CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

OMGEVINGVERGUNING Eibergsetsraat 211 definitief (anoniem)

Gemeenteraad 30 november 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Afgeven van een definitieve verklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de sloop en nieuwbouw van emissiearme pluimveestallen op het perceel Eibergsestraat 21126.411 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen. Voor deze inrichting is dit niet op alle ontvangerpunten toereikend. De optredende maximale geluidniveaus hebben betrekking op transportbewegingen op het terrein van de inrichting of op de toegangswegen die moeten worden gezien als onderdeel van de inrichting. Het tegengaan van de overschrijdingen van de streefwaarde is in dit geval niet doenlijk aangezien deze worden veroorzaakt door rijdende vrachtwagens op het terrein. De vrachtwagens zijn eigendom van derden en voldoen aan de BBT voor voertuigen met verbrandingsmotoren.

45

De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan deze waarden wordt ruimschoots voldaan in zowel de representatieve bedrijfssituatie als de incidentele bedrijfssituaties. De optredende maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 49 dB(A) in de dagperiode en 52 dB(A) in de avond- en nachtperiode ter plaatse van de woning aan de Eibergsestraat. Bij de overige woningen bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 44 dB(A) in zowel de dag-, de avond- en nachtperiode. Gesteld kan worden dat sprake is van geheel acceptabele maximale geluidniveaus. Indirecte Hinder

Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De geluidbelasting als gevolg van verkeer van en naar de inrichting bedraagt op de gevel van de meest maatgevende woning ten hoogste 38/40/37 dB(A) in respectievelijk de dag-, de avond- en nachtperiode. De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee niet overschreden. Bijzondere situaties

Voor incidentele bedrijfssituaties, dat wil zeggen situaties die slechts een beperkt aantal dagen per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ruimere grenswaarden worden gesteld. Incidentele bedrijfssituaties De vergunninghouder vraagt vergunning voor een incidentele bedrijfssituatie; een situatie die zich maximaal 12 maal per jaar voordoet. Het betreft activiteiten gedurende de dag- en avondperiode een beperkt aantal dagen per jaar. De incidentele activiteiten hebben betrekking op het periodiek verzamelen en afvoeren van vaste mest gedurende ten hoogste 8 dagen per jaar en het inkuilen gedurende ten hoogste 4 dagen per jaar. Hierdoor zal een (licht) verhoogde geluidsproductie plaatsvinden.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de optredende geluidbelastingen in de incidentele bedrijfssituaties in alle gevallen voldoen aan de streefwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau en slechts een beperkte toename van de optredende geluidniveaus tot gevolg heeft. Gelet op bovenstaande en het incidenteel voorkomen van deze bedrijfssituatie, kunnen wij deze toestaan. Wij hebben deze activiteiten uitgezonderd van de geluidsgrenswaarden, zoals genoemd in de voorschriften 1.5.2.1 en 1.5.3.1. Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieuhygiënisch gezien aanvaardbaar.

46

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen. Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, controlewaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten. Omdat de incidentele bedrijfssituatie slechts de afwijking van de representatieve bedrijfssituatie beschrijft zijn voor die situatie alleen de cumulatieve geluidbelastingen voor de ontvangerpunten bepaald. In de nachtperiode gelden alleen de geluidbelastingen in de representatieve bedrijfssituatie.

Omdat bij de berekeningen aannamen zijn gedaan ten aanzien van de geluidreductie van de ventilatoren en juist wordt voldaan aan de streefwaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid is aan de voorschriften een controleverplichting verbonden voor de toetsing of de inrichting na de aangevraagde revisie voldoet aan de berekende waarden. Trillingen Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillingshinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen is daarom niet nodig. Ook is het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

1.11 Bodem Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op de gehele inrichting, omdat de inrichting een IPPC-installatie is. Doordat de betreffende artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen bodemvoorschriften in de vergunning opgenomen. De maatregelen en voorzieningen voor de volgende activiteiten zijn niet beoordeeld, omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld: - het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen (artikelen 3.23a tot en met 3.25); - opslaan en overslaan van goederen (artikelen 3.31 tot en met 3.40); - opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (artikelen 3.45 tot en met 3.49); - houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven (artikel 3.122).

1.12 Luchtkwaliteit De aanvraag is getoetst aan hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (‘Wet luchtkwaliteit’). De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De stof NO2 komt voornamelijk vrij bij verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat nauwelijks NO2 wordt uitgestoten. Aan de grenswaarden, die voor overige stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden.

47

In de Wet milieubeheer is de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) in de lucht gesteld op 40 µg/m3. De dagnorm voor PM10 bedraagt 50 µg/m3. De dagnorm mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden. De beoordelingspunten liggen conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) op plaatsen buiten de inrichtingsgrens waar het publiek toegang heeft en waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt (het zgn. blootstellingscriterium). Het gaat om blootstelling gedurende een periode, die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is. Een plaats met significante blootstelling is bijvoorbeeld een woning, een school of een sportterrein. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen, (Besluit NIBM)' en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen, (Regeling NIBM)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin- en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld.

In mei 2010 is de definitieve ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer een uitbreiding of oprichting van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Op grond van artikel 2, lid 2 van het Besluit NIBM kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM. Het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd ligt niet in een aangewezen gebied en/of is niet aangewezen als bron. Met behulp van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij, vastgesteld door de minister van IenM is voor het bedrijf bepaald wat de totale toename aan fijn stofemissie is. De totale fijn stofemissie op basis van het vergund recht bedraagt 3.360.016 gram/jaar. Op basis van de aanvraag bedraagt de emissie 3.737.160 gram/jaar (zie tabellen 1 en 2). De toename van fijn stof bedraagt 3.77.144 gram/jaar. De kortste afstand van een emissiepunt op het bedrijf tot een object dat bescherming behoeft, bedraagt circa 190 meter. Het betreft de woning op het perceel Eibergsestraat 262 in Haaksbergen. In de hierna volgende tabel, afkomstig uit paragraaf 2.2 van de 'Handreiking fijn stof en veehouderijen' is aangegeven wanneer sprake is van een NIMB-bijdrage.

Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom, dan is er in overeenstemming met de 'Handreiking fijn stof en veehouderijen' sprake van een NIMBbijdrage.

48

Tabel 2: NIBM-bijdrage Afstand tot te toetsen plaats

70 m.

80 m.

90 m.

100 m.

120 m.

140 m.

160 m.

Totale emissie in g/jr van uitbreiding/oprichting

324.000

387.000

473.000

581.000

817.000 1.075.000 1.376.000

Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter sprake is van een NIBM- bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. Aangezien de toename 377.144 gram/jaar bedraagt en de afstand tot een te beoordelen object 190 meter bedraagt, is er sprake van een NIBM- bijdrage. Wijziging Regeling beoordeling luchtkwaliteit Met betrekking tot de cumulatiebeoordeling van het fijn stofaspect is op 1 januari 2019 de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. De wijziging gaat over het verplicht uitvoeren van een gedetailleerde berekening bij de toetsing van fijnstof. Het doel van deze gedetailleerde berekening is het beter in beeld brengen van het effect van meerdere veehouderijen bij elkaar. De gewijzigde regeling is alleen verplicht voor aanvragen bij veehouderijen met een totale emissie van fijn stof van meer dan: - 500 kilogram per jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3; - 800 kilogram per jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. De onderhavige inrichting ligt in een gebied met een achtergrondconcentratie van minder dan 18 µg/m3 (bron: RIVM, Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarden Nederland (GCN en GDN). Dit is lager dan de drempelwaarde van 27 µg/m3. De totale emissie aan fijn stof van deze inrichting bedraagt in de aangevraagde situatie 3.737,160 kg/jaar.

Dit is hoger dan de drempelwaarde van 800 kg/jaar. Het kenniscentrum Infomil van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert op de website het volgende: een gedetailleerde cumulatieberekening is alleen dan noodzakelijk, indien binnen een straal van 500 meter van een emissiepunt van het bedrijf andere pluimveebedrijven en/of varkensbedrijven zijn gelegen met een totale emissie van fijn stof van meer dan 800 kg/jaar. Binnen 500 meter van een emissiepunt van het bedrijf liggen enkel kleinschalige veehouderijbedrijven met paarden en melkrundvee. Deze veehouderijen hebben een fijnstof emissie die kleiner is dan 800 kg/jaar. Om die reden is een nadere cumulatiebeoordeling van het fijnstof aspect niet nodig. Conclusie Op grond van fijn stofemissie afkomstig van het bedrijf is er geen reden de gevraagde vergunning op dit aspect te weigeren.

1.13 Volksgezondheid. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu dienen de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid ten gevolge van een veehouderij te worden betrokken. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, dienen deze risico’s gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. Het is echter vaste jurisprudentie van de Afdeling dat, nu er geen wetenschappelijk bewijs is voor een relatie tussen de veehouderij en dergelijke risico’s, er geen reden is om een omgevingsvergunning milieu voor een (intensieve) veehouderij te weigeren. Dit wordt

49

bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van (ondermeer) 17 mei 2017, (201607199/1/A1) en van 5 juli 2017 (201604472/1/A1). Het gepubliceerde VGO rapport3 (Veehouderij en gezondheid Omwonenden) betreft een onderzoek dat is uitgevoerd in Noord Brabant en Limburg. Met het onderzoek zijn in het algemeen verbanden onderzocht tussen wonen bij veehouderijen en gezondheid. Uit het onderzoek blijkt dat er effecten zijn te onderscheiden. Sommige zijn negatief andere zijn positief. Op basis van alleen het VGO-onderzoek kan niet worden vastgesteld of dit oorzakelijke verbanden zijn. De gegevens uit het onderzoek gelden voor dit onderzoeksgebied, met de specifieke kenmerken voor dit gebied. Dat zijn bijvoorbeeld de hoeveelheid (achtergrond)lucht-verontreiniging, aantal veehouderijen, typen bedrijven en kenmerken van de bevolking. Daarom kunnen de resultaten niet altijd eenvoudig vertaald worden naar andere gebieden in of buiten Nederland, al zullen de resultaten voor veel andere gebieden met veehouderij zeker relevant zijn. Het VGO-onderzoek geeft dan ook geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Afdeling volgt met haar uitspraken. Voor de verschillende milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zoals geur, fijn stof, geluid en ammoniak zijn wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders gevormd op basis van heersende wetenschappelijke inzichten.

Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. De aangevraagde vergunning voldoet aan de toetsingskaders voor geur, fijn stof, geluid en ammoniak. Er zijn dan ook geen redenen om aan te nemen dat de gevraagde verandering leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid. Wij vinden het daarom niet noodzakelijk om vanwege volksgezondheidsrisico’s aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden.

1.14 Bedrijfsafvalwater Het toetsingskader

Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wabo. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten

Binnen de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij: - huishoudelijk afvalwater; - reinigingswater vanwege: o het reinigen van de stallen; o het reinigen van veewagens; - hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen.

3 (RIVM Rapport 2016-0058, juli 2016)

50

Maatregelen en voorzieningen De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld, omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld: - het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening paragraaf 3.1.3; - het lozen van huishoudelijk afvalwater op locatie, paragraaf 3.1.4; - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen, paragraaf 3.3.2 (artikelen 3.23a tot en met 3.25); - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3.127. Het vrijkomende afvalwater bij het schoonmaken van veewagens (inwendig reinigen) mag niet worden geloosd in de bodem en/of het oppervlaktewater en/of op de riolering. Het afvalwater afkomstig van de spoelplaats wordt geloosd in de opvangkelders. Het niet verontreinigde hemelwater wordt geloosd op de nabij gelegen sloot. Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. Beoordeling en conclusie Voor een aantal specifieke afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen.

Met betrekking tot de andere afvalwaterstromen blijkt uit de beoordeling van de aanvraag dat door het bedrijf voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen.

1.15 Veiligheid Opslag bestrijdingsmiddelen

De maximaal 20 kg bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen in een speciaal daarvoor bestemde container in gebouw nr. 7 op plattegrondtekening (de werktuigenberging). De opslag moet voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (artikel 18). Opslag reinigingsmiddelen

De reinigingsmiddelen worden opgeslagen in twee daarvoor bestemde cans van elk 60 liter in gebouw nr. 7 op plattegrondtekening (de werktuigenberging). De opslag moet voldoen aan de gestelde vergunningvoorschriften die zijn overgenomen uit paragraaf 4.1.1 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 4.1.1 van de bijbehorende ministeriële regeling (Activiteitenregeling). Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten én zijn afgeleid van de PGS 15.

1.16 Overige aspecten Koeling

Binnen de inrichting is een kadaverkoeling aanwezig met het type koudemiddel R134a met een hoeveelheid van 1 kg. De koelmotor hiervan heeft een vermogen van 0,7 kW. Daarnaast is binnen de inrichting een tweede kadaverkoeling aanwezig met het type koudemiddel R407c met een hoeveelheid van 0,6 kg. De koelmotor hiervan heeft een vermogen van 1,5 kW.

51

De kadaverkoelingen moeten voldoen aan de F-gassenverordening (Verordening (EU) nr. 517/2014) en aanvullend aan het Besluit- en de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen. Omdat de F-gassenverordening en voornoemd Besluit en Regeling een rechtstreekse werking hebben, zijn hiervoor geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Ten aanzien van de twee aanwezige kadaverkoelingen is uitsluitend een voorschrift opgenomen met betrekking tot de toegankelijkheid van de koelinstallatie. Noodstroomaggregaat

Binnen de inrichting is een noodstroomaggregaat aanwezig, die is voorzien van een ingebouwde tank voor de opslag van dieselolie. In paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden eisen gesteld aan de opslag van gasolie in een bovengrondse tank. Deze voorschriften gelden echter niet voor tanks die onderdeel uitmaken van installaties, zoals bijvoorbeeld een noodstroomaggregaat. Op een noodstroomaggregaat is paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit ten dele van toepassing. Het betreft artikel 3.10o. Dit artikel heeft het beschermen van de bodem tot doel. Op de aangevraagde noodstroomaggregaat zijn geen voorschriften met betrekking tot externe veiligheid van toepassing. Andere regels en wetten

Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.

52

Bijlage 1. :

Berekening ammoniak, geur en fijnstof vergund Ammoniakemissie

Stal 1 2 3 4 5 6 7 9

Rav- en BWL-code E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem E 5.100, overig huivestingssysteem K 1.100, overig huisvestings-systeem

Totaal

Diercate-gorie Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Paarden, 3 jaar en ouder

Geuremissie

Fijn stofemissi

Aantal Totaal Totaal dieren Ammoniak-emissie-factor ammoniak Geur-emissie-factor geur 34.560 0,021 725,76 0,33 11.404,80 0,33 11.404,80 34.560 0,021 725,76 0,33 14.572,80 44.160 0,021 927,36 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 9.862 0,068 670,62 0,33 3.254,46 2

5,0

10,00

5.071,36

-

0

50.400,24

Fijn stof e-missie-factor 22 22 22 22 22 22 22 -

T

7 7 9 2 2 2 2

Bijlage 2. :

Berekening ammoniak, geur en fijnstof aangevraagd Ammoniakemissie

Stal 1 2 3 4 5 6 7

9

Rav- en BWL-code E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11, BWL 2010.13.V7 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 E 5.11/E 7.6, BWL 2010.13.V7 en BWL 2011.02.V6 K 1.100, overig huisvestingssysteem K 2.100, overig huisvestingssysteem K 1.100, overig huisvestingssysteem K 2.100, overig huisvestingssysteem

Diercategorie Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens Vleeskuikens

Geuremissie

Fijn stofemissie

Aantal Totaal dieren Ammoniak-emissie-factor ammoniak Geur-emissie-factor 34.560 0,021 725,76 0,33 0,33 34.560 0,021 725,76 0,33 44.160 0,021 927,36 0,33 27.500 0,021 577,50

Vleeskuikens

Totaal Fijn stof Totaal fijn geur e-missie-factor stof 11.404,80 22 760.320,00 11.404,80 22 760.320,00 14.572,80 22 971.520,00 9.075,00

15 412.500,00

9.735,00

15 442.500,00

8.580,00

15 390.000,00

0,33 29.500

0,021

619,50

26.000

0,021

546,00

4

5,0

20,00

-

-

-

-

4

2,1

8,40

-

-

-

-

2

5,0

10,00

-

-

2

2,1

4,20

-

-

Vleeskuikens

0,33

Paarden, 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar Paarden, 3 jaar en ouder Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar Totaal

4.164,48

54

64.772,40

-

-

3.737,160

Bijlage 3. :

Bijlage 3: Verschil vergund en aangevraagd Vergunde situatie

Voorgenomen situatie

Vleeskuikens Paarden 3 jaar en ouder Paarden in opfok

152.728 2

196.280 6

+43.552 +4

0

6

+6

Ammoniak (kg NH3) Geur (ouE/m3) Fijnstof (gram/jaar)

5.071,36 50.400,24 3.360,016

4.164,48 64.772,40 3.737,160

-906,88 +14.372,16 +377,144

55

Verschil

Bijlage 4. :

Bijlage 4: Controleberekening rekenresultaten V-Stacks Vergunning

Naam van de berekening: Eibergsestraat 211 Haaksbergen Gemaakt op: 27-08-2020 10:54:19 en Rekentijd: 0:00:04 Berekende ruwheid: 0,35 m en Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr. BronID X-coord. Y-coord. EP Hoogte Gem.geb. hoogte EP Diam. EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

1

Stal 1

243 582

460 899

5,0

4,0

0,73

4,00

11 405

2

Stal 2

243 567

460 883

5,0

4,0

0,73

4,00

11 405

3

Stal 3

243 536

460 894

2,2

4,6

3,35

0,40

14 573

4

Stal 4

243 647

460 832

4,7

5,1

3,82

0,40

9 075

5

Stal 5

243 633

460 815

4,7

5,1

3,82

0,40

9 735

6 Stal 6 243 612 Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID

460 793

4,7

5,1

3,82

0,40

8 580

Xcoordinaat Ycoordinaat Geurnorm Geurbelasting

7

Vloedsteegweg 1-Z 243 420

461 314

14,0

4,0

8

Zandpaalweg 3

243 990

460 160

14,0

1,5

9

Eibergsestraat 264

243 225

461 012

14,0

4,8

10

Eibergsestraat 262

243 268

461 084

14,0

6,1

56

Gemeentehuis Haaksbergen Postbus 102 7480 AC, Blankenburgerstraat 28 7481 EB Haaksbergen, Tel: (053) 573 45 67, Fax: (053) 572 80 75 www.haaksbergen.nl gemeente@haaksbergen.nl Kijk voor openingstijden en het maken van een afspraak op www.haaksbergen.nl IBAN NL56 BNGH 028.50.03.194

BIJLAGE 4

VOORSCHRIFTEN OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN

De bijlage bij deze omgevingsvergunning bevat de voorschriften voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: - Bouwen - Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening - Milieu

(artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo) (artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo)

VOORSCHRIFTEN ‘BOUWEN’ EN ‘HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RO’ 1.

Uitvoering moet plaatsvinden overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte tekeningen.

2.

Het bouwen moet geschieden overeenkomstig de in aanmerking komende bepalingen van de Bouwverordening en het Bouwbesluit.

3.

Met het bouwen mag niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders het straatpeil is aangegeven c.q. de rooilijn en/of bebouwingsgrenzen op het terrein zijn uitgezet.

4.

Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van elk van de hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: - de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; - de aanvang van het inbrengen van funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; - de aanvang van de grondverbetering werkzaamheden. - het storten van beton (i.v.m. het vooraf keuren van de wapening)

5.

Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden gesteld.

6.

Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft dient het einde van die werkzaamheden schriftelijk bij bouwtoezicht gemeld te worden.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 58 van 72

VOORSCHRIFTEN ‘MILIEU’

I.

VOORSCHRIFTEN

1

IN WERKING HEBBEN VAN EEN INRICHTING

1.1.

ALGEMEEN

1.1.1. Gedragsvoorschriften 1.1.1.1. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.1.2. Alle binnen de inrichting aanwezige machines, installaties en voorzieningen moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn. 1.1.1.3. Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. 1.1.1.4. De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 1.1.1.5. Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.1.6. In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 12 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1.1.1.7.

Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1.1.1.8. Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd. 1.1.1.9.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 59 van 72

Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.1.2. Registratie en onderzoeken 1.1.2.1. In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieu-onderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet ten minste de volgende informatie zijn opgenomen: De resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties, metingen, registraties en onderzoeken (zoals afvalpreventie-onderzoek, keuringen van brandblusmiddelen, visuele inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bodemonderzoek, energiebesparingsonderzoek, akoestisch onderzoek, (periodieke) keuring LPG-installatie, keuringen van tanks, keuringen van stookinstallaties, etc): • meldingen van ongewone voorvallen, die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; • registratie van het energie- en waterverbruik; • registratie incidentele bedrijfssituaties • metingen en storingen nageschakelde technieken; • registratie van klachten van derden omtrent milieu-aspecten en daarop ondernomen acties; • registratie aantal dieren; • registratie afvoer van mest. 1.1.2.2.

De in het vorig voorschrift bedoelde informatie moet in ieder geval tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerst volgende meting, keuring, controle of analyse, maar ten minste gedurende 5 jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage gehouden voor de daartoe bevoegde ambtenaren.

1.1.3. 1.1.4. Bedrijfsbeëindiging 1.1.4.1. Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze en in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.1.4.2. Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindiging van (één van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

1.2.

AFVALSTOFFEN

1.2.1. Afvalscheiding 1.2.1.1. Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: • de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen; • asbest; • papier en karton;

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 60 van 72

• • • •

kadavers; elektrische en elektronische apparatuur kunststoffolie; overig bedrijfsafval.

1.2.1.2. Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.

1.2.2. Opslag van afvalstoffen 1.2.2.1. De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 1.2.2.2. De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: • niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; • het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; • deze tegen normale behandeling bestand is; • deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 1.2.2.3. Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen, dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

1.2.3. Aanvullende voorschriften opslag van afvalstoffen 1.2.3.1. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.

1.2.4. Aanvullende voorschriften behandeling van afvalstoffen 1.2.4.1. Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden. 1.2.4.2. Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten direct worden opgeruimd en opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage. 1.2.4.3. In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven in het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 61 van 72

aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite..

1.3.

ENERGIE

1.3.1. Voorschriften energiegebruik 1.3.1.1. Het jaarlijks energieverbruik moet worden geregistreerd. Er kan worden volstaan met het bewaren van de energienota's. De vergunninghouder houdt deze gegevens vijf jaar in het bedrijf ter inzage voor het bevoegd gezag. 1.3.1.2. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. 1.3.1.3. Vergunninghouder mag een energiebesparingsmaatregel, zoals is opgenomen het bijlagedocument ‘Toelichting Aanvraag WABO-Milieu’ d.d. 27 februari 2020 (versie 2) vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid vooraf aan het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiency en geen stijging geeft van de milieubelasting groter dan die van de vervangen maatregel.

1.4.

WATER

1.4.1. Registratie 1.4.1.1. Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).

1.5.

GELUID

1.5.1. Algemeen 1.5.1.1. Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

1.5.2. Representatieve bedrijfssituatie 1.5.2.1. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag (1,5 meter)

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

Avond (5 meter)

Nacht (5 meter)

pagina 62 van 72

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

01 Eibergsestraat 207

33

35

30

02 Eibergsestraat 213

37

35

28

03 Eibergsestraat 213

38

35

28

04 Eibergsestraat 215

34

32

25

05 Eibergsestraat 215

34

32

25

C01

41

38

31

C04

40

40

36

C07

42

42

37

C10

42

42

35

1.5.2.2. Het maximale geluidsniveau LAmax. veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving

Maximaal geluidniveau LAmax in dB(A) Dag (1,5 meter)

Avond (5 meter)

Nacht (5 meter)

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

01 Eibergsestraat 207

49

52

52

02 Eibergsestraat 213

44

44

44

03 Eibergsestraat 213

44

44

44

04 Eibergsestraat 215

40

40

40

05 Eibergsestraat 215

41

40

40

C01

49

52

52

C04

46

48

48

C07

50

56

56

C10

44

48

48

1.5.3.

1.5.4. Incidentele situaties 1.5.4.1. In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 1.5.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L Ar,LT veroorzaakt de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief het inkuilen van ruwvoer en het periodiek afvoeren van vaste mest gedurende maximaal 12 dagen per jaar, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en omschrijving

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A) Dag (1,5 meter)

Avond (5 meter)

Nacht (5 meter)

07.00 -19.00 uur

19.00 -23:00 uur

23.00 -07.00 uur

01 Eibergsestraat 207

36

35

30

02 Eibergsestraat 213

39

35

28

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 63 van 72

03 Eibergsestraat 213

40

35

28

04 Eibergsestraat 215

36

32

25

05 Eibergsestraat 215

36

32

25

C01

44

38

31

C04

41

40

36

C07

47

42

37

C10

43

42

35

1.5.4.2. Binnen drie maanden na het inwerking brengen van de inrichting dient door middel van controlemetingen aan de ventilatoren te worden getoetst aan de toegepaste uitgangspunten in het akoestisch onderzoek. Het bevoegd gezag dient per omgaande een afschrift van het akoestisch rapport te ontvangen. In overleg met het bevoegd gezag wordt een saneringstermijn afgesproken indien ten opzichte van de hier gehanteerde uitgangspunten afwijkingen worden geconstateerd die leiden tot overschrijding van de aan deze vergunning verbonden geluidvoorschriften.

1.6.

AGRARISCH AFVALWATER

1.6.1. Afvalwater algemeen 1.6.1.1. Het waterverbruik moet worden beperkt. Hiertoe moet, tenzij dit om technische of organisatorische redenen niet mogelijk is, gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger.

1.6.2. Wasplaats landbouwwerktuigen en veewagens 1.6.2.1. Afvalwater afkomstig van het schoonmaken van wasplaats mag niet in de riolering worden gebracht. Ook het rechtstreeks lozen van het opgevangen (verontreinigd) afvalwater op of in de bodem (puntlozing) of op het oppervlaktewater is niet toegestaan.

1.6.2.2. Afvalwater afkomstig van het schoonspuiten van de wasplaats moet worden afgevoerd naar de mestkelder. Het verontreinigd spoel- en schrobwater moet via een gesloten leiding kunnen afwateren naar een niet van overstort voorziene opslagruimte. De leiding en de vloer en wanden van de opslagvoorziening moeten vloeistofkerend zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigingsmiddel.

1.6.2.3. De opvanggoot (slibvangput) in de wasplaats moet na elke reiniging worden ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 64 van 72

1.7.

HET HOUDEN VAN DIEREN

1.7.1. Algemeen 1.7.1.1. In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn:

Stal 1, 2 en 3 4, 5 en 6 7 9

Diercategorie/huisvestingssysteem Aantal dieren Vleeskuikens, E 5.11/BWL 2010.13.V7 Vleeskuikens, E 5.11/BWL 2010.13.V7 in combinatie met E 7.6/BWL 2011.02.V6 Volwassen paarden, 3 jaar en ouder K 1.100 Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar K 2.100 Volwassen paarden, 3 jaar en ouder K 1.100 Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar K 2.100

113.280 83.000 4 4 2 2

1.7.1.2. Ramen en deuren van stallen moeten gesloten worden gehouden voor zover ze geen functie hebben voor luchtinlaat of het doorlaten van personen, dieren, vaste mest of goederen. 1.7.1.3. Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard

1.8.

OPSLAG EN BEHANDELING VAN MEST (DROGE, VASTE, DRIJF- EN KUNSTMEST)

1.8.1. Behandeling en bewaring van pluimveemest 1.8.1.1. Tijdens de productieronde dient de vaste pluimveemest afkomstig van de vleeskuikens in de stallen 1 t/m 6 op plattegrondtekening binnen deze stallen te worden bewaard. Na elke productieperiode moet deze mest binnen een week uit de stal worden verwijderd en uit de inrichting worden afgevoerd naar een erkende verwerker. 1.8.1.2. Indien na een productieronde de vaste pluimveemest afkomstig uit de stallen 1 t/m 6 op plattegrondtekening wordt verzameld, dan dient dit te geschieden op een mestdichte vloer en dient deze mest dezelfde dag, of uiterlijk de volgende dag, uit de inrichting te zijn verwijderd. Wanneer de mest niet direct wordt verwijderd dient deze te worden afgedekt.

1.9.

BESTRIJDINGSMIDDELEN

1.9.1. Bewaring bestrijdingsmiddelen 1.9.1.1. Op de deur van een kast moet met duidelijk leesbare letters het opschrift "BESTRIJDINGSMIDDELEN, VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN, OPEN VUUR EN ROKEN VERBODEN" zijn aangebracht, en een afbeelding van een doodshoofd van ten minste 60 mm hoogte. 1.9.1.2. De elektrische installatie in een bewaarplaats moet zijn vervaardigd van materiaal dat voldoende tegen

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 65 van 72

chemische invloeden bestand is of daartegen is gevrijwaard. BIJLAGE: BEGRIPPEN ** VOOR ZOVER EEN DIN-, NEN-, NEN-EN-, OF NEN-ISO-NORM, ...: Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NEN-ISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR, PGS of NPR, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is -de norm, BRL, CPR, PGS, NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking, termen en definities voor bouw- en sloopafval) gegeven verklaringen en definities.

BESTELADRESSEN: publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties: - AI-bladen bij: SDU Service, afdeling Verkoop Postbus 20025 2500 EA DEN HAAG telefoon (070) 378 98 80 telefax (070) 378 97 83 www.sdu.nl - BRL-richtlijnen bij: KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 AB RIJSWIJK telefoon (070) 414 44 00 telefax (070) 414 44 20 InfoMil is het informatiecentrum in Nederland over milieu wet- en regelgeving. www.infomil.nl ADR: Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route. AFVALSTOFFEN: Het begrip afvalstoffen is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer: Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AS SIKB 6700: Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement.

BEDRIJFSRIOLERING: Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEIT: Elke activiteit die een risico van verontreiniging van de bodem met zich meebrengt, als gevolg van de aard van die activiteit en als gevolg van de fysische en chemische eigenschappen van de stoffen waarmee de activiteit wordt uitgevoerd. Bij het vaststellen of een activiteit bodembedreigend is worden eventuele maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen om het risico van die activiteit uit te sluiten buiten beschouwing gelaten. BODEMBEDREIGENDE STOF: Stof die overeenkomstig het Stoffenschema van de NRB 2012 de bodem kan verontreinigen.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 66 van 72

BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING: Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem. CUR/PBV: Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving / Plan Bodembeschermende Voorzieningen. CUR/PBV-AANBEVELING 51: Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsrioleringen. EMBALLAGE: Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en intermediate bulkcontainers (IBC's). ENERGIEKOSTEN: Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moet met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en BTW.

Voor elektriciteit moet met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW.

FEESTDAGEN: Feestdagen zoals gedefinieerd in de Algemene termijnenwet. GELUIDSNIVEAU IN DB(A): Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651, uitgave 1989. GEUROVERLAST: De geur wordt binnen een bepaald tijdbestek langdurig of herhaaldelijk in vleugen waargenomen. De geurbeleving wordt beoordeeld als negatief en de geur wordt daarbij als zwaar, eventueel als prikkelend of verstorend omschreven. De geur dient herkend te worden als een geur afkomstig van de inrichting en niet van andere bronnen uit de omgeving. GEVAARLIJKE AFVALSTOF: Afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit. GEVAARLIJKE STOFFEN: Gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 1, lid 1 onderdeel b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. GEVOELIG OBJECT: Dit begrip is gedefinieerd in het Besluit mestbassins milieubeheer. GOEDEREN: Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

GROND: Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie (definitie uit artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit).

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 67 van 72

KIWA: Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, Postbus 70, 2280 AB Rijswijk. telefoon: (070) 414 44 00 telefax: (070) 414 44 20 internet: www.kiwa.nl

LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT): Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax): Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. NEN 5725: NEN 5725 : Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, uitgever NEN ICS 13.080.01 januari 2009 NEN 5740: NEN 5740 : Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, uitgever NEN, ICS 13.080.05, januari 2009. OVERSLAAN: het kortdurend stallen van containers met afval, bijvoorbeeld containers diedoor schepen worden aangevoerd en daarna door voertuigen worden verdergetransporteerd, of andersom; het overbrengen van afval in een groter transportmiddel, bijvoorbeeld vanuit de chemokar naar grotere vrachtwagens.

Het kan daarbij gaan om afval dat door rechtspersoon A is ingezameld of wordt getransporteerd en tijdelijk binnen de inrichting van rechtspersoon B wordt overgeslagen; het stallen van met afval geladen voertuigen, bijvoorbeeld het overnachten van een volle vrachtwagen op een inrichting. PREVENTIE: Maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van: de hoeveelheden afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik van producten of de verlenging van de levensduur van producten; de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid, of het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en producten. REFERENTIEPERIODE: Tijdsbestek waarbinnen een bassin moet blijven voldoen aan de gestelde eisen. TERUGVERDIENTIJD: De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere besparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meerinvestering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten.

Voor de berekening van de financiële opbrengsten ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing moet worden gerekend met de op het moment van het besparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten. VERWERKING: Nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 68 van 72

VISA: Veiligheid Industriële Stookinstallaties voor het stoken van Aardgas. VLOEISTOFDICHTE VLOER OF VOORZIENING: Een vloer of voorziening geïnspecteerd en goedgekeurd overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44 (overeenkomstig Activiteitenbesluit). VLOEISTOFDICHTE VOORZIENING: Effectgerichte voorziening die waarborgt dat - onder voorwaarde van doelmatig onderhoud en adequate inspectie en/of bewaking - geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen. VLOEISTOFKERENDE VOORZIENING: Een voorziening die in staat is vrijgekomen stoffen zo lang te keren dat deze kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem plaats kan vinden (overeenkomstig Barim). WONING: Een gebouw of deel van een gebouw dat voor bewoning gebruik wordt of daartoe is bestemd.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 69 van 72

BIJLAGE 5

NAAM

BIJLAGE

OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 EIBERGSESTRAAT 211 TE HAAKSBERGEN in HAAKSBERGEN

A. Overzicht van de bij de aanvraag behorende documenten • aanvraagformulier 27 februari 2020 met aanvraagnummer 4980251; • plattegrondtekening met projectnummer 201805-WM-SCHOTMAN van 30 juli 2018 en laatst gewijzigd 27 februari 2020; • schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 1v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; • schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 2v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; • schetsplan te herbouwen stallen met bladnummer 3v4 (stallen 4, 5 en 6 op plattegrondtekening) van 1 mei 2019 en laatst gewijzigd 29 augustus 2019; • document met afbeelding van de bestaande pluimveestallen; • bijlagedocument: Toelichting Aanvraag WABO-Milieu van 27 februari 2020; • akoestisch rapport van Geurts Technisch Adviseurs van 12 juni 2019 met projectnummer 8.5337; • BBT-Conclusies Intensieve veehouderij (toelichting); • fijnstofberekening van 25 februari 2020; • KOMO-kwaliteitsverklaring van 1 januari 2015 met nummer K81488/01. B. Overzicht van de door ons opgestelde documenten behorend bij de vergunning I. Overwegingen II. Beoordelingsverslag III.

Voorschriften Bijlage 1: Berekening ammoniak, geur en fijnstof vergund Bijlage 2: Berekening ammoniak, geur en fijnstof aangevraagd Bijlage 3: Verschil vergund en aangevraagd Bijlage 4: Controleberekening rekenresultaten V-Stacks Vergunning De bijlagen genoemd onder A en B maken deel uit van de vergunning.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 70 van 72

C. Documenten die geen deel uitmaken van de vergunning, maar wel zijn betrokken bij de overwegingen • vergunning Wet natuurbescherming van 6 december 2018 met kenmerk 2018/0527357; • AERIUS-berekening aanlegfase beoogde situatie van 26 februari 2020 met kenmerk RqSxHGyxgBB6; • AERIUS-verschilberekening gebruiksfase van 14 september 2018 met kenmerk RmoK74JgeCZf; • m.e.r.-beoordelingsbesluit van 18 september 2018 met zaaknummer Z/18/008887.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 71 van 72

BIJLAGE

USB STICK OMGEVINGSVERGUNNING Z/20/015590 Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in HAAKSBERGEN

Digitaal Hieronder treft u aan een USB Stick met gewaarmerkte stukken behorende bij deze zaak.

Z/20/015590, Eibergsestraat 211 te Haaksbergen in Haaksbergen

pagina 72 van 72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12001902/1