bonte specht, kleine bonte specht, boomklever en boomkruiper. De functionele leefomgeving van deze soorten bestaat uit boselementen die verspreidt binnen en net buiten het onderzoeksgebied liggen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Op basis van het aanwezige biotoop kunnen in het onderzoeksgebied en de ruimere omgeving verschillende soorten voorkomen /worden aangetroffen waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd is.

Het gaat hierbij onder meer om buizerd, sperwer, havik, steenuil, kerkuil en mogelijk wespendief, ransuil en boomvalk. Alle soorten broeden in bomen, op steenuil en kerkuil na die doorgaans gebruik maken van geplaatste nestkasten. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen beplanting of beplanting grenzend aan het tracé bomen en aangrenzende beplanting geen potentiele verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen. Aangenomen mag worden dat het onderzoeksgebied onderdeel uit maakt van het foerageergebied van deze soorten. Effecten en ontheffing Broedvogels

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 26

Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Vogels met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op vogels met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Voorgenomen werkzaamheden leiden tot de kap van enige beplanting.

Deze maakt echter voor een zeer klein deel uit van de leefomgeving van de betreffende soorten waardoor een significant deel blijft behouden en de functie niet (tijdelijk) verloren gaat. Bovendien worden nieuwe bomen aangeplant waardoor geen sprake is van areaalafname van de leefomgeving. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Buizerd, sperwer, kerkuil, steenuil, havik, boomvalk, wespendief en ransuil behoren tot deze bescherming. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. In de te kappen beplanting is geen potentiële nestgelegenheid vastgesteld. Het werkterrein waarbinnen de open ontgraving plaatsvindt maakt slechts voor een klein deel onderdeel uit van het territorium van deze soorten waardoor de huidige functie niet (tijdelijk) verloren gaat. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied zijn derhalve ook uit te sluiten. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. De te vellen bomen dienen buiten de kwetsbare broedperiode, welke globaal loopt van 15 maart – 15 juli te worden gekapt.

Geadviseerd wordt om dit voorafgaand aan de feitelijke graafwerkzaamheden uit te voeren. Als optimale periode voor de kap van de bomen kan de periode november – februari worden aangehouden. Graafwerkzaamheden in het broedseizoen zijn mogelijk mits voorafgaand aan deze werkzaamheden is geconstateerd dat in de te ontgraven gebieden geen broedende vogels aanwezig zijn.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Geschikt leefgebied voor reptielen ontbreekt binnen het onderzoeksgebied maar is wel in de ruimere omgeving van het onderzoeksgebied/ werkterrein op verschillende heideterreinen aanwezig. De NDFF vermeldt het voorkomen van de levendbarende hagedis op een heideterrein op enkele honderden meters afstand van het onderzoeksgebied. Gelet op het huidige grondgebruik in het onderzoeksgebied is dit gebied ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. De soort kan binnen het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Overige soorten als kunnen op basis van biotoopvoorkeur en bekende verspreidingsgegevens worden uitgesloten in het onderzoeksgebied. Effecten en ontheffing

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 27

Op basis van de aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aan de orde omdat het plangebied (bestaande uit intensieve graslanden en eenvormig bos) en de directe omgeving ongeschikt is als leefgebied voor de soort. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. Daarnaast is in het NNN begrensde gebied een poel aanwezig, welke door de bovengenoemde soorten gebruikt kan worden als voortplantingsbiotoop. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. De NDFF vermeldt het voorkomen van de heikikker, op enkele honderden meters van het onderzoeksgebied. Hier zijn circa 10 jaar geleden tot 250 roepende dieren vastgesteld (NDFF, ecogrid). Het voortplantingsbiotoop van de heikikker op de pleistocene zandgronden bestaat uit hoogveen en vennetjes. Als landbiotoop worden onder meer heide en boselementen met een goed vergraafbare strooisellaag gebruikt. In het onderzoeksgebied ontbreekt zowel geschikt voortplantingswater, als een goed vergraafbare strooisellaag. Het gebied waarbinnen gewerkt gaat worden kan als ongeschikt leefgebied voor de soort worden beschouwd. Overige beschermde soorten waaronder kamsalamander en boomkikker kunnen op basis van bekende verspreiding worden uitgesloten in het plangebied.

Effecten en ontheffing De ingreep heeft naar verwachting geen impact op amfibieën. De heikikker komt naar verwachting in de nabijheid van het onderzoeksgebied, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden voor. Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de functionele leefomgeving van de heikikker alsmede op individuen van deze soort kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. In de nabijheid van het ven waarin de kikkers voorkomen worden de graafwerkzaamheden uitgevoerd in intensief beheerde agrarische percelen dat ongeschikt leefgebied vormt voor de soort.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het onderzoeksgebied zijn slechts beperkt watervoerende elementen aanwezig. De Bolscherbeek en de Hagmolenbeek maken onderdeel uit van het onderzoeksgebied. Hierin komen naar verwachting een aantal algemene soorten voor waaronder driedoornige stekelbaars, blankvoorn, ruisvoorn, zeelt, snoek en baars. Van de beschermde soorten kan de paling mogelijk in deze wateren voorkomen, dit is echter niet waarschijnlijk onder meer door de goede waterkwaliteit van de betreffende watergangen en het gegeven dat de soort sinds

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 28

de jaren 90 zeer sterk achteruit is gegaan. Voor overige beschermde soorten ligt het onderzoeksgebied buiten bekend verspreidingsgebied.

Effecten en ontheffing Negatieve effecten op beschermde vissoorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Tijdens de werkzaamheden wordt de Bolscherbeek gekruist door het gebruik van een zinker. Door het plaatsen van de zinker wordt de morfologische werking van de beek niet aangetast, het water kan als zodanig blijven stromen. Mogelijk treedt wel enige verstoring op als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door de gestuurde boring. De effecten worden echter verwaarloosbaar geacht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Rondom het onderzoeksgebied is het voorkomen bekend van de grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder (NDFF, ecogrid & eigen bevindingen). De grote weerschijnvlinder is gebonden aan vochtige bossen waarin de waardplant (met name boswilg) groeit. Dergelijke boselementen zijn ten oosten van het onderzoeksgebied beperkt aanwezig. De kleine ijsvogelvlinder is gebonden aan vochtige bossen met wilde kamperfoelie. Dit is voornamelijk aanwezig in de boselementen ten oosten van het onderzoeksgebied. De dichtstbijzijnde vliegplaatsen bevinden zich in een elzenbroekbos, op circa 300 meter van het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied ontbreekt geschikt biotoop voor de soort. Ook voor andere beschermde soorten ongewervelden ontbreekt geschikt biotoop als goed ontwikkelde water- en oevervegetatie en ligt het onderzoeksgebied buiten bekend verspreidingsgebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

5.8 Eindconclusie soorten In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen de periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nachtactieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden overdag uit te voeren. De

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 29

optimale periode voor het uitvoeren van de graafwerkzaamheden ligt tussen begin september en februari. Gedurende deze periode wordt verstoring van omringende terreinen tot een minimum beperkt, terwijl in de te ontgraven gebieden de natuurwaarden minimaal zijn. graafwerkzaamheden binnen het broedseizoen zijn ook mogelijk, mits de voorbereidende werkzaamheden (kappen van beplanting en het verwijderen van bijvoorbeeld ruigte in een houtwal) buiten de broedperiode worden uitgevoerd. Bij het afdiepen van de nieuwe zoutboringen dienen strobalen te worden geplaatst zodat lichtverstoring tot een minimum wordt beperkt.Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 30

6 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met hoge natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Hiermee wordt bijgedragen aan (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De realisatie van natuurdoelen gaat zo veel mogelijk samen met het versterken van de landbouw, de regionale economie en de wateropgaven. De NNN-begrenzing van Overijssel is als verordening opgenomen in de Overijsselse Omgevingsverordening Op 13 november 2019 hebben Provinciale Staten van Overijssel een geactualiseerde Omgevingsvisie en Omgevingsverordening vastgesteld. (PS/2019/66117) (Provincie Overijssel, 2019).

6.1 Natuurdoelen en -kwaliteit De provincie Overijssel is onderverdeeld in regio’s. In deze regio’s liggen verschillende deelgebieden die zijn aangewezen tot gebieden die behoren bij het Natuurnetwerk Nederland. Voor elk deelgebied is een beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN. Het plangebied van het transportleidingentracé ligt in de regio Netwerkstad Twente. Een deel van dit tracé ligt in het NNN in het deelgebied Twickel (zie afbeelding 10). In hoofdlijnen wordt in dit deelgebied naar de ontwikkeling van de volgende typen natuur gestreefd: Versterking van de natuurwaarden op landgoederen, vooral in de vorm van halfnatuurlijk en nat schraalgrasland, herstel van het kleinschalig cultuurlandschap met een afwisseling van bossen, halfnatuurlijke graslanden, essen, heide, en natuurlijke beken; Vergroting en hydrologisch herstel van natte heide- en veengebieden; Ontwikkeling van een aantal natte natuurgebieden in de kwelgebieden aan de voet van de Sallandse heuvelrug. Bij de begrenzing hiervan is een watersysteembenadering toegepast. Gestreefd wordt naar waterhuishoudkundig duurzaam te ontwikkelen gebieden; Herstel van het natuurlijke karakter van beken en beekdalen; Behoud en versterking van de landschappelijke en natuurwaarden van het kleinschalig cultuurlandschap. Om de natuurdoelen te kunnen sturen zijn beheertypen aangewezen.

Naast het NNN-gebied zijn ook leefgebieden/ zoekgebieden onderscheiden in de zone ondernemen met natuur en water: open grasland open akker droge dooradering categorie water Deze gebieden zijn onderscheiden om de gewenste ecologische effectiviteit te bereiken. Hierbij streeft de provincie voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer naar het behoud van een aantal soorten die van internationaal belang zijn.

Leidingtracé Haaksbergen | Eelerwoude | 31

Daarbij bestaat het leefgebied droge dooradering op hoofdlijnen uit percelen rondom het NNN (een bufferzone van 500 meter rondom het NNN) of liggen de in het Natuurbeheerplan opgenomen verbindingszones en specifieke leefgebieden. Het leefgebied van de droge dooradering versterkt hierdoor de doelen van het NNN.

6.1.1 Toetsing van de doelen Bij de toetsing van de ontwikkeling zijn drie onderdelen van belang; kwaliteit, kwantiteit en samenhang. Kwaliteit gaat over het ‘type’ natuur (natuurtypen en beheertypen). Kwantiteit gaat over de oppervlakte, en samenhang gaat over versnippering van gebieden. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken zullen de te beschermen en te behouden wezenlijke waarden en kenmerken voor het plangebied moeten worden gespecificeerd. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Wezenlijke waarden en kenmerken dienen door het bevoegd gezag te worden bepaald. Globaal zijn er enkele doelstellingen voor de totale NNN aangegeven: • Het realiseren van een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden; • het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecosystemen, inclusief de bijbehorende soorten; • het focussen op nationaal en/of internationaal belangrijke soorten; • het duurzaam behouden van ecosystemen: zorg dragen voor de randvoorwaarden voor behoud: de juiste bodem-, water- en beheercondities.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13362052/1