(ONTWERP-) OMGEVINGVERGUNING WABO 54 (anoniem)
Tekst van het document
Wat betreft de emissie van fijnstof wordt niet voldaan aan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes uit bijlage 2 van het Besluit emissiearme huisvesting. De stallen 1, 2 en 3 met het huisvestingssysteem E 5.11 zijn onherroepelijk vergund bij besluit van 22 april 2014 en opgericht voor de datum van 1 oktober 2016. De voorgestelde huisvestingssystemen voor vleeskuikens in de stallen 1, 2 en 3 voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. Conclusie BBT De dierenverblijven voldoen aan de eisen van het Besluit huisvesting. Er is geen reden de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.
1.6
Geurhinder uit dierenverblijven en Toetsingskader
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet schrijft voor op welke wijze geurhinder vanwege dierenverblijven moet worden beoordeeld bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij biedt de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen. In de gemeente Haaksbergen is geen geurverordening vastgesteld voor het gebied waarin de inrichting is gelegen. Toetsing geurhinder
De geurhinder, die afkomstig is vanuit de dierverblijven binnen de inrichting, is getoetst aan de normen voor de geurbelasting en de afstandseisen uit de Wgv. Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. Binnen de inrichting worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Ook worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor wel geuremissiefactoren gelden. Voor deze twee delen van de inrichting wordt, voor elk deel afzonderlijk, een beoordeling van de geurhinder opgesteld. De inrichting en de nabij gelegen geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. De inrichting is gelegen in een concentratiegebied, zoals bedoeld in de Meststoffenwet. Beoordeling dieren met geuremissiefactoren
Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op geurgevoelige objecten worden bepaald. De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3, lid 1 van de Wgv.
23
Een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied: • binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; • buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd. (hoofdstuk 11 van de bijlage bij de aanvraag in het document ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’). Geurgevoelige objecten - De woning gelegen aan de Eibergsestraat 211 betreft een bij de inrichting behorende bedrijfswoning. Daarom wordt deze woning niet in de berekening meegenomen; - De woningen gelegen aan de Eibergsestraat 207 en 213 zijn agrarische bedrijfswoningen waarvoor een vaste afstand geldt; - De woningen aan de Eibergsestraat 262 en 264 zijn geurgevoelige woningen, geen onderdeel uitmaken van een andere veehouderij. Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd1. Het resultaat van die V-Stacksberekening komt overeen met een controleberekening2.
De geurbelasting afkomstig van de inrichting op nabij gelegen geurgevoelige objecten, met uitzondering van de woningen behorend bij een veehouderij, bedraagt: • 1,5 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Zandpaalweg 3; • 4,0 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Vloedsteegweg 1-Z; • 4,8 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Eibergsestraat 264; • 6,1 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Eibergsestraat 262. Uit bovenstaande blijkt dat de normen voor de geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op de nabij gelegen geurgevoelige objecten niet worden overschreden. Beoordeling dieren zonder geuremissiefactoren ('vaste afstanden')
In bijlage 1 van de geurregeling zijn voor volwassen paarden en paarden in opfok geen geuremissiefactoren opgenomen. Op grond van de Wgv (artikel 4, lid 1) betekent dit dat voor deze diercategorieën een vaste afstand tot geurgevoelige objecten moet worden aangehouden. Voor volwassen paarden en paarden in opfok gelden de volgende minimale vaste afstandseisen: • 100 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom; • 50 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van het bedrijf tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De werkelijke afstand vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting tot de gevel van het dichtstbijgelegen geurgevoelige object bedraagt circa 190 meter (Eibergsestraat 262 in Haaksbergen). Dit geurgevoelige object is buiten de bebouwde kom gelegen. Op grond van het bovenstaande wordt voldaan aan de vaste afstandseisen. Algemene afstanden voor alle dierenverblijven De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een voor geurgevoelig object dient te bedragen: • 50 meter binnen de bebouwde kom; • 25 meter buiten de bebouwde kom. Binnen 50 meter vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf is geen geurgevoelig object gelegen. Op grond van het bovenstaande wordt voldaan aan de algemene afstandseisen volgens artikel 5, lid 1 van de Wgv.
Woningen behorend bij een andere veehouderij 1 Zie het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ 2
Bijlage 4 bij dit besluit
24
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij geldt een uitzondering op het algemene beschermingsniveau. Dit geldt ook voor geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 opgehouden hebben deel uit te maken van een andere veehouderij. De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat deel uit maakt van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom, moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand tussen de inrichting aan de Eibergsestraat 211 en de agrarische bedrijfswoningen aan de Eibergsestraat 207 en 213 liggen op meer dan de minimaal vereiste afstand van 50 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter volgens artikel 3, lid 2 van de Wgv. Conclusie: Het aspect geur vanuit dierverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
25
1.7
Ammoniakemissie uit dierenverblijven en Toetsingskader
Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). De Wav beoogt de zeer kwetsbare gebieden te beschermen tegen de effecten van ammoniakdepositie. De dierenverblijven van de inrichting liggen binnen een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied. De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren binnen de veehouderij. Op grond van de Wav (artikel 6) moet een vergunning voor een uitbreiding van een veehouderij met het aantal te houden dieren worden geweigerd, indien een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk in een zeer kwetsbaar gebied of een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied ligt. Op grond van artikel 7 van de Wav wordt in afwijking van artikel 6 de vergunning niet geweigerd voor zover de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde (ammoniakplafond). Het ammoniakplafond wordt bepaald door de gecorrigeerde ammoniakemissie met de vergunde ammoniakemissie te vergelijken.
De gecorrigeerde ammoniakemissie is de ammoniakemissie, zoals die voor de uitbreiding is vergund en waarbij de emissie berekend moet worden met toepassing van de maximale emissiewaarden op grond van het Besluit huisvesting. Hierbij wordt opgemerkt dat de uitbreiding van paarden niet meegerekend hoeft te worden (artikel 7, lid 1 onder c.). Wanneer een veehouderij al eerder heeft uitgebreid met toepassing van de Wav, tellen de extra dieren zoals paarden, schapen, biologische dieren, dieren ten behoeve van natuur en melkrundvee (artikel 7 lid 2), niet mee bij het berekenen van de gecorrigeerde emissie-waarde. Op basis van de omgevingsvergunning revisie milieu van 22 april 2014 mogen binnen de inrichting 152.728 vleeskuikens worden gehouden. Voor deze vleeskuikens in de bestaande stallen geldt een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar. Het ammoniakplafond bedraagt 152.728 x 0,045 = 6.872,76 kg NH3 per jaar. Het vergunde emissieniveau bedraagt 5.071,4 kg ammoniak per jaar. Deze bedraagt niet meer dan de gecorrigeerde ammoniakemissie. Hieruit volgt dat het ammoniakplafond gelijk is aan het vergunde emissieniveau. De aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 4.164,5 kg NH3/jaar en is lager dan het ammoniakplafond van 5.071,4 kg NH3/jaar. Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven
De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.
1.8
Anders agrarisch
Directe ammoniakschade
De effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen zijn beoordeeld aan de hand van het rapport ‘Stallucht en Planten’ dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door de uitstoot van ammoniak bij intensieve kippen- en varkensbedrijven op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt en boomkwekerij). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.
26
De inrichting draagt niet bij aan mogelijke directe ammoniakschade.
1.9
Verruimde reikwijdte
Naast het voorkomen van gevaar, schade en hinder moeten onder andere ook de aspecten energie, water, afval en vervoer worden betrokken in de omgevingsvergunning. Deze aspecten vallen onder de term 'verruimde reikwijdte'. Energiebesparing
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met energie. Bij een jaarlijks energieverbruik van meer dan 75.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 200.000 kWh elektriciteit wordt het uitvoeren van een energiebesparingsonderzoek relevant geacht. Bij een jaarlijks energieverbruik van meer dan 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 50.000 kWh elektriciteit moeten energiebesparingsmaatregelen worden genomen, voor zover deze rendabel zijn. Een rendabele maatregel is een maatregel met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar. In het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag is het jaarlijkse elektriciteits- en aardgasverbruik opgenomen. Tevens is hier aangegeven welke energiebesparende maatregelen getroffen zijn of zullen worden getroffen. De huidige inrichting verbruikt jaarlijks 185.000 kWh elektriciteit, 35.000 m3 aardgas en 7.500 m3 water. Zoals uit de aanvraag blijkt, overschrijden het elektriciteit- en aardgasverbruik eerdergenoemde grenzen van 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen of 50.000 kWh elektriciteit. Uit het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag (hoofdstuk 15: Rubriek Energie) blijkt dat de binnen de branche gebruikelijke energiebesparende maatregelen reeds zijn, dan wel worden getroffen.
Het in de vergunning voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. In de vergunning is alleen een voorschrift opgenomen dat het energieverbruik moet worden geregistreerd. Dit voorschrift moet leiden tot meer inzicht in het energieverbruik. Waterbesparing (leiding- en grondwater)
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met water. De relevantie van waterbesparing is sterk afhankelijk is van de lokale situatie. Per situatie zal beoordeeld moeten worden of maatregelen voor het aspect water relevant zijn of niet. Het vigerende lokale beleid is dan richtinggevend. Omdat door het bevoegd gezag geen specifiek beleid is vastgesteld wordt vooralsnog, in overeenstemming met de 'oude' 8.40 Amvb’s, een jaarlijks waterverbruik van ten minste 5.000 m3 per jaar als ondergrens gehanteerd. In het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ bij de aanvraag (hoofdstuk 16: Rubriek Water) is het jaarlijkse waterverbruik opgenomen. In de aanvraag is niet aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van waterbesparing. Waterbesparing wordt in belangrijke mate gerealiseerd door toepassing van de stand der techniek. Waterbesparende voorzieningen zijn in ruime mate beschikbaar en nauwelijks duurder dan de klassieke niet-waterbesparende alternatieven. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie dienen dan ook altijd de waterbesparende voorzieningen, conform de stand der techniek, te worden toegepast. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt het waterverbruik meer dan 5.000 m3 per jaar.
Belangrijkste gebruiksdoelen zijn drinkwater voor de dieren, privédoeleinden, sanitaire voorzieningen en ten behoeve van schoonmaakwerkzaamheden. Om te kunnen leven en produceren hebben de dieren een minimale hoeveelheid drinkwater nodig. De stand der techniek is dat automatisch maatregelen worden getroffen om het morsen en verspillen van water te voorkomen. Extra waterverbruik geeft meer mest dat op
27
verantwoorde wijze moet worden afgevoerd. Daarnaast worden de stallen na elke mestronde gereinigd met een hogedrukreiniger. Wanneer deze verbruiksvormen buiten beschouwing worden gelaten bedraagt het waterverbruik minder dan 5.000 m³ per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een waterbesparingsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. In de vergunning is alleen een voorschrift opgenomen dat het waterverbruik moet worden geregistreerd. Afvalpreventie
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie. Afvalpreventie is in ieder geval relevant bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen. In de aanvraag zijn de afvalstromen aangegeven die binnen de inrichting vrijkomen. In de aanvraag is niet aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van afvalpreventie. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt de hoeveelheid gevaarlijk afval minder dan 2,5 ton per jaar en de hoeveelheid bedrijfsafval minder dan 25 ton per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een afvalpreventieonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verkeer en vervoer
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect verkeer en vervoer. Bij meer dan 100 werknemers of meer dan 500 bezoekers per dag of meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer of meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders worden voorschriften ten aanzien van verkeer en vervoer relevant geacht. In de voorliggende situatie worden deze grenzen niet overschreden. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig.
1.10 Geluid en trillingen Algemeen
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door transportbewegingen en ventilatoren. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Geurts Technisch Adviseurs, d.d. 12 juni 2019 nr. 8.5337. Het geluid is beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt), alsmede de incidentele bedrijfssituatie (de geluidemissie die de inrichting niet meer dan 12 x per jaar veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". De inrichting ligt in de gemeente Haaksbergen. In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag-, avond- en nachtperiode. De berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus voor de representatieve bedrijfssituatie bedragen ten hoogste 38/35/30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van
28
geluidgevoelige objecten in de directe omgeving van de inrichting. Omdat ventilatorgeluid bepalend is voor de berekende geluidsbelasting en ten aanzien van de brongeluidniveaus voor bedrijfsduurcorrectie en afscherming correcties zijn berekend tot -18 dB(A) in de nachtperiode zal na in werking brengen van de installaties middels een controlemeting worden aangetoond dat overeenkomstig de uitgangspunten van het onderzoek wordt gewerkt. Gemeente Haaksbergen heeft beleid voor industrielawaai vastgelegd in de nota Industrielawaaibeleid Haaksbergen, Buitengebied d.d. 18 mei 2005. De geluidsbelasting is aan deze nota getoetst. Aan de streefwaarde uit deze nota wordt voldaan in de zowel representatieve bedrijfssituatie als in de incidentele bedrijfssituaties. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen. Voor deze inrichting is dit niet op alle ontvangerpunten toereikend. De optredende maximale geluidniveaus hebben betrekking op transportbewegingen op het terrein van de inrichting of op de toegangswegen die moeten worden gezien als onderdeel van de inrichting. Het tegengaan van de overschrijdingen van de streefwaarde is in dit geval niet doenlijk aangezien deze worden veroorzaakt door rijdende vrachtwagens op het terrein. De vrachtwagens zijn eigendom van derden en voldoen aan de BBT voor voertuigen met verbrandingsmotoren.
29
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan deze waarden wordt ruimschoots voldaan in zowel de representatieve bedrijfssituatie als de incidentele bedrijfssituaties. De optredende maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 49 dB(A) in de dagperiode en 52 dB(A) in de avond- en nachtperiode ter plaatse van de woning aan de Eibergsestraat. Bij de overige woningen bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 44 dB(A) in zowel de dag-, de avond- en nachtperiode. Gesteld kan worden dat sprake is van geheel acceptabele maximale geluidniveaus. Indirecte Hinder
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De geluidbelasting als gevolg van verkeer van en naar de inrichting bedraagt op de gevel van de meest maatgevende woning ten hoogste 38/40/37 dB(A) in respectievelijk de dag-, de avond- en nachtperiode. De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee niet overschreden. Bijzondere situaties
Voor incidentele bedrijfssituaties, dat wil zeggen situaties die slechts een beperkt aantal dagen per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ruimere grenswaarden worden gesteld. Incidentele bedrijfssituaties De vergunninghouder vraagt vergunning voor een incidentele bedrijfssituatie; een situatie die zich maximaal 12 maal per jaar voordoet. Het betreft activiteiten gedurende de dag- en avondperiode een beperkt aantal dagen per jaar. De incidentele activiteiten hebben betrekking op het periodiek verzamelen en afvoeren van vaste mest gedurende ten hoogste 8 dagen per jaar en het inkuilen gedurende ten hoogste 4 dagen per jaar. Hierdoor zal een (licht) verhoogde geluidsproductie plaatsvinden.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de optredende geluidbelastingen in de incidentele bedrijfssituaties in alle gevallen voldoen aan de streefwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau en slechts een beperkte toename van de optredende geluidniveaus tot gevolg heeft. Gelet op bovenstaande en het incidenteel voorkomen van deze bedrijfssituatie, kunnen wij deze toestaan. Wij hebben deze activiteiten uitgezonderd van de geluidsgrenswaarden, zoals genoemd in de voorschriften 1.5.2.1 en 1.5.3.1. Conclusies
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieuhygiënisch gezien aanvaardbaar.
30
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen. Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten. Omdat de incidentele bedrijfssituatie slechts de afwijking van de representatieve bedrijfssituatie beschrijft zijn voor die situatie alleen de cumulatieve geluidbelastingen voor de ontvangerpunten bepaald. In de nachtperiode gelden alleen de geluidbelastingen in de representatieve bedrijfssituatie.
Omdat bij de berekeningen aannamen zijn gedaan ten aanzien van de geluidreductie van de ventilatoren en juist wordt voldaan aan de streefwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid is aan de voorschriften een controleverplichting verbonden voor de toetsing of de inrichting na de aangevraagde revisie voldoet aan de berekende waarden. Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillingshinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen is daarom niet nodig. Ook is het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
1.11 Bodem Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op de gehele inrichting, omdat de inrichting een IPPC-installatie is. Doordat de betreffende artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen bodemvoorschriften in de vergunning opgenomen. De maatregelen en voorzieningen voor de volgende activiteiten zijn niet beoordeeld, omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld: - het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen (artikelen 3.23a tot en met 3.25); - opslaan en overslaan van goederen (artikelen 3.31 tot en met 3.40); - opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (artikelen 3.45 tot en met 3.49); - houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven (artikel 3.122).
1.12 Luchtkwaliteit De aanvraag is getoetst aan hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (‘Wet luchtkwaliteit’). De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De stof NO2 komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat nauwelijks NO2 wordt uitgestoten. Aan de grenswaarden, die voor overige stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden.
31
In de Wet milieubeheer is de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) in de lucht gesteld op 40 µg/m3. De dagnorm voor PM10 bedraagt 50 µg/m3. De dagnorm mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden. De beoordelingspunten liggen conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) op plaatsen buiten de inrichtingsgrens waar het publiek toegang heeft en waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt (het zgn. blootstellingscriterium). Het gaat om blootstelling gedurende een periode, die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is. Een plaats met significante blootstelling is bijvoorbeeld een woning, een school of een sportterrein. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen, (Besluit NIBM)' en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen, (Regeling NIBM)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin- en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld.
In mei 2010 is de definitieve ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer een uitbreiding of oprichting van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Op grond van artikel 2, lid 2 van het Besluit NIBM kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM. Het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd ligt niet in een aangewezen gebied en/of is niet aangewezen als bron. Met behulp van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij, vastgesteld door de minister van IenM is voor het bedrijf bepaald wat de totale toename aan fijn stofemissie is. De totale fijn stofemissie op basis van het vergund recht bedraagt 3.360.016 gram/jaar. Op basis van de aanvraag bedraagt de emissie 3.737.160 gram/jaar (zie tabellen 1 en 2). De toename van fijn stof bedraagt 3.77.144 gram/jaar. De kortste afstand van een emissiepunt op het bedrijf tot een object dat bescherming behoeft, bedraagt circa 190 meter. Het betreft de woning op het perceel Eibergsestraat 262 in Haaksbergen. In de hierna volgende tabel, afkomstig uit paragraaf 2.2 van de 'Handreiking fijn stof en veehouderijen' is aangegeven wanneer sprake is van een NIMB-bijdrage.
Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom, dan is er in overeenstemming met de 'Handreiking fijn stof en veehouderijen' sprake van een NIMBbijdrage.
32
Tabel 2: NIBM-bijdrage Afstand tot te toetsen plaats
70 m.
80 m.
90 m.
100 m.
120 m.
140 m.
160 m.
Totale emissie in g/jr van uitbreiding/oprichting
324.000
387.000
473.000
581.000
817.000 1.075.000 1.376.000
Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter sprake is van een NIBM- bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. Aangezien de toename 377.144 gram/jaar bedraagt en de afstand tot een te beoordelen object 190 meter bedraagt, is er sprake van een NIBM- bijdrage. Wijziging Regeling beoordeling luchtkwaliteit Met betrekking tot de cumulatiebeoordeling van het fijn stofaspect is op 1 januari 2019 de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. De wijziging gaat over het verplicht uitvoeren van een gedetailleerde berekening bij de toetsing van fijnstof. Het doel van deze gedetailleerde berekening is het beter in beeld brengen van het effect van meerdere veehouderijen bij elkaar. De gewijzigde regeling is alleen verplicht voor aanvragen bij veehouderijen met een totale emissie van fijn stof van meer dan: - 500 kilogram per jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3; - 800 kilogram per jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. De onderhavige inrichting ligt in een gebied met een achtergrondconcentratie van minder dan 18 µg/m3 (bron: RIVM, Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarden Nederland (GCN en GDN). Dit is lager dan de drempelwaarde van 27 µg/m3. De totale emissie aan fijn stof van deze inrichting bedraagt in de aangevraagde situatie 3.737,160 kg/jaar.
Dit is hoger dan de drempelwaarde van 800 kg/jaar. Het kenniscentrum Infomil van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert op de website het volgende: een gedetailleerde cumulatieberekening is alleen dan noodzakelijk, indien binnen een straal van 500 meter van een emissiepunt van het bedrijf andere pluimveebedrijven en/of varkensbedrijven zijn gelegen met een totale emissie van fijn stof van meer dan 800 kg/jaar. Binnen 500 meter van een emissiepunt van het bedrijf liggen enkel kleinschalige veehouderijbedrijven met paarden en melkrundvee. Deze veehouderijen hebben een fijnstof emissie die kleiner is dan 800 kg/jaar. Om die reden is een nadere cumulatiebeoordeling van het fijnstof aspect niet nodig. Conclusie Op grond van fijn stofemissie afkomstig van het bedrijf is er geen reden de gevraagde vergunning op dit aspect te weigeren.
1.13 Volksgezondheid. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu dienen de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid ten gevolge van een veehouderij te worden betrokken. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, dienen deze risico’s gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. Het is echter vaste jurisprudentie van de Afdeling dat, nu er geen wetenschappelijk bewijs is voor een relatie tussen de veehouderij en dergelijke risico’s, er geen reden is om een omgevingsvergunning milieu voor een (intensieve) veehouderij te weigeren. Dit wordt bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van (ondermeer) 17 mei 2017, (201607199/1/A1) en van 5 juli 2017 (201604472/1/A1).
33
Het gepubliceerde VGO rapport3 (Veehouderij en gezondheid Omwonenden) betreft een onderzoek dat is uitgevoerd in Noord Brabant en Limburg. Met het onderzoek zijn in het algemeen verbanden onderzocht tussen wonen bij veehouderijen en gezondheid. Uit het onderzoek blijkt dat er effecten zijn te onderscheiden. Sommige zijn negatief andere zijn positief. Op basis van alleen het VGO-onderzoek kan niet worden vastgesteld of dit oorzakelijke verbanden zijn. De gegevens uit het onderzoek gelden voor dit onderzoeksgebied, met de specifieke kenmerken voor dit gebied. Dat zijn bijvoorbeeld de hoeveelheid (achtergrond)lucht-verontreiniging, aantal veehouderijen, typen bedrijven en kenmerken van de bevolking. Daarom kunnen de resultaten niet altijd eenvoudig vertaald worden naar andere gebieden in of buiten Nederland, al zullen de resultaten voor veel andere gebieden met veehouderij zeker relevant zijn. Het VGO-onderzoek geeft dan ook geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Afdeling volgt met haar uitspraken. Voor de verschillende milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zoals geur, fijn stof, geluid en ammoniak zijn wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders gevormd op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen.
De aangevraagde vergunning voldoet aan de toetsingskaders voor geur, fijn stof, geluid en ammoniak. Er zijn dan ook geen redenen om aan te nemen dat de gevraagde verandering leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid. Wij vinden het daarom niet noodzakelijk om vanwege volksgezondheidsrisico’s aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden.
1.14 Bedrijfsafvalwater Het toetsingskader
Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wabo. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten
Binnen de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij: - huishoudelijk afvalwater; - reinigingswater vanwege: o het reinigen van de stallen; o het reinigen van veewagens; - hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen.
3 (RIVM Rapport 2016-0058, juli 2016)
34
Maatregelen en voorzieningen
De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld, omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld: - het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening paragraaf 3.1.3; - het lozen van huishoudelijk afvalwater op locatie, paragraaf 3.1.4; - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen, paragraaf 3.3.2 (artikelen 3.23a tot en met 3.25); - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3.127. Het vrijkomende afvalwater bij het schoonmaken van veewagens (inwendig reinigen) mag niet worden geloosd in de bodem en/of het oppervlaktewater en/of op de riolering. Het afvalwater afkomstig van de spoelplaats wordt geloosd in de opvangkelders. Het niet verontreinigde hemelwater wordt geloosd op de nabij gelegen sloot. Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. Beoordeling en conclusie Voor een aantal specifieke afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen.
Met betrekking tot de andere afvalwaterstromen blijkt uit de beoordeling van de aanvraag dat door het bedrijf voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen.
1.15 Veiligheid Opslag bestrijdingsmiddelen
De maximaal 20 kg bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen in een speciaal daarvoor bestemde container in gebouw nr. 7 op plattegrondtekening (de werktuigenberging). De opslag moet voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (artikel 18). Opslag reinigingsmiddelen
De reinigingsmiddelen worden opgeslagen in twee daarvoor bestemde cans van elk 60 liter in gebouw nr. 7 op plattegrondtekening (de werktuigenberging). De opslag moet voldoen aan de gestelde vergunningvoorschriften die zijn overgenomen uit paragraaf 4.1.1 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 4.1.1 van de bijbehorende ministeriële regeling (Activiteitenregeling). Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten én zijn afgeleid van de PGS 15.
1.16 Overige aspecten Koeling
Binnen de inrichting is een kadaverkoeling aanwezig met het type koudemiddel R134a met een hoeveelheid van 1 kg. De koelmotor hiervan heeft een vermogen van 0,7 kW. Daarnaast is binnen de inrichting een tweede kadaverkoeling aanwezig met het type koudemiddel R407c met een hoeveelheid van 0,6 kg. De koelmotor hiervan heeft een vermogen van 1,5 kW.
35
De kadaverkoelingen moeten voldoen aan de F-gassenverordening (Verordening (EU) nr. 517/2014) en aanvullend aan het Besluit- en de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen. Omdat de F-gassenverordening en voornoemd Besluit en Regeling een rechtstreekse werking hebben, zijn hiervoor geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Ten aanzien van de twee aanwezige kadaverkoelingen is uitsluitend een voorschrift opgenomen met betrekking tot de toegankelijkheid van de koelinstallatie. Noodstroomaggregaat
Binnen de inrichting is een noodstroomaggregaat aanwezig, die is voorzien van een ingebouwde tank voor de opslag van dieselolie. In paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden eisen gesteld aan de opslag van gasolie in een bovengrondse tank. Deze voorschriften gelden echter niet voor tanks die onderdeel uitmaken van installaties, zoals bijvoorbeeld een noodstroomaggregaat. Op een noodstroomaggregaat is paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit ten dele van toepassing. Het betreft artikel 3.10o. Dit artikel heeft het beschermen van de bodem tot doel. Op de aangevraagde noodstroomaggregaat zijn geen voorschriften met betrekking tot externe veiligheid van toepassing. Andere regels en wetten
Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.
36
Bijlage 1. :
Berekening ammoniak, geur en fijnstof vergund Ammoniakemissie
Stal 1 2 3 4 5 6 7 9
Rav- en BWL-code E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem K 1.100, overig huisvestings-systeem
Totaal
Diercate-gorie Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Paarden, 3 jaar en ouder
Geuremissie
Fijn stofemissi
Aantal Totaal Totaal dieren Ammoniak-emissie-factor ammoniak Geur-emissie-factor geur 34.560 0,021 725,76 0,33 11.404,80 0,33 11.404,80 34.560 0,021 725,76 0,33 14.572,80 44.160 0,021 927,36 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 2
5,0
10,00
5.071,36
-
0
50.400,24
Fijn stof e-missie-factor 22 22 22 22 22 22 22 -
T
7 7 9 2 2 2 2
Bijlage 2. :
Berekening ammoniak, geur en fijnstof aangevraagd Ammoniakemissie
Stal 1 2 3 4 5 6 7
9
Rav- en BWL-code E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 K 1.100, overig huisvestingssysteem K 2.100, overig huisvestingssysteem K 1.100, overig huisvestingssysteem K 2.100, overig huisvestingssysteem
Diercategorie Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens
Geuremissie
Fijn stofemissie
Aantal Totaal dieren Ammoniak-emissie-factor ammoniak Geur-emissie-factor 34.560 0,021 725,76 0,33 0,33 34.560 0,021 725,76 0,33 44.160 0,021 927,36 0,33 27.500 0,021 577,50
Vleeskuikens
Totaal Fijn stof Totaal fijn geur e-missie-factor stof 11.404,80 22 760.320,00 11.404,80 22 760.320,00 14.572,80 22 971.520,00 9.075,00
15 412.500,00
9.735,00
15 442.500,00
8.580,00
15 390.000,00
0,33 29.500
0,021
619,50
26.000
0,021
546,00
4
5,0
20,00
-
-
-
-
4
2,1
8,40
-
-
-
-
2
5,0
10,00
-
-
2
2,1
4,20
-
-
Vleeskuikens
0,33
Paarden, 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar Totaal
4.164,48
38
64.772,40
-
-
3.737,160
Bijlage 3. :
Bijlage 3: Verschil vergund en aangevraagd Vergunde situatie
Voorgenomen situatie
Vleeskuikens Paarden 3 jaar en ouder Paarden in opfok
152.728 2
196.280 6
+43.552 +4
0
6
+6
Ammoniak (kg NH3) Geur (ouE/m3) Fijnstof (gram/jaar)
5.071,36 50.400,24 3.360,016
4.164,48 64.772,40 3.737,160
-906,88 +14.372,16 +377,144
39
Verschil
Bijlage 4. :
Bijlage 4: Controleberekening rekenresultaten V-Stacks Vergunning
Naam van de berekening: Eibergsestraat 211 Haaksbergen Gemaakt op: 27-08-2020 10:54:19 en Rekentijd: 0:00:04 Berekende ruwheid: 0,35 m en Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. EP Hoogte Gem.geb. hoogte EP Diam. EP Uittr. snelh. E-Aanvraag
1
Stal 1
243 582
460 899
5,0
4,0
0,73
4,00
11 405
2
Stal 2
243 567
460 883
5,0
4,0
0,73
4,00
11 405
3
Stal 3
243 536
460 894
2,2
4,6
3,35
0,40
14 573
4
Stal 4
243 647
460 832
4,7
5,1
3,82
0,40
9 075
5
Stal 5
243 633
460 815
4,7
5,1
3,82
0,40
9 735
6 Stal 6 243 612 Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID
460 793
4,7
5,1
3,82
0,40
8 580
Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting
7
Vloedsteegweg 1-Z 243 420
461 314
14,0
4,0
8
Zandpaalweg 3
243 990
460 160
14,0
1,5
9
Eibergsestraat 264
243 225
461 012
14,0
4,8
10
Eibergsestraat 262
243 268
461 084
14,0
6,1
40
Gemeentehuis Haaksbergen Postbus 102 7480 AC, Blankenburgerstraat 28 7481 EB Haaksbergen, Tel: (053) 573 45 67, Fax: (053) 572 80 75 www.haaksbergen.nl gemeente@haaksbergen.nl Kijk voor openingstijden en het maken van een afspraak op www.haaksbergen.nl IBAN NL56 BNGH 028.50.03.194
BIJLAGE 4
VOORSCHRIFTEN OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN
De bijlage bij deze omgevingsvergunning bevat de voorschriften voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: - Bouwen - Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening - Milieu
(artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo)
VOORSCHRIFTEN ‘BOUWEN’ EN ‘HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RO’ 1.
Uitvoering moet plaatsvinden overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekeningen.
2.
Het bouwen moet geschieden overeenkomstig de in aanmerking komende bepalingen van de Bouwverordening en het Bouwbesluit.
3.
Met het bouwen mag niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders het straatpeil is aangegeven c.q. de rooilijn en/of bebouwingsgrenzen op het terrein zijn uitgezet.
4.
Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van elk van de hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: - de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; - de aanvang van het inbrengen van funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; - de aanvang van de grondverbetering werkzaamheden. - het storten van beton (i.v.m. het vooraf keuren van de wapening)
5.
Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden gesteld.
6.
Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft dient het einde van die werkzaamheden schriftelijk bij bouwtoezicht gemeld te worden.
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 42 van 56
VOORSCHRIFTEN ‘MILIEU’
I.
VOORSCHRIFTEN
1
IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING
1.1.
ALGEMEEN
1.1.1. Gedragsvoorschriften 1.1.1.1. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.1.2. Alle binnen de inrichting aanwezige machines, installaties en voorzieningen moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn. 1.1.1.3. Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. 1.1.1.4. De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 1.1.1.5. Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.1.6. In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 12 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1.1.1.7.
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1.1.1.8. Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd. 1.1.1.9.
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 43 van 56
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
1.1.2. Registratie en onderzoeken 1.1.2.1. In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieu-onderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet ten minste de volgende informatie zijn opgenomen: De resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties, metingen, registraties en onderzoeken (zoals afvalpreventie-onderzoek, keuringen van brandblusmiddelen, visuele inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bodemonderzoek, energiebesparingsonderzoek, akoestisch onderzoek, (periodieke) keuring LPG-installatie, keuringen van tanks, keuringen van stookinstallaties, etc): • meldingen van ongewone voorvallen, die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; • registratie van het energie- en waterverbruik; • registratie incidentele bedrijfssituaties • metingen en storingen nageschakelde technieken; • registratie van klachten van derden omtrent milieu-aspecten en daarop ondernomen acties; • registratie aantal dieren; • registratie afvoer van mest. 1.1.2.2.
De in het vorig voorschrift bedoelde informatie moet in ieder geval tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerst volgende meting, keuring, controle of analyse, maar ten minste gedurende 5 jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage gehouden voor de daartoe bevoegde ambtenaren.
1.1.3. 1.1.4. Bedrijfsbeëindiging 1.1.4.1. Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze en in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.1.4.2. Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindiging van (één van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
1.2.
AFVALSTOFFEN
1.2.1. Afvalscheiding 1.2.1.1. Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: • de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen; • asbest; • papier en karton;
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 44 van 56
• • • •
kadavers; elektrische en elektronische apparatuur kunststoffolie; overig bedrijfsafval.
1.2.1.2. Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.
1.2.2. Opslag van afvalstoffen 1.2.2.1. De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 1.2.2.2. De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: • niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; • het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; • deze tegen normale behandeling bestand is; • deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 1.2.2.3. Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen, dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
1.2.3. Aanvullende voorschriften opslag van afvalstoffen 1.2.3.1. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.
1.2.4. Aanvullende voorschriften behandeling van afvalstoffen 1.2.4.1. Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden. 1.2.4.2. Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten direct worden opgeruimd en opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage. 1.2.4.3. In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven in het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 45 van 56
aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite..
1.3.
ENERGIE
1.3.1. Voorschriften energiegebruik 1.3.1.1. Het jaarlijks energieverbruik moet worden geregistreerd. Er kan worden volstaan met het bewaren van de energienota's. De vergunninghouder houdt deze gegevens vijf jaar in het bedrijf ter inzage voor het bevoegd gezag. 1.3.1.2. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. 1.3.1.3. Vergunninghouder mag een energiebesparingsmaatregel, zoals is opgenomen het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ d.d. 27 februari 2020 (versie 2) vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid vooraf aan het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiency en geen stijging geeft van de milieubelasting groter dan die van de vervangen maatregel.
1.4.
WATER
1.4.1. Registratie 1.4.1.1. Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).
1.5.
GELUID
1.5.1. Algemeen 1.5.1.1. Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
1.5.2. Representatieve bedrijfssituatie 1.5.2.1. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Beoordelingspunt en omschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag (1,5 meter)
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
Avond (5 meter)
Nacht (5 meter)
pagina 46 van 56
07.00 -19.00 uur
19.00 -23.00 uur
23.00 -07.00 uur
01 Eibergsestraat 207
33
35
30
02 Eibergsestraat 213
37
35
28
03 Eibergsestraat 213
38
35
28
04 Eibergsestraat 215
34
32
25
05 Eibergsestraat 215
34
32
25
C01
41
38
31
C04
40
40
36
C07
42
42
37
C10
42
42
35
1.5.2.2. Het maximale geluidsniveau LAmax. veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving
Maximaal geluidniveau LAmax in dB(A) Dag (1,5 meter)
Avond (5 meter)
Nacht (5 meter)
07.00 -19.00 uur
19.00 -23.00 uur
23.00 -07.00 uur
01 Eibergsestraat 207
49
52
52
02 Eibergsestraat 213
44
44
44
03 Eibergsestraat 213
44
44
44
04 Eibergsestraat 215
40
40
40
05 Eibergsestraat 215
41
40
40
C01
49
52
52
C04
46
48
48
C07
50
56
56
C10
44
48
48
1.5.3.
1.5.4. Incidentele situaties 1.5.4.1. In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 1.5.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT veroorzaakt de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief het inkuilen van ruwvoer en het periodiek afvoeren van vaste mest gedurende maximaal 12 dagen per jaar, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag (1,5 meter)
Avond (5 meter)
Nacht (5 meter)
07.00 -19.00 uur
19.00 -23:00 uur
23.00 -07.00 uur
01 Eibergsestraat 207
36
35
30
02 Eibergsestraat 213
39
35
28
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 47 van 56
03 Eibergsestraat 213
40
35
28
04 Eibergsestraat 215
36
32
25
05 Eibergsestraat 215
36
32
25
C01
44
38
31
C04
41
40
36
C07
47
42
37
C10
43
42
35
1.5.4.2. Binnen drie maanden na het inwerking brengen van de inrichting dient door middel van controlemetingen aan de ventilatoren te worden getoetst aan de toegepaste uitgangspunten in het akoestisch onderzoek. Het bevoegd gezag dient per omgaande een afschrift van het akoestisch rapport te ontvangen. In overleg met het bevoegd gezag wordt een saneringstermijn afgesproken indien ten opzichte van de hier gehanteerde uitgangspunten afwijkingen worden geconstateerd die leiden tot overschrijding van de aan deze vergunning verbonden geluidvoorschriften.
1.6.
AGRARISCH AFVALWATER
1.6.1. Afvalwater algemeen 1.6.1.1. Het waterverbruik moet worden beperkt. Hiertoe moet, tenzij dit om technische of organisatorische redenen niet mogelijk is, gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger.
1.6.2. Wasplaats landbouwwerktuigen en veewagens 1.6.2.1. Afvalwater afkomstig van het schoonmaken van wasplaats mag niet in de riolering worden gebracht. Ook het rechtstreeks lozen van het opgevangen (verontreinigd) afvalwater op of in de bodem (puntlozing) of op het oppervlaktewater is niet toegestaan.
1.6.2.2. Afvalwater afkomstig van het schoonspuiten van de wasplaats moet worden afgevoerd naar de mestkelder. Het verontreinigd spoel- en schrobwater moet via een gesloten leiding kunnen afwateren naar een niet van overstort voorziene opslagruimte. De leiding en de vloer en wanden van de opslagvoorziening moeten vloeistofkerend zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigingsmiddel.
1.6.2.3. De opvanggoot (slibvangput) in de wasplaats moet na elke reiniging worden ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc.
1.7.
HET HOUDEN VAN DIEREN
1.7.1. Algemeen 1.7.1.1. In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn:
Stal
Diercategorie/huisvestingssysteem
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
Aantal dieren
pagina 48 van 56
1, 2 en 3 4, 5 en 6 7 9
Vleeskuikens, E 5.11/BWL 2010.13.V7 Vleeskuikens, E 5.11/BWL 2010.13.V7 in combinatie met E 7.6/BWL 2011.02.V6 Volwassen paarden, 3 jaar en ouder K 1.100 Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar K 2.100 Volwassen paarden, 3 jaar en ouder K 1.100 Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar K 2.100
113.280 83.000 4 4 2 2
1.7.1.2. Ramen en deuren van stallen moeten gesloten worden gehouden voor zover ze geen functie hebben voor luchtinlaat of het doorlaten van personen, dieren, vaste mest of goederen. 1.7.1.3. Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard
1.8.
OPSLAG EN BEHANDELING VAN MEST (DROGE, VASTE, DRIJF- EN KUNSTMEST)
1.8.1. Behandeling en bewaring van pluimveemest 1.8.1.1. Tijdens de productieronde dient de vaste pluimveemest afkomstig van de vleeskuikens in de stallen 1 t/m 6 op plattegrondtekening binnen deze stallen te worden bewaard. Na elke productieperiode moet deze mest binnen een week uit de stal worden verwijderd en uit de inrichting worden afgevoerd naar een erkende verwerker. 1.8.1.2. Indien na een productieronde de vaste pluimveemest afkomstig uit de stallen 1 t/m 6 op plattegrondtekening wordt verzameld, dan dient dit te geschieden op een mestdichte vloer en dient deze mest dezelfde dag, of uiterlijk de volgende dag, uit de inrichting te zijn verwijderd. Wanneer de mest niet direct wordt verwijderd dient deze te worden afgedekt.
1.9.
BESTRIJDINGSMIDDELEN
1.9.1. Bewaring bestrijdingsmiddelen 1.9.1.1. Op de deur van een kast moet met duidelijk leesbare letters het opschrift "BESTRIJDINGSMIDDELEN, VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN, OPEN VUUR EN ROKEN VERBODEN" zijn aangebracht, en een afbeelding van een doodshoofd van ten minste 60 mm hoogte. 1.9.1.2. De elektrische installatie in een bewaarplaats moet zijn vervaardigd van materiaal dat voldoende tegen chemische invloeden bestand is of daartegen is gevrijwaard. BIJLAGE: BEGRIPPEN ** VOOR ZOVER EEN DIN-, NEN-, NEN-EN-, OF NEN-ISO-NORM, ...: Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NEN-ISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR, PGS of NPR, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is -de norm, BRL, CPR, PGS, NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.
Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen
pagina 49 van 56
Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking, termen en definities voor bouw- en sloopafval) gegeven verklaringen en definities. BESTELADRESSEN: publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties: - AI-bladen bij: SDU Service, afdeling Verkoop Postbus 20025 2500 EA DEN HAAG telefoon (070) 378 98 80 telefax (070) 378 97 83 www.sdu.nl - BRL-richtlijnen bij: KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 AB RIJSWIJK telefoon (070) 414 44 00 telefax (070) 414 44 20 InfoMil is het informatiecentrum in Nederland over milieu wet- en regelgeving. www.infomil.nl ADR: Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route. AFVALSTOFFEN: Het begrip afvalstoffen is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer: Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AS SIKB 6700: Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement.