CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Rendement 2014-2018 def

commissie Samenleving en Bestuur 16 mei 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Behandeling rapport “Onderzoek Rendement Rekenkamercommissierapporten 2014-2018” van de rekenkamercommissie Haaksbergen21.566 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De aansturing van de raad kan beter. Als de raad wel aan het stuur had gezeten, was het de vraag of de uitkomsten anders waren. Hoe moet dat geduid worden? Dat is niet te zeggen.

46

•

•

•

De kritische beschouwing op het functioneren van de raad zelf mist. Signalen waren er wel, maar zijn niet door de raad opgepakt. Dat is een gemiste kans. Weliswaar zijn er wel wat signalen in raadscommissies geweest, maar dat heeft niet geleid tot significante bijstellingen van beleid. Er werd sinds de komst van een planeconoom twee maal per jaar een sessie gehouden met de raadsleden over de grondexploitatie. Daar werd specifiek op deze materie ingegaan en werd er naar elkaar geluisterd. Ook werden kritische vragen gesteld. Maar: er werd inderdaad niet altijd iets mee gedaan. Het besef was er bij de raad wel dat het een moeilijk onderwerp was. Er was aandacht voor dit onderwerp. Wel moeten we ons als raad iets aantrekken van de kaderstelling, tactisch en strategisch. Dit rapport is wat dat betreft een goed leerproces. Indicatoren grondbeleid zouden we opnieuw op papier moeten zetten. Het college heeft aangegeven graag van de raad te horen op welke wijze de informatievoorziening verbeterd kan worden. Dit zou andersom moeten zijn, het college zou met een voorstel aan de raad moeten komen. Wethouder Nijhuis gaf aan dat bedoeld is dat het wordt opgenomen in de P&C cyclus en dat de raad suggesties kan doen wat de raad graag verwerkt wil hebben.

Van die laatste mogelijkheid lijkt de raad geen gebruik te hebben gemaakt: In de daarop volgende raadsvergadering op 31 januari 2018 is het rekenkamercommissierapport tot een hamerstuk teruggebracht. In de jaren daarna lijken over de voortgang van de overgenomen aanbevelingen vanuit de raad geen vragen meer te zijn gesteld. Het rapport “De ladder beklommen. Onderzoek naar de gevolgen van de “Ladder voor duurzame verstedelijking” in Haaksbergen” ( april 2018) werd in de commissievergadering van 16 mei 2018 behandeld. Opmerkingen vanuit de raad naar aanleiding van het rapport: • • •

De aanbevelingen uit het rapport werden als zeer positief ervaren. De conclusies van het rapport had raadsleden wel getriggerd: staat het woningcontingent echt onder druk? Kunnen woningbouwcontingenten ook verhandelbaar worden gemaakt?

Vragen van de raad aan het college: •

•

De aanbeveling uit het rapport is “anticiperen”: is hier al actie op ondernomen? College: Er is voldoende ruimte t/m 2025, ook gezien de wachtlijsten. Dit is ook afhankelijk van externe factoren. Maar: niet achterover leunen en goede plannen bekijken met primair positieve blik. Wel van mening: hou je aan de afspraken die aan de voorkant gemaakt zijn. Vinger aan de pols blijft belangrijk. De aanbeveling uit het rapport is: breng bestemmingsplannen in procedure, ook gezien de doorlooptijd. College: de omgevingswet komt er aan. Daarom pas op de plaats met nieuwe bestemmingsplannen, omdat met de nieuwe omgevingswet flexibele bestemmingsplannen gemaakt kunnen worden.

In de daarop volgende raadsvergadering op 30 mei 2018 wordt het betreffende rekenkamercommissierapport tot een hamerstuk teruggebracht. Er wordt geen bezwaar gemaakt tegen het feit dat het college de aanbevelingen uit het rapport volledig naast zich neerlegde.

47

8.5 Conclusie ten aanzien van het rendement van de rapporten in de periode 2014 - 2018 Wat kan er geconcludeerd worden over het totale rendement van de zes onderzochte rapporten? Rapport 1 scoort globaal 60%, dat wil zeggen dat in de perceptie van de rekenkamercommissie circa 60% van de oorspronkelijke aanbevelingen dan wel via “hoofdwegen” dan wel via “bospaden” gerealiseerd werden. Dit zijn geen “harde” rekenkundig tot stand gekomen cijfers. Het blijkt ondoenlijk met de beschikbare gegevens tot een valide berekend gemiddelde per rapport te komen: de onderzochte beleidsonderwerpen zijn bijvoorbeeld erg ongelijksoortig, niet alle aanbevelingen in een rapport wegen even zwaar, sommige aanbevelingen zijn moeilijker te realiseren dan andere, sommige aanbevelingen hebben een groter impact op de uitvoering dan andere. Het door de rekenkamercommissie gepercipieerde gemiddelde kan wel steeds met argumenten onderbouwd worden. Op dezelfde wijze scoren de rapporten 2 t/m 4 circa 80%, het rapport 5 circa 50% en rapport 6 scoort circa 10% rendement. Hoewel dus niet hard becijferd is de perceptie van de rekenkamercommissie dat de rapporten samen rond de 65% scoren ten aanzien van de realisatie van de gedane aanbevelingen. Maar deze score zou met een vergelijkbare onderbouwing, maar een andere weging van de argumenten, ook 5 – 10 % hoger of lager hebben kunnen uitvallen.

De belangrijkste succesfactor lijkt naast het onderwerp van het onderzoeksrapport in kwestie de serieuze en consistente aandacht voor het realiseren van de overgenomen aanbevelingen vanuit de top van de ambtelijke organisatie zelf, met name in de periode 2015 – 2020. De belangrijkste faalfactoren lijken het voortdurende inkrimpen van de omvang van de ambtelijke organisatie en het feit dat het college nut en noodzaak van wijzigingen in het onderzochte grondbeleid anders waardeerde. Onderzoeksrapport

Jaar

Op rolletjes ( Invoering van de kanteling van de Wmo) Ritmestoornissen in de gemeentelijke organisatie Goedkoop is duurkoop. (Tarieven rioolrecht) Planning & Control gemeente Haaksbergen Het grondbeleid van gemeente Haaksbergen Ladder van Duurzame verstedelijking

2014 2014 2014 2015 2017 2018

% uitgevoerde aanbevelingen circa 60% circa 80% circa 80% circa 80% circa 50% circa 10%

Tabel 13: Het percentage uitgevoerde aanbevelingen per onderzocht rapport.

8.6 In hoeverre verschillen de uitkomsten van dit onderzoek met de uitkomsten van de voorgaande rendementsonderzoeken? Onderzoekvraag 2 luidde: Is de situatie in 2014 - 2018 veranderd ten opzichte van 2009 - 2014? Daarover het volgende: •

“Beleefd aanbevolen; en dan ? “(2010) onderzocht het rendement van de rapporten uit de periode 2006 – 2008 , niet alleen van de rekenkamercommissie zelf maar ook van door gemeente Haaksbergen incidenteel ingehuurde derden. Het resultaat in 2009 – 2010 was slecht: Een van de vier rapporten scoorde 50 %, de overige drie rapporten scoren 0 tot 15 %. Door het heel kleine aantal in uitvoering genomen aanbevelingen, bleek het vrijwel onmogelijk daarvoor een onderbouwde verklaring aan te dragen.

48

•

•

•

•

Het rendement van de rapporten uit de periode 2009 – 2010 werd in 2012 onderzocht in het rapport “Onderin de la? “ Opnieuw was de constatering dat het rendement slecht was: circa 32 % van de overgenomen aanbevelingen bleek ook daadwerkelijk uitgevoerd. De oorzaak voor de lage rendementen werd hoofdzakelijk gezocht in het ontbreken van de wil en de daaruit voort te vloeien bestuurlijke, politieke en ambtelijke druk om de aanbevelingen te realiseren, hoewel ze bijna allemaal waren overgenomen door college en raad. Het ontbreken van de daarvoor benodigde tijd in de ambtelijke organisatie zag de rekenkamercommissie als het onjuist leggen van prioriteiten omdat daarmee verbeteringen in het beleid in termen van verhoging van de effectiviteit, de efficiëntie en het draagvlak werden tegengehouden. In 2014 volgde het rapport “Het Bos in gestuurd?“ over het rendement van de rekenkamercommissierapporten uit 2011 en 2012. Afgaande op de uitwerking van de aanbevelingen uit die rapporten was het rendement matig. Maar er was wel op een andere manier sprake van behoorlijke doorwerking van het werk van de rekenkamercommissie. Er werd inmiddels wel gewerkt aan het realiseren van de aanbevelingen uit “Onderin de la?” en dat rechtvaardigde de verwachting dat de uiteindelijke doorwerking van de rekenkamercommissierapporten uit 2009-2010 hoger uit zou komen dan oorspronkelijk gemeten.

Zodat de rekenkamercommissie op dat moment toch (nog) niet het idee had ‘Het Bos ingestuurd’ te worden. Gehoopt werd dat op termijn toch een gedegen realisatie van de resterende aanbevelingen zou plaatsvinden. Het rendement van de rapporten werd in het oorspronkelijke onderzoek niet in percentages vastgelegd, maar aan de hand van de beoordeling van het rendement in de tabellen uit het betreffende onderzoek wordt het totale rendement daarvan in de dit onderzoek op circa 50% geschat. Een Quickscan in 2016 naar de mate van invoering van de 52 aanbevelingen uit de rapporten “De Juridische Kwaliteitszorg in de gemeente Haaksbergen: geluk en wijsheid?“ (2012) “Het Bos ingestuurd” (2014) en “Over hoofdwegen en bospaden” (2015) toonde dat veel van de aanbevelingen nu wel (bijna) geheel of in ieder geval gedeeltelijk waren uitgevoerd. De effectiviteit van de rapporten was daarmee omhoog gegaan, maar dat gold niet voor de efficiency. Het rendement van de rapporten werd in het oorspronkelijke onderzoek niet in percentages vastgelegd, maar aan de hand van de beoordeling van het rendement in de tabellen uit het betreffende onderzoek wordt het totale rendement daarvan in dit onderzoek op circa 65% geschat.

Als verklaring hiervoor werd aangedragen dat meestal gewoon de tijd en de menskracht ontbraken om tot uitvoering van de aanbevelingen over te kunnen gaan, hoewel de aanbevelingen in algemene zin als nuttig en zinvol werden beschouwd. Toch werden uiteindelijk, soms rechtstreeks via “hoofdwegen”, soms indirect via “bospaden”, veel aanbevelingen opgepakt en verweven met verbeteringen met een groter bereik binnen de ambtelijke organisatie. Beide manieren deden niet voor elkaar onder, er waren zelfs bescheiden aanwijzingen dat de uiteindelijke verbeteringen via de “bospaden” positiever uitpakten voor de totale organisatie. Er bleek in de organisatie een breed gedragen besef dat het inderdaad noodzakelijk was specifieke aanbevelingen op te pakken en door te voeren, het draagvlak ervoor was dan ook groot. In 2019 opende het rapport “Het Centrum Centraal part II” (2019) met een uitgebreide evaluatie van de aanbevelingen uit het voorgaande rapport “Het Centrum Centraal” uit 2013, waaruit bleek dat door de ambtelijke organisatie veel lering uit het onderzoek getrokken was: veel aanbevelingen waren zichtbaar in praktijk gebracht, een goede score. Maar college en raad

49

bleken aanzienlijk minder van de aanbevelingen uit “Het Centrum Centraal” in praktijk te hebben gebracht. Het rendement van de rapporten werd in het oorspronkelijke onderzoek niet in percentages vastgelegd, maar aan de hand van de beoordeling van het rendement in de kleurtabellen uit het betreffende onderzoek wordt het totale rendement daarvan in de dit onderzoek op circa 65% geschat. Een belangrijke verklaring hiervoor is dat mede door het Monstertruck-drama (2014) vanuit diverse organisaties de schijnwerpers op de ambtelijke organisatie waren komen te staan. Ook trad er daarna een nieuw MT aan, dat meer belang hechtte aan het consistent werken aan het realiseren van de aanbevelingen. Rendementsonderzoek

Jaar

Onderzoeksperiode

Beleefd aanbevolen en dan? Onderin de la ? Het Bos in gestuurd? Over hoofdwegen en bospaden Het Centrum Centraal II Wisselend bewolkt

2010 2012 2014 2016 2019 2022

2006 - 2008 2009 - 2010 2011 - 2012 2012 - 2015 2013 2014 – 2018

% uitgevoerde aanbevelingen Circa 15 % 32% 50% 60% 65% 65%

Tabel 14: De rendementsrapporten onderling vergeleken.

•

Afgezet tegen de resultaten van de voorgaande rendementsonderzoeken is de gemiddelde score van de onderzochte rapporten uit de periode 2014 – 2018 niet teleurstellend te noemen. Maar helaas geldt dat voor de “gemiddelde” score. Waar in de jaren tot 2017 alle aanbevelingen uit de rapporten nog door college en raad werden overgenomen en er aan het realiseren daarvan gewerkt werd, blijkt er na 2017 sprake van een sterke trendbreuk: de aanbevelingen uit het rapport betreffende het grondbeleid werden nog wel overgenomen, maar in het geheel niet gerealiseerd. En de aanbevelingen uit het rapport over de Ladder van Duurzame Verstedelijking werden zelfs niet meer overgenomen, hoewel de realisatie van een van de aanbevelingen wel indirect tot stand kwam.

Hiermee is onderzoeksvraag 2 beantwoord.

8.7 Wat kan gezegd worden over het realiseren van de aanbevelingen uit de rapporten 2014 – 2018 in vergelijking met de resultaten uit voorgaande rendementsrapporten? Zoals eerder opgemerkt is een vergelijking met voorgaande rendementsrapporten niet op basis van harde cijfers te maken, maar bepaalde trends kunnen wel geconstateerd worden: De totaalscore van het rendement is sinds de metingen in 2016 en 2019 min of meer stabiel gebleven. Maar dit beeld is vertekend: daar waar de aanbevelingen uit de eerste vier rapporten nog grotendeels gerealiseerd werden, breekt de opwaartse lijn bij de laatste twee rapporten af. Zou dit rendementsrapport in 2020 geschreven zijn, waarbij de scores van de laatste twee rapporten niet in de beoordeling zouden zijn meegenomen, dan zou een totaalscore van 75 tot 80% aanleiding tot optimisme hebben kunnen geven. Dat is nu niet het geval. Dat voert tot onderzoekvraag 3 : Is er een verklaring voor het verschil in het rendement? De beantwoording van deze vraag richt zich met name op mogelijke verklaringen voor de 50

geconstateerde forse “trendbreuk” tussen het rendement van de twee laatste onderzochte rapporten en alle voorgaande. In “Het Bos in gestuurd?“ (2014) werd geconcludeerd dat aanbevelingen die bij een eerste evaluatie niet gerealiseerd bleken in een later stadium alsnog wel ten uitvoer waren gebracht. Al twee jaar na het verschijnen van een rapport evalueren in hoeverre de aanbevelingen gerealiseerd werden, was mogelijk te snel. Er was kennelijk meer tijd nodig om aanbevelingen daadwerkelijk te kunnen realiseren. Mede op basis van deze bevinding werd besloten de evaluatieperiode van twee naar drie jaar te verlengen. Maar het moment van evalueren blijkt niet van invloed te zijn geweest op het zeer lage rendement van de laatste twee onderzochte rapporten. De verlengde evaluatieperiode blijkt niet te hebben geleid tot een hoger realisatiepercentage: ook vier jaar na het verschijnen daarvan is het rendement van de laatste twee rapporten laag tot zeer laag. De aanbevelingen werden noch langs hoofdwegen noch langs bospaden gerealiseerd. Wat kan daaraan hebben bijgedragen? In de voorgaande paragrafen werden verschillende aspecten voor een mogelijke verklaring in het verschil in rendement aangedragen: Een positieve invloed op het realiseren van aanbevelingen bleken te hebben: • • • • • • •

de mate waarin het einddoel van de aanbeveling Smart-geformuleerd kon worden, de mate waarin menskracht en middelen ingezet moesten worden voor het realiseren van de aanbeveling, de samenstelling en opvattingen van het betreffende MT, de aandacht voor en de vasthoudendheid van het betreffende MT en de portefeuillehouders, positieve en regelmatige aandacht vanuit de raad, herhaling en bevestiging vanuit andere adviserende instanties, aandacht vanuit andere (toezichthoudende) instanties.

Een negatieve invloed op het realiseren van aanbevelingen bleken te hebben: • • • • •

de continue bezuinigingen op de omvang van de ambtelijke organisatie en daarmee de beschikbare menskracht, de stapeling van bestuurlijke ambities ondanks het krimpende personeelsbestand en financiële problemen, daardoor op bestuurlijk niveau de noodzaak selectiever te worden ten aanzien van het al dan niet overnemen en/of uitvoeren van aanbevelingen uit rekenkamercommissierapporten, weinig tot geen aandacht vanuit de raad, het onderzoeksonderwerp grondbeleid.

Het evaluatiemoment vormt geen verklaring voor het geconstateerde rendement. Bij het realiseren van de aanbevelingen van de laatste twee (onderzochte) onderzoeksrapporten lijkt er sprake te zijn (geweest) van een clustering van bovengenoemde negatieve aspecten. Deze hebben kennelijk een grotere invloed gehad dan de positieve aspecten. Daarmee is een antwoord op onderzoeksvraag 3 geformuleerd.

51

8.8 Wat kan gezegd worden over het rendement van de aanbevelingen uit de rapporten van gemeente Haaksbergen in vergelijking met het rendement van rekenkamercommissierapporten van gemeenten elders in Nederland? De prestaties van lokale rekenkamer(commissie)s worden regelmatig door het Ministerie van BZK geëvalueerd: hoe werken de adviezen en aanbevelingen door in beleid? Daarbij bleek dat “doorwerking” een begrip is dat op verschillende manieren gedefinieerd kan worden en mede hierdoor lastig te meten. De bestuurskundigen Bekkers, Fenger, Homburg en Putters maken onderscheid in vier verschillende soorten doorwerking: 1. Allereerst is er instrumentele doorwerking, waarbij je directe verandering in gedrag van organisaties of individuen ziet die in lijn is met het advies. 2. Ten tweede het type doorwerking, waarbij het advies leidt tot andere kennis of opvattingen van individu of organisatie. 3. Als derde is er agenderende doorwerking, waarbij het advies een nieuw thema op de politieke of maatschappelijke agenda plaatst. 4.

Tot slot is er politiek-strategische doorwerking, waarbij het advies wordt gebruikt om de eigen machtspositie te versterken (Bekkers e.a., 2004: 24) Al in de eerste evaluatie van het Ministerie van BZK in 2007 bleek dat weliswaar in de meerderheid van de gevallen (62%) de aanbevelingen van rekenkamer(commissie)s werden overgenomen door raad en provinciale staten, maar dat tegelijkertijd in slechts 39% van de gevallen de rapporten ook daadwerkelijk waren geagendeerd om door de volksvertegenwoordigers te bespreken (Brandsen e.a., 2007). Blijkbaar werden veel rekenkamerrapporten zonder debat of bespreking afgehamerd. Daarmee bleef het onduidelijk of de rapporten ook zorgden voor aanpassingen in het beleid (beleidsmatige of instrumentele doorwerking). Ook hadden de rapporten blijkbaar geen agenderende functie.

Uit een enquête onder leden van reken‐ kamer(commissie)s in 2010 sprak desondanks een positief zelfbeeld: de leden scoorden de mate waarop hun aanbevelingen werden overgenomen met het rapportcijfer 7,6, en gaven een 6,9 voor de daadwerkelijke implementatie van deze aanbevelingen (Van der Zee & De Jong, 2010) In de tweede BZK-evaluatie uit 2011, van zowel lokale als provinciale rekenkamers, werd geprobeerd doorwerking duidelijker te definiëren: ‘Wanneer de raadsleden en statenleden de conclusies en aanbevelingen onderschrijven en ook het college de aanbevelingen (deels) overneemt, is er sprake van doorwerking.’ Hoe hoger de doorwerking hoe hoger de effectiviteit, werd geacht. In de doorwerking leek ten opzichte van de vorige evaluatie een stijgende lijn te zien te zijn: in 70% van de gevallen werden de aanbevelingen door de raad overgenomen, en in 81% van de gevallen werden de rapporten ook door de raad of staten behandeld. Maar of de adviezen en aanbevelingen ook inderdaad gerealiseerd werden en tot aanpassingen in het beleid leidden, werd niet gemeten: alleen de “perceptie” van doorwerking werd onder rekenkamerleden gemeten en die schatten dat met circa 75% wel aanzienlijk hoger in dan de ambtelijke organisatie (39%). (Van der Mark e.a., 2011). Deze (schijnbaar) opgaande lijn werd daarna niet vastgehouden.

In een nieuwe BZK-evaluatie van lokale rekenkamers uit 2015 was slechts 40% van de griffiers (zeer) tevreden over de doorwerking en dit percentage was zelfs nog 3% lager als het ging om de daadwerkelijke implementatie van rekenkameraanbevelingen door de gemeente (Van der Mark & De Wal, 2015). Ook in een laatste evaluatie voor het ministerie uit 2019, ditmaal op basis van gesprekken, was er bij gemeenten bezorgdheid over de doorwerking. Redenen die daarvoor gegeven werden, waren de 52

kwaliteit van de aanbevelingen, maar ook dat bestuur en ambtenaren geen zin hadden om de aanbevelingen te implementeren. Dat kon vaak ongestraft, doordat afspraken over monitoring van de aanbevelingen ontbraken, waardoor de aanbevelingen vanzelf uit het zicht raakten (Werkgroep lokale rekenkamers, 2019). De hele periode overziend, komt uit de evaluaties een wisselend beeld van de doorwerking van rekenkamerrapporten naar voren. Aanvankelijk leek deze (in de perceptie van de respondenten) toe te nemen, maar vanaf 2015 wordt de toon van de evaluaties hierover somberder. Van wat voor vorm van doorwerking er nu sprake was, bleek op basis van enquêtes eigenlijk niet vast te stellen, ook doordat de enquêtes steeds wisselende definities en meetmethoden van doorwerking gebruikten. Bovendien bleken de leden van de rekenkamer over het algemeen positiever over de doorwerking dan de ambtenaren die de aanbevelingen ter hand moesten nemen. Of het beleid na het overnemen van de aanbevelingen van de rekenkamer ook daadwerkelijk veranderde, werd in de enquêtes niet nagegaan. Ook werd dit niet op andere manieren gerapporteerd. In hoeverre er werkelijk sprake is van doorwerking van rekenkameraanbevelingen in de vorm van aanpassingen van beleid, blijft de vraag.

Bovenstaande landelijke bevindingen vertonen enige overeenkomst met de bevindingen ten aanzien van het rendement van de aanbevelingen uit de rekenkamercommissierapporten van Haaksbergen in de periode 2010 – 2022: na een slechte start een geleidelijke verbetering tot een realisatiepercentage van circa 65 %. Dan na een periode van stabiliserende cijfers weer een afname van het rendement, in Haaksbergen zelfs een plotselinge neerwaartse trendbreuk. Het grote verschil is wel dat in de landelijke rendementsonderzoeken vaag of niet gemeten blijft, in hoeverre de adviezen en aanbevelingen nu daadwerkelijk gerealiseerd werden. In Haaksbergen daarentegen is geprobeerd daadwerkelijk te becijferen hoeveel van de aanbevelingen concreet gerealiseerd werden. Wat kan het rendement van de aanbevelingen uit rekenkamercommissieonderzoeken (weer) verbeteren? Literatuuronderzoek noemt de volgende aspecten: 1. Communicatiekwaliteit : de duidelijkheid van de tekst in het rapport, de bevlogenheid waarmee de rekenkamer de bevindingen en aanbevelingen over het voetlicht brengt, en de verschillende manieren waarop de rekenkamer haar boodschap verspreidt; 2. Gedetailleerde, op feiten gebaseerde, bruikbare aanbevelingen; 3. Tijdigheid; 4. De deskundigheid van de betreffende rekenkamer(commissie); 5. Commitment en het openstaan van de gemeentelijke organisatie voor de onderzoeksresultaten; 6.

Het politieke klimaat: gemeenteraadsleden zijn over het algemeen tevredener over de rekenkamer dan de ambtelijke organisatie. En de politieke cultuur, de omgangsvormen en gewoonten van een gemeente zijn heel verschillend en van invloed op de doorwerking van de rekenkamerrapporten; 7. De informatiebehoefte van de raad. (Bron: S. Keulen: “De doorwerking van lokaal rekenkameronderzoek: een empirische zoektocht naar succesfactoren van gebruik” uit Bestuurswetenschappen 2021)

53

Hoofdstuk 9. Conclusies en aanbevelingen 'Er zijn veel mensen die kunnen zeggen dat een voetbalploeg slecht speelt; er zijn weinig mensen die kunnen zeggen waarom ze slecht speelt en er zijn slechts een paar mensen die kunnen zeggen wat er moet gebeuren om ze beter te laten spelen” - Johan Cruijff'

De probleemstelling van dit onderzoek luidde: Wat is het rendement van de rekenkamercommissierapporten uit 2014 -2018? Bij deze probleemstelling werden drie onderzoeksvragen geformuleerd. Onderzoekvraag 1: ‘In hoeverre zijn de 29 aanbevelingen uit de 6 onderzochte rapporten daadwerkelijk gerealiseerd?’ werd in paragraaf 8.1. beantwoord. Onderzoekvraag 2: ‘Is de situatie in 2014 - 2018 veranderd ten opzichte van 2009 - 2014?’ werd in paragraaf 8.5. beantwoord. In paragraaf 8.6. tenslotte wordt een antwoord geformuleerd op onderzoekvraag 3: ‘Is er een verklaring voor het verschil in het rendement?’ De algehele conclusie van dit rendementsrapport is dat er (juist voor raadsleden) nog winst te behalen valt bij het benutten van de onderzoeksresultaten van de eigen rekenkamercommissie. De ondertitel van dit onderzoek luidt dan ook: Rekenkamercommissierapporten, wat doen we ermee? In lijn met het citaat van Johan Cruijff' is de rekenkamercommissie van mening dat zij tot de paar mensen behoort die kunnen en moéten zeggen wat er moet gebeuren om de gemeentelijke “ voetbalploeg” beter te laten spelen. De volgende aanbevelingen zouden daartoe bij kunnen dragen: 1. Laat kort na de raadsbehandeling van een onderzoeksrapport door het college een uitvoeringsplan uitwerken voor de overgenomen aanbevelingen.

Vaak constateert de rekenkamercommissie dat er van het uitvoeren van de aanbevelingen geen werk wordt gemaakt of kan worden gemaakt en dat de aandacht verschuift naar andere prioriteiten of naar nieuwe of bijgestelde nota’s. 2. Zorg dat de contactpersoon voor de rekenkamercommissie zijn/haar werk binnen de ambtelijke organisatie kan doen. De contactpersoon volgt immers de uitvoering van aanbevelingen en zou daarover jaarlijks naar college, raad én de rekenkamercommissie moeten kunnen rapporteren. 3. Maak als raad bij de behandeling van door de rekenkamercommissie onderzochte (beleids-) onderwerpen meer en vaker gebruik van de aanbevelingen uit de bijbehorende rapporten. Leg voorgenomen besluiten of beleidsvoornemens langs de betreffende aanbevelingen. Bedenk dat veel aanbevelingen uit een specifiek rapport op meerdere beleidsterreinen van toepassing zijn. 4. Laat de contactpersoon ook jaarlijks naar college, raad én de rekenkamercommissie rapporteren over de voortgang van de uitvoering van overgenomen aanbevelingen en verbind vervolgstappen aan de inhoud van die rapportage. 5. Volg als raad scherper in hoeverre overgenomen aanbevelingen ook inderdaad gerealiseerd worden. Tenslotte maakt de rekenkamercommissie nog attent op de website van de Nederlandse vereniging voor raadsleden. Daarop staan “7 tips om als raadslid het beste uit de rekenkamercommissie te halen”:

54

1. Lees alvast onderzoeken, vooral de aanbevelingen, die de rekenkamer heeft gedaan, zodat je een idee hebt van wat er al is onderzocht 2. Praat met rekenkamerleden zodat zij weten wat er speelt in de raad en waaraan behoefte is 3. Contact hebben én houden is cruciaal: anders werken de raad en de rekenkamer langs elkaar 4. Zelf kun je ook onderwerpen aandragen, zolang je niet op de stoel van de onderzoeker gaat zitten 5. Om te achterhalen wat de afwegingscriteria zijn voor onderwerpselectie, bekijk je de verordening, het onderzoeksprotocol of het reglement van orde 6. Formuleer je een onderzoeksvraag, zorg er dan voor dat leereffecten op andere terreinen deel uitmaken van die vraag 7. Als raadslid heb je invloed op het budget van de rekenkamer. Het spreekt voor zich dat een rekenkamer met veel budget, meer middelen heeft om onderzoek te (laten) doen.

55

Bestuurlijk wederhoor

56

57

58

59

Reactie Rekenkamercommissie op het bestuurlijk wederhoor Wij danken het college voor de uitvoerige terugkoppeling over de zes onderzoeken. Het college onderschrijft 28 van de 29 aanbevelingen. Het college geeft bij verschillende aanbevelingen aan daar werk van te maken of het reeds opgepakt te hebben. We denken dat dat goed is en zullen de voortgang volgen en adviseren uw raad om dat ook te doen. Naar de mening van het college zou aanbeveling 2 over de cultuurverandering (rapport 2 “Ritmestoornissen in de Haaksbergse gemeentelijke organisatie”, april 2014) als deels gerealiseerd aangemerkt moeten worden. Sinds het voorjaar 2020 zijn er naar de mening van het college een aantal stappen gezet om de cultuurverandering/ontwikkeling centraal te stellen. Uiteraard juichen we toe dat het college stappen heeft gezet. Aandacht voor de ambtelijke organisatie is een punt waar de Rekenkamercommissie vaker aandacht voor vraagt en het is goed te lezen dat dat nu gebeurt. We vragen ons echter wel af of de verandering die vanaf het voorjaar van 2020 in gang is gezet te koppelen is aan de aanbevelingen van de Rekencommissie van 6 jaar daarvoor. Tot slot geeft het college aan dat de aanbevelingen van rapport 6 (De ladder beklommen. Onderzoek naar de gevolgen van de “Ladder voor duurzame verstedelijking” in Haaksbergen, april 2018) destijds door het college niet zijn overgenomen.

Indien dit rapport buiten beschouwing zou zijn gelaten zou er wel sprake zijn van een stijgende lijn. Die laatste conclusie is correct en werd door de Rekenkamercommissie zelf ook al getrokken. Maar de Rekenkamercommissie heeft het betreffende rapport destijds wel degelijk uitgebracht, de bijbehorende aanbevelingen zijn destijds wel gedaan en de gemeenteraad tenslotte heeft destijds zonder beraadslaging wel unaniem besloten het rapport van de Rekenkamercommissie over te nemen. Aangezien het voorliggende onderzoeksrapport zich over het rendement van de aanbevelingen uit alle zes de onderzochte rapporten buigt, behoren daarom ook de resultaten van het zesde en laatste rapport daarin mee te worden genomen, ook -of misschien wel juist-, omdat het feit dat de aanbevelingen uit het zesde en laatste rapport niet door het college werden overgenomen het gemeten rendement substantieel beïnvloedt.

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12724112/1