(ONTWERP-) OMGEVINGVERGUNING WABO 54 (anoniem)
Tekst van het document
Uw kenmerk : 4980251 Uw datum : 27 februari 2020 Behandeld door : Doorkiesnummer : 053-5734567
Ons kenmerk : D-106521 Zaaknummer : Z/20/015590 Aantal bijlagen : Datum :
Onderwerp: ontwerp-omgevingsvergunning voor het herbouwen van drie emissiearme pluimveestallen
Geachte
,
Op 27 februari 2020 hebben wij uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen. Uw aanvraag is geregistreerd onder nummer Z/20/015590. Wij zijn voornemens om, op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het volgende besluit te nemen op uw aanvraag.
ONTWERPOMGEVINGSVERGUNNING ONTWERPBESLUIT Burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen zijn voornemens om de omgevingsvergunning te verlenen voor het herbouwen van drie emissiearme pluimveestallen op het perceel Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen, kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie G, nummer 1690. De omgevingsvergunning wordt verleend onder de voorwaarde dat de bij deze beschikking behorende bijlagen en gewaarmerkte stukken deel uitmaken van de vergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende activiteiten: - Bouwen - Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening - Milieu
(artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo)
De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd. Voor de inhoud en motivering van de omgevingsvergunning verwijzen wij u naar de bijgevoegde bijlagen.
Ter inzagelegging ontwerpbeschikking De aanvraag met bijbehorende stukken en het ontwerpbesluit worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 9 april 2021 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzagelegging kan iedereen schriftelijk zienswijzen indienen. Deze zienswijzen moeten worden gericht aan burgemeester en wethouders (Postbus 102, 7480 AC Haaksbergen). Zienswijzen kunnen ook mondeling worden ingebracht. Hiervoor kan telefonisch een afspraak worden gemaakt met de administratie van het taakveld Vergunningen, telefoonnummer (053) 57 34567. Na de termijn van terinzagelegging zal een definitief besluit worden genomen. Tegen dit uiteindelijke besluit kan alleen door een belanghebbende beroep worden ingesteld en deze tijdig een zienswijze heeft ingebracht tegen het ontwerpbesluit (of kan aantonen dat deze daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest). Beroep Tegen dit besluit kan een belanghebbende, die een zienswijze heeft ingediend, beroep instellen bij de Rechtbank Overijssel. Meer informatie hierover kunt u vinden in de bijlage bij dit besluit. Gemachtigde U ontvangt deze stukken omdat de aanvrager (= vergunninghouder) u gemachtigd heeft om de aanvraag voor een omgevingsvergunning te verzorgen. U dient er voor te zorgen dat deze de stukken in zijn bezit krijgt.
Leges De factuur met de legeskosten wordt aan de vergunninghouder separaat toegezonden door het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente. Vragen? Heeft u nog vragen over dit ontwerpbesluit dan kunt u contact opnemen met de heer R. ten Donkelaar van de afdeling Dienstverlening, telefoonnummer 053 - 5734567
Met vriendelijke groet, Namens burgemeester en wethouders
Seniormedewerker Vergunningen
2
BIJLAGE 1
DOCUMENTEN OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN
Overzicht van de bij de beschikking behorende documenten op bijgaande usb-stick De onderstaande documenten maken deel uit van het besluit: -
Publiceerbaar aanvraagformulier onder OLO nummer 4980251, ingediend dd. 27-02-2020. Constructie-opzet voor de nieuwbouw van drie pluimveestallen (ftv adviesburo), projectnummer 19.14020, dd. 27 november 2019. Tekening onderdeel schetsplan te herbouwen stallen, blad 2v4, dd. gew. 29-08-2019. Tekening onderdeel schetsplan te herbouwen stallen, blad 3v4, dd. gew. 29-08-2019. Betonpaneel isolatie waarden. Kwaliteitsverklaring bouwelementen van beton. Ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning WABO buitenplanse afwijking, dd. 25 februari 2010 (versie 1). Tekening onderdeel schetsplan te herbouwen stallen, blad 2v4, dd. gew. 29-08-2019. Aerius berekening situatie 1, omschrijving aanlegfase (bouw en sloop), aerius kenmerk RqSxHGyxgBB6, dd. 26 februari 2020 berekend voor natuurgebieden. Vergunning Wet Natuurbescherming, zaaknummer 5044567, kenmerk 2018/0527357, dd. 06-12-2018. Toelichting Aanvraag Wabo-milieu, dd. 27 februari 2020 (versie 2). Beschrijving van het stalsysteem, Rav-nummer BWL 2010.13.V7, dd. januari 2020. Besluit-MER-beoordeling-sept2019_pdf Vervallen Tekening onderdeel schetsplan te herbouwen stallen, projectnummer 201805-WM-SCHOTMAN, blad 1 van 1, dd. gew. 27-02-2020. Tekening onderdeel schetsplan te herbouwen stallen, blad 1v4, dd. gew. 29-08-2019. Statische berekening voor de nieuwbouw van drie pluimveestallen (ftv adviesburo), projectnummer 19.14020, dd.
27 november 2019. Aerius berekening situatie 1, omschrijving bedrijfsopzet 2018, aerius kenmerk RmoK74JgeCZf dd. 14 september 2018 berekend voor Wnb. Ventilatieberekening gevolgen omgeving, gegenereerd met ISL3a versie 2019-2, dd. 14 augustus 2019. Bijlage BTT conclusies Intensieve veehouderij, versie 2 november 2017. Beschrijving van het stalsysteem, nummer systeem BWL 2011.02.V6, dd. januari 2020. Akoestisch onderzoek (geurts technisch adviseurs bv), projectnummer 8.5337, dd. 12 juni 2019, versie 1.
3
BIJLAGE 2
PROCEDUREBESCHRIJVING OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN
Gegevens aanvrager (=vergunninghouder) Op 27 februari 2020 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: - V.O.F. Schotman en Zn. de heer . Gegevens gemachtigde De aanvrager heeft onderstaande gemachtigd om namens hem de aanvraag om een omgevingsvergunning te verzorgen. - Van Westreenen B.V. de heer . Projectomschrijving De aanvraag heeft betrekking op het vervangen van drie stallen voor emissiearme pluimveestallen. Gelet op de bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: - Bouwen - Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening - Milieu
(artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo)
Bevoegd gezag Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht zijn wij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanvraag is deze aan de hand van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) getoetst op volledigheid. Daarbij is geconcludeerd dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen.
4
Procedure en zienwijze(n) De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 Wabo. Hierin is bepaald dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing is op de voorbereiding van deze beschikking. Voorafgaand aan de terinzagelegging hebben wij in het huis-aan-huisblad Rond Haaksbergen (rubriek Gemeentenieuws) kennis gegeven van de terinzagelegging van het ontwerp van de beschikking. Daarna heeft het ontwerpbesluit vanaf 9 april 2021 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is wel/geen gebruik gemaakt. Samengevat betreft het de volgende zienswijze(n): Over deze zienswijzen merken wij het volgende op: Wet natuurbescherming Het vragen van een vvgb is niet nodig (aanhaken is niet van toepassing) wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen (vergunning en/of ontheffing op basis van de Wnb is verleend) of gevraagd op het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Verder is het aanhaken niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is. Voor het voorgenomen project is op 6 december 2018 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend.
Coördinatie Waterwet Vanuit de inrichting wordt niet verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op grond van artikel 6.2 van de Waterwet zijn directe lozingen in het oppervlaktewater vanuit IPPC-inrichtingen in beginsel vergunningplichtig. Voor diverse directe lozingen in het oppervlaktewater is de vergunningplicht vanaf 1 januari 2013 echter opgeheven. Dit geldt volgens artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit ook voor bovengenoemde lozing. Omdat het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt (paragraaf 3.1.3), is geen vergunning op grond van de Waterwet vereist. De coördinatieplicht uit paragraaf 3.5 Wabo is daarom niet van toepassing.
5
BIJLAGE 3
OVERWEGINGEN OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN
De bijlage bij deze omgevingsvergunning bevat de overwegingen voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: - Bouwen - Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening - Milieu
(artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo)
OVERWEGING ‘BOUWEN’ EN ‘HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RO’ Inleiding In artikel 2.10 Wabo is bepaald aan welke aspecten een aanvraag voor de activiteit ‘Bouwen’ moet worden getoetst. Als blijkt dat een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dan bepaald artikel 2.10, lid 2 Wabo dat de aanvraag tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Voor deze activiteit moet de aanvraag voldoen aan de toetsingsaspecten van artikel 2.12 Wabo en mag alleen worden geweigerd als toepassing van dit artikel niet mogelijk is. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing activiteit ‘Bouwen’ Bestemmingsplan Het perceel Eibergsestraat 211 te Haaksbergen maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen’ en is bestemd tot ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. In artikel 4.1 lid a onder 7 is bepaald dat de oppervlakte ten behoeve van de intensieve veehouderij ten hoogste 7.650 m2 mag bedragen. Voor het bouwplan geldt dat binnen het bouwvlak de bebouwing ten dienste van de intensieve veehouderij 8.748 m2 bedraagt. Gelet hierop is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Wij moeten vervolgens beoordelen of het mogelijk is om af te wijken van het bestemmingsplan door een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ te verlenen.
De beoordeling van uw aanvraag aan deze activiteit vindt u verderop in deze overweging.
6
Welstand Op 23 februari 2021 is voor dit bouwplan een advies aangevraagd bij Overijsselse welstandscommissie Het Oversticht. Bouwbesluit Uw aanvraag is in hoofdlijnen getoetst aan het Bouwbesluit. Volgens ons heeft u aannemelijk gemaakt dat uw plan voldoet aan het Bouwbesluit. Het voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit blijft de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder. Bouwverordening Volgens ons maakt uw aanvraag aannemelijk dat uw plan voldoet aan de Bouwverordening van de gemeente Haaksbergen. Toetsing activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ Toets aan artikel 2.12 Wabo Artikel 2.12 van de Wabo geeft de beoordelingscriteria voor het gebruik van gronden en bouwwerken samen met het bestemmingsplan. Hierbij wordt allereerst bekeken of het bestemmingsplan zelf de mogelijkheid kent om af te wijken van de voorschriften. Voor dit bouwplan kent het bestemmingsplan deze mogelijkheid niet. Vervolgens moet worden gekeken of er op basis van de bij Algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen medewerking kan worden verleend. Deze Algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor) en meer in het bijzonder artikel 4 van Bijlage II van het Bor.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder b en c Wabo, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3º van de Wabo). Ruimtelijke onderbouwing Voor het plan waarvoor een buitenplanse afwijking wordt gevraagd is een goede ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er geen ruimtelijke belemmeringen zijn voor het nemen van het gevraagde Wabo-afwijkingsbesluit. De ruimtelijke onderbouwing ‘Omgevingsvergunning WABO Buitenplanse Afwijking Eibergsestraat 211’ (voor de herbouw van 3 emissiearme pluimveestallen’ datum 25 februari 2020 (versie 1) met de bijbehorende onderzoeken is als bijlage aan dit besluit toegevoegd en maakt als zodanig onderdeel uit van de motivering van dit besluit. Procedure Wabo-afwijkingsbesluit Het plan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Wij zijn bereid toepassing te geven aan artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3º van de Wabo. Het is noodzakelijk dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen hiervoor afgeeft (voormalig projectbesluit onder de Wro).
Deze procedure, in de Wabo aangemerkt als de uitgebreide procedure, start met het vragen van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad. Ontwerpverklaring van geen bedenkingen De gemeenteraad van Haaksbergen heeft op [datum] een ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor dit plan afgegeven. Tevens heeft de gemeenteraad bepaald dat indien geen zienswijzen tegen dit ontwerpbesluit en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen
7
worden ingediend dit ontwerp als definitieve verklaring van geen bedenkingen beschouwd mag worden. Algemene regels van de provincie en het Rijk Er is niet gebleken dat uw bouwplan in strijd is met een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid van de Wet ruimtelijke ordening dan wel de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid van de Wet ruimtelijke ordening. Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ bestaat er geen bezwaar om de omgevingsvergunning voor deze activiteiten te verlenen.
OVERWEGING ‘MILIEU’ Inleiding In artikel 2.14 Wabo is bepaald aan welke aspecten een aanvraag voor de activiteit ‘Milieu’ moet worden getoetst. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Deze overweging worden hieronder verder toegelicht. 1
IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING
1.1
Aanvraag activiteit milieu
Voor de activiteit inrichting betreft deze aanvraag een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning, volgens artikel 2.6 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in verband met een verandering van de inrichting waarvoor al eerder vergunning werd verleend. De gevraagde vergunning heeft betrekking op een agrarisch bedrijf met vleeskuikens en paarden. De aanvraag heeft op basis van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage 1 bij het Bor, betrekking op een vergunningplichtige inrichting. Binnen de inrichting worden meer dan 40.000 stuks pluimvee gehouden (artikel 2.1, lid 2). Vergunning wordt gevraagd in verband met de volgende beoogde veranderingen binnen de inrichting:
8
• •
• • • • • •
het verwijderen van 4 bestaande traditionele vleeskuikenstallen en een weegruimte; het realiseren van 3 emissiearme vleeskuikenstallen (stal 4, 5 en 6 op plattegrondtekening), inclusief kantoor, kantine met sanitaire voorziening en voorruimtes/technische ruimtes; vergroten veebezetting met 43.552 vleeskuikens, 4 volwassen paarden en 6 paarden in opfok; huisvesting van 4 paarden in opfok en 4 volwassen paarden in gebouw 7; bestaande kantine wordt berging (gebouw 7 op tekening); 5 extra voersilo’s; opslag vaste mest paarden (maximaal 10 m3) overige kleine inpandige wijzigingen.
De bestaande stallen 1, 2 en 3 op plattegrondtekening blijven ongewijzigd voorzien van het huisvestingssysteem E 5.11 (BWL 2010.13). Het vergunde dieraantal in deze afzonderlijke stallen blijft ook ongewijzigd. De aanvraag bevat voor de activiteit inrichting de volgende stukken, die deel uitmaken van de vergunning: - aanvraagformulier 27 februari 2020 met aanvraagnummer 4980251; - plattegrondtekening met projectnummer 201805-WM-SCHOTMAN van 30 juli 2018 en laatst gewijzigd 27 februari 2020; - schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 1v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; - schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 2v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; - schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 3v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; - document met afbeelding van de bestaande pluimveestallen; - bijlagedocument: Toelichting Aanvraag WABO-Milieu van 27 februari 2020; - akoestisch rapport van Geurts Technisch Adviseurs van 12 juni 2019 met projectnummer 8.5337; - m.e.r.-beoordelingsbesluit van 18 september 2018 met zaaknummer Z/18/008887; - BBT-Conclusies Intensieve veehouderij (toelichting); - fijnstofberekening van 25 februari 2020; - KOMO-kwaliteitsverklaring van 1 januari 2015 met
nummer K81488/01 - AERIUS-berekening aanlegfase beoogde situatie van 26 februari 2020 met kenmerk RqSxHGyxgBB6; - AERIUS-verschilberekening gebruiksfase van 14 september 2018 met kenmerk RmoK74JgeCZf; - vergunning Wet natuurbescherming van 6 december 2018 met kenmerk 2018/0527357. Deze stukken leveren voldoende informatie op voor een goede beoordeling van de aanvraag voor de activiteit inrichting en maken deel uit van dit besluit. Omgeving van de inrichting De inrichting ligt aan de Eibergsestraat 211 in Haaksbergen, kadastraal bekend als gemeente Haaksbergen, sectie G, nummer 1690. De omgeving van de inrichting wordt aangemerkt als een agrarisch buitengebied met agrarische bedrijven en verspreid liggende burgerwoningen. Waterwet
9
Vanuit de inrichting wordt niet verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op grond van artikel 6.2 van de Waterwet zijn directe lozingen in het oppervlaktewater vanuit IPPC-inrichtingen in beginsel vergunningplichtig. Voor diverse directe lozingen in het oppervlaktewater is de vergunningplicht vanaf 1 januari 2013 echter opgeheven. Dit geldt volgens artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) ook voor bovengenoemde lozing. Omdat het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt (paragraaf 3.1.3), is geen vergunning op grond van de Waterwet vereist. De coördinatieplicht uit paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom niet van toepassing. Activiteitenbesluit milieubeheer De inrichting is op basis van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een inrichting type C. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling rechtstreeks van toepassing zijn. In de vergunning zijn alleen voorschriften voor aspecten en activiteiten opgenomen die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling.
Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: - het in werking hebben van een stookinstallatie - het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen; - opslag van mengvoer in silo’s; - opslag van kuilvoer; - opslag van vaste mest; - opslag van smeerolie; - het houden van dieren in dierenverblijven. Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling: - paragraaf 3.2.1: Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof; - paragraaf 3.3.2: Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen; - paragraaf 3.4.3: Opslaan en overslaan van goederen; - paragraaf 3.4.5: Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; - paragraaf 3.5.8: Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; - hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.3 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals hiervoor opgenomen en afdeling 2.4 met betrekking tot de gehele inrichting.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als een melding op grond van het Activiteitenbesluit. In het bijgevoegd ‘Beoordelingsverslag: In werking hebben van een inrichting’, is nader ingegaan op de concrete inhoud van de paragrafen uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn. Overwegingen
10
De aanvraag is beoordeeld aan de hand van het toetsingskader, zoals neergelegd in artikel 2.14 van de Wabo, hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij. De beoordeling is verwoord in bijgevoegd beoordelingsverslag aanvraag omgevingsvergunning, onderdeel inrichting. Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen (artikel 2.14, lid 6 van de Wabo in samenhang met artikel 5.4 van het Bor). Hierbij is rekening gehouden met de in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) aangewezen BBT-documenten. Door naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften worden de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken voorkomen, of voor zover dat niet kan, ten minste in voldoende mate beperkt of ongedaan gemaakt.
11
Beoordelingsverslag 1
MILIEU: IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING
1.1
Geldende vergunning voor het onderdeel inrichting
Voor de inrichting is op 22 april 2014 een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning volgens artikel 2.6, lid 1 van de Wabo verleend voor een vleeskuikenbedrijf met twee volwassen paarden. In Bijlage 1 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de maximale ammoniakemissie, de geuremissie (OUE/s) en de fijnstof-emissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de geldende vergunning. Het maximaal aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen.
1.2
Aangevraagde vergunning
In Bijlage 2 zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de maximale ammoniakemissie, de geuremissie (OUE/s) en de fijnstof-emissie (gram PM10 per jaar) weergegeven op basis van de aangevraagde situatie. Het maximaal aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Toepassing emissiearme (huisvestings)systemen
Ter vermindering van de emissie worden in alle vleeskuikenstallen emissiearme huisvestingssystemen toegepast. De uitvoering van de huisvestingssystemen in de nieuwe pluimveestallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening is beoordeeld aan de hand van de systeembeschrijvingen, zoals vastgelegd in de betreffende leaflets van het huisvestingssysteem. In artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit is opgenomen dat aan deze eisen moet worden voldaan. Doordat dit artikel een rechtstreekse werking heeft worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. De uitvoering van de stallen 1, 2 en 3 op plattegrondtekening is niet opnieuw technisch beoordeeld. Deze beoordeling heeft al plaatsgevonden in het kader van de op 22 april 2014 verleende omgevingsvergunning. De uitvoering van deze stallen wijzigt niet.
1.3
Besluit milieueffectrapportage
De inrichting waarvoor vergunning wordt gevraagd, betreft een project als bedoeld in bijlage II van de m.e.r.-richtlijn. M.e.r.-plicht Bij de beoordeling of een MER-plicht bestaat, dient te worden vastgesteld of de wijziging van de inrichting de in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectraportage (hierna: Besluit m.e.r) genoemde drempelwaarden overschrijdt. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 85.000 stuks mesthoenders (Rav-code E3, E4 en E5).
12
M.e.r.-beoordelingsplicht Bij de beoordeling of een m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat, dient te worden vastgesteld of de wijziging van de inrichting de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden overschrijdt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 40.000 stuks pluimvee (Rav-code E) en 100 paarden (Rav-code K1). De activiteit waarvoor vergunning wordt gevraagd heeft betrekking op de uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met in totaal 196.280 - 152.728 = 43.552 vleeskuikens (diercategorie met Rav-code E 5) en 6 - 2 = 4 paarden (diercategorie met Rav-code K 1). Dit leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, voor zover het betreft de diersoort vleeskuikens. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij besluit van 18 september 2018 hebben wij besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen.
1.4
IPPC-installatie
De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met in totaal 196.280 dierplaatsen voor vleeskuikens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 40.000 plaatsen voor pluimvee overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de Richtlijn industriële emissies (RIE) is geïmplementeerd. Bij het bepalen van de beste beschikbare technieken hebben wij rekening gehouden met het uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302 van de Europese Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. BBT conclusies intensieve veehouderij en reikwijdte Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies voor intensieve veehouderij gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de IPPC-categorie 6.6 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU.
Het gaat om de volgende categorieën: - 6.6a: veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee; - 6.6b: veehouderijen met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg; - 6.6c: veehouderijen met meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De BBT-conclusies hebben betrekking op het aanhouden van voldoende afstand tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, het gebruik van huisvestingssystemen, het optimaliseren van de wijze waarop afvoerlucht uit de stallen wordt verwijderd, het gebruik van luchtzuiveringssystemen en de opslag, het verwerken en het uitrijden van mest. In de BBT is ervoor gekozen de mestproblematiek integraal te benaderen, waardoor er ook aspecten worden behandeld (bijvoorbeeld het uitrijden van mest) die wel op het terrein van het bedrijf maar buiten de grenzen van de inrichting plaatsvinden. Alleen als er sprake is van een technische samenhang kunnen deze activiteiten onderdeel uitmaken van een installatie als bedoeld in de IPPC-richtlijn (art. 2, onderdeel 3, IPPC). Dit is doorgaans niet het geval.
13
De publicatie van de BBT-conclusies brengt met zich mee dat het bevoegd gezag binnen een termijn van vier jaar na de publicatie voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie moet toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie en, indien dit niet het geval is, de voorschriften zo nodig moet aanpassen. Ook moet de vergunninghouder de technieken binnen 4 jaar gebruiken. Is er sprake van verlening van een nieuwe omgevingsvergunning dan gelden de BBT-conclusies direct. Verhouding met nationale wetgeving: Wabo, Bor en Mor Wat betreft het beoordelingskader voor een aanvraag omgevingsvergunning milieu geldt als basis artikel 2.14, Wabo. Artikel 2.14,lid 1 onder c, sub 1, Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu in ieder geval in acht dient te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Lid 6 van artikel 2.14 van de Wabo bepaalt dat bij of krachtens AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende BBT moeten worden bepaald. Daarbij kan worden aangegeven dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.
Een nadere regeling voor het bepalen van BBT is neergelegd in het Bor en in de Mor. Op basis van artikel 5.4 van het Bor en artikel 9.2 van de Mor moet het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende BBT rekening houden met BBT-conclusies en informatiedocumenten die zijn opgenomen in de Mor. Een inrichting moet de BBT toepassen. Het kan echter zo zijn dat locatie specifieke omstandigheden vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de van toepassing zijnde BBT worden toegepast. De BBT dienen terug te komen in de emissiegrenswaarden die in een voorschrift bij de vergunning worden opgenomen. De aan de vergunning verbonden emissiegrenswaarden mogen niet hoger zijn dan de met de BBT geassocieerde emissieniveaus, zoals vastgesteld in de BBT-conclusies. Hierop bestaat een uitzondering, namelijk als het halen van de emissiegrenswaarde, zoals die in de BBT-conclusies staan, leidt tot buitensporig hoge kosten. Als hiervan sprake is kunnen minder strenge emissiegrenzen worden vastgesteld. Dit zal zelden het geval zijn, aangezien de maatregelen die in de BBT-conclusies staan ook kosteneffectief moeten zijn. Bij veehouderijen die onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen, dient naast de BBT-beoordeling ook het effect van de emissies op de omgeving te worden beoordeeld.
Voor emissies waarvoor wettelijk vastgestelde kwaliteitsnormen gelden, moet worden beoordeeld of de inrichting een overschrijding van die normen veroorzaakt. Is dat het geval dan moet gekeken worden met welke maatregelen deze overschrijding kan worden voorkomen en moet in het uiterste geval, als overschrijding niet te voorkomen is, de vergunning worden geweigerd.
14
BBT-conclusies voor Intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij bevat de volgende aspecten: Milieubeheersystemen BBT is om een milieubeheerssysteem in te voeren en na te leven. De mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de veehouderij en het scala aan eventuele millieueffecten ervan. Een IPPC-veehouderij heeft al diverse, uitgebreide, verplichtingen op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, Hoofdstuk VI, met betrekking tot het registreren van veevoer en mest. Deze administratie moet aan de Minister van Economische Zaken worden verstrekt en 5 jaar op het bedrijf worden bewaard. Deze administratie kan dienen als basis voor het milieubeheerssysteem en worden aangevuld met de administratie van het energieverbruik, waterverbruik en afvoer van afval. Onderhoud van installaties ten behoeve van het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu is al onderdeel van de zorgplicht, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. Voor specifiek het onderhouden van huisvestingssystemen voor het houden van dieren geeft artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit een nadere invulling. Bij complexe activiteiten en installaties, zoals bijvoorbeeld een vergistingsinstallatie of luchtwassers, is scholing en instructie van personeel van belang.
De administratie moet dan aangevuld worden met een scholings- en instructieprogramma. Voor specifiek luchtwassers is dit al ingevuld via de verplichte gedragsvoorschriften van artikel 3.125 Activiteitenbesluit. Conclusie De registratieverplichting voor veevoer en mest, in combinatie met de registratie voor energie, water en afval en de zorgplicht en onderhoudsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is voldoende om ook aan de eisen van de BBT-conclusie uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te voldoen voor het houden van dieren. Goede bedrijfspraktijken BBT is om alle technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie toe te passen. Alle technieken genoemd onder a. van de paragraaf ‘Goede bedrijfspraktijken’ worden via de aanvraag en de omgevingsvergunning milieu standaard meegenomen. Alle technieken onder c. vallen onder Titel 17.1 van de Wet milieubeheer ‘Maatregelen bij een ongewoon voorval’. Alle technieken onder c. zijn onderdeel van de zorgplicht, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. Voor onderdeel e. is paragraaf 3 van de Regeling dierlijke producten van toepassing. Conclusie Alle technieken uit de onderdelen a., c., d. en e. van paragraaf 1.2 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie vallen onder bestaande wet- en regelgeving. Onderdeel b., scholing en kennisgeving van personeel, is standaard bedrijfspraktijk.
Voedingsbeheer Het is BBT om stikstof- en fosfaatexcretie te beperken met voermanagement. Het is standaard landbouwpraktijk in Nederland om één van de genoemde technieken uit het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie toe te passen. Meerfasevoedering is veruit de meest gebruikte techniek, voor zowel de varkenshouderij als de pluimveehouderij. Monitoring vindt plaats met het landelijke NEMA-model (National Emission Model for Agriculture). In het rapport van Bruggen et. al. 2015 “Emissies Landbouw 1990-2013” is in bijlage 2 de stikstof- en fosfaatexcretie uit de stal en de wei per diercategorie te vinden. Hieruit blijkt dat de normale landbouwpraktijk voldoet aan BBT. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt de NEMA-resultaten in de berekening van de hoeveelheid mineralen in dierlijke mest die aan landbouwgronden wordt toegediend. De stikstofexcretie wordt hierbij
15
gecorrigeerd voor gasvormige stikstofverliezen die optreden in de stal en in mestopslagen buiten de stal. Deze gegevens worden gebruikt voor beleidsevaluaties en worden aan de Europese Commissie gerapporteerd in het kader van de Nitraatrichtlijn. Conclusie Wat betreft het voedingsbeheer wordt met een normale landbouwpraktijk voldaan aan de BBT-conclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Monitoring vindt landelijk plaats met het NEMA-model en de jaarlijkse CBS-berekeningen. Efficiënt gebruik van water, productie afvalwater en emissies via afvalwater Het is BBT om minimaal twee van de genoemde waterbesparende en twee van de drie productie van afvalwater beperkende technieken toe te passen. Onderhoud aan de drinkwatersystemen om lekken te voorkomen is al een verplichting via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit (art. 2.1). De overige technieken zijn al onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Voor het verminderen van emissies van afvalwater in het oppervlaktewater en het grondwater gelden regels op grond van het Activiteitenbesluit en de Waterwet. Conclusie Via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit, het toepassen van een normale landbouwpraktijk en het voldoen aan de regels van het Activiteitenbesluit en eventueel een Waterwetvergunning wordt voldaan aan deze BBT-conclusies.
Energiebesparing Om efficiënt om te gaan met energie moeten minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, worden toegepast of twee technieken die hieraan gelijkwaardig zijn. Op dit bedrijf worden minimaal twee van deze technieken toegepast. Conclusie Met het voldoen aan minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in paragraaf 1.6 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie wordt voldaan aan de BBT-conclusies. Geluidsbeheerplan, voorkomen geluidemissies Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven. In Nederland is geluid geïmplementeerd in de vergunningverlening, die is gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In de gemeente Haaksbergen is gebiedsgericht geluidsbeleid vastgesteld dat de status heeft van de nota industrielawaai, zoals is aangegeven in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen, die gebaseerd zijn op dit gebiedsgericht geluidsbeleid. Door het handhaven op de vergunningvoorschriften, is het maken een geluidsbeheerplan niet nodig. Door het volgen van het gebiedsgericht geluidsbeleid van de gemeente Haaksbergen wordt op dit punt aan BBT voldaan. Ook worden geluidsemissies door het handhaven van de opgenomen vergunningvoorschriften voldoende voorkomen.
Conclusie Door het volgen en voldoen aan de geluidnormen van het gebiedsgericht geluidsbeleid van de gemeente Haaksbergen wordt aan de BBT-conclusies voldaan. Stofemissies (inclusief fijnstof) voorkomen Het is BBT om in ieder geval twee preventietechnieken of één stofreducerende of afvangende techniek, die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, toe te passen om de stofemissies uit elke stal te verminderen. In alle stallen binnen de IPPC-installatie moeten maatregelen worden genomen om stofemissies te voorkomen. Dit zijn minimaal twee technieken van de genoemde maatregelen ter preventie van grof stof of fijnstof of één stofreducerende, afvangende of gelijkwaardige techniek. Op dit bedrijf worden alle pluimveestallen voorzien van een luchtmengsysteem voor het drogen van de strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar. De nieuw te bouwen
16
stallen (stalgebouwen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) worden aanvullend voorzien van een warmtewisselaar met 31% emissiereductie fijnstof. Conclusie Omdat op dit bedrijf per stal minimaal twee preventietechnieken worden toegepast of één reducerende of afvangende techniek voor grof of fijnstof wordt toegepast, die genoemd zijn in paragraaf 1.8 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, wordt aan de BBT-conclusies voldaan. Geur, geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring, geuremissies voorkomen Het is BBT om bij onaanvaardbare geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken, uit te voeren en te evalueren. Daarnaast moeten er minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie. Het geurbeheersplan is alleen nodig wanneer geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten wordt verwacht. Dit is het geval als er sprake is van een klachtenpatroon of dit kan het geval zijn in situaties waarbij de geurnormen op te beschermen geurgevoelige objecten worden overschreden. Van overschrijding van normen op te beschermen geurgevoelige objecten of van een klachtenpatroon is op dit bedrijf geen sprake.
Verder worden op dit bedrijf minimaal twee van de technische maatregelen toegepast, die genoemd zijn in paragraaf 1.9 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Rav. Conclusie Omdat op dit bedrijf minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in paragraaf 1.9 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, er van overschrijding van normen op te beschermen geurgevoelige objecten of van een klachtenpatroon geen sprake is, en monitoring wordt toegepast door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning, wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Opslag vaste mest Het is BBT om ammoniakemissie vanuit de opslag van vaste mest te voorkomen door het toepassen van 1 of meerdere van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Daarnaast moeten emissies naar bodem en water worden voorkomen door minimaal een combinatie van de genoemde technieken in dit uitvoeringsbesluit toe te passen. De vaste mest afkomstig van het pluimvee wordt na iedere mestronde uit de stallen verwijderd en binnen 2 tot 3 dagen afgevoerd. De vaste paardenmest wordt op de aanwezige betonplaat/mestplaat opgeslagen (maximaal 10 m3).
Conclusie Het is BBT indien één of een combinatie van de technieken, die zijn genoemd in paragraaf 1.10 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie (Emissies uit de opslag van vaste mest) worden toegepast. Aangezien de vaste pluimveemest direct na iedere mestronde wordt afgevoerd van het bedrijf, is deze BBT-conclusie niet van toepassing. Opslag drijfmest: emissies naar lucht, uit lagune en naar water en bodem Het is BBT om emissie van ammoniak naar de lucht te voorkomen door het toepassen van een combinatie van de in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken. Deze BBT-conclusie geldt voor alle typen mestbassins. Lagunes zijn in Nederland niet toegestaan. Om emissies naar bodem en oppervlaktewater te voorkomen, dient daarnaast een combinatie van de genoemde technieken in dit besluit, of hieraan gelijkwaardige technieken te worden toegepast. De voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zien hierop toe. Hieronder valt bijv. een verplichte afdekking van het mestbassin. Deze voorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn ook van toepassing op IPPC-inrichtingen. Alleen bij grootschalige opslag van drijfmest moeten hierover in een vergunning voorschriften worden opgenomen. De vergunningvoorschriften dienen zodanig
17
van aard te zijn dat ze een gelijkwaardig beschermingsniveau bewerkstelligen. De opslagcapaciteit van drijfmest is in Nederland voldoende geregeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat binnen de inrichting geen drijfmest wordt opgeslagen. Verwerking van mest op de boerderij, toepassen mestverwerkingstechnieken Als er mest wordt verwerkt op het veehouderijbedrijf, dat is bedoeld om de opslag en/of het uitrijden van mest te vergemakkelijken, is het BBT om één van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te gebruiken. De technieken dienen om stikstof-, fosfor- en geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Een andere mestverwerkende techniek kan ook BBT zijn als rekening wordt gehouden met dezelfde emissies en emissieniveaus. Op het bedrijf vindt geen verwerking van mest plaats. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat geen verwerking van mest binnen de inrichting plaatsvindt. Mest uitrijden: voorkomen stikstof-, fosfor- en ammoniakemissie, onderwerken mest Deze BBT-conclusies uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie bevatten technieken om belasting van het milieu bij het uitrijden van mest te voorkomen.
In Nederland zijn de regels voor het uitrijden van mest opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen op grond van de Wet bodembescherming. Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Het uitrijden van mest is echter een activiteit die buiten de inrichting plaatsvindt. Conclusie Het uitrijden van mest is een activiteit die niet relevant is voor deze inrichting. De vrijkomende pluimveemest wordt namelijk na iedere mestronde vrijwel direct (binnen twee werkdagen) afgevoerd uit de inrichting. Voor zover van toepassing, wordt de paardenmest buiten de inrichting uitgereden. Emissies uit het gehele productieproces, berekenen ammoniakemissie Landelijk wordt de mineralenbalans jaarlijks door het CBS onderzocht en gepubliceerd. Op bedrijfsniveau is het verplicht een registratie bij te houden op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet met betrekking tot de aanvoer van mineralen in veevoer en de afvoer hiervan via mest. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarnaast zijn ammoniakemissiegegevens vanuit stallen per diercategorie opgenomen in de omgevingsvergunning. De veehouder heeft daarmee een goed beeld van de aanvoer en afvoer van mineralen. Conclusie Met de verplichte registratie op grond van de Meststoffenwet, de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBT-conclusie.
Monitoren van ammoniakemissies BBT is om ammoniakemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de Rav., met vastgestelde emissiefactoren op basis van metingen is gelijk aan het systeem zoals genoemd is onder c van paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De Rav wordt circa 2 maal per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt in de Rav. De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Monitoren van stofemissies BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de vastgestelde fijnstof lijst, vastgelegd op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, met vastgestelde emissiefactoren op basis van metingen is gelijk aan het systeem voor
18
monitoring van stof genoemd onder b. in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De fijnstof lijst wordt één keer per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt. De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de fijnstof lijst wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Monitoren van ammoniak- en fijn stofemissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Alle luchtzuiveringsinstallaties met een werking op ammoniak en fijnstof worden, voordat ze op de Rav- en fijnstof lijst worden geplaatst, gemeten volgens een meetprotocol. Voor ammoniak is dit meetprotocol vastgelegd in de Rav. Voor fijnstof wordt door technische beoordelaars advies gegeven of de metingen voldoende zijn uitgevoerd. In beide gevallen wordt daarbij gebruik gemaakt van toetsing aan EN-standaardmethoden. Door meerdere stallen met luchtzuiveringsinstallaties te bemeten en de bemeten luchtzuiveringsinstallatie gedetailleerd te beschrijven in de stalbeschrijving, zijn de metingen representatief voor andere stallen met luchtzuiveringsinstallaties. Dit geldt ook voor IPPC-bedrijven.
Daarnaast gelden voor alle luchtzuiveringsinstallaties, stalbeschrijvingen, waarin monitoringseisen zijn opgenomen om een goede werking van het systeem te garanderen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav- en de fijnstof lijst en de monitoringseisen in stalbeschrijvingen wordt aan deze eis voldaan. Monitoren overige parameters Het is BBT om diverse parameters te registreren. Het registreren van de overige procesparameters genoemd in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie gebeurt als onderdeel van het milieubeheerssysteem, dat door het bedrijf wordt uitgevoerd. Conclusie Aangezien dit bedrijf een milieubeheerssysteem uitvoert dat aan de BBT-conclusies voldoet en deze overige parameters deel uitmaken van dit milieubeheerssysteem, wordt ook aan deze BBT-conclusie voldaan. BBT-conclusies voor intensieve pluimveehouderij Ammoniakemissie uit stallen voor vleeskuikens Het is BBT om de ammoniakemissie in de lucht van elke pluimveestal te verminderen door één of een combinatie van de in paragraaf 3.1 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken toe te passen. Door te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting (hierna: Besluit huisvesting) wordt invulling gegeven aan deze BBT-eis. Conclusie Aangezien het bedrijf voldoet aan het Besluit huisvesting wordt aan deze BBT-conclusie voldaan.
Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij Dit toetsingskader houdt in dat alle dierenverblijven moeten voldoen aan de eis van het toepassen van de BBT. Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBT-technieken) op te nemen in de omgevingsvergunning. De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren. Als gevolg van deze uitbreiding neemt, door het toepassen van verdergaande emissiereducerende technieken, de ammoniakemissie van de inrichting niet toe.
19
Het emissieniveau van de inrichting in relatie tot de in de omgeving van de inrichting liggende kwetsbare natuurgebieden is aanleiding voor het stellen van een strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBT-technieken). In alle pluimveestallen worden emissiereducerende technieken toegepast die verder gaan dan de eis van minimaal het toepassen van BBT. Deze technieken kunnen op basis van de 'beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij' van 25 juni 2007 (een uitgave van het Ministerie van VROM) (hierna: Beleidslijn IPPC) worden aangemerkt als strenger dan BBT (BBT>). De toepassing van deze technieken voldoet aan de kaders die in deze beleidslijn zijn vastgesteld. De Beleidslijn IPPC is opgenomen in de bijlage van de Mor en vormt hiermee een wettelijk toetsingskader. De Beleidslijn IPPC is alleen van toepassing indien het aantal te houden dieren van een diercategorie toeneemt. Dit is in de gevraagde vergunning aan de orde.
De volgende uitgangspunten zijn opgenomen in de beleidslijn: • bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd (strenger dan BBT); de hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie; • bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar, dan dient voor het deel boven de 10.000 kg een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd (veel strenger dan BBT). Hierbij geldt dat indien in de vergunde situatie de ammoniakemissie bij toepassing van BBT al meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar bedraagt, de strengere emissie-eisen pas vanaf die hogere ammoniakemissie worden toegepast. Tabel 1: maximale emissiewaarden Besluit huisvesting vergund en aangevraagd Diersoort
Aantal dieren vergund
Aantal dieren aangevraagd
Maximale emissie-wa arde
Vleeskuikens bestaand Vleeskuikens nieuw Paarden 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar
152.728 2
113.280 83.000 6
0,045 0,024 5,0
6.872,76 10,0
5.097,60 1.992,0 30,0
0
6
2,1
-
12,6
6.882,76
7.132,20
Totaal
20
Totaal maximale emissiewaarde vergund
Totaal maximale emissiewaarde aangevraagd
In de volgende acht stappen is de rekenkundige benadering van de Beleidslijn IPPC uitgewerkt. De diercategorie vleeskuikens, waarvoor de Beleidslijn IPPC van toepassing is, is in de beoordeling meegenomen. In overeenstemming met pagina 8 van de Beleidslijn IPPC is voor de berekening van de ammoniakemissie, de ammoniakemissie van de overig te vergunnen dieren, in dit geval de volwassen paarden, opgeteld: 1. vergund BBT (vleeskuikens) + ammoniakemissie paarden: 6.882,76 kg NH3 per jaar; 2. aangevraagd BBT (vleeskuikens) + ammoniakemissie paarden: 7.132,20 kg NH3 per jaar; 3. aangevraagd BBT – vergund BBT = 249,44 kg NH3; 4. verdergaande eisen worden gesteld over het aantal kg NH3: aangevraagd BBT – 6.882,76 kg ➔7.132,20 – 6.882,76= 249,44 kg NH3 per jaar; 5. voor 10.393 vleeskuikens (249,44/0,024 kg NH3) gelden strengere eisen met BBT>; 6. 10.393 vleeskuikens x 0,037 (BBT>) = 384,54 kg NH3; 7. het emissieplafond op basis van de Beleidslijn IPPC bedraagt hiermee 7.267,3 kg NH3 per jaar (6.882,76 + 384,54); 8. aangevraagde ammoniakemissie mag niet meer bedragen dan 7.267,3 kg NH3 per jaar. Aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 4.164,50 kg NH3 (zie tabel 2 van Bijlage 1 van de aangevraagde situatie). Dit is lager dan het emissieplafond op basis van de Beleidslijn IPPC. De aanvraag voldoet aan de Beleidslijn IPPC.
Omdat bij toepassing van de Beleidslijn IPPC het uitgangspunt is dat een vervolgvergunning altijd moet voortbouwen op de voorgaande vergunning, betekent dit dat naast het voldoen aan de eis van BBT,10.393 vleeskuikens conform BBT> moeten worden gehuisvest. Binnen de inrichting worden alle vleeskuikens BBT> gehuisvest.
1.5
Beste Beschikbare Technieken en Toetsingskader
Voor zover het de toepassing van de BBT in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wabo (artikel 2.22, lid 3) en het Bor (artikelen 5.3 en 5.4). Toetsing
In het Besluit huisvesting zijn voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen, maximale emissiewaarden opgenomen. Dit besluit is op 1 augustus 2015 in werking getreden ter vervanging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. In het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij waren uitsluitend maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen. Het Besluit huisvesting regelt in bepaalde gevallen ook de emissie van zwevende deeltjes (fijn stof). Het Besluit huisvesting geldt voor meer diercategorieën dan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. De eisen in het Besluit huisvesting zijn tot stand gekomen door rekening te houden met gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 5.4 van het Bor bij het vaststellen van BBT moet betrekken. Het Besluit huisvesting beperkt zich tot inrichtingen met huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 én die worden gehouden voor de productie van vlees, melk of eieren. Wat betreft de emissie van ammoniak zijn de maximale emissiewaarden opgenomen in bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Deze emissiewaarden dienen in acht te worden genomen bij bestaande dierenverblijven en bij nieuwbouw en aanpassing van huisvestingssystemen.
In de Wav is bepaald dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften van het Besluit huisvesting moet voldoen.
21
Het merendeel van de maximale emissiewaarden voor ammoniak, zoals deze waren opgenomen in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, is aangescherpt, omdat er in de loop der jaren nieuwe technieken zijn ontwikkeld waardoor de emissie vanwege het huisvesten van vee kan worden verminderd. Het gaat om technieken die algemeen beschikbaar en toepasbaar zijn. De verscherpte normen gelden voor alle stallen die na 1 juli 2015 zijn of worden gebouwd. De nieuwe normen gelden echter niet voor stallen waarvoor reeds op 1 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onherroepelijk is, mits de stal vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2016 is opgericht. Ook gelden zij niet voor stallen waar op 1 juli 2015 nog geen sprake was van een onherroepelijke vergunning, maar waarvoor wel vóór die datum een aanvraag was ingediend. Dergelijke stallen moeten evenwel binnen vijftien maanden ná het onherroepelijk worden van de bouwvergunning worden opgericht, anders gelden de nieuwe, strengere normen. Uit het overgangsrecht volgt verder dat de bedrijven, die wel voldeden aan de voorwaarden van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, maar niet voldoen aan de verscherpte normen uit het Besluit huisvesting en waarvoor de verscherpte normen nog niet gelden per 1 augustus 2015, wel per 1 januari 2020 hieraan moeten voldoen.
Tot dat moment gelden voor deze bedrijven de normen zoals deze in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij golden. Het Besluit huisvesting geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Dit is bevestigd in de 'Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij' (een uitgave van het Ministerie van VROM). Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit huisvesting gestelde eisen, is dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT. Wanneer in bijlage 1 van het Besluit huisvesting geen maximale emissiewaarde is opgenomen moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. Aangezien in deze inrichting landbouwhuisdieren worden gehuisvest in huisvestingssystemen die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 van het Besluit huisvesting, is dit Besluit op deze inrichting van toepassing. Beste Beschikbare Technieken in relatie tot emissie van ammoniak (NH3) De maximale emissiewaarden die van toepassing zijn, zijn afgeleid uit de artikelen 3, 4 en 5 in samenhang met de waarden in de kolommen A, B en C van bijlage 1 van het Besluit huisvesting. Vleeskuikens zijn opgenomen in bijlage 1 van het Besluit huisvesting.
- voor de aangevraagde huisvestingssystemen in de bestaande vleeskuikenstallen 1, 2 en 3 geldt de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar uit kolom A van bijlage 1. Kolom A geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015; - voor het aangevraagde huisvestingssysteem in de nieuwe vleeskuikenstallen 4, 5 en 6 geldt de maximale emissiewaarde van 0,024 kg NH3 per dierplaats per jaar uit kolom C van bijlage 1. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020. Voor alle aangevraagde huisvestingssystemen geldt dat de van toepassing zijnde maximale ammoniakemissiewaarden uit het Besluit huisvesting niet worden overschreden. De gevraagde omgevingsvergunning voldoet aan het criterium van het toepassen van BBT voor de emissie van ammoniak. Voor de diercategorie paarden (volwassen en in opfok) geldt geen maximale emissiewaarde. De voorgestelde huisvestingssystemen in de stallen 7 en 9 voor de paarden voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van BBT. Beste Beschikbare Technieken in relatie tot zwevende deeltjes (PM10) Naast de maximale emissiewaarden voor ammoniak gelden voor vleeskuikens ook maximale emissiewaarden voor fijnstof. De verscherpte normen gelden voor alle stallen die na 1 juli 2015 zijn of worden gebouwd. De nieuwe normen gelden echter niet voor stallen
22
waarvoor reeds op 1 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onherroepelijk is, mits de stal vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2016 is opgericht. Ook gelden zij niet voor stallen waar op 1 juli 2015 nog geen sprake was van een onherroepelijke vergunning, maar waarvoor wel vóór die datum een aanvraag was ingediend. Dergelijke stallen moeten evenwel binnen vijftien maanden ná het onherroepelijk worden van de bouwvergunning worden opgericht, anders gelden de nieuwe, strengere normen. In bijlage 2 van het Besluit huisvesting is voor de diercategorie vleeskuikens een maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes van 16 PM10 per dierplaats per jaar opgenomen. In de stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening wordt het huisvestingssysteem E 5.11 in combinatie met het stalsysteem E 7.6 toegepast. Voor fijnstof is in dat geval een emissiewaarde van 15 PM10 per dierplaats per jaar van toepassing. De voorgestelde huisvestingssystemen voor vleeskuikens in de stallen 4, 5 en 6 voldoen daarmee aan de eis van het toepassen van de BBT. De aangevraagde stallen 1, 2 en 3 op plattegrondtekening voldoen, wat betreft de ammoniakemissiefactor, aan de strengere norm die geldt voor nieuw te bouwen stallen op basis van kolom A van het Besluit huisvesting.